Nota bodembeheer regio Achterhoek 2021 en de bijbehorende bodemkwaliteits- en bodemfunctieklassenkaarten regio Achterhoek
Tekst van het document
Bijlage 2 — 3/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
81/222
Het bevoegd gezag voor het bereiken van het saneringsresultaat is het bevoegd gezag Wbb (de provincie Gelderland). Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag grond op deze locatie nuttig worden toegepast. Daarbij moet worden nagegaan of dit niet in strijd is met de opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. Nieuwe bodemverontreiniging Op nieuw ontstane bodemverontreiniging (dat wil zeggen ontstaan na 1 januari 1987) is allereerst de zorgplicht van toepassing (artikel 13 Wbb). De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is aan het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven over hoe de nieuwe verontreiniging dient te worden gesaneerd. Binnen inrichtingen is dit het bevoegd gezag inzake de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht[31] / Activiteitenbesluit (gemeente of provincie, soms de minister van Infrastructuur en Waterstaat), buiten inrichtingen het bevoegd gezag Wbb (gemeente met provincie als 'aanvullend' gezag). Indien het om een ongewoon voorval gaat buiten een inrichting, is de provincie bevoegd gezag. Ongewoon voorval Voor het begrip ongewoon voorval geeft de wet geen definitie, maar daarmee kan niets anders zijn bedoeld dan elke gebeurtenis die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteit.
Daaronder vallen zowel ongelukken en calamiteiten, zoals bijvoorbeeld brand en leidingbreuken, als onderhoud aan en reparatie van installaties waardoor die niet (volledig) normaal kunnen functioneren. In een uitspraak17 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gesteld dat bij elke gebeurtenis die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteit sprake is van een ongewoon voorval. Dus óók het falen van voorzieningen. Dit betekent ook dat een milieuvergunning daarover geen eisen mag stellen. De gewone voorvallen, zoals bijvoorbeeld het druppelen van een pomp iedere keer nadat een automobilist de slang van de pomp terughangt, moeten wel via vergunningsvoorschriften worden gereguleerd. Indien sprake is van een ongewoon voorval gaat het vaak over calamiteiten, zoals een lekkende vrachtwagen, gedumpte vaten met onbekende inhoud, etc. In dergelijke gevallen is een adequaat optreden van de bodemmedewerker nodig. Saneringsregeling Wbb (historische bodemverontreiniging) De Wbb definieert gevallen van ernstige verontreiniging. Op grond van artikel 37 van de Wbb (saneringscriterium) wordt bepaald of bij een geval van ernstige verontreiniging aanleiding is voor een vorm van saneren of beheren. De saneringsdoelstelling is opgenomen in artikel 38 van de Wbb.
De uitwerking van de artikelen 37 en 38 Wbb is opgenomen in de Circulaire Bodemsanering (oorspronkelijke circulaire uit 2006, in de afgelopen jaren echter meerdere malen aangepast).
17
Zie ABRvS 22 april 1999, E03.97.0229, gepubliceerd in JM september 1999, afl. 8, p.460 e.v.
Bijlage 2 — 4/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
82/222
Gebiedsgericht beheer Op 1 juli 2012 is de aanpassing van de Wbb, die gebiedsgericht beheer van grootschalige grondwaterverontreinigingen mogelijk maakt, in werking getreden. De verwachting is dat daarmee onder andere de kosten van aanpak van verspreidingsrisico’s zullen worden gedrukt. Het gebiedsgericht beheer biedt kansen om in samenhang tussen bovengrondse en ondergrondse ontwikkelingen te komen tot meerdere kostendragers voor de te nemen maatregelen. De wettelijke verankering van gebiedsgericht beheer moet leiden tot een versnelling in de aanpak van de problematiek van de grootschalige grondwaterverontreinigingen. 2.1.3 Besluit en Regeling Uniforme Sanering Het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) en de daarbij behorende Regeling (RUS) is bedoeld voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd afgerond kunnen worden. In de RUS (artikel 3.1.7) is vastgelegd dat de grond in de leeflaag en andere aanvulgrond moet voldoen aan de Maximale Waarde van de kwaliteitsklasse volgens de bodemfunctieklassenkaart. Als gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld dan gelden de hierin vastgestelde Lokale Maximale Waarden. Want naast het RUS geldt ook het Besluit. Dit is het algemeen staatsrechtelijk beginsel en is ook terug te vinden in de toelichting op het Besluit.
In artikel 3.1.6 lid c van de RUS is aangegeven dat als Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, deze waarden gelden als terugsaneerwaarden in het kader van het BUS. 2.1.4 Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie Op 8 juli 2019 is een tijdelijk handelingskader in werking getreden voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie. De initiatiefnemers van grondverzet moeten de kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. Het tijdelijk handelingskader is op 29 november 2019 en op 2 juli 2020 geactualiseerd. Op 29 november 2019 zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-gehalten gedefinieerd, evenals voorlopige toepassingswaarden in verschillende toepassingssituaties. Op 2 juli 2020 zijn de voorlopige landelijke achtergrondwaarden aangepast en voor een aantal toepassingssituaties in een oppervlaktewaterlichaam de toepassingswaarden gewijzigd. 2.1.5 Transport verontreinigde grond Voor het vervoer van verontreinigde grond geldt de landelijke Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen[32].
Bijlage 2 — 5/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
83/222
2.1.6 Overige wet- en regelgeving Vanwege overig wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) aanvullende voorwaarden worden gesteld. Hierbij moet worden gedacht aan: • Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt op termijn vervangen door de Omgevingswet. Een groot aantal toestemmingstelsels uit de Wro zijn volledig geïntegreerd in de omgevingsvergunning. Hierbij gaat het onder meer om bouwen, slopen, aanlegactiviteiten, het gebruik in strijd met een ruimtelijk plan of besluit. Als gevolg van de Wabo zijn de regels over de verlening en handhaving van die toestemmingen uit de Wro verdwenen. De Wro blijft echter de centrale wet voor het ruimtelijke ordeningsrecht. De financiële haalbaarheid van een plan blijft echter een belangrijk criterium en een eventuele saneringsnoodzaak kan van invloed zijn hierop. Tevens dient de bodemkwaliteit te stroken met de beoogde bestemming binnen het plan. Ten behoeve van bestemmingswijzigingen zal daarom in de meeste gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. In de Wro is de verplichting voor bodemonderzoek niet rechtstreeks opgenomen, in de Bro blijft de verplichting bestaan voor onderzoek naar de bodemgesteldheid (artikel 9 Bro).
Gemeenten worden in de Wro verplicht elke 10 jaar het bestemmingsplan te actualiseren. Eventueel aan te vragen vergunningen waarbij tevens grondverzet plaatsvindt, zoals omgevingsvergunningen met activiteit bouwen of activiteit aanleggen dienen te worden getoetst aan een 'actueel' bestemmingsplan. De omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voorafgaand aan grondverzet. In het bestemmingsplan kan een aanlegvergunning worden geëist voor ophogen. • Ontgrondingenwet, wordt op termijn vervangen door de Omgevingswet. De ontgrondingenwet en -verordening reguleren de winning van oppervlaktedelfstoffen als zand, klei en grind voor de bouwproductie. • Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), wordt op termijn vervangen door de Omgevingswet, en Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor inrichtingen over verschillende milieuaspecten, zoals geluid, bodem, lucht en afvalwater. De Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepalen al dan niet in combinatie met een deel van het Activiteitenbesluit of er sprake is van vergunningplicht; bijvoorbeeld de opslag van grond. Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn de bepalingen met betrekking tot de bouwvergunning en handhaving overgeheveld uit de Woningwet naar de Wabo. Hiermee is de bouwvergunning vervangen door de omgevingsvergunning voor bouwen.
Bij de ontwikkeling van bouwplannen moet echter nog steeds rekening worden gehouden met de functie-eisen in relatie tot de aanwezige bodemkwaliteit. Bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen dient de aanvrager daarom in een aantal gevallen een bodemonderzoek te overleggen. • Woningwet, wordt op termijn grotendeels vervangen door de Omgevingswet. In deze wet wordt het bouwen op verontreinigde bodem (grond en grondwater) geregeld. • Besluit gebruik meststoffen (Bgm). Bij het toepassen van compost of zwarte grond zijn (aanvullende) kwaliteitseisen gesteld.
Bijlage 2 — 6/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
84/222
•
•
•
•
•
•
Monumentenwet 1988, wordt op termijn grotendeels vervangen door de Omgevingswet. In deze wet is het verdrag van Malta opgenomen. Bij grondverzet moet rekening worden gehouden met archeologische waarden. Op kaart moet de gemeente een overzicht geven van bekende archeologische vindplaatsen. Bij grondverzet moeten andere bronnen zoals bijvoorbeeld de stadsarcheoloog worden geraadpleegd. Wet natuurbescherming, enkele bepalingen gaan op termijn over naar de Omgevingswet. Deze wet vereist dat in planvorming rekening wordt gehouden met de aanwezige flora en fauna. Voor een groot aantal expliciet beschermde soorten is bepaald welke handelingen niet zijn toegestaan. Daarnaast is in de wet een algemene zorgplicht opgenomen, die aangeeft dat de negatieve gevolgen van ieders handelen op de aanwezige (beschermde) flora en fauna voor komen of zo veel mogelijk beperkt moet worden. De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland zijn opgenomen in de provinciale structuurvisie. Wet Informatie uitwisseling ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Doel van de WIBON is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (zoals bijvoorbeeld: water-, elektriciteit-, gas- en telecomleidingen) te voorkomen. Bij machinale graafwerkzaamheden is een KLIC-melding verplicht. Arbeidsomstandighedenbesluit.
De regels voor het werken in verontreinigde grond liggen vast in de Arbeidsomstandighedenwet en -besluit. Met name in het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn regels opgenomen die werken met gevaarlijke stoffen veilig moeten houden. In het Arbeidsomstandighedenbesluit, hoofdstuk 2, afdeling 5 wordt aangegeven welke verantwoordelijkheden opdrachtgevers, ontwerpende partijen en werkgevers hebben ten aanzien van veilig en gezond werken. Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen. Dit besluit bepaalt sinds 1 juli 2013 de regels met betrekking tot het installeren en in werking hebben van bodemenergiesystemen. In het besluit wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten bodemenergiesystemen. De gemeente is als bevoegd gezag voor gesloten bodemenergiesystemen belast met de ontvangst en behandeling van meldingen, vergunningaanvragen, toezicht en handhaving. Ook krijgt de gemeente de bevoegdheid zogeheten “interferentiegebieden” aan te wijzen indien door drukte in de ondergrond bodemenergie inefficiënt dreigt te worden gebruikt. De nieuwe regels stellen de gemeente daarmee voor de uitdaging om het thema bodemenergie concreet in de passen in het ruimtelijk beleid. Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Op basis van de Wob is de gemeente verplicht om te zorgen voor informatie en communicatie in het kader van bodemkwaliteitsbeheer.
Het is aan te bevelen binnen de gemeente/omgevingsdienst één bodeminformatiepunt (bodemloket) in te richten om de verschillende informatiestromen op elkaar af te stemmen. In de meeste gevallen zal de milieu- afdeling van een gemeente/omgevingsdienst deze taak toegewezen krijgen. De taken van het bodemloket kunnen zijn: o voorlichtingsfunctie voor gemeentelijke afdelingen, burgers en bedrijven; o beheren Bodem Informatie Systeem (BIS): o registratie bodemonderzoeks- en saneringsgegevens; o registratie verdachte locaties; o registratie grondstromen; o registratie nazorg bodemsanerings- en hergebruiklocaties; o referentiekader bij preventie;
Bijlage 2 — 7/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
85/222
•
•
•
o sturing grondstromen. Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb). De Wkpb moet de registratie van alle beperkingen van de overheid (publiekrechtelijke beperkingen) verbeteren zodat kopers of eigenaren makkelijker inzicht hebben in de beperkingen die voor een gebouw of stuk grond gelden. Ook bodembesluiten die leiden tot publiekrechtelijke beperkingen vallen onder de Wkpb, bijvoorbeeld een beschikking van gedeputeerde staten over het nazorgplan (art. 39d Wbb) of een bevel tot het nemen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, tot het verrichten van onderzoek of tot het beheren of saneren van de bodem (art. 43 Wbb). Meldingen van bodemsaneringen die worden uitgevoerd onder het Besluit uniforme saneringen (BUS) hoeven sinds 1 februari 2013 niet meer door het bevoegd gezag te worden geregistreerd in het kader van de Wkpb. Een bodembesluit heeft veelal betrekking op een ‘geval van ernstige verontreiniging’. Echter niet alle percelen die onder het besluit vallen hebben een publiekrechtelijke beperking. Alleen percelen die vallen binnen de ‘interventiewaardecontour’ van grond (niet grondwater) bevatten een ernstige verontreiniging die leidt tot een publiekrechtelijke beperking.
De Regeling beperkingenregistratie Wet bodembescherming, die op 1 augustus 2007 in werking is getreden, schept verdere duidelijkheid over de invulling van het begrip publiekrechtelijke beperking in relatie tot bodembesluiten. Niet gesprongen explosieven (NGE). De wet- en regelgeving over de opsporing en ruiming van NGE is verspreid over diverse regelingen. Op basis van de Gemeentewet (artikelen 172, 175, 176) is de burgemeester verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid en is deze bevoegd hier handelend op te treden. Conform de Brancherichtlijn Opsporing Conventionele Explosieven wordt de gemeente op wiens grondgebied de werkzaamheden uitgevoerd worden, schriftelijk geïnformeerd door het explosieven opsporingsbedrijf. Een van te voren opgesteld projectplan moet aantoonbaar goedgekeurd zijn door de opdrachtgever en de betreffende gemeente. Goedkeuring van de gemeente dient plaats te vinden door of namens de verantwoordelijke voor openbare orde en publieke veiligheid. Met het opleveren van de risicokaart voldoet de gemeente ook aan haar verantwoordelijkheid om belanghebbenden zo volledig en tijdig mogelijk te informeren en adviseren over de mogelijke risico’s en de te nemen maatregelen. Diverse gemeenten hebben een vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd.
Bij toekomstige bodemingrepen moeten deze ‘bommenkaarten’ worden geraadpleegd. Resterende wetten. Bovenstaand zijn een aantal wetten beschreven, die belangrijke gevolgen hebben voor gemeentelijke taken en verplichtingen met betrekking tot bodemkwaliteit. Naast bovengenoemde wetten heeft de gemeente/omgevingsdienst ook nog bodemtaken en –verplichtingen op basis van de volgende wetten: o Wetboek van strafrecht. o Wet op economische delicten. o Bestrijdingsmiddelenwet. o Waterwet.
Bijlage 2 — 8/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
86/222
2.2 Landelijk beleid grondstromen 2.2.1 Richtlijn bodemkwaliteitskaarten In de landelijke Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten is voorgeschreven hoe een bodemkwaliteitskaart moet worden opgesteld als deze wordt gebruikt voor hergebruik van grond onder het Besluit. Met deze Richtlijn is ook een aantal andere procedures geregeld, waaronder de te hanteren normwaarden, omgaan met extreme waarden (uitbijters), vergelijkbaarheid, omgaan met ‘bijzondere omstandigheden’ en het in een kaart weergeven van de bodemkwaliteit en mogelijkheden tot grondverzet. 2.2.2 Lokale Maximale Waarden Zoals in § 2.1.1 van deze bijlage al beschreven, hebben gemeenten en waterkwaliteitbeheerders de mogelijkheid om voor het toepassen van grond binnen haar (water)bodembeheergebied, of delen daarvan, per stof Lokale Maximale Waarden (LMW) op te stellen die afwijken van het landelijke (generieke) maximale waarden; het zogenaamde gebiedsspecifiek beleid. Aanleidingen voor gebiedsspecifiek beleid kunnen zijn: • De ambitie van een gemeente. De gemeente wil strenger of minder streng beleid hanteren dan het generieke kader van het Besluit; • Dat de vastgestelde diffuse kwaliteit in een gebied knelpunten veroorzaakt bij het beoogde grondverzet als uitgegaan wordt van het generieke kader van het Besluit. • Deze LMW kunnen variëren tussen de ‘altijd’- en ‘nooit’-grens.
De ‘altijd’-grens is gebaseerd op de ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Partijen grond die voldoen aan de Achtergrondwaarden zijn, voor wat betreft de chemische kwaliteit, altijd toepasbaar. De 'nooit'-grens is gebaseerd op het Saneringscriterium. Partijen grond die het Saneringscriterium overschrijden leveren onaanvaardbare risico's op. • In het generieke kader van het Besluit zijn voor de kwaliteit van de toe te passen grond Generieke Maximale Waarden vastgesteld die horen bij de functie van de ontvangende bodem. LMW die hoger dan de Generieke Maximale Waarden liggen moeten worden onderbouwd om aan te tonen dat geen onaanvaardbare risico's ontstaan. Het risiconiveau van de gekozen LMW wordt berekend met behulp van de Risicotoolbox (https://www.risicotoolboxbodem.nl/). In figuur B2.1 is het voorgaande schematisch weergegeven.
Bijlage 2 — 9/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
87/222
Generiek Gebiedsspecifiek
Max.
Max.
Max.
waarden
waarden
waarden
AW2000
Wonen
Industrie
Altijd toepasbaar (AW2000)
Klasse
Klasse
Niet
Wonen
Industrie
toepasbaar
Ruimte voor Lokale Maximale Waarden
Interventiewaarden landbodem
Nooit toepasbaar
Generiek Gebiedsspecifiek
Saneringscriterium
Figuur B2.1. Generiek versus gebiedsspecifiek beleid.
2.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsverordening provincie Gelderland zijn door de provincie aangewezen beschermingsgebieden opgenomen die vallen onder locaties met bijzondere omstandigheden voor grondverzet. Voorafgaand aan het grondverzet moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden er restricties zijn ten aanzien van het grond- en baggerverzet. De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. In het bodembeheergebied liggen provinciale beschermingsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden, gebieden met archeologische, cultuurhistorische, of aardkundige waarden, Natura2000-gebieden of gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS): https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers). De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. Als de ontgravings-, toepassingslocatie of de locatie voor de tijdelijke opslag van grond in een provinciaal beschermingsgebied is gelegen, moet er afstemming plaatsvinden met de provincie over de uit te voeren werkzaamheden.
In de Beleidsnota “De Gelderse wegwijzer door bodemland”[5] hebben de Gelderse bevoegde gezagen wet bodembescherming (gemeenten Arnhem en Nijmegen en de Provincie Gelderland voor de overige Gelderse gemeenten) een praktische handleiding gegeven voor de uitvoering van bodemtaken en toetsingskader voor de uitvoering van onderzoek, sanering en nazorg binnen Gelderland. De nota is een voortzetting van het in 2003 ingezette en in 2008 geactualiseerde beleid. De nota bevat tevens een aantal beleidsregels in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 4:81. Ten slotte is afstemming gezocht met andere beleidsterreinen: het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit, Wet op de ruimtelijke ordening, Natuurbeschermingswet, bouwen, bemaling en archeologie.
Bijlage 2 — 10/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
88/222
2.4 Deze nota in relatie tot de Omgevingswet Naar verwachting treedt in 2022 de Omgevingswet en diverse (aanvullings-) wetten, besluiten en Algemene maatregelen van bestuur in werking. De huidige wet- en regelgeving voor bodemsanering en het nuttig toepassen van grond en baggerspecie komt daarmee te vervallen en wordt in de Omgevingswet, de bijbehorende (aanvullings-)wetten en besluiten en Algemene maatregelen van bestuur geregeld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt deze nota bodembeheer én de bodemkwaliteitskaart van rechtswege via het overgangsrecht direct in het tijdelijke deel van het ‘Omgevingsplan’. Het in deze nota bodembeheer geformuleerde gebiedsspecifieke beleid (zie § 2.4, § 2.5 en § 2.6 van de hoofdtekst) kan hiermee na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (indien gewenst) worden voortgezet. Deze nota bodembeheer kan ook onderdeel uitmaken van de nog op te stellen Omgevingsvisie. Een nieuw op te stellen Omgevingsplan met het oog op de bodem, krijgt een breder spectrum dan alleen bodemsanering en hergebruik van grond. Er wordt aangesloten op de gemeentelijke Omgevingsvisie.
Onderwerpen zoals de aanpak van bodemverontreiniging, activiteiten in het grondwater, eventuele diffuse bodembelasting met lood, verzilting, bodemdaling, bodemafdekking (wateroverlast en hittestress), opslag van gas in de ondergrond, asbestdaken en gerelateerde bodemverontreiniging en het overgangsrecht uit de Wet bodembescherming kunnen aan de orde komen. Het verdient de aanbeveling om het hergebruik van grond terug te laten komen in een nieuw Omgevingsplan, met het oog op de bodem. Met de Omgevingswet wijzigt ook het normenkader. Er komen zogenaamde ‘Voorkeurswaarden’ en ‘Maximale waarden’. De ‘Voorkeurswaarde’ (voor een bepaald bodemgebruik) is gelijk aan de huidige normen uit de Regeling voor ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De ‘Maximale waarde’ is gelijk aan de huidige waarden die voor het spoedcriterium van de Wet bodembescherming worden gebruikt. Tussen de ‘Voorkeurswaarde’ en ‘Maximale waarde’ hebben gemeenten de ruimte om eigen beleid te maken (zie figuur 1.1). Dit moet worden onderbouwd door de betreffende gemeente(n).
Figuur 1.1 Normenkader bodem in de omgevingswet
Bijlage 2 — 11/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
89/222
De huidige Interventiewaarden van de Wet bodembescherming worden in de Omgevingswet opgenomen in bijlage IIA van het Besluit Activiteiten Leefomgeving. Als gegraven gaat worden met een omvang meer dan 25 m3, en de interventiewaarde wordt overschreden, wordt het net zoals nu verplicht een geschiktheidstoets uit te voeren voor het huidige/beoogde bodemgebruik. De gemeenten krijgen de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te maken: • om de interventiewaarde, ‘triggerwaarde’, voor de verplichte geschiktheidstoets hoger of lager te stellen (zie artikel 5.89j Besluit Kwaliteit Leefomgeving), bijvoorbeeld voor gebieden waar sprake is van een diffuus verspreide sterke verontreiniging; • om verhoogde terugsaneerwaarden te formuleren (net zoals de Lokale Maximale Waarden binnen het Besluit). Bij werkzaamheden in de grond met gehalten boven de interventiewaarden, blijft de kwaliteitsborging in het bodembeheer[33] gelden; de zogenaamde ‘Kwalibo’; bijvoorbeeld dat werkzaamheden onder erkenning en volgens beoordelingsrichtlijnen moeten worden uitgevoerd (zie artikel 2.1 van de Regeling). Opgesteld gemeentelijk/regionaal beleid (verhoogde ‘triggerwaarden’) heeft daar geen invloed op. Binnen de Omgevingswet blijft een bodemkwaliteitskaart gelden als erkend bewijsmiddel bij grondverzet.
De bodemkwaliteitskaart kan ook gebruikt worden bij het huidige Activiteitenbesluit (na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt dit regel) of bij de vrijstelling van bodemonderzoek voor omgevingsvergunningen. Bij nog niet gesaneerde en beheerde grondwaterverontreinigingen wordt de regelgeving in de Omgevingswet als volgt: • Op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld (her)ontwikkelingsprojecten of tijdens graafwerk) moet door de initiatiefnemer de bron van de grondwaterverontreiniging worden gesaneerd. • Afhankelijk van de urgentie en het gebruik van de boven- en ondergrond (bijvoorbeeld drinkwaterwinning) neemt de overheid initiatieven om de pluim van de grondwaterverontreiniging aan te pakken. In de Omgevingswet is het een doelstelling dat informatie over milieuwet- en regelgeving makkelijker en digitaal wordt ontsloten. De mogelijkheden voor het toepassen van grