CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels_Omgevingsplan Landelijk gebied Zutphen

Raadsvergadering 4 juli 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied34.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

terrein. Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 29.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waar-en van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 29.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;

29.4.2

29.4.3

77

29.4.4

29.4.5

29.4.6

29.5

b werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk, 2 mits deze niet meer bedragen dan 10 m ; c werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn. Toelaatbaarheid Ten aanzien van de in artikel 29.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaats te vinden; b het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Voorschriften bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 29.4.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, waaronder: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen.

Deskundig advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 29.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. Flexibiliteit - Wijzigen Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de bestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde’, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

78

Artikel 30

Waarde - Archeologie middelhoge verwachtingswaarde

30.1

Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Archeologie middelhoge verwachtingswaarde’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

30.2 30.2.1

Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemming Voorwaarden Ten aanzien van het oprichten van nieuwe bebouwing gelden de volgende regels: a bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprich2 ten van een bouwwerk groter dan 500 m dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3 de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4 de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de

archeologische waarden is omgegaan; c het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. Afwijken van Bouwen Er mag afgeweken van het onder artikel 30.2.1 bepaalde indien: a op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij 2 de oppervlakte met maximaal 500 m wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, mits de 2 uitbreiding niet meer bedraagt dan 500 m , met uitzondering van nieuwe kelders. Archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 30.2.1 onder a wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 30.2.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld

30.2.2

30.2.3

79

30.3

Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat er plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische momenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

30.4 30.4.1

Uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden Verbod Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 30.1 genoemde gronden de volgende werken, geen gebouwen zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a het ophogen egaliseren en ontginnen van gronden; b grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 m onder het maaiveld over een oppervlakte 2 van meer dan 500 m , waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c het aanleggen van overbeschoeiingen; d het verlagen of afgraven van de bodem; e het verlagen van het waterpeil; f het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; g het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; h rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; i het aanbrengen van diepwortelende beplanting; j het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; k alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein.

Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 30.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waar-en van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 30.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk, 2 mits deze niet meer bedragen dan 500 m ; c werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn.

30.4.2

30.4.3

80

30.4.4

30.4.5

30.4.6

30.5

Artikel 31 31.1

Toelaatbaarheid Ten aanzien van de in artikel 30.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaats te vinden; b het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

Voorschriften bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 30.4.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, waaronder: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen. Deskundig advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 30.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Flexibiliteit - Wijzigen Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de bestemming 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachtingswaarde’, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

81

31.2 31.2.1

31.2.2

31.2.3

Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemming Voorwaarden Ten aanzien van het oprichten van nieuwe bebouwing gelden de volgende regels: a bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprich2 ten van een bouwwerk groter dan 10.000 m dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3 de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4 de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de

archeologische waarden is omgegaan; c het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. Afwijken van Bouwen Er mag afgeweken van het onder artikel 31.2.1 bepaalde indien: a op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij 2 de oppervlakte met maximaal 10.000 m wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, mits de 2 uitbreiding niet meer bedraagt dan 10.000 m , met uitzondering van nieuwe kelders. Archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 31.2.1 onder a wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 31.2.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld.

82

31.3

Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat er plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische momenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

31.4 31.4.1

Uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden Verbod Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 31.1 genoemde gronden de volgende werken, geen gebouwen zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a het ophogen egaliseren en ontginnen van gronden; b grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 m onder het maaiveld over een oppervlakte 2 van meer dan 10.000 m , waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, ver-ruime of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c het aanleggen van overbeschoeiingen; d het verlagen of afgraven van de bodem; e het verlagen van het waterpeil; f het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; g het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; h rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; i het aanbrengen van diepwortelende beplanting; j het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; k alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein.

Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 31.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waar-en van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 31.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk, 2 mits deze niet meer bedragen dan 10.000 m ; c werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn.

31.4.2

31.4.3

83

31.4.4

31.4.5

31.4.6

31.5

Artikel 32 32.1

Toelaatbaarheid Ten aanzien van de in artikel 31.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaats te vinden; b het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

Voorschriften bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 31.4.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, waaronder: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen. Deskundig advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 31.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Flexibiliteit - Wijzigen Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de bestemming 'Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde’, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Waarde - Archeologie IJsselbedding Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Archeologie IJsselbedding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden vanwege het feit dat het bekend is dat hier in het verleden de IJssel heeft gelopen.

