a. Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Kamperzeedijk 131a
Tekst van het document
Naast de geschiktheid van de woning, zijn ook de toegankelijkheid van de woonomgeving, de kwaliteit van het sociale netwerk en het professionele vangnet belangrijke voorwaarden om als gemeente aangehaakt te blijven. 5. Bouwen voor vitale kernen De gemeente Zwartewaterland legt de komende jaren het accent op de bestaande voorraad, door deze te verduurzamen, verbeteren toegankelijkheid en transformatie. De nieuwbouw in de gemeente zal kleinschalig en gefaseerd plaatsvinden, zodat het mogelijk is om in te spelen op veranderingen in de woningvraag. De nieuwbouw dient bij te dragen aan de identiteit van een wijk of kern en uiteraard aansluiten bij de woningvraag. Daarnaast moet er aandacht en nadere concretisering van de randvoorwaarden met betrekking tot duurzaamheid, toekomstbestendigheid en toegankelijkheid. 6. Voldoende woningen voor jongeren en stimuleren eigen woningbezit starters Voor de jongeren in de gemeente Zwartewaterland wil de gemeente een kans op een woning vergroten. Door het toevoegen van kleinere woningen in de bestaande voorraad of door nieuwbouw en door het aanbieden van (vormen) van een starterslening, wil de gemeente Zwartewaterland het eigen woningbezit stimuleren. Vertaling naar dit plan Met voorliggend plan wordt op onderdelen invulling gegeven aan het gemeentelijk woonbeleid.
Gezien de beperkte omvang van het plan zijn niet alle gemeentelijke doelstellingen relevant voor dit plan. Met het slopen van bestaande opstallen en het terug bouwen van een woning op basis van een goede landschappelijke inpassing, wordt invulling gegeven aan de opgave om duurzaam te bouwen. Daarnaast wordt deze woning gebouwd voor een inwoner van de gemeente, waardoor invulling wordt gegeven aan de doelstelling om voor mensen met ‘roots’ in de gemeente te bouwen. Hiermee wordt gelijktijdig bijgedragen aan het versterken van de sociale binding in de kernen. 27
4.4.3 Landschapontwikkelingsplan De gemeente Zwartewaterland ligt strategisch in en tussen bijzondere gebieden: het Nationaal Landschap IJsseldelta, de Natura 2000 gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, WeerribbenWieden, Olde Maten & Veerslootslanden en het Zwarte Meer. Water en de strijd tegen het water speelt nog steeds een belangrijke rol bij de vorming van ons landschap en de stedelijke kernen. Water en dijken zijn belangrijke elementen als het gaat om de huidige kwaliteit van het landschap. In het Landschapontwikkelingsplan heeft Zwartewaterland samen met de gemeenten Kampen en Zwolle deze kwaliteiten in beeld gebracht. Daarbij is per landschapstype aangegeven welke ontwikkelingen gewenst en ongewenst zijn. In het Landschapontwikkelingsplan is het plangebied gelegen (op de rand van ) polder Mastenbroek. Voor dat gebeid zijn de volgende gewenste ontwikkelingen benoemd in het Landschapontwikkelingsplan: -
Versterken van de weidsheid, behouden van de bijzondere verkaveling Behouden van terpen en kreken Versterken van de landbouw en inzetten op recreatief medegebruik (over water en wegen) Versterken van erfbeplanting Behouden van de bruggen Ontwikkelen van natuur langs de weteringen en sloten en langs de randen van de polder Ontwikkelen van half natuurlijke graslandvegetatie en weidevogelgebied
Vertaling naar dit plan Met voorliggend plan wordt landschap ontsierende bebouwing gesloopt en wordt op basis van (het versterken) van landschappelijke kwaliteiten een woning terug gebouwd. Ten behoeve van het plan is een inrichtingsplan opgesteld. In de regels van het bestemmingsplan is de verplichting opgenomen dat het inrichtingsplan bij de ontwikkeling van het plangebied als uitgangspunt moet worden gehanteerd. In dit inrichtingsplan (zie bijlage 1) is rekening gehouden met de doelstelling van het Landschapontwikkelingsplan. Niet alle gewenste ontwikkelingen zijn op dit plan van toepassing. Het inrichtingsplan voorziet met name in het toevoegen van gebiedseigen beplanting. Als bijlage 1 is het inrichtingsplan opgenomen.
