6.b. Nota van zienswijzen (geanonimiseerd)
Tekst van het document
g nysingh advocaten
en
notarissen
Memo
Van
(geanonimiseerd) 2vocaten N
Aan
: Bert Boers / Gemeente
Datum
: 28 oktober 2022
Betreft
: Nota van zienswijzen
Referentie
: 243289/MWvN
Zwartewaterland
Nota van zienswijzen Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten het ontwerpbesluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een premixenfabriek op het perceel aan de Gildenweg 1 te Hasselt ter inzage te leggen. Het ontwerpbesluit heeft van 30 juni 2022 tot en met 11 augustus 2022 ter inzage gelegen, overeenkomstig artikel 3.10 van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht en afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht. De omgevingsvergunning wordt verleend voor de volgende activiteit(en): -_het
bouwen
van een
bouwwerk
= het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan e.d. -_het veranderen van een (milieu) inrichting Voor de activiteit ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ is toepassing gegeven aan artikel 2.12, lid 1, sub a onder 1° van de Wabo. Op grond van artikel 6.3, aanhef en onder b. van de planregels van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Zwartewaterland’ kan worden afgeweken van de planregel die betrekking heeft op de bouwhoogte van bouwwerken (artikel 6.2, onder a, onder 3 van de planregels). Naar aanleiding van het ontwerpbesluit zijn tien zienswijzen ingediend:
1. (geanonimiseerd) wonende aan de (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) reclamant 1, bij brief van 25 juli 2022;
Nn
. (geanonimiseerd) wonende
(geanonimiseerd) reclamant 2, bij e-mail aan de |
ce aan het (geanonimiseerd) reclamant 3, bij brief van 29 juli 2022; bal ad B (geanonimiseerd) wonende aan cn (geanonimiseerd) reclamant 4, van 4 augustus 2022;
(geanonimiseerd)
bij brief van 8 augustus 2022;
5.
(geanonimiseerd) rc
ne
(geanonimiseerd)
reclamant 5, bij brief van 7 juli 2022;
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) 6. (geanonimiseerd) wonende aan d. (geanonimiseerd) alsmede (geanonimiseerd) gevestigd aan del (geanonimiseerd) reclamant 6, bij brief (geanonimiseerd) van 9 augustus 2022 (en aangevuld bij brief van 19 augustus 2022);
7. (geanonimiseerd) EN en
(geanonimiseerd) en < N
7, bij brief van 9 augustus 2022; 1
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
(geanonimiseerd) << EN reclamant 8, bij brief van 25juli 2022 (geanonimiseerd) 9. ON
en cc (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) <= << NN
bij brief van 2 augustus 2022;
(geanonimiseerd) 10, ce reclamant 10, bij brief van 8 augustus 2022.
on cc (geanonimiseerd)
Zienswijzen en beantwoording Reclamanten hebben zienswijzen ingediend over verschillende aspecten aangaande het ontwerpbesluit. Deze zienswijzen zullen hierna per reclamant worden behandeld. In totaal zijn 10 zienswijzen ingediend. Alle zienswijzen zijn inhoudelijk behandeld. Per zienswijze
is aangegeven of er aanleiding is tot aanpassing van het ontwerpbesluit. Ambtshalve wijzigingen
Ambtshalve wijzigingen zijn wijzigingen in het vast te stellen omgevingsvergunning (ten opzichte van het ontwerp omgevingsvergunning) die niet naar aanleiding van zienswijzen, maar ambtshalve worden doorgevoerd. Er zijn in dit geval geen ambtshalve wijzigingen doorgevoerd.
Veranderingen ten opzichte van de ontwerpvergunning De zienswijzen hebben ertoe geleid om de omgevingsvergunning aan te passen in de zin dat de omgevingsvergunning een nadere onderbouwing bevat over de afwijking van de milieucategorie op grond van artikel 6.5 onder a van de planregels. Ten aanzien van de milieucategorie, windhinder en geur zijn nadere gegevens aangeleverd die onderdeel uitmaken van de verleende omgevingsvergunning, te weten:
-_
Advies milieu Fuite, d.d. 23 september 2021;
-_CFD Windklimaat onderzoek, d.d. 6 oktober 2022; -_Advies over aanvraag omgevingsvergunning, toestemming
milieu van 7 oktober 2022 met
kenmerk Z2021-00013668-001;
-
_Notitie Buro Blauw, Richtafstand Solprovit categorie 3.2 bedrijventerrein, d.d. 25 oktober 2022.
Zienswijzen tegen ontwerpbeschikking voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een premixenfabriek op perceel Gildenweg 1 te Hasselt 1.
Zienswijze reclamant 1
14.
0
8
8
wij
ikhoi
Reclamant voert aan dat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 6.3, aanhef en onder b van de planregels onverbindend dient te worden verklaard. Reclamant wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis bij de Wro en de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), waaruit volgens 2
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
reclamant volgt dat een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voldoende kwalitatieve en kwantitatieve regels en grenzen moet bevatten om de reikwijdte en gevolgen van de regel
te kunnen overzien. Uit de leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ volgt dat er ‘te weinig aanknopingspunten voor een goede planbeoordeling’ bestaan. Gelet hierop voldoet artikel 6.3, aanhef en onder b van de planregels volgens reclamant niet aan de in de wetsgeschiedenis en rechtspraak gestelde eisen en dient de planregel om die reden onverbindend
te worden
verklaard.
Reactie college: Allereerst wordt erop gewezen dat het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Zwartewaterland’ reeds onherroepelijk is. Een bestemmingsplanregel kan in dergelijke gevallen enkel middels een exceptieve toets buiten toepassing worden
gelaten of onverbindend worden verklaard, indien sprake ís van evidente strijd met een hogere regeling. Tegen de planregel heeft immers al rechtsbescherming open gestaan ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Een planregel is alleen evident in strijd met hoger recht als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet, bijvoorbeeld als iedere motivering ontbreekt (ABRvS 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4266).
In onderhavige situatie levert de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid (artikel 6.3 van de planregels) geen evidente strijd op met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c van de Wro. Blijkens vaste rechtspraak van de Afdeling kunnen planregels buiten toepassing worden verklaard indien een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming of de bepaling voorziet in een afwijkingsmogelijkheid zonder enige begrenzing. De afwijkingsmogelijkheid van artikel 6.3
van de planregels leidt niet tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, omdat het uitsluitend een afwijking van een enkele bouwregel betreft (Vergelijk Rb. Noord-Holland 2 juli 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:4739). Daarnaast is de binnenplanse afwijking begrensd. In de planregel zijn voldoende en duidelijke voorwaarden gesteld voor de toepassing van de binnenplanse afwijkingsregeling. Zo wordt getoetst of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, het bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en brandveiligheid en parkeervoorzieningen. Daarnaast mag de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen uitsluitend worden verhoogd, indien er een investering in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. Bebouwing aan de randen van het bedrijventerrein moet tevens goed landschappelijk
worden ingepast aan de zijde(s) die vanaf omliggende woongebieden worden waargenomen (artikel 6.3, sub b van de planregels). Voorts is juist met het oog op het verduidelijken van de afwijkingsmogelijkheid de leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ vastgesteld, ter aanvulling op de planregels. De richtlijnen uit de leidraad bevatten een aanvullende inkleuring van het toetsingskader. De
richtlijnen hebben tot doel een zo onopvallend mogelijk volume te realiseren waarbij handvatten voor vorm, kleur, materiaal en landschappelijke inpassing worden gegeven. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit.
