a. Bijlage 1a Toelichting Bestemmingsplan
Tekst van het document
Door de landschappelijke inpassing van de voorgenomen uitbreiding van het bedrijf wordt vooral ingestoken op het punt van biodiversiteit en klimaatadaptatie. 3.5.5 Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen passen binnen het ruimtelijke beleid van de gemeente Zwartewaterland.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
21
4. Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. De aspecten X zijn afzonderlijk onderzocht. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.
4.2 Bodem 4.2.1 Vooronderzoek Dit bestemmingsplan voorziet in het planologisch vastleggen van de bestaande situatie: het gebruik van gronden ten behoeve van een bedrijf in de handel in en opslag van stenen, verhardingen en bestratingsmaterialen. Het terrein is hiertoe volledig verhard. Dit gebruik stelt geen eisen specifieke hoge kwaliteitseisen aan de bodemkwaliteit. Om deze reden is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek met als doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen niet noodzakelijk. 4.2.2 Conclusie Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3 Verkeer en parkeren 4.3.1 Verkeer Dit bestemmingsplan voorziet in het planologisch vastleggen van de bestaande situatie: het gebruik van gronden ten behoeve van een bedrijf in de handel in en opslag van stenen, verhardingen en bestratingsmaterialen. De vaststelling van dit bestemmingsplan leidt mede door de beperkte openingstijden van het bedrijf niet in zeer beperkte mate tot een toename van de verkeersaantrekkende werking. Het plangebied wordt ontsloten via de ventweg langs de N331. In het noorden sluit de ventweg aan op de Randweg en in het zuiden door middel van de rotonde op de N331. De zeer beperkte toename van het verkeer leidt niet tot het ontstaan van knelpunten op de ontsluitingswegen van het plangebied. 4.3.1.1 Conclusie verkeer Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.3.2 Parkeren Dit bestemmingsplan voorziet in het planologisch vastleggen van de bestaande situatie: het gebruik van gronden ten behoeve van een bedrijf in de handel in en opslag van stenen, verhardingen en bestratingsmaterialen. Ten opzichte van de huidige planologisch toegestane situatie neemt daartoe de omvang van het bedrijf toe. Als gevolg van de beperkte openingstijden van het bedrijf zal de parkeerbehoefte van het bedrijf niet of in zeer beperkte mate toenemen.
Niettemin dient de eigenaar van het plangebied te voorzien in parkeergelegenheid voor bezoekers op eigen terrein. In het landschappelijke inpassingsplan zijn ter hoogte van de ingang tot het bedrijf in elk geval 9 parkeerplaatsen ingetekend. Dit aantal parkeerplaatsen voldoet aan de gangbare parkeerbehoefte van het bedrijf. In het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar, om in situaties waarbij het aantal bezoekers groter is dan het aantal beschikbare parkeerplaatsen, plekken aan te wijzen waar kan worden geparkeerd, zodat het parkeren van auto's langs de Werkerlaan niet noodzakelijk is.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
22
4.3.2.1 Conclusie parkeren Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.3.3 Conclusie Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4 Geluid 4.4.1 Beoordelingskader De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. In deze wet is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt indien in dat bestemmingsplan mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten. In deze paragraaf wordt ingegaan op de geluidsaspecten met betrekking tot wegverkeerslawaai en industrielawaai. Spoorweglawaai is in dit geval niet aan de orde omdat het plangebied niet nabij een spoorweg ligt. 4.4.2 Onderzoek Wegverkeerslawaai Dit bestemmingsplan voorziet in het planologisch vastleggen van de bestaande situatie: het gebruik van gronden ten behoeve van een bedrijf in de handel in en opslag van stenen, verhardingen en bestratingsmaterialen. De steenhandel/-opslag is zelf geen geluidgevoelige bestemming voor wegverkeerslawaai in de zin van de Wet geluidhinder, waardoor geen beoordeling van het wegverkeerslawaai hoeft plaats te vinden.
Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Industrielawaai Het plangebied is gelegen in de geluidzone van het geluidgezoneerde industrieterrein Zwarte Water, maar het perceel maakt zelf geen onderdeel uit van het geluidgezoneerde industrieterrein (zie afbeelding 3). De steenhandel/-opslag is geen geluidgevoelige bestemming, zodat de geluidbelasting als gevolg van industrielawaai (interne werking) niet hoeft te worden beoordeeld. Voor de externe werking van het door de steenhandel/-opslag geproduceerde geluid, zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit van toepassing. Er bevinden zich geen geluidgevoelige bestemmingen in de nabijheid van de inrichting en deze zijn ook planologisch niet mogelijk. Het is daarmee voldoende aannemelijk dat aan de norm van 50 dB wordt voldaan. 4.4.3 Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5 Luchtkwaliteit 4.5.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
23
• • •
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • • • •
CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).
4.5.2 Onderzoek Externe werking effecten van het plan Als gevolg van het uitbreiden van de steenhandel/-opslag zal er een geringe toename zijn van emissies van fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofoxiden (NOx) als gevolg van wegverkeersemissies. Het is voldoende aannemelijk dat er geen toename zal zijn van de jaargemiddelde concentratie voor PM10 en NO2 van meer dan 1,2 µg/m3, zodat er sprake is van een ‘niet in betekenende mate’ verslechtering van de luchtkwaliteit in de zin van de Wet milieubeheer. Hiermee wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Interne werking luchtkwaliteit op het plan Uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) van het RIVM blijkt dat er ter hoogte van het plan in het jaar 2020 stikstofdioxide (NO2) concentraties worden verwacht van circa 12,0 µg/m3
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
24
als jaargemiddelde en fijn stof concentraties van 16,0 (PM10) en 10,1 (PM2,5) µg/m3 als jaargemiddelde. Hiermee wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer van 40 µg/m3 als jaargemiddelde voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 als jaargemiddelde voor PM2,5. De concentraties voldoen tevens aan de advieswaarden van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) van 40 µg/m3 als jaargemiddelde voor NO2 en 20 µg/m3 als jaargemiddelde voor PM10. Aan de WHO-advieswaarde van 10 µg/m3 als jaargemiddelde voor PM2,5 wordt (nog) net niet voldaan. Voor de periode richting 2030 wordt nog een verdere verbetering van de luchtkwaliteit verwacht: de jaargemiddelde concentratie PM2,5 zal in dat jaar circa 7,6 µg/m3 bedragen, waarmee aan de WHO-advieswaarde wordt voldaan. 4.5.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6 Geur 4.6.1 Beoordelingskader In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moet worden gekeken of in het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat is gegarandeerd en of het bouwblok van eventueel omliggende veehouderijbedrijven optimaal blijft benut. 4.6.2 Onderzoek De in het plangebied gevestigde steenhandel/-opslag is geen geurgevoelige bestemming op basis van de Wet geurhinder en veehouderij, zodat er geen beoordeling op grond van deze wet hoeft plaats te vinden. 4.6.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘geur’ geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7 Watertoets Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het kader van de watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Relevant beleid Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. •
Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
25
•
•
Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap probeert niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook wi het van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken.
Invloed op de waterhuishouding Dit bestemmingsplan voorziet in het planologisch vastleggen van de bestaande situatie: het gebruik van gronden ten behoeve van een bedrijf in de handel en opslag van (straat)stenen. Daarmee wordt niet voorzien in de bouw van meer dan 10 wooneenheden en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1.500 m², doordat de uitbreiding van het bedrijf al was toegestaan middels een tijdelijke vergunning. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beekdal, primair watergebied of een stedelijke watercorridor. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om een goed inzicht te krijgen in het grondwatersysteem wordt geadviseerd om in overleg met het waterschap zo spoedig mogelijk te starten met een grondwateronderzoek. Dit kan in eerste instantie op basis van bestaande peilbuizen binnen of in de omgeving van het plangebied. Indien noodzakelijk kunnen nieuwe peilbuizen worden geplaatst. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 20 á 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren.
Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast door onder andere te voorkomen dat afstromend hemelwater vanaf het straatoppervlak naar binnen kan stromen. Bij de aanleg van kelderconstructies dient aandacht te worden geschonken aan de toepassing van waterdichte materialen en constructies. Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een hoofdwatergang of watergang van het waterschap. De functie van deze watergang(en) moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur van het Waterschap Groot Salland beschreven. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur van het Waterschap Groot Salland opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Groot Salland. Ten behoeve van het beheer en onderhoud geldt langs de watergang (vanaf de insteek) een obstakelvrije zone van 5 meter. Door middel van een Watervergunning kan hiervan worden afgeweken. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone van de watergangen in beheer van het waterschap (een 'hoofdwatergang' aan de westzijde en een 'watergang' aan de zuidzijde van het plangebied) dient een Watervergunning aangevraagd te worden.
Voor het dempen van watergangen (ook die niet in beheer zijn bij het waterschap) dient altijd een Watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap. Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich moet ontdoen) op oppervlaktewater vanuit een woning of een (agrarisch) bedrijf gelden de volgende regels: •
Voor lozingen van huishoudelijk afvalwater vanuit woningen geldt het Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah). Uitgangspunt is dat het huishoudelijk afvalwater op een gemeentelijk rioolstelsel wordt geloosd. Indien niet mogelijk is, moet een voorziening worden aangelegd die een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau biedt.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
26
Voor lozingen van afvalwater van een (agrarisch) bedrijf geldt het Activiteitenbesluit. Voor deze lozingen gelden de volgende stappen: • • • •
voorkomen en hergebruik van afvalwater; voorzieningen moeten voldoen aan best bestaande techniek (bbt); de restlozing kan worden getoetst aan de effecten op het ontvangend oppervlaktewater (emissie / immissietoets). Voor lozingen vanuit niet-inrichtingen geldt het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi). De voorschriften, opgenomen in de algemene regels van bovengenoemde besluiten, voldoen aan het criterium van best bestaande techniek (bbt).
Het generieke beleid ten aanzien van lozingen is opgenomen in het Handboek Water. Voor lozingen kan een melding of een vergunning noodzakelijk zijn. Naast bovenstaande kunnen op basis van de Keur ook kwantiteitseisen aan de lozing en de bijbehorende lozingswerken worden gesteld. Hiervoor is een vergunning of een melding op basis van de Waterwet noodzakelijk. Het plan bevat geen rioleringscomponent, want door het plan neemt het afvalwaterdebiet in het bestaande gemengde- of vuilwaterstelsel niet toe. Voorkeursbeleid hemel- en afvalwater Bij het afvoeren van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromen hemelwater ter plaatse in het milieu moet worden gebracht, dat wil zeggen lozen in de bodem (infiltratie) of in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te het infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's geniet daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.
De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Watertoetsproces Via www.dewatertoets.nl is het waterschap geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling. Het resultaat van de watertoets is in bijlage 1 en heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets wordt toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap geeft een positief wateradvies. Overstromingsrisicoparagraaf Op de Risicokaart van de provincie is aangegeven dat het plangebied in zijn geheel in een overstromingsgebied ligt. Het ligt ten zuidwesten van het Zwarte Water binnen het dijkringgebied 10 Mastenbroek.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
27
Risicokaart overstromingsgebied Het plangebied valt in een gebied waar de overstromingsdiepte 0,2 - 0,5 meter kan zijn. De wettelijke norm voor de dijkring is een overschrijdingskans van < 1:10.000 jaar. Het overstromingswater zal doorgaans de weg van de minste weerstand volgen en derhalve zullen eerst de laaggelegen gebieden onder water lopen. Afhankelijk van hoe snel het water kan worden afgevoerd kan in het plangebied overstroming plaatsvinden. Voor het plangebied is het van belang dat nagedacht wordt over voorzieningen die de risico's kunnen beperken. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijkringen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Voor nieuwe ontwikkelingen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan navolgende voorzieningen/ maatregelen: • • • • • •
aanvullend ophogen (voor zover mogelijk) van het plangebied; voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, eventueel verhoogde drempels; aansluiting plangebied op dichtstbijzijnde weg, zodat bereikbaarheid gewaarborgd blijft; zodanig inrichten gebouw zodat bij eventuele overstromingen schade zoveel mogelijk wordt beperkt (bijvoorbeeld materiaalgebruik, minder gevoelige ruimten begane grond); opstellen van evacuatie plan; belangrijke functies dan wel belangrijke apparatuur (bijvoorbeeld generator en dergelijke) verhoogd of op eerste verdieping situeren.
