Ruimtelijke Onderbouwing verhogen schoorsteen
Tekst van het document
2000-landschap de Veluwe bevindt zich op circa 11 kilometer afstand van
cultureel of
het plangebied (figuur 2.1).
archeologische gebieden van belang.
In de ecologische voortoets heeft Tauw onderzoek gedaan naar soortenen gebiedsbescherming in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en is niet gelegen in Natura2000-gebied. Voor het onderdeel gebiedsbescherming zijn er met uitzondering van stikstof geen effecten te verwachten. Op basis van veldonderzoek zijn er in het plangebied geen beschermde soorten aangetroffen. Ook zijn er geen geschikte verblijfsplaatsen, essentiële vliegroutes en foerageergebieden waargenomen. Om deze reden zijn effecten met betrekking tot soortengroepen dan ook uitgesloten. 1
1
Tauw, Ecologische voortoets GMB BioEnergie Zutphen BV, juni 2019
6/10
Kenmerk
2)
N004-1270082NMR-V02-mdg-NL
Plaats van het ontwerp
Figuur 2.1 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden Omdat er in de huidige situatie al een schoorsteen aanwezig is en het enkel gaat om een verhoging worden er voor soorten- en gebiedsbescherming geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht. Stikstof: Het plangebied is gelegen in de nabijheid van Natura 2000-gebied de Rijntakken. Op grotere afstand bevinden zich de gebieden Landgoederen van Brummen en de Veluwe. Het verhogen van de schoorsteen zorgt niet voor een verschuiving van het initiatief ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Tauw heeft in juni 2020 een stikstofberekening (AERIUS) uitgevoerd voor de verhoging van de schoorsteen. Er zijn in dit onderzoek twee berekeningen uitgevoerd: 1.
Berekening van de aanlegfase van de schoorsteenverhoging. Het betreft een verschilberekening waarin de productie stop, in verband met het plaatsen van het verhoogde deel op de schoorsteen, in aftrek is genomen
2.
Verschilberekening van de gehele beoogde situatie plus de aanlegfase van de schoorsteenverhoging minus de in december 2019 aangevraagde situatie voor de Wet natuurbescherming
Ten gevolge van de aanleg van de verhoging wordt een stikstofdepositie op aanwezige Natura2000 gebieden berekend van 0,03 mol/ha/jaar. Vervolgens is een verschilberekening uitgevoerd waarbij de aanlegfase en gebruiksfase als één situatie zijn beschouwd. Deze is vergeleken met de in december 2019 aangevraagde situatie in het kader van de vergunning Wet natuurbescherming. Uit de berekening volgt dat er geen natuurgebieden zijn met een depositietoename van 0,00 mol per hectare per jaar of meer.
7/10
Kenmerk
2)
N004-1270082NMR-V02-mdg-NL
Plaats van het ontwerp Dit betekent dat de stikstofdepositie door de beoogde situatie en de aanlegfase samen binnen de in 2019 aangevraagde situatie past. Voor stikstof worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht. Bodem: Voor de verhoging van de schoorsteen vindt geen grondverzet plaats. Om die reden wordt geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht voor de bodem. Water: Het plangebied valt in het werkgebied van Waterschap Rijn en IJssel en is gelegen in de nabijheid van de IJssel en het Twentekanaal. De voorgenomen ontwikkeling, de verhoging van de schoorsteen op het GMB terrein heeft geen impact op water gerelateerde aspecten. Voor water worden geen nadelige milieugevolgen verwacht. Geluid: Het terrein van GMB is geluidgezoneerd. Bij wijziging van activiteiten dient toetsing aan de zone plaats te vinden om zodoende vast te kunnen stellen of de activiteiten uitvoerbaar zijn. De verhoging van de schoorsteen brengt echter geen wijziging in de geluideffecten met zich mee, waardoor de zone ongewijzigd blijft. Voor geluid worden geen nadelige milieugevolgen verwacht. Geur: Voor het plangebied is een geuronderzoek uitgevoerd in juni 2020 door Olfasense. Uit het geuronderzoek blijkt dat door het verhogen van de schoorsteen de geurbelasting ter plaatsen van het adres Meijerinkstraat 40 met bijna een factor 4 afneemt.
De immissieverbetering op de andere toetspunten (Wellenberg 2 en Valkeweg 5) zal minder groot zijn. Geconcludeerd wordt zodoende dat de geurimmissie (dus hetgeen wat wordt waargenomen door personen in de omgeving) ten noordoosten van de planlocatie duidelijk verbetert. Het verhogen van de schoorsteen heeft een gunstig effect op de geurbelasting in de omgeving. Voor geur worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht. Externe veiligheid: Externe veiligheid gaat over de veiligheid van personen die zelf niet direct betrokken zijn bij risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen (risicobronnen), maar als gevolg van die activiteiten wel risico kunnen lopen.
8/10
Kenmerk
2)
N004-1270082NMR-V02-mdg-NL
Plaats van het ontwerp Voor de verhoging van de schoorsteen worden met betrekking op externe veiligheid geen nieuwe risico’s verwacht. De schoorsteen is op een locatie gesitueerd nabij een hoge druk gasleiding. Hierbij bestaat het risico dat, mocht de schoorsteen instorten, deze effect kan hebben op de gasleiding. Dit risico is niet aanwezig aangezien de afstand tussen de gasleiding en de schoorsteen groter is dan 125 m (de lengte van de schoorsteen). De afstand tot de bestaande windturbine van de Mars (separate inrichting van derden) bedraagt circa 175m: de schoorsteen van 125m vormt ingeval van omvallen - geen bedreiging voor de windturbine. De veiligheidscontour van de 150 kV-hoogspanningsleiding WoudhuisZutphen heeft zijn beslag in een parallel met de leiding lopende zone van 80 m aan weerszijden van de hartlijn waarin geen gevoelige bestemmingen mogen komen. Dit is niet aan de orde en vormt dus ook geen probleem. Voor externe veiligheid worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht. Lucht: Omdat in de nabijheid van het plangebied drie windmolens aanwezig zijn en er tevens nog drie zijn voorzien, zijn de luchtkwaliteitberekeningen uitgevoerd met een specifiek hierop gericht model.