4.4.4 Beleidsregel KGO Zwartewaterland De gemeentelijke beleidsregel Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) biedt duidelijkheid over de manier waarop in Zwartewaterland de KGO-regeling van de provincie zal worden toegepast. In de eerste plaats door in een rekenmodel eenduidige criteria te benoemen aan de hand waarvan de vereiste investering in kwaliteit kan worden bepaald. In de tweede plaats door in de toelichting de gedachte achter het rekenmodel te verantwoorden. Provinciaal beleid Met de provinciale omgevingsvisie is gekozen voor een andere toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. In plaats van kwantitatieve toetsing, ligt nu meer de nadruk op kwaliteit en maatwerk. Hoe bij een ruimtelijke ontwikkeling de kwaliteitsimpuls wordt vormgegeven is voor elk geval maatwerk. Voor de hoogte van de investering zijn echter wel maatstaven opgenomen. Deze zijn uitgewerkt in het provinciale werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
28
In de KGO wordt onderscheid gemaakt in het leveren van een basisinspanning en een aanvullende kwaliteitsprestatie. Bij kleinschalige ontwikkelingen kan worden volstaan met een basisinspanning. Dit houdt in dat de ontwikkeling ruimtelijk goed wordt ingepast. Doorgaans beperkt deze inpassing zich tot (een deel van) het erf waarop de ontwikkeling plaatsvindt. Gemeentelijke beleidsregel In de gemeentelijke beleidsregel wordt een concrete invulling gegeven aan de toepassing van de KGO en de omschreven maatstaven, zodat zowel voor de aanvrager als gemeente helder is wat de spelregels zijn. De methodiek is geïnspireerd op het werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie. Het kwaliteitsgericht denken, waarbij enkel de impact en schaal van de ontwikkeling bepalend is voor de hoogte van de ruimtelijke investering, is uitgewerkt naar een concreet toepasbaar rekenmodel. Met de berekeningsmethodiek wordt bepaald of er bij een ontwikkeling kan worden volstaan met een basisinspanning of dat er ook een aanvullende kwaliteitsprestatie moet worden geleverd. Als er sprake is van een aanvullende kwaliteitsprestatie blijkt uit de berekening hoe hoog deze moet zijn. Vertaling naar dit plan Op basis van het gemeentelijke rekenmodel (zie onderstaand schema) is bepaald of sprake is van een basisinspanning of van een aanvullende kwaliteitsprestatie.
Daarbij is de bestaande situatie afgezet tegen het plan. Uit de berekening blijkt dat kan worden volstaan met een basisinspanning. Het gemeentebestuur heeft op basis van deze methodiek haar medewerking voor het plan verstrekt. Deze medewerking vindt haar vertaling in voorliggend bestemmingsplan.
29
De basisinspanning wordt in voorliggend plan vormgegeven door het slopen van landschap ontsierende opstallen, het onder architectuur terugbouwen van een woning en het opstellen van en het uitvoering geven aan een landschapsplan waaruit blijkt dat het plan op een juiste manier landschappelijk is ingepast en dat het plan bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van het landschap. Dit landschapsplan is als bijlage 1 bij dit bestemmingsplan gevoegd. De eerste stap tot het versterken van de kwaliteiten van het landschap is door de bestaande landschap ontsierende opstallen te slopen. Hierdoor ontstaat ruimte om op een passende wijze, afgestemd met Het Oversticht, een nieuwe woning te realiseren die zich verhoudt tot haar omgeving. Bij de positionering en omvang van de woning is goed gekeken naar de kwaliteiten van het gebied, de ligging ten opzichte van haar omgeving en de omvang van het perceel. Het Oversticht heeft geadviseerd om een ruime woning te realiseren omdat een kleine woning zich niet verhoudt tot haar omgeving. Per saldo is er sprake van een afname van de bebouwing, wat in combinatie met een onder architectuur gebouwde woning, bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van het Nationaal Landschap Ijsseldelta. Door de sloop ontstaat ruimte op het voormalige erf om dit voormalige erf op basis van beplanting verder te versterken.
Het landschapsplan dat hieraan ten grondslag ligt voorziet, in navolging van de in het Landschapontwikkelingsplan beschreven ambities, met name in het realiseren van erfbeplanting die is afgestemd op de kenmerken van de polder Mastenbroek en het Nationaal Landschap Ijsseldelta. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan de basisinspanning ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit, voortvloeiend uit het KGO-beleid.
4.5 Conclusie Voorliggend plan is getoetst aan ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. Door het toepassen van het KGO-beleid wordt op een passende manier maatwerk verleend die leidt tot een kwaliteitsverbetering ter plaatse van het plan gebied.