84

32.2 32.2.1

32.2.2

32.2.3

32.3

Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemming Voorwaarden Ten aanzien van het oprichten van nieuwe bebouwing gelden de volgende regels: a bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprich2 ten van een bouwwerk groter dan 1.000 m dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3 de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4 de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de

archeologische waarden is omgegaan; c het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. Afwijken van Bouwen Er mag afgeweken van het onder artikel 32.2.1 bepaalde indien: a op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij 2 de oppervlakte met maximaal 5 m wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, mits de 2 uitbreiding niet meer bedraagt dan 5 m , met uitzondering van nieuwe kelders. Archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 32.2.1 onder a wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 32.2.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld.

Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat er plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische momenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

85

32.4 32.4.1

32.4.2

32.4.3

32.4.4

Uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden Verbod Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 32.1 genoemde gronden de volgende werken, geen gebouwen zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a het ophogen egaliseren en ontginnen van gronden; b grondwerkzaamheden dieper dan 5,50 + NAP onder het maaiveld over een opper2 vlakte van meer dan 1.000 m , waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c het aanleggen van overbeschoeiingen; d het verlagen of afgraven van de bodem; e het verlagen van het waterpeil; f het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; g het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; h rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; i het aanbrengen van diepwortelende beplanting; j het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; k alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein.

Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 32.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waar-en van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 32.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk, 2 mits deze niet meer bedragen dan 5 m ; c werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn.

Toelaatbaarheid Ten aanzien van de in artikel 32.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrek-

86

32.4.5

32.4.6

32.5

king heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaats te vinden; b het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Voorschriften bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 32.4.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, waaronder: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen.

Deskundig advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 32.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. Flexibiliteit - Wijzigen Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de bestemming 'Waarde - Archeologie IJsselbedding’, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

87

10 Artikel 33

Gebiedskwaliteiten - Cultuurhistorie Vrijwaringszone - molenbiotoop

33.1

Bij recht - Gebruiken De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en herstel van de windvang van De Warkense molen.

33.2

Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemmingen In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen gelden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ dat niet hoger mag worden gebouwd dan: a binnen een afstand van 100 m van de molen: bouwhoogte is gelijk aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen; b buiten een afstand van 100 m vanaf de molen tot een afstand van 400 m vanaf de molen mogen geen hogere gebouwen: de hierboven genoemde bouwhoogte vere meerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen.

33.3

Flexibiliteit - Afwijken Met omgevingsvergunning kan worden toegestaan dat conform de onderliggende bestemmingen wordt gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de beheerder van de molen.

Artikel 34 34.1 34.1.1

34.1.2

34.2 34.2.1

Waarde - Beschermd dorpsgezicht Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Beschermd dorpsgezicht’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de cultuurhistorische, architectonische en landschappelijke waarden van het beschermd dorpsgezicht. De beschermde dorpsgezichten staan geregistreerd op een lijst van gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten, welke de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, wijziging dan wel het onherroepelijke wijzigingsbesluit, en een beschrijving van cultuurhistorische waarden bevat. Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemmingen In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemming van deze gronden, mag op de in artikel 34.1 bedoelde gronden aan de bebouwing geen verandering worden aangebracht in de bestaande situatie ten aanzien van volgende karakteristieken/kenmerken: a de voorgevelrooilijn; b de zijgevelrooilijn; c perceelsbreedte; d aantal bouwlagen; e kaprichting en -vorm; f karakteristieke en/of waardevolle architectonische kenmerken.

88

34.2.2

Er mogen geen gebouwen of onderdelen van gebouwen worden opgericht waarvoor geen omgevingsvergunning bouwen is verleend.

34.3

Flexibiliteit - Afwijken Met omgevingsvergunning kan worden gebouwd conform onderliggende bestemming, mits: a de karakteristieken/kenmerken van het beschermd dorpsgezicht niet worden aangetast; b advies wordt ingewonnen bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie.

34.4 34.4.1

Flexibiliteit - Slopen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34.4.1 kan worden geweigerd indien het niet aannemelijk is dat op de plaats een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34.4.1 is niet vereist voor slopen, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering was of kon worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning. Voorafgaand aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34.4.1 moet advies gevraagd worden bij de erfgoedadviesraad. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34.4.1 kan worden ingetrokken, indien: a blijkt dat de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; c blijkt dat de vergunninghouder de omgevingsvergunning of de voorschriften verbonden aan die vergunning niet naleeft.

