CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

3b. Bijlage 2 - Advies ontwerp omgevingsvergunning milieu Solprovit B.V Gildenweg 1 Hasselt

Raadsvergadering 22 september 2022, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Brieven van het college14.043 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Advies over aanvraag omgevingsvergunning, activiteit milieu

Zaaknummer

Z2021-00013668

OLO-nummer

OLO 6521669

Aanvrager

Solprovit B.V.

Locatie

Gildenweg 1 Hasselt (gedeeltelijk) en perceel kadastraal bekend gemeente Hasselt, sectie G, nummer 1348

Gegevens bevoegd gezag Bevoegd gezag

Gemeente Zwartewaterland

Opdrachtgever

Gemeente Zwartewaterland

Contactpersoon

N. Brasser

Telefoonnummer

14 038

E-mailadres

N.Brasser@zwartewaterland.nl

Datum adviesaanvraag

07-12-2021

Gegevens opsteller advies Naam

Kor Wijnja

Telefoonnummer

0653192816

E-mailadres

omgevingsloket@odijjsselland.nl

Datum advies

09-06-2022

Gegevens collegiale toets (indien van toepassing) Naam

Frans Huner

Telefoonnummer

0623427479

E-mailadres

f.huner@odijsselland.nl

Datum advies

24-05-2022

ADVIES Geadviseerd wordt de gevraagde vergunning voor het onderdeel Milieu te verlenen. Het advies is als volgt opgebouwd: de milieu-onderdelen voor in het samengestelde besluit; de voorschriften; de overwegingen; de bijlagen waarnaar in ons advies verwezen wordt. Dit advies wordt aangeleverd als word-document, zodat de casemanager de hierboven genoemde onderdelen kan knippen en plakken in het samengestelde besluit (dat door de gemeente wordt opgesteld). Dit advies bevat alle benodigde milieu-bouwstenen voor het samengestelde besluit.

ONTWERPBESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING I. Besluit Wij zijn voornemens te besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan Solprovit B.V. een (omgevings)vergunning: •

op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e (2° en 3° het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting) van de Wabo te verlenen voor een inrichting voor het ontwikkelen en produceren van hoogwaardige premixen en zuivelmengsels voor de diervoedingssector. De activiteit vindt plaats aan de Gildenweg 1 Hasselt (gedeeltelijk) en het perceel kadastraal bekend gemeente Hasselt, sectie G, nummer 1348. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in de bijlage van dit besluit. De vergunning betreft een revisievergunning als bedoeld in artikel 2.6, lid 1 van de Wabo.

•

Op grond van artikel 8.42 Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2.7a, lid 4 van het Activiteitenbesluit milieubeheer maatwerkvoorschriften te stellen voor het aspect geur. Deze maatwerkvoorschriften staan in de bijlage van dit besluit. Wij verklaren op grond van artikel 3.10 van de Algemene wet Bestuursrecht dat voor dit maatwerkbesluit de uitgebreide procedure van toepassing is.

En tevens: dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uit maken van deze vergunning: • aanvraagformulier met OLO nummer OLO 6521669, van 7 december 2021; • toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu, VanWestreenen, kenmerk 26278NS, Definitief, versie 3, 28 april 2022; • bedrijfsplattegrond VanWestreenen, projectnummer OV-SOLPROVIT, 22-112021, wijziging 18-5-2022; • akoestisch onderzoek Solprovit, DGMR, Rapport M.2021.0538.02.R002, versie 001, 23 maart 2022; • rapport Verkennend bodemonderzoek Gildenweg 1 Hasselt, AvA Milieuonderzoek, projectnummer 21228-AvA, 6 mei 2021; • geuronderzoek productie Pemixxen Fuite te Hasselt, Blauw, rapportnummer BL2022.10569.01-V03, 29 maart 2022; • Memo Aanvullende informatie aanvraag Solprovit, kenmerk SOHA.1129.20220318.SW.LS.

Voor zover de aan de vergunning verbonden delen van de vergunningaanvraag niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend.

3/1 Z2021-00013668

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht VOORSCHRIFTEN MILIEU

4/1 Z2021-00013668

VOORSCHRIFTEN MILIEU 1 1.1

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN Algemeen

1.1.1

Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrondtekening (digitaal) aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven: a. alle gebouwen en de installaties met hun functies; b. alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.

1.1.2

Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

1.1.3

De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

1.1.4

Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet en doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.

1.1.5

Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

1.2

Instructies

1.2.1

De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

1.2.2

De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.

1.3 1.3.1

Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden per mail naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag en de Omgevingsdienst IJsselland (omgevingsloket@odijsselland.nl) van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.

5/1 Z2021-00013668

1.3.2

Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste 7 dagen voor de aanvang van de uitvoering per mail aan het bevoegd gezag en de Omgevingsdienst IJsselland (meldpunt@odijsselland.nl) worden gemeld.

1.3.3

Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

1.4

Registratie

1.4.1

Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief bijbehorende documenten van de aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig: a. alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen; b. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; c. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen; d. de registratie van het jaarlijks elektriciteit- en waterverbruik; e. productiehoeveelheid per dag (totaal); f. productiehoeveelheid poedermelk en hoeveelheid toegepaste grondstoffen van dierlijke herkomst. De genoemde documenten mogen digitaal aanwezig zijn.

1.4.2

De documenten genoemd in het vorige voorschrift onder c, d, e en f moeten ten minste vijf jaar worden bewaard en te allen tijde beschikbaar zijn voor inzage door een door het bevoegd gezag aangewezen toezichthouder.

1.4.3

Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd. Deze registratie moet worden bewaard overeenkomstig voorschrift 1.4.1. Deze registratie moet ten minste vijf jaar worden bewaard.

