1.1 Motivering
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis
Status: Vastgesteld
Maart 2026
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis
Plannaam: Plantype: IMRO-ID:
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Ruimtelijke motivering ten behoeve van een wijziging van het omgevingsplan NL.IMRO.1896.BP0096-VS01
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3
INLEIDING .............................................................4
AANLEIDING .............................................................................................................. 4 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................... 4 HET OMGEVINGSPLAN ................................................................................................... 5
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE................................7
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING ..................................................9
3.1 3.2
HET VOORNEMEN ........................................................................................................ 9 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE ............................................................................ 10
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2
ALGEMEEN .............................................................................................................. 12 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING ....................................................................... 12
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN 12
BELEIDSKADERS .................................................... 13
RIJKSBELEID ........................................................................................................... 13 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................. 15 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................ 20
HOOFDSTUK 6
OMGEVINGSVEILIGHEID .......................................... 22
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN ....................... 24
7.1 7.2 7.3 7.4
VIGEREND BELEID ..................................................................................................... 24 WATERASPECTEN ...................................................................................................... 25 WATERADVIESPROCES EN WATERHUISHOUDING PLANGEBIED ..................................................... 25 CONCLUSIE ............................................................................................................. 26
HOOFDSTUK 8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6
GELUID DOOR ACTIVITEITEN ......................................................................................... 27 BODEMKWALITEIT ..................................................................................................... 27 LUCHTKWALITEIT ...................................................................................................... 29 GEUR ................................................................................................................... 30 TRILLINGHINDER....................................................................................................... 30 GEZONDHEID .......................................................................................................... 31
HOOFDSTUK 9 9.1 9.2 9.3
M.E.R.- BEOORDELING ............................................ 35
ALGEMEEN........................................................................................................... 35 SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 35 CONCLUSIE .......................................................................................................... 35
HOOFDSTUK 12 12.1 12.2
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE .......................... 34
WETTELIJK KADER .................................................................................................. 34 ARCHEOLOGIE ...................................................................................................... 34 CULTUURHISTORIE ................................................................................................. 34 CONCLUSIE .......................................................................................................... 34
HOOFDSTUK 11 11.1 11.2 11.3
BESCHERMING VAN DE NATUUR .................................32
GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................... 32 SOORTENBESCHERMING .............................................................................................. 33 CONCLUSIE ............................................................................................................. 33
HOOFDSTUK 10 10.1 10.2 10.3 10.4
BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU.................. 27
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............................. 36
ALGEMEEN........................................................................................................... 36 KOSTENVERHAAL ................................................................................................... 36
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
12.3
SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 36
HOOFDSTUK 13 13.1 13.2
PARTICIPATIE ....................................................................................................... 37 ZIENSWIJZEN ....................................................................................................... 37
HOOFDSTUK 14 14.1 14.2 14.3
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ...................... 37
JURIDISCHE VERANTWOORDING ................................ 38
INLEIDING ........................................................................................................... 38 OPZET VAN DE REGELS ............................................................................................. 38 VERANTWOORDING VAN DE REGELS .............................................................................. 39
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE MOTIVERING ........................................... 40 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5
ERFINRICHTINGSPLAN........................................................................................ 40 UITGANGSPUNTENNOTITIE WATERSCHAP................................................................... 40 VERKENNEND BODEM- EN ASBESTONDERZOEK ............................................................. 40 ONDERZOEK STIKSTOFDEPOSITIE........................................................................... 40 QUICKSCAN NATUURWAARDENONDERZOEK ................................................................ 40
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Voorliggende motivering heeft betrekking op de locatie Oppen Swolle 27 te Zwartsluis (hierna: plangebied). Ter plaatste is een melkveebedrijf gevestigd. Het melkveebedrijf heeft jarenlang gefunctioneerd op deze locatie, maar door het ontbreken van bedrijfsopvolging en de impact van huidige regelgeving is voortzetting niet langer haalbaar gebleken. De recente ruilverkaveling in de Barsbekerbinnenpolder heeft daarnaast een nadelig effect gehad op de bedrijfsvoering. Hierdoor is besloten het bedrijf af te bouwen en gebruik te maken van de Landelijke beëindigingsregeling Veehouderijen (LBV) van de overheid. Voor de herinrichting van het gebied is gekeken naar mogelijkheden om de gronden rendabel te benutten. Door de ligging aan een natuurgebied is natuurbeheer een logische keuze. In samenwerking met het ‘Agrarisch Natuur Collectief Noordwest Overijssel’ is een natuur- en vogelbeheerprogramma opgesteld, waar circa de helft van de gronden onder valt. Dit beheer omvat onder andere een verlate maaidatum en plas-drasgebieden, wat het gras ongeschikt maakt voor melkvee maar waardevol is als hooi voor paardenvoer. Dit hooi dient binnen te worden opgeslagen voor verkoop. Voor een effectieve uitvoering van het natuurbeheer en de daarmee samenhangende activiteiten, waaronder de opslag van hooi en verkoop van grasbalen aan melkveehouders, is voldoende opslagruimte noodzakelijk.