Erbrink Stacks Consult heeft met behulp van een speciale module in het Stacks model de effecten bepaald van de windturbines op de pluim van GMB, zowel in de huidige als toekomstige situatie. De effecten zijn bepaald voor NOx, benzeen en geur. Fijn stof is niet bepaald omdat GMB dit niet emitteert. In totaal is een viertal scenario’s berekend. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies toegelicht: •
In geen van de scenario’s worden voor de genoemde parameters de grens- danwel richtwaarden overschreden
•
Het verhogen van de schoorsteen heeft een gunstig effect bij beschouwing van de huidige drie windmolens. De concentraties op leefniveau dalen
•
Wanneer bij de verhoging eveneens de drie nieuwe (hogere) windmolens worden toegevoegd, heeft dit een gunstig effect op de jaargemiddelde concentraties. Echter, plaatselijk is wel een verhoging van de concentraties zichtbaar. Zoals in de eerste bullet verwoord, wel in alle gevallen onder de grens- danwel richtwaarden voor de verschillende stoffen
•
De emissies van GMB op de benzeenconcentraties zijn verwaarloosbaar. De achtergrondconcentraties die in het algemeen in de lucht aanwezig zijn, zijn een factor 10.000 keer hoger. Ook de NO2 concentraties van GMB zijn verwaarloosbaar
9/10
Kenmerk
2)
N004-1270082NMR-V02-mdg-NL
Plaats van het ontwerp Voor luchtkwaliteit worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht. Archeologie: In het bestemmingsplan 2 kent het plangebied een dubbelbestemming ten behoeve van waarde-archeologische verwachting 2. Gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij de verhoging van de schoorsteen hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd omdat geen ingrepen in de bodem plaatsvinden. Voor archeologie worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht.
Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect
Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in geografische
(geografisch en grootte
zone en/of grootte van de getroffen bevolking.
getroffen bevolking) Grensoverschrijdend
Gezien de ligging van het project niet van toepassing.
karakter Orde van grootte en
Effecten zijn verwaarloosbaar en lokaal van aard.
complexiteit effect Waarschijnlijkheid effect
Het optreden van een aantal zeer geringe effecten is waarschijnlijk.
Duur, frequentie en
Omdat uiteindelijk geen effecten worden verwacht die er toe doen is dit
omkeerbaarheid effect
niet van toepassing.
Conclusie
De toetsing aan de selectiecriteria in bijlage III (EU-richtlijn 2014/52/EU) maakt duidelijk dat er door de verplaatsing van de schoorsteen op het terrein van GMB Zutphen geen belangrijke nadelige effecten worden verwacht.
2
Bestemmingsplan De Mars midden en noord (veegplan), gemeente Zutphen, onherroepelijk (vastgesteld 06-122016)
10/10
Kenmerk
Bijlage 2
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Visualisaties schoorsteen GMB BioEnergie Zutphen BV
Overzicht locatie impressies Wellenbergweg
Mettrayweg
N348
Dijk nabij Gelders Hoofd
Huidige situatie vanaf N348
Impressie nieuwe situatie vanaf N348
Huidige situatie vanaf Mettrayweg
Impressie nieuwe situatie vanaf Mettrayweg
Huidige situatie vanaf Wellenbergweg
Impressie nieuwe situatie vanaf Wellenbergweg
Huidige situatie vanaf dijk nabij Gelders Hoofd
Impressie nieuwe situatie vanaf dijk nabij Gelders Hoofd
Kenmerk
Bijlage 3
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Ecologische voortoets GMB BioEnergie Zutphen BV
GMB BioEnergie Zutphen, ecologische voortoets 27 juni 2019
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Verantwoording Titel
GMB BioEnergie Zutphen, ecologische voortoets
Opdrachtgever
GMB BioEnergie Zutphen B.V.
Projectleider
Jean-Pierre van Mulken
Auteur(s)
Wendy Liefting
Projectnummer
1261585
Aantal pagina’s
29
Datum
27 juni 2019
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 911 E info.deventer@tauw.com
2/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
2
3
1.1.1
Wet natuurbescherming .............................................................................................. 5
1.1.2
Beschermingsregime Natura 2000 bij projecten ......................................................... 5
1.1.3
Het PAS ...................................................................................................................... 6
1.2
Te beschouwen onderdelen ............................................................................................... 6
1.3
Werkwijze ........................................................................................................................... 6
1.4
Kwaliteit .............................................................................................................................. 6
1.5
Uitgangspunten .................................................................................................................. 7
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 7 2.1
Huidige situatie................................................................................................................... 7
2.2
Beoogde situatie ................................................................................................................ 9
Gebiedsbescherming............................................................................................................... 11 3.1
4
5
Doel .................................................................................................................................... 5
Natura 2000-gebieden ..................................................................................................... 11
3.1.1
Bescherming ............................................................................................................. 11
3.1.2
Gebiedsbeschrijving .................................................................................................. 12
3.1.3
Methode toetsing effecten ......................................................................................... 16
3.1.4
Toetsing effecten....................................................................................................... 17
3.1.5
Conclusies................................................................................................................. 20
Soortenbescherming ............................................................................................................... 21 4.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 21
4.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 21
4.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 22
4.4
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 22
4.5
Effecten ............................................................................................................................ 23
4.5.1
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 23
4.5.2
Vleermuizen .............................................................................................................. 23
4.5.3
Broedvogels .............................................................................................................. 25
4.5.4
Zorgplicht .................................................................................................................. 25
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 25
3/29
Kenmerk
6
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Literatuurlijst ............................................................................................................................ 27
Bijlage 1
Beoogde ontwikkeling op het terrein van GMB ......................................................... 29
4/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
1 Inleiding 1.1
Doel
In opdracht van GMB BioEnergie Zutphen BV heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor ontwikkelingen op het bedrijventerrein ten behoeve van vergroting van de slibverwerking. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage worden de volgende vragen beantwoord: • • •
Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig?