1.5

Bedrijfsbeëindiging

1.5.1

Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

1.5.2

Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

6/1 Z2021-00013668

2 2.1

AFVALSTOFFEN Afvalpreventie

2.1.1

Uiterlijk 1 januari 2025 moet door of namens de vergunninghouder een afvalpreventieonderzoek zijn uitgevoerd. Dit onderzoek moet inzicht geven in de volgende aspecten: a) de processen binnen het bedrijf; b) de stoffenhuishouding per onderdeel en totaal; c) de samenstelling van het restafval in gewichtsprocenten; d) een kostenberekening; e) een bron-/oorzaakanalyse per afvalstroom; f) de wijze van meten en registreren; g) preventiemaatregelen, reeds genomen en gepland; h) mogelijkheden om reststoffen als grondstof in te zetten; i) een overzicht met aanvullende maatregelen; j) haalbaarheidsanalyses; k) doelstellingen en planning.

2.1.2

Binnen 3 maanden na uitvoering van het afvalpreventieonderzoek moet de rapportage van het onderzoek ter goedkeuring aan bevoegd gezag worden gezonden.

2.1.3

Vergunninghouder moet vanaf 2025 jaarlijks, vóór 1 april, aan het bevoegd gezag rapporteren over de uitvoering van de preventiemaatregelen. Vergunninghouder mag een preventiemaatregel uit het afvalpreventieonderzoek vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd.

2.2

Opslag van afvalstoffen

2.2.1

De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

2.2.2

De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.

2.2.3

De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

7/1 Z2021-00013668

3 BODEM 3.1 3.1.1

Doelvoorschriften Het bodemrisico van de in de aanvraag beschreven bodembedreigende activiteiten moet door het treffen van een combinatie van maatregelen en voorzieningen voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico zoals gedefinieerd in de NRB.

3.2

Opslag van vloeibare bodembedreigende (gevaarlijke) stoffen in verpakking

3.2.1

Vloeibare bodembedreigende stoffen moeten worden bewaard in goed gesloten verpakking.

3.2.2

Lege, niet gereinigde verpakking moet worden behandeld als volle. Toelichting: Voor de bepaling van de opvangcapaciteit van een vloeistofdichte bak hoeft de opslagcapaciteit van de niet gereinigde verpakking niet meegerekend te worden.

3.2.3

In de inrichting moet nabij de opslag van bodembedreigende vloeistoffen in verpakking, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste vloeistoffen moeten zo nodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven onder het hoofdstuk gevaarlijke stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de aard van de stof geschikte, gesloten verpakking. Toelichting: Als absorberend materiaal kan worden gebruikt perliet of vermiculiet.

3.2.4

Bodembedreigende vloeistoffen in emballage moeten zijn geplaatst in/boven een bodembeschermende voorziening in het bebouwde deel van de inrichting.

3.2.5

Een lekbak die toegepast wordt voor het opvangen van lek- of morsvloeistoffen moet op de volgende punten gecontroleerd worden: • de lekbak correct is gepositioneerd zodat lekkende of wegspattende stoffen opgevangen kunnen worden; • de materiaalkeuze van de lekbak afgestemd is op de aard van de stof die kan vrijkomen.

3.3 3.3.1

3.4 3.4.1

3.5 3.5.1

Opslag van vaste bodembedreigende stoffen De opslag van vaste bodembedreigende stoffen vindt plaats in verpakking die naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen. Onderhoud Onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan machines en onderdelen daarvan waarbij bodembedreigende stoffen kunnen vrijkomen vinden plaats boven een bodembeschermende voorziening. Acculaadstation Het met een acculader laden van een accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat, vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening.

8/1 Z2021-00013668

3.6

Laboratorium

3.6.1

Activiteiten in een laboratorium waarbij vloeibare bodembedreigende stoffen worden gebruikt of kunnen vrijkomen vinden plaats boven een bodembeschermende voorziening.

3.6.2

Chemicaliën en reagentia in glaswerk, gebruikt in het laboratorium, dienen separaat te worden opgevangen en naar een erkende verwerker te worden afgevoerd. Het personeel dient hiervoor geïnstrueerd te zijn via gedragsvoorschriften.

3.7

Bodembeschermende voorzieningen

3.7.1

Een bodembeschermende voorziening is zodanig uitgevoerd dat gemorste of gelekte bodembedreigende stoffen effectief worden opgevangen en kunnen worden opgeruimd.

3.7.2

Een bodembeschermende voorziening is bestand tegen de inwerking van de desbetreffende vloeibare bodembedreigende stoffen en de condities waaronder deze stoffen worden gebruikt of opgeslagen.

3.7.3

Een vloeistofdichte lekbak waarin vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking wordt opgeslagen, heeft een opvangcapaciteit van tenminste 110% van de inhoud van de grootster verpakkingseenheid, met dien verstande dat de opvangcapaciteit ten minste 10% is van de inhoud van alle opgeslagen stoffen.

3.8

Beheer bodembeschermende voorzieningen

3.8.1

De controle, het onderhoud en het beheer van bodembeschermende voorzieningen vinden zodanig plaats dat vrijkomende stoffen zijn verwijderd voordat deze in de bodem kunnen geraken.

3.8.2

De controle, het onderhoud en het beheer van bodembeschermende voorzieningen wordt in eenduidige bedrijfsinterne procedures en werkinstructies ter bescherming van de bodem vastgelegd.

3.8.3

In de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies is tenminste aangegeven op welke wijze: • de staat en goede werking van bodem beschermende voorzieningen, verpakkingen en apparatuur waarin vloeibare bodembedreigende stoffen worden opgeslagen of getransporteerd, wordt gecontroleerd; • er voor zorg wordt gedragen dat zo vaak als de omstandigheden daarom vragen inspecties op morsingen en lekkages plaatsvinden en, • is gewaarborgd dat gemorste of gelekte stoffen direct worden opgeruimd.