30
5. Toets aan ruimtelijke en milieukundige aspecten 5.1 Algemeen Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. In dat kader dient te kunnen worden aangetoond dat de wijziging van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt onder meer het toekomstige gebruik afgezet tegen ruimtelijke en milieukundige omstandigheden ter plaatse en in de omgeving. In dit hoofdstuk vindt deze toets plaats voor aspecten die voor dit initiatief relevant zijn en waar in deze fase van het planproces al inzicht in is.
5.2 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Analyse In huidige bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan buitengebied Zwartewaterland’ is voor het plangebied de bestemming wonen opgenomen. Door de situering en maatvoering van de gewenste ontwikkeling is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Het realiseren van één woning met bijgebouw is niet genoemd als een m.e.r.-plichtige activiteit, plan of besluit in bijlage 1 onderdeel C van het Besluit MER. Het oprichten van één woning met bijgebouw valt onder de D-lijst bijlage 1 van het Beluit MER als m.e.r.-beoordeling plichtige activiteit:
“De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De m.e.r.-boordelingsplicht is van toepassing wanneer een plan boven de drempelwaarde uitkomt. In het onderhavige geval is dit niet aan de orde. Een formele m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Wel moet met de wijziging van het Besluit MER ook voor activiteiten die onder de drempelwaarde vallen, aannemelijk moet worden gemaakt dat deze activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen hebben middels een zogenoemde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. Uit jurisprudentie blijkt dat ook voor een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling een afweging van het initiatief noodzakelijk is. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene 31
wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Wanneer het ruimtebeslag van voorziene woning met bijgebouw beperkt is en dit gepaard gaat met een beperktere bebouwing op een perceel is veelal geen ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In de huidige situatie is circa 914 m2 van het perceel bebouwd als woning en agrarische bebouwing en in de toekomstige situatie wordt circa 257 m2 van het perceel bebouwd. Om deze reden is geen ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Daarbij worden in de toelichting van dit bestemmingsplan de milieuthema’s en hun impact op de omgeving beschreven. Conclusie Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat voor de ontwikkeling aan de Kamperzeedijk 131a te Genemuiden geen m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, maar ook geen ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Het ruimtebeslag van deze ontwikkeling is beperkt en gaat gepaard met een beperktere bebouwing op het perceel dan de huidige situatie.
5.3 Archeologie en monumentenzorg Beleidskader In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Tevens moet in het kader van ruimtelijke ingrepen of bestemmingsplanwijzigingen worden afgewogen of er sprake is van de aantasting van monumentale waarden. Analyse Archeologie Voorliggend plangebied kent een archeologische dubbelbestemming, bestemming ‘Waardearcheologie’. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische monumenten die ter plaatse aanwezig zijn en het behoud van de archeologische monumenten, waarvan de aanwezigheid redelijkerwijs vermoed wordt. Op basis van de archeologische waardenkaart van de gemeente Zwartewaterland is het plangebied grotendeels als archeologisch waardevol betiteld. Dat betekent dat er voorwaarden worden gesteld aan het doen van bodemingrepen.
Aan de locatie is een archeologische dubbelbestemming ‘Waarde -archeologie’ toegekend. Op basis van die bestemming mag in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen, op of in deze gronden niet anders worden gebouwd ten behoeve van deze bestemmingen dan overeenkomstig de volgende regels, indien door de bouw de bodem op een grotere diepte dan 0,5 meter zal kunnen worden verstoord, tenzij de oppervlakte van de verstoring kleiner is dan 100 m² : a. de aanvrager van een omgevingsvergunning dient in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport over te leggen waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; 32
b. aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de volgende regels worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties. Vertaling naar dit plan Voorliggend plan voorziet in de sloop van bestaande opstallen en de nieuwbouw van één woning. De woning wordt voor een belangrijk deel gebouwd ter plaatse van bestaande opstallen waar de grond reeds geroerd is. Daarnaast wordt het bestaande maaiveld verhoogd ten behoeve van de bouw van de woning. Dat betekent dat het plan niet voorziet in bodemingrepen van meet dan 0,5 meter diep over een (ongeroerd) oppervlakte van meer dan 100 m2. Het uitvoeren van bodemonderzoek is daarom niet nodig. Mocht er een bouwplan worden gerealiseerd waar wel over een oppervlakte van 100 m2 en een diepte van meer dan 0,5 meter moet worden gegraven in ongeroerde grond, wordt alsnog een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De regels van het bestemmingsplan voorzien in deze verplichting ten tijde van het aanvragen van een aanvraag omgevingsvergunning.