•
Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
1.1.1
Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen ‘Wnb’) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden is toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. 1.1.2 Beschermingsregime Natura 2000 bij projecten Op grond van artikel 2.7, eerste lid, Wnb is het verboden zonder een vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren of een andere handeling te verrichten die de kwaliteit van de aangewezen habitats of habitats van soorten van een Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect heeft. Volgens het derde lid van dat artikel verlenen gedeputeerde staten uitsluitend een vergunning indien is voldaan aan de bepalingen als opgenomen in artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid, van de Wnb.
Indien significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten, dan is geen sprake van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, en hoeft geen nadere ecologische beoordeling te worden gedaan. Er is echter wél sprake van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. Dan moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied (artikel 2.8, eerste lid Wnb). Een vergunning mag uitsluitend worden verleend indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de ‘natuurlijke kenmerken van het gebied’ niet zal aantasten.
5/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Deze toets gebiedsbescherming Wnb heeft tot doel te bepalen in hoeverre een passende beoordeling noodzakelijk is. 1.1.3
Het PAS
Een groot aantal van de in Nederland aangewezen Natura 2000-gebieden zijn opgenomen in het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vanwege de stikstofgevoelige natuur die zich binnen deze gebieden bevindt. Met het PAS wordt ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen (projecten). Tegelijkertijd worden met het PAS maatregelen vastgesteld waarmee geborgd wordt dat de natuurlijke kenmerken van de natuurgebieden niet worden aangetast. Het PAS omvat hiertoe een passende beoordeling. Met de komst van het PAS is AERIUS Calculator het rekeninstrument waarmee de stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd dienen te worden. Sinds de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 is het PAS komen te vervallen. Voor dit onderzoek zijn stikstofberekeningen uitgevoerd voorafgaand aan deze Raad van State uitspraak. Deze berekeningen zijn, naar aanleiding hiervan, geactualiseerd en als zodanig in dit rapport opgenomen en beschouwd.
1.2
Te beschouwen onderdelen
De gebieden- en soortenbescherming zijn onderdelen waarop getoetst moet worden. Voor de bescherming van gebieden is toetsing aan Natura 2000-doelen van belang. Gebiedsbescherming wordt ook gewaarborgd onder het Barro. Doordat het plangebied buiten het NNN valt, en in provincie Overijssel externe werking op het NNN niet van toepassing is, hoeft het NNN niet beschouwd te worden. De bescherming van houtopstanden is niet van belang, omdat er geen bomenrijen van 21 bomen of meer of houtopstanden van 10 are of meer worden gerooid.
1.3
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en indirecte effecten op Natura 2000 zijn bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • •
Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook H4) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF)
• •
Natuurkaart van Tauw (www.tauw.nl/natuurkaart) Een oriënterend veldbezoek op 16-8-2016
Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten en gebieden in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
1.4
Kwaliteit
Bij ecologische veldwerkzaamheden biedt Tauw garantie op de volledigheid over aanwezige beschermde gebieden. Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde
6/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is Tauw aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
1.5
Uitgangspunten
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: • De focus van de toetsing in dit rapport betreft de consequenties van het voorkomen van Wnb-
•
soorten en Natura 2000-gebieden op basis van wat op het moment van het opstellen van de rapportage bekend is De beoogde activiteiten zoals benoemd in paragraaf 2.2 zijn onderdeel van de toetsing in deze rapportage
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
GMB BioEnergie Zutphen is gevestigd op het bedrijventerrein De Mars te Zutphen. Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. De locatie van het plangebied (GMB) wordt begrensd door de huidige inrichting van GMB (zuidelijk), Fort de Pol (noordelijk-westelijk), westelijk de Letlandse straat en daarachter de uiterwaarden van de rivier de IJssel en oostelijk door de bedrijven aan de Doggersbank te Zutphen. GMB betreft een inrichting voor de duurzame verwerking van niet-gevaarlijke, organische rest- en afvalstoffen, met als hoofdactiviteiten slibverwerking door biologisch drogen c.q. nadrogen, eventueel voorafgegaan door ontwatering. Verwerkt worden niet-gevaarlijke zuiveringsslib van biologische afvalwaterzuiveringsinstallaties (communale rioolwaterzuiveringsinstallaties of ‘RWZI’s’, en industriële afvalwaterzuiveringsinstallaties of ‘awzi’s), en niet-gevaarlijke organische rest- en afvalstoffen uit onder meer de voedings-, vlees-, zuivel- en genotmiddelenindustrie, agrosectoren (bosland en tuinbouw) en agroverwerkende industrie. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het gebied. Het plangebied bestaat uit meerdere loodsen en productiehallen en een aantal buitenopslagen. Op het buitenterrein vinden interne voertuigbewegingen van shovels en vrachtauto’s plaats.
Tevens zijn er diverse laad en los locaties, een spuitplaats, alsmede een weegbrug op het terrein aanwezig, waar tank en vrachtwagens met stationaire motor draaien.
7/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (GIS-kaart)
8/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Figuur 2.2 Impressie van het plangebied
2.2
Beoogde situatie
Figuur 2.3 geeft de beoogde ontwikkeling weer (deze afbeelding is vergroot te vinden in bijlage 1). Het gaat om meerdere kleine aanpassingen op het huidige terrein. GMB wil graag uitbreiden ten opzichte van hun vigerende NB-wet vergunning (Natuurbeschermingswet, inmiddels is deze wet opgegaan in de Wet natuurbescherming), nog van voor 2015 en dus voor de inwerkingtreding van het PAS. Voor de beoogde ontwikkeling is geen bestemmingsplanwijziging benodigd. De uitbreiding omvat nieuwbouw, uitbreiding en vervanging van productiefaciliteiten en vervanging/verplaatsing van de schoorsteen. Daarbij komt ook een toename van vrachtwagenbewegingen en dieselverbruik van shovels. Hiervoor heeft GMB een aantal beoogde acties om het terrein hiervoor in te richten.