3.8.4

Morsingen en lekkages worden overeenkomstig de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies als bedoeld in voorschrift 3.8.3, verholpen en opgeruimd.

3.8.5

De in het kader van bedrijfsinterne procedures en werkinstructies noodzakelijke absoptiemiddelen en ander materialen en middelen ter bescherming van de bodem zijn in voldoende mate aanwezig.

3.8.6

Bevindingen van controles van of onderhoud aan bodembeschermende voorzieningen, alsmede acties genomen na incidenten met bodembedreigende stoffen worden overeenkomstig voorschrift 1.4.1 geregistreerd.

9/1 Z2021-00013668

3.9

Eindsituatie bodemonderzoek

3.9.1

Binnen drie maanden na beëindiging van een bodembedreigende activiteit moet ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie zijn uitgevoerd. De resultaten moeten uiterlijk 1 maand nadat dit onderzoek is uitgevoerd aan het bevoegd gezag zijn overgelegd. Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek onderzochte locaties moet het eindonderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek. Als het nulsituatie onderzoek niet correct is uitgevoerd dan moet het eindonderzoek betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.

3.9.2

Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen.

3.9.3

Indien uit het onderzoek, bedoeld in het voorschrift 3.9.1 dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na toezending van dat rapport danwel binnen een met het bevoegd gezag nader overeengekomen termijn, de bodemkwaliteit is hersteld tot de nulsituatie zoals vastgelegd in onderstaande bodemonderzoek: • Rapport Verkennend bodemonderzoek Gildenweg 1 te Hasselt, AvA Milieuonderzoek, projectnummer 21228-AvA, 6 mei 2021.

3.9.4

Het herstel van de bodemkwaliteit geschiedt door een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

4 ENERGIEBESPARING 4.1 4.1.1

Onderzoek Uiterlijk 1 januari 2025 moet de vergunninghouder de rapportage van een energie onderzoek aan het bevoegd gezag aanbieden. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. Het energie efficiëntie plan moet de volgende elementen bevatten: a. een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (eventueel per bedrijfsonderdeel); b. een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van het totale object met een toedeling van ten minste 90% van het totale energiegebruik aan individuele installaties en (deel)processen en waarin ook de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus, zijn weergegeven; c. per maatregel (techniek/voorziening): 1. de jaarlijkse energiebesparing 2. de (meer) investeringskosten 3. de verwachte economische levensduur 4. de jaarlijkse besparing op de energiekosten op basis van de energietarieven die tijdens het onderzoek gelden 5. een schatting van eventuele bijkomende kosten en baten anders dan samenhangende met energiebesparing 6. de onderbouwing en de conclusie dat de maatregel rendabel of niet rendabel is; d. een overzicht van mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good house keeping maatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing. 10 / 1 Z2021-00013668

e.

een energie uitvoeringsplan voor de energiebesparende maatregelen. In het energie uitvoeringsplan is ten minste voor alle rendabele maatregelen (technieken en voorzieningen) aangegeven wanneer die zullen worden getroffen. Als er rendabele maatregelen zijn die niet zullen worden uitgevoerd, dan wordt dat in het plan gemotiveerd. Het energie onderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het energie onderzoek worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift. NB. Als energieonderzoek mag ook het voor de Energie Efficiency Directive (EED) opgestelde energieaudit rapportage worden overgelegd. De inhoud van die rapportage dient ten minste het hiervoor onder a t/m e genoemde te bevatten. 4.1.2

Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie van de inrichting door de rendabele maatregelen (alle maatregelen met een terugverdiendtijd van 5 jaar of minder) uit het energie uitvoeringsplan uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het energie uitvoeringsplan is aangegeven

4.1.3

Vergunninghouder mag een maatregel uit het betreffende energie uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de vervangen maatregel.

4.1.4

Vergunninghouder moet eenmaal per vier jaar het energie onderzoek actualiseren en ter beoordeling zenden aan het bevoegd gezag. In geval de installaties niet zijn gewijzigd, kan volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c, d, en e uit het energie onderzoek. Het geactualiseerde energie onderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het energieonderzoek worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift.

4.1.5

Vergunninghouder moet vanaf 2026 jaarlijks, voor 1 april, aan het bevoegd gezag rapporteren over ontwikkelingen op energiegebied binnen de inrichting. Deze rapportage moet ten minste de volgende onderwerpen omvatten: a. een energiebalans van de inrichting van het voorgaande jaar, met daarin zowel de ingekochte hoeveelheden energie per energiedrager als de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus; b. energiemaatregelen die in het kader van het energie uitvoeringsplan zijn genomen; c. (indien van toepassing) wijzigingen in de tijdsplanning van de activiteiten uit het energie uitvoeringsplan, vergezeld van motivering; d. (indien van toepassing) vervanging van maatregelen door een gelijkwaardige energiebesparende maatregel, dit ook vergezeld van motivering.

4.1.6

Bij in gebruik name van de bestaande fabriekshallen door Solprovit zijn de navolgende maatregelen getroffen: - TL-verlichting is vervangen voor LED-verlichting; - Gasheater(s) is (zijn) verwijderd; - Stoomketel is verwijderd; - Isolatie is verbetert bij revitalisatie (verhogen Rc waarde); - Energiezuinige ventilatie is toegepast in werkruimtes.

4.1.7

Bij de nieuwbouw van de uitbreidingen ten behoeve van Solprovit worden de volgende gebouwmaatregelen getroffen: - Isolatie conform de norm voor bedrijfshallen; - toepassen LED-verlichting; - toepassen energiezuinige ventilatie in kantoorpand.

