CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

3b. Bijlage 2 - Advies ontwerp omgevingsvergunning milieu Solprovit B.V Gildenweg 1 Hasselt

Raadsvergadering 22 september 2022, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Brieven van het college14.043 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

8.3

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Sinds 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Hiermee zijn de risiconormen voor externe veiligheid voor bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Ook geldt er sinds 2004 de Regeling externe veiligheid (Revi). Deze regeling strekt tot uitvoering van het Bevi. De inrichting valt niet onder de reikwijdte van het Bevi. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de opslag van propionzuur niet in dezelfde ruimte mag worden opgeslagen als de vaste gevaarlijke stoffen (kopersulfaat, zinksulfaat en zinkoxide). Is dit wel het geval dan ontstaat de combinatie van brandbare gevaarlijke stof in combinatie met een niet brandbare gevaarlijke stof met een zwavelverbinding. Omdat het dan zal gaan om meer dan 10 ton in één opslagruimte is het BEVI dan wel van toepassing. Om te borgen dat het Bevi niet van toepassing wordt hebben wij hiervoor een voorschrift aan de vergunning verbonden.

8.4

Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)

Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS richtlijn relevant: • PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Richtlijn voor opslag en tijdelijke opslag met betrekking tot brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid; Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2021 versie 1,0 (augustus 2021) Interim PGS.

27 / 1 Z2021-00013668

Binnen de inrichting worden de volgende gevaarlijke stoffen opgeslagen: • Propionzuur (vloeibaar) opgeslagen in 2 IBC’s van 1.000 liter; • Kopersulfaat (vast) in big bags van 1.000 kg of zakgoed van 25 kg, max 15 ton; • Zinksulfaat (vast) in big bags van 1.000 kg of zakgoed van 25 kg, max 15 ton; • Zinkoxide (vast) in big bags van 1.000 kg of zakgoed van 25 kg, max 15 ton; • Dieselolie (400 liter) in een tank. Propionzuur valt onder ADR-klasse 8 met bijkomend gevaar brandbaar (ADR 3). Kopersulfaat, zinksulfaat en zinkoxide vallen onder ADR-klasse 9, zonder bijkomend gevaar. Deze stoffen hebben wel de classificatie “aquatisch toxisch”. Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS-richtlijnen relevant: • PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Richtlijn voor opslag en tijdelijke opslag met betrekking tot brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid; Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2021 versie 1,0 (augustus 2021) Interim PGS.

De opslag van meer dan 250 kg of liter gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8 valt onder de werkingssfeer van de PGS 15. Uitsluitend de waterbezwaarlijke stoffen (classificatie aquatisch toxisch) welke zijn ingedeeld in ADR-klasse 9 vallen onder de werkingssfeer van PGS 15. Deze stoffen worden aangeduid met de classificatiecode M6 en M7 (UN-nummer 3082 en UN-nummer 3077). Kopersulfaat, zinksulfaat en zinkoxide hebben allen de classificatie aquatisch toxisch). De PGS 15 is daarom van toepassing op de opslag van deze stoffen. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden. Wij merke op dat in de aanvraag is aangegeven dat 1 IBC met propionzuur in de opslagruimte zakgoed en big bag eindproducten als werkvoorraad moet worden aangemerkt. Wij zijn van mening dat deze IBC met propionzuur niet als werkvoorraad kan worden opgemerkt omdat niet wordt voldaan aan de omschrijving van werkvoorraad zoals die is opgenomen in vs 3.1.3. van de PGS 15. Daarom moet deze IBC worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening die voldoet aan de PGS 15. Met betrekking tot de opslag van dieselolie (ADR klasse 3) in een bovengrondse tank is het Activiteitenbesluit van toepassing. Daarom hebben wij daarover geen voorschriften in deze vergunning opgenomen.

8.5

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

Bij de inrichting is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals die verwoord zijn in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Inspectie SZW is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.