Monumentenzorg Voorliggend plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Ook zijn binnen het plangebied geen monumentale opstallen aanwezig. Het aspect ‘monumentenzorg’ is derhalve geen beperking voor het plan. Wel ligt het plangebied in het Nationaal Landschap Ijsseldelta. Zoals in voorgaande hoofdstukken meermaals onderbouwd is de inrichting van het plangebied afgestemd op de kwaliteiten van het Nationaal Landschap. Op basis van het aan dit bestemmingsplan gekoppelde inrichtingsplan is aangetoond dat geen afbreuk wordt gedaan aan de volgende kenmerken van het Nationaal Landschap Ijsseldelta, maar dat het plan er aan bijdraagt: 1. de grote mate van openheid; 2. de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek; 3. het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen; 4. de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap; Conclusie Het plan is op basis van de aspecten ‘archeologie’ en ‘monumentenzorg’ uitvoerbaar.
5.4 Flora en fauna Beleidskader Een inschatting van eventuele belemmeringen op het gebied van natuurbescherming is onderdeel van een toets aan een goede ruimtelijke ordening. Daarom dient ieder plan waarvoor een wijziging van het bestemmingsplan optreedt te worden getoetst aan de Wet Natuurbescherming (Wnb). Het gaat daarbij zowel om gebiedsbescherming als soortenbescherming. 33
Analyse soortenbescherming Het plan voorziet in de sloop van opstallen en het oprichten nieuwe bouwwerken. Dit kan effect hebben op bestaande natuurwaarden. Daarom is in het kader van het bestemmingsplan een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn als bijlage 2 opgenomen en zijn als volgt. Soortenbescherming Vleermuizen Binnen het plangebied zijn mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het overtreden van een verbodsbepaling zoals genoemd in artikel 3.5 lid 1 (doden/verwonden) lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen of vernielen van jaarrond beschermde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) van de Wet natuurbescherming. Er is nader onderzoek nodig naar gebouw bewonende vleermuissoorten met de focus op gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Dit onderzoek wordt in de daartoe wettelijk bepaalde periode uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden bij het vast te stellen bestemmingsplan gevoed. Eventuele maatregelen die voortvloeien uit het vervolgonderzoek worden getroffen om het plan mogelijk te maken. Er is sprake van lijnvormige structuren die dienst kunnen doen als vliegroute voor vleermuizen.
Vanwege het in stand houden van deze structuur wordt geen permanent nadelig effect verwacht en nader onderzoek niet nodig geacht. Wel dient vanuit de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming onnodige lichtverstoring van foerageergebied voorkomen te worden. Er is mogelijk sprake van essentieel foerageergebied binnen de invloedssfeer van de projectlocatie. De ingreep zal naar verwachting geen negatieve effecten hebben op dit eventuele foerageergebied omdat een groot deel van de beplanting behouden blijft. Wel dient vanuit de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming onnodige lichtverstoring van foerageergebied voorkomen te worden. Zoogdieren - gebouwbewoond en grondbewoond Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als essentieel leefgebied of als vaste rust- en verblijfplaats door marterachtigen en egel. Vervolgonderzoek naar deze soorten is daarom nodig en het vervolgonderzoek voor deze soorten kan volledig gecombineerd worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt uitgevoerd en de resultaten worden bij het vast te stellen bestemmingsplan gevoegd. Ook kan het plangebied geschikt zijn voor haas en konijn. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling en is geen nader onderzoek nodig. Vogels - jaarrond beschermde nesten Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als rust- of nestplaats door boerenzwaluw en zwarte roodstaart.
