CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

1.1 Motivering

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: TAM-omgevingsplan m.b.t. Oppen Swolle 27 te Swartsluis14.123 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 7.1.4

Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: •

Voldoende water: dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid: goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

• • •

Schoon water: in het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch) Waterveiligheid: het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en regionale watersysteem; Duurzame toekomst: Het waterschap hecht veel aan energietransitie: energieneutraal zijn tegen 2025, circulaire economie en bescherming van de biodiversiteit zijn voorbeelden van beleidsstukken voor de komende jaren.

Daarnaast is de Waterschapsverordening een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Het plangebied ligt in het beheergebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Het beleid is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het programma bestaat uit 3 delen te weten; Waterbeheerprogramma WDODelta 2022-2027, Gebiedsuitwerkingen WBP 2022-2027 en KRW factsheets en achtergronddocument. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is het wateradvies. Het doel van het wateradvies is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Wateradviesproces en waterhuishouding plangebied

Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het digitale wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de zogenoemde ‘normale procedure’ van het wateradvies. Hierom is het waterschap DOD om nader advies gevraagd. Het waterschap heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld, die is opgenomen in bijlage 2 van deze motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste uitgangspunten voor het plan. Waterveiligheid Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de beschermingszone van de primaire waterkering Zwartsluis-Kuinre. Het is noodzakelijk dat de functie en stabiliteit van deze waterkering is gegarandeerd. De waterschapsverordening stelt eisen voor activiteiten binnen de beschermingszone van een waterkering. Aangezien de sloop- en bouwactiviteiten geheel buiten de beschermingszone plaatsvinden, zoals is te zien in afbeelding 7.1, is hiervoor geen watervergunning benodigd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Afbeelding 7.1: Ligging plangebied nabij de beschermingszone van een waterkering (Bron: Waterschap DOD)

Overbelasting watersysteem Het is van belang om overbelasting van het watersysteem te voorkomen. Dit kan worden gerealiseerd door gebiedseigen water daar waar het valt te gebruiken of vast te houden. Hierbij is de voorkeursreeks van toepassing: hergebruik – vasthouden/infiltreren – afvoeren. Met het voornemen neemt de hoeveelheid verharding af. Dit komt ten goede van het watersysteem. Door afname van de verharding zal er meer water geborgen kunnen worden. Locatiekeuze gevoelige gebieden voor wateroverlast Het plan ligt in een agrarisch gebied met grasland. Het peilbeheer in graslanden kent hogere waterstanden dan bij akkerbouw. In extreme neerslagsituaties kan op grasland/maïsland vaker dan 1/10 jaar wateroverlast optreden en op akkerbouwgebieden meer dan 1/25 jaar wateroverlast optreden. Het peilbeheer is hierop aangepast. Het plan houdt rekening met deze hogere waterstanden. Waterkwaliteit Er worden geen uitloogbare materialen toegepast waarmee de waterkwaliteit zal worden beschadigd. Met de sloop van de opstallen verdwijnen juist asbesthoudende gebouwen, wat bijdraagt aan de kwaliteit van het afvoerend hemelwater.

7.4

Conclusie

Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Hoofdstuk 8

Bescherming gezondheid en het milieu

Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens wordt het aspect ‘gezondheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 8.1.2

Situatie plangebied

In voorliggend project worden er geen (nieuwe) geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Op korte afstand zijn er geen geluidsgevoelige objecten aanwezig die enige hinder van het de opslagloods kunnen ondervinden. Akoestische onderzoeken kunnen daardoor achterwege blijven. 8.1.3

Conclusie

De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

8.2.2

Situatie plangebied

In dit geval is een verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 3. Hieronder worden de resultaten beschreven. eindconclusie verkennend bodemonderzoek NEN-5740 In verband met het sterk verhoogd gemeten gehalte PAK’s en het matig verhoogd gemeten gehalte minerale olie is bovengrondmengmonster MM10 aansluitend uitgesplitst. Na uitsplitsing zijn ter plaatse van boring 5 (zie afbeelding 8.1) o.a. een verhoogd gehalte PAK’s t.o.v. de interventiewaarde bodemkwaliteit en een verhoogd gehalte minerale olie dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd gemeten. Het na uitsplitsing sterk verhoogd gemeten gehalte PAK’s en het matig verhoogd gemeten gehalte minerale olie in de bovengrond t.p.v. de boring 5 geven aanleiding tot het instellen van nader, afperkend, bodemonderzoek. Bovengrondmonster MM13 t.p.v. boring 11 (zie afbeelding 8.1) bevat o.a. een matig verhoogd gehalte minerale olie. Wanneer t.p.v. boring 5 en/of boring 11 grondwerkzaamheden worden voorzien, wordt geadviseerd om middels een nader (afperkend) onderzoek de verontreiniging met minerale olie in de bodem vast te stellen.