4.7.1 Beoordelingskader Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het kader van de watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). 4.7.2 Digitale watertoets Via www.dewatertoets.nl is het waterschap geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling. Het resultaat van de watertoets is in bijlage 1 en heeft er toe geleid dat de normale procedure van de
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
28
watertoets wordt toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap geeft een positief wateradvies. 4.7.3 Relevant beleid Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. • •
•
Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap probeert niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook wi het van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken.
4.7.4 Waterparagraaf Uitgangspuntennotitie Op grond van de digitale watertoets heeft het waterschap een uitgangspuntennotitie ten behoeve van dit bestemmingsplan opgesteld. Het doel van de uitgangspuntennotitie is om in de initiatieffase van een plan bruikbare informatie aan te leveren voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. De uitgangspuntennotitie bevat een beschrijving van de volgende onderdelen: • • •
de bestaande waterhuishouding van het plangebied; concrete uitgangspunten voor het plan op basis waarvan de waterhuishouding wordt geregeld; informatie over het vervolg van de watertoets en de uiteindelijke beoordeling van het waterschap in het kader van de watertoets.
Voorgenomen ontwikkeling Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van de uitbreiding van een bedrijf in de handel in en opslag van stenen, verhardingen en bestratingsmaterialen met circa 3.000 m². Deze uitbreiding bestaat geheel uitverharding wordt gebruikt ten behoeve van de opslag van bestratingsmaterialen. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen neemt het oppervlakte aan verhardingen toe met 3.000 m². Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied Mastenbroek. Rond het plangebied liggen primaire en secundaire watergangen die in het beheer van het waterschap zijn. Het peilgebied heeft een maximumpeil van -1,1 m. NAP. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
29
Overzicht van de bestaand waterhuishouding rondom het plangebied (bron: waterschap DrentsOverijsselse Delta). Concrete uitgangspunten nieuwe situatie De voorgenomen ontwikkelingen voorzien niet in het dempen, verleggen of graven van primaire of secundaire watergangen die onderdeel zijn van het watersysteem. Op de Risicokaart van de provincie is aangegeven dat het plangebied in zijn geheel in een overstromingsgebied ligt. Het ligt ten zuidwesten van het Zwarte Water binnen het dijkringgebied 10 Mastenbroek.
Risicokaart overstromingsgebied Het plangebied valt in een gebied waar de overstromingsdiepte 0,2 - 0,5 meter kan zijn. De wettelijke norm voor de dijkring is een overschrijdingskans van < 1:10.000 jaar. Het overstromingswater zal doorgaans de weg van de minste weerstand volgen en derhalve zullen eerst de laaggelegen gebieden onder water lopen. Afhankelijk van hoe snel het water kan worden afgevoerd kan in het plangebied overstroming plaatsvinden. Voor het plangebied is het van belang dat nagedacht wordt over voorzieningen die de risico's kunnen beperken. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijkringen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
30
bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Voor nieuwe ontwikkelingen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan navolgende voorzieningen/ maatregelen: • • • • • •
aanvullend ophogen (voor zover mogelijk) van het plangebied; voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, eventueel verhoogde drempels; aansluiting plangebied op dichtstbijzijnde weg, zodat bereikbaarheid gewaarborgd blijft; zodanig inrichten gebouw zodat bij eventuele overstromingen schade zoveel mogelijk wordt beperkt (bijvoorbeeld materiaalgebruik, minder gevoelige ruimten begane grond); opstellen van evacuatie plan; belangrijke functies dan wel belangrijke apparatuur (bijvoorbeeld generator en dergelijke) verhoogd of op eerste verdieping situeren.
Omdat de sprake is van een toename van het verharde oppervlak groter dan 1.500 m² (het verharde oppervlak neemt toe met 3.000 m²) dient er watercompensatie gerealiseerd te worden. In de noordoostelijke hoek van het plangebied is hiertoe een deel als groen bestemd. Dit deel van het terrein heeft een oppervlakte van ruime 1.950 m² en biedt daarmee voldoende ruimte om 10% van het nieuwe verharde oppervlak te compenseren en het afstromende hemelwater te infiltreren in de grond. De verharding op het terrein is zo ontworpen dat het hemelwater dit terreindeel afstroomt. In situaties waarbij deze oplossing niet meer voldoet kan het hemelwater afstromen naar de om het plangebied liggende primaire en secundaire watergangen. Deze watergangen staan in verbinding met een bergingsvijver die op circa 50 meter ten noorden van het plangebied ligt. In normale situaties infiltreert het hemelwater in de groenzone ten noordoosten van de verharding en vindt geen lozing van overtollig hemelwater op de omliggende primaire en secundaire watergangen plaats. In uitzonderlijke gevallen zal het hemelwater afstromen op het oppervlaktewater. In dat geval mag alleen schoon hemelwater direct worden afgevoerd. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen.
Licht vervuild hemelwater wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. De afvoer van afvalwater van het bedrijfsgebouw vindt plaats via het gemeentelijke rioolstelsel. Verder leiden de voorgenomen ontwikkelingen niet tot externe werking op de waterhuishouding in de directe omgeving. 4.7.5 Conclusie Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.8 Ecologie 4.8.1 Beoordelingskader Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
31
4.8.2 Gebiedsgerichte natuurbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Het is krachtens de Wnb verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2).
Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Onderzoek In en in de directe omgeving van het plangebied liggen geen gebieden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van het circa 800 meter ligt het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Gezien de aard en de omvang heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het natura 2000gebied. Daarnaast is er een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstof depositie van de aanlegfase en de gebruiksfase als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen op het Natura 2000gebied te bepalen. Uit de bereking blijkt dat er zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op het natura 2000-gebied. De AERIUS-berekening is als bijlage 2 van de bijlagen bij toelichting opgenomen.
4.8.3 Beschermde flora en fauna Het plangebied is in de huidige situatie geheel in gebruik ten behoeve van het bedrijf, hiervoor is het geheel verhard. In het plangebied worden op basis van de terreinkenmerken geen beschermde plant- en diersoorten verwacht. Ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan is niet noodzakelijk bomen te kappen. In het plangebied is geen sprake van vliegrotes of fourageergebied van vleermuizen. Broedvogels met jaarrond beschermde nestlocaties zoals Huismus, uilen en roofvogels zijn niet aangetroffen en/of te verwachten binnen de invloedsfeer van de plannen. Geschikte nestlocaties ontbreken. 4.8.4 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
32
4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie 4.9.1.1 Beoordelingskader Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. De nieuwe Omgevingswet treedt op 1 januari 2021 in werking. In het kader van een ruimtelijk plan is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de betreffende gronden van archeologische waarde kunnen zijn. De uitkomsten hiervan worden door het bevoegde gezag meegenomen in de belangenafweging. 4.9.1.2 Onderzoek Voor de gemeente Zwartewaterland is de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart Zwartewaterland opgesteld. Het plangebied heeft een een archeologische verwachtingswaarde van 10%. Op basis van de gemeentelijke erfgoedverordening geldt in dit geval dat bij een lage verwachting geen archeologisch onderzoek nodig is.
