TOELICHTING_Omgevingsplan Landelijk gebied Zutphen
Tekst van het document
Omgevingsplan | Toelichting
Landelijk gebied
Gemeente Zutphen Datum: april 2022 Projectnummer: 160109.01 ID: NL.IMRO.0301.op0101Landelijkgeb-vs01
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsplannen en verordeningen Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte Leeswijzer
3 4 4 4 5
2
Onze visie op het landelijk gebied
6
3
Wet- en regelgeving
11
4
Milieueffectrapportage
12
4.1 4.2
Onderzochte scenario’s Betekenis voor het omgevingsplan
12 18
5
Haalbaarheid / uitvoerbaarheid
20
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13
Bodem Luchtkwaliteit Geluid Geur Externe veiligheid Licht Trilling Bedrijven en milieuzonering Water Natuur Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Handhaving
20 21 22 23 23 24 24 25 26 27 27 28 28
6
Juridische regeling
31
6.1 6.2 6.3 6.4
Inleiding Eén perceel: één regel? De regels in de praktijk Hoe gaat het proces in het stadhuis?
31 34 36 41
7
Nieuwe ontwikkelingen
43
8
Procedure
45
8.1 8.2 8.3 8.4 8.5
Enquête Milieueffectrapportage Participatie Voorontwerp Ontwerp
45 45 46 47 48
Bijlagen Bijlage 1. Overzicht geldende bestemmingsplannen en verordeningen Bijlage 2. Beleidskader Bijlage 3: PlanMER
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Het Zutphense landelijk gebied heeft een sterke, eigen identiteit. De ligging aan de IJssel en de Berkel en het eeuwenlange gebruik van de gronden door boeren hebben die identiteit gevormd en bepaald. Al decennialang is dit eeuwenoude landschap rond de stad aan het veranderen. De gronden in het landelijk gebied worden al lang niet meer alleen voor voedselproductie gebruikt. Niet alleen agrariërs; ook ondernemers, bewoners, recreanten en andere gebruikers drukken nu hun stempel op het gebied. Als reactie hierop zijn in de loop der tijd ook de regels die gelden in het landelijk gebied veranderd. Van een afwezigheid van regels tot halverwege de vorige eeuw naar de Wet op de Ruimtelijke Ordening (1962) en de Wet ruimtelijke ordening (2006). De komst van steeds meer verschillende gebruikers, met elk hun eigen belangen, heeft geleid tot steeds meer regelingen en plannen. Om te voorkomen dat het landelijk gebied haar identiteit zou verliezen, hebben al die plannen en regelingen zich steeds gericht op wat er in het gebied niet mag, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. In de huidige tijd spelen nieuwe ideeën mee: we willen af van de wildgroei aan regels, verordeningen, plannen, vergunningen en loketten. We willen aan de slag met wat er in ons landelijk gebied wel mag en daar komen we het liefst met één druk op de knop achter.
We willen duurzaam bezig zijn: gezond, milieuvriendelijk, klimaatneutraal. We willen flexibel zijn en maatwerk leveren. We willen dat het herkenbare Zutphense landschap nog mooier wordt dan het al is en we willen iedereen inspireren om hieraan bij te dragen. Kortom: we zijn ambitieus en enthousiast over ons landelijk gebied en we willen ervoor zorgen dat u dat ook bent. Als logisch gevolg van de ontwikkelingen in het landelijk gebied, de huidige ideeën over onze leefomgeving en de veranderingen in regelgeving presenteren wij in deze toelichting met gepaste trots ons Omgevingsplan Landelijk gebied. Wat goed was is gebleven, wat overbodig was is geschrapt en wat nieuw geregeld kon en moest worden is geregeld. Met dit omgevingsplan hebben wij als gemeente één instrument in handen waarmee we samen met u als agrariër, bewoner, recreant of andere initiatiefnemer aan de slag kunnen met de toekomst van ons gezamenlijk landelijk gebied. De basis voor dit plan is de (omgevings)visie Landelijk gebied, vastgesteld in 2015. Daarnaast is het van belang te weten dat er intussen ook een Visie voor Noordrand De Hoven is vastgesteld. Een visie met een gebiedsontwikkeling. Deze gebiedsontwikkeling vraagt om een eigen proces om te komen tot de gewenste eindbeelden. Dat is dan ook de reden dat de ontwikkelruimte uit die Visie niet nu al is opgenomen in dit voorliggend plan.
Ook is het goed te beseffen dat voor het stedelijk gebied ook een omgevingsvisie wordt opgesteld waarin de duidelijke wisselwerking tussen stedelijk en landelijk gebied in de gaten wordt gehouden. Beide visies moeten immers in de toekomst de gemeentelijke Omgevingsvisie vormen.
3
1.2
Ligging plangebied Het plangebied van dit omgevingsplan is het landelijk gebied van de gemeente Zutphen.
De exacte weergave van het plangebied is te vinden via deze link.
1.3
Geldende bestemmingsplannen en verordeningen Dit omgevingsplan vervangt voor de percelen die in het plangebied liggen meerdere plannen, besluiten en verordeningen, zoals het bestemmingsplan Buitengebied Zuid en West (2013), bestemmingsplan Buitengebied Oost (2007), de Parkeernota (2012), de Bomenverordening, (delen van) de APV en de Erfgoedverordening. Een compleet overzicht van de plannen, besluiten en verordeningen die met dit omgevingsplan worden vervangen vindt u in Bijlage 1.
1.4
Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte Dit plan is een zogenaamd “bestemmingsplan met verbrede reikwijdte”. Het plan loopt vooruit op de nieuwe Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 zal worden ingevoerd. Onder die nieuwe wet zullen bestemmingsplannen worden vervangen door omgevingsplannen. Deze omgevingsplannen maken meer en andere dingen mogelijk dan de huidige bestemmingsplannen. Op dit moment kan een gemeente, als gevolg van de Crisis- en herstelwet, een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte opstellen, waarin alvast ervaring kan worden opgedaan met de mogelijkheden die de Omgevingswet in de toekomst zal bieden. Het is bijvoorbeeld mogelijk om ruimte te bieden aan initiatieven van burgers en bedrijven door haalbaarheidsonderzoeken en kostenverhaal te verplaatsen naar het moment dat een initiatief zich aandient. Daarnaast beperkt het plan zich niet meer tot de ruimtelijke ordening, maar worden ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving 4
meegenomen, zoals gezondheid en duurzaamheid. Ook wat betreft procedures maken we gebruik van meer mogelijkheden dan het ‘oude’ bestemmingsplan bood: voor allerlei kleinschalige ontwikkelingen die het gebruik betreffen hoeven geen vergunningen meer te worden aangevraagd, maar kunnen initiatiefnemers op basis van dit omgevingsplan een melding bij ons indienen. Ten slotte worden in een omgevingsplan alle regels over de fysieke leefomgeving bij elkaar gevoegd, waardoor initiatiefnemers hun ontwikkeling niet langer aan meerdere beleidsstukken, nota's, verordeningen en plannen hoeven te toetsen en de gemeente met één integrale reactie op een initiatief kan komen.
1.5
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk (2) leggen we onze visie op de toekomst van het landelijk gebied van Zutphen aan u voor en geven we aan hoe we die visie hebben vertaald in de regels van dit omgevingsplan. In hoofdstuk 3 verwijzen we u door naar het beleid en de wetgeving die aan dit omgevingsplan ten grondslag liggen. Hoofdstuk 4 zal een toelichting op het milieueffectrapport (MER) bevatten. In hoofdstuk 5 onderbouwen we de haalbaarheid van dit omgevingsplan. Voor aspecten als bodem, luchtkwaliteit, geluid, geur, externe veiligheid, water, natuur etc. wordt aangegeven waarom het verantwoord is om dit plan vast te stellen en hoe deze aspecten in de regels geborgd zijn. Ook gaan we in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In hoofdstuk 6 volgt de concrete toelichting op dit plan: we leggen uit hoe het omgevingsplan juridisch in elkaar zit en welke onderdelen van belang zijn. We gaan uitgebreid in op de verschillen tussen dit omgevingsplan en de bestemmingsplannen die we traditioneel kennen. We maken aan de hand van voorbeelden duidelijk hoe u voor uw eigen perceel kunt zien wat uw mogelijkheden en beperkingen zijn.
Ten slotte gaan we in op de mogelijkheden die het omgevingsplan biedt voor de initiatieven die het meest bij de gemeente worden ingediend, zoals de uitbreiding van agrarische bedrijven, de bouw van een extra bijgebouw bij een woning, het starten van bedrijfsactiviteiten of het nemen van energiemaatregelen. In hoofdstuk 7 worden vervolgens enkele nieuwe, concrete ontwikkelingen besproken die mogelijk worden gemaakt in dit plan. Hoofdstuk 8 is gewijd aan de procedure die dit plan heeft doorlopen: van de uit1 gevoerde enquête tot de m.e.r. die is doorlopen, de burgerparticipatie die plaatsvindt en het voorontwerp- en ontwerpplan dat aan u zal worden voorgelegd. Dit hoofdstuk zal in elke nieuwe fase verder worden aangevuld. Wij willen u met deze toelichting meenemen in onze visie op de toekomst van het landelijk gebied en we willen zo duidelijk mogelijk maken hoe we die visie in regels hebben vertaald en wat die regels concreet voor u betekenen. Daarom hebben we, waar dat mogelijk is, ballast uit de toelichting gehaald en geplaatst in bijlagen (bijvoorbeeld de beleidsbijlage). Door te klikken op de directe links in de tekst brengen we u zo snel mogelijk vanuit deze toelichting naar de bijlage of de juridische regeling waarnaar u op zoek bent.
1
m.e.r. = milieueffectrapportage = proces MER = milieueffectrapport = resultaat van doorlopen proces. 5
2
Onze visie op het landelijk gebied Rondom de stad Zutphen ligt een prachtig en waardevol landelijk gebied. Dit gebied willen we beschermen en waar mogelijk nog mooier maken. We willen tegelijkertijd mogelijkheden bieden aan inwoners, bedrijven en andere gebruikers met goede initiatieven en ideeën. In de Visie Landelijk Gebied (2015), vastgesteld door de gemeenteraad op 30 november 2015, hebben wij aangegeven welke verschillende waarden, kwaliteiten en kenmerken wij in ons landelijk gebied herkennen. Denk bijvoorbeeld aan het landschap, kenmerkende oude gebouwen, archeologische vondsten, natuur, bos, water, enz. Te midden van al die waardevolle onderdelen van het landelijk gebied vinden we de gebruikers: de (agrarische) bedrijven, de recreanten, de bewoners. Allemaal hebben ze hun eigen belangen. We willen komen tot een situatie waarin aan de ene kant de waarden van ons landelijk gebied worden verdiept en versterkt, maar minimaal blijven gehandhaafd en aan de andere kant ruimte en flexibiliteit is voor de belangen van de gebruikers van het gebied: om initiatieven te bedenken en uit te voeren. In die optimale situatie spreken we van duurzame ontwikkeling. potenties verdiepen
Waarden (bestaande) kwaliteiten in de fysieke omgeving
handhaven Kleinschalige ontw.
grootschalige ontw.
Belangen functies, ideeën, initiatieven, ontwikkelingen
De kansen liggen daar waar mogelijkheden op het gebied van waarden en belangen elkaar versterken; dit is de ruimte die wordt gezocht. Waar deze mogelijkheden met elkaar botsen ontstaan ongewenste effecten. Daartegen willen we het landelijk gebied en zijn gebruikers juist beschermen.
6
Waarden Samen met burgers en diverse deskundigen hebben we in 2015 in de Visie Landelijk Gebied de waarden van ons landelijk gebied geanalyseerd en vastgelegd. Hierbij zijn de natuurwaarden, de waterhuishouding en het huidige gebruik van het gebied meegenomen, maar natuurlijk ook het landschap. Dit heeft de volgende indeling van het gebied opgeleverd:
We onderscheiden vier zones in het landelijk gebied: De groene stadszone De agrarische zone De landgoederen en natuurzone Dragers en verbindingen Elke zone heeft zijn eigen waarden, kwaliteiten en kenmerken. En elke zone kent eigen mogelijkheden en kansen voor de ontwikkeling van het landelijk gebied in de toekomst. De groene stadszone zien we als een mozaïek van landgoederen, stads- en moestuinen, (natuur)speel- en recreatieplekken, afwisselende agrarische activiteiten, bed en breakfast, theetuinen, etc. Het landschap is groen, lommerrijk en afwisselend en is uitermate geschikt om in te recreëren. De agrarische zone staat vooral ten dienste van de agrariërs. Hier is ruimte voor goed functionerende en economisch rendabele bedrijven; zowel agrarisch als niet-agrarisch (bijvoorbeeld in de vrijetijdseconomie).
7
De landgoederen- en natuurzone kenmerkt zich door aaneengesloten bos- en natuurgebieden, rivieren en beken. Het behouden en ontwikkelen van de natuurdoelen staan hier voorop. De landgoederen vormen daarnaast een aantrekkelijk recreatiegebied. De drie zones die hierboven zijn beschreven worden onderling verbonden door verschillende dragers in het landschap: de wegen, rivieren en beken. De IJssel, Berkel, Onderlaatsche Laak en de Vierakkersche Laak verbinden de stad met het landelijk gebied en zijn belangrijke verbindingen op het gebied van natuur (flora en fauna) en recreatie. In het landelijk gebied van Zutphen zijn vandaag de dag de volgende landschapstypen te onderscheiden met ieder hun specifieke cultuurhistorische kenmerken: Uiterwaarden, kronkelwaarden en komgronden van de IJssel; Rivierduin van de IJssel; Kampen- en essenlandschap; Broeklanden; Beekdalen; Bos en landgoederen.
Voor elk landschapstype is een specifiek gebiedsDNA beschreven. Een uitgebreide toelichting per landschapstype vindt u terug in de Visie Landelijk gebied (2015). Belangen Het waardevolle karakter van ons landelijk gebied krijgt vooral betekenis wanneer mensen er verblijven en het gebied gebruiken. Bewoners, bedrijven, recreanten; iedereen kan functies en ontwikkelingen voordragen die in het gebied een plek zouden kunnen vinden.
8
Bewoners hebben bijvoorbeeld belang bij een passend woningaanbod, een goede bereikbaarheid, een gezonde en mooie leefomgeving. Agrarische bedrijven hebben belang bij mogelijkheden om zich te kunnen ontwikkelen, bijvoorbeeld door te groeien of een neventak te beginnen. Recreanten hebben weer belang bij passende mogelijkheden voor toerisme en (verblijfs)recreatie. Al deze gebruikers kunnen met hun ideeën en initiatieven het landelijk gebied aantrekkelijker, sterker en mooier maken. Met het omgevingsplan willen wij hen optimaal faciliteren en tegelijkertijd bewaken dat er geen conflicten ontstaan met de waarden en kwaliteiten die er al zijn. Van visie naar regeling Als we de waarden en belangen tegen elkaar afzetten is te zien waar de ruimte voor kansen (duurzame ontwikkeling) ontstaat en waar bescherming nodig is. We willen met dit omgevingsplan met name op zoek naar mogelijkheden om ruimte te bieden aan belangen die bijdragen aan duurzame ontwikkeling. Een duurzame ontwikkeling wil zeggen dat een ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder dat daarmee de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar worden gebracht.
Om ruimte te bieden aan belangen die bijdragen aan duurzame ontwikkelingen willen we wanneer ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op bestaande waarden of belangen deze extra beschermen. Het doel is om ontwikkelingen mogelijk te maken waarbij geen afbreuk aan waarden wordt gedaan, maar juist potenties worden benut. Dit betekent bijvoorbeeld dat de volgende zaken geregeld zijn in het Omgevingsplan Landelijk Gebied, die voorheen niet of anders geregeld werden. De sturing op vaste bouwvlakmaten voor agrarische bedrijven komt te vervallen. Hierdoor kunnen we flexibeler omgaan met wensen en initiatieven van bedrijven. Dit alles mag niet leiden tot afbreuk aan de bestaande waarden. Daarom stellen we wel regels in de zin van ‘bouw aansluitend aan bestaande bebouwing’ en ‘passend binnen het landschap’. Vanuit dezelfde gedachte wordt de inhoudsmaat van woningen verruimd. Daarmee krijgen bewoners de ruimte om hun woongenot te vergroten. Landschappelijke waarden worden voor het hele plangebied eenduidiger beschermd door elk hun eigen dubbelbestemming. Belangen en ontwikkelingen mogen geen afbreuk doen aan deze waarden. De APV wordt in een afgeslankte vorm opgenomen in het omgevingsplan. Een afgeslankte vorm houdt in dat de regelingen over menselijke gedragingen niet worden opgenomen. De basis van waarden en belangen wordt hier op orde gemaakt.
Het omgevingsplan is een integraal document, waar alle beleidsvelden bij elkaar komen. Hierdoor zijn randvoorwaarden voor ontwikkelingen op voorhand en integraal (vanuit alle beleidsterreinen) duidelijk. Elke initiatiefnemer krijgt zo de mogelijkheid om een plan te creëren dat optimaal past bij zijn/haar eigen wensen en de belangen en waarden die er spelen.
9
Naast de inhoudelijke veranderingen die dit omgevingsplan brengt ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan, verandert ook de manier waarop burgers en gemeente met de ruimte omgaan. Als gemeente willen wij toetsen en handhaven waar dat noodzakelijk is, maar veel liever willen we burgers en bedrijven enthousiast maken en uitnodigen om met het landelijk gebied aan de slag te gaan. Daarom hebben we een regeling opgesteld die flexibiliteit biedt en willen we in een vroeg stadium met u als initiatiefnemer in gesprek komen om samen te komen tot een mooie, duurzame en optimale ontwikkeling van ons landelijk gebied.
10
3
Wet- en regelgeving Aan dit omgevingsplan is veel beleid, wet- en regelgeving voorafgegaan. Een overzicht van het relevante beleid en relevante wet- en regelgeving vindt u in Bijlage 2. In deze bijlage hebben we al het beleid geïnventariseerd en samengevat. Bijlage 2 is daarmee een waardevol achtergronddocument, dat inzicht geeft in de herkomst van de regels in dit omgevingsplan.
11
4
Milieueffectrapportage Wij moeten het milieu een volwaardige plaats geven in ons beleid en onze regels voor het landelijk gebied. Daarom is voor dit omgevingsplan een milieueffectrapport (planMER) opgesteld. De wettelijke grondslag voor het opstellen van een milieueffectrapport ligt in de Wet milieubeheer.
4.1
Onderzochte scenario’s In het MER wordt ingegaan op de vraag welke gevolgen de regelingen in het omgevingsplan heeft voor het milieu. Aan de hand van 5 scenario’s is gekeken wat voor effect ontwikkelingen hebben op het landelijk gebied. Scenario 1: Doorgroei van veehouderijen. Scenario 2.1: Bij de bestaande functies vindt een maximale ontwikkeling plaats van bedrijfsgebouwen. Scenario 2.2: Alle huidige functies in het landelijk gebied schakelen om naar bedrijven. Scenario 3: Alle huidige functies in het landelijk gebied schakelen om naar wonen. Scenario 4: Er wordt maximaal ruimte geboden aan voorzieningen van hernieuwbare energie: Windturbines en zonnepanelen. Samenvatting De thema’s van de scenario’s zijn enerzijds ingegeven door de functies die overwegend voorkomen in het landelijk gebied, onder meer de veehouderij, het wonen en de overige niet-agrarische bedrijvigheid. Een laatste scenario is ingegeven door de ambitie van de gemeente ten aanzien van duurzaamheid. De scenario’s worden hierna kort verbeeld en toegelicht.
12
Schematische verbeelding van de scenario’s (van scenario 4 bestaat deze niet)
Scenario 1: Doorgroei veehouderijen. Alle veehouderijen groeien door (tot max. 2 ha). De niet-grondgebonden veehouderijen worden ingevuld met de ‘meest negatieve’ diersoort en de bestaande niet-grondgebonden veehouderijtakken binnen het ammoniakbuffergebied kunnen doorgroeien binnen de huidige ammoniakemissie. Scenario 2.1: Bij de bestaande functies vindt een maximale ontwikkeling plaats van bedrijfsgebouwen (c.q. aan de woning verbonden) activiteiten. Scenario 2.2: Alle huidige functies in het landelijke gebied schakelen om naar bedrijven (meest ongunstige bedrijfstype). Scenario 3: Alle huidige functies in het landelijke gebied schakelen om naar wonen. Scenario 4: Er wordt maximaal ruimte geboden voor voorzieningen van hernieuwbare energie: windturbines en zonnepanelen. Beoordeling milieueffecten Algemeen Er zijn in het MER in totaal 6 milieuaspecten beoordeeld op steeds ca 1 tot 4 toetsingscriteria, namelijk externe veiligheid, gezondheid, landschap & cultuurhistorie, natuur, verkeersveiligheid en water. De milieueffecten zijn kwalitatief (beschrijvend) beoordeeld en daar waar relevant is de effectbepaling kwantitatief (cijfermatig). De beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van een vijfpuntsschaal.
13
De effecten zijn zoveel mogelijk beoordeeld per landschapstype; dit is gedaan voor landschap & cultuurhistorie, natuur en water. Voor de overige milieuaspecten (externe veiligheid, gezondheid, verkeersveiligheid) waren de milieueffecten niet onderscheidend per landschapstype. Navolgende afbeeldingen geeft de landschapstypen weer binnen het plangebied.
Landschapstypes die de basis vormen voor de effectbeoordeling
Effecten op externe veiligheid Allereerst is gekeken naar het toevoegen van risicovolle bronnen. Bij scenario 1 zullen risicobronnen (zoals propaantanks of biogasinstallaties) voorkomen en als de agrarische bedrijven dus sterk groeien. Ook bij scenario 2.1 en 2.2 kunnen meer risicobronnen ontstaan als gevolg van de ontwikkeling van bedrijven. Om die reden scoren deze scenario’s licht negatief ‘-‘. Bij scenario 3 worden geen nieuwe risicovolle bronnen ontwikkeld, hier is een neutraal milieueffect (‘0’). Bij scenario 4 zorgen de windturbines voor externe veiligheidsrisico; daarom scoort dit scenario zeer negatief, dus score ‘- -‘. Ten tweede is gekeken naar het groepsrisico en dan met name de toename van het aantal aanwezige personen. Bij scenario 1 en 4 neemt het aantal personen niet wezenlijk toe; het effect is neutraal (‘0’). Bij scenario 2.1, 2.2 en 3 neemt het aantal personen wel toe, daarom scoort dit aspect zeer negatief (score ‘- -‘). Effecten gezondheid Het milieuaspect gezondheid valt uiteen in de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en infectieziektes. Wat betreft geluid is in alle gevallen minimaal sprake van een negatief milieuaspect (score ‘-‘), aangezien de scenario’s leiden tot meer geluid; bijvoorbeeld omdat de functies op zichzelf geluid met zich meebrengen, of omdat het verkeer dat deze functies oproepen, geluid met zich meebrengen.