3
van
25
g nysingh advocaten
trijdic
1.2.
a)
en
notarissen
woordingen en
lredenerin:
Reclamant voert verder aan dat de bewoordingen uit het ontwerpbesluit niet
overeenstemmen met de toelichting op het bestemmingsplan. Volgens reclamant volgt uitdrukkelijk uit de toelichting dat aan de randen van het bedrijventerrein een lagere maximale bouwhoogte geldt, ter bescherming van de omliggende landschappelijke waarden.
b)
Daarnaast ontbreekt volgens reclamant ten onrechte een definitie van het begrip ‘het bedrijfsmatige karakter van het bedrijventerrein’. Reclamant merkt daarnaast op dat
sprake is van doelredeneringen. Reclamant wijst daarbij op de overweging dat geen maximale bouwhoogte is opgenomen in artikel 6.3, aanhef en onder b van de planregels omdat bedrijven niet hoger zullen willen bouwen dan voor een goede bedrijfsvoering noodzakelijk is. Ook de leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ is een doelredenering, omdat de leidraad feitelijke een dode letter maakt van een zeer relevante planregel, aldus reclamant. Reactie college: a)
Hette vergunnen bedrijf is in het midden van het bedrijventerrein gelegen, omringd
door meerdere bedrijven, zodat de stelling dat aan de randen van het bedrijventerrein een lagere maximale bouwhoogte geldt, niet van invloed is op de aanvraag. Indien en
voor zover dit anders zou zijn, wijst het college op het feit dat een plantoelichting bij een bestemmingsplan blijkens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bindende kracht (ABRvS 16 maart
2016, ECLI:NL:RVS:2016:682). Het juridisch bindende deel van een bestemmingsplan bestaat enkel uit de planregels en de verbeelding. De bedoeling van de planwetgever kan niet afdoen aan hetgeen in de planregels ondubbelzinnig is bepaald. De planregel van artikel 6.3 aanhef en onder b is voldoende duidelijk en daarmee ondubbelzinnig. Hierdoor komt geen betekenis toe aan de stelling van reclamant dat de inhoud van de toelichting niet overeenstemt met de planregels. Ten overvloede wijst het college erop dat de bewoording van de planregels en de
daarbij behorende toelichting geen tegenstrijdigheden kennen. Uit de zinsnede ‘Indien het bebouwing grenzend aan de randen van het bedrijventerrein betreft moet de bebouwing tevens goed landschappelijk worden ingepast aan de zijde(s) die vanaf omliggende woongebieden worden waargenomen,’ volgt dat ook aan de randen van het bedrijventerrein mag worden afgeweken, mits eveneens rekening wordt gehouden met de landschappelijke inpassing. Verder wordt opgemerkt dat voor zover
de toelichting niet overeen zou stemmen met de afwijking van de bouwhoogte, dit inherent is aan het feit dat afgeweken wordt van het bestemmingsplan. b)
De overweging dat het beoogde plan past binnen het ‘bedrijfsmatige karakter van het bedrijventerrein’ betreft slechts een overweging ter introductie van de daarna volgende onderbouwing van de goede ruimtelijke kwaliteit. Met het begrip ‘bedrijfsmatig karakter’ heeft het college enkel tot uiting willen brengen dat op het
bedrijventerrein diverse bedrijven zijn gevestigd.
4
van
25
nysingh advocaten
en
notarissen
De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit.
1.3.
Overtreding
algemene
beginselen
van behoorlijk bestuur / onrechtmatige
toepassin
binnenplanse afwijkingsbevoegdheid
Volgens reclamant schendt het college het beginsel van détournement de procédure door een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van een onverbindende
binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Volgens reclamant is de buitenplanse afwijkingsmogelijkheid de meest geëigende weg. Reclamant is van mening dat een
binnenplanse afwijkingsbevoegdheid enkel kan worden aangewend voor geringe afwijkingen. Hiervan is volgens reclamant geen sprake, omdat de maximale bouwhoogte met meer dan
100%
wordt overschreden.
Reactie college: De vergunningaanvraag ziet op een afwijking van het bestemmingsplan die geen planologisch relevante wijziging vormt, zoals in de reactie in paragraaf 1.1 van deze zienswijzennota is toegelicht. Zoals in paragraaf 1.1 van deze zienswijzennota reeds toegelicht, is de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 6.3 van de planregels niet evident in strijd met hoger
recht en kan de planregel niet buiten toepassing worden gelaten. Dit brengt met zich dat het college gebruik kan maken van deze afwijkingsmogelijkheid. De aanvraag voldoet aan het toetsingskader van de binnenplanse afwijkingsregeling. Het afwijken van de bouwhoogte is geen substantiële wijziging. Daarnaast is de overschrijding van het aantal bouwmeters niet gebiedsvreemd, gezien de aanwezigheid van een gebouw van vergelijkbare hoogte in de nabijheid van het plangebied.
Voor zover reclamant van mening is dat de vergunning via de buitenplanse afwijkingsregeling van artikel 2.12, eerste lid, aanhefen onder a, onder 2° of 3° van de Wabo had moeten worden verleend, wijst het college op vaste rechtspraak van de Afdeling waarin is geoordeeld over de rangorde tussen afwijkingsmogelijkheden (ABRvS
9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2985).
Uit deze rechtspraak blijkt het volgende.
Uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, noch uit enig ander wettelijke regeling
volgt dat tussen de binnenplanse afwijkingsregeling (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo) en de buitenplanse “kruimelgevallenregeling” (artikel 2.12, eerste
lid, onder a, onder 2, van de Wabo) een rangorde bestaat op grond waarvan het college gehouden zou zijn om voorrang te geven aan de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo. Hierbij is van belang dat bij zowel de binnenplanse afwijkingsregeling als bij de buitenplanse kruimelgevallenregeling de reguliere
voorbereidingsprocedure van toepassing is, en in beide situaties de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In het onderhavige geval is het besluit bovendien voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Awb. Daarnaast heeft aanvrager zijn verzoek grondig onderbouwd. Gelet daarop bestaat er geen procedureel verschil tussen 5
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
de toepassing van de binnenplanse afwijkingsregeling en de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo.
Het college heeft alle betrokken belangen in haar afweging meegenomen en heeft zo in
redelijkheid kunnen besluiten de binnenplanse afwijking toe te staan (zie bijv. ABRvS 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:450, r.o. 6.1). Hoe invulling is gegeven aan de beleidsruimte is deugdelijk gemotiveerd, middels de bespreking van de gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en brandveiligheid en parkeervoorzieningen. Ook is aan de randvoorwaarde die ziet op de verplichting om te investeren in de ruimtelijke kwaliteit
getoetst. Daarnaast is onderzocht of er andere ruimtelijke relevante redenen zijn om medewerking te weigeren. Het te vergunnen bedrijf levert geen strijd met de goede ruimtelijke ordening op.
De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 14,
Leidr:
‘Hoger
wen met Hogere kwaliteit’
mist juridische
Reclamant stelt zich op het standpunt dat de leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ niet via de voorgeschreven wettelijke procedure is vastgesteld, waardoor het niet
kan gelden als een aanvullend beleidsstuk op de planregels. Bovendien is de leidraad volgens reclamant niet van toepassing op artikel 6.3, aanhef en onder b van de planregels. Omdat de leidraad enkel verwijst naar de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de bestemming ‘bedrijf (artikel 4.3 van de planregels) kan de leidraad niet gebruikt worden bij de toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de bestemming ‘bedrijventerrein’. Reactie college: Wat betreft de vaststellingsprocedure van de leidraad wijst het college erop dat zij het initiatief heeft genomen voor het opstellen van de notitie ‘Hoger bouwen
met Hogere kwaliteit. Vervolgens is een externe partij ingeschakeld om deze notitie nader uit te werken. De notitie is door het college vastgesteld als leidraad. Hiervan is de gemeenteraad op de hoogte gebracht. Vervolgens is de leidraad opgenomen in de welstandsnota bij de herziening van de nota door de gemeenteraad. Vanaf dat moment heeft de leidraad te gelden als aanvullend beleid. Reclamant voert aan dat de leidraad specifiek is gericht op de bouwhoogte op grond van
de bestemming ‘Bedrijf’ (artikel 4.3, sub b van de planregels). In het onderhavige geval is sprake van een andere bestemming,
namelijk die van ‘Bedrijventerrein’ (artikel 6.3, sub b
van de planregels). Omdat beide planregels volledig gelijkluidend aan elkaar zijn, kan de uitleg van het beleid echter eveneens worden toegepast op artikel 6.2, sub b van de planregels. De leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ kan aldus worden gebruikt ter onderbouwing voor de bestemming ‘bedrijventerrein’. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit.
6
van
25
g nysingh advocaten
1.5,
njuiste
en
notarissen
langenafwegin
Reclamant merkt op dat het college geen volledige belangenafweging heeft verricht door
enkel extern juridisch advies in te winnen over een drietal vragen. Deze vragen stemmen niet overeen met de vragen die reclamant bij de raad en het college aan de orde heeft gesteld. Reactie college: Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zijn alle belangen tegen
elkaar afgewogen. In het ontwerpbesluit is toegelicht welke belangen bij de afweging zijn betrokken en hoe de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is beoordeeld. Het college is daarbij niet verplicht om extern juridisch advies in te winnen, laat staan om juridisch advies in te winnen over iedere inkomende vraag. Het feit dat het college extern juridisch
‘advies heeft ingewonnen getuigt juist van een zorgvuldige besluitvorming. Zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 1.6.
Overschrijding milieucategorie
Reclamant voert aan dat het te vergunnen bedrijf niet past binnen de huidige toegestane milieucategorie. Op de bestemming zijn enkel bedrijven tot maximaal categorie 3.2 toegestaan, terwijl het bedrijf behoort tot categorie 4.1. Reactie college: Reclamant merkt op dat de gronden aan de Gildenweg 1 te Hasselt zijn bestemd voor bedrijven tot en met categorie 3.2 (artikel 6.1 van de planregels). Het college is van oordeel dat het te vergunnen bedrijf vergelijkbaar is met een bedrijf van
categorie 3.2. Met toepassing van artikel 6.5 van de planregels kan het college daarom bij omgevingsvergunning afwijken de maximaal toegestane milieucategorie van bedrijven. Voor de motivering van deze afwijking van het bestemmingsplan verwijst het college in de eerste plaats naar de motivering uit het “Advies milieu Fuite” d.d. 23 september 2021 en de notitie van Buro Blauw over de richtafstanden d.d. 25 oktober 2022 (10953-fdbr-
notitie-1048). Ter verdere toelichting strekt het volgende. Op grond van artikel 6.5, sub a van de planregels kan worden afgeweken van de gebruiksregels, voor de vestiging van een bedrijf dat naar aard en omvang gelijk is te stellen met de genoemde categorie van bedrijven, mits dit bedrijf in vergelijking met de aangegeven categorie bedrijven geen grotere en/of onevenredige afbreuk doet aan het woon-, werk- en leefmilieu door hinder en/of gevaar. Beoordeeld is of de beoogde activiteiten vergelijkbaar zijn met de ter plaatse geldende maximale milieucategorie 3.2.
Uit het “Advies milieu Fuite”, blijkt dat de activiteit ‘veevoederfabriek, mengvoeder p.c. < 100 Yu’ (SBI-2008 code 1091-5)' uit de Staat van bedrijfsactiviteiten van de VNGbrochure Bedrijven en milieuzonering, het meest passend is bij de activiteiten van Solprovit. Kanttekening hierbij is dat bij Solprovit geen perslijnen zullen worden gebruikt. Genoemde activiteit behoort tot milieucategorie 4.1 met richtafstanden van 200 meter voor geur, 50 meter voor stof, 30 meter voor geluid en 200 meter voor gevaar.
7
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
Geur Buro Blauw heeft onderzoek gedaan naar de mogelijke geurhinder in de omgeving van
het bedrijf (geuronderzoek productie Premixxen Fuite te Hasselt, Blauw, rapportnummer BL2022.10569.01-VO3, 29 maart 2022). De Omgevingsdienst IJsselland heeft dit advies beoordeeld en meegenomen in haar advies met betrekking tot de aanvraag (kenmerk advies: Z2021-00013668). In het geuronderzoek zijn de geurrelevante activiteiten gekwantificeerd en vastgelegd op
basis van emissie en procesuren. Uit het onderzoek blijkt dat er bij alle geurgevoelige objecten, de woningen op het bedrijventerrein en bij de aaneengesloten woonbebouwing,
kan worden voldaan aan de streefwaarden zoals die volgen uit de ‘Beleidsregels geur bedrijven Overijssel 2018’. Het karakter van de geur wordt ingedeeld in de categorie ‘minder hinderlijk’. Hieruit volgt dat het bedrijf geen onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt.
Gelet op het voorgaande is ook in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen activiteiten van Solprovit aan de Gildenweg 1 in Hasselt geen grotere en/of onevenredige afbreuk zullen doen aan het woon-, werk- en leefmilieu door geurhinder dan een bedrijf uit de milieucategorie 3.2. Dit wordt bevestigd in de notitie van Buro
Blauw d.d. 25 oktober 2022 (10953-fdbr-notitie-1048). Solprovit wordt gevestigd op een categorie 3.2 bedrijventerrein waar voor geur een richtafstand van 100 meter geldt, terwijl
Solprovit kwalificeert als een categorie 4.1 bedrijf met een richtafstand van 200 meter voor geur.
Binnen een straal van 200 meter zijn woningen gelegen. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan echter gemotiveerd worden afgeweken van de VNG richtafstanden ‘Bedrijven en milieuzonering’. Uit het voornoemde geuronderzoek van Buro Blauw volgt dat Solprovit bij alle geurgevoelige objecten voldoet aan de streefwaarde voor het
aanvaardbaar geurhinderniveau. Daardoor kan het bedrijf zich vestigen op een categorie 3.2 bedrijventerrein. Het verkleinen van de richtafstand van 200 meter naar 100 meter is hiermee onderbouwd, omdat uit het geuronderzoek blijkt dat op een afstand van 100 meter sprake is van een goed woon- en leefklimaat wat betreft geur. Geluid
De voorgenomen activiteiten in het bestaande bedrijfsgebouw, in de nieuw te bouwen
mengtoren en op het buitenterrein zijn beoordeeld voor het aspect geluid. De activiteiten in het bestaande bedrijfsgebouw betreffen de opslag van ingrediënten en gereed (half-) product. Dergelijke activiteiten zijn niet alleen voorbehouden aan bedrijven van een hogere milieucategorie, maar zijn (ook) gebruikelijk voor de representatieve bedrijfssituatie van bedrijven van milieucategorie 3.2. In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning zijn diverse onderzoeken
uitgevoerd naar de mogelijke overlast die het bedrijf met zich kan brengen. Door DGMR is een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidimmissie, zowel voor de dag-, avondals nachtperiode, ter plaatse van de door de zonebeheerder vastgestelde
8
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
zonebewakingspunten (akoestisch onderzoek Solprovit, DGMR, M.2021.0538.02.R002,
Rapport
versie 001, 23 maart 2022).
Uit het akoestisch onderzoek van DGMR en het advies van de omgevingsdienst volgt dat de beoogde activiteiten passen binnen de 50 dB(A)-geluidzone van het industrieterrein, ook in combinatie met de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen. Er bestaat aldus geen aanleiding om aan te nemen dat het bedrijf met bijbehorende verkeersbewegingen de beschikbare geluidruimte van het industrieterrein zal
overschrijden. De rijroutes van vrachtwagens op het buitenterrein, enkele tientallen per werkdag, zijn relatief kort. Wel zal er sprake zijn van geluidemissie als gevolg van laad- en
losactiviteiten. Ook hiervoor geldt dat dit gebruikelijke activiteiten zijn voor bedrijven van zowel milieucategorie 3.2 als 4.1. Het is aannemelijk dat de effecten op het gebied van geluid niet groter zijn dan een milieucategorie 3.2 bedrijf. Externe veiligheid In het kader van het vigerende bestemmingsplan zijn op de voorgenomen locatie bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Hierbij geldt een maximale
richtafstand van 100 meter. Veevoederbedrijven hebben in het kader van de handreiking bedrijven en milieuzonering een maximale richtafstand van 50 meter voor gevaar. In het kader van externe veiligheid is er dus ook geen aanleiding de gewenste ontwikkeling te weigeren. Uit de aangeleverde gegevens blijkt dat het te vestigen bedrijf niet onder het BRZO en/of het BEVI valt. Hiermee past de ontwikkeling binnen het vigerende
bestemmingsplan (geen risicovolle bedrijven toegestaan). Ook past een veevoederbedrijf wat betreft de richtafstanden voor gevaar binnen de milieucategorie 3.2. Bodem
Uitgangspunt is dat in het huidige bestemmingsplan de bodemkwaliteit als geschikt is beoordeeld voor de huidige bestemming, namelijk bedrijventerrein tot en met milieucategorie 3.2. Omdat de bodemfunctie van zowel bedrijven van milieucategorie 3.2 als bedrijven van milieucategorie 4.1 gelijk is, namelijk industrie, vormt het aspect bodem
geen belemmering voor het afwijken van de gebruiksregel wat betreft de milieucategorie van het bedrijf. Voor het afwijken van de gebruiksregels van het bestemmingsplan (ruimtelijke procedure) is geen bodemonderzoek nodig. a
Gelet op de activiteiten (mengen, geen perslijn) en de verwachte productiecapaciteit van 100.000 tonfjaar is te verwachten dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt voor
luchtkwaliteit. Hiermee is voldoende aannemelijk dat voor het aspect luchtkwaliteit geen andere of grotere effecten te verwachten zijn dan voor een bedrijf van milieucategorie 3.2.
De conclusie van dit advies is dat voor geen van de beoordeelde milieuaspecten andere of grotere effecten te verwachten zijn vanwege de veevoederfabriek, dan het geval zou zijn als gevolg van een bedrijf van milieucategorie 3.2. Het planvoornemen wordt 9
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
daarmee in de basis inpasbaar geacht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de concrete milieu hygiënische randvoorwoorden op basis van de vergunningprocedure dienen te worden vastgelegd. Afwijking van de gebruiksregels
Op grond van artikel 6.5 onder sub a van de planregels kan het bevoegd gezag afwijken van de bestemde milieucategorieën. Gelet op het voorgaande is de aanvraag naar aard en omvang gelijk te stellen met een milieucategorie 3.2 bedrijf. Bovendien doet de aanvraag in vergelijking met de aangegeven categorieën bedrijven geen grotere en/of evenredige afbreuk aan het woon-, werk- en leefmilieu door hinder en/of gevaar. De zienswijze leidt tot aanpassing van het ontwerpbesluit doordat de
omgevingsvergunning op dit punt nader gemotiveerd zal worden. 1.7.
Onjuiste vaststelling verkeersrapport Reclamant voert aan dat het verkeersrapport van Goudappel op onjuiste aannames is gebaseerd. Tijdens een gemeenteraadsvergadering heeft de aanvrager verklaard dat op de locatie, ongeveer 30 mensen werkzaam zullen zijn, terwijl het rapport uitgaat van 9 medewerkers.
Reactie college: Uit het verkeersrapport volgt dat het mogelijk is om met 3 medewerkers, verdeeld over drie ploegen te werken op de locatie, wat uitkomt op 9 medewerkers per dag indien zij allemaal met de auto naar de locatie gaan. Het totaal aantal verkeersbewegingen is in dat geval 18 per werkdag. De huidige functie op de locatie genereert 40 bewegingen op een werkdag. De nieuwe functie leidt dus tot een afname van de verkeersdruk.
Deze 9 medewerkers betreffen de medewerkers die verbonden zijn aan de fysieke locatie aan de Gildenweg 1. Het antwoord dat door aanvrager is gegeven tijdens de raadsvergadering betreft het totaal aantal van 30 medewerkers dat is verbonden aan de nieuwe activiteit. 21 medewerkers zijn verbonden aan het hoofdkantoor in Genemuiden, of werkzaam als buitendienst ten behoeve van verkoop en vervoer. Deze medewerkers zijn aldus terecht niet meegenomen in het verkeersrapport omdat zij geen
verkeersbewegingen op de locatie genereren. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 1.8.
Strijd met goede ruimtelijke ordening
Reclamant stelt dat de aangevraagde activiteit in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt dat de gemeente nooit de
bedoeling heeft gehad om gebouwen van een hoogte als de onderhavige toe te staan. Een gebouw dat meer dan twee keer zo hoog is als de bebouwing
in de omgeving is
architectonisch gezien in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het feit dat er een tekort is aan bouwgrond maakt volgens reclamant dit niet anders.
10
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
Reactie college: Terugverwezen wordt naar de reactie van het college in paragraaf 1.3 van deze zienswijzennota.
Zienswijze 21.
reclamant
2
Reclamant verwijst naar de zienswijze zoals ingediend door reclamant 1. Reactie college: terugverwezen wordt naar de reacties van het college onder zienswijze 1.
Zienswijze reclamant 3 3.1.
stcidiahei
Reclamant stelt dat de ontwerpvergunning in strijd is met de planregels. De bouwhoogte van 34,5 meter voldoet namelijk niet aan de maximaal toelaatbare bouwhoogte van 16
meter op grond van het bestemmingsplan. Reactie college: Terugverwezen wordt naar de reactie van het college in paragrafen 1.1 en 1.3 van deze zienswijzennota. 3.2.
Geluiden geuroverlast
Reclamant wijst erop dat de nieuwe fabriek mogelijk geluid- en geuroverlast zal veroorzaken. Reclamant verwijst daarbij naar de overlast die omwonenden ondervinden van eenzelfde fabriek
in Rotterdam.
Reactie college: In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke overlast die het bedrijf met zich kan brengen.
Door DGMR is een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidimmissie, zowel voor de dag-, avond- als nachtperiode, aangegeven ter plaatse van de door de zonebeheerder
vastgestelde zonebewakingspunten (akoestisch onderzoek Solprovit, DGMR, M.2021.0538.02.R002,
Rapport
versie 001, 23 maart 2022). Buro Blauw heeft onderzoek gedaan
naar de mogelijke geurhinder in de omgeving van het bedrijf (geuronderzoek productie Premixxen Fuite te Hasselt, Blauw, rapportnummer BL2022.10569.01-V03,
29 maart
2022). De Omgevingsdienst IJsselland heeft beide adviezen beoordeeld en meegenomen in haar advies met betrekking tot de aanvraag (kenmerk advies: Z2021-00013668). Uit het akoestisch onderzoek van DGMR
en het advies van de omgevingsdienst volgt dat
de beoogde activiteiten passen binnen de 50 dB(A)-geluidzone van het industrieterrein, ook in combinatie met de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen. Er
bestaat aldus geen aanleiding om aan te nemen dat het bedrijf met bijbehorende verkeersbewegingen de beschikbare geluidruimte van het industrieterrein zal overschrijden.
In het geuronderzoek zijn de geurrelevante activiteiten gekwantificeerd en vastgelegd op basis van emissie en procesuren. Uit het onderzoek blijkt dat er bij alle geurgevoelige objecten kan worden voldaan aan de streefwaarden zoals die volgen uit de ‘Beleidsregels 11
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
geur bedrijven Overijssel 2018’. Het karakter van de geur wordt ingedeeld in de categorie ‘minder hinderlijk’. Hieruit volgt dat het bedrijf geen onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt.
Gelet op het voorgaande volgt uit de uitgevoerde onderzoeken dat ter plaatse van de woning van reclamant sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit.
3.3.
Onwenselijke verstoring zicht en toerisme,
gelijkheidsbeginsel
Reclamant voert aan dat de nieuwe fabriek de skyline van Hasselt zal verstoren. Dit is volgens reclamant onwenselijk vanwege het belang om Hasselt aantrekkelijk te houden voor toerisme. Reclamant vindt het onacceptabel dat met het ontwerpbesluit een gebouw
van 34 meter hoog wordt vergund, terwijl in het centrum strenge bouwregels gelden ter bescherming van het stadsgezicht. Reactie college: Het college is van mening dat het bouwplan niet leidt tot een onevenredige aantasting van het bebouwingsbeeld. Het college wijst daarbij op de bestaande situatie op het berdrijventerrein van Hasselt, waar meerdere bouwwerken voorkomen met een afwijkende bouwhoogte variërend tussen de 18,5 meter en 28,5 meter. De bouwwerken staan verspreid over het terrein, waardoor geen massieve aanblik vanuit de omgeving waarneembaar is. De komst van het nieuwe bedrijf zal dit
bebouwingsbeeld ook niet veranderen, waardoor het bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast. Het college is zich ervan bewust dat een verschil in welstandseisen met daaruit volgende verschil in bebouwing, ongelijk wordt ervaren. Daarbij moet echter worden onderscheiden dat op de locatie van het oude centrum andere regels gelden dan op de locatie van het bedrijventerrein, mede gezien de inherente verschillen in karakter van de beide gebieden.
Deze verschillen komen ook tot uiting in de welstandsnota, waarin voor het centrum van Hasselt andere criteria zijn opgenomen dan voor het bedrijventerrein. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 34.
Ontoelaatbare
toename
verkeersdruk
Reclamant voert aan dat het ontwerpbesluit zal leiden tot een ontoelaatbare toename van vracht- en sluipverkeer en tot een onaanvaardbare toename van geur- en geluidsoverlast. Reactie college: Wat betreft de ontoelaatbare toename van verkeersbewegingen wordt verwezen naar de reactie van het college in paragraaf 1.7 van deze zienswijzennota. Ook het aspect stank- en geluidoverlast is reeds besproken in paragraaf 3.2 van deze
zienswijzennota. Hieruit volgt dat het te vergunnen bedrijf, geen ontoelaatbare verkeersdruk, geluid- of geurhinder oplevert. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 12
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
Zienswijze reclamant 4 41.
Reclamant verwijst in de eerste plaats naar de zienswijze zoals ingediend door reclamant 1
Reactie college: Terugverwezen wordt naar de reacties van het college bij zienswijze 1. 4.2,
Onzorgvuldige besluitvorming
Reclamant voert aan dat een onderbouwing van de impact van het te vergunnen bedrijf op de natuur ontbreekt, terwijl dat het bedrijf in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied ligt. Verder stelt reclamant dat het karakter van de skyline van Hasselt, het historische dijk- en
rivierenlandschap en de stadsboulevard niet of in ieder geval onvoldoende zijn meegenomen in de besluitvorming. Reactie college: Voor de inrichting is op 22 november 2021 een aanvraag voor een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming aangevraagd. De belasting op Natura 2000-gebieden, waaronder Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, als gevolg van de activiteiten van de inrichting worden in die procedure beoordeeld. Deze Wnbvergunning haakt in dit geval niet aan bij het ontwerpbesluit zoals dat voorligt. De beoordeling van de Wnb-vergunning is aan de Provincie Overijssel en maakt geen
onderdeel uit van het onderhavige ontwerpbesluit. Wat betreft de klacht dat het karakter van de skyline niet of onvoldoende is meegenomen in de besluitvorming wordt verwezen naar de reactie van het college in paragraaf 3.3 over de gevolgen voor het bebouwingsbeeld. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 4.3.
Leidraad
a)
‘Hoger
bouwen
met
Hogere
kwaliteit’
mist k
in
Reclamant voert aan dat de omstandigheden waar de leidraad ‘Hoger bouwen met
Hogere kwaliteit’ op is gebaseerd dusdanig zijn gewijzigd, dat de leidraad niet ten grondslag kan worden gelegd aan de onderbouwing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Doordat al enkele jaren grote uitbreidingen van omliggende bedrijventerreinen hebben
b)
plaatsgevonden, is niet langer sprake van schaarste.
Daarnaast wordt de leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ zonder onderbouwing toegepast op alle bedrijventerreinen, terwijl denkbaar is dat niet
dezelfde problematiek speelt op elk bedrijventerrein. Reactie college:
13
van
25
g nysingh advocaten
a)
en
notarissen
Het feit dat de bedrijventerreinen worden uitgebreid, betekent niet dat er geen ruimtevraagstuk meer ligt. Uitgangspunt is blijkens de leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ bouwen in de hoogte, om te voorkomen dat bedrijventerreinen niet onnodig worden uitgebreid, activiteiten geconcentreerd blijven en
transportbewegingen worden beperkt. Juist het feit dat ook wordt gezocht naar horizontale uitbreidingsmogelijkheden, waar in eerste instantie niet de voorkeur naar uitgaat, laat zien dat het ruimteprobleem nog altijd actueel is. b)
Vooropgesteld wordt dat de onderhavige casus het plan van de firma Fuite met naam en toenaam wordt genoemd in de leidraad ter illustratie van de noodzaak van de aangedragen oplossingen. Er kan geen twijfel bestaan over de toepasselijkheid van
de leidraad in onderhavige situatie. Voor het overige wordt volstaan met het benoemen dat op alle drie de bedrijventerreinen een vergelijkbare problematiek speelt, van dynamische ontwikkelingen in combinatie met de wens van optimale benutting van de ruimte. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 44,
Leidr:
‘Hoger
wen met Hogere kwaliteit’ mist juridische
statt
Aangevoerd wordt dat de leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit geen juridische
status heeft. De gemeenteraad heeft de leidraad voor kennisgeving aangenomen, waardoor de benodigde democratische besluitvorming ontbreekt. Ook kan een leidraad van een externe partij niet als besluit van een bestuursorgaan worden gezien. Reactie college: Terugverwezen wordt naar de reactie van het college in paragraaf 1.4 van deze zienswijzennota. 4.5.
a)
Reclamant voert aan dat niet duidelijk is wat de ‘KAN-bepaling' — zoals gebruikt in de raadsbrief van 9 maart 2016 — inhoudt. Ook is niet duidelijk hoe deze bepaling wordt toegepast. Inzicht in de onderliggende besluitvorming ontbreekt, wat niet ten goede komt aan de transparantie van het besluitvormingsproces.
b)
Daarnaast voert reclamant aan dat onvoldoende inzichtelijk is welke belangen, zoals de bredere bestuurlijke en maatschappelijke aspecten, zijn gewogen in de
besluitvorming. Reactie college:
a)
Het college vat de zienswijze van reclamant op als een klacht over het ontbreken van inzicht in de besluitvorming van het college bij de toetsing aan het welstandsbeleid. De “KAN bepaling” volgt uit de Welstandsnota. “Met de KAN-bepaling is het volgende geregeld: Met betrekking tot een aanvraag voor een bouwactiviteit ‘vragen burgemeester en wethouders, ingeval zij het inwinnen van advies noodzakelijk achten om te kunnen beoordelen of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de
aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de wet, advies aan de welstandscommissie 14
van
dan 25
g nysingh advocaten
en
notarissen
wel de stadsbouwmeester”. In deze bepaling wordt beleidsruimte aan het college gegeven wat betreft het inschakelen van de welstandscomissie of de stadsbouwmeeter. In de raadsbrief van 9 maart 2016 wordt aangegeven dat de leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ ondersteunt bij de toetsing aan het
welstandsbeleid. De leidraad biedt extra handvatten voor de welstandstoets, hetgeen de toetsing door het college zelf vereenvoudigt. Dit heeft tot gevolg dat het college zich minder vaak genoodzaakt zal achten, advies in te winnen bij welstandscommissie
of de stadsbouwmeester.
Met de woorden
‘intern afhandelen’
wordt de reguliere besluitvormingsprocedure van het college bedoeld. Anders dan reclamant lijkt te veronderstellen, worden alle aanvragen aan het welstandsbeleid getoetst. b)
Het ontwerpbesluit is zorgvuldig voorbereid. In het ontwerpbesluit is aangegeven welke belangen zijn meegewogen. De gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en brandveiligheid en parkeervoorzieningen zijn in kaart gebracht. Ook is de randvoorwaarde die ziet op de verplichting om te investeren in de ruimtelijke kwaliteit
getoetst. Daarnaast is getoetst of er andere ruimtelijke relevante redenen zijn om geen medewerking te verlenen. Hiermee is het besluitvormingsproces inzichtelijk gemaakt.
De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 4.6.
De
werkelijke ruimtelijke uitstraling niet in
ka rt
racht
Reclamant voert aan dat het daadwerkelijke effect van de hoge bebouwing niet in kaart is gebracht. De impact dient ter plaatse te worden bepaald voor een deugdelijke
besluitvorming. De leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ gaat te algemeen in op aspecten van de ruimtelijke kwaliteit, waardoor bijvoorbeeld het zichtperspectief vanuit de
omgeving niet is beoordeeld. Reactie college: In het ontwerpbesluit is aangegeven hoe het zichtaspect in de afweging is betrokken in de vorm van de beoordeling van het bebouwingsbeeld. Bij deze beoordeling is gekeken naar de daadwerkelijke effecten van het te vergunnen bedrijf. Vervolgens is aan het welstandsbeleid getoetst en geconcludeerd dat sprake is van een goede ruimtelijke kwaliteit. De leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ maakt
onderdeel uit van het welstandsbeleid. De aanknopingspunten uit de leidraad dienen als hulpmiddel voor de beoordeling of er in voldoende mate een investering heeft plaatsgevonden in de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast is getoetst of de aanvraag geen afbreuk doet aan het bebouwingsbeeld alsmede of de aanvraag in overeenstemming is
met de goede ruimtelijke ordening, daar komt het zichtaspect expliciet in terug (zie ook paragraaf 3.3 van deze zienswijzennota). De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 47.
Strijd met redelijke eisen van welstand
15
van
25
nysingh advocaten
en
notarissen
Reclamant voert aan dat het ontwerpbesluit niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, omdat de kleur wit van het gebouw te veel afsteekt. Reactie college: De stadsbouwmeester heeft op 17 augustus 2021 geconcludeerd dat de op dat moment voorgestelde kleur antraciet niet voldeed aan de redelijke eisen van
welstand. Na aanpassing van het bouwplan heeft de stadsbouwmeester op 23 december 2021 geoordeeld dat de nieuwe kleur voldoet aan de redelijke eisen van welstand. In de
zienswijze worden geen punten naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan
de conclusie
van
de stadsbouwmeester.
De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 4.8.
Geen ruimte voor verdere
uitbreiding
Reclamant voert aan dat dat recente ontwikkelingen hebben gezorgd voor een cumulatie
van milieueffecten, zoals geur- en geluidhinder. Gebouwen op het bedrijventerrein zouden moeten worden verlaagd in plaats van verhoogd. De bestaande hoogbouw op het
bedrijventerrein vormen geen argument voor het verlenen van de onderhavige vergunning. De effecten van het te vergunnen massieve gebouw van 34,5 meter is niet vergelijkbaar met de bestaande pijp op de asfaltoven, de doorzichtige portaalkraan en de silo van circa 16 meter. Verder worden zorgen geuit over de verdere toekomstige
ontwikkelingen van het gebied. Het is onduidelijk welk beleid de gemeente voert. Reactie college: Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van het bedrijf is per milieuthema getoetst of wordt voldaan aan de relevante regelgeving, kortgezegd of de activiteiten leiden tot een overschrijding van milieunormen. In het ‘Advies over aanvraag omgevingsvergunning, activiteit milieu’ is voor verschillende milieuaspecten onderzocht
wat de impact van het bedrijf is, ook in combinatie met de bestaande bedrijvigheid. Uit de onderzoeken blijkt dat het te vergunnen bedrijf geen overschrijding van de milieunormen teweegbrengt. Zo heeft de zonebeheerder verklaard dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein, en wordt ruimschoots voldaan aan de streefwaarden uit de
Beleidsregel geur bedrijven (niet-veehouderijen) Overijssel 2018. Ook alle toekomstige vergunningaanvragen zullen worden getoetst aan beleid en regelgeving.
Toekomstige ontwikkelingen kunnen dus niet ongelimiteerd plaatsvinden.
Wat betreft de vergelijkbaarheid van bestaande hoogbouw met de onderhavige vergunningaanvraag, merkt het college op dat is onderzocht wat de impact van het bedrijf zal zijn voor het bebouwingsbeeld. Daarin is meegenomen dat er reeds hoogbouw
‘aanwezig is op het bedrijventerrein. Dit vormt echter geen argument op zich om het nieuwe bedrijf toe te staan. Er is afzonderlijk beoordeeld of het te vergunnen bedrijf een onevenredige aantasting van het bebouwingsbeeld oplevert.
De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 4.9,
Democratische controle beperkt
16
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
Reclamant voert aan dat het vooroverleg over de plannen tussen de gemeente en de aanvrager van de vergunning een inperking vormen van de democratische controle,
doordat de gemeente hierdoor reeds heeft geïnvesteerd in de ondernemer. Reactie college: Vooroverleg is een gebruikelijke manier om in gesprek te gaan met het
bestuursorgaan dat een aanvraag gaat beoordelen. Tijdens het overleg wordt besproken of de voorgenomen plannen haalbaar zijn. Er kunnen geen afspraken worden gemaakt of toezeggingen worden gedaan die afwijken van de regelgeving, van een inperking van democratische controle of investering in een ondernemer is dus geen sprake. Daar komt nog bij dat aan een vooroverleg kosten kunnen worden verbonden, zodat eventuele gemaakt kosten van het college zijn gedekt. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit.
Zienswijze reclamant 5 5.1.
Reclamant verwijst in de eerste plaats naar de zienswijze zoals ingediend door reclamant 1.
Reactie college: Terugverwezen wordt naar de reacties van het college onder zienswijze 1.
5.2.
Reclamant merkt op reeds veel hinder te ervaren van bestaande bedrijven op het
bedrijventerrein. Reclamant vreest dat de hinder als gevolg van de nieuwe fabriek verder zal toenemen.