Uitsnede Archeologische Waardenkaart Zwartewaterland 4.9.1.3 Conclusie Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.9.2 Cultuurhistorie 4.9.2.1 Aanwezige cultuurhistorische waarden In paragraaf 2.2 is ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van het plangebied en omgeving. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht. Ook zijn in het plangebied geen aangewezen rijks- en gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten of structuren aanwezig. Derhalve herbergt het plangebied geen specifieke cultuurhistorische waarden die bescherming vanuit het bestemmingsplan behoeven. 4.9.2.2 Conclusie Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
33
4.10 Bedrijven en milieuzonering 4.10.1 Beoordelingskader Voor de toets milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de brochure Bedrijven en milieuzonering van de VNG, uitgave 2009. In bijlage 1 van de VNG brochure wordt een richtafstandenlijst gegeven voor milieubelastende activiteiten met verschillende bedrijfsactiviteiten, installaties en opslag van stoffen ingedeeld in een milieucategorie. Daarbij worden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar richtafstanden gegeven tot woningen of andere gevoelige bestemmingen. Tevens wordt in deze lijst een index gegeven voor aspecten verkeer, visueel, bodem en lucht. Wanneer woningen zijn gelegen in een gemengd gebied met bedrijvigheid of in de nabijheid van hoofdinfrastructuur, kan de richtafstand met één afstandstap worden verlaagd naar de richtafstand behorend bij de eerst onderliggende categorie (VNG paragraaf 2.3). Wanneer er wettelijke grenswaarden en afstanden gelden zijn die leidend boven de richtafstanden. 4.10.2 Onderzoek Interne werking op het plan De steenhandel/-opslag is geen gevoelige of kwetsbare bestemming voor geluid, geur of externe veiligheid, zodat de interne werking niet hoeft te worden beoordeeld.
Externe werking van het plan De activiteiten van de steenhandel/-opslag zijn conform de richtafstandenlijst bijlage 1 van de VNGbrochure te scharen onder SBI-2008-code 4752: “Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten”, met milieucategorie 2 en bijbehorende richtafstanden tot een rustige woonomgeving van 0 meter voor geur, 0 meter voor stof, 30 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Er zijn geen woningen of andere gevoelige bestemmingen aanwezig binnen de genoemde richtafstanden, zodat aan de richtafstanden wordt voldaan. 4.10.3 Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Beoordelingskader Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).
Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Veiligheid en Justitie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
34
gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening komen net als bij het Bevi in een regeling te staan. Deze regeling is nog niet gepubliceerd. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidingen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar. Externe Veiligheidsbeleid Gemeente Zwartewaterland De gemeente Zwartewaterland wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente in november 2013 het externe veiligheidsbeleid geformuleerd.
Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Zwartewaterland aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico (GR) en plaatsgebonden risico (PR) te overwegen. De gemeente Zwartewaterland streeft naar een verantwoord evenwicht tussen de risico’s en de behoefte aan activiteiten die de risico’s veroorzaken. Dit streven is gebaseerd op de overtuiging dat de veiligheidsrisico’s een onderdeel zijn van het maatschappelijke verkeer. De gemeente kan daarbij niet op alle gevaarlijke activiteiten direct invloed uitoefenen. Deze verantwoordelijkheid ligt ook bij de gebruiker of eigenaar en bij de provinciale- en rijksoverheid. Dit laat onverlet dat de gemeente wel een verantwoordelijkheid heeft om veiligheidsrisico’s te minimaliseren en beheersbaar te maken door grenzen te stellen en deze te handhaven. Op het gebied van externe veiligheid wil de gemeente Zwartewaterland dit bereiken door het hanteren van beleidsregels. In het plangebied bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten voor externe veiligheid. Voor de volledigheid is het plan getoetst aan de EV-signaleringskaart (zie onderstaande afbeelding).
Uitsnede EV-signaleringskaart. 4.11.2 Plaatsgebonden risico Het plangebied is niet gelegen binnen een aan te houden afstand voor het plaatsgebonden risico PR10-6 van inrichtingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen onder het Besluit externe
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
35
veiligheid inrichtingen (Bevi), aangewezen transportroutes voor gevaarlijke stoffen onder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) of buisleidingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). 4.11.3 Groepsrisico Het plangebied is bovendien niet gelegen binnen een invloedsgebied van Bevi inrichtingen, transportroutes gevaarlijke stoffen of buisleidingen waarvoor een verantwoording van het groepsrisico is vereist. 4.11.4 Externe werking In paragraaf 3 is beschreven dat voor de steenhandel/-opslag rekening dient te worden gehouden met een richtafstand van 10 meter voor gevaar. Binnen deze afstand zijn geen woningen of andere (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig. 4.11.5 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.13 Besluit Milieu-effectrapportage 4.13.1 Beoordelingskader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • • • •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling)
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
36
noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.13.2 Verantwoording vormvrije m.e.r.-beoordeling Het realiseren van woningen is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ (D 11.2). Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.rbeoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij 2.000 woningen of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a.