Daarvoor is een nieuwe stal nodig. Tegelijkertijd worden er twee ligboxenstallen voor jong- en melkvee en één van de twee mestsilo’s gesloopt. De totale te slopen oppervlakte bedraagt 1.692 m². De noordelijk gelegen mestsilo blijft wel staan voor schoon en efficiënt mestbeheer. Ter versterking van het verdienmodel wordt een deel van de nieuw te bouwen loods ingericht voor caravanstalling. Samengevat voorziet de voorliggende omgevingsplanwijziging in de beëindiging van de activiteiten van de melkveehouderij en het mogelijk maken van de beoogde caravanstalling. Voorliggend TAMomgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
1.2
Ligging van het plangebied
In de onderstaande afbeelding is het plangebied met de rode ster en rode omlijning ten opzichte van de omgeving weergegeven. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Zwartsluis, sectie H, met perceelnummers 302 en 303 (deels).
Afbeelding 1.1: Ligging plangebied (Bron: PDOK, bewerkt)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
1.3
Het omgevingsplan
1.3.1
Geldend omgevingsplan
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten: -
Omgevingsplan gemeente Zwartewaterland, in werking vanaf 26 juni 2024; Bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Wonen”, vastgesteld op 14 oktober 2021. Bestemmingsplan “Bestemmingsplan buitengebied Zwartewaterland”, vastgesteld op 10 oktober 2013.
In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het “Bestemmingsplan buitengebied Zwartewaterland” opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour.
Afbeelding 1.2: Uitsnede regelsopdekaart.nl)
verbeelding
“Bestemmingsplan
buitengebied
Zwartewaterland”
(Bron:
Op basis van het tijdelijk omgevingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden – Landschap’. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. De gronden zijn voorzien van een bouwvlak waarbinnen de bouwwerken dienen te worden gebouwd. Silo's dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Bouwwerken voor mestopslag en opslag van ruwvoer dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd dan wel ter plaatse van de aanduiding 'opslag’. Het zuidelijk deel van het plangebied is voorzien van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Deze gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de bescherming, de versterking, het beheer en het onderhoud van de dijk, met de bijbehorende voorzieningen, zoals bermen, schouwpaden en beschoeiing. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Ten slotte is het plangebied voorzien van de gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied 2’, waarmee burgemeester en wethouders onder de voormalige Wro bevoegd waren om het plan op bepaalde punten te wijzigen. 1.3.2
Opheffen strijdigheid
Momenteel wordt binnen het plangebied een grondgebonden melkveehouderij uitgeoefend. In het kader van de LBV-regeling dienen deze activiteiten planologisch te worden uitgesloten. Het agrarisch bedrijf wenst haar activiteiten voort te zetten in de vorm van het telen van gras, agrarisch natuurbeheer en het inpandig stallen van caravans. Om voorgenoemde bedrijfsplan planologisch vast te leggen, is een wijziging van het omgevingsplan benodigd. Deze wijziging voorziet hierin, waarbij gebruik wordt gemaakt van de TAM-IMRO procedure. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAMomgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente.
Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. 1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 en 4 gaan achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het plangebied en de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 7 de bescherming van de waterbelangen wordt behandeld. Hoofdstuk 8 en 9 gaan respectievelijk in op de bescherming van de gezondheid, het milieu en de natuur. Hoofdstuk 10 behandelt de archeologische en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 11 komt de m.e.r.-beoordeling aan bod. Hoofdstuk 12 en 13 behandelen ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen. Ten slotte wordt in hoofdstuk 14 ingegaan op de juridische planverantwoording.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Hoofdstuk 2
Beschrijving huidige situatie
Het plangebied ligt in het buitengebied ten westen van de kern Zwartsluis en ten noorden van Genemuiden. Het plangebied betreft de locatie Oppen Swolle 27 en de bijbehorende gronden. In de huidige situatie is binnen het plangebied een veehouderij gevestigd (melkkoeien). De aanwezige bebouwing bestaat uit twee stallen, een bedrijfswoning een werktuigenberging, twee mestsilo’s en een sleufsilo. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een rotonde die de weg Oppen Swolle met de Veerweg verbindt. Aan de oostzijde is een waterplas aanwezig. Aan de overige zijden wordt het plangebied omgrensd door agrarische gronden. In afbeelding 2.1 is de huidige situatie weergegeven. In afbeelding 2.2 is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie in en rondom het plangebied.
Afbeelding 2.1: Huidige situatie plangebied (Bron: Tekenhuis.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Afbeelding 2.2: Luchtfoto huidige situatie (Bron: Google Maps)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Hoofdstuk 3
3.1
Planbeschrijving
Het voornemen
Het planvoornemen voorziet in een herinrichting van het agrarische bedrijfsterrein op basis van deelname aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV). Dit houdt in dat de huidige agrarische activiteiten met melkvee worden beëindigd en dat de inrichting van het erf wordt aangepast aan nieuwe functies die aansluiten bij de gewijzigde bedrijfsvoering. Het planvoornemen richt zich op een duurzame herinrichting van het erf om over te schakelen naar agrarisch natuurbeheer, grasproductie en aanvullende activiteiten. Ook zullen er hobbymatig schapen worden gehouden. In het kader van de LBV-regeling zal alle productiecapaciteit worden gesloopt en afgevoerd die wordt gebruikt voor melkvee, varkens, kippen. kalkoenen. Concreet betekent dit dat twee ligboxenstallen voor jong- en melkvee (996 m² en 504 m²) en één van de twee mestsilo’s (192 m²) zullen worden gesloopt. De totale te slopen oppervlakte bedraagt 1.692 m². Op de plaats van de jongveestal wordt een nieuwe loods gerealiseerd, waarbij onderdelen van de melkveestal zullen worden hergebruikt. Deze loods biedt ruimte voor de opslag van hooi, dat vrijkomt uit eigen gronden en wordt verkocht als paardenvoer. Daarnaast wordt een deel van de loods ingericht als caravanstalling, waarmee een extra inkomstenbron wordt gecreëerd. De nieuw te bouwen loods krijgt een oppervlakte van 1.294 m².
In totaal neemt de oppervlakte aan gebouwen af met 398 m². Het erf achter de bedrijfswoning, ter plaatse van de voormalige melkveestal, zal worden ingericht als boomgaard/siertuin met vruchtbomen, kruidenrijk gras, bloemen en struiken. De werktuigenschuur aan de westzijde van het erf blijft behouden voor eigen gebruik en zal worden opgenomen in het bouwvlak. Voor de mestsilo in de noordoostelijke hoek wordt een ontheffing aangevraagd om deze te behouden. Ten slotte blijft een sleufsilo in het noorden behouden. Op afbeelding 3.1 is de erfinrichtingstekening opgenomen. Deze is tevens opgenomen in bijlage 1 van deze motivering.
Afbeelding 3.1: Gewenste ontwikkeling (Bron: Tekenhuis)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
3.2
Infrastructuur en openbare ruimte
3.2.1
Algemeen
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. 3.2.2
Verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 (augustus ‘24)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • • •
Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk; Stedelijke zone: buitengebied. Functie/activiteit: o Bedrijf arbeidsextensief, bezoekersextensief (loods): 1.294 m²; o Koop, huis, vrijstaand.
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. Parkeerbehoefte Op basis van de te hanteren uitgangspunten bedraagt de parkeerbehoefte: • •
Bedrijf arbeidsextensief, bezoekersextensief (loods): 1,05 per 100 m². Koop, huis, vrijstaand: 2,1 per woning.