34.4.2

34.4.3

34.4.4 34.4.5

34.5 34.5.1

34.5.2

34.5.3

Flexibiliteit - Wijzigen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door toekenning van de dubbelbestemming ‘Waarde - Beschermd dorpsgezicht’ aan een dorpsgezicht of de dubbelbestemming te wijziging, mits: a bij toekenning van de dubbelbestemming advies is gevraagd aan de Erfgoedadviesraad, tenzij het een wijziging van ondergeschikte aard betreft; b het geen beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van de Erfgoedwet betreft; c het onherroepelijke vaststellingsbesluit wordt geregistreerd op de gemeentelijke van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten. Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het verwijderen van de bestemming ‘Waarde - Beschermd dorpsgezicht’, mits: a advies is gevraagd aan de Erfgoedadviesraad; b het onherroepelijke vaststellingsbesluit wordt geregistreerd op de lijst van gemeentelijke beschermd stads- en dorpsgezichten. Burgemeester en wethouders wijzigen het plan door het verwijderen van de bestemming ‘Waarde - Beschermd dorpsgezicht’ indien het wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van de Erfgoedwet, mits het onherroepelijke vaststellingsbesluit wordt geregistreerd op de lijst van gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten.

89

Artikel 35 35.1 35.1.1

35.1.2

Waarde - Beschermd stadgezicht Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Beschermd stadsgezicht’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de aan de gronden eigen zijnde waarde wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarden. De beschermde stadsgezichten staan geregistreerd op een lijst van gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten, welke de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, wijziging dan wel het onherroepelijke wijzigingsbesluit, en een beschrijving van cultuurhistorische waarden bevat.

35.2

Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemmingen In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemming van deze gronden, mag op de in artikel 35.1 bedoelde gronden alleen bebouwing worden aangebracht indien de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel de wetenschappelijke of cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht niet in onevenredige mate wordt aangetast.

35.3

Flexibiliteit - Afwijken Met omgevingsvergunning kan worden gebouwd conform onderliggende bestemming, mits: a de karakteristieken/kenmerken van het beschermd dorpsgezicht niet worden aangetast; b advies wordt ingewonnen bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie.

35.4 35.4.1

Flexibiliteit - Slopen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 35.4.1 kan worden geweigerd indien het niet aannemelijk is dat op de plaats een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 35.4.1 is niet vereist voor slopen, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering was of kon worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning. Voorafgaand aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 35.4.1 moet advies gevraagd worden bij de erfgoedadviesraad. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 35.4.1 kan worden ingetrokken, indien: a blijkt dat de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; c blijkt dat de vergunninghouder de omgevingsvergunning of de voorschriften verbonden aan die vergunning niet naleeft.

35.4.2

35.4.3

35.4.4 35.4.5

90

35.5 35.5.1

35.5.2

35.5.3

Artikel 36

Flexibiliteit - Wijzigen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door toekenning van de dubbelbestemming ‘Waarde - Beschermd stadsgezicht’ aan een stadsgezicht of de dubbelbestemming te wijzigen, mits: a bij toekenning van de dubbelbestemming advies is gevraagd aan de Erfgoedadviesraad, tenzij het een wijziging van ondergeschikte aard betreft; b het geen beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van de Erfgoedwet betreft; c het onherroepelijke vaststellingsbesluit wordt geregistreerd op de gemeentelijke van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten. Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het verwijderen van de bestemming ‘Waarde - Beschermd stadsgezicht’, mits: a advies is gevraagd aan de Erfgoedadviesraad; b het onherroepelijke vaststellingsbesluit wordt geregistreerd op de lijst van gemeentelijke beschermd stads- en dorpsgezichten. Burgemeester en wethouders wijzigen het plan door het verwijderen van de bestemming ‘Waarde - Beschermd stadsgezicht’ indien het wordt aangewezen als stads- of dorpsgezicht op grond van de Erfgoedwet, mits het onherroepelijke vaststellingsbesluit wordt geregistreerd op de lijst van gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten.

Waarde - Cultuurhistorie

36.1

Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden van ensembles/erven alsmede de bouwwerken.

36.2

Voorwaarde bouwen conform onderliggende bestemmingen In afwijking van de regels behorende bij de andere daar voorkomende (dubbel)bestemmingen, mag een bouwwerk op de in artikel 36.1 bedoelde gronden slechts gedeeltelijk worden vernieuwd en/of veranderd, mits: a het uitwendig karakter van het bouwwerk in bestaande toestand niet wordt veranderd voor wat betreft de hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, de dakvorm, de nokrichting en de dakhelling alsmede de gevelindeling door ramen, deuropeningen en erkers, zonweringen en luifels; b overigens voldaan wordt aan het bepaalde in de bouwregels behorende bij de ter plaatse geldende bestemming.

36.3

Flexibiliteit - Afwijken Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 36.2, indien toepassing van dit artikel zou leiden tot een onevenredige beperking van het gebruik van de gronden.

91

36.4 36.4.1 36.4.2

36.4.3

36.4.4

Artikel 37 37.1 37.1.1

37.1.2

37.2 37.2.1

37.2.2

Flexibiliteit - Slopen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 36.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het geheel of gedeeltelijk slopen dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de beeldbepalende cultuurhistorische waarden van het bouwwerk en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 36.4.1 wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen van een gemeentelijke adviescommissie op het gebied van cultuurhistorie. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 36.4.1 is niet vereist voor: a slopen, dat behoort tot het normale onderhoud en beheer; b slopen, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering was of kon worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Waarde - Gemeentelijk monument Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Gemeentelijk monument’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van een gemeentelijk monument. De gemeentelijke monumenten staan geregistreerd op een gemeentelijke monumentenlijst, welke de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, wijziging dan wel het onherroepelijke wijzigingsbesluit, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument bevat. Ook intrekkingen worden op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd. Specifieke gebruiksregels Het is verboden een gemeentelijke monument: a te beschadigen of te vernielen; b af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; c te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; met dien verstande dat het bepaalde onder b en c niet van toepassing is indien de activiteit betrekking heeft op: 1 gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en bestaande vergunde kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt; of 2 een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het gemeentelijk monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

Zodra een gebouw als ‘Waarde - Gemeentelijk monument’ is bestemd, dient de eigenaar op de voorgevel daarvan het gemeentelijk monumentenschild aan te brengen.

92

37.3 37.3.1

37.3.2

37.3.3

37.4 37.4.1

Flexibiliteit - Afwijken Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 37.2.1 onder b en onder c, mits: a een deskundigenrapport wordt overlegd, waarin: 1 de uitkomsten zijn beschreven van een onderzoek naar de architectonische, bouwhistorische, interieurhistorische, kleurhistorische, tuinhistorische, wetenschappelijke en/of cultuurhistorische ontwikkeling en waarde van het gemeentelijke monument; 2 de werkzaamheden worden beschreven alsmede de wijze waarop deze worden uitgevoerd; b overeenstemming is bereikt met de eigenaar van een monument met een religieus gebruik, indien de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn; c advies is gevraagd aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie; en d het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 37.3.1 kan worden ingetrokken, indien: a blijkt dat de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend of b de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen of c blijkt dat de vergunninghouder de omgevingsvergunning of de voorschriften verbonden aan die vergunning niet naleeft.

Met omgevingsvergunning kan vooruitlopend op de wijziging van het plan zoals geregeld in artikel 37.4.1 een zaak of terrein als gemeentelijk monument worden aangewezen, mits: a advies is gevraagd aan de Erfgoedadviesraad; b het een zaak met een religieus gebruik betreft en dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst er overleg wordt gevoerd met de eigenaar; c het geen beschermd monument op grond van de Erfgoedwet betreft; d indien noodzakelijk bouwhistorisch onderzoek is verricht; e het onherroepelijke besluit wordt meegedeeld aan degene(n) die als zakelijk gerechtigde(n) in de kadastrale legger bekend staan; f het onherroepelijke besluit wordt geregistreerd om de gemeentelijke monumentenlijst.

Flexibiliteit - Wijzigen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door toekenning van de dubbelbestemming ‘Waarde - Gemeentelijk monument’ aan een zaak of terrein of de dubbelbestemming te wijzigen, mits: a bij toekenning van de dubbelbestemming advies is gevraagd aan de Erfgoedadviesraad; b het een zaak met een religieus gebruik betreft en dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst er overleg wordt gevoerd met de eigenaar; c het geen beschermd monument op grond van de Erfgoedwet betreft; d indien noodzakelijk bouwhistorisch onderzoek is verricht; e het onherroepelijke vaststellingsbesluit van het plan wordt meegedeeld aan degene(n) die als zakelijk gerechtigde(n) in de kadastrale legger bekend staan;

93

f 37.4.2

37.4.3

Artikel 38 38.1 38.1.1

38.1.2

het onherroepelijke vaststellingsbesluit wordt geregistreerd om de gemeentelijke monumentenlijst. Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het verwijderen van de bestemming ‘Waarde - Gemeentelijk monument’, mits: a advies is gevraagd aan de Erfgoedadviesraad; b het besluit tot wijzigen van het plan wordt meegedeeld aan degene(n) die als zakelijk gerechtigde(n) in de kadastrale legger bekend staan; c het onherroepelijke vaststellingsbesluit wordt geregistreerd om de gemeentelijke monumentenlijst. Burgemeester en wethouders wijzigen het plan door het verwijderen van de bestemming ‘Waarde - Gemeentelijk monument’ indien het wordt aangewezen als rijksmonument, mits het onherroepelijke vaststellingsbesluit wordt geregistreerd om de gemeentelijke monumentenlijst.

Waarde - Rijksmonument Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Rijksmonument’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van een rijksmonument en de bijbehorende gronden zoals beschreven in de aanwijzing van het monument. De rijksmonumenten staan geregistreerd op een gemeentelijke monumentenlijst, welke de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, wijziging dan wel het onherroepelijke wijzigingsbesluit, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument bevat. Ook intrekkingen worden op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.

94

11 Artikel 39

Gebiedskwaliteit - Landschap Waarde - Beekdal

39.1

Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Beekdal’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en verdere ontwikkeling van het gebiedsDNA landschap, bestaande uit de volgende landschappelijke waarden: a openheid; b grote blokvormige kavel; c groene omzoming van het erf; d meanderende beken met brede oeverzones.

39.2

Voorwaarde bouwen conform onderliggende bestemmingen Bij aanvraag om omgevingsvergunning bouwen dient middels een erfinrichtingsplan te worden aangetoond dat de bebouwing waarop de aanvraag ziet past binnen het gebiedsDNA erven: a bebouwing gekoppeld aan de weg; b erf heeft regelmatige (vierkante of rechthoekige) vorm; c duidelijke afstanden tussen erven; d bebouwingsrichting parallel aan of haaks op de weg; e besloten groene erven; f aanleg windsingels en hakhoutbosjes als beschutting tegen wind; g hagen aan voorzijde erf; h siertuin aan voorzijde erf; i bij (agrarische)(bedrijfs)gebouwen in lengterichting aanplant hakhoutsingels.

39.3

Voorwaarden flexibiliteitsbepalingen In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse voorkomende bestemmingen, wordt een besluit tot: a het bouwen buiten de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘erf’; of b het verlenen een omgevingsvergunning om af te wijken van de bouwregels; of c een wijziging van het plan; niet eerder genomen dan dat met een erfinrichtingsplan is aangetoond dat: 1 er sprake is van versterking en ontwikkeling van het gebiedsDNA landschap als beschreven in artikel 39.1; 2 de nieuwe bebouwing past binnen het gebiedsDNA erven als beschreven in artikel 39.2.

95

Artikel 40

Waarde - Bos en landgoederen

40.1

Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Bos en landgoederen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en verdere ontwikkeling van het gebiedsDNA landschap, bestaande uit de volgende landschappelijke waarden: a sterk contrast tussen open weilanden en bossen; b binnen bossen sterke variatie in dichtheid en inheemse beplantingssoorten; c ecologisch waardevol door verscheidenheid binnen de bosgebieden en landgoederen; d langs doorgaande wegen karakteristieke landgoederen en formele landhuizen.

40.2

Voorwaarde bouwen conform onderliggende bestemmingen Bij aanvraag om omgevingsvergunning bouwen dient middels een erfinrichtingsplan te worden aangetoond dat de bebouwing waarop de aanvraag ziet past binnen het gebiedsDNA erven: a kleine erven; b erven langs de bossen en in open plekken; c erven inpassen in bos, boomsingels, houtwallen en bosstroken.

40.3

Voorwaarden flexibiliteitsbepalingen In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse voorkomende bestemmingen, wordt een besluit tot: a het bouwen buiten de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘erf’; of b het verlenen een omgevingsvergunning met afwijking van de bouw- of gebruiksregels; of c een wijziging van het plan; niet eerder genomen dan dat met een erfinrichtingsplan is aangetoond dat: 1 er sprake is van versterking en ontwikkeling van het gebiedsDNA landschap als beschreven in artikel 40.1; 2 de nieuwe bebouwing past binnen het gebiedsDNA erven als beschreven in artikel 40.2.

Artikel 41 41.1

Waarde - Broeklanden Bij recht - Gebruiken De voor ‘Waarde - Broeklanden’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en verdere ontwikkeling van het gebiedsDNA landschap, bestaande uit de volgende landschappelijke waarden: a grote blokvormige kavels; b rechtlijnige wegenstructuur; c laanbeplantingen; d kamer in gebied door restanten broekbossen; e erven gesitueerd langs ontginningswegen; f bebouwing op hogere delen landschap.

96

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=a42dbeb6-804a-44e0-9a99-2c6969094edb