28 / 1 Z2021-00013668

8.6

Relatie met ATEX

Stofexplosie Een stofexplosie kan zich voordoen wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van stof en zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij de inrichting bestaat in de productieruimten en opslag grondstoffen/eindprocucten of in de nabijheid daarvan door de aanwezigheid van vrijgekomen en ronddwarrelend stof de kans dat dit stof tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht. De verplichtingen voor bedrijven ten aanzien van stofexplosiegevaar zijn verankerd in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Concreet gaat het voor inrichtingen (bedrijven) dan vooral om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen stofexplosie, en de gevarenzone-indeling. De Inspectie SZW is de toezichthoudende instantie. Om deze reden worden ten aanzien van stofexplosiegevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.

8.7

(Intern) Noodplan

In de arbeidsomstandighedenwetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikel 2.5c van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht een noodplan te hebben. Op basis van dit artikel is het bedrijf ook verplicht o.a. hulpverleningsinstanties in te lichten over het noodplan indien gewenst door deze instanties. In artikel 2.0, lid c van de Arbeidsomstandighedenregeling is geregeld wat er ten minste in het noodplan moet zijn opgenomen (verwezen wordt naar bijlage II van de regeling).

8.8

Conclusie

Externe veiligheid vormt geen belemmering om de vergunning te verlenen.

9

GELUID EN TRILLINGEN

9.1

Algemeen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door transportbewegingen, laden en lossen en stationaire bronnen als een luchtbehandelingskast en afzuiging. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van DGMR, Akoestisch onderzoek Solprovit, Gemeente Zwartewaterland, Hasselt, status concept, versie 001, rapport M2021.0538.02.R002, datum 23 maart 2022. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

9.2

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein “Zwartewater-Buiten de Enkpoort” in de gemeente Zwartewaterland. Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Voor de woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone geldt een grenswaarde van 55 dB(A).

29 / 1 Z2021-00013668

In het akoestisch rapport dat deel uitmaakt van de vergunningaanvraag is de geluidimmissie, zowel voor de dag-, avond- als nachtperiode, aangegeven ter plaatse van de door de zonebeheerder vastgestelde zonebewakingspunten (op de vastgestelde 50 dB(A)-contour). Naar aanleiding van een eerdere versie van het akoestisch onderzoek (Akoestisch onderzoek met kenmerk: M.2021.0538.02.R001. Uitgevoerd door DGMR B.V., d.d. 30 november 2021) hebben wij van de zonebeheerder op 2 maart 2022 een schriftelijke rapportage ontvangen waarbij de situatie vóór en ná de aanvraag in beeld is gebracht en waaruit blijkt dat na het vergunnen van de aanvraag voldaan wordt aan de van toepassing zijnde artikelen uit de Wet geluidhinder (zie artikel 2.14 eerste lid, onder c 20 van de Wabo). Het vervangen van deze versie door de rapportage van DGMR, Akoestisch onderzoek Solprovit, Gemeente Zwartewaterland, Hasselt, status concept, versie 001, rapport M2021.0538.02.R002, datum 23 maart 2022 heeft geen invloed op de zonetoets. Daarom is door de zonebeheerder geen nieuwe rapportage opgesteld.

Conclusies • De beoogde activiteiten passen binnen de 50 dB(A)-geluidzone van het industrieterrein Zwartewater; • De inrichting heeft geen noemenswaardig geluidbijdrage aan de gecumuleerde geluidbelasting op de voor dit bedrijf relevante bewakingspunten; • De bewakingswaarde (ter plaatse van zonepunten en de overige bewakingspunten) wordt niet overschreden. De onderzochte situatie is inpasbaar; • Vanuit zonebeheer kunnen, voor het LAr,LT in RBS situatie, de geluidwaarden uit tabel 3, blz. 12 van het akoestisch onderzoek van 23 maart 2022 worden opgenomen in de omgevingsvergunning. De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein. Wij hebben overeenkomst het advies van de zonebeheerder aan de vergunning voorschriften voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op de zonebewakingspunten (50dB(A)). De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.

9.3

Maximaal geluidsniveau (LAmax)

Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen (streefwaarden. De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Bij de geluidsgevoelige bestemmingen aan de Hasselterdijk 2, Werkerlaan 3 en de Lijnbebouwing Noordwest worden de streefwaarden overschreden. Aan de grenswaarden wordt echter voldaan. De maximale geluidsniveaus hebben wij in een voorschrift vastgelegd.