Afbeelding 8.1: Uitgevoerde boringen binnen het plangebied (Bron: Sigma Geo- en milieutechniek)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Vanwege de nabije ligging van boring 11 van de woning en de beoogde grondwerkzaamheden, is een nader afperkend onderzoek (NTA 5755) uitgevoerd. Op basis van de bekende onderzoeksresultaten is t.p.v. boring 11 naar schatting ca. 15 m 3 grond matig verontreinigd met minerale olie (gehalten boven de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd) (ca. 30 m2 x ca. 0.5 meter, traject gemiddeld ca. 0.0 tot naar schatting ca. 0.5 mmv). Bij de schatting is gerekend met een gemiddelde matig verontreinigde laagdikte van ca. 0.5 meter. De bodemverontreiniging t.p.v. dit terreindeel overschrijdt de toelaatbare kwaliteit voor de bouw van een bodemgevoelig gebouw niet. Voor het overige zijn in de onderzochte boven- en ondergrondmengmonster enkele stoffen verhoogd gemeten in gehalten die tenminste voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Bij berekening van het hoogst gemeten gehalten nikkel, zink en PAK’s in bodem m.b.v. de webapplicatie Concrit geldt daarnaast voor het gebruik voor wonen met tuin dat de risico-index kleiner is dan 1 en dat de MTR-humaan waarde niet wordt overschreden. In het grondwater zijn verhoogde gehalten barium (zware metalen) gemeten t.o.v de streefwaarde, de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering worden niet overschreden. Wel geldt t.a.v.

de plaatselijk gemeten gehalten lood dat geldt bij het gebruik als grote moestuin, bij wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen een matige bodemkwaliteit voor lood. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt dat in de bodem t.p.v. de nieuw te bouwen schuur geen gehalten boven de interventiewaarde zijn gemeten. Ten aanzien van de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem t.p.v. de nieuw te bouwen schuur geldt geen belemmering voor de beoogde nieuwbouw op dit deel van de onderzoekslocatie. eindconclusie verkennend onderzoek NEN-5707 asbest Uit het verkennend bodemonderzoek asbest is gebleken dat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Ter plaatse van de druppelzones van de bestaande veestal en het te ontwikkelen terreindeel zijn geen sterk verhoogde gehalten in de toplaag gemeten. 8.2.3

Conclusie

De bodemkwaliteit wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 8.3.2

Situatie plangebied

Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van:

• • •

één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er zonder meer sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 8.4.2

Situatie plangebied

Het voornemen voorziet niet in de realisatie van een nieuw geurgevoelig gebouw of een geurbelastende activiteit. Van hinder van bestaande geurgevoelige gebouwen is dan ook geen sprake. Er is sprake van een beëindiging van een geurbelastende activiteit (veeteelt). Wel blijft er één geurbron behouden in de vorm van een mestsilo voor schoon en effectief mestbeheer. Hier wordt een ontheffing voor aangevraagd. Per saldo is er sprake van een verbetering van de milieusituatie voor wat betreft het aspect ‘geur’. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.5

Trillinghinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. 8.5.2

Situatie plangebied

In de omgeving van het plangebied komen geen spoorlijnen voor. Een onderzoek naar trillingshinder afkomstig van spoorlijnen is daardoor niet noodzakelijk. 8.5.3

Conclusie

Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 8.6.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval wordt er geen functie gerealiseerd die risico’s voor de gezondheid van omwonenden met zich mee brengt. De ontwikkeling vindt ook niet plaats in de nabijheid van functies die risico’s voor de gezondheid met zich mee brengen. Daarnaast wordt het houden van vee wegbestemd waardoor sprake zal zijn van een forse afname van de geurbelasting. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies tot locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Hoofdstuk 9

Bescherming van de natuur

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat in beide fases van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee sprake van een stikstofdepositie met mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. De onderdelen en resultaten van de AERIUS-berekening zijn in bijlage 1 en 2 bijgevoegd. Door de voorgenomen ontwikkeling komt de emissie in de huidige situatie grotendeels te vervallen. Per saldo is sprake van een afname van emissie van maximaal 11,45 mol/ha/jr. in de aanlegfase en 10,99 mol/ha/jr. in de gebruiksfase. NNN-gebieden Het dichtstbijzijnde als NNN-aangewezen gebied bevindt zich op circa 75 meter ten zuiden van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling vindt er geen aantasting plaats van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie plangebied

Vanwege de beoogde sloopactiviteiten zijn negatieve effecten op beschermde flora en fauna niet op voorhand uit te sluiten. Om deze reden is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage is opgenomen in bijlage 6 van deze onderbouwing. Hieruit is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden. Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dat de uitvoerder van de voorgenomen activiteit dient aan te kunnen tonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht uit art. 11.27 van het Bal.

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Hoofdstuk 10

10.1

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op basis van het omgevingsplan van rechtswege kent het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Zwartewaterland heeft het plangebied daarnaast een archeologische verwachting van 0%, wat inhoudt dat het plangebied geheel verstoord of reeds opgegraven is. Het uitvoeren van een verkennend archeologisch onderzoek kan daardoor achterwege gelaten worden.

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stadsen dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart Overijssel bevinden zich in of nabij het plangebied geen cultuurhistorische waarden die kunnen worden aangetast als gevolg van het voornemen.

10.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Hoofdstuk 11

11.1

M.e.r.- Beoordeling

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

11.2

Situatie plangebied

Met het voornemen is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. Na beëindiging van deze activiteiten vindt er binnen het plangebied uitsluitend natuurbeheer plaats, met opslag van hooi en caravans. Gelet hierop vindt er voor wat betreft de effecten op het milieu geen verslechtering plaats, maar is er juist sprake van een verbetering. In deze ruimtelijke motivering is aan de hand van alle relevante milieuaspecten dit ook gemotiveerd.

11.3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Hoofdstuk 12

12.1

Economische uitvoerbaarheid

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

12.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

12.3

Situatie plangebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Hoofdstuk 13

13.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. De directe buren zijn in dit geval geïnformeerd over het voornemen en hebben allen aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het voornemen.

13.2

Zienswijzen

Het wijzigingsbesluit heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Hoofdstuk 14

14.1

Juridische verantwoording

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

14.2

Opzet van de regels

14.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •

Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene bepalingen; Overgangsregels.

14.2.2 Preambule Om duidelijk te maken hoe dit TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit TAM-omgevingsplan is gericht op de beëindiging van een melkveehouderij aan de Oppen Swolle 27 te Zwartsluis. Dit TAM-omgevingsplan is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22d) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22d' gelezen worden.

14.2.3 Toepassingsbereik Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Artikel 2 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie [TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Oppen Swolle 27 Zwartsluis, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1896.BP0096-OW01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 14.2.4 Begripsbepalingen Het TAM-omgevingsplan is een regeling opgesteld op grond van de Omgevingswet en maakt onderdeel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op regelingen op grond van de Omgevingswet (art. 1.1 Omgevingswet) en dus ook op het TAM-omgevingsplan. Begripsbepalingen in dit TAMomgevingsplan kunnen niet afwijken van begripsbepalingen uit de Omgevingswet. Het TAMomgevingsplan bevat daarom uitsluitend aanvullende begripsbepalingen.

Tevens zijn de begripsbepalingen uit de AMvB’s en Omgevingsregeling van toepassing verklaard. Begripsbepalingen uit de AMvB’s en de Omgevingsregeling zijn namelijk niet rechtstreeks van toepassing op het omgevingsplan. 14.2.5 Aanvraagvereisten In paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op dit TAM-omgevingsplan, aangezien deze onderdeel is van het nieuwe deel van het omgevingsplan. In artikel 4 is daarom de volgende bepalingen opgenomen: Artikel 3 (Aanvraagvereisten) De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

14.3

Verantwoording van de regels

In deze paragraaf wordt aangegeven welke functie zijn toegedeeld aan de locaties binnen het plangebied. Voor wat betreft de gebruiks- en bouwregels per functie is aansluiting gezocht bij het omgevingsplan “Bestemmingsplan buitengebied Zwartewaterland”. Agrarisch met waarden – Landschap De gronden rondom de te bestaande en te realiseren bebouwing is voorzien van de functie ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. De gronden zijn ter plaatse hoofdzakelijk bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, niet zijnde een (grondgebonden) veehouderij. Daarnaast kan het ook gebruikt worden als tuin, erf, erfontsluiting en parkeervoorzieningen, hobbymatig agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen het hobbymatig houden van dieren, anders dan ten behoeve van een agrarisch bedrijf en ondergeschikt aan de onderliggende bestemming, het weiden van vee en landschappelijke inpassing.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld

Bijlagen bij de ruimtelijke motivering

Bijlage 1

Erfinrichtingsplan

Bijlage 2

Uitgangspuntennotitie waterschap

Bijlage 3

verkennend bodem- en asbestonderzoek

Bijlage 4

Onderzoek stikstofdepositie

Bijlage 5

Quickscan natuurwaardenonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16805688/1