De verwachte parkeerbehoefte bedraagt dan ook (12,94 * 1,05) + 2,1 = 15,7 (afgerond 16) parkeerplaatsen. Voor het bedrijf wordt opgemerkt dat verwacht wordt dat de parkeerbehoefte in de praktijk (veel) lager zal uitvallen, aangezien het bedrijf wordt uitgeoefend door de eigenaar van het perceel. Voor de bedrijfsactiviteiten is met name sprake van behoefte aan ruimte voor het stallen van caravans en voertuigen die worden gebruikt voor de bedrijfsactiviteiten. In en rondom de loods van het plangebied wordt voorzien in voldoende erfverharding om de voertuigen te kunnen stallen. Hier wordt ook geparkeerd ten behoeve van de bedrijfswoning. Daarnaast wordt opgemerkt dat het verhard oppervlak met circa 400 m² afneemt. Gelet op het feit dat er op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig is en aangezien de verwachting is dat de parkeerbehoefte eerder zal afnemen dan toenemen, wordt geconcludeerd dat het plan in voldoende rekening houdt met het aspect ‘parkeren’. Verkeersgeneratie en ontsluiting Op basis van de te hanteren uitgangspunten bedraagt de verwachte verkeersgeneratie: • •
Bedrijf arbeidsextensief, bezoekersextensief (loods): 4,8 per 100 m². Koop, huis, vrijstaand: 8,2 per woning.
De totale verkeersgeneratie bedraagt dan ook (12,94 * 4,8) + 8,2 = 70,3 (afgerond 71) verkeersbewegingen. De bestaande wegenstructuur is van ruimvoldoende omvang om de verkeersstromen veilig te kunnen verwerken. Ook wordt opgemerkt dat de verandering in de verkeerssituatie in de praktijk wordt veroorzaakt door een wijziging in de bedrijfsactiviteiten, waarbij voorheen sprake was van een melkveehouderij. In de praktijk zal het effect op de verkeerssituatie daarom nagenoeg verwaarloosbaar zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
3.2.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Hoofdstuk 4
4.1
Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden
Algemeen
De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. In voorliggend geval is met name de instructieregel voor de ladder voor duurzame verstedelijking van belang.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1
Algemeen
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of er binnen het stedelijk gebied kan worden ontwikkeld. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •
de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.
De Ladder wordt toegepast bij een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder, is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. •
•
bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 4.2.2
Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
De geplande activiteiten betreffen het optimaliseren en herinrichten van het bestaande erf. De sloop en herbouw leidt tot een afname van de oppervlakte aan gebouwen met circa 400 m². De voorgenomen wijzigingen zijn niet van een zodanige omvang dat ze als stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Hoofdstuk 5
Beleidskaders
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
5.1
Rijksbeleid
5.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
5.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 5.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
5.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 5.1.2
Instructieregels Rijk (Amvb’s)
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o
o
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7a); het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 5.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid
Voorliggende ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
5.2
Provinciaal beleid
5.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Leidende thema’s voor de Omgevingsvisie zijn: 1. Duurzaamheid; 2. Ruimtelijke kwaliteit. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: • • • •
5.2.2
door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu’s; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid. Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie Overijssel. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 5.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Afbeelding 5.1
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Hierna worden de lagen nader toegelicht. Of – generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Waar – ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.
De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
invulling van de signaleringsgrenzen.
begrenzing:
de
grenzen
van
de
ontwikkelingsperspectieven
zijn
Hoe – gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 5.2.4 Toetsing aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan het Uitvoeringsmodel.
Ten eerste wordt bepaald of het voornemen past binnen de Omgevingsvisie. Aan de hand van de ontwikkelingsperspectieven wordt bepaald waar de ontwikkeling past. Ten slotte wordt bepaald hoe de ontwikkeling in de visie past, aan de hand van gebiedskenmerken. Of – generieke beleidskeuzes Voor generieke beleidskeuzes zijn de artikelen 4.5, 5.9, 4.11 en 4.85 van belang. Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) 1. Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. 2. Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat: a. (her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en b. mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Toetsing initiatief aan artikel 4.5 Voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand agrarisch erf.