Bij scenario 2.2 en scenario 4 is zelfs sprake
14
van een zeer negatief milieueffect (score ‘- -‘), bij scenario 2.2 komt dat omdat de maximaal ontwikkelde bedrijven veel geluid en verkeer met zich meebrengen; bij scenario 4 hebben de windturbines als die zich maximaal ontwikkelen, een sterk negatief milieueffect op het gebied van geluid. Wat betreft geur is uitsluitend bij scenario 1 sprake van een sterk negatief milieueffect (‘- -‘), natuurlijk omdat er sprake is van de maximale doorgroei van (nietgrondgebonden) agrarische bedrijven. Alle andere scenario’s scoren ten minste neutraal (‘0’) of zelfs sterk positief (‘++’). Dit laatste geldt voor scenario 2.2 en 3 waarin alle agrarische bedrijven worden omgevormd tot dan wel bedrijven dan wel woningen. Wat betreft luchtkwaliteit is sprake van een neutrale score (‘0’) omdat geen van de scenario’s leiden tot een betekenisvol negatief milieueffect. Scenario 4 scoort zelfs positief aangezien is te beargumenteren dat de maximale ontwikkeling van voorzieningen voor hernieuwbare energie tot een vermindering van uitstoot van conventionele energiebronnen. Wat betreft infectieziektes is uitsluitend een negatief effect bij scenario 1, omdat in dit scenario meer woningequivalenten binnen de theoretische zone van 250 m van (nietgrondgebonden) agrarische bedrijvigheid komen te liggen. Alle andere scenario’s scoren ten minste neutraal (‘0’) of zelfs sterk positief (‘++’).
Dit laatste geldt voor scenario 2.2 en 3 waarin alle agrarische bedrijven worden omgevormd tot dan wel bedrijven dan wel woningen. Landschap en cultuurhistorie Dit aspect valt uiteen in vier toetsingscriteria, namelijk de effecten op fysieke landschapskwaliteiten, beleefbaarheid, inhoudelijke kwaliteiten en cultuurhistorische elementen. Verder heeft de toetsing plaatsgevonden voor elk van de zeven landschapstypen. Wat betreft de effecten op de fysieke landschapskwaliteiten kan in algemene zin gesteld worden dat scenario 1, 2.1 en 4 over het algemeen slechter scoren dan scenario 2.2 en 3. Dit komt omdat bij de laatstgenoemde scenario’s door de volledige functieomschakeling naar bedrijven of wonen sprake is van veel kansen voor landschapsversterking. Wel scoort scenario 2.2 over het geheel slechter dan scenario 3. De scenario’s 1, 2.1 en 4 scoren het slechtste omdat deze tot veel verstoring van de fysieke landschapskwaliteiten leiden. Wat betreft de effecten op de beleefbaarheid is heel globaal gezien eenzelfde verdeling aan te brengen en ook om dezelfde reden: de scenario’s 2.2 en 3 leiden tot de kleinste verstoring van het landschap en door de omvorming van alle agrarische bedrijven naar een andere functie (die alleen in dit scenario zitten) ontstaan er veel mogelijkheden om de beleefbaarheid van het landschap te versterken.
Wat betreft de effecten op de inhoudelijke kwaliteiten is eveneens eenzelfde soort verdeling aan te brengen. Het laatste aspect vormen de effecten op de cultuurhistorische elementen. Sterk negatief scoort hierbinnen scenario 1 voor de beekdalen; dit is ook meteen de enige sterk negatieve score. Voor het overige is ook bij dit aspect dezelfde verdeling waarneembaar als hiervoor gesteld. Overigens geldt dat voornoemde verdeling het minst duidelijk is bij de kampen en essen, kronkelwaarden en de oeverwallen/rivierduinen. Verder geldt dat de effecten op de uiterwaarden over het algemeen als neutraal scoren.
15
Natuur Dit aspect valt uiteen in drie toetsingscriteria, namelijk de effecten op Natura 2000, de GNN/GO en de beschermde soorten. Verder heeft de toetsing plaatsgevonden voor elk van de zeven landschapstypen. Wat betreft de effecten voor alle drie de toetsingscriteria geldt in algemene zin dat de scenario’s 1 en 2.1 verreweg het slechtste scoren met negatieve (‘-‘) of sterk negatieve scores (‘- -‘). Dit komt omdat de (niet-grondgebonden) agrarische bedrijven het meest bepalend blijken te zijn voor de effecten op de natuur; dus de scenario’s waarin deze maximaal uitbreiden (scenario 1) of gehandhaafd blijven (scenario 2.1) scoren het slechtste. De scenario’s waarin de agrarische bedrijven omgevormd worden naar bedrijven of wonen (resp. scenario 2.2 en 3) scoren om dezelfde reden het beste. De effecten van scenario 4 scoren over het algemeen neutraal tot licht negatief. Wel worden voor de landschapstypen oeverwal/rivierduin, uiterwaarden wel negatieve effecten verwachten, met name gezien de diersoorten die in deze landschapstypes te verwachten zijn. Verkeersveiligheid Dit milieueffect valt uiteen in de toetsingscriteria ‘omvang van het verkeer’ en ‘omvang van de verkeersmix’. Wat betreft de omvang van het verkeer kan worden gesteld dat de scenario’s 2.1, 2.2 en 3 hierop negatief scoren (score ‘-‘ of ‘- -‘). Al de functies die in deze scenario’s maximaal kunnen ontwikkelen (resp.
bedrijfsactiviteiten bij de bestaande functies, bedrijven en woningen) leiden namelijk tot een hoge verkeersaantrekking. Het scenario 1 scoort neutraal (score ‘0’) omdat de maximale ontwikkeling van de agrarische bedrijven naar verwachting niet leidt tot een betekenisvolle toename van het verkeer. Ook bij scenario 4 zal geen sprake zijn van de toename van verkeer. Wat betreft de omvang van de verkeersmix zijn de milieueffecten van scenario 1 het sterkst negatief (score ‘- -‘); in dit scenario zal immers sprake zijn van veel zwaar verkeer (landbouwmachines en vrachtverkeer) dat zich moet mengen met het andere verkeer (auto’s, fietsers en wandelaars). De scenario’s 2.1 en 2.2 scoren negatief omdat in beide gevallen sprake is van de ontwikkeling van bedrijven en het hieraan verbonden zwaardere verkeer (vrachtwagens). Scenario 3 scoort positief (score ‘+’) omdat hiermee juist sprake zal zijn van de afname van zwaar verkeer en meer verkeer door auto’s en fietsen die beter met elkaar mixen. Scenario 4 scoort ten slotte neutraal omdat dit scenario niet leidt tot wezenlijke wijzigingen in de verkeerssamenstelling en verkeersintensiteiten. Water Bij dit milieuaspect is gekeken naar de toetsingscriteria effecten op de waterkwaliteit en effecten op de waterkwantiteit.
Ook zijn de effecten bekeken per landschapstype, waarbij wel een indeling gemaakt is in vier categorieën: ten eerste de beekdalen, ten tweede de bos- en landgoederen, ten derde de broeklanden, kampen en essen en kronkelwaarden en ten vierde de oeverwallen en uiterwaarden. Wat betreft de effecten op de waterkwaliteit scoort scenario 1 het slechtste, aangezien de agrarische bedrijfsactiviteiten potentieel het meest negatief zijn voor de waterkwaliteit. Dit geldt in alle landschapstypen, behalve de oeverwallen en uiterwaarden, waar weinig agrarische bedrijven gelegen zijn. De overige scenario’s scoren meestal neutraal of op zijn hoogst licht negatief of positief. Scenario 2.1 komt hier relatief het slechtste uit, omdat in dit scenario de agrarische bedrijven gehandhaafd blijven. Sce-
16
nario 3 komt hier het beste uit naar voren, omdat er dan sprake is van een vermindering van activiteiten Wat betreft de effecten op de waterkwantiteit scoort eveneens scenario 1 het slechtste, aangezien dit leidt tot de meeste verstening en dus tot de meeste afvoer van afstromend hemelwater. Dit geldt evenwel niet voor de oeverwallen en uiterwaarden waarin weinig agrarische bedrijven liggen. Voor het overige zijn de effecten overwegend neutraal, of op zijn hoogst beperkt negatief of positief. Ook bij dit toetsingscriterium scoort 2.1 relatief weer slechter dan scenario 3. Scenario 3 scoort overwegend positief omdat hiermee naar alle waarschijnlijkheid de verstening vermindert en er dus minder afstromend water hoeft te worden afgevoerd. Effecten op doelgebruik en functies Effecten op doelgebruik In de MER is eveneens beoordeeld in welke mate de scenario’s bijdragen aan de doelen die de gemeente voor het landelijke gebied geformuleerd heeft.
Deze staan in de Visie Landelijk gebied als volgt beschreven: Economisch sterk: Ruimte voor initiatief Breed scala: Ontwikkeling breed scala aan functies Eigen identiteit: behoud agrarische en natuurlijke karakter Leefbaarheid: goede fysieke leefomgeving, weinig hinder Wat betreft ‘Economisch sterk’ scoren het geheel genomen alle scenario’s positief omdat in alle gevallen sprake is van functies die bijdragen aan een sterke plattelandseconomie. Uitsluitend scenario 3 scoort slecht, omdat het wonen op zich geen economische drager is en er door het scenario veel bedrijvigheid verdwijnt. Wat betreft ‘Breed scala’ scoren scenario 2.1 en scenario 2.2 goed, omdat er hierin zich een breed scala aan types bedrijven kan ontwikkelen. Scenario 1 en scenario 3 scoren slecht aangezien sprake is van een eenzijdige ontwikkeling van één functie (agrarische functie of wonen). Scenario 4 scoort positief omdat de duurzame energiebronnen zich bij elke functie in het landelijk gebied kunnen ontwikkelen. Wat betreft ‘Eigen identiteit’ scoren alle scenario’s slecht aangezien deze ervoor zorgen dat het karakter van het landelijk gebied wijzigt. Wat betreft ‘Leefbaarheid’ is sprake van neutrale tot licht positieve milieueffecten. Scenario 2.1 scoort in die zin het beste aangezien hier de bedrijfsactiviteiten zullen zorgen voor extra dynamiek bij de bestaande functies.
Ook scenario 4 scoort positief omdat de duurzame energiemaatregelen tot een meer gezonde omgeving en dynamiek. Wat ten slotte een belangrijke conclusie is dat geen enkel scenario uitsluitend positief bijdraagt aan alle doelstellingen. Effecten op functies Ook zijn de effecten van de scenario’s op de functies in de fysieke leefomgeving getoetst, namelijk specifiek de recreatieve functies en de agrarische gronden. Wat betreft de effecten op de ‘Recreatieve waarden’ geldt dat scenario 1 het meest negatieve scoort; de maximale ontwikkeling van agrarische bedrijven zal negatief doorwerken of de beleefbaarheid en aantrekkelijkheid van het landschap. Ook scenario 3 scoort negatief aangezien de omvorming van alle functies naar wonen weinig ruimte overlaat voor recreatieve functies. Ook scenario 4 scoort slecht aangezien
17
zonnevelden en windturbines de aantrekkelijkheid van het landschap negatief kunnen beïnvloeden. Wat betreft de effecten op de ‘agrarische gronden’ kan worden gesteld dat bij scenario 1 sprake is van een zeer positief effect: alle agrarische gronden zullen dan intensief gebruikt worden. Dit is ook te verwachten bij scenario 4, waarin veel zonnevelden worden ontwikkeld op de agrarische gronden. Bij scenario 2.1 is er een neutraal effect, omdat de bedrijfsmatige functies weinig effect hebben op het grondgebruik. Scenario 2.2 en 3 scoren negatief; bij deze scenario’s worden de agrarische bedrijven omgevormd en is te verwachten dat de agrarische gronden veel minder gebruikt worden. Botsproeven De vier scenario’s in het MER betreffen een maximale invulling van één van de ontwikkelingsrichtingen betreft en hebben hiermee een theoretisch karakter. Om een beter inzicht te krijgen in de praktische uitwerking van de botsproeven is besloten deze onderling ten opzichte van elkaar te laten botsen. Hiermee is in beeld gebracht waar ruimteclaims conflicteren en wordt inzicht verkregen in de cumulatieve effecten van verschillende ontwikkelingen. In totaal zijn er tien botsproeven uitgevoerd, waarbij steeds is gekeken naar ten eerste conflicterende ruimtelijke claims en ten tweede cumulatieve effecten. Uit de botsproeven is naar voren gekomen dat veel scenario’s ten opzichte van elkaar botsen.
Bij elke botsproef is aangegeven als conclusie welke maatregelen kunnen worden gekomen om deze botsingen te vermijden of te verzachten. Conclusie De slotconclusie is hiermee dat de milieubeoordeling in dit MER heeft laten zien dat een toekomstige ontwikkeling in de richting van geen van de vijf geschetste scenario’s wenselijk is. Al deze scenario’s (die natuurlijk een theoretisch karakter hebben) zouden leiden tot negatieve en onwenselijke milieueffecten op het landelijk gebied. Het MER is hiermee een belangrijke aanleiding om op zoek te gaan naar een goede mix van functies in het landelijk gebied. Dit is voor het goede functioneren van het landelijk gebied noodzakelijk. Er moet dus een evenwicht gevonden worden tussen het enerzijds ruimte bieden aan de ontwikkeling van functies en anderzijds het beschermen van de bestaande waarden (landschap, natuur, cultuurhistorie, etc.). In bepaalde gebieden moeten andere doelen prevaleren dan andere. Monitoren van de ontwikkelingen in het gebied.
4.2
Betekenis voor het omgevingsplan In het omgevingsplan zijn bepalingen opgenomen om de ontwikkelingen te sturen. Agrarische bedrijven De agrarische bedrijven mogen uitbreiden onder voorwaarden dat dit passend is. De mogelijkheden zijn verbonden aan het gebieds-DNA van het landschap, mitigerende
18
maatregelen, etc. Dit sluit aan op het Gelderse Plussenbeleid. Ook worden beperkingen gesteld wat betreft de maximale stikstofemissie. Nevenactiviteiten 2 Deze mogen worden vergroot tot 350 m in bestaande bebouwing onder de voorwaarde dat de behoefte wordt aangetoond in een bedrijfsplan. Ook zijn de regels verbonden aan het gebieds-DNA van het landschap, hetgeen onder meer betekent dat een erfinrichtingsplan is vereist. Herbouw is niet toegestaan. Woningen Bij omvorming naar woningen zijn de bepalingen inzake ‘Ruimte-voor-Ruimte’ van kracht. Niet agrarische bedrijven In het omgevingsplan wordt opgenomen dat bedrijven vanaf een bepaald bedrijfsoppervlak moeten worden gevestigd op een bedrijventerrein en niet mogen worden gevestigd op een locatie in het landelijk gebied. Niet elk bedrijf is toegestaan in het landelijk gebied; de staat van bedrijven is ingeperkt. Landschap en cultuurhistorie Door de verankering van het gebieds-DNA van het landschap (waarbij ook cultuurhistorie een rol speelt) ontstaat een relatie tussen alles wat er aan ontwikkelingen mogelijk is en de kenmerken van het betreffende landschap. Milieuaspecten en omgevingsaspecten Er is een verplichting tot hydrologisch neutraal en energieneutraal bouwen opgenomen. Er zijn bepalingen opgenomen inzake gezondheid. Cultuurhistorische waarden worden beschermd middels een specifieke regeling.
Er is een verbod op de toename van stikstof, tenzij met vergunning/melding er mogelijkheden bestaan. Er worden mogelijkheden geboden voor duurzaamheidsmaatregelen bij bijvoorbeeld woningen en bedrijven. Botsproeven Vanuit de botsproeven zijn de volgende bepalingen opgenomen: Binnen de looptijd van het plan mogen niet zowel het agrarische bouwvlak maximaal vergroot als daarna de maximale mogelijkheden worden benut voor bedrijfsmatige activiteiten. In de regeling van het omgevingsplan wordt een sloopverplichting worden opgenomen van overtollige agrarische bedrijven, om te voorkomen dat eerst agrarische bedrijven worden uitgebreid en daarna worden omgezet.