9/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Deze acties omvatten in ieder geval: • •
Kwalificatie biologisch drogen als nuttige toepassingshandeling R5 in plaats van als verwijderingshandeling D8 Uitbreiding derde productiehal met drie extra tunnels (T29-31) voor het biologisch drogen
•
(‘composteren’) echter bij gelijkblijvende totale slibverwerkingscapaciteit/jaar (zie boven) Uitbreiding van de ontwateringscapaciteit van 292.000 ton naar 400.000 ton met daaraan verbonden uitbreiding van het aantal vervoersbewegingen per etmaal
• • •
Uitbreiding vooropslag vloeibaar slib van 4.000 naar 5.500 m3 Uitbreiding opslag ammoniumsulfaat tot 8500 ton Vervanging van de schoorsteen en biofiltergebouw
•
Aanpassing en optimalisatie van de luchthuishouding om te blijven voldoen aan de vigerende geurnormen Uitbreiding van de procesluchtkoelingscapaciteit middels open koeltorens
• • •
Stikstofverwijdering centraatwater om te blijven voldoen aan vigerende lozingsnormen. Mogelijkheid tot het logistiek scheiden van verwerking communaal zuiveringsslib met euralcode 190805 en slibben/digestaten/toeslagstoffen met andere euralcoderingen
• • •
Verplaatsing was- en spuitplaats naar noordzijde Bouw en inrichting shovelwerkplaats en technisch magazijn Uitbreiding kantoor
• • •
Uitbreiding trafo en installering omvormers DCAC ten behoeve van zonnepanelen Beëindiging SaNiPhos (urineverwerking) Beëindiging van (niet gerealiseerde) vergister
Deze activiteiten kunnen relevante effecten hebben op de natuur vanwege: 1. Tijdelijke bouwactiviteiten 2. 3.
Uitbreiding vervoersbeweging en daarbij behorende uitstoot stikstofoxiden. Vanwege iets andere uitstoot schoorsteenemissies
10/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Figuur 2.3 Beoogde ontwikkeling op het terrein van GMB (grote kaart in bijlage 1)
3 Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk volgt de toetsing aan de gebiedenbescherming onder de Wnb.
3.1
Natura 2000-gebieden
3.1.1
Bescherming
In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van Natura 2000-gebieden. Het is verboden zonder vergunning projecten te realiseren die een negatief effect hebben op de aangewezen instandhoudingdoelstellingen van het gebied (artikel 2.7, lid 2). Dit geldt ook als projecten een significant verstorend effect kunnen hebben de instandhoudingsdoelen. Als sprake kan zijn van significant negatieve effecten is het noodzakelijk om een passende beoordeling te maken, waarbij de precieze effecten op het gebied worden uitgewerkt, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen van dat gebied. Alleen als uit de passende beoordeling zekerheid wordt verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast, kan het plan worden vastgesteld, of een vergunning worden verleend.
11/29
Kenmerk
3.1.2
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Gebiedsbeschrijving
Figuur 3.1 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het plangebied bevindt zich nabij het Natura 2000-gebied Rijntakken. De afstand van de planlocatie tot het Natura 2000 gebied bedraagt circa 80 meter ten opzichte van het plangebied. Dit deel van het Natura 2000-gebied is uitsluitend aangewezen als Vogelrichtlijngebied. De uiterwaarden IJssel is onderdeel van het Natura 2000-gebied en omvatten het merendeel van de buitendijkse delen van het rivierengebieden van de IJssel; de hoofdstroom zelf is niet in het richtlijngebied mee begrensd. Een beperkt deel hiervan is aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden zoals Cortenoever, Rammelwaard, Ravenswaard en Scherenwelle, vormt hier een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden, kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden. De Uiterwaarden IJssel is een belangrijk broed-, rust- en foerageergebied voor vogelsoorten die vaak als vogelrichtlijnsoort zijn aangewezen.
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Rijntakken
12/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Het Natura 2000-gebied Rijntakken is als zodanig aangewezen vanwege de aanwezigheid van kwalificerende habitattypen en soorten. De gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van deze kwalificerende habitattypen en soorten zijn beschreven in instandhoudingsdoelstellingen (zie tabel 3.1 en 3.2). Tabel 3.1 Kwalificerende vogelrichtlijnsoorten (broedvogel) Natura 2000-gebied Rijntakken (= Behoud, > Toename of verbetering) Vogelsoort
Landelijke staat van
Doel omvang populatie
Doel kwaliteit
instandhouding A004- Dodaars
+
=
=
A017- Aalscholver
+
=
=
A021- Roerdomp
--
>
>
A022- Woudaap
--
>
>
A119- Porseleinhoen
--
>
>
A122- Kwartelkoning
-
>
>
A153- Watersnip
--
=
=
A197- Zwarte stern
--
=
=
A229- IJsvogel
+
=
=
A249- Oeverzwaluw
+
=
=
A272- Blauwborst
+
=
=
A298- Grote karekiet
--
>
>
Tabel 3.2 Kwalificerende vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogel) Natura 2000-gebied Rijntakken Vogelsoort
A005- Fuut
Landelijke staat van
Doel omvang
Doel
Functie
instandhouding
populatie
kwaliteit
-
=
=
Foerageergebied
A017- Aalscholver
+
=
=
Foerageergebied
A037- Kleine zwaan
-
=
=
Foerageergebied en slaapplaats
A038- Wilde zwaan
-
=
=
Foerageergebied en slaapplaats
A039- Toendrarietgans
+
=
=
Slaap-en rustplaats
A041- Kolgans
+
=
=
Slaap-en rustplaats
A043- Grauwe gans
+
=
=
Slaap-en rustplaats
A045- Brandgans
+
=
=
Slaap-en rustplaats
A048- Bergeend
+
=
=
Foerageergebied
A050- Smient
+
=
=
Slaap-en rustplaats
A051- Krakeend
+
=
=
Foerageergebied
A052- Wintertaling
-
=
=
Foerageergebied
A053- Wilde eend
+
=
=
Foerageergebied
A054- Pijlstaart
-
=
=
Foerageergebied
A056- Slobeend
+
=
=
Foerageergebied
A059- Tafeleend
--
=
=
Foerageergebied
13/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Vogelsoort
Landelijke staat van
Doel omvang
Doel
Functie
instandhouding
populatie
kwaliteit
A061- Kuifeend
-
=
=
Foerageergebied
A068- Nonnetje
-
=
=
Foerageergebied
A125- Meerkoet
-
=
=
Foerageergebied
A130- Scholekster
--
=
=
Foerageergebied en Slaapplaats
A140- Goudplevier
--
=
=
Foerageergebied
A142- Kievit
-
=
=
Foerageergebied en slaapplaats
A151- Kemphaan
-
=
=
Foerageergebied
A156- Grutto
--
=
=
Foerageergebied en
A160- Wulp
+
=
=
A162- Tureluur
-
=
=
slaapplaats Foerageergebied en slaapplaats Foerageergebied en slaapplaats
In figuur 3.2 en 3.3 zijn de waarnemingen van Vogelrichtlijnsoorten weergegeven. Broedvogels worden in de directe omgeving maar beperkt waargenomen. Van niet-broedvogelsoorten zijn enkele waarnemingen in de directe omgeving maar lijkt het gebied nog van weinig belang. In de havenkom en ten westen van de IJssel lijkt van groter belang als rust- en foerageergebied voor deze soorten. Omdat het gebruik van Vogelrichtlijnsoorten van de directe omgeving van het projectgebied beperkt is, zullen effecten ook beperkt zijn.