De voorgenomen ontwikkeling komt op de plaats van een van de te slopen jongveestallen. Daarnaast wordt de bestaande melkveestal en de mestsilo gesloopt. De hoeveelheid bebouwing op het erf neemt daarmee aanzienlijk af. Het voornemen voorziet daarmee in een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) 1. omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. b. c.
het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
Toetsing initiatief aan artikel 4.9 Met voorgaande en onderstaande artikelen is ingegaan op de relevantie aspecten van de generieke beleidskeuzes. In onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op het ontwikkelingsperspectief en de vier-lagenbenadering. Artikel 4.11 (kwaliteitsimpuls Groen Omgeving) 1. Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als: a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn; b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en c. in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. 2. Het eerste lid is in ieder geval van toepassing op: a. nieuwe verblijfsrecreatieve complexen en verblijven; b. uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen; c. de bouw van nieuwe woningen; d. nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden; e. grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden. 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven; b. zelfstandige opstellingen van zonnepanelen. Toetsing initiatief aan artikel 4.11 In dit geval is er sprake van de beëindiging van een melkveehouderij. De agrarische bedrijfsactiviteiten worden voortgezet in de vorm van agrarisch natuurbeheer, met een caravanstalling als nevenactiviteit. Deze activiteiten vallen niet onder nieuwvestiging dan wel grootschalige uitbreiding van bestaande functies. Hiermee is de KGO-regeling niet van toepassing voor de beoogde ontwikkeling. Waar – ontwikkelingsperspectieven Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap’ In dit ontwikkelingsperspectief is er ruimte voor ontwikkelingen van verschillende functies in harmonie met elkaar. Aan de ene kant is er agrarische bedrijvigheid, aan de andere kant zijn er ook woningen, andere bedrijvigheid, natuur en recreatie. Ontwikkelingen worden nadrukkelijk verbonden met het behoud en de versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke elementen. Dit vraag om zorgvuldige inpassing in het bestaande kleinschalige landschap. Ook
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven, waar dit het behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en het landschap ondersteunt. De provincie ondersteunt initiatieven die gericht zijn op vereenvoudigen en versnellen van sloop van (agrarische) bedrijfsgebouwen, zonder perspectief op een vervolgfunctie. Toetsing initiatief Het ontwikkelingsperspectief geeft ruimte aan de functiewijziging van agrarische erven. Door de sloop van de huidige schuren, de realisatie van de nieuwe schuur ten behoeve van opslag en de beoogde landschapsmaatregelen, wordt het kleinschalige karakter van het landschap behouden en versterkt. Geconcludeerd wordt dan ook dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen het geldende ontwikkelingsperspectief. Hoe – gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De ‘stedelijke laag’ is niet van toepassing aangezien het plangebied in het buitengebied ligt. De ‘natuurlijke laag’ Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart in de ‘natuurlijke laag’ aangeduid met het gebiedstype ‘Laagveengebieden’. Laagveengebieden beslaan grote gebieden, waar onder invloed van stagnerend water en grondwater uitgestrekte veenmoerassen zijn ontstaan.
Hier bestonden diverse verlandingsstadia naast elkaar: open water – rietmoeras – opgaand moerasbos. Het semi-natuurlijk laagveenrestant van de Weerribben en de Wieden bestaat uit relicten van dit gebiedstype met een hoge waterkwaliteit en natuurkwaliteit. Het landschap is samengesteld uit rietland op een pakket veenlagen (kraggen) en vaarten, afgewisseld met bos en is ontstaan door turfwinning, rietteelt en extensieve veehouderij. Ook in de overige veenweidelandschappen is een hoog waterpeil van belang om inklinking tegen te gaan. Het open karakter is zowel ruimtelijk waardevol, als voor weidevogels en ganzen. De ‘laag van het agrarisch-cultuurlandschap’ Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart in de ‘laag van het agrarisch-cultuurlandschap’ aangeduid met het gebiedstype ‘Laagveenontginningen’. Het landschap kenmerkt zich door een open, laag en nat landschap dat is ontstaan door occupatie vanuit de bewoonde hogere randen. Kenmerkende zonering van intensief gebruik langs de bewoonde randen en extensief gebruik naar het achterland. Staphorst en Rouveen zijn de nationaal bekende iconen van het Overijsselse laagveenontginningslandschap. Het landschap kent diverse verschijningsvormen. Eén daarvan betreft het kleinschalige slagenlandschap van Staphorst en Rouveen met langgerekte uitwaaierende kavels en houtwallen.
In het slagenlandschap zijn linten van bebouwing aanwezig, van waaruit de verkaveling zich opstrekt. De ambitie is de cultuurhistorische kwaliteiten van het laagveenlandschap zoveel als mogelijk in stand te houden en beleefbaar te maken. De grote open ruimtes, het patroon van sloten met beplantingen, de vochtige bloemrijke weides geven dit landschap grote belevingswaarde en zijn essentieel voor de leefomgeving van weidevogels. Het karakteristieke bebouwingspatroon (voorkant aan de openbare weg; achterkant aan het landschap en in polder Mastenbroek op terpen) vormt het vertrekpunt bij herstructurering, verdichting en uitbreiding van de agrarische bebouwing en de woon-/ werkmilieus. De ‘laag van beleving’ Het plangebied wordt op de gebiedskenmerkenkaart binnen de ‘laag van beleving’ aangeduid met de gebiedstypen ‘IJssellinie inundatieveld’. Dit gebied is één van de bakens in de tijd en brengt een cultuurhistorische ambitie met zich mee. Zoals het creëren van verbindingen en verbanden tussen bestaande bakens, welke onderdeel van een groter geheel zijn maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen. Tevens kunnen bakens van deze tijd worden toegevoegd. Cultuurhistorische waarden dienen behouden te worden door ze bewust in te zetten in gebiedsopgaves.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Toetsing initiatief Met de voorgenomen activiteiten neemt de hoeveelheid bebouwing af, waardoor er een positieve bijdrage wordt geleverd aan het open karakter van het gebied. Cultuurhistorische waarden zijn verder niet aanwezig in en om het plangebied, waardoor deze niet worden geschaad. 5.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciale beleid
Geconcludeerd kan worden dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is aan het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel.
5.3
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In deze paragraaf wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 5.3.1
Omgevingsvisie gemeente Zwartewaterland
5.3.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie Zwartewaterland is samen met veel inwoners en organisaties uit de gemeente ontwikkeld. De verschillende bijdragen weerspiegelen het karakter van Zwartewaterland: een plattelandsgemeente, maar met een sterk industrieel karakter. Dat is ook de kracht van Zwartewaterland. Die verscheidenheid is prachtig maar kan, bij het nemen van grote beslissingen, wel tot tegengestelde belangen en opvattingen leiden. De omgevingsvisie is dan ook geen blauwdruk, maar maakt het mogelijk om een afweging te maken tussen de verschillende belangen. In de omgevingsvisie staat welke opgaven en ambities de gemeente heeft. De omgevingsvisie heeft een thematische opbouw. Het meest relevant voor deze ontwikkeling is het thema ‘Gezondheid’ en ‘Economie’. 5.3.1.2 Ons buitengebied is klaar voor de toekomst Het toevoegen van niet-agrarische functies in het buitengebied biedt meer en nieuwe kansen voor behoud van het economisch rendement. Er gelden wel voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen. Er moet rekening worden gehouden met landschappelijke waarden en de natuur. Maar ook met de omgeving, zoals de bestaande agrarische functie. Zo wordt er voor gezorgd dat het buitengebied klaar is voor de toekomst. De landbouw is een belangrijke drager van het landschap en is van grote cultuurhistorische betekenis. Het landschap heeft mede daardoor zijn huidige vorm gekregen.