Vervolgonderzoek naar deze soorten is daarom noodzakelijk om uit te sluiten dat de boerenzwaluw of de zwarte roodstaart het plangebied gebruikt als rust- of nestplaats. Dit onderzoek wordt uitgevoerd. Dit onderzoek wordt uitgevoerd en de resultaten worden bij het vast te stellen bestemmingsplan gevoegd. Vogels - algemene broedvogels Tijdens het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels in en rondom het plangebied verstoord, beschadigd of vernield worden. Voer werkzaamheden die kunnen leiden tot het vernielen 34
of verstoren van nesten buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie. Eerdere of latere broedgevallen zijn niet uitgesloten, met name van duiven. Bezette nesten zijn altijd beschermd, ongeacht de soort of periode. Tijdens het broedseizoen kunnen mogelijk verstorende werkzaamheden uitsluitend worden uitgevoerd nadat een erkend broedvogeldeskundige heeft vastgesteld dat er geen bezette nesten aanwezig zijn. Zo nodig worden werkzaamheden uitgesteld of maatregelen getroffen om verstoring of vernieling van nesten te voorkomen, bijvoorbeeld het instellen van een zone rondom het nest totdat de jongen het nest verlaten hebben. Overige soorten Nader onderzoek naar overige beschermde soorten is niet aan de orde. Houdt wel rekening met de algemene zorgplicht die geldt voor alle dieren, beschermd of niet. Analyse gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is gekeken of de toekomstige ontwikkelingen leiden tot negatieve effecten op natuurgebieden beschermd middels de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ontwikkelingen voortvloeiend uit de bestemmingsplanwijziging leiden niet tot effecten op doelstellingen of kwaliteiten van beschermde natuurgebieden (Natura2000 en Natuurnetwerk Nederland).
Met voorliggend plan wordt een woning gerealiseerd, hetgeen op basis van het geldende bestemmingsplan ook mogelijk is. Dit heeft geen effecten op natuurgebieden, ook niet in het kader van stikstofdepositie. Dat is aangetoond op basis van een AERIUS-berekening die als bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘gebiedsbescherming’ uitvoerbaar. In het kader van soortenbescherming dien t nader onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen en marterachtigen. Deze onderzoeken worden uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan beschikbaar. Met de uitkomsten van de vervolgonderzoeken wordt in dit bestemmingsplan rekening gehouden.
5.5 Bodem Beleidskader In het kader van het besluit bodemkwaliteit dient aangetoond te worden dat nieuwe bestemmingen op schone grond worden gerealiseerd. Dit, om aan te kunnen tonen dat er geen risico’s voor de gezondheid optreden bij het beoogde gebruik. Analyse De locatie betreft in de huidige staat een woonhuis met garage en twee schuren. Op het perceel is een veehandel aanwezig geweest. Op basis van de asbestdakenkaart zijn de schuren verdacht voor de aanwezigheid van asbestdaken. Het perceel is gedeeltelijk verhard met klinkers en beton/stelcon. Verder is de locatie onverhard met gras. In de toekomstige situatie zullen de bestaande opstallen worden gesloopt en wordt er een nieuwe woning gerealiseerd. 35
In het kader van voorliggend plan heeft een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden (NEN 5740). Naar aanleiding daarvan heeft een nader bodemonderzoek NTA 5755 inclusief asbest NEN 5707 plaatsgevonden. De resultaten van beide onderzoeken zijn als bijlage 4 opgenomen. hierna worden de resultaten beschreven.
Aanleiding onderzoek De aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek betreft de voorgenomen sloop van bestaande opstallen en nieuwbouw van een woning. Doel van het verkennend bodemonderzoek was het bepalen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater). Doel van het verkennend bodemonderzoek asbest was bepalen of de druppelzone onder het asbest dak asbesthoudend is of niet. Doel van het optionele asbestonderzoek is bepalen of de eventuele puinverharding asbesthoudend is of niet. Doel van het nader bodemonderzoek is het bepalen van de ernst, omvang en spoedeisendheid van saneren van de verontreinigingen. Onderzoeksresultaten De kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie Kamperzeedijk 131A te Genemuiden is met behulp van het verkennend en nader bodemonderzoek voldoende vastgesteld. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is plaatselijk een interventiewaarde verontreiniging met zink aangetoond ter plaatse van boring 18. Verder zijn in de grond maximaal achtergrondwaarde overschrijdingen met zware metalen en PAK aangetoond. In het grondwater zijn verhoogde concentraties (streefwaarde overschrijdingen) met barium en nikkel aangetoond. De gehalten met zware metalen en PAK zijn te relateren aan de bijmengingen met baksteen, metaal, dakpannen en aardewerk ter plaatse.