14/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Figuur 3.2 Waarnemingen Vogelrichtlijnsoorten (broedvogel) in en rondom het projectgebied van de afgelopen vijf jaar.
15/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Figuur 3.3 Waarnemingen Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogel) in en rondom het projectgebied van de afgelopen vijf jaar.
3.1.3 Methode toetsing effecten In deze paragraaf wordt bepaald of het optreden van negatieve effecten al dan niet met zekerheid kan worden uitgesloten (www.tauw.nl/natuurwetgeving). De vraag over deze zekerheid wordt beantwoord via een oriënterende toets. Hiertoe is in kaart gebracht voor welke habitattypen of soorten het Natura 2000-gebied een bijzondere waarde heeft en wat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied zijn. Op basis van de bij Tauw aanwezige expertise en beschikbare literatuur wordt een uitspraak gedaan of het optreden van al dan niet significante effecten kan worden uitgesloten. Is er met zekerheid geen sprake van negatieve effecten op het Natura 2000-gebied, dan is geen vergunning noodzakelijk. Wanneer uit de voortoets blijkt dat effecten op de instandhoudingsdoelstellingen niet zijn uit te sluiten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk, eventueel gevolgd door een vergunningprocedure. Uit de passende beoordeling dient te blijken welke instandhoudingsdoelstellingen in welke mate worden geschaad. Dat is echter geen onderdeel van deze rapportage.
16/29
Kenmerk
3.1.4
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Toetsing effecten
Het plangebied valt buiten de Natura 2000-begrenzing. Om die reden is fysieke aantasting in de vorm van oppervlakteverlies en versnippering uit te sluiten. Doordat de afstand tot Natura 2000gebied Rijntakken minder dan 100 meter is zijn indirecte effecten niet op voorhand uit te sluiten. Om die reden is het van belang te toetsen in hoeverre er negatieve effecten op de aangewezen soorten van Natura 2000-gebied Rijntakken als gevolg van de ontwikkelingen bij GMB Zutphen aan de orde zijn. Op basis van de beoogde situatie ten opzichte van de huidige situatie kan een effect optreden in de vorm van: • Optische verstoring • • •
Verstoring door geluid Verstoring door licht Verstoring door mechanische effecten
• •
Trilling Stikstofdepositie
Optische verstoring Menselijke aanwezigheid kan verstorend werken voor vogelsoorten en habitatsoorten. Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soort specifiek en hangen af van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt aan de verstoringsbron. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring (Synbiosys, 2018). In de huidige situatie is het plangebied al goed afgeschermd door de wal op de dijk en aanwezige bosschages maar is er ook enige optische verstoring door onder andere een aantal windturbines in de omgeving. Ook kan door werkzaamheden optische verstoring optreden. Dit is een tijdelijke situatie. Ook maken maar weinig Vogelrichtlijnsoorten gebruik van het terrein. Doordat een groot deel van het terrein is afgeschermd door bosschages en de tijdelijke aard van de werkzaamheden zijn negatieve effecten door optische verstoring op voorhand uitgesloten. Verstoring door geluid Verstoring door geluid wordt veroorzaakt door onnatuurlijke geluidsbronnen. Dit kan een permanente geluidsbelasting zijn zoals wegverkeer of tijdelijk zoals bij evenementen.
Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Geluid treedt vaak op in combinatie met optische verstoring. Geluid kan echter ver dragen waardoor ook verder van de bron een verstorend effect kan optreden op aanwezige soorten. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd (Synbiosys, 2018).
17/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Door de bouwwerkzaamheden kan mogelijk tijdelijke geluidverstoring optreden. In de directe omgeving zijn weinig waarnemingen van vogelrichtlijnsoorten in de afgelopen vijf jaar (zie figuur 3.3). Het gebied lijkt dan ook weinig van belang als broed-, rust- en foerageergebied. Om die reden en door de tijdelijke aard van deze verstoring is een effect door geluidverstoring op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Rijntakken op voorhand uit te sluiten. In de permanente situatie zijn geen verschillen te verwachten in verhouding tot de huidige situatie. Om die reden zijn negatieve effecten door geluidverstoring op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Rijntakken op voorhand uit te sluiten. Verstoring door licht Onder lichtverstoring wordt verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. verstaan. Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken of verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden (Synbiosys, 2018). In de huidige situatie zijn al lichtmasten op het terrein aanwezig. Er is dus mogelijk enige lichtverstoring aanwezig.
Bij de beoogde ontwikkeling zijn geen plannen opgenomen om extra lichtmasten toe te voegen. Er zal dus geen toename zijn in lichtverstoring en om die reden zijn effecten door lichtverstoring op voorhand uit te sluiten. Wanneer extra verlichting wordt toegevoegd ten behoeve van de werkzaamheden kan verstoring door licht optreden. Echter maken Vogelrichtlijnsoorten maar beperkt gebruik van de omgeving van het projectgebied, om die reden zijn effecten niet uit te sluiten maar deze effecten zijn met zekerheid niet significant waardoor significant negatieve effecten wel zijn uit te sluiten. Verstoring door mechanische effecten Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype (Synbiosys, 2018). Doordat er geen werkzaamheden plaatsvinden binnen de Natura 2000-begrenzing is verstoring door mechanische effecten uit te sluiten.
18/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Trilling Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten worden veroorzaakt. Voorbeelden hiervan zijn boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Hierbij kunnen individuen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend (Synbiosys, 2018). Er vinden geen werkzaamheden plaats als heien in het water. Ook reikt trilling net ver in de bodem. In de directe omgeving worden Vogelrichtlijnsoorten maar weinig waargenomen. Om die reden zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebied Rijntakken op voorhand uit te sluiten. Stikstofdepositie Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied (Synbiosys, 2018). Eerder is door Tauw (2017) een stikstofberekening uitgevoerd (kenmerk N001-1261585XTK-V01beb-NL).
Door de recente ontwikkelingen rondom de stikstofdepositie regelgeving, en het vervallen van het PAS, heeft Tauw een oplegnotitie opgesteld waarin de situatie opnieuw is doorgerekend. Hierbij is een verschilberekening gemaakt tussen de aangevraagde situatie en de Natuurbeschermingswet vergunde situatie uit 2010. De resultaten van de berekeningen zijn weergegeven in tabel 3.1. Tabel 3.1 Resultaten Aerius berekening
Natuurgebied
Toename [mol/ha/jaar]
Wierdense Veld
0,00
Sallandse Heuvelrug
0,00
Borkeld
0,00
Boetelerveld
0,00
Rijntakken
0,00
Stelkampsveld
0,00
Veluwe
0,00
Landgoederen Brummen
0,00
In bovenstaande tabel is te zien dat het berekende effect overal 0,00 is. De stikstofbijdrage als gevolg van het project is daarmee nihil en dus verwaarloosbaar, waarmee een (significant) negatief effect door stikstof is uitgesloten.
19/29
Kenmerk
3.1.5
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Conclusies
Op basis van bovenstaande paragrafen is vastgesteld dat er geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden zijn. In tabel 5.1 is een samenvatting opgenomen van de voortoets. Overige negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn er niet.
20/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
4 Soortenbescherming In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de vraag of beschermde plant- en diersoorten door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk is.
4.1
Beschermingsregime en bepalingen In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: • • •
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in tabel 4.1. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
4.2
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Gelderland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten “vrij te stellen” van de ontheffingsplicht. Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.
21/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Tabel 4.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb
Verbodsbepaling
A
B
C
D
E
Vogels Vrl
Dieren
Planten
Dieren
Planten
Hrl/
Hrl/
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern
Bonn/Bern
Dieren of planten: Doden of vangen
3.1.1
3.5.1
Storen / verstoren
3.1.4 (tenzij
3.5.2
3.10.1.a
3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of –Vrl- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
Toelichting: •
Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming
•
Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet
•
Rood
verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet
4.3
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken / ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
4.4
Literatuuronderzoek
De volgende soortgroepen (zie tabel 4.2) zijn, op grond van het literatuuronderzoek, in de omgeving van het plangebied waargenomen: grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels en vogels jaarrond beschermd.
22/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Het plangebied is ongeschikt voor de volgende soortgroepen: vissen, amfibieën en reptielen, vlinders, libellen en overige ongewervelden en flora vanwege het ontbreken van geschikt biotoop. Het terrein is voornamelijk verhard. Waterhoudende sloten, open water, goed ontwikkeld bos en structuurrijke vegetaties over een groot oppervlak ontbreken in het plangebied. Deze soortgroepen worden om die reden niet verder behandeld in deze rapportage. Tabel 4.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep
Aanwezige soorten in omgeving
Grondgebonden zoogdieren
Steenmarter
Vleermuizen
Baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis
Vogels
Algemene broedvogels
Vogels jaarrond beschermd
Gierzwaluw, huismus en kerkuil
In de vigerende NB-wet vergunning is opgenomen dat GMB een overwinteringsterrein voor kamsalamander moest realiseren. Hier hebben zij aan voldaan. Dit terrein blijft behouden doordat de beoogde werkzaamheden vinden niet op dit terrein plaatsvinden. Er zijn ook geen werkzaamheden op ander terrein wat mogelijk geschikt is voor de kamsalamander wegens ontbreken ruigten, vochtige terreinen of ander geschikt habitat. Om die reden wordt de kamsalamander verder niet behandeld in de rapportage.
4.5
Effecten
4.5.1 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Bij het oriënterende veldbezoek zijn ook geen geschikte verblijfplaatsen aangetroffen, omdat geschikte rommelhoekjes, ruigten en openingen voor steenmarter op het terrein ontbreken. Negatieve effecten op grondgebonden zoogdieren als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn er daarom niet. 4.5.2 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Bij het oriënterende veldbezoek zijn geen geschikte verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en foerageergebieden van deze soortgroep aangetroffen, omdat openingen in gebouwen ontbreken en er vrijwel geen bomen aanwezig zijn op het terrein. Door afwezigheid van groen ontbreekt ook dekking voor de soorten. Hier wordt daarom niet of alleen marginaal gefoerageerd en
23/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
rondgevlogen. De drie platanen die gerooid gaan worden zijn ongeschikt als vliegroute omdat verder doorgaande groenstructuren ontbreken.
Locatie waar de productiehal wordt
Locatie die wordt uitgebreid met biofilters
uitgebreid + 3 tunnels
Te slopen gebouw
24/29
Kenmerk
4.5.3
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Broedvogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Bij het oriënterende veldbezoek zijn geen geschikte nesten en rustplaatsen van huismus, gierzwaluw en kerkuil aangetroffen, omdat holtes en luwten in gebouwen, bomen en andere mogelijk geschikte nestplaatsen ontbreken. Negatieve effecten op deze soortgroep als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn er daarom niet. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart t/m juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Afhankelijk van het weer kunnen vogels echter ook vroeger of later broeden. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan het rooien van de drie bomen nabij het kantoor en voorafgaand aan sloopwerkzaamheden is nodig om mogelijke overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald.