9.4

Indirecte Hinder

Het geluid van het verkeer van en naar een inrichting gelegen op een gezoneerd industrieterrein mag bij vergunningverlening niet worden getoetst aan de in de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer", d.d. 29 februari 1996 genoemde grenswaarden, omdat hierdoor het speciale regime en vergunningstelsel voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein worden doorkruist.

30 / 1 Z2021-00013668

9.5

Conclusies

Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar. Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten bij woningen van derden en op de zonegrens. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.

10

GEUR

10.1

Landelijk beleid

Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Voor onze verdere overwegingen over geur verwijzen wij naar de Overwegingen maatwerkvoorschriften Activiteitenbesluit milieubeheer.

11

LUCHT

11.1

Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Zo bevat Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit regels voor stoffen met een minimalisatieverplichting, emissiegrenswaarden, geur en monitoring. Voorts bevat het Activiteitenbesluit in Afdeling 2.11 en de hoofdstukken 3 en 5 (lucht)regels voor specifieke activiteiten, zoals stookinstallaties en opslag van inerte goederen. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels. In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.

11.2

Puntbronemissies van procesinstallaties

Bij Solprovit B.V. worden stuifgevoelige stoffen opgeslagen, overgeslagen en gemengd. De productie van veevoeder door het (droog) mengen van grondstoffen is geen IPPC-installatie, zodat op deze installatie Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Veel van de stoffen die Solprovit B.V. gebruikt zijn stuifgevoelig en vallen onder de categorieën S1 (sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar) en S3 (licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar). Daarom wordt alles in gesloten verpakking aangeleverd of via bulkwagens in gesloten silo’s opgeslagen. Ook zijn de silo’s inpandig opgesteld. Vanuit de silo’s en aangeleverde verpakking gaan de grondstoffen in mengers. 31 / 1 Z2021-00013668

Deze activiteiten vinden inpandig plaats. De lucht uit de verwerkingsruimten en silo’s worden afgezogen en door een filter geleid voordat de lucht naar buiten wordt uitgestoten. Alle emissiestromen van de inrichting zijn per categorie en per klasse gesommeerd en getoetst aan de daarvoor geldende grensmassastroom volgens de sommatiebepaling van artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit. Hieruit blijkt dat de emissie van klasse stof de grensmassastroom overschrijdt en deze relevant is. De rechtsreeks werkende emissiegrenswaarden van het Activiteitenbesluit gelden voor elk emissiepunt afzonderlijk. Voorts is op grond van artikel 2.6 van het Activiteitenbesluit voor elk afzonderlijk emissiepunt en afzonderlijke stof beoordeeld of de genoemde vrijstellingsgrens geldt. Dit blijkt niet het geval te zijn. Dit betekent dat de normering van de Activiteitenbesluit van toepassing is voor alle bronnen. De emissie-eis van 5 mg/Nm3 kan bereikt worden door het toepassen van filtrerende afscheiders. Hieronder worden doekfilters, lamellenfilters en andere filtersystemen verstaan waarbij gebruik wordt gemaakt van een medium waar het afgas doorheen wordt gevoerd. Ook kan mogelijk door de toepassing van een andere geschikte techniek de emissie-eis van 5 mg/Nm3 worden gehaald. Alle afzuigingen in de productieruimtes worden voorzien van filters.

Via de afzuiging en filters kan worden voldaan aan de norm van 5 mg/Nm3.

11.3

Zeer Zorgwekkende Stoffen

Sommige stoffen zijn dermate (milieu)gevaarlijk dat hun emissies bij voorkeur nul zouden moeten zijn. Deze stoffen worden aangeduid als zeer zorgwekkende stoffen (verder ZZS) en zijn als ZZS ingedeeld in bijlage 12a van de Activiteitenregeling. De eisen ten aanzien van de emissies van ZZS zijn vastgelegd in artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit. Voor de emissies van dergelijke stoffen geldt dat het streven op nulemissie moet zijn gericht, dit wordt aangeduid als de minimalisatieverplichting. De minimalisatieverplichting houdt in dat er een continu streven moet bestaan naar het zoveel mogelijk voorkomen van emissie dan wel, indien dat niet mogelijk is, het tot een minimum beperken daarvan. De aangevraagde activiteiten leiden niet tot emissie van ZZS naar de lucht.

11.4

Monitoring van procesemissies

Monitoring van luchtemissies dient om aan te tonen dat een installatie voldoet aan de geldende emissiegrenswaarden en/of een reinigingstechniek goed werkt en/of voor procesmonitoring of – optimalisatie. Monitoring van procesemissies wordt in beginsel volledig bestreken door artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit. Als er op grond van artikel 2.5 en 2.6 van het Activiteitenbesluit emissiegrenswaarden gelden, dan geeft tabel 2.8 van het Activiteitenbesluit het geldende controleregime aan. Het controleregime is gebaseerd op de grootte van de storingsfactor. Uit het controleregime kan volgen dat het bedrijf metingen moet uitvoeren. Mogelijke frequenties van metingen zijn éénmalig, periodiek of continu. Over de procesemissies kan controle plaatsvinden aan de hand van emissierelevante parameters (ERP’s cat. A of ERP’s cat. B). Afdeling 2.7 van de Activiteitenregeling geeft verdere invulling aan de monitoringseisen. Tabel 2.8 van het Activiteitenbesluit geeft het geldende controleregime aan. Wij zien geen aanleiding om hiervan door middel van maatwerkvoorschriften af te wijken.

11.5

Conclusie aspect lucht

Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De aangevraagde activiteiten geven geen aanleiding tot het stellen van maatwerkvoorschriften. 32 / 1 Z2021-00013668

11.6

Luchtkwaliteit

In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grensen richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren. De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). De concentraties van fijn stof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO 2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden. Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit; • de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM); • het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het is aannemelijk dat het de verandering van de inrichting en het in werking hebben van de inrichting na deze verandering niet in betekende mate bijdraagt aan een toename van de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide in de omgevingslucht.

11.7

Eindconclusie aspect lucht

Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het verlenen van de vergunning.

12

OVERIGE ASPECTEN

Artikel 2.22 derde lid Wabo jo. artikel 5.7 eerste lid Bor Bedrijfsbeëindiging Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie (artikel 5.7 eerste lid Bor) zijn in deze vergunning voorschriften opgenomen. Toekomstige ontwikkelingen Op termijn zal Vebe Floorcoverings volledig van de Gildenweg 1 vertrekken naar een nieuwe locatie. Op dat moment zal Solprovit de overige bedrijfsgebouwen van Vebe Floorcoverings overnemen. Op termijn zal ook de productiecapaciteit worden vergroot, waardoor de drempelwaarde van categorie 6.4 onder bij van bijlage I van de RIE wordt overschreden. Voor deze nieuwe situaties zal te zijner tijd een veranderingsvergunning worden aangevraagd.

13

CONCLUSIE

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het veranderen van een inrichting van een inrichting zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.

33 / 1 Z2021-00013668

WET MILIEUBEHEER Overwegingen maatwerkvoorschriften Activiteitenbesluit Milieubeheer

34 / 1 Z2021-00013668

1

GEUR

1.1 Landelijk beleid Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en op grond van het activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld. Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel. 2.7a van het Activiteitenbesluit.

Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de best beschikbare technieken moeten worden toegepast). 1.2 Lokaal beleid Als bevoegd gezag voor Solprovit B.V. dient de gemeente Zwartewaterland het aanvaardbaar geurhinderniveau vast te stellen. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt, conform artikel 2.7a 3e lid van het Activiteitenbesluit, onder meer rekening gehouden met de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid. De gemeente Zwartewaterland heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld voor bedrijven (niet-veehouderijen). Voor vergunningverlening aan geur emitterende inrichtingen of activiteiten heeft de provincie Overijssel het landelijk geurbeleid vertaald in een werkwijze op basis van een berekende geurbelasting. Deze Beleidsregel Geur bedrijven (niet veehouderijen) Overijssel 2018 is op 26 september 2017 door Gedeputeerde Staten van Overijssel vastgesteld en gepubliceerd op 1 februari 2018 en daarmee vanaf deze datum van kracht geworden. Bij bepaling van een toetsingskader voor de mogelijke geurhinder in de omgeving ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt rekening gehouden met de aard van de geur en de omgevingssituatie.

Met deze uitgangspunten kan, indien noodzakelijk, een specifiek en op de mogelijke geurhinder toegesneden toetsingskader worden afgeleid voor de geurrelevante activiteiten van een inrichting. De Beleidsregel geur bedrijven (niet-veehouderijen) Overijssel 2018 is rechtstreeks van toepassing op inrichtingen waarvoor de provincie het bevoegd gezag vormt. De gemeente Zwartewaterland heeft dit geurbeleid niet als haar eigen beleid vastgesteld, maar het geurbeleid van Overijssel wordt bij het vaststellen van het aanvaardbaar geurhinderniveau voor Solprovit B.V. als richtinggevend gehanteerd. 1.3 Toetsingskader Het Activiteitenbesluit stelt regels voor geurhinder in artikel 2.7.a van het Activiteitenbesluit, dat voor Solprovit B.V. rechtstreeks werkend is. Op grond van lid 4 van dit artikel zijn maatwerkvoorschriften gesteld om geurhinder te voorkomen en te beperken.

35 / 1 Z2021-00013668

De gemeente Zwartewaterland hanteert als toetsingskader voor het bepalen van een aanvaardbaar geurhinderniveau in de omgeving de Beleidsregel geur bedrijven (nietveehouderijen) Overijssel 2018. 1.4 Omschrijving aangevraagde situatie Solprovit B.V. produceert diervoeders, bestaande uit premixen voor landbouwhuisdieren. De aangevraagde activiteiten bestaan uit het op- en overslaan, mengen en verpakken van grondstoffen (granen, eiwithoudende plantaardige grondstoffen, mineralen, spoorelementen en vitaminen) en producten. Er wordt enkel droog gemengd. Er wordt geen gebruik gemaakt van persing. Er zijn 5 menglijnen en 3 palletlijnen voor het verpakken van het veevoer. De aangevraagde capaciteit is 80.277,6 ton per jaar. Bij het overslaan van grondstoffen en producten, het mengen van grondstoffen en het verpakken van producten zijn geuremissies te verwachten. Deze processen vinden inpandig plaats en opslagsilo’s en productieruimten worden afgezogen, waarbij de afgezogen lucht wordt behandeld met filterende afscheiders en via het dak naar de buitenlucht geëmitteerd. Er wordt geen gebruik gemaakt van nageschakelde geuremissiebeperkende technieken. De emissiepunten op het dak vormen de relevante geurbronnen. 1.5 Ligging van de inrichting van geurgevoelige objecten in de omgeving De inrichting van Solprovit B.V. is gesitueerd aan de Gildenweg 1 te Hasselt.

Deze locatie maakt deel uit van het industrieterrein Zevenhont. In het provinciaal Overijssels geurbeleid worden de volgende categorieën geurgevoelige objecten onderscheiden: • categorie A: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie wonen of buitengebied; • categorie B: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie werken of bedrijfswoningen; • categorie C: verblijfsobjecten, niet zijnde woningen of vergelijkbare objecten, gelegen in gebiedscategorie wonen, werken of buitengebied; • categorie D: verblijfsobjecten gelegen op een industrieterrein op de gronden die zijn bestemd voor bedrijven in categorie 4 of hoger conform de VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering. In de omgeving bevinden zich bestaande woningen en bedrijven die als geurgevoelige bestemmingen worden aangemerkt. De dichtstbijzijnde woning is Hanzeweg 13 en deze bevindt zich op een afstand van circa 42 meter vanaf de perceelgrens van Solprovit B.V. en ligt op het bedrijventerrein (categorie B). De dichtstbijzijnde woning van categorie A is Stenendijk 5. Deze woning ligt aan de rand van de aaneengesloten woonbebouwing van Hasselt op een afstand van 570 meter van het perceel van Solprovit B.V.

Bij de toetsing worden de volgende geurgevoelige objecten betrokken: • Randweg 5 Hasselt; categorie B • Hanzeweg 13 Hasselt; categorie B • Ambachtsweg 4 Hasselt; categorie B • Ambachtsweg 1 Hasselt; categorie B • Ambachtsweg 3 Hasselt; categorie B • Stenendijk 5 Hasselt; categorie A • Prinses Marijkestraat 1; categorie C (school) • Stenendijk 2 Hasselt; categorie A • Stenendijk 4 Hasselt; categorie A

36 / 1 Z2021-00013668

1.6 Beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar geurhinderniveau Als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting wordt er geur geëmitteerd. Door deze geuremissie kan er geurhinder optreden in de omgeving. Om het aanvaardbaar geurhinderniveau bij de diverse geurgevoelige bestemmingen vast te stellen als gevolg van de geurrelevante activiteiten binnen de inrichting van Solprovit B.V. heeft Solprovit B.V. een geuronderzoek uit laten voeren door het adviesbureau Buro Blauw uit Wageningen en deze vervolgens ingediend bij de aanvraag om een WABO vergunning. In dit geuronderzoek zijn de geurrelevante activiteiten gekwantificeerd en vastgelegd op basis van emissie en procesuren. Dit geuronderzoek wordt verbonden aan de het maatwerkbesluit ten behoeve van de controleerbaarheid van de aangevraagde procesomstandigheden zoals emissie-uren, activiteiten en dergelijke. In dit geuronderzoek met kenmerk BL2022.10569.01-V03 van 29 maart 2022 is de geurbelasting berekend in de omgeving en getoetst aan de Beleidsregel geur bedrijven (niet veehouderijen) Overijssel 2018. Het karakter van de geur die vrijkomt bij Solprovit is gekwalificeerd als zijnde ‘minder hinderlijk’. Hieruit volgt een toetsing op basis van het daarbij behorende toetsingskader uit de Beleidsregel geur bedrijven (niet veehouderijen) Overijssel 2018 Dit toetsingskader is weergegeven in de onderstaande tabel.

Categorie geurgevoelige objecten Categorie A ouE/m3 Categorie B ouE/m3 Percentiel- Streef- RichtGrensStreef- RichtGrenswaarde waarde waarde waarde waarde waarde waarde 98 0,5 1,5 5 1,5 5 15 99,5 1 3 10 3 10 30 99,9 2 6 20 6 20 60 Tabel 1 Toetsingskader geur

Categorie C ouE/m3 Streef- RichtGrenswaarde waarde waarde 5 15 50 10 30 100 20 60 200

Solprovit B.V. is een nieuwe inrichting waarbij de geursituatie conform artikel 5 van de Beleidsregel geur wordt getoetst aan de streefwaarde. Uitgangspunt is dat in nieuwe situaties, nieuwe hinder moet worden voorkomen. De streefwaarde wordt beschouwd als het niveau waarbij geen geurhinder optreedt. Met in achtneming van het toepassen van BBT kan worden afgeweken tot ten hoogste de richtwaarde. Uit het geuronderzoek met kenmerk BL2022.10569.01-V03 van 29 maart 2022 blijkt dat er bij alle geurgevoelige objecten kan worden voldaan aan de streefwaarden uit de Beleidsregel geur bedrijven (niet veehouderijen) Overijssel 2018. De maximale geurbelasting van categorie A woningen is 0,16 ouE/m3 als 98-percentiel en van categorie B woningen 1,08 ouE/m3 als 98percentiel. Uit de afbeeldingen met de geurcontouren die in het geuronderzoek met kenmerk BL2022.10569.01-V03 van 29 maart 2022 zijn gepresenteerd, blijkt dat eveneens wordt voldaan aan de streefwaarden voor geurgevoelige objecten uit de overige categorieën C en D. Als maximaal geurhinderniveau ter plekke van de verschillende geurgevoelige bestemmingen achten wij de berekende immissieconcentraties ter plaatse van de geurgevoelige objecten aanvaardbaar. 1.7 Conclusie Artikel 2.7.a van het Activiteitenbesluit is rechtstreeks werkend. De Beleidsregel geur bedrijven (niet-veehouderijen) Overijssel 2018 wordt voor Solprovit B.V.

toegepast als richtinggevend voor het aanvaardbaar geurhinderniveau. Het karakter van de geur die vrijkomt bij de activiteiten van Solprovit B.V. is op basis van hedonische waarde conform de systematiek de Beleidsregel geur bedrijven (niet veehouderijen) Overijssel 2018 ingedeeld in de categorie ‘minder hinderlijk’. Uit de resultaten van de verspreidingsberekeningen in het geuronderzoek blijkt dat bij alle geurgevoelige objecten in de omgeving uit de categorieën A, B, C en D wordt 37 / 1 Z2021-00013668

voldaan aan de streefwaarden uit de Beleidsregel geur bedrijven (niet veehouderijen) Overijssel 2018. Wij achten de aangevraagde activiteiten vergunbaar. Wel stellen wij op grond van artikel 2.7.a lid 4 Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften op ten aanzien van het aspect geur.

38 / 1 Z2021-00013668

BEGRIPPENLIJST ADR De op 30 september 1957 te Geneve tot stand gekomen Europese Overeenkomst betreffende het international vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). AFVALWATER Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen. BEDRIJFSRIOLERING Voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. BEVOEGD GEZAG Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit. BODEMBEDREIGENDE ACTIVITEIT Bedrijfsmatige activiteit als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A 3 van de NRB. BODEMBESCHERMENDE VOORZIENING Een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem. EMBALLAGE Glazen flessen tot 5 l, kunststof flessen en vaten tot 60 l, metalen bussen tot 25 l, stalen vaten en kunststof drums tot 300 l, papieren en kunststof zakken en laadketels. GEGRONDE KLACHT Een gegronde klacht is een klacht over een bedrijf die is geverifieerd door een toezichthouder en als zodanig kan worden toegeschreven aan de activiteiten van het betreffende bedrijf.

GEVAARLIJKE STOFFEN Stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code. GEURGEVOELIGE OBJECTEN CATEGORRIE A: Woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie wonen of buitengebied. GEURGEVOELIGE OBJECTEN CATEGORIE B: Woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie werken of bedrijfswoningen. LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU (LAr,LT) Het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse in de loop van een bepaalde periode optredende geluid, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de afzonderlijke geluidsbijdragen tijdens de verschillende bedrijfstoestanden van de inrichting, alsmede het karakter van het geluid (impulsachtig, tonaal, muziek) en variaties van het immissieniveau als gevolg van verschillende weersomstandigheden (meteocorrectie), vastgesteld overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai, 1999" . LEKBAK Een voorziening waarvan de bodembeschermende werking door de daarop afgestemde bodembeschermende maatregelen is gewaarborgd, en die zich rondom of onder een bodembedreigende activiteit bevindt en in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen. 39 / 1 Z2021-00013668

NEN Een door het Nederlandse Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm. In deze beschikking wordt onder de genoemde norm verstaan de versie zoals deze ten tijde van het verlenen van deze vergunning, inclusief eventuele correctiebladen, van kracht is. NEN-EN Een door het Comitée Européen de Normalisation opgestelde en door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm. In deze beschikking wordt onder de genoemde norm verstaan de versie zoals deze ten tijde van het verlenen van deze vergunning, inclusief eventuele correctiebladen, van kracht is. NRB Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten. PGS 15 PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Richtlijn voor opslag en tijdelijke opslag met betrekking tot brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid; Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2021 versie 1,0 (augustus 2021) Interim PGS. RIOLERING Bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. VERWAARLOOSBAAR BODEMRISICO Een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt.

VLOEISTOFKERENDE VLOER OF VOORZIENING Een vloer of voorziening die niet volledig vloeistofdicht is maar voldoende dicht om bij calamiteiten te voorkomen dat de vloeistoffen direct aan de niet met vloeistofbelaste zijde van die voorziening of de bodem kunnen komen.

40 / 1 Z2021-00013668

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11818415/1