19
5
Haalbaarheid / uitvoerbaarheid Met dit omgevingsplan willen we samen met u als eigenaar, bewoner, ondernemer, recreant of initiatiefnemer werken aan een sterk en duurzaam landelijk gebied. We bieden ontwikkelingsmogelijkheden waar dat kan en vragen daar tegelijkertijd een investering in de waarden en kwaliteiten van het landelijk gebied voor terug. Vooruitlopend op de mogelijkheden die de Omgevingswet ons straks gaat bieden stellen we een plan vast dat meer onderwerpen en mogelijkheden omvat dan de bestemmingsplannen van voorheen. Wij bepalen niet waar, wanneer en hoe van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt: dat hangt van u af. Wel leggen wij kaders vast, ten aanzien van allerlei onderwerpen. Het landschap, de natuur en de gezondheid van uw woonomgeving moeten voldoende worden beschermd. In de 'oude' bestemmingsplannen werd in het hoofdstuk over haalbaarheid precies onderzocht en toegelicht of het bestemmingsplan haalbaar en uitvoerbaar was ten aanzien van diverse milieuthema's. Met dit omgevingsplan is een dergelijk dichtgetimmerd haalbaarheidsonderzoek niet mogelijk en niet nodig. De Crisis- en herstelwet biedt hiervoor dan ook de mogelijkheid. Veel aspecten kunnen pas onderzocht worden op het moment dat een concreet initiatief aan dit omgevingsplan getoetst wordt.
Daarnaast is voor dit omgevingsplan een uitgebreid milieueffectrapport opgesteld, waarin meerdere scenario's zijn onderzocht voor diverse milieuthema's. In dit hoofdstuk wordt daarom voor elk aspect een korte toelichting gegeven op de wetgeving en het beleid en wordt de vertaling daarvan in de regels van dit omgevingsplan uitgelegd. Daarnaast speelt gezondheid een zeer belangrijke rol binnen de fysieke leefomgeving en daarmee ook in het omgevingsplan. Gezondheid dient bij elk aspect meegenomen te worden in de beoordeling of een ontwikkeling dan wel niet gewenst is.
5.1
Bodem Wij willen dat u woont, werkt en recreëert in een zo gezond mogelijk landelijk gebied. Een belangrijk onderdeel van een gezonde omgeving is de grond waarop we staan en waarop en van waaruit we leven en werken. Op 12 juli 2021 heeft de raad het bodembeleidsplan vastgesteld. In deze nota is voor heel Zutphen de bestaande bodemkwaliteit van de boven- en de ondergrond bepaald, op basis van uitgevoerde bodemonderzoeken. Voor het grootste deel van het landelijk gebied geldt dat de ondergrond de kwaliteit "schoon" (AW2000) heeft. Op enkele plekken is sprake van bodemverontreiniging, waarbij de provincie bevoegd gezag is. Gelet op de aard van die verontreiniging en de functie van deze locaties is er geen directe reden tot het nemen van saneringsmaatregelen. In de beleidsbijlage leest u meer over het beleid ten aanzien van bodem.
20
Regeling in dit plan De wetgeving en het beleid ten aanzien van het aspect bodem werken door in dit omgevingsplan. In artikel 75 is vastgelegd dat voor nieuwe ontwikkelingen de kwaliteit van de bodem voldoende moet zijn bewezen. Dit betekent dat in principe bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet worden onderzocht of de bodem en het grondwater geschikt zijn voor de nieuwe functie. Dit kan bij de bouw of uitbreiding van een woning of bedrijfspand zijn, maar ook bij het veranderen van functie van een perceel. Op het moment dat een initiatiefnemer een ontwikkeling aan ons voorlegt, zal het aspect bodem moeten worden onderzocht aan de weten regelgeving die op dat moment geldt. Als de bodemkwaliteit voldoende blijkt te zijn voor de nieuwe functie, is aan dit aspect voldaan. Als de bodemkwaliteit na onderzoek van onvoldoende niveau blijkt te zijn, zullen maatregelen moeten worden genomen voordat de ontwikkeling door kan gaan.
5.2
Luchtkwaliteit Het kunnen inademen van schone lucht is gezond voor mensen, dieren en de plantenwereld. Er gelden Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit, die in Nederland zijn verankerd in de Wet Milieubeheer. In deze wet zijn grenswaarden vastgelegd voor allerlei stoffen die in de lucht kunnen voorkomen. Als van een bepaalde stof meer deeltjes in de lucht voorkomen dan deze grenswaarde, kan dat schadelijk zijn voor de gezondheid. In Nederland worden alleen in uitzonderingssituaties grenswaarden overschreden. Voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) liggen de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden. In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken het Rijk en diversie regio’s samen aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. In de beleidsbijlage leest u meer over het beleid ten aanzien van luchtkwaliteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die aan dit omgevingsplan worden getoetst, spelen wat betreft luchtkwaliteit twee belangrijke afwegingen: 1. wat is de invloed van deze ontwikkeling op de luchtkwaliteit in de omgeving? 2. is de luchtkwaliteit op de locatie van deze ontwikkeling goed genoeg voor de ontwikkeling die er gaat plaatsvinden? Ad 1.
Als een ontwikkeling kan zorgen voor een toename van een bepaalde verontreinigende stof in de lucht, moet worden onderzocht hoe groot deze toename is. Ontwikkelingen die zorgen voor een toename van minder dan 3% van de grenswaarde van een stof dragen 'niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging en hoeven niet verder te worden onderzocht. Projecten die de NIBM-grens overschrijden moeten worden aangemeld bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Het aanmelden geldt alleen voor projecten van overheidsinstanties. Voor plannen en nieuwe ontwikkelingen bij bedrijven en particulieren geldt dit dus niet. Hierop wordt verder ingegaan in de beleidsbijlage en het milieueffectrapport.
21
Ad 2 Wij willen wonen, werken en recreëren in een zo gezond mogelijke omgeving. Daarom wegen we bij elke ontwikkeling af of de luchtkwaliteit op de locatie van die ontwikkeling voldoende is voor de functie die gepland is. Hierbij worden plekken waar we lang verblijven, zoals woningen, en plekken waar kinderen en kwetsbare mensen verblijven, zoals scholen, sportterreinen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen extra beschermd. Zij mogen bijvoorbeeld niet te dicht bij wegen worden gerealiseerd waar hoge concentraties luchtvervuilende stoffen zijn gemeten. Regeling in dit plan De invloed van de mogelijkheden in dit omgevingsplan op de luchtkwaliteit wordt in algemene zin ingegaan in het milieueffectrapport.
5.3
Geluid Bij een gezonde fysieke leefomgeving speelt ook het geluidsniveau een belangrijke rol. Geluidsoverlast kan bij mens en dier leiden tot hinder en in het uiterste geval zelfs tot gezondheidsschade. In Nederland kennen we de Wet geluidhinder (Wgh), die zich richt op geluid dat wordt veroorzaakt door (spoor- en weg) verkeer en door bedrijven (industrie). In deze wet is vastgelegd wat het geluidsniveau op de gevel van een woning bij voorkeur zou moeten zijn (voorkeurswaarde) en welke hogere geluidsbelasting eventueel per geval zou kunnen worden toegestaan (ontheffingswaarde). Deze waardes variëren per geluidsbron (weg- of spoorverkeer) en per gebied (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De Wet geluidhinder regelt ook dat rond industrieterreinen met grote lawaaimakers een geluidszone moet zijn vastgesteld. Binnen die geluidszone mogen bijvoorbeeld geen nieuwe woningen worden gebouwd. Buiten de geluidszone mag de gezamenlijke geluidbelasting vanaf het industrieterrein niet te hoog zijn. Met deze zonering wordt zekerheid geboden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Een uitgebreide toelichting op de werking van de Wet geluidhinder vindt u in de bijlage. Regeling in dit plan De wetgeving en het beleid ten aanzien van het aspect geluid werken door in dit omgevingsplan.
In artikel 77 is vastgelegd hoe met nieuwe geluidsgevoelige en geluidsproducerende functies wordt omgegaan. Nieuwe geluidsgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) worden alleen toegestaan als het geluidsniveau op die plek aanvaardbaar is. Nieuwe geluidsproducerende functies moeten met hun geluidsbelasting passen binnen het heersende niveau ter plaatse. Ook voor bestaande functies waar initiatiefnemers iets willen veranderen of uitbreiden is vastgelegd dat deze ontwikkeling wat betreft geluid aanvaardbaar moet zijn. Op de invloed van de mogelijkheden in dit omgevingsplan op de geluidssituatie in het landelijk gebied wordt in algemene zin verder ingegaan in het milieueffectrapport.