Daarnaast voert reclamant aan dat op dit moment de milieunormen voor geur niet worden
nageleefd door bestaande bedrijven op het bedrijventerrein. Reclamant vreest gelet hierop dat ook de nieuwe fabriek zich niet aan de geldende milieuwetgeving zal gaan houden.
Reactie college: Met de zienswijze kan reclamant reageren op het ontwerpbesluit. De
hinder afkomstig van bestaande bedrijven maakt geen onderdeel uit van het ontwerpbesluit. Het college beperkt zich in de beantwoording van de zienswijze tot de
hinder als gevolg van het te vergunnen bedrijf. Voor zover reclamant aanvoert dat sprake is van geur- en lichthinder van bestaande bedrijven, wordt eveneens niet ingegaan op deze aspecten. Het college wijst op de reactie in paragraaf 3.2 van deze zienswijzennota over de
bronnen van geluid- en geurhinder. Daarnaast wordt gewezen op het ‘Advies over aanvraag omgevingsvergunning,
activiteit milieu’ waaruit blijkt dat geen sprake is van
uitstoot van schadelijke stoffen boven de EU-norm. Het bedrijf draagt in niet betekenende mate bij aan de toename van de concentratie van fijnstof en stikstofdioxide in de omgevingslucht, zo volgt uit het onderzoek. Daarnaast leiden de activiteiten niet tot emissie van zeer zorgwekkende stoffen. Luchtkwaliteit vormt aldus geen belemmering
voor het verlenen van de vergunning. 17
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
Voor zover reclamant vreest dat aanvrager de geldende milieuwetgeving niet zal naleven, merkt het college op dat reclamant — indien milieuwetgeving niet wordt nageleefd — het college kan verzoeken om handhavend op te treden. Het college zal in dat geval onderzoeken of sprake is van een overtreding en zal zo nodig handhavend optreden
tegen eventueel geconstateerde overtredingen. Handhaving van de naleving van geurnormen door bestaande bedrijven is gelet op het eerdergenoemde, een aspect dat buiten de omvang van het ontwerpbesluit valt.
De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. Zienswijze reclamant 6 6.1,
Binnenplanse afwijkingsmogelijkheid mist toepassing Reclamant voert aan dat geen gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse
afwijkingsbevoegdheid. Zo is sprake van een niet toegestane categorie bedrijvigheid, die niet gelijk kan worden gesteld aan een categorie 3.2 bedrijf, gezien de omvang van het pand, brandveiligheid, aanwezigheid gevaarlijke stoffen, geurhinder en geluidbelasting. Reactie college: Terugverwezen wordt naar de reactie van het college in paragraaf 1.3 en 1.6 van deze zienswijzennota. 6.2.
0
:
or
:
Reclamant voert aan dat een toetsing aan het woon- werk- en leefmilieu van betrokkenen ontbreekt. Daarnaast ontbreekt een onderbouwing van de toegestane concrete afwijking en een onderbouwing van de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid in het ontwerpbesluit. Dit leidt tot een onrechtmatig besluit.
Reactie college: Terugverwezen wordt naar de reactie van het college in paragrafen 1.1 en 1.3 van deze zienswijzennota. Daarnaast wordt opgemerkt dat reclamant woonachtig is op een gezoneerd bedrijventerrein. Tegen die achtergrond dient het woon-, werk- en leefmilieu te worden 6.3.
beoordeeld.
Onverbindendheid binnenplanse afwijkingsmogelijkheid Reclamant voert aan dat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid onverbindend moet worden verklaard omdat een maximum percentage voor afwijking ontbreekt. De afwijkingsmogelijkheid is daarmee onbegrensd. De voorwaarden bij de planregels dat de
bouwhoogte van bedrijfsgebouwen ‘uitsluitend mag worden verhoogd indien er een investering in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt en dat bebouwing, grenzend aan de randen van het bedrijventerrein goed landschappelijk ingepast moet worden kunnen’ kan niet als beperking worden
beschouwd.
Reactie college: Terugverwezen wordt naar de reactie van het college in paragraaf 1.1 van deze zienswijzennota. 6.4.
Ontbreken
definitie ruimtelijke kwaliteit
18
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
Reclamant voert aan dat het begrip ‘ruimtelijke kwaliteit’ niet is uitgewerkt. Het bestemmingsplan bevat geen dynamische verwijzing naar de leidraad ‘Hoger bouwen met
Hogere kwaliteit en daarnaast is de leidraad pas opgesteld na de vaststelling van het bestemmingsplan. Reactie college: De leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ maakt integraal onderdeel uit van de welstandsnota van de gemeente Zwartewaterland (bijlage 9). Een dynamische verwijzing is daarom niet noodzakelijk. In de leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ is onder het kopje ‘wat is ruimtelijke kwaliteit” het begrip ruimtelijke kwaliteit gedefinieerd als het evenwicht tussen belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. “Gebruikswaarde gaat over hoe praktisch het is: is het betaalbaar, zijn
‘er mensen die daadwerkelijk het object of gebied gebruiken, is dat gebruik prettig, kunnen de dingen die men er wil doen ook op een goede manier gedaan worden,
enzovoort. Toekomstwaarde is: zal dit object of gebied in de toekomst ook nog bruikbaar zijn, is het zodanig van kwaliteit dat het op den duur nog steeds de moeite waard is, zullen investeringen zich terugverdienen?”
De gemeenteraad heeft de vrijheid om beleid te maken wanneer hij dat nodig acht. De leidraad ‘Hoger bouwen met Hogere kwaliteit’ is vastgesteld en inwerking getreden in 2016. Dat is vóór de vergunningaanvraag en het nemen van het ontwerpbesluit, in respectievelijk 2021 en 2022, zodat de aanvraag zonder twijfel aan dit beleid kan worden
getoetst. Bovendien wordt opgemerkt dat het beleid geen koerswijziging oplevert, maar slechts dient ter verduidelijking van het bestaande toetsingskader van de binnenplanse
afwijkingsregeling. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 6.5.
Ontoereikende welstands- en stedenbouwkundige toets Reclamant voert aan dat uit het welstandsadvies niet blijkt op welke wijze wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Ook moet de welstandstoets beter worden
onderscheiden van de stedenbouwkundige toets die bij de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid hoort. De gevolgen van de hoogbouw voor het woon- en leefklimaat van omwonenden zijn niet in kaart gebracht. Reactie college: De stadsbouwmeester heeft geoordeeld dat het bedrijf aan de uitgangspunten voor de investering in de ruimtelijke kwaliteit voldoet. Ter beoordeling is getoetst aan de welstandsnota van de gemeente Zwartewaterland, waar de notitie ‘Hoger
bouwen met Hogere kwaliteit’ onderdeel van is (bijlage 9). De richtlijnen uit de notitie zien op het realiseren van een zo onopvallend mogelijk volume middels gebruik van vorm, kleur, materiaal en landschappelijke inpassing. Voorts is de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid getoetst bij de beoordeling van de mogelijkheid om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Daarbij is onder andere in overweging genomen dat het bouwplan het totale bebouwingsbeeld van het
bedrijventerrein niet onevenredig aantast, waarbij is geconcludeerd dat het bouwplan aansluit op de bestaande bebouwing.
Wat betreft het in kaart brengen van de gevolgen van de hoogbouw voor het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt verwezen naar de reactie van het college in 19
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
paragraaf 1.3 van deze zienswijzennota, waar wordt ingegaan op de uitkomst van de belangenafweging bij de toetsing aan de binnenplanse afwijkingsregeling. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 6.6.
rekkik
zonningsstudie,
windhin:
nderzoek
en
landsch:
lijke
inf
ine
Reclamant voert aan dat schaduwoverlast slecht voor 4 dagen in het jaar is bepaald, een
windhinderonderzoek en onderzoek naar landschappelijke inpassing ontbreken, afgezien van een beperkte onderbouwing van de keuze voor een bepaalde kleurtint van het bedrijf.
Het perceel is te klein voor de uitbreiding waardoor het verlenen van de vergunning strijd oplevert met de goede ruimtelijke ordening. Reactie college: Er bestaan geen landelijke normen en eisen voor de bezonning van bebouwing. De gemeente is vrij om invulling te geven aan de eisen omtrent bezonning en daaraan te toetsen. Het onderzoek naar de schaduwwerking ziet op de data 21 januari, 21 juli en 21 november van een geheel kalenderjaar. Op vier momenten op de dag, in
totaal 16, is de schaduwwerking voor de omgeving in kaart gebracht. Uit de bezonningsstudies volgen geen belemmeringen voor de vergunningverlening.
Wat betreft windhinder, heeft reclamant gesteld dat een windhinderonderzoek moet worden uitgevoerd. Op 6 oktober 2022 is een windhinderonderzoek voor de ontwikkeling van Solprovit overlegd. Het windhinderonderzoek maakt onderdeel uit van de gegevens die betrokken zijn bij de omgevingsvergunning. Uit het onderzoek blijkt dat het
windklimaat op alle paden in en rondom het nieuwbouwplan vrij zijn van de categorie ‘windhinder’. Het windklimaat is daarnaast op alle paden in en rondom het nieuwbouwplan vrij van de categorie ‘gevaarlijk’. Hiermee kan worden gesteld dat de ontwikkelingen geen windgevaar of windhinder veroorzaken. Uit het rapport blijkt expliciet
dat dit ook geldt voor de locatie aan de (geanonimiseerd) De landschappelijke inpassing is een aspect van de ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke
kwaliteit is uitdrukkelijk getoetst in het ontwerpbesluit. Voor zover reclamant aanvoert dat sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening omdat het perceel te klein is, wordt
verwezen naar de reactie van het college in paragraaf 1.3 van deze zienswijzennota. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 6.7.
Onjuiste beoordeling aanvraag en indeling geur-gevoeligheid Reclamant voert aan dat de aanvraag is beoordeeld als revisievergunning maar moet worden beoordeeld als oprichtingsvergunning. Hierdoor ontbreekt toetsing aan
geluidsnormen voor omliggende woningen. Ook is de woning aangemerkt als minder geur-gevoelig, maar deze moet worden aangemerkt als geur-gevoelig omdat het een woonhuis
betreft.
Reactie college: Voor de bestaande inrichting op het adres Gildenweg 1 is op 24 augustus 2016 een revisievergunning verleend. Het verlenen van een
omgevingsvergunning voor het oprichten van een inrichting is niet mogelijk wanneer op de locatie reeds een revisievergunning rust. 20
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
Wanneer het nieuwe bedrijf andersoortige activiteiten verricht dan het oude bedrijf dan is de oude vergunning niet meer toereikend en is het aan te bevelen een revisievergunning te verlenen. Dit kan ook bij een verandering naar volledig andere activiteiten dan genoemd in de oprichtingsvergunning. Bij het in werking treden van de revisievergunning komt de onderliggende vergunning te vervallen waardoor er een duidelijke vergunningssituatie ontstaat. Daarnaast is de aanvraag om revisievergunning getoetst op een wijze alsof het een oprichtingssituatie betreft. Geluid
Bij het vaststellen van de zonering van het industrieterrein is getoetst of wordt voldaan aan de geluidsnormen voor omliggende woningen. Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen woningen die op het gezoneerde industrieterrein zijn gelegen, zoals de
woning van reclamant aan de (geanonimiseerd) BN en woningen die buiten het gezoneerde industrieterrein zijn gelegen. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele
industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Voor de woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone geldt een grenswaarde van 55 dB(A).
(geanonimiseerd) ‘s gelegen op het op grond van de Wet geluidhinder De woning aan de WW gezoneerde industrieterrein “Zwartewater-Buiten de Enkpoort”. Dergelijke industrieterreinen zijn bedoeld voor het vestigen van zogenoemde grote lawaaimakers. Met het oog daarop is een de Wet geluidhinder een specifieke wettelijke regeling
opgenomen voor bescherming van uitsluitend woningen die buiten het industrieterrein zijn gelegen. De woning van reclamant wordt aldus niet beschermd tegen geluidoverlast op grond van de Wet geluidhinder.
Verder blijkt uit het ‘Advies over aanvraag omgevingsvergunning, activiteit milieu’ dat het te vergunnen bedrijf de geldende grenswaarden, niet zal overschrijden, er is dus geen sprake van onaanvaardbare geluidhinder. Het te vergunnen bedrijf is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Dit betekent dat op deze locatie een geluidcontour is vastgesteld en berekend van 50 dB(A). Binnen het onderzoeksgebied en de huidige 50
dB(A) contour zijn vier woningen gelegen (Werkerlaan 3, 5 en Zwolsedijk 10c en 10d) waarvoor voor elke woning ontvangerspunten zijn opgenomen op zowel 1,5 meter hoogte als voor 4,5 meter hoogte. De punten liggen voor de woninggevel (voor, achter en
zijgevels). De beoordelingshoogte op 1,5 meter is opgenomen om zo inzicht te krijgen in het geluidniveau voor de dagperiode. Voor deze woningen zijn geen hogere grenswaarden industrielawaai afgegeven. Uit het Akoestisch onderzoek ‘Geluidzone industrieterrein “Zwartewater — Buiten de Enkpoort” volgt dat de berekende vergunde 50
dB(A) contour ruim binnen de vastgestelde geluidcontour (bestemmingsplan Buitengebied 2013) is gelegen. De vier woningen liggen niet binnen de berekende vergunde contour. Hieruit volgt dat bij de toedeling van het geluid aan bedrijven middels vergunningen en/of maatwerkvoorschriften de maximaal planologische geluidruimte niet
wordt overschreden. Tot slot blijkt uit de berekeningen dat de vastgestelde 50 dB(A) veel ruimer is dan de maximale planologische ruimte. 21
van
25
g nysingh advocaten
en
notarissen
Geur
(geanonimiseerd) reageert het Wat betreft de geurgevoeligheid van de woning gelegen op WN college als volgt. Uit het ‘Advies over aanvraag omgevingsvergunning, activiteit milieu’
volgt dat de woning zich bevindt op een afstand van circa 42 meter vanaf de perceelgrens van het onderhavige bedrijf en ligt op het bedrijventerrein. De Beleidsregel
geur bedrijven (niet -veehouderij) Overijssel 2018 maakt onderscheid in beschermingsniveau voor vier verschillende categorieën van geurgevoelige objecten:
categorie A tot en met D. Categorie A krijgt hierbij het hoogste beschermingsniveau en categorie D het laagste beschermingsniveau.
Woningen en daarmee vergelijkbare
objecten kunnen worden ingedeeld in categorie A of categorie B. Deze zijn als volgt gedefinieerd: «
categorie A: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie
wonen of buitengebied; «
categorie B: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie werken of bedrijfswoningen.
De woning aan de Hanzeweg te Hasselt ligt op het bedrijventerrein Zwartewaterland. In het vigerende bestemmingsplan Bedrijventerreinen Zwartewaterland, vastgesteld op 21 mei 2015, heeft het perceel de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’, dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie’ en de functie aanduiding ‘bedrijven tot en met categorie 3.2’. De