CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

Zienswijzennota ontwerpomgevingsplan Landelijk gebied

Raadsvergadering 4 juli 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied10.760 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Zienswijzennota ontwerpomgevingsplan “Landelijk gebied” Inleiding Van 23 september 2021 tot en met 3 november 2021 heeft het ontwerpomgevingsplan “Landelijk gebied” voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan kenbaar te maken aan de gemeenteraad. De ter inzage legging is bekend gemaakt door publicatie in het Contact en het elektronisch gemeenteblad van 22 september 2021. Gedurende de termijn zijn 23 schriftelijke zienswijzen bij de gemeenteraad ingediend. Er zijn geen mondelinge zienswijzen ingebracht. De 23 zienswijzen zijn binnen de termijn verzonden en ontvangen, waardoor ze allen ontvankelijk zijn. Er zijn 2 zienswijzen buiten de termijn verzonden en ontvangen, waardoor deze niet-ontvankelijk zijn. Hiervan zijn deze personen op de hoogte gesteld. Hieronder wordt aangegeven wat de inhoud van de zienswijzen is en zijn de zienswijzen beantwoord.

Inhoud en beantwoording zienswijzen Indiener 1 a. Indiener geeft aan dat een deel van het bestemmingsvlak bij de buurman is ingetekend. Verzocht wordt dit op de verbeelding aan te passen. Beantwoording Dit kan op de verbeelding worden aangepast waardoor de regeling voor beide buren klopt. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt de bestemmingsgrens tussen Bronsbergen 28 en 28a aangepast. Indiener 2 a. Indiener geeft aan dat het begrip 1.118 paardenhouderij voor de betreffende bedrijfsvoering niet voldoende is omdat het gedeelte van de productiegerichte paardenhouderij niet duidelijk is geborgd. Gevraagd wordt om op het betreffende perceel òf een aanduiding op te nemen die de productiegerichte paardenhouderij regelt òf het begrip 1.118 aan te passen in die zin dat ook het fokken van paarden of pony’s is toegestaan. Beantwoording De agrarische bestemming en de aanduiding paardenhouderij op de locatie laten zien dat het hier om een productiegerichte paardenhouderij gaat. Dit in tegenstelling tot gebruiksgerichte paardenhouderijen die een manegebestemming hebben. Het klopt wel dat de definitie onder 1.118 scherper en beter kan. De suggestie voor aanpassing van dit begrip wordt dan ook overgenomen waarbij wordt opgemerkt dat het zinsdeel ‘paarden en pony’s’ wordt ‘paarden en/of pony’s’.

Er zijn namelijk ook situaties denkbaar dat er binnen een paardenhouderij sprake is van een combinatie tussen de aanwezigheid van paarden en pony’s. b.

Indiener geeft aan dat de gebruiksregel voor deze locatie impliceert dat een paardenhouderij enkel in combinatie met een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan en niet als solitaire bedrijfsvorm. Verzocht wordt deze gebruiksregel aan te passen waardoor een zelfstandige (productiegerichte) paardenhouderij is toegestaan.

Beantwoording Het provinciale beleid ten aanzien van agrarische bedrijven (grondgebonden of niet) is hierin leidend. Op grond van het provinciale beleid geldt dat bedrijven die het voer voor dieren van elders halen,

1

moeten worden gezien als niet-grondgebonden veehouderijen (zoals we vroeger deze intensieve veehouderijen noemde). Alle bedrijven met eigen grond en daar ook voer op verbouwen, zijn grondgebonden. In voorliggende situatie heeft het bedrijf de beschikking over eigen gronden waar dieren kunnen grazen en waar ook eigen voedsel vanaf komt. Het loskoppelen van de grondgebondenheid levert een intensieve veehouderij op wat niet aan de orde is. Het is dan ook op grond van het provinciale beleid niet mogelijk om de gebruiksregel aan te passen en de grondgebondenheid los te laten. c.

Indiener geeft aan dat op het moment van vergunningaanvraag ook de grondgebondenheid moet zijn aangetoond. Het kopen van grond zonder zekerheid over een vergunning is een kostbare aangelegenheid. Gevraagd wordt of kan worden volstaan met in te brengen grond waarover principeovereenstemming is en niet enkel grond die al in eigendom of in pacht is.

Beantwoording Bij het aantonen van de grondgebondenheid gaat het over het inzicht dat een ondernemer voldoende grond ter beschikking heeft om te kunnen voldoen aan de milieuregelgeving die daarbij hoort. Ook dit is tot stand gekomen op basis van provinciaal beleid dat moet worden doorvertaald in het omgevingsplan. Een vergunning verlenen op basis van een principeovereenkomst leidt niet tot de rechtszekerheid die nodig is om te toetsen of voldaan wordt aan het gestelde. Het is dan ook niet mogelijk om dit in de regels aan te passen. d.

Indiener geeft een nieuwe aanpassing van het ‘erf’ weer waarbij de oppervlakte van het ‘erf’ gelijk blijft. Een andere dan ten tijde van het voorontwerp is ingebracht.

Beantwoording Zoals in de beantwoording van de inspraakreactie op het voorontwerp omgevingsplan is aangegeven geldt dat het op voorhand aanpassen van het erf in voorgestelde zin niet aan de orde is. Eerder is eveneens aangegeven dat op grond van de planregels het mogelijk is om een uitbreiding van het erf over de aanduidingsgrens te realiseren waarbij ook een toetsing aan de geldende andere regels die van toepassing zijn plaatsvindt en waarbij sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing. De planregels bieden daarmee ruimte het bedrijf uit te breiden indien nodig en wenselijk. De nu gevraagde aanpassing van het ‘erf’ zonder daarbij in te gaan op de context van het landschap en geen inpassingsplan daarbij te leveren, leidt nu niet tot aanpassing van de aanduiding ‘erf’. Op het moment dat dit zich concreet voordoet verkennen we samen de mogelijkheden binnen de context van het gebied. e.

Indiener geeft aan dat het bedrijf beschikt over een verklaring van geen bedenkingen van GS d.d. 3 oktober 2012 inzake de toen gelden Natuurbeschermingswet 1998. Indiener verzoekt om deze op te nemen in de planregels waardoor ondernemer uit kan blijven gaan van gebruik van vergunde rechten.

Beantwoording De verklaring van geen bedenkingen kan worden toegevoegd aan bijlage 23, waarin de lijst met verleende en onherroepelijke natuurtoestemmingen is opgenomen. f.

Indiener geeft aan ook bij het voorontwerp gereageerd te hebben op de lastenverzwaring die optreedt door regels te stellen over landschappelijke inpassing, hydrologisch neutraal bouwen en energieneutraal bouwen. Indiener roept op om deze extra verplichtingen niet op te leggen als niet duidelijk is wat de forse extra kosten zijn.

Beantwoording Indiener geeft aan dat het om forse extra kosten gaat welke niet door indiener worden onderbouwd. Waar het om gaat is dat dit onderwerpen zijn die de fysieke leefomgeving raken en daarmee integraal onderdeel moeten zijn van de afweging van wat er in de fysieke leefomgeving gebeurt en waarom.

2

Dat regels over nieuwe onderwerpen kosten met zich mee brengen, is zeker aan de orde. Het is ook zaak om als ondernemer en als gemeente te kijken in hoeverre ontwikkelingen op een locatie bijdragen aan de opgaven en onder welke voorwaarden. Dit gaat over balans zoeken tussen alle belangen die spelen en slim omgaan met de ruimte die er is. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - het begrip 1.118 als volgt opgenomen: “een agrarisch (verwant) bedrijf voor het bedrijfsmatig fokken, stallen, trainen of africhten van paarden en/of pony’s”; - bijlage 23 aanpassen en dit bedrijf toevoegen. Indiener 3 a. Indiener vraagt of er een mogelijkheid is om 5x per jaar meer bezoekers te ontvangen dan de genoemde 60. Indiener stelt voor dat dit 5x per jaar om max 150 bezoekers per gelegenheid gaat. Beantwoording Het is mogelijk om dit te regelen. Belangrijkste aandachtspunt is hierbij de impact op de omgeving en dat parkeren op een veilige manier wordt georganiseerd. De voorwaarde dat parkeren is geregeld kan hierbij worden opgenomen. Voor het overige geldt dat het bedrijf moet beschikken over een exploitatievergunning om daadwerkelijk te kunnen ondernemen op deze manier. Om deze exploitatievergunning te kunnen verlenen, moet het omgevingsplan daarvoor de ruimte bieden. b.

Indiener vraagt of het mogelijk is dat als de (vergunde) mantelzorgsituatie ten einde komt, dit deel van de woning als logiesaccommodatie tot 80 m2 gebruikt mag worden.

Beantwoording Het bestaande gebruik als inwoningssituatie is geregeld als bestaand gebruik. Het is mogelijk om hier de mogelijkheid van B&B in de vorm van een logiesaccommodatie te ontwikkelen naast de bedrijfsactiviteiten. Dat staan de regels in het omgevingsplan toe. Echter de oppervlakte is hierin anders. Aangezien het om een vergunde inwoningssituatie gaat met een oppervlakte van meer dan 50 m2, is een groter gebruik logisch. Het is namelijk niet logisch om de resterende 30 m2 niet in te mogen zetten als de feitelijke situatie hier wel in voorziet. In voorliggende situatie kan de ruimte als logiesaccommodatie met een grotere oppervlakte verantwoord worden als ondersteunende functie bij de wijngaard en de recreatieve en educatieve functie die deze ook heeft, naast de wijnproeverijen.

Wellicht kan in de toekomst bij groei en of verandering of verbreding van activiteiten gekozen worden naar een maatwerkbestemming, Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt het volgende aangepast: - Artikel 26.1 onder f sub 3wordt aangepast en komt als volgt te luiden: “horeca-activiteiten, geen café of restaurant of daaraan gelijk te stellen horecabedrijf, waarbij dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt gelieerd aan de ter plaatse geproduceerde wijnen, zoals proeverijen en feesten en partijen met een besloten en overwegend kleinschalig karakter (minder dan 60 personen en max 5x per jaar max 150 personen) gehouden tussen 12:00 uur en 00:00 uur en waarbij in voldoende parkeerruimte is voorzien wat niet op de openbare weg plaatsvindt; - Bijlage 1 van de regels waarin het gebruik als logiesaccommodatie tot 80 m2 wordt opgenomen bij het betreffende adres. Indiener 4 a. Indiener geeft aan dat de begrenzing van de zone natte landnatuur niet overeenkomt zoals opgenomen in de provinciale verordening en verzoekt dit te bekijken en aan te passen. Beantwoording Deze wordt nogmaals bekeken en zo nodig aangepast.

3

b.

Indiener geeft aan dat de molenbiotoop voor de Warkense Molen en de molen in de uiterwaarden (nog) niet overeenkomt met het provinciale beleid. Indiener geeft een suggestie om artikel 33.2 onder b hierop als volgt aan te passen: ‘In de zone van 100 tot 400 m vanaf de molen vindt de beoordeling van de toelaatbare hoogte van nieuw op te richten of te wijzigen obstakels in verhouding met de afstand tot de windmolen plaats op grond van de uitkomst van de toepassing van de formule: H(x) = x / n + c * z H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters) x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters) n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2 z = askophoogte (helft van de lengte gevlucht) Voor de Warkense molen geldt: 75 voor ruw gebied en een vlucht van 20,5 m waardoor z = 10,25 m. Voor de windmolen in de uiterwaarden wordt verwezen naar de website met het biotooprapport van deze molen. Op basis daarvan is nadere informatie opgevraagd. Daarin wordt aangegeden dat z = 8.00 meter (askophoogte) en n = 140 voor open gebied.

Beantwoording Op grond van de bovenstaande informatie wordt de regeling over de molenbiotoop aangepast zoals voorgesteld. Hierbij geldt daarmee voor de Warkense molen dat n = 75 en z = 10,25. Voor de molen in de uiterwaarden geldt op basis van de verwijzing in de zienswijze en navraag dat n = 140 en z = 8 m. c.

Indiener geeft aan dat de molenbiotoop ook geldt voor opgaande beplanting en verzoekt dit aan te vullen.

Beantwoording Dit wordt aangevuld in artikel 33. d.

Indiener adviseert om artikel 33.3 aan te vullen met: ‘en/of een onafhankelijke molendeskundige’.

Beantwoording Dit wordt aangevuld in artikel 33.3 om de objectiviteit van de planregel meer te waarborgen. e.

Indiener geeft aan dat op grond van de provinciale verordening er een adviesrecht geldt om te adviseren over de mogelijkheid van realisatie van zonnevelden in GNN/GO/ en Nationaal Landschap om zo de provinciaal beschermde gebieden te waarborgen. Indiener verzoekt de regels hierop aan te passen. Indiener verzoekt aanpassing om in de gebieden niet bij recht zonnevelden toe te passen zodat indiener adviesrecht heeft op dergelijke ontwikkelingen.

Beantwoording In de planregels wordt alleen het gebruik bij recht toegestaan. Voor de daadwerkelijke realisatie van zonnevelden is een vergunning nodig. Daarmee kan er nooit bij recht iets ontstaan wat niet getoetst is. Het nationaal landschap is in de verbeelding en in de regels niet als zodanig opgenomen en in het omgevingsplan vertaald in de dubbelbestemmingen die gaan over het landschap en de diverse landschapstypen die we kennen. Voor het overgrote deel vallen de gronden van het landelijk gebied binnen het Nationaal Landschap de Graafschap. In die zin kan daarom in zijn algemeenheid in de regels een aanvulling worden opgenomen dat de provincie (schriftelijk) advies moet geven bij omgevingsvergunningaanvragen.

4

Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Op de verbeelding rondom de windmolen in de uiterwaarden de molenbiotoop opgenomen. - Artikel 33 aangepast en komt te luiden: Artikel 33 Vrijwaringszone - Molenbiotoop 33.1 Bij recht - Gebruiken De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘Vrijwaringszone - Molenbiotoop’ zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en herstel van de windvang van de betreffende molen. 33.2 Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemmingen In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen gelden ter plaatse van de aanduiding ‘Vrijwaringszone - Molenbiotoop’ dat niet hoger mag worden gebouwd dan en/of geen hogere opgaande beplanting aanwezig mag zijn dan: a binnen een afstand van 100 m van de molen: bouwhoogte en/of beplantingshoogte is gelijk aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen; b In de zone van 100 tot 400 m vanaf de molen vindt de beoordeling van de toelaatbare hoogte van nieuw op te richten of te wijzigen bebouwing en/of beplanting in verhouding met de afstand tot de windmolen plaats op grond van de uitkomst van de toepassing van de formule: H(x) = x / n + c * z H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters) x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters) n = een constante, afhankelijk van de

ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, geoonlijk met de waarde 0,2 z = askophoogte (helft van de lengte gevlucht) Voor de Warkense molen geldt: n = 75 en z = 10,25 m. Voor de windmolen in de uiterwaarden geldt: n = 140 en z = 8 m. 33.3 Flexibiliteit - Afwijken Met omgevingsvergunning kan worden toegestaan dat conform de onderliggende bestemmingen wordt gebouwd en/of beplanting worden aangebracht of in stand houden, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de beheerder van de molen en/of een onafhankelijke molendeskundige. -

Artikel 55.3 aangevuld met sub h: (schriftelijk) advies is verkregen van de provincie Gelderland.

Indiener 5 a. Indiener geeft aan dat een gedeelte van de spoorlijn de bestemming Verkeer – Spoor mist. Verzocht wordt dit aan te passen. Beantwoording Aangegeven opmerking wordt opgenomen op de verbeelding en bevindt zich direct ten noorden van het Twentekanaal. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt de verbeelding aangepast waardoor de bestemming Verkeer – Spoor doorloopt. Indiener 6 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf een Nb-wetvergunning heeft d.d. 10 juni 2015, een PAS vergunning met lagere stikstofemissie dan de vergunning en ene postieve weigering van na de PAS periode met een nog lagere stikstofemissie. Een nieuwe Nb-wetvergunning is niet mogelijk aangezien voor intern salderen geen vergunningplicht geldt en extern salderen (door de provincie

5

Gelderland) niet mogelijk is. Verzocht wordt dit op te nemen in het omgevingsplan als zijnde stikstofplafond. Beantwoording De Nb-wetvergunning van 10 juni 2015 is vervangen door de Wnb-vergunning van 17 april 2018. De Nbw-vergunning van 10 juni 2015 is daarmee komen te vervallen en kan niet als referentie voor de bestaande stikstofdepositie gelden. De Wnb-vergunning van 17 april 2018 kan hiertoe eveneens niet als referentie dienen, omdat hierbij sprake is van een PAS-vergunning. De vergunde stikstofemissie was weliswaar lager dan in de onderliggende Nb-wetvergunning uit 2015, maar de stikstofdepositie was hoger. Dat betekent dat er ontwikkelingsruimte uit de PAS is toebedeeld. Op grond van de rechtspraak mogen dergelijke PAS-vergunningen niet één op één worden ingepast in een omgevingsplan. Het positieve weigeringsbesluit van 12 april 2021 is niet gelijk te stellen aan een vergunningbesluit. Er was sprake van een vergunningaanvraag voor intern salderen. Intern salderen is naar huidige inzichten vergunningvrij. Dat betekent dat voor dit bedrijf de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het omgevingsplan als referentie dient. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 7 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf een Nb-wetvergunning heeft d.d. 23 april 2012.

Verzocht wordt deze in bijlage 23 van de regels op te nemen als stikstofplafond. Beantwoording De Nb-wetvergunning van 23 april 2012 kan worden toegevoegd aan bijlage 23, waarin de lijst met verleende en onherroepelijke natuurtoestemmingen is opgenomen. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt bijlage 23 aangevuld. Indiener 8 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf graag de vorm van de aanduiding ‘erf’ veranderd ziet. Het voorstel voorziet in een vormverandering waarbij de oppervlakte van de aanduiding gelijk blijft. Beantwoording Het op voorhand aanpassen van het erf in voorgestelde zin is niet aan de orde. Op grond van de planregels het mogelijk is om een uitbreiding van het erf over de aanduidingsgrens te realiseren waarbij een toetsing aan de geldende andere regels die van toepassing zijn plaatsvindt en waarbij sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing. De planregels bieden daarmee ruimte het bedrijf uit te breiden indien nodig en wenselijk. De nu gevraagde aanpassing van het ‘erf’ zonder daarbij in te gaan op de context van het landschap en geen inpassingsplan daarbij te leveren, leidt nu niet tot aanpassing van de aanduiding ‘erf’. Op het moment dat dit zich concreet voordoet verkennen we samen de mogelijkheden binnen de context van het gebied. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 9 a.

Indiener geeft aan dat de machines en benodigdheden voor onderhoud van het landgoed, met recreatiewoning, worden gestald in een bijgebouw op naastgelegen perceel. Wanneer dat perceel met woning en opstallen wordt verkocht aan derden vervalt de opslagmogelijkheid voor materiaal en materieel. Om die reden wordt verzocht om een grotere opslagmogelijkheid te hebben van 25 m2 bij de recreatiewoning om op die manier in eigen voorzieningen te voorzien. Indiener geeft daarbij de mogeijkheid om dit privaatrechtelijk af te spreken waardoor een koppeling met het naastgelegen perceel en die opslag in stand blijft.

6

Beantwoording In het omgevingsplan wordt ruimte geboden om bij de bestemde recreatiewoning 6 m2 bijgebouwen bij recht te realiseren als vrijstaand bijgebouw. Daarnaast is het met een afwijking mogelijk om aan de recreatiewoning een bijgebouw te realiseren van 10 m2. In de aansluitende bestemming Bos (art 15.4.1) is aangegeven dat met een afwijkingsbevoegdheid het mogelijk is om voor bos en bosbeheer een gebouw te realiseren van 50 m3. Dit komt neer op ca 16 m2 bij een maximaal toegestane hoogte van 3 m. Dan bestaat er de mogelijkheid om bij en aan de recreatiewoning maximaal 16 m2 bijgebouw te hebben en in de bosbestemming ca 16 m2. Tezamen is dat ca 32 m2. Dat is afdoende zoals indiener aangeeft. Het omgevingsplan biedt dan ook voldoende ruimte om ten behoeve van onderhoud van het landgoed, en daarmee het omringende bos, materieel en materiaal op te slaan. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 10 a. Indiener geeft aan dat het begrip 1.118 paardenhouderij voor de betreffende bedrijfsvoering niet voldoende is omdat het gedeelte van de productiegerichte paardenhouderij niet duidelijk is geborgd. Gevraagd wordt om op het betreffende perceel òf een aanduiding op te nemen die de productiegerichte paardenhouderij regelt en/of het begrip 1.118 aan te passen in die zin dat ook het fokken van paarden of pony’s is toegestaan.

Beantwoording De agrarische bestemming en de aanduiding voor de manege regelen een gedeelte van de bedrijfsvoering. Door de toevoeging van de aanduiding ‘paardenhouderij’ op de locatie wordt inderdaad duidelijker dat hier ook sprake is van een productiegerichte paardenhouderij. Dit in aanvulling op gebruiksgerichte paardenhouderijen die een manegeaanduiding heeft. Het klopt dat de definitie onder 1.118 scherper en beter kan. De suggestie voor aanpassing van dit begrip wordt dan ook overgenomen waarbij wordt opgemerkt dat het zinsdeel ‘paarden en pony’s’ wordt ‘paarden en/of pony’s’. Er zijn namelijk ook situaties denkbaar dat er binnen een paardenhouderij sprake is van een combinatie tussen de aanwezigheid van paarden en pony’s. b.

Indiener vraagt of de tweede bedrijfswoning voldoende duidelijk is geborgd in het plan en verzoekt dit nogmaals te beoordelen en te kijken of een extra aanduiding noodzakelijk is.

Beantwoording De tweede bedrijfswoning is aangegeven op de verbeelding. Deze is overgenomen uit het voorheen geldende plan voor deze locatie. Wat van belang is voor de agrarische bedrijven is dat binnen de aanduiding van het ‘erf’ de bedrijfswoning staat. De verbeelding wordt aangepast. Binnen de aanduiding ‘erf’ wordt met een aanduiding opgenomen dat maximaal 2 bedrijfswoningen zijn toegestaan. Daarnaast wordt de regeling aangescherpt met dat alleen binnen de aanduiding ‘erf’, bedrijfswoningen zijn toegestaan. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - op de verbeelding de aanduiding ‘paardenhouderij’ toegevoegd; - op de verbeelding wordt de aanduiding voor maximaal 2 bedrijfswoningen opgenomen; - wordt het begrip paardenhouderij aangepast zoals onder zienswijze nummer 2 is aangegeven. Indiener 11 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf beschikt over een Nb-wetvergunning d.d. 29 oktober 2012. In 2016 is er een Pas vergunning verkregen. Door de NB-wetvergunning op te nemen in het omgevingsplan als stikstofplafond wordt ondernemer niet onevenredig zwaar benadeeld. Indiener verzoekt om deze op te nemen in de planregels waardoor ondernemer uit kan blijven gaan van gebruik van vergunde rechten.

7

Beantwoording De Nb-wetvergunning van 29 oktober 2012 is vervangen door de Nb-wetvergunning van 11 augustus 2016. De Nb-wetvergunning van 29 oktober 2012 is daarmee komen te vervallen en kan niet als referentie voor de bestaande stikstofdepositie gelden. De Nb-wetvergunning van 11 augustus 2016 kan hiertoe eveneens niet als referentie dienen, omdat hierbij sprake is van een PAS-vergunning. Daarbij is ontwikkelingsruimte uit de PAS toebedeeld. Op grond van de rechtspraak mogen dergelijke PASvergunningen niet één op één worden ingepast in een omgevingsplan. Dat betekent dat voor dit bedrijf de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het omgevingsplan als referentie dient. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 12 a. Indiener geeft informatie mee over de feitelijke situatie van het landgoed om in het omgevingsplan aan te passen. Het betreft het wonen, het onderhoud van bos, het arboretum, de boomgaard, begrazing van de heide, natuur met waterpartij en het bestaande zonnepark. Beantwoording Het is goed om de informatie te ontvangen waardoor er een beter beeld ontstaat van de huidige situatie van het landgoed ter plekke. Zoals alle andere landgoederen binnen het plangebied zijn opgenomen, is het logisch deze locatie ook een landgoedbestemming te geven.

Daarmee wordt de eenheid van het landgoed zichtbaar en herkenbaar. Het doet verder niets af aan de gebruiks- en bouwmogelijkheden die hetzelfde blijven. b.

Indiener vraagt naar de mogelijkheid om een toekomst een wooneenheid te resliaseren ten behoeve van verhuur.

Beantwoording Op grond van de Visie Landelijk gebied bestaan er geen mogelijkheden om woningen toe te voegen in het landelijk gebied. Waar de Visie en het plan wel mogelijkheden voor bieden, is om in bestaande gebouwen een B&B te realiseren. De voorwaarden hiervoor staan in de planregeling opgenomen. Door ervoor te kiezen om dergelijke logiesmogelijkheden in bestaande bebouwing te realiseren, wordt voorkomen dat er bebouwing wordt toegevoegd en bestaande bebouwing ook anders ingezet kan worden. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - De bestemming Landgoed toegekend aan het perceel zoals in de brief van indiener is aangegeven. Daarbinnen bestaan conform de regeling mogelijkheden het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschapselementen en natuur en het behoud, het herstel en/of de bescherming van cultuurhistorische waarden en elementen die tezamen de ruimtelijke beheerseenheid van een landgoed vormen. Voor de gebouwen geldt dat er sprake is van bestaande bouw en bestaande afmetingen. Indiener 13 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf beschikt over een een Nb-wetvergunning d.d. 25 oktober 2017. Door de NB-wetvergunning op te nemen in bijlage 23 in het omgevingsplan. Beantwoording De Wnb-vergunning van 25 oktober 2017 is een in de PAS-periode verleende vergunning.

Op grond van de rechtspraak mogen PAS-vergunningen niet één op één worden ingepast in een bestemmingsplan, omdat die situatie niet op de juiste wijze passend is beoordeeld. In deze situatie is echter sprake van een onderliggende Nb-wetvergunning van 4 maart 2013. Ten opzichte van deze vergunning uit 2013 neemt de stikstofdepositie als gevolg van de in 2017 vergunde bedrijfsvoering

8

fors af. Dat betekent dat geen gebruik is gemaakt van PAS-ontwikkelingsruimte. Onder die voorwaarde valt het te billijken om de Wnb-vergunning van 25 oktober 2017 alsnog toe te voegen aan bijlage 23, waarin de lijst met verleende en onherroepelijke natuurtoestemmingen is opgenomen. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt bijlage 23 aangevuld. Indiener 14 a. Indiener geeft aan dat in artikel 3.2.9 een verkeerde verwijzing staat naar de bestemming Wonen in plaats van Bedrijf en dat de aanduiding naar wonen moet zijn naar bedrijf. Beantwoording Dat de aanduiding verwijst naar wonen en niet naar bedrijf, kan tot verwarring leiden omdat er geen sprake is van een woning. De verwijzing naar de bestemming in artikel 3.2.9 klopt inderdaad niet omdat er geen sprake is van de realisatie van woningen met behulp van de Rood voor Roodregeling, maar van een hoveniersbedrijf. Dat moet worden aangepast. b.

Inspreker geeft aan dat de ligging van de bestemming Groen niet overeenkomt met de inrichtingsschets van de landschappelijke inpassing. Verzocht wordt dit aan te passen.

Beantwoording Dit wordt aangepast conform het landschappelijke inpassingsplan. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voorwaardelijke verplichting Lochemseweg 32a’ in de regels (artikel 3) en op de verbeelding gewijzigd in ‘specifieke vorm van agrarisch – voorwaardelijke verplichting Lochemseweg 32a’; - in artikel 3.2.9 de zinsnede ‘ten einde te komen tot een goede landschappelijke inpassing van de woningen binnen de bestemming Wonen’ gewijzigd in ‘ten einde te komen tot een goede landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf en naastgelegen hoveniersbedrijf binnen de bestemming Agrarisch’. - op de verbeelding de bestemming Groen aangepast conform het inpassingsplan. Indiener 15 a. Indiener geeft aan dat de situatie zoals nu opgenomen in het ontwerp omgevingsplan voor de locatie niet overeenkomt met het huidige gebruik. Verzocht wordt de bestemming Wonen op te nemen met de opslagmogelijkheid van 450 m2 welke niet beroepsmatig/ bedrijfsmatig is. Beantwoording De zienswijze geeft beter inzicht in de situatie ter plekke en kan naar aanleiding hiervan beter worden geregeld. Het is mogelijk om binnen de woonbestemming, die de locatie ook had in het voorontwerp omgevingsplan, de huidige opslag in het bestaande pand te regelen als bestaande bedrijfsactiviteit.

Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Op de verbeelding de locatie teruggezet naar Wonen; - In bijlage 1 van de regels wordt voor dit adres opgenomen dat het gaat om wonen met maximaal 450 m2 opslag. Indiener 16 a. Indiener constateert dat er met de inspraakreactie niets is gedaan en geeft aan dat het proces lang duurt en dat de ter inzage liggende stukken niet bepaald inzichtelijk en transparant zijn gerangschikt. Indiener is van mening dat deze manier van werken voor de gemeente elk initiatief

9

dood slaat en dat plannen bol staan van algemeenheden zonder duidelijke keuzes. Indiener vreest met de komst van de Omgevingsweg nog meer achter de feiten aan te lopen. Beantwoording In het kader van de inspraak heeft indiener een reactie terug ontvangen die uitgebreid is beantwoord. Dit heeft op grond van vastgesteld beleid en de lijn die de Omgevingswet in zicht heeft (ruimte voor ontwikkeling en behoud van kwaliteit) niet geleid tot een bevredigend antwoord. De inhoud en de totstandkoming van het plan passen echter wel in het gedachtengoed van de Omgevingswet en de vastgestelde Visie Landelijk gebied die de onderlegger is voor het voorliggende plan. Het klopt dat er veel materie en stukken aan het ontwerp omgevingsplan ten grondslag liggen, welke op een wettelijke manier opgenomen zijn in het omgevingsplan. Aan die techniek kunnen wij als gemeente niets veranderen. Daarom hebben we veel gesprekken gevoerd, uitleg gegeven over de inhoud en werking van het plan en zorgvuldig het plan opgesteld. Dat kost tijd.. De manier van werken onder de Omgevingswet passen we in voorliggend plan en proces toe. In het algemeen is de communicatie vanuit de gemeente goed ontvangen en wordt dit gewaardeerd. Indiener heeft hier een ander standpunt over.

Indiener geeft in deze fase van de planvorming nu geen inhoudelijke zaken mee over het voorliggende plan waarover een inhoudelijke reactie gegeven kan worden. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 17 a. Indiener geeft aan het bouwvlak te willen handhaven zoals in voorgaand bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007 is opgenomen waarbinnen ook de buitenbak valt en wat vanuit esthetisch oogpunt fraaier is. Beantwoording Vanuit het toedelen van functies aan locaties wordt niet alleen gekeken naar wat esthetisch fraai is, Juist wordt gekeken naar wat de locatie al is en wat het in zich heeft om te ontwikkelen, rekening houdend met de (functies in de directe) omgeving. Zoals eerder aangegeven zijn de nu bestaande voorzieningen behorend bij het bedrijf binnen het bestemmingsvlak gelegd. Op deze manier past de functie op de plek. De ontwikkelruimte is gelegen aan de oostzijde. b.

Indiener constateert dat in de bestemmingsomschrijving voor het perceel een hoofdstuk paardenbakken is toegevoegd waarbinnen geen verlichting is toegestaan. Er staan echter wel lichtmasten bij de buitenbak en het is van belang voor de bedrijfsvoering om deze mogelijkheid te behouden. Dit moet ook terugkomen in artikel 24.6.5.1 a 1 conform artikel 10 lid 4d van het bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007.

Beantwoording Wat betreft licht is in het voorliggende plan uitgesloten dat nieuwe lichtmasten worden opgericht bij paardenbakken. Dat is een planregel die voorkomt uit de dagelijkse praktijk en als maatregel is opgenomen vanwege de uitkomsten uit de milieueffectrapportage. Lampen aan de gevel van gebouwen/ woningen/ bedrijfsgebouwen zijn toegestaan en kunnen altijd gericht worden op het gedeelte waar ze nodig zijn. Als buren onderling last hebben van inschijnend licht is het noodzakelijk dit onderling te bespreken. Lichthinder van bedrijven is tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog te reguleren op grond van de milieuwetgeving in het Activiteitenbesluit. Onder de Omgevingswet geldt een algemene zorgplicht en een specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (overigens niet specifiek gericht op tegengaan van lichthinder).T.z.t. wordt beoordeeld of het nodig en/of wenselijk is om hier regels voor te stellen. Vooralsnog is dit het resultaat van onderzoek en zijn bestaande lichtmasten te gebruiken. Nieuwe lichtmasten worden niet toegestaan. In voorliggend geval wordt vermoed dat indiener artikel 24.7.5 sub a onder 1 bedoeld.

10

c.

Indiener geeft aan dat het wenselijk is om in de toekomst 5 extra boxen te willen realiseren en vraagt dit op te nemen in de nieuwe omgevingsvergunning waarin alles vertaald is. Indiener geeft aan dit niet terug te vinden in de stukken op de site.

Beantwoording Vermoed wordt dat het omgevingsplan bedoeld wordt en niet een omgevingsvergunning. Daarvan is nu geen sprake. Het omgevingsplan is duidelijk in welke functies waar zijn toegestaan en wat daarbij de voorwaarden zijn vanuit verschillende thema’s. de wens om extra boxen te realiseren kan gerealiseerd worden binnen de mogelijkheden van het omgevingsplan. Door nu niet expliciet deze wens vast te leggen, bestaat er flexibiliteit op het perceel en binnen de bedrijfsvoering. Op deze manier is het ook mogelijk om meer boxen binnen de toegestane bebouwingsoppervlakte te realiseren als die wens en noodzaak voor het bedrijf er is. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 18 a. Indiener geeft aan dat het bouwvlak voor het agrarisch bedrijf in het ontwerp omgevingsplan als zijnde ‘erf’ niet overeenkomt met het huidige bouwvlak in het bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007. Indiener verzoekt dit aan te passen zodat de rechten gelijk blijven en het bedrijf kan blijven ondernemen. Beantwoording Het is niet de bedoeling om agrarische ondernemers in hun rechten te beperken. De vorm en grootte van het bouwvlak uit het bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007 wordt dan ook opgenomen in voorliggend omgevingsplan.

Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Op de verbeelding het ‘erf’ aangepast naar de toegekende situatie van het bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007. Indiener 19 a. Indiener geeft aan dat op een gedeelte van het bedrijf aan de overzijde van de weg de aanduiding ‘niet-grondgebonde bedrijf’ ontbreekt terwijl hier wel intensief dieren worden gehouden en de vergunning ook op dit deel geldt. Beantwoording Op grond van de stukken en de huidige omgevingsvergunning milieu is de koppeling te zien tussen beide bedrijfsdelen. Het is dan ook logisch om aan dit deel van het perceel ook de aanduiding op te nemen en eveneens een koppelteken op te nemen, zodat duidelijk is dat het om één bedrijf gaat en niet om een toevoeging van een intensieve veehouderij. Op de verbeelding wordt dit opgenomen. b.

Indiener geeft aan dat het bedrijf beschikt over een OBM (omgevingsvergunning beperkte milieutoets) met daarin vermelde ammoniakemissies. Die gelden als de referentiesituatie. Indiener verzoekt dit op te nemen in bijlage 23.

Beantwoording In bijlage 23 staan de verleende Natuurbeschermingswetvergunningen opgenomen. Daarvan is in voorliggende vraag geen sprake. Wel is duidelijk wat, met het overleggen van de verleende omgevingsvergunning, de situatie op het bedrijf is. Dat neemt niet weg dat bij ontwikkelingen altijd moet worden gekeken naar de feitelijk aanwezige en planologisch legale situatie. Enige uitzondering daarop is als sprake is van een definitieve en onherroepelijke natuurtoestemming (niet zijnde een PASmelding of een natuurvergunning waarin gebruik is gemaakt van PAS-ontwikkelingsruimte). Aan milieutoestemmingen (zoals een OBM) kan in dit verband geen betekenis worden toegekend. De

11

milieutoestemming heeft op grond van de rechtspraak niet te dienen als referentiesituatie voor een bestemmingsplan of omgevingsplan. Bij vergunningverlening op grond van de Wet natuurbescherming is de milieutoestemming wel van belang, zoals ook blijkt uit bijlage 2 van de ingediende zienswijze. De reden daarvoor is dat voor natuurvergunningen een andere referentiesituatie geldt dan voor bestemmingsplannen. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Op de verbeelding het ‘erf’ gekoppeld met de andere zijde van de weg en wordt de aanduiding ‘niet grondgebonden’ opgenomen. Indiener 20 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf in ontwikkeling is. Indiener constateert dat een deel van de voeropslagen buiten de aanduiding ‘erf’ valt en verzoekt deze binnen het ‘erf’ op te nemen. Beantwoording Voor een deel van de kuilvoerplaten geldt dat deze zijn gelegen op grond van de gemeente. Er is geen aanlegvergunning voor verleend. Het oprekken op deze manier van een agrarisch erf is niet wenselijk omdat dat direct ook bouwmogelijkheden oplevert. De uitbreiding van een agrarisch bedrijf, ook op grond van de gemeente, gaat in overleg naar wenselijkheid en mogelijkheden van de locatie. b.

Indiener merkt op dat de sloot ten noorden van het bedrijf als Water is bestemd. Dit is geen sloot die op de legger staat en geen SED-water is. Indiener geeft aan dat het dan niet de bedoeling is deze de bestemming Water te geven ook al is dat overgenomen uit het vigerende plan. Indiener verzoekt hier de bestemming Agrarisch op te leggen.

Beantwoording Of een watergang wel of niet op de legger staat of wel of geen status van de provincie heeft, maakt niet uit. Het gaat in dit geval ook over het feitelijk gebruik bestemmen en de gronden bestemmen waarvoor ze bedoeld zijn en of een ander doel dienen. En dat is in dit geval het afvoeren en/of opvangen van water wat er sinds 1933 reeds gebeurt. c.

Indiener geeft aan dat er voor het bedrijf geen vergunning geldt op grond van de Wet natuurbescherming omdat dit een PAS situatie betrof. Voor het bedrijf geldt dan de feitelijke en planologisch legale situatie als referentiesituatie. Indiener geeft aan daarmee niet in te stemmen omdat het bedrijf in opbouw is en aan uitbreiding wordt gewerkt. Indiener geeft aan dat voor de locatie wel een eerdere Wnb-vergunning gold uit 2012-2013 en wil deze vergunning aanmerken als de referentie.

Beantwoording Op 27 augustus 2018 is een Wnb-vergunning verleend en onherroepelijk geworden voor de melkrundveehouderij op dit adres. Deze vergunning vervangt de onderliggende Nb-wetvergunning van 21 maart 2013. De Nb-wetvergunning van 21 maart 2013 is daarmee komen te vervallen en kan niet als referentie voor de bestaande stikstofdepositie gelden. De Nb-wetvergunning van 27 augustus 2018 kan hiertoe ook niet als referentie dienen, omdat hierbij sprake is van een PAS-vergunning. Daarbij is ontwikkelingsruimte uit de PAS toebedeeld. Op grond van de rechtspraak mogen dergelijke PASvergunningen niet één op één worden ingepast in een bestemmingsplan. Dat betekent dat voor dit bedrijf de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het omgevingsplan als referentie dient. d.

Indiener geeft aan dat er behoefte is aan een nieuwe werktuigenberging aan de noordzijde van het erf waarbij de aanduiding ‘erf’ wordt overschreden en wil in overleg met de gemeente.

12

Beantwoording Het omgevingsplan biedt flexibiliteit om over de grenzen van de aanduiding van het ‘erf’ heen te gaan, middels een eenvoudige procedure. Hiervoor is het wel nodig om met een inpassingsplan te laten zien wat de effecten zijn op het landschap en hoe het landschap versterkt wordt bij een uitbreiding van het bedrijf. Als er sprake is van een concreet verzoek, kan samen bekeken worden wat de (on)mogelijkheden zijn . Op grond van het omgevingsplan bestaat de mogelijkheid om onder voorwaarden over de aanduidingsgrens ‘erf’ heen te gaan. Daarbij is het onder meer van belang om een goede landschappelijke inpassing te realiseren. Hierbij moet rekening gehouden met de omgeving en het aangegeven gebiedsDNA. Het omgevingsplan is duidelijk in welke voorwaarden er gelden en welke kaders. Als indiener daar een idee over heeft, is het goed om in gesprek te gaan. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 21 a. Indiener geeft aan dat door voortschrijdend inzicht over de toepassing van de Rood voor Roodregeling er een andere gewenste invulling bestaat voor het perceel. Indiener koppelt dit aan de aankoop van een stuk grond om betere gebruiksmogelijkheden voor het perceel te realiseren en een versterking van landschappelijke inpassing.

Indiener verzoekt daarmee een uitbreiding van de bedrijfsbestemming met een aangepast inpassingsplan op gronden van anderen. Beantwoording Het Rood voor Rood initiatief op de betreffende locatie is vele jaren voorbereid met de eigenaar van het perceel en diens adviseur, niet met indiener als beoogd koper van de locatie. De mogelijkheden van de Rood voor Roodregeling zijn toegepast op het bedrijf van de eigenaar, waarmee alle afspraken en voorwaarden zijn afgestemd. Uitgangspunt bij de Rood voor Roodregeling is tweeledig: beëindiging van de intensieve veehouderij en terugbrengen van compacte (nieuwe) erven die passen in het landschap. Het uitgangspunt van een compact erf, dat ook is gelegen in het GO (Groene ontwikkelzone) van de provincie, heeft ertoe geleid dat in het ontwerp omgevingsplan het voorstel is opgenomen, zoals het met de eigenaar van de locatie is besproken. Ook zijn daarop alle onderzoeken gebaseerd. Het voorstel van indiener gaat in tegen de afspraken die met eigenaar zijn gemaakt. Het aanpassen van de bestemming is dan ook niet aan de orde. b.

Indiener geeft aan dat in de planregels sprake is van een bestaande bedrijfswoning. Daar is in voorliggend geval geen sprake van. De mogelijkheid van het oprichten van een nieuwe bedrijfswoning mist. Evenals een nieuwe maximale goothoogte van 5 m en een maximale bouwhoogte van 10 m voor de bedrijfsgebouwen.

Beantwoording Dit is inderdaad niet correct omdat hier sprake is van een nieuwe bestemming die op grond van de Rood voor Roodregeling mogelijk wordt gemaakt. Dit wordt in artikel 5 in de bedrijfsbestemming aangepast. En op de verbeelding wordt op de locatie van de nieuwe bedrijfswoning een bouwvlak opgenomen. c.

Indiener geeft aan dat op grond van de dubbelbestemming Waarde – Bos en landgoederen een verplichting geldt voor een inpassingsplan. In voorliggend geval is daar al sprake van. Gevraagd wordt of deze voorwaarde uit de dubbelbestemming dan nog geldt.

Beantwoording In voorliggend geval is daar inderdaad sprake van. Het inpassingsplan is ook direct in de regels gekoppeld als een voorwaardelijke verplichting. Op die manier is er waarborg dat de landschappelijke inpassing wordt geregeld en in stand blijft. De voorwaarde uit de dubbelbestemming geldt voor het hele gebied waarvoor deze bestemming geldt. In voorliggend geval dus ook, waarbij in voorliggend geval er al sprake is van een inpassingsplan.

13

d.

Indiener geeft aan dat binnen de dubbelbestemming Waarde – Bos en landgoederen er een vergunningenstelsel geldt voor aanleg van allerlei zaken. Indiener verwacht dat deze vergunningplicht voor werkzaamheden op het perceel binnen de bestemming Bedrijf zijn uitgezonderd.

Beantwoording De vergunningplicht geldt binnen de hele bestemming en zo ook voor het betreffende perceel. Op deze manier wordt gecheckt of voldaan wordt aan de voorwaarden en de afspraken die er gelden binnen de voorwaardelijke verplichting die geldt. Het is ook een middel om na verloop van tijd te checken of de gestelde maatregelen werken. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Een bouwvlak opgenomen voor de nieuwe bedrijfswoning bij het toekomstige hoveniersbedrijf; - 5.3.1 aanpassen zodat de nieuwe bedrijfsbebouwing een maximale goothoogte kent van 5 m en een maximale bouwhoogte van 10 m; - 5.3.2 aanpassen zodat de nieuwe bedrijfswoning binnen het aangegeven bouwvlak wordt opgericht. Indiener 22 a. Indiener geeft aan dat niet grondgebonden bedrijven door hun locatie veelal gehinderd worden om grondgebondenheid te realiseren. De koppeling van groei van dergelijke bedrijven aan het plussenbeleid wordt gezien. De omschrijving is echter te eng. Een uitbreiding van bebouwing zonder toename van dierenaantallen zou bij recht mogelijk moeten zijn. Beantwoording Het plussenbeleid zoals nu voorgesteld en opgenomen is gebaseerd op de provinciale omgevingsverordening. Het is daarmee vooraf bepaald beleid dat een vertaalslag moet krijgen op gemeentelijk niveau in de bestemmingsplannen/ omgevingsplan.

De provincie heeft aangegeven dat een ondernemer groeiruimte moet ‘verdienen’ door plussen te realiseren. In de beleidsregel is aangeven dat de plusinvesteringen noodzakelijk zijn bij uitbreidingen met een oppervlakte groter dan 500 m2. Uitbreidingen kleiner dan 500 m2 én waarbij de totale uitbreiding over 5 jaar niet meer bedraagt dan 500 m2 zijn vrijgesteld van het plussenbeleid. Daarmee is een deel van de reactie van indiener ondervangen. b.

Indiener geeft aan dat beleidsregels stelselmatig worden opgenomen in de bijlagen wat flexibiliteit vergroot, echter in het kader van een zorgvuldige ruimtelijke ordening moet er voldoende rechtszekerheid bestaan om verantwoord investeringen te doen.

Beantwoording De pilot van het maken van het omgevingsplan in de geest van de Omgevingswet maakt het mogelijk om in beleidsregels nadere duiding te geven aan onderwerpen. En het biedt mogelijkheid tot maatwerk. In de geest van de Omgevingswet wordt het begrip ruimtelijke ordening losgelaten en is er een bredere definitie aan de orde die betrekking heeft op het toedelen van functies aan locaties waarbij alle aspecten binnen de fysieke leefomgeving worden meegewogen. Het biedt ook de kans om maatwerk te verrichten en in overleg de juiste oplossingen te vinden voor het bedrijf en voor andere belangen in de omgeving. c.

Indiener geeft aan dat landelijk de complexe stikstofproblematiek gebiedsgericht wordt opgepakt. De problematiek overstijgt het gemeentelijk niveau. Indiener ziet graag dat de aanvullende landelijke- en gebiedsafspraken leidend zijn.

14

Beantwoording Het verloop van de ontwikkelingen op dit gebied worden nauwlettend gevolgd. Voor nu is de planregel opgenomen in artikel 78 om te voldoen aan de nu geldende wetgeving. Ook uit de milieueffectrapportage blijkt dat een toename van stikstof leidt tot een verslechtering in de Natura2000 gebieden. Dat mag niet. Zodra er duidelijkheid is over de omgang met stikstof wordt bekeken of de planregel aangepast moet en kan worden. d.

Indiener geeft aan dat de stikstofregel in artikel 78 alleen nodig is daar waar ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn en niet ook op weilanden en cultuurgrond.

Beantwoording De stikstofregel geldt voor alle ontwikkelingen in het landelijk gebied en niet alleen voor de agrarische sector. In de planregel is een koppeling gemaakt naar het beweiden conform de bestaande en planologisch legale situatie. Dit heeft ermee te maken dat ontwikkelingsmogelijkheden die het plan biedt, niet mogen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Het plan biedt melkrundveehouderijen de mogelijkheid om binnen het stikstofplafond behorende bij de referentiesituatie uit te breiden in dieraantallen. Daarmee is ook een toename in weidegang mogelijk. Dat is aan te merken als een ontwikkeling die zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie en daarmee tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. De stikstofregel is erop gericht om die negatieve gevolgen uit te kunnen sluiten. e.

Indiener vraagt op welke wijze het omgevingsplan in overeenstemming wordt gebracht met verleende toestemmingen die gelden. Het valt immers op dat in bijlage 23 maar 13 vergunningen staan.

Beantwoording Door een heel aantal insprekers is in deze termijn van terinzagelegging de informatie beschikbaar gesteld die nodig is om bijlage 23 verder in te vullen. Op deze manier is nu voor nog eens 3 bedrijven duidelijk dat deze beschikken over een Nb-wetvergunning die in bijlage 23 kan worden opgenomen. Voor de overige bedrijven zijn of geen natuurtoestemmingen verleend of is sprake van natuurtoestemmingen waarin PAS-ontwikkelingsruimte is toebedeeld. Dergelijke natuurtoestemmingen mogen op grond van de rechtspraak niet één op één in het omgevingsplan worden ingepast. f.

Indiener ziet de zorg voor inwoners ten aanzien van spuitzones en constateert dat dit niet moet leiden tot dubbele regels. Indiener geeft aan dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen strak is geregeld in landelijke wetgeving. Indiener vraagt om agrarische bedrijven de mogelijkheid te bieden tot een kortere afstand mits wordt voldaan aan de actuele landelijke regels en gebruikmakend van de best beschikbare technieken om emissie buiten de eigen perceelsgrenzen te voorkomen.

Beantwoording In het kader van de zorgvuldige toedeling van functies aan locaties die verder gaat dan de ruimtelijke ordening, is ook dit onderwerp van invloed op de fysieke leefomgeving. In de planregels is opgenomen dat binnen 50 m van gevoelige functies (zie definitie er rekening moet worden gehouden met die gevoelige functie. Het gaat daarbij niet alleen over wonen, maar bijvoorbeeld ook over zorg voor gewassen van biologische akkerbouwbedrijven die hier hinder van kunnen ondervinden. Het is in die zin niet een dubbeling van regels omdat landelijk is bepaald welke middelen mogen worden gebruikt. Hier gaat het over de plek waar dit wordt gebruikt en dat rekening gehouden wordt met omliggende belangen en teeltwijzen. g.

Indiener geeft aan dat het onduidelijk is hoe de watertoets gaat werken en hoe getoetst gaat worden. Voldoende waterberging is goed, maar de voorgestelde regeling leidt bij ieder nieuw bouwwerk tot een nieuwe toetsing.

15

Beantwoording Het gaat erom dat bij elke ontwikkeling aangetoond wordt dat de situatie ten aanzien van de waterhuishouding niet verslechterd. Het klopt dat bij elke ontwikkeling ook naar dit aspect gekeken wordt. Dat hoort bij de integrale afweging binnen de fysieke leefomgeving. Hoe deze regeling gaat werken moet worden uitgeprobeerd. Dat is evident aan nieuwe beleidsonderwerpen die in het omgevingsplan horen. Het is een onderwerp dat bij de toetsing aan de orde komt. De planregel is hierin duidelijk. h.

Indiener geeft aan blij te zijn met een flexibeler omgang van het bouwblok omdat verduurzaming, grondgebondenheid, kringlooplandbouw en energiehuishouding grote invloed gaan hebben op de inrichting van het erf. Dit wordt ook gevraagd voor de locatie van de bedrijfswoning. Daar is ook flexibiliteit in nodig en zou deze op grotere afstand van de huidige fundering herbouwd kunnen worden.

Beantwoording De locatie van de bedrijfswoning is in de meeste gevallen op agrarische erven en voormalige agrarische erven van cultuurhistorische waarde. Het loslaten van de huidige locatie heeft daarmee direct impact op het uiterlijk van een locatie, een gebied. Vanuit het thema cultuurhistorie en landschap is het niet logisch om dit vrij te laten. Ook niet vanuit milieu, omdat op die manier woningen dichter op andere locaties kunnen komen terwijl dit impact kan hebben op de bedrijfsvoering van anderen. i.

Indiener vraagt de garantie of de aanduidingen ‘erf’ overeenkomen met de huidige bouwblokken. Indiener heeft geconstateerd dat dat niet overal zo is.

Beantwoording In een aantal gevallen is in overleg bepaald dat een erf een andere vorm krijgt dan voorheen geldende bouwblokken. In die zin is er maatwerk toegepast. Dit is nogmaals gecheckt. j.

Indiener verzoekt de toevoeging van het toepassen van voorwaarden als het gaat om het bouwen van dierenverblijven (artikel 3.3.1 onder e 2 en 3).

Beantwoording In artikel 3.3.1 onder a, b en c worden de maatvoeringen gegeven voor het bouwen van bedrijfsgebouwen. De milieutechnische eisen voor een bedrijfsgebouw verschilt per diertype en ook de categorie. Deze vereisten worden in verschillende wetgeving geregeld zoals het besluit emissiearme huisvesting. Deze vereisten worden getoetst bij de omgevingsvergunning. De milieutechnische vereisten zijn in verschillende wetgeving geregeld en worden om dezen reden niet in het omgevingsplan geregeld. k.

Indiener vraagt of de tekst van 65.6 gaat over het verduurzamen van bestaande gebouwen om in aanmerking te komen voor ieder extra bouwwerk.

Beantwoording In artikel 65.6 is aangegeven dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen moet worden aangetoond dat in de nieuwe situatie het energieverbruik vermindert ten opzichte van de bestaande situatie indien de energie niet duurzaam wordt opgewerkt. Waar het hier om gaat is dat gepoogd wordt om in te zetten op energieneutraliteit. Nieuwbouw of verbouw op elk erf biedt kansen om nieuwe technieken toe te passen en in het ontwerpvraagstuk mee te nemen. Op deze manier wordt voor een deel ook bijgedragen aan het doel om energieneutraal te worden. l.

Indiener geeft aan twee verschillende begripsbepalingen te zien voor teeltondersteunende voorzieningen. Gevraagd wordt of dit klopt of dat het een fout is. Gevraagd wordt om een ruimharig beleid gericht op maatwerk per teelt. De onderbouwing met de toetssteen zijn en niet de regels.

16

Beantwoording Dit is inderdaad een foutje. Het artikel 1.94 is overbodig in relatie tot artikel 1.129 en artikel 3.3.6. Artikel 1.94 wordt dan ook geschrapt. m.

Indiener geeft aan dat nieuwe woningen (VAB’s) niet zijn te voorkomen. Aangegeven wordt dat de negatieve gevolgen daarvan het best worden beperkt door deze als plattelandswoning te benoemen.

Beantwoording Nieuwe woningen zijn nooit aan te merken als plattelandswoning, omdat het bij een plattelandswoning altijd moet gaan om een voorheen van het agrarisch bedrijf onderdeel uitmakende woning (zie art. 1.1a lid 1 Wabo). Enkel een voormalige agrarische bedrijfswoning is dus aan te duiden als plattelandswoning. Ook onder de Omgevingswet blijft dit het geval. Overigens hebben voormalige agrarische bedrijfswoningen en in het kader van functieverandering (in combinatie met beëindiging van de veehouderijactiviteiten) gerealiseerde woningen al een veel beperktere bescherming tegen geurhinder dan reguliere woningen. Tot slot is een plattelandswoning niet meer of minder beperkend voor omliggende veehouderijen dan een voormalige agrarische bedrijfswoning (niet zijnde een plattelandswoning) of een nieuwe woning in het kader van functieverandering/VAB’s. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Artikel 1.94 geschrapt. Indiener 23 a. Indiener geeft aan dat in het ontwerpplan en de planMER niet wordt uitgegaan van integrale ontwikkelscenario’s en dat een integraal voorkeursscenario ontbreekt.

Heeft de gemeente een eindbeeld van de verschillende deelgebieden en hoe die er in de toekomst uit moeten zien, rekening houdend met alle ruimtelijke opgaven, milieuvraagstukken en bestaande functies? Indiener geeft aan dat het van belang is dat stikstofemissies dalen, er per saldo sprake is van positieve effecten op bodem-, oppervlaktewater- en grondwatercondities, de biodiversiteit en het landschap wordt hersteld, de luchtkwaliteit verbetert en dat wordt uitgegaan van duurzaam ruimtegebruik. Indiener geeft aan niet vast te stellen of dat met voorliggend plan wordt bereikt. Beantwoording In de planMER zijn alle speelvelden onderzocht en is gekomen tot een beschrijving van het voorkeursalternatief wat het voorliggende ontwerp omgevingsplan is. Daarin zijn alle belangen gewogen en zijn regels opgenomen om integraal op te kunnen sturen met als uitgangspunt een bijdrage leveren aan het behoud en mogelijk herstel van omgevingswaarden. Wel passend bij de lijn uit de Visie Landelijk gebied waarin de koers is aangegeven voor de ontwikkeling van het gebied. Een duidelijk eindbeeld is er dan ook niet, omdat ontwikkelingen door anderen mede vorm worden gegeven en dat past bij de gedachte van de Omgevingswet om ruimte te bieden aan ontwikkelingen. In ieder geval hoofdstuk 20 van de planregels voorziet in de omgevingswaarden die milieuthema’s raken.

De vele dubbelbestemmingen laten verschillende andere belangrijke waarden zien en geven regels hoe hiermee om te gaan. Alles met als doel dat er geen verslechtering maar een ontwikkeling of herstel is van deze omgevingswaarden. Ook geldt dat onder de Omgevingswet de beleidscyclus wordt doorlopen waarbij monitoring en handhaving belangrijk is om te komen tot bijstelling van beleid in visie en plan. Ten aanzien van luchtkwaliteit wordt opgemerkt dat daarvoor geen (landelijke en verplichte) noodzaak bestaat deze te verbeteren. Dat is ook een resultaat uit de planMER waardoor hiervoor geen extra regels zijn gesteld. b.

Indiener mist een visie op de transitie in de landbouw. Indiener geeft aan dat artikel 3.1.1 geen maximum oppervlakte voor bouwpercelen bevat en dat er standaard gebouwen buiten het erf mogen worden opgericht. Artikel 3.7.7 biedt de mogelijkheid om bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het erf op te richten zonder maatvoering. Dit maakt megabedrijven mogelijk en het is niet duidelijk wat de gevolgen zijn voor de omgeving qua milieu, natuur en landschap.

17

Beantwoording Op de verbeelding staan de agrarische erven aangegeven wat daarmee de maximale oppervlakte van het perceel aangeeft. Het is niet mogelijk om standaard buiten dit erf gebouwen of bouwwerken op te richten, daarvan is alleen sprake als er op het erf geen sprake meer is van reële mogelijkheden. Wat altijd geldt is dat ook de dubbelbestemmingen voor landschap gelden en op die manier altijd wordt gekeken naar de omgeving waarin het vraagstuk zich afspeelt. Op die manier blijft altijd mogelijk om te kijken wat de omgeving aan kan aan ontwikkeling. En daarnaast blijven altijd nog milieuregels gelden die ook invloed hebben op de mogelijkheden of onmogelijkheden van bedrijfsontwikkeling. Dit maakt geen megabedrijven mogelijk en de gevolgen voor de omgeving worden altijd getoetst en meegewogen. c.

Indiener geeft aan dat voor bedrijven die niet met het plussenbeleid te maken hebben geen tegenprestatie wordt verlangd die bijdraagt aan een substantiële kwaliteitsverbetering van de omgeving.

Beantwoording Dit klopt niet omdat altijd de dubbelbestemming voor de specifieke landschapswaarde geldt waarvoor geldt dat aangetoond moet worden dat een ontwikkeling passend is in het gebied en dat bijgedragen wordt aan de inpassing van het initiatief middels een erfinrichtingsplan (de definitie hiervan is te vinden in artikel 1.56). d.

Indiener stelt voor om een sloopheffing door te berekenen bij nieuwe bouwaanvragen om te voorkomen dat er leegstand ontstaat.

Beantwoording Onderhavig omgevingsplan is een juridische vertaling van het beleid zoals is beschreven in de Visie Landelijk gebied. De gemeente kent geen beleid zoals de voorgestelde sloopheffing. Het plan bevat dan ook geen regels voor een dergelijke sloopheffing. e.

Indiener constateert dat artikel 4.3.1 de functie glastuinbouw ook veehouderijen mogelijk maakt waarvoor hetzelfde geldt als onder b aangegeven.

Beantwoording Voor de beantwoording wordt verwezen naar het antwoord onder b. f.

Indiener mist randvoorwaarden voor stikstofemissie en energiegebruik voor de glastuinbouw en daarmee een visie met betrekking tot ontwikkeling van deze sector in relatie tot de stikstof- en klimaatproblematiek. Ook hier stelt indiener een sloopheffing voor ter voorkoming van leegstaande glasopstanden.

Beantwoording Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied gelden ook de algemene regels uit het omgevingsplan, waaronder artikel 78 (stikstof) en artikel 65.5 (hydrologisch neutraal bouwen) en 65.6 ((Bijna)energie neutraal bouwen). Hier ligt direct een link met wat indiener aangeeft over stikstof en klimaat. Het plan voorziet hierin door deze onderwerpen zeker in de toetsing en afweging mee te nemen. g.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=5230f9c0-8cbc-4de0-b01f-7b760bbb353e