2.000 woningen of meer) wordt vergeleken met de omvang van voorliggende ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 4.13.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
37
5. Toelichting op de regels 5.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan 'Werkerlaan 4, Hasselt' worden de huidige bestemmingen gewijzigd zodat de uitbreiding van bestaande bedrijfsactiviteiten in oostelijke richting mogelijk worden gemaakt. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De regels zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • • • •
Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
5.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. 5.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • •
artikel 1: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
38
De bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). Uitgangspunt is dat alleen gebouwd mag worden binnen de bouwgrenzen. 5.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • • • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, bedrijvigheid etc.); Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.); Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels; Verboden gebruik: welke vormen van gebruik zijn uitgesloten.
In paragraaf 5.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. Daarnaast wordt, indien gekozen wordt af te wijken van de bestemming uit het geldende bestemmingsplan, aangeven waarom daarvoor is gekozen. 5.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
• • • •
•
artikel 5: deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen, indien een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom - nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel - wordt betrokken; artikel 6: in de algemene bouwregels zijn regels opgenomen ten aanzien van het realiseren van voldoende parkeerplaatsen en, indien van toepassing, laad- en losvoorzieningen; artikel 7: in de algemene gebruiksregels is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan; artikel 8: in het plangebied is een gebiedsaanduidingen opgenomen. In de algemene aanduidingsregels zijn regels opgenomen voor deze gebiedsaanduiding; artikel 9: op basis van de algemene afwijkingsregels kunnen Burgemeester en wethouders omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van onderdelen van bestemmingsbepalingen, mocht dat in die bepalingen zelf niet geregeld zijn. Bedoeld worden onder meer geringe afwijkingen van bouw- of bestemmingsgrenzen; artikel 10: bij het stellen van nadere eisen, zoals bedoeld in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening, dient aan belanghebbenden de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen te worden geboden.
Hiertoe wordt in de algemene procedureregels een procedure voorgeschreven.
5.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 11 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 11 geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer en de datum van vaststelling door de gemeenteraad.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
39
5.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. In dit bestemmingsplan is de enkelbestemming 'Bedrijf - Steenhandel en -opslag' opgenomen. Deze bestemming voorziet in het voeren van een bedrijf in de handel en opslag van stenen, verhardingen en bestratingsmaterialen met daarbij behorende bebouwing, erven en terreinen. Bebouwing is enkel toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Het bouwen van een bedrijfswoning is expliciet uitgesloten in de regels van deze bestemming.
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het terrein is rondom de bedrijfsbestemming de enkelbestemming 'Groen' opgenomen. Om te borgen dat de maatregelen uit het landschappelijke inpassingsplan worden gerealiseerd, is het gebruik van gronden en gebouwen gekoppeld aan de aanleg van de in het inpassingsplan opgenomen maatregelen. Het landschappelijke inpassingsplan is daartoe als bijlage 1 van de bijlagen bij de regels opgenomen.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
40
6. Financiële uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.
6.2 Exploitatie De Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening) gaat ervan uit dat bij het bestemmingsplan een exploitatieplan wordt vastgesteld tenzij het kostenverhaal anders verzekerd is. De voor dit bouwplan en bestemmingsplan te maken kosten, waaronder eventuele tegemoetkoming in schade, zijn voor rekening van de betrokken grondeigenaar en initiatiefnemer. Met hen worden hierover bindende afspraken gemaakt. Deze afspraken worden opgenomen in overeenkomsten tussen de initiatiefnemer en de gemeente, die voor de vaststelling van het bestemmingsplan zijn afgerond. Om die reden maakt een exploitatieplan geen deel uit van dit bestemmingsplan.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
41
7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure).
7.2 Overleg Conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is dit bestemmingsplan toegestuurd aan bevoegde instanties.
7.3 Zienswijzen Het ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen, zodat eenieder de mogelijkheid had een zienswijze in te dienen. Gedurende de inzagetermijn zijn er geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingebracht.
6 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard
42