Tegelijkertijd spelen er een aantal opgaven in het buitengebied. Samen met de regiogemeenten en andere partijen die deelnemen aan de Gebiedsgerichte Aanpak Noordwest Overijssel beoordeelt de gemeente hoe hieraan een toekomstbestendige invulling kan worden gegeven. De uitkomst hiervan wordt vastgelegd in een eerstvolgende actualisatie van de omgevingsvisie en wordt doorvertaald in het omgevingsplan. Het buitengebied zonder duidelijk aanwezige agrarische sector verandert fundamenteel van karakter. Behoud en beleefbaarheid van de agrarische sector is daarom uitgangspunt. Tegelijk zijn er andere ruimteclaims op het buitengebied (wonen, energie, natuur, recreatie). Daardoor kan de agrarische sector de huidige omvang mogelijk niet behouden. Behoud kan ook worden bereikt door (gedeeltelijke) transities in de sector. Van belang is dat het agrarisch ondernemerschap niet in gevaar komt. 5.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie In voorliggend geval omvat de transitie van een agrarisch melkveebedrijf naar meer duurzame bedrijvigheid in de vorm van natuurbeheer en caravanstalling. Dit draagt bij aan zorgvuldig
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
ruimtegebruik en is in lijn met het beleid van Gebiedsgerichte Aanpak Noordwest Overijsel om een duurzame toekomstbestendige invulling te geven aan agrarische terreinen. Verder wordt de nieuw te bouwen loods meer centraal op het erf geplaatst, wat de positionering van de woning ten goede komt. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de ambities uit de Omgevingsvisie. 5.3.2
Beleidsregel Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Naar aanleiding van het provinciale KGO beleid heeft de gemeente Zwartewaterland een eigen KGO regeling opgesteld. Hierin is een lokale en meer specifieke invulling gegeven aan het beleid. De gemeentelijke beleidsregel Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) biedt duidelijkheid over de manier waarop de KGO in de gemeente Zwartewaterland wordt toegepast. De beleidsregel heeft tot doel om een transparante en consistente beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen te garanderen. De beleidsregel is van toepassing bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied die niet passen in het bestemmingsplan Buitengebied, onderdeel uitmakend van het tijdelijk omgevingsplan. In de KGO wordt onderscheid gemaakt in het leveren van een basisinspanning en een aanvullende kwaliteitsprestatie. Wanneer er sprake is van een grootschalige ontwikkeling kan niet worden volstaan met de inpassing van de ontwikkeling zelf. Er zal dan een aanvullende kwaliteitsprestatie moeten worden geleverd. De hoogte van de te leveren prestatie moet daarbij in balans zijn met de schaal en impact van de ontwikkeling. De beleidsregel KGO is van toepassing bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied die niet passen in het tijdelijk omgevingsplan, onderdeel ‘bestemmingsplan Buitengebied’. In dit geval is er sprake van een afname van de oppervlakte aan gebouwen met 398 m².
Het bouwvlak zal aangepast worden zodat ook de aanwezige kapschuur hierbinnen zal vallen. Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling is er daarmee slechts sprake van een basisinspanning. Dit houdt in dat de ontwikkeling ruimtelijk goed wordt ingepast. Dit vindt plaats door het erf achter de woning in te passen met een boomgaard/siertuin met vruchtbomen, kruidenrijk gras en bloemen en struiken. In dit geval is er sprake van de beëindiging van een melkveehouderij. De agrarische bedrijfsactiviteiten worden voortgezet in de vorm van agrarisch natuurbeheer, met een caravanstalling als nevenactiviteit. Deze activiteiten vallen niet onder een grootschalige ontwikkeling en vallen daarmee buiten de reikwijdte van de KGO-regeling. 5.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de relevante gemeentelijke beleidskaders.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Hoofdstuk 6 6.1
Omgevingsveiligheid
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 6.2
Situatie in en bij het plangebied
Er is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied. In onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de Landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid. Zoals te zien is in afbeelding 6.1 bevinden er zich risicobronnen binnen het plangebied. Deze activiteiten zijn aanwezig door het in standhouden van melkvee activiteiten. Het gaat om de opslagtanks van propaan met een brand- en explosieaandachtsgebied. Tevens is er een PR 10 -6 contour aanwezig. Er vindt in de feitelijke situatie geen opslag van propaan meer plaats. Wel is er een dieseltank van 2.000 liter aanwezig in de werktuigenberging. Vanwege de wijziging van de agrarische bedrijfsactiviteit zal de milieumelding van het bedrijf worden gewijzigd. Het aanmelden van deze dieseltank is onderdeel van deze melding.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Afbeelding 6.1: Uitsnede EV-signaleringskaart (Bron: Atlas Leefomgeving) 6.3
Conclusie
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d, Wijziging omgevingsplan Oppen Swolle 27 Zwartsluis Vastgesteld
Hoofdstuk 7
Beschermen van de waterbelangen
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
7.1
Vigerend beleid
7.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2