1. Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt
Tekst van het document
Alvorens het onderzoek uit te voeren is een programma van eisen (PvE) en een plan van aanpak (PvA) opgesteld. Wanneer wordt gekeken naar de vragen zoals deze zijn gesteld in het PvE en het PvA kan gesteld worden dat er een vijftal archeologische vindplaatsen in het gebied zijn aan te wijzen. De archeologische vindplaatsen uit het Laat Mesolithicum zijn heel interessant gebleken, maar waren grotendeels verstoord door sporen van spitmachines en het diepploegen. Van zeker 90% van de kuithaarden was het niet meer mogelijk om monsters te nemen voor 14C dateringen. Daarom is besloten geen vervolgonderzoek uit te voeren. Ook op de plek van de oude monniksmolen is geen vervolgonderzoek nodig. De locaties zijn allemaal doorgraven door latere sloten en grotendeels vernietigd. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld 5.8.2.2 Situatie plangebied Het plangebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de nabijheid van het plangebied bevinden tevens geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Wel wordt met deze ontwikkeling qua stedenbouwkundig plan gerefereerd aan de voor deze omgeving kenmerkende herenboerderij. Het plan is daarmee in overeenstemming voor wat betreft het aspect ‘cultuurhistorie’. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en het aspect cultuurhistorische geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en is gelegen op een afstand van circa 700 meter. Daarnaast ligt het Natura 2000-gebied Olde Maten & Veerslootlanden op circa
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld 1,3 kilometer (afbeelding 5.3). Uit de Aeriusberekening (paragraaf 5.7 en bijlage 6) is gebleken dat er geen sprake is van significante effecten op deze Natura 2000-gebieden. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 5.9.3
Conclusie
Dit project is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het project.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD)
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 20162021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang. Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland.
Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld 6.1.5
Gemeente beleid
6.1.5.1 Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 (GRP 2015-2019) Het beheer van het riool is 1 van de kerntaken van de gemeente. Het beleid voor rioleringszorg in Zwartewaterland staat in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), zoals vastgesteld op 20 november 2015. Duurzaamheid en de scheiding van hemel- en afvalwater staan in Zwartewaterland centraal. Bovendien is er aandacht voor sociale- milieu-, omgevings- en economische aspecten. In het GRP staat op welke wijze de gemeente binnen de planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost en op welke wijze deze kosten gedekt worden. 6.1.5.2 Waterplan Zwartewaterland Gelet op de ligging van de gemeente te midden van veel water is een goede waterhuishouding van dit gebied van essentieel belang. Diverse woonwijken hebben te maken met relatief hoge grondwaterstanden en relatief hoge oppervlaktewaterstanden. Dit vergt een goede afstemming. In het waterplan zijn met de waterpartners in dit gebied afspraken gemaakt ten aanzien van het beleid en de uitvoering van maatregelen. Het beleid en maatregelen zijn geformuleerd rondom de pijlers waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. Ook is een samenhangend beeld geschetst van de wensen en de noodzakelijke ingrepen die hiervoor nodig zijn.
6.2
Watertoets
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de ‘normale procedure’. Het waterschap adviseert om deze uitgangspunten te verwerken in het plan. In dit geval is een waterhuishoudkundige plan voor het gehele plan voor Om de Weede is opgesteld, waarin deze locatie meegenomen is.
Hierna wordt, voorzover voor onderhavig plan relevant, op dit plan ingegaan. Het gehele waterhuishoudkundige plan is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. Opgemerkt wordt nog dat de gemeente dit waterhuishoudkundige plan in samenwerking met het Waterschap zal gaan herijken. Waterveiligheid – keringen Ten zuiden van het plangebied liggen de Dedemsvaart en een overige kering. Met betrekking tot waterkeringen hanteert het waterschap een kernzone en verschillende beschermingszones. De functie en stabiliteit van deze waterkering moet te allen tijde worden gegarandeerd. Binnen de beschermingszones geld de Keur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld In 2006 is bij het bouwrijp maken van de eerste fase van Hasselt om de Weede ook de Dedemsvaart locatie bouwrijp gemaakt. Destijds was de locatie nog benoemd als supermarkt locatie. Bij het bouwrijp maken is er destijds voor gekozen om de aanwezige storende lagen (veen e.d.) te verwijderen en te kiezen voor een zand op zand constructie en het terrein op te hogen tot ca 1.00 + NAP. Deze werkzaamheden zijn al uitgevoerd. Het terrein is bouwrijp. Door deze constructie is de kans op een doorbraak aanzienlijk verminderd. Ook is de stabiliteit van de zand op zand constructie van dien aard dat invloeden van het verzakken van de ondergrond door droogte of natte perioden niet of nauwelijks meer aan de orde is. Ten behoeve van de het voorkomen van geluidshinder is het noodzakelijk om een geluidswal aan te leggen. Gezien de geringe hoogte van de wal van ca. 1,50 op een zand op zand constructie zal deze geen invloed hebben op stabiliteit en veiligheid van de kering. Bij het uitwerken van het groenplan zal rekening houden worden met de eisen die gesteld worden voor het planten/aanbrengen van groen in de beschermingszone van de kering. De werkzaamheden zullen in afstemming met het waterschap plaats vinden en de benodigde vergunningen hiervoor aangevraagd. Waterveiligheid - overstromingsrisico Het plan ligt in een dijkringgebied.