22
5.4
Geur Naast de bodem- en luchtkwaliteit en het geluidsniveau is ook geurhinder een belangrijk aspect van gezondheid als onderdeel van de fysieke leefomgeving in het landelijk gebied. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) regelt in Nederland de toegestane geurbelasting van veehouderijen op bijvoorbeeld woningen en andere plekken waar mensen relatief lang verblijven (geurgevoelige objecten). Net als bij de aspecten geluid en lucht richt de wet zich op de veroorzakers en op degenen die beschermd moeten worden. Zo is vastgelegd wat de geuremissiefactor is van een intensieve veehouderij (bijvoorbeeld kippen- of varkenshouderij) op geurgevoelige objecten. Dit is geregeld in de regeling geurhinder en veehouderij. Daarnaast is in de Wet geurhinder en veehouderij vastgelegd dat een nieuw geurgevoelig object (zoals een woning) niet binnen 25 meter van een stal van een veehouderij mag worden gebouwd. Een uitgebreide toelichting op de werking van de Wet geurhinder en veehouderij vindt u in de bijlage. Regeling in dit plan De wetgeving en het beleid en de uitkomsten van het milieueffectrapport ten aanzien van het aspect geur werken door in dit omgevingsplan.
5.5
Externe veiligheid Gevaar is een van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Bij het aspect externe veiligheid kijken we naar de risico’s van gevaarlijke stoffen in het landelijk gebied. Die risico’s kunnen ontstaan bij de productie, de opslag, het transport en het gebruik van zulke stoffen. De wet- en regelgeving die hierop van toepassing is (het Besluit externe veiligheid inrichtingen en de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen) wordt toegelicht in de beleidsbijlage. In het kort richt externe veiligheid zich op risicovolle activiteiten. Hierbij gebruiken we de termen 'plaatsgebonden risico' en 'groepsrisico'. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als de kans dat een onbeschermd persoon op een bepaalde plek overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Als op een bepaalde plek een verhoogd plaatsgebonden risico geldt wordt dit aangegeven met een contour rondom deze plek. U kunt deze informatie voor uw eigen omgeving terugvinden op de risicokaart, die door de provincie wordt bijgehouden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) tegelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting die ontstaat door een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Regeling in dit plan Met dit omgevingsplan leggen wij vast welke bestaande plaatsgebonden risicoinrichtingen er zijn en met welke risicocontour daarbij rekening gehouden moet worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij LPG-tankstations en de aanwezige gasleidingen.
23
In dit plan stellen wij ook een oriëntatiewaarde van het groepsrisico vast, waarbij we uitgaan van het aantal omwonenden en de maximale mogelijkheden voor bedrijfsactiviteiten met gevaarlijke stoffen binnen dit plan. Overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt in principe niet toegestaan. Wanneer bij een nieuwe ontwikkeling sprake is van een toename met meer dan 25 personen dient de invloed hiervan op de oriëntatie waarde van het groepsrisico worden onderzocht. Een toename van het groepsrisico moet altijd worden verantwoord. Dit is vastgelegd in artikel 76 van de regels.
5.6
Licht Omwonenden kunnen last hebben van licht. Vaak komt de overlast door schijnwerpers tegen inbraak, lichtmasten bij rijbakken, openstallen of verlichte sportvelden. Het activiteitenbesluit regelt lichthinder en de bescherming van het donkere landschap grotendeels met de zorgplicht. Alleen voor assimilatiebelichting bij glastuinbouw en verlichting bij sportterreinen zijn regels vastgelegd. De Wet milieubeheer beschermt de duisternis en het donkere landschap. Met de zorgplicht wordt bedoeld dat lichthinder zoveel mogelijk voorkomen moet worden of dusdanig verminderd moet worden tot een aanvaardbare situatie. Dit kan door middel van maatwerk per situatie. Goed overleg tussen de gebruiker van de installatie en de gehinderden leidt vaak tot het oplossen van een knelpunt. De zorgplicht beoogd een evenwicht tussen natuur, mens en techniek. Regeling in het plan Kunstlicht wordt door de samenleving steeds meer als bron van hinder ervaren. Om hiermee rekening te houden worden in principe lichtmasten bij paarden bakken niet toegestaan. Voor een aantal functies zijn uitzonderingen gemaakt in de regels. De uitzonderingen zijn vastgelegd in de regels in artikel 5 Bedrijf, artikel 6 Gemengd, artikel 13 Maatschappelijk, artikel 14 Maatschappelijk - Begraafplaats, artikel 18 Recreatie - Bedrijf 1, artikel 21 Recreatie - Verblijfsrecreatie, artikel 23 Sport en artikel 24 Sport - Manege.
5.7
Trilling Voor het beoordelen van trillinghinder wordt de “Meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de Stichting Bouwresearch, deel B, Hinder voor personen in gebouwen” toegepast. De SBR-richtlijn deel B wordt vrijwel altijd als toetsingscriterium voor trillinghinder gehanteerd. De richtlijn kent een tweetal toetsingsgrootheden, namelijk Vmax en Vper. Vmax betreft het maximaal optredende trillingsniveau, terwijl Vper een periodiek gemiddelde betreft. Bij spoorwegen wordt met Vmax de maatgevende trein getoetst, met Vper hoe vaak treinen langskomen. Binnen het toetsingskader wordt onderscheid gemaakt tussen een bestaande situatie, een nieuwe situatie of een gewijzigde situatie. De richtlijn maakt gebruik van streef- en grenswaarden.
24
Over het algemeen is voor een mens een Vmax groter dan 0,1 voelbaar. Bij nieuwbouwwoningen bedraagt de streefwaarde van de richtlijn A1 (0,1 voor woningen). Liggen de Vmax niveaus hoger maar onder de streefwaarde A2 (van 0,2 voor woningen) én Vper ligt onder de streefwaarde A3 (van 0,05 voor woningen) dan wordt ook voldaan aan de streefwaarden in de richtlijn. (Genoemde streefwaarden gelden voor continue trillingen in woningen en gezondheidszorg. Voor onderwijs, kantoor en bijeenkomst en voor kritische werkruimte gelden andere streefwaarden). Het Activiteitenbesluit verwijst naar de SBR-richtlijn deel B en ook de beleidsregel trillinghinder spoor (staatscourant 18 april 2012) en de Handreiking Nieuwbouw en spoortrillingen van mei 2019. Laatstgenoemde Handreiking stelt dat binnen een afstand van 100 meter tot het spoor bij nieuwbouw rekening moet worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Wanneer klachten, bodemopbouw en/of treinbeeld aanleiding geven, moet een zone van 250 meter worden aangehouden. De SBR-richtlijn deel B is ook toegepast bij de woningbouw in de nabijheid van het spoor in plan Noorderhaven Zutphen.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zoals dat gaat gelden onder de Omgevingswet kent een instructieregel dat de gemeente in het omgevingsplan vastlegt wat de maximale immissie voor trillingen is die door activiteiten op gevoelige gebouwen respectievelijk gevoelige ruimten daarbinnen mag worden veroorzaakt. Deze verplichting geldt niet voor spoorwegen maar trillingsnormen kunnen ook voor spoorwegen worden opgenomen. De streefwaarden van de SBR-richtlijn deel B worden standaardwaarden in het Bkl. Onderscheid wordt gemaakt in standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillingsgevoelige ruimten. (Voor onderwijs, kantoor en bijeenkomst en voor kritische werkruimte gelden dezelfde standaardwaarden). Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf aanvullende ambities te stellen ten aanzien van het voorkomen van trillingshinder. Naast de hiervoor benoemde aandachtzones kunnen gemeenten met bijvoorbeeld grote bouwprogramma’s in de directe nabijheid van het spoor nader onderzoeken welke stedenbouwkundige en welke gebouwontwerprichtlijnen toepasbaar zijn om in specifieke gebieden trillingshinder te voorkomen. Extra gemeentelijke ambities kunnen worden vastgelegd in een specifieke lokale beleidslijn, maar ook als aanvulling op bestaande gemeentelijke verordeningen of beleidsregels.
In de Nota Bouw-/slooplawaai en Trillingen van de gemeente Zutphen wordt voor onder andere spoorwegwerkzaamheden een beleidsuitspraak gedaan waarin voor trillingen veroorzaakt door onderhoudswerkzaamheden in de nachtperiode wordt verwezen naar de SBR-richtlijn deel B.
5.8
Bedrijven en milieuzonering Om te voorkomen dat bedrijven of functies een gevaar vormen voor woningen of andere functies in de nabije omgeving, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een indeling van bedrijven opgesteld, die bestaat uit zes categorieën: 1 t/m 6. Hoe hoger de categorie, des te intensiever is de belasting van het bedrijf of de
25
functie op het milieu en zijn omgeving. Deze milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand tot andere functies worden gerealiseerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gebouwd. Hoe hoger de categorie; des te groter de afstand tot andere functies moet zijn. Bij de indeling in milieucategorieën worden 4 aspecten meegewogen: geluid, geur, stof en gevaar (brand- en explosiegevaar). Regeling in dit plan De indeling van de VNG is een handreiking, die wij voor dit omgevingsplan naar de situatie van het landelijk gebied van Zutphen hebben vertaald. Concreet betekent dit dat wij binnen de bedrijfsbestemming bij recht alleen de bestaande bedrijven toestaan. In de gemengde bestemming zijn alleen bedrijven die vallen binnen de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt dit aspect getoetst, omdat we willen weten wat voor soort bedrijvigheid welk effect heeft op de omgeving. Denk hierbij bijvoorbeeld aan geluidstoename en verkeersaantrekkendewerking.
5.9
Water Op het gebied van water spelen veel afwegingen een rol. We hebben water nodig voor onze huishoudens en de agrarische productie, we gebruiken het voor recreatie en transport en we moeten ons ertegen beschermen. Er is op rijks-, provinciaal, waterschaps- en gemeentelijk niveau dan ook veel wetgeving en beleid ten aanzien van het aspect water. Hiervoor verwijzen we naar de beleidsbijlage. Op de invloed van de mogelijkheden in dit omgevingsplan op de waterkwaliteit en waterkwantiteit in het landelijk gebied wordt in algemene zin verder ingegaan in het milieueffectrapport. Regeling in dit plan De belangrijke wateren en de functies die bij deze wateren horen (zoals waterberging, dijken en waterkeringen) hebben hun eigen bestemming gekregen in het plan, in hoofdstuk 4 (functies - infrastructuur) en hoofdstuk 13 (gebiedskwaliteit - water). Binnen deze bestemmingen worden de natuurwaarden beschermd. Wanneer iemand een initiatief bij ons indient dat moet worden getoetst aan dit omgevingsplan, wordt het plan onder andere getoetst aan het aspect water. Voor ontwikkelingen waarbij gebouwd wordt betekent dit dat de initiatiefnemer moet aantonen dat de nieuwe watersituatie niet slechter is dan de oude. Dit is opgenomen in artikel 65.5: “hydrologisch neutraal bouwen”.
Een ruimtelijk plan is in principe waterneutraal, dus veroorzaakt geen wijziging van waterpeilen of aan-/afvoer van water. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Door versnelde afvoer van hemelwater wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar op benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Om versnelde afvoer tegen te gaan hanteert het waterschap bij ruimtelijke plannen de trits vasthouden- bergen-afvoeren. Dit betekent dat hemelwater zoveel mogelijk wordt vastgehouden op de plek waar het valt. Hiervandaan kan het infiltreren in de bodem of vertraagd
26
worden afgevoerd naar het watersysteem. In ruimtelijke plannen met een toename van verharding zijn infiltratie- of waterbergende voorzieningen nodig om het plan waterneutraal te maken. Uitgangspunten voor het ontwerp van infiltratie- en waterbergingsvoorzieningen zijn: In landelijk gebied is een regenbui T=10+10% maatgevend. De hoeveelheid neerslag die valt in deze bui moet in het plangebied worden geborgen, waarna dit kan infiltreren of vertraagd wordt afgevoerd. Het aantal mm neerslag x oppervlak toename verharding = aantal m 3 berging. De benodigde compensatie d.m.v. waterberging neemt dus evenredig toe met een toename in het verhard oppervlak
5.10
Natuur Het begrip 'natuur' omvat veel aspecten van de fysieke leefomgeving. Vanuit de wetgeving wordt voor dit aspect vooral gekeken naar gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een uitgebreide toelichting op de Wet natuurbescherming vindt u in de beleidsbijlage. Op de invloed van de mogelijkheden in dit omgevingsplan op de gebieds- en soortenbescherming en op flora en fauna in het algemeen wordt uitgebreid ingegaan in het milieueffectrapport. Regeling in dit plan De aanwezige natuur en de gebieden die voor natuurontwikkeling of -bescherming zijn aangewezen, hebben wij in dit omgevingsplan eigen bestemmingen gegeven in hoofdstuk 6 (functies - natuur) en hoofdstuk 12 (gebiedskwaliteit - natuur). Binnen deze bestemmingen worden de natuurwaarden beschermd. Wanneer u een initiatief bij ons indient toetsen wij dit initiatief onder andere op het aspect natuur. Wij kijken of er negatieve effecten kunnen ontstaan op mogelijk aanwezige beschermde soorten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer beschermde planten, holen of broedplaatsen worden verwijderd voor de bouw van een nieuw bijgebouw, of wanneer de vliegroutes van vleermuizen worden aangetast door nieuwe lichtmasten of kap van bomen. In zo'n geval moet bij de provincie een ontheffing worden aangevraagd en kunnen verzachtende of compenserende maatregelen worden verplicht.
5.11
Economische uitvoerbaarheid Met dit omgevingsplan richten wij ons in algemene zin op het beheer van de bestaande ruimtelijke situatie van het landelijk gebied van Zutphen. Er worden met dit plan bij recht geen grootschalige ontwikkelingen toegestaan waarvan de economische uitvoerbaarheid ter discussie zou kunnen staan. Grootschalige ontwikkelingen kunnen, als deze passen binnen het beleid, met een eigen procedure worden geregeld. Daarbij wordt beoordeeld of een exploitatieplan moet worden vastgesteld.
27
Het omgevingsplan biedt de mogelijkheid voor nieuwe ontwikkelingen waarvoor al eerder een anterieure overeenkomst is gesloten. Bij deze ontwikkelingen is het kostenverhaal afgedekt. We bieden met dit plan veel mogelijkheden voor particuliere initiatieven. Concreet bestaan er bij het realiseren van deze initiatieven geen kosten voor de gemeente. Voor het beoordelen en bestuurlijk mogelijk maken van de initiatieven worden onze kosten (leges) doorberekend aan initiatiefnemers. Eventuele planschade wordt doorberekend aan initiatiefnemers door het sluiten van een overeenkomst, de zogenaamde planschadeovereenkomst. Aangezien aan het vaststellen van dit omgevingsplan geen risico's verbonden zijn met het oog op economische uitvoerbaarheid, is het niet nodig om een exploitatieplan op te stellen.
5.12
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Om te komen tot de vaststelling van dit omgevingsplan wordt een nauwkeurige procedure gevolgd, waarbij burgers, bedrijven en overheidsinstanties zich over het voorgenomen plan kunnen buigen. Voor deze procedure verwijzen we naar hoofdstuk 8. Met dit omgevingsplan richten we ons op een gezonde, duurzame leefomgeving. Hierbij horen niet alleen fysieke aspecten, maar spelen ook de onderlinge relaties van de gebruikers een belangrijke rol. Wanneer we rekening houden met elkaar en de belangen van anderen betrekken bij onze eigen initiatieven, komen we tot een zo duurzaam mogelijke situatie. Om te stimuleren dat bij initiatieven rekening wordt gehouden met de belangen van anderen hebben wij in de regeling vastgelegd dat we ontwikkelingen zullen toetsen op hun effecten op het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de sociale veiligheid.