Ter plaatse van de druppelzone aan de zuidzijde van de zuidelijke schuur is asbest onder de interventiewaarde en norm voor nader onderzoek aangetoond. Dit asbest is vermoedelijk afkomstig van voormalige asbestdaken. Ter plaatse van de strook naast het schuurtje op de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie is asbest onder de interventiewaarde en norm voor nader onderzoek aangetoond. De herkomst is onbekend. Op basis van de waargenomen bijmengingen is mogelijk sloopmateriaal vermengd met de grond. Mate en omvang verontreinigingen De omvang van de interventiewaarde overschrijding met zink in de grond ter plaatse van boring 18 is voldoende vastgesteld. De verontreiniging is zowel in het horizontale als het verticale vlak in beeld gebracht tijdens het nader bodemonderzoek. Het hoogst gemeten gehalte aan zink in de grond is 758 mg/kg ds (gestandaardiseerd gemeten gehalte) ter plaatse van boring 18 (zie rapportage). De totale omvang van de interventiewaarde overschrijding met zink in de grond wordt geschat op circa 12,5 kubieke meters bodemvolume (circa 25 m2 oppervlakte, traject: 0,0 – 0,50 m –mv.). Milieuhygiënische risico’s, ernst en spoedeisendheid 36
Er is hier sprake van een immobiele bodemverontreiniging vermoedelijk veroorzaakt vóór 1 januari 1987. Hiervoor is het omvangcriterium van de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing ter bepaling van de ernst en saneringsnoodzaak. In onderhavig geval kan worden aangegeven dat ter plaatse geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink in de grond (traject: 0,0 – 0,50 m –mv.). Conform de Wet Bodembescherming is aldus geen sprake van een saneringsnoodzaak. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘bodem’ uitvoerbaar. Voor wat betreft de overschrijdingen van de achtergrondwaarde in de grond zijn er, ten aanzien van de kwaliteit van de bodem, op basis van de Wet Bodembescherming geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Echter wanneer er tijdens herontwikkeling graafwerkzaamheden in de plaatselijk sterk verontreinigde grond met zink plaats gaan vinden dient voorafgaand een plan van aanpak ingediend te worden bij de gemeente/omgevingsdienst.
5.6 Geluid Beleidskader Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) moet bij het opstellen of wijzigen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met de geluidsproductie van luchtvaarverkeer, wegverkeer, spoorwegen en industrie. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: -
woningen; andere geluidgevoelige gebouwen; geluidgevoelige terreinen.
Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning, afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Analyse De Kamperzeedijk heeft een geluidzone op grond van de Wet geluidhinder. Voor een nieuwe planologische situaties, met betrekking tot een geluidgevoelige bestemming, zijn er regels en grenswaarden opgenomen in de Wet geluidhinder. In het vigerende bestemmingsplan is reeds een enkelbestemming woning opgenomen op de locatie van de gewenste ontwikkeling. Het bouwvlak wordt echter verplaatst, wat betekent dat er een nieuwe akoestische afweging gemaakt moet worden. Voor de Omgevingsvergunning bouw moet rekening worden gehouden met en voldoende gevelwering tegen geluid (H3 Bouwbesluit 2012). Bij twee bouwlagen is voldoen aan de minimale gevelwering van 20 dB voldoende (H3 Bouwbesluit 2012). In het kader van voorliggend bestemmingsplan heeft daarom onderzoek plaatsgevonden naar de akoestische effecten van de N760. De resultaten zijn opgenomen als bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor geluid ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de N760 boven de gestelde criteria uit de Wet geluidhinder komen.
Omdat het toepassen van bronmaatregelen en van effectieve overdrachtsmaatregelen op praktische, verkeerskundige en/of financiële bezwaren stuiten, wordt voorgesteld om met het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de 37
schilconstructie aan met name de voorgevel van het geprojecteerde pand een binnenniveau van 33 dB te borgen. Om het plan mogelijk te maken dient daarbij een ontheffing hogere grenswaarde vast te laten stellen door de gemeente. Het is niet noodzakelijk om een onderzoek te laten uitvoeren naar de noodzakelijke geluid reducerende maatregelen aan de gevels in relatie tot de binnenwaarde van de nieuw te realiseren woning. De geluidwering van nieuw te realiseren woningen zal met 22 dB voldoende zijn om te voldoen aan de eis voor de binnenwaarde van 33 dB. Conclusie Voorliggend plan is akoestisch haalbaar indien de gemeente Zwartewaterland in het kader dit plan een besluit hogere grenswaarden neemt.
5.7 Water Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Analyse In het kader van voorliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Uit deze watertoets, die als bijlage 6 is opgenomen, blijkt dat het plan geen waterschapsbelangen raakt. Daarom kan worden volstaan met de korte procedure. Dit betekent dat het waterschap akkoord gaat met het voorgenomen plan, mits wordt voldaan aan de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf, zoals opgenomen in bijlage 7. Daarin staat beschreven dat het algemene beleid van waterschap Drents Overijsselse Delta is verwoord in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Leven met Water in Stedelijk Gebied, de Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Het beleid van het waterschap sluit nauw aan bij de uitgangspunten van WB21. In 2013 is de beleidsnota ‘Water raakt!’ door het Algemeen Bestuur vastgesteld.