Dit brengt een zeker overstromingsrisico met zich mee. Door klimaatveranderingen moeten we meer rekening houden met de gevolgen van een overstroming. Inzet is het voorkomen van slachtoffers (rampenbeheersing) en van economische schade (gevolgenbeperking). Het plangebied is gelegen binnen dijkring 9 ‘Vollenhove’. Voor de keringen van dijkring 9 geldt een veiligheidsnorm van 1/1250e per jaar. De overschrijdingskans is 1/1250e per jaar. De kans voor een overstroming in deze dijkring is relatief klein. Binnen deze dijkring kunnen nieuwe grootschalige ontwikkelingen alleen plaatsvinden indien de veiligheid ook op lange termijn voldoende is gewaarborgd. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Het betreft een stukje bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico’s met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. De volgende maatregelen zullen worden genomen: • Het plangebied wordt op een adequate wijze ontsloten zodat evacuatie en bereikbaarheid eenvoudig te regelen is; • Het vloerpeil wordt voldoende hoog aangebracht; • Er bestaan inpandige evacuatiemogelijkheden naar de 1e etage voor alle woningen.
Wateroverlast Het plan wordt zo ontworpen dat kortstondige hevige buien zonder problemen kunnen worden opgevangen in de openbare ruimte of op particulier terrein. Er treedt geen wateroverlast op bij woningen of andere kwetsbare functies. De inrichting van het watersysteem wordt zo ontworpen dat er geen overlast voor de omgeving te verwachten is. Voor alle woningen geldt dat er aandacht is vereist voor de afwatering van het dak via gevel, via tuin naar maaiveld en naar de wadi. De afwatering in de privé-tuin vindt bovengronds plaats via een open molgoot (beton of klinkers). Waterkwaliteit Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. De waterkwaliteit is in het gebied van groot belang. Ten eerste draagt een goede waterkwaliteit bij aan de leefomgeving. Tot slot liggen in de omgeving KRWwaterlichamen. Een slechte waterkwaliteit in het plangebied zou de omgeving negatief kunnen beïnvloeden. Behalve voor de genoemde opmerkingen over de inrichting is het voor de ecologie ook van belang dat de waterkwaliteit goed is. Riolering In het gebied wordt een gescheiden riolering aangebracht. Het afvalwater zal gescheiden worden afgevoerd. Hiervoor wordt een afzonderlijk DWA-stelsel aangelegd dat via riolen, gemalen en persleiding het afvalwater
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld afvoert naar het bestaande hoofdgemaal. Regenwater wordt zichtbaar bovengronds afgevoerd naar de reeds aanwezige wadi’s conform het waterhuishoudkundige plan. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van de openbare ruimte wordt afgestemd op de waterkwaliteit. Er worden hierbij geen chemische bestrijdingsmiddelen toegepast. Ten aanzien van het onderhoud worden duidelijke afspraken gemaakt tussen de gemeente en het waterschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld •
Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.
•
Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.
•
Afwijken van de bouwregels: Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan.
•
Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd
•
Afwijken van de gebruiksregels: Deze afwijking geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om met omgevingsvergunning af te wijken van het plan
7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 9) In dit artikel is zijn bepalingen met betrekking tot bestaande afwijkingen, aangrenzende terreinen en ondergronds bouwen.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 10) In dit artikel zijn enkele vormen van verboden en toegestaan gebruik opgenomen.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
•
Overige regels (Artikel 12) In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van de werking van andere regelgeving en parkeren.
7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Groen (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van groenstroken en groengebieden. Binnen deze bestemming ligt het accent op het gebruik als groen- en watervoorziening (waterberging). Daarnaast zijn onder meer voet- en rijwielpaden en ontsluitingen van aangrenzende bestemmingen (in- en uitritten) toegestaan. Gebouwen zijn toegestaan tot een oppervlakte van 15 m 2 en met een bouwhoogte van 3 meter, het gaat hierbij om nutsvoorzieningen (trafo’s). Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, een en ander met inachtneming van de aangegeven maximale bouwhoogten. In deze bestemming is tot slot specifiek de grondwal opgenomen. De ligging is middels een aanduiding op de verbeelding aangegeven.
Tuin (artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de voortuinen van de woningen. Deze gronden zijn naast voor tuinen ook bestemd voor erkers, waarvoor specifieke bepalingen zijn opgenomen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn tevens toegestaan, een en ander met inachtneming van de aangegeven maximale bouwhoogten. Verkeer – Verblijfsgebied (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de infrastructuur. Deze bestemming is bestemd voor onder andere wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie. Gebouwen zijn toegestaan tot een oppervlakte van 15 m2 en met een bouwhoogte van 3 meter, het gaat hierbij om nutsvoorzieningen (trafo’s). Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, een en ander met inachtneming van de aangegeven maximale bouwhoogten. Water (Artikel 6) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de watergang ten zuiden van het woongebied. Deze bestemming is hoofdzakelijk bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Tevens zijn bruggen en duikers toegestaan. Gebouwen zijn toegestaan tot een oppervlakte van 15 m 2 en met een bouwhoogte van 3 meter, het gaat hierbij om nutsvoorzieningen (trafo’s).
Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, een en ander met inachtneming van de aangegeven maximale bouwhoogten Wonen (Artikel 7) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de nieuwe woningen. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, tuinen, erven en groenvoorzieningen. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in: • • •
Hoofdgebouwen; Bijgebouwen; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Voor wat betreft de hoofdgebouwen zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd. Binnen de bouwvlakken is door middel van aanduidingen op de verbeelding het aantal woningen vastgesteld. Qua woningtypologie maakt de bestemming onderscheid in aaneengebouwde woningen en twee-onder-één kappers. Deze aanduidingen zijn binnen de bouwvlakken opgenomen. De gooten bouwhoogte van de woningen zijn middels maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding opgenomen. Tevens is bepaald dat de dakhelling minimaal 25 graden bedraagt. Voor wat betreft de bijgebouwen geldt dat deze op minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd. Ten aanzien van de woningen waarvan de gevel niet aan de naar
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld de openbare weg gekeerde grens is gelegen, is specifiek een gevellijn aangeduid. Daarnaast dienen bijgebouwen ten minste 1 meter uit of op de zijdelingse bouwperceelgrens te worden gebouwd. De gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen (buiten het bouwvlak) bedraagt 20 m2 danwel 60 m2, mits niet meer dan 50% van het zij- en achtererf is bebouwd. Ten aanzien van de goothoogte van aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen is bepaald dat deze maximaal 0,25 meter hoger mag zijn dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, danwel de ter plaatse van een daarvoor opgenomen aanduiding aangegeven hoogte. De bouwhoogte dient minimaal 1,5 meter lager te zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. Voor vrijstaande bijgebouwen geldt een maximum goothoogte en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 5 meter. Tot slot bedraagt de bouwhoogte van overkappingen maximaal 3 meter. Voor wat betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is bepaald dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel maximaal 1 meter bedraagt. Dit geldt niet voor erf- en terreinafscheidingen ter plaatse van de niet aaneengebouwde zijde van aaneengebouwde woningen, daar mag de hoogte maximaal 2 meter bedragen. Achter de voorgevel bedraagt dit 2 meter.
Tot slot bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een bouwhoogte van 3 meter.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Het bestemmingsplan voorziet in het transformeren van het plangebied naar hoogwaardig woongebied. Deze ontwikkeling maakt daarmee bouwplannen mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk. De gemeente is eigenaar van alle gronden binnen het plangebied en is initiatiefnemer van dit bestemmingsplan. Voor de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk ‘Dedemsvaartlocatie’ geldt dat er sprake is van een sluitende grondexploitatie. Voor alle kosten is dekking. Hiermee is het project financieel haalbaar.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
HOOFDSTUK 9
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN REACTIES
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
9.1
Vooroverleg en inspraak
9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van vooroverleg aan de provincie Overijssel voorgelegd. De provincie kan instemmen met het plan. 9.1.3
Waterschap Drents Overijsselse Delta
In het kader van voorliggend plan is er een digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Hieruit is gebleken dat de normale procedure van toepassing is. De waterparagraaf en het opgestelde waterhuishoudkundig plan zijn ter beoordeling aan het waterschap gezonden. Het waterschap heeft opgemerkt graag in de waterparagraaf een beschrijving te willen zien hoe dit plan rekening houd met de beschermingszone van de overige kering. De waterparagraaf is hierop aangevuld. De aanvulling is afgestemd met het Waterschap en het Waterschap adviseert positief over het bestemmingsplan. 9.1.4
Veiligheidsregio
De veiligheidsregio heeft op d.d. 8 juli 2020 een positief advies op het bestemmingsplan uitgebracht. De voorgestelde adviespunten worden overgenomen.
9.2
Reacties
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 7 oktober tot en met 18 november 2020 voor zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Het wettelijk vooroverleg is daarmee positief afgerond.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
Bijlage 1
Stedenbouwkundige randvoorwaarden
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek wegverkeer
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
64
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
Bijlage 4
Stikstofberekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
65
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
Bijlage 5
Quickscan ecologie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
66
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
Bijlage 6
Archeologisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
67
Bestemmingsplan Dedemsvaartlocatie Hasselt Vastgesteld
Bijlage 7
Waterhuishoudkundig plan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
68