4.5.4 Zorgplicht Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing. 1. Bij het aantreffen van beschermde soorten voorafgaand aan de werkzaamheden laten adviseren door een ter zake kundige 2. Bij de drie platanen voorafgaand aan het rooien controleren op aanwezige nesten of rooien buiten het broedseizoen (broedseizoen duurt van half maart tot half juli)
5 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van GMB BioEnergie Zutphen BV heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor ontwikkelingen op het bedrijventerrein ten behoeve van vergroting van de slibverwerking. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend.
25/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? De gebieden- en soortenbescherming zijn onderdelen waarop getoetst moet worden. Voor de bescherming van gebieden is toetsing aan Natura 2000-doelen van belang. Gebiedsbescherming wordt ook gewaarborgd onder het Barro. Doordat het plangebied buiten het NNN valt, en in provincie Gelderland externe werking op het NNN niet van toepassing is, hoeft het NNN niet beschouwd te worden. De bescherming van houtopstanden is niet van belang, omdat er geen bomenrijen van 21 bomen of meer of houtopstanden van 10 are of meer worden gerooid. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Op het onderdeel gebiedenbescherming zijn er geen effecten op de Natura 2000-gebieden. Voor het onderdeel soortenbescherming zijn op basis van literatuuronderzoek, in de omgeving van het plangebied waargenomen: grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels en vogels jaarrond beschermd. Het plangebied is ongeschikt voor de volgende soortgroepen: vissen, amfibieën en reptielen, vlinders, libellen en overige ongewervelden en flora vanwege het ontbreken van geschikt biotoop. Het terrein is voornamelijk verhard. Waterhoudende sloten, open water, goed ontwikkeld bos en structuurrijke vegetaties over een groot oppervlak ontbreken in het plangebied.
Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Ook zijn er geen geschikte verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en foerageergebieden waargenomen. Om die reden zijn effecten op de overige soortgroepen; grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels uitgesloten. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart t/m juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Afhankelijk van het weer kunnen vogels echter ook vroeger of later broeden. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan het rooien van de drie bomen nabij het kantoor en voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden is nodig om mogelijke overtreding van de wet te voorkomen. Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? Voor deze ontwikkelingen zijn geen vergunningen danwel ontheffingen benodigd. Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? In tabel 5.1 is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming.
26/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Tabel 5.1. Conclusies toetsing soorten- en gebiedsbescherming Soortenbescherming
Effect
Vervolgstappen
Grondgebonden zoogdieren
Geen overtreding artikel
n.v.t.
3.5 of 3.10 Vleermuizen
Geen overtreding artikel
n.v.t.
3.5 Vogels
Geen overtreding artikel
n.v.t.
3.1 Vogels jaarrond beschermd
Geen overtreding artikel
n.v.t.
3.1 of 3.5
Natura 2000-doelen
Effect
Vervolgstappen
Optische verstoring
Geen effect
Niet van toepassing
Verstoring door geluid
Geen effect
Niet van toepassing
Verstoring door licht
Geen effect
Niet van toepassing
Verstoring door mechanische
Geen effect
Niet van toepassing
Trilling
Geen effect
Niet van toepassing
Stikstof
Geen effect
Niet van toepassing
effecten
6 Literatuurlijst Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
27/29
Kenmerk
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. Soortenstandaarden, Ministerie van Economische Zaken Synbiosys, 2018. Effectenindicator. Geraadpleegd op 12-8-2018 op: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab= 1 van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl
28/29
Kenmerk
Bijlage 1
R003-1261585WLI-V03-mdg-NL
Beoogde ontwikkeling op het terrein van GMB
29/29
Was- en spuitplaats
91
TOP industriegrond
centraat opslag D26m H9m
70 81 82
61 koeltorens 63 62 Ventilatorruimte
Schoorsteen (vervanging)
(vervanging)
Biofilters PL (vervanging)
51
52
53
54
26
3 tunnels + productiehal 4
silo 130
Decanter + DAF
112
101
102
111
101 102
106 105 v 104 z 103
27
34
15
42 43 47
28
44
DCAC2
14
13
12
46
24
31 41
121
100
silo 114 114
silo 113 113
55 45
25
33
56
122
windturbine
32 trafo5 DCAC5
DCAC4 trafo4
135
Besturing
62
61
Ammoniumsulfaat opslag
10 11
29
MSInk trafo3 DCAC3
18
19
DCAC1
21 20 22
16
01
03
ruimte/depot in zone 10
40
Los/laadpunt zone 40
nieuw onderdeel
nieuw/uitbreiding gebouw/installatie vervangende nieuwbouw gebouw/installatie
kantoor
23
14
vergund onderdeel: gebouw/installatie wordt vervangen op andere locatie
17
02 00 TD Magazijn
TD Shovels
parkeren (vervanging)
uitbreiding kantoor
vergunningaanvraag 2017/jun 2019 veranderingen t.a.v. vigerend
Kenmerk
Bijlage 4
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Stikstofdepositie GMB
Notitie Contactpersoon
Sander Kamp
Datum
24 juni 2020
Kenmerk
N001-1275773KMS-V01-kzo-NL
Effect stikstofdepositie door schoorsteenverhoging GMB Bio-Energie Zutphen B.V. 1 Inleiding In december 2019 heeft GMB voor de locatie in Zutphen de Wet natuurbeschermingsaanvraag ingediend. In die aanvraag is de schoorsteenverplaatsing opgenomen. De definitieve vergunning is afgegeven (fase 1, d.d. 15 juni 2020; fase 2, 19 juni 2020). Aanvullend wordt met voorliggende notitie onderbouwd dat er, netto gezien, geen effecten zijn ten gevolge van de schoorsteenverhoging van 85 naar 125 m. In hoofdstuk 2 worden de uitgangspunten ten behoeve van de aanlegfase beschreven en in hoofdstuk 3 de uitgangspunten ten behoeve van de gebruiksfase. Hoofdstuk 4 geeft de gehanteerde modelleer wijze in AERIUS en hoofdstuk 5 de resultaten en conclusie van het onderzoek.
2 Kenmerken aanlegfase Emissies aanlegfase De schoorsteen wordt verhoogd van 85 naar 125 m hoogte, gemeten vanaf maaiveld. Daarvoor wordt, los van de verplaatsing, extra uren voor de kranen verwacht. De NOx-emissie ten gevolge van de extra uren van de kraan bedraagt: 48 uur x 550 kW vermogen x 60 % deellast x 0,44 g NOx/kWh = 7 kg NOx Tevens vindt extra transport plaats van twee vrachtwagens. De werkzaamheden worden uitgevoerd in twee dagen. Tijdens de werkzaamheden is er een productie stop. Gedurende twee dagen van het jaar zal geen emissie vanuit de schoorsteen plaats vinden: • NOx: in de aanvraag is gerekend met 1.372 kg per jaar vanuit de schoorsteen. Tijdens de productiestop wordt 2/365e deel niet geëmitteerd: 1.372*(2/365) = 7,5 kg NOx •
NH3: in de aanvraag is gerekend met 1.212 kg per jaar vanuit de schoorsteen. Dit leidt tot reductie van 1.212*(2/365) = 6,6 kg NH3
Kenmerk
N001-1275773KMS-V01-kzo-NL
Tijdens de aanlegfase kan de proceslucht uit tunnels niet worden verwerkt, dus de tunnels liggen stil en shovelsbewegingen vinden ook minimaal plaats. Het lossen/laden en aan- en afvoer van verkeer gaan wel door.
3 Effect schoorsteenverhoging in de gebruiksfase De basis voor de berekening in de gebruiksfase is het beoogde scenario uit de AERIUS berekening welke is bijgevoegd bij de aanvraag Wnb in december 2019. Zoals gezegd is deze vergunning reeds afgegeven. Dit scenario wordt uitgezet tegen hetzelfde scenario waarin de schoorsteenverhoging is doorgevoerd naar 125 m. Opgemerkt dient te worden dat naast voorgenoemde ontwikkeling tevens meegenomen wordt dat schonere vrachtwagens van en naar de inrichting rijden: EURO V in plaats van EURO VI. De vergelijking wordt gemaakt in tabel 3.1, waar de emissies per categorie in kaart worden gebracht. Worst case wordt in de situatie bij schoorsteenverhoging geen rekening gehouden met de productie stop van twee dagen, in tegenstelling tot de doorrekening van sec de aanlegfase (hoofdstuk 2). Tabel 3.1 Overzicht NOx en NH3-emissies Broncategorie
Schoorsteen NOx
Aanvraag december 2019
Schoorsteenverhoging
(schoorsteenhoogte 85 m)
(schoorsteenhoogte 125 m)
1.372, waarvan 735 kg ten gevolge
1.057 1
van inpandig laden/lossen Uitpandig gebruik shovels NOx
112,41
112,41
Stationair draaien vrachtwagens
2.276,4
1.300,8 2
Aanlegfase schoorsteenverhoging
-
7
Schoorsteen NH3
1.212
1.212
NOx
1) 735 kg ten gevolge van laden/lossen vrachtwagens, uitgaande van EURO IV (3,5 gram NOx/kWh). Bij EURO V vrachtwagens is de emissie 735 * (2/3,5) = 420 kg. De emissie uit de schoorsteen bedraagt zodoende 1.372735+420 = 1.057 kg. 2) 2.276,4 kg ten gevolge van stationair draaiende vrachtwagens op het buitenterrein, uitgaande van EURO IV. De emissie op het terrein ten gevolge van stationair draaiende vrachtwagens bedraagt indien uitgaan van EURO V: 2.276,4 * (2/3,5) = 420 kg 1.301 kg.
2/4
Kenmerk
N001-1275773KMS-V01-kzo-NL
4 AERIUS De verspreiding en depositie zijn berekend met het model AERIUS Calculator versie 2019A. Er is gerekend met rekenjaar 2020. Voor de aanlegfase zijn de meeste werkzaamheden gemodelleerd als een vlakbron met hoogte en spreiding van 4 m. Dit zijn default waarden. De verkeersbewegingen zijn in AERIUS gemodelleerd als lijnbronnen, waar de overige bronnen als puntbronnen zijn gemodelleerd. Tabel 4.1 Gehanteerde bronkenmerken in AERIUS Calculator Type emissiebron
AERIUS-broncategorie
AERIUS-subsector
Verkeersbewegingen in aanlegfase
Wegverkeer
Binnen de bebouwde kom
Verkeersbewegingen aangevraagde
Wegverkeer
Binnen de bebouwde kom
Mobiele werktuigen
Bouw en industrie 1
Werktuigen in aanlegfase
Mobiele werktuigen
Bouw en industrie
Shovels op het buitenterrein
Mobiele werktuigen
Bouw en industrie
Centrale schoorsteen
Industrie
Overig
situatie Stationair draaien van tank- en vrachtwagens
In AERIUS wordt de verkeersemissie berekend op basis van de lengte van de ingetekende rijroute, het aantal en type voertuigen, het wegtype en de mate van stagnatie. De tank- en vrachtwagens zijn in AERIUS gemodelleerd als zwaar vrachtverkeer, de bestelbussen zijn gemodelleerd als middelzwaar vrachtverkeer, en de personenauto’s zijn gemodelleerd als licht verkeer. Voor het verkeer buiten de inrichting is uitgegaan van het wegtype binnen de bebouwde kom, zonder stagnatie, overeenkomend met de emissiefactoren behorende bij stadsverkeer met minder congestie (gemiddelde snelheid van 37 km/h). Voor verkeer op het terrein is worstcase uitgegaan van het wegtype binnen de bebouwde kom met 100 % stagnatie, overeenkomend met de laagste snelheidscategorie (13 km/uur) waarvoor emissiefactoren beschikbaar zijn gesteld. Er zijn in dit onderzoek twee berekeningen uitgevoerd: 1. Berekening van de aanlegfase van de schoorsteenverhoging. In bijlage 1 wordt de AERIUSexport gegeven met daarin de invoergegevens. Het betreft een verschilberekening waarin de 2.
productiestop in aftrek is genomen Verschilberekening van de gehele beoogde situatie plus de aanlegfase van de schoorsteenverhoging minus in december 2019 aangevraagde situatie voor de Wet natuurbescherming. In bijlage 2 is de AERIUS export gegeven met daarin de invoergegevens