Daarnaast is aangegeven dat het plan geen schadelijke gevolgen heeft voor de waterkwaliteit en ecologie, dat niet meer dan tien wooneenheden worden gerealiseerd en dat er geen sprake is van een toename van verhard oppervlakte van meer dan 1.500 m2. Ook is binnen het plangebied geen sprake van wateroverlast. Door het waterschap wordt een aantal aanbevelingen gedaan om rekening te houden met hoogwater. Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het overtollige water waar mogelijk te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig water uit het 38
plangebied mag, ongeacht de toepasbare methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld van af dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘water’ uitvoerbaar.
5.8 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ In deze paragraaf wordt de ligging ten opzichte van bedrijven beschouwd, waaronder ook de toetsing van het aspect ‘geur’. Analyse In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich woningen, bedrijven en een agrarisch bedrijf. Er is sprake van gemengd gebied. Woningen hebben geen milieukundige impact op het plan. De dichts bij zijnde bedrijfsmatige bestemming ligt op ongeveer 50 meter oosten van het plangebied. Ter plaatse mogen zich alleen bedrijven uit milieucategorie 2 vestigen, met een maximale richtafstand van 30 meter. Derhalve ligt het plangebied op voldoende afstand van deze bedrijfsbestemming. In de omgeving van het plangebied zijn twee agrarische bedrijven (Kamperzeedijk 50 en Kamperzeedijk 133) aanwezig waarvoor vanuit de Wgv, in combinatie met de artikelen 3.117 tot en met 3.119 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm), vaste afstanden gelden. Voor een woning in de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter tot dierverblijven. Voor een woning buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Het plangebied ligt deels binnen als buiten de bebouwde kom van de wegenverkeerswet. Op de volgende afbeeldingen is dat weergegeven.
39
Ligging plangebied ten opzichte van de bebouwde kom op basis van de wegenverkeerswet .
De ligging binnen of buiten de bebouwde kom is bepalend voor de te hanteren richtafstand. Daarbij is het van belang welk toetsingskader wordt gehanteerd. Daarbij zijn twee mogelijkheden: 1. De bebouwde kom grens op basis van de wegenverkeerswet 2. De ruimtelijke bebouwde kom
Op basis van voorgaande afbeeldingen is de begrenzing uit de wegenverkeerswet gehanteerd. In voorliggend plan is het toetsingskader echter de ruimtelijke bebouwde kom. Het perceel en met name de situering van de nieuwe woning kunnen ruimtelijk gezien niet beschouwd worden als onderdeel van de bebouwde kom. De bebouwde kom is het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom van de Wgv volgt niet uit de Wegenverkeerswet 1994, maar net zoals in de ruimtelijke ordening bepaalt de aard van de omgeving waar de grens ligt. Om te spreken van bebouwde kom, moet er sprake zijn van op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Dit staat in de bij de Wgv en de rechter verwijst hier ook vaak naar in uitspraken1. Op basis van voorgaande kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat de locatie als solitair en dus niet als onderdeel van de bebouwde kom kan worden beschouwd. Dat betekent dat het toetsingskader ten opzichte van de omliggende agrarische bedrijven op 50 meter kan worden gezet, omdat het plangebied geen onderdeel vormt van de ruimtelijke bebouwde kom. Omdat het plangebied zodoende op meer dan 50 meter van omliggende agrarische bedrijven ligt, is het plan uitvoerbaar.
Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.
1
zie onder meer ABRvS, 201211481/1/A4 van 11 december 2013 en ABRvS, 201201544/1/R1 van 23 januari 2013
40
Ligging plangebied ten opzichte van de 50 -meter contour van agrarische bedrijven.
Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar.
5.9 Externe veiligheid Kader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau voor externe veiligheid.’ Analyse In het kader van het initiatief is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen bevinden die van invloed zijn op het plan. Andersom geldt dat de woning geen impact heeft op de omgeving. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘externe veiligheid’ uitvoerbaar.