11 / 1 Z2021-00013668

4.1.8

5 5.1 5.1.1

5.2 5.2.1

Bij de nieuwbouw ten behoeve van Solprovit worden de volgende procesmaatregelen overeenkomstig de bijlage SOHA.1129.20220318.SW.LS getroffen: - Maatregel 1: Minimaal IE3-motoren, en waar mogelijk IE4-motoren worden toegepast; - Maatregel 2: Voor poedertransport worden zoveel mogelijk blowers in plaats van perslucht toegepast; - Maatregel 3: Motoren met een vermogen van meer dan 7,5 kW worden voorzien van frequentieregelaar; - Maatregel 4: Appendage- en leidingisolatie wordt toegepast; - Maatregel 5a: Frequentiegeregelde compressoren worden toegepast; - Maatregel 5b: Persluchtcompressoren worden voorzien van buitenlucht aanzuiging; - Maatregel 5c: Hergebruik van restwarmte wordt toegepast; - Maatregel 6: De luchtbehandeling wordt uitgevoerd met: • Frequentieregeling; • Nachtregeling; • Warmteterugwinningssysteem; • Recirculatie van lucht.

GELUID Algemeen Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan: Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) [dB(A)] Beoordelingspunten* Dagperiode (07.00-19.00 uur)

5.3 5.3.1

Avondperiode Nachtperiode (19.00-23.00 (23.00-07.00 uur) uur)

070 50 dB(A) zonebewakingspunt

8

6

6

077 50 dB(A) zonebewakingspunt

13

11

9

080 50 dB(A) zonebewakingspunt

21

15

14

087 50 dB(A) zonebewakingspunt

10

7

6

Maximaal geluidsniveau Het maximaal geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, bedraagt op de gevels van gevoelige gebouwen niet meer dan:

12 / 1 Z2021-00013668

Maximale geluidniveaus (LAmax) [dB(A)] Beoordelingspunten*

5.4

Dagperiode Avondperiode (07.00(19.00-23.00 19.00 uur) uur) 25 32

Nachtperiode (23.00-07.00 uur) 32

055

woning Hasselterdijk 2

106

woning Werkerlaan 3

27

27

27

139

lijnbebouwing noordwest

40

40

40

Middelvoorschriften

5.4.1

In de inrichting mogen alleen verbrandingsmotoren in werking zijn die zijn voorzien van een doelmatige geluiddemper.

5.4.2

De motoren van bedrijfswagens en andere transportmiddelen met verbrandingsmotoren mogen tijdens het laden en lossen niet in werking zijn, tenzij dit voor het laden en lossen noodzakelijk is.

5.4.3

Audioapparatuur dient zodanig te zijn afgesteld dat geluid, afkomstig van deze apparatuur, niet hoorbaar is buiten de inrichting.

5.4.4

Het verharde gedeelte van het terrein van de inrichting moet zijn voorzien van een vlak afgewerkte verharding.

6

EXTERNE VEILIGHEID

6.1

Opslag gevaarlijke stoffen in verpakking (propionzuur). Opslag kleiner dan 10 ton

6.1.1

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (< 10.000 kg) moet voldoen aan de volgende voorschriften van PGS 15 (augustus 2021 versie 1.0 interim): a. voorschriften 3.1.1 tot en met 3.1.3 en voorschrift 3.1.5; b. voorschriften 3.2.1 tot en met 3.2.12; c. voorschriften 3.4.1 tot en met 3.4.8; d. voorschriften 3.7.1 tot en met 3.7.7; e. voorschriften 3.10.1; f. voorschriften 3.11.1 tot en 3.11.3; g. voorschriften 3.12.1; h. voorschriften 3.13.1 tot en met 3.13.3; i. voorschriften 3.14.1 en 3.14.2; j. voorschriften 3.15.1 en 3.15.2; k. voorschriften 3.16.1; l. voorschriften 3.18.1.

6.1.2

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (< 2.500 kg) in brandveiligheidskasten moet voldoen aan de volgende voorschriften van PGS 15 (augustus 2021 versie 1.0 interim): a. voorschriften 3.3.1 tot en met 3.3.4; b. voorschriften 3.11.1 tot en met 3.11.3; c. voorschriften 3.13.2 en 3.13.3.

13 / 1 Z2021-00013668

6.2

Opslag kopersulfaat, zinksulfaat en zinkoxide, opslag meer dan 10 ton

6.2.1

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die vallen onder de ADR-klasse 9 met classificatiecode M6 en M7 (UN-nummer 3082 en UN-nummer 3077) zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 15 (augustus 2021 versie 1.0 interim): a. voorschrift 4.1.1; b. voorschriften 4.2.1 en 4.2.2; c. voorschriften 4.3.1. en 4.3.2; d. voorschrift 4.4.1; e. voorschrift 4.5.1 en 4.5.6; f. voorschrift 4.7.1; g. voorschrift 4.8.3;

6.2.2

De opslagvoorziening voor kopersulfaat, zinksulfaat en zinkoxide moet voldoen aan beschermingsniveau 4, zoals bedoeld in voorschrift 4.2.1 (tabel 4.1) van de PGS 15 (augustus 2021 versie 1.0 interim):

6.2.3

Propionzuur mag niet in dezelfde ruimte worden opgeslagen als de vaste gevaarlijke stoffen (kopersulfaat, zinksulfaat en zinkoxide).

7 PRODUCTIE VEEVOER 7.1

Algemeen

7.1.1

Er mag maximaal 282,2 ton diervoeder per dag en 80.277,6 ton diervoeder (totaalproductie inclusief melkpoeder) per jaar worden geproduceerd. Van de geproduceerde hoeveelheid diervoeder per dag dient een registratie te worden bijgehouden.

7.1.2

Voor de productie van premixen en concentraten worden uitsluitend grondstoffen van plantaardige herkomst gebruikt.

7.1.3

Per jaar wordt maximaal 3.900 ton melkpoeder geproduceerd. Voor de productie van melkpoeder wordt maximaal 599,82 ton aan grondstoffen van dierlijke herkomst toegepast. Van de geproduceerde hoeveelheid melkpoeder en toegepaste grondstoffen van dierlijke herkomst dient een registratie te worden bijgehouden.

7.2

Normen en certificaten

7.2.1

Indien het certificaat voor GMP+ wordt ingetrokken dan wel niet wordt verlengd dient de vergunninghouder het bevoegd gezag onverwijld hierover te informeren.

7.2.2

Externe auditverslagen ten aanzien van voornoemd certificaat dienen op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.

14 / 1 Z2021-00013668

WET MILIEUBEHEER Maatwerkvoorschriften Activiteitenbesluit Milieubeheer

15 / 1 Z2021-00013668

1 GEUR 1.1.1

De geurimmissie ter plaatse van de geurgevoelige bestemmingen in de categorie A in de omgeving van de inrichting, vanwege de geuremissies van de inrichting, mag maximaal de volgende waarden bedragen: - 0,5 OUE/m3 als 98 percentielwaarde; - 1,0 OUE/m3 als 99,5 percentielwaarde; - 2,0 OUE/m3 als 99,9 percentielwaarde.

1.1.2

De geurimmissie ter plaatse van de geurgevoelige bestemmingen in de categorie B in de omgeving van de inrichting, vanwege de geuremissies van de inrichting, mag maximaal de volgende waarden bedragen: - 1,5 OUE/m3 als 98 percentielwaarde; - 3,0 OUE/m3 als 99,5 percentielwaarde; - 6,0 OUE/m3 als 99,9 percentielwaarde.

16 / 1 Z2021-00013668

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht OVERWEGINGEN ALGEMEEN 1

PROCEDURELE ASPECTEN

1.1

Gegevens aanvrager

Op 7 december 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het veranderen en in werking hebben van een inrichting (revisievergunning). Het bedrijf is gespecialiseerd in het ontwikkelen en produceren van hoogwaardige premixen en melkpoeder voor de diervoedingssector. De totale productiecapaciteit bedraag 80.277,6 ton per jaar. Het betreft een aanvraag van Solprovit B.V. De aanvraag gaat over de locatie Gildenweg 1 Hasselt (gedeelte van de bestaande bedrijfshal) en het perceel kadastraal bekend gemeente Hasselt, sectie G, nummer 1348 (nieuwbouw).

1.2

Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: het veranderen en in werking hebben van een inrichting na deze verandering (revisie) voor de ontwikkeling en productie van hoogwaardige premixen en melkpoeder voor de diervoedingssector. De totale productiecapaciteit bedraag 80.277,6 ton per jaar. De productie vindt van maandag tot en met vrijdag plaats in een tweeploegendienst (maximaal 17 uur per dag) en op zaterdag gedurende maximaal 8 uren. De aangevraagde activiteiten bestaan onder andere uit het opslaan van grondstoffen, verpakt mengvoer en gevaarlijke stoffen behorend tot de ADR-klasse 8 en 9 en het in gebruik hebben van productielijn voor het droog mengen van het premix en/of concentraat en melkpoeder, 3 palletlijnen voor het verpakken van de premixen en concentraat, elektrische vorkheftrucks, laaden losdocks voor vrachtwagens, kantoor en loodsen voor de opslag van zakgoed. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: • het veranderen van een inrichting en het in werking hebben van de inrichting na de verandering (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e en artikel 2.6 van de Wabo).

Als één of meer van bovengenoemde activiteiten plaatsvinden, moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt. Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt, volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet.

1.3

Omschrijving van de aanvraag

De aanvraag (onderdeel milieu) bestaat uit de volgende delen: • aanvraagformulier met OLO nummer 6521669, met datum 7 december 2021; • toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu ten behoeve van het mengvoederbedrijf aan de Hanzeweg ongenummerd te Hasselt, VanWestreenen, kenmerk 26278-NS, Definitief, versie 3, 28 april 2022; • bijlage 2 akoestisch onderzoek Solprovit, gemeente Zwartewaterland, Hasselt, DGMR, rapport M2021.0538.02.R002, versie 001, status concept, 23 maart 2022; • bijlage 1 tekening bedrijfsplattegrond, VanWestreenen, projectnummer OVSOLPROVIT, datum 22-11-2021, wijziging 18-5-2022;

17 / 1 Z2021-00013668

• • • • • • • • • • • •

1.4

bijlage 3 geuronderzoek productie premixxen Solprovit te Hasselt, Blauw, rapportnummer BL2022.10569.01-V03, 29 maart 2022; bijlage 4 rapport verkennend bodemonderzoek Gildenweg 1 te Hasselt, AvA Milieuonderzoek, projectnummer 21228-AvA, 6 mei 2021; bijlage 7 brief Externe veiligheid Gildenweg 1 te Hasselt, AnteaGroup, projectnummer 0437717.100, 18 juni 2021; bijlage 8 Atex document bijlage 9 MSDS-bladen gevaarlijke stoffen; bijlage 11 gegevens stuifgevoelige stoffen; bijlage 12 Flowdiagrammen; bijlage 13 ontvangstbevestiging aanvraag Wnb; Memo Aanvullende informatie aanvraag Solprovit, kenmerk SOHA.1129.20220318.SW.LS; Schouten Advies, Onderbouwing status diervoederproducten Solprovit B.V., versie 01, Februari 2022; Vrachtwagenbewegingen t.b.v. uitstoot en geluid, Gebrs. Fuite BV, 21 maart 2022; Memo Deerns Nederland B.V, Nieuwbouw Solprovit Hasselt, werknummer RNL160.05669.00.0015, PGS15 Opslag, 19 mei 2022.

Huidige vergunningsituatie

Voor de locatie Gildenweg 1 in Hasselt is op 24 augustus 2016 een revisievergunning verleend voor een tapijtfabriek.

1.5

Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing: Categorie

Omschrijving

1.1

elektromotoren met een vermogen of gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW opslag van gevaarlijke stoffen het vervaardigen van voedingsmiddelen voor dieren of grondstoffen daarvoor

4.1 9.1

Op grond van categorie 9.4 onder a van Bijlage I, onderdeel C van het Bor (vervaardigen van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren) is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

1.6

Bevoegd gezag

De productiecapaciteit van veevoeder bedraagt minder dan 100.000 kg per uur. Wij zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4, eerste lid van de Wabo.

1.7

Volledigheid aanvraag en opschorting procedure

Naar aanleiding van een overleg op 17 februari 2022 is de aanvraag voor het onderdeel milieu aangepast en aangevuld (ontvangen 17 maart 2022). Op 28 april 2022 hebben wij een gewijzigde toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu ontvangen en op 19 mei 2022 hebben wij een toelichting ontvangen over de opslag van gevaarlijke stoffen (PGS 15). Na ontvangst van de gewijzigde en aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. 18 / 1 Z2021-00013668

1.8

Procedure (uitgebreid)

Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag.

1.9

Coördinatie met de Waterwet

Er is geen sprake van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is. Er s geen sprake van coördinatie met de Waterwet.

1.10

Advies en verklaring van geen bedenkingen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden: • Waterschap Drents Overijsselse Delta. Op 21 februari 2022 hebben wij advies van het Waterschap ontvangen waarin zij aangeven dat de lozing van afvalwater is geregeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De voorschriften in het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het lozen van afvalwater zijn toereikend, zodat nadere voorschriften in de omgevingsvergunning niet nodig zijn.

1.11

Wet natuurbescherming

Op grond van artikel 2.27 Wabo wijst het Bor of een bijzondere wet categorieën van gevallen aan waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning niet wordt verleend dan nadat de provincie Overijssel heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Deze categorieën worden onder andere in artikel 2.2aa in samenhang met artikel 6.10a, lid 1, van het Bor aangewezen. Het gaat hierbij om het vragen van een verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van de bescherming van beschermde gebieden en soorten op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) Het vragen van een vvgb is niet nodig wanneer al toestemming op basis van de Wet natuurbescherming is verkregen (vergunning is verleend) of is gevraagd op het tijdstip waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning is aangevraagd. Voor de inrichting is op 22 november 2021 een aanvraag voor een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming aangevraagd. De Wnb haakt in dit geval niet aan.

1.12

M.e.r-beoordeling

De voorgenomen activiteit, namelijk de activiteiten met betrekking tot het produceren van diervoeders, wordt niet genoemd in onderdeel C en D van de bijlage uit het Besluit milieueffectrapportage. In de provinciale milieuverordening zijn geen aanvullende activiteiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Voor de voorgenomen activiteiten geldt geen m.e.r.-plicht of m.e.r. beoordelingsplicht.

19 / 1 Z2021-00013668

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht OVERWEGINGEN MILIEU 2

TOETSINGSKADER MILIEU

2.1

Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting en het in werking hebben van de inrichting na deze verandering (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo in combinatie met artikel 2.6 van de Wabo (revisie)). De aanvraag is ingediend vanwege de realisatie van een fabriek voor voor het ontwikkelen en produceren van hoogwaardige premixen en zuivelmengsels voor de diervoedingssector

2.2

Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie milieuinrichting

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: - de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder a van de Wabo betrokken; - met de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder b van de Wabo rekening gehouden; - de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder c van de Wabo in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

2.3

Toetsing milieueffectrapportage en de RIE

Bij vergunningverlening moet worden voorkomen dat er strijd ontstaat met de bepalingen uit de Europese MER- en de Richtlijn Industriële Emissies (RIE, de voormalige IPPC-richtlijn). De RIE omvat een integratie van de IPPC-richtlijn met de Richtlijn grote stookinstallaties, de Afvalverbrandingsrichtlijn, de Oplosmiddelenrichtlijn en drie Richtlijnen voor de titaandioxideindustrie. Besluit milieueffectrapportage De aangevraagde activiteiten vallen niet onder onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat er geen milieueffectrapportage opgesteld dient te worden en ook geen m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. Richtlijn Industriële Emissies (RIE) De RIE is gericht op de integratie van preventie en beperking van verontreiniging door industriële activiteiten en op het bereiken van een zo hoog mogelijk niveau van bescherming van het milieu. De activiteit verwerken van plantaardige en dierlijke grondstoffen voor de fabricage van voeder wordt genoemd onder categorie 6.4, onder b van bijlage I van de RIE. Omdat er zowel grondstoffen van plantaardige als dierlijke herkomst worde toegepast moet de drempelwaarde worden berekend met de formule (300- (22,5xA)), waarin “A” het aandeel dierlijk materiaal is (in gewichtspercentage) van de productiecapaciteit in eindproducten.

De productiecapaciteit in eindproducten bedraagt 80.277,6 ton per jaar. Per jaar wordt 599,82 ton aan grondstoffen (melkpoeder) van dierlijke herkomst gebruikt. De drempelwaarde bedraagt dan 283,12 ton per dag. Nu deze drempelwaarde niet wordt overschreden is er geen sprake van een IPPC-installatie. 20 / 1 Z2021-00013668

2.4

Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt. Binnen de inrichting vinden activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit en moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling (voor zover deze activiteiten betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten): • afdeling 2.3 Lucht en geur; • paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; • paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van (inerte) goederen; • paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank. Voor het overige is per hoofdstuk dan wel afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan BBT.

Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

3

BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBTconclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de Rie. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREFs. Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBTmaatregelen staan (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen, geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld. BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie dat gericht is tot de lidstaten).

Zij worden daarom niet meer apart worden aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.

21 / 1 Z2021-00013668

3.1

Concrete bepaling best beschikbare technieken

Bij het beoordelen van de aanvraag hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht (Mor) aangewezen informatiedocumenten over best beschikbare technieken (BBT): • Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB); • PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Richtlijn voor opslag en tijdelijke opslag met betrekking tot brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid; Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2021 versie 1,0 (augustus 2021) Interim PGS. Bovenstaande PGS-documenten betreft een zogenaamde PGS Nieuwe Stijl Richtlijn (PGS-NS Richtlijnen). Deze PGS-NS richtlijnen zijn in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) nog niet aangewezen als BBT-document. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de PGS-NS-richtlijnen voor het omgevingsveiligheidsdomein hierin een juridische verankering krijgen. In de PGS-NS richtlijnen is de actuele stand van de techniek voor (externe) veiligheid opgenomen. De PGS-NS richtlijnen bieden ten aanzien van (externe) veiligheid daarmee minimaal een gelijkwaardig beschermingsniveau als de in de Mor aangewezen PGS-richtlijnen.

3.2

Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

4

AFVALSTOFFEN

4.1

Afvalpreventie

Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie. Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt. Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen: Soort afval Hoeveelheid per jaar in ton restafval 10 papieren 100 verpakking/karton productieafval 75

22 / 1 Z2021-00013668

verpakkingsmateriaal plastic Pallets Laboratoriumafval Overig KCA

50 10 2 1

Gezien de hoeveelheid van vrijkomende afvalstoffen concluderen wij dat preventie relevant is. Vergunninghouder heeft geen onderzoek naar besparings- en/of preventiemogelijkheden uitgevoerd. Aan deze vergunning wordt een voorschrift verbonden tot het uitvoeren van een afvalpreventieonderzoek.

4.2

Afvalscheiding

In artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen over het scheiden van afvalstoffen. Daarin is onder andere bepaald dat het mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan en geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, gescheiden moeten worden opgeslagen en afgegeven indien dit op grond van LAP3 kan worden gevergd. In deel B3 van LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. In paragraaf B.3.4.2 van LAP3 is aangegeven welke afvalstoffen altijd gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen en afgevoerd (tabel 7) en in welke situaties het redelijk is om afvalscheiding te verlangen (tabel 8). Bij tabel 8 kunnen uitzonderingen gelden voor kleine hoeveelheden of kleine ruimten.

Daarnaast zijn in deel F bijlage 5 van het LAP3 verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Uit de aanvraag blijkt dat binnen de inrichting in de volgende afvalstoffen vrijkomen: • Verpakkingsafval (papier/karton/plastic en Big Bags); • Pallets (hout); • Filtermateriaal afzuiging; • Productieafval; • Laboratorium afval en KCA; • Restafval (container van 1000 liter). In het LAP3 is aangegeven dat voor de hoeveelheden afvalstoffen die vrijkomen binnen de inrichting scheiding van die afvalstoffen kan worden verlangd. Daarnaast moeten metalen, gevaarlijke afvalstoffen en elektrische- en elektronische apparatuur altijd gescheiden worden opgeslagen en afgevoerd. Omdat artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit ook van toepassing is op inrichtingen type C hebben wij geen voorschriften over afvalscheiding aan de vergunning verbonden.

23 / 1 Z2021-00013668

5

AFVALWATER

5.1

Toetsingskader

Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarop het Activiteitenbesluit rechtsreeks van toepassing is. Het betreft het lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening. Het hemelwater wordt geloosd op de nabijgelegen sloot. Daarnaast is sprake van het lozen van huishoudelijk afvalwater op de riolering. Deze lozing moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

6

BODEM

6.1

Algemeen

Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf gedeeltelijk onder het Activiteitenbesluit. Het betreft de activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. In het kader van deze vergunning gaat het om de volgende activiteiten: • de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank Deze activiteit hoeft daarom in deze vergunning niet te worden beoordeeld. De volgende activiteiten die binnen de inrichting worden verricht zijn niet in het Activiteitenbesluit geregeld: • activiteiten waarbij hydrauliekolie kan vrijkomen; • de opslag van oliën/smeermiddelen/vetten in verpakking; • de opslag van gevaarlijke stoffen ADR-klasse 8 in IBC’s; • de opslag van gevaarlijke stoffen ADR-klasse 9 in zakgoed en big bags; • de opslag van vetzuren; • acculaadplaats; • aftappen IBC’s. Voor deze activiteiten geldt het navolgende.

6.2

Het kader voor de bescherming van de bodem

Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico. Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteiten vijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld. In de inrichting vinden enkele activiteiten plaats die tot bodemverontreiniging zouden kunnen leiden. Het betreft onder meer de volgende activiteiten: • activiteiten waarbij hydrauliekolie kan vrijkomen; • de opslag van oliën/smeermiddelen/vetten in verpakking; 24 / 1 Z2021-00013668

• • • • •

de opslag van gevaarlijke stoffen ADR-klasse 8 in IBC’s; de opslag van gevaarlijke stoffen ADR-klasse 9 in zakgoed en big bags; de opslag van vetzuren; acculaadplaats; aftappen IBC’s.

Om het verwaarloosbaar bodemrisico te borgen zijn in de vergunningvoorschriften opgenomen die voorzien in de inspectie en het onderhoud van de bodembeschermende voorzieningen. Voor de bodembeschermende maatregelen zijn voorschriften opgenomen die voorzien in een adequate instructie en training van het personeel.

6.3

Nulsituatieonderzoek

Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd. Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over: • de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt; • de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming; • de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd; • de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties.

De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Bij de aanvraag is een nulsituatieonderzoek gevoegd (rapport verkennend bodemonderzoek Gildenweg 1 te Hasselt, AvA Milieuonderzoek, projectnummer 21228-AvA, 6 mei 2021). Met dit onderzoek is de nulsituatie bodemkwaliteit vastgelegd.

6.4

Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging

Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Hiertoe zijn voorschriften in de vergunning opgenomen.

25 / 1 Z2021-00013668

7

ENERGIE

7.1

Energierelevante inrichtingen

Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting (volgens de aanvraag 150.000 kWh/jaar elektriciteit). Ook wordt aangeven dat het elektraverbruik nog niet goed in te schatten is en dat er geen gas verbruikt zal worden. In aansluiting op de criteria voor inrichtingen die onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen, worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit als energierelevant bestempeld. Op basis van artikel 5.7 Besluit omgevingsrecht kan bevoegd gezag voorschriften in de vergunning opnemen met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie. Uitgangspunt is dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 2.14 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Energierelevante bedrijven die vallen en onder de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie en de bedrijven onder het Activiteiten milieubeheer zijn verplicht vierjaarlijks een energie onderzoek op te stellen. Voor de type C-inrichtingen (niet EED-inrichtingen, en niet MJA-deelnemers) geldt eveneens een vierjaarlijkse onderzoek verplichting.

Hiermee wordt aangesloten bij eenzelfde verplichting die van toepassing is voor de EED-ondernemingen, MJA-deelnemers en de type A-/B-inrichtingen die vallen onder het Activiteitenbesluit. Juridisch is dit goed verklaarbaar omdat de overige vergunningplichtige inrichtingen over het algemeen energie-relevant zijn en hier vaak evenveel of meer besparingspotentieel is als bij type A-/B-inrichtingen en EED-ondernemingen. Hiermee ontstaat een gelijk speelveld voor alle type energie-relevante inrichtingen. Door deze vierjaarlijkse onderzoek verplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht. In aansluiting op de bovenstaande genoemde wettelijke regelingen, schrijven wij bij vergunningplichtige bedrijven, die niet onder de ETS, EED of MJA3 vallen, een vierjaarlijks energie onderzoek voor.

7.2

Toetsing

Vergunninghouder is aan te merken als een energierelevante inrichting. In de aanvraag is vermeld dat het energieverbruik tenminste 150.000 kWh aan elektriciteit bedraagt. Met behulp van algemeen beschikbare maatregelenlijsten, informatiebladen, nationale websites (van Infomil en RVO) is vastgesteld, welke rendabele energiebesparende maatregelen voor de inrichting kunnen gelden. Uit de aanvraag blijkt dat veel maatregelen binnen de inrichting bij nieuwbouw en revitalisatie van de bestaande gebouwen zullen worden getroffen. Op basis van deze toetsing wordt geconcludeerd dat voor zover nu valt te overzien in de inrichting adequaat zal worden omgegaan met energie en de Stand der techniek zal worden toegepast. In de voorschriften is wel de verplichting* opgenomen om vierjaarlijks een rapport van het energie onderzoek op te stellen c.q. te actualiseren met een bijbehorend energie uitvoeringsplan. Wanneer uit de actualisatie van het energie onderzoek blijkt dat er geen rendabele maatregelen zijn te treffen voor de dan geldende periode, vervalt de verplichting om een energie uitvoeringsplan op te stellen. De argumentatie waarop is geconstateerd dat stand der techniek wordt toegepast moet wel worden ingediend. * Voor de inrichting is vastgesteld dat deze onder de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie (EED) valt.

De voor deze regeling vierjaarlijks op te stellen energie audit- rapportage mag, mits deze ook dekkend is voor het gestelde in de energievoorschriften worden gebruikt ter voldoening aan deze verplichting. 26 / 1 Z2021-00013668

8

EXTERNE VEILIGHEID

8.1

Algemeen

Binnen de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig • Propionzuur (vloeibaar) opgeslagen in 2 IBC’s van 1.000 liter; • Kopersulfaat (vast) in big bags van 1.000 kg of zakgoed van 25 kg, max 15 ton; • Zinksulfaat (vast) in big bags van 1.000 kg of zakgoed van 25 kg, max 15 ton; • Zinkoxide (vast) in big bags van 1.000 kg of zakgoed van 25 kg, max 15 ton; • Dieselolie (400 liter) in een tank. De processen, de aard en de hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving.

8.2

Besluit Risico Zware Ongevallen (BRZO 2015)

het BRZO 2015 is niet van toepassing omdat de drempelwaarden uit de richtlijn Seveso III bijlage 1 niet worden overschreden. De vaste gevaarlijke stoffen kopersulfaat, zinksulfaat en zinkoxide (ADR 9) hebben allen de classificatie aquatisch toxisch 1. Voor deze stoffen geldt een drempelwaarde van 100 ton. Met maximaal 45 ton in opslag wordt de drempelwaarde niet overschreden. De vloeistof propionzuur is ontvlambaar categorie 3. Van deze vloeistof mag maximaal 5000 ton aanwezig zijn voordat het BRZO 2015 van toepassing is. Met een opslag van maximaal 2000 liter wordt de drempelwaarde niet overschreden. Ook bij toepassing van de sommatiebepaling uit de BRZO 2015 wordt de drempelwaarde niet overschreden. Het BRZO 2015 is daarom niet van toepassing op de inrichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11818415/1