5.11 Luchtkwaliteit Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling 41
NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Analyse Het plan betreft transformatie van een locatie waar 1 woning wordt gebouwd. Dat is in de huidige situatie ook het geval. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
5.12 Verkeer en parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plangebied goed bereikbaar is en dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte te bepalen wordt doorgaans gebruik gemaakt van de parkeerkengetallen van het CROW. Het CROW hanteert op basis van functie en ligging de te verwachten parkeerbehoefte waar een initiatief aan dient te voldoen. Analyse In de huidige situatie is sprake van een woonfunctie op basis waarvan één woning gerealiseerd kan worden. Deze situatie verandert ten gevolge van voorliggend plan niet. Op het perceel is voldoende ruimte om de parkeervraag op te vangen, voor zowel bewoners als bezoekers. De ontsluiting van het plangebied vindt in de bestaande situatie plaats op de Kamperzeedijk. Ook in de voorziene situatie vindt de ontsluiting van het perceel op de Kamperzeedijk plaats. Ten gevolge van dit plan neemt de verkeersdruk niet toe. Conclusie Het plan is op basis van het aspect
5.13 Conclusie In dit hoofdstuk zijn diverse ruimtelijke en milieukundige aspecten beschouwd. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en analyses kan redelijkerwijs gesteld worden dat het plan geen nadelige milieukundige of ruimtelijke effecten tot gevolg heeft. In het kader van de aspecten bodem, ecologie 42
en akoestiek dient nog vervolgonderzoek plaats te vinden. Het bestemmingsplan wordt niet eerder vastgesteld dan dat deze onderzoeken zijn uitgevoerd en eventuele maatregelen die voortvloeien uit de onderzoeken zijn uitgevoerd. Aanvullende onderzoeken worden aan het vast te stellen bestemmingsplan toegevoegd.
43
6. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer van de plannen heeft direct omwonenden op de hoogte gesteld van de plannen. Door de omwonenden is positief op de voorziene plannen gereageerd. Verder is het plan besproken met Het Oversticht en heeft de Omgevingsdienst over het plan geadviseerd. Ook de provincie heeft haar akkoord op de plannen gegeven.
6.3 Ter inzage bestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 13 april 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is daarom ongewijzigd vastgesteld.
6.4 Economische uitvoerbaarheid Onderliggend initiatief wordt uitgevoerd op risico van een particulier. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het initiatief zijn voor rekening van deze initiatiefnemer. Hierover worden tussen de initiatiefnemer en de gemeente (in navolging van in het kader van hoofdstuk 6 Wro en Bro) afspraken gemaakt in de vorm van een anterieure overeenkomst, waarin wordt verwezen naar de legesverordening en de planschade.
44
7. Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, de voorziene situatie en het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: -
Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
7.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
7.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2).
7.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: -
bestemmingsomschrijving 45
-
bouw- en gebruiksregels afwijken van bouw en gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid
In paragraaf 7.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht.
7.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels bestaan uit de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels.
7.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. Hierin wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven.
7.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de in dit bestemmingsplan voorkomende regels behandeld. Artikel 3. Agrarisch met waarden – landschap Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, maar ook voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschapswaarden van de gronden, zoals deze tot uitdrukking komen in de kernwaarden van het Nationaal Landschap Ijsseldelta. Artikel 4.
Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, met daaraan ondergeschikt opritten, parkeervoorzieningen en paden met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde met uitzondering van carports. Artikel 5. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in eengezinshuizen al dan niet in combinatie met ruimte voor beroep aan huis aan huis. Daarnaast zijn bijbehorende bouwwerken met daaraan ondergeschikt opritten, parkeervoorzieningen en paden met de daarbij behorende tuinen en erven toegestaan, evenals bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zonder dak.
46
Artikel 6. Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische monumenten die ter plaatse aanwezig zijn en het behoud van de archeologische monumenten, waarvan de aanwezigheid redelijkerwijs vermoed wordt. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag op of in deze gronden niet anders worden gebouwd ten behoeve van deze bestemmingen dan overeenkomstig de volgende regels, indien door de bouw de bodem op een grotere diepte dan 0,5 meter zal kunnen worden verstoord, tenzij de oppervlakte van de verstoring kleiner is dan 100 m². indien het oppervlak groter of dieper is, dient onderzoek aan te tonen dat geen archeologische waarden worden geschaad.
47
Bijlagen Bijlage 1. Presentatie beeldkwaliteit en inrichting Bijlage 2. Ecologische quickscan Bijlage 3. AERIUS-berekening Bijlage 4. Verkennend en nader bodemonderzoek Bijlage 5. Onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6. Digitale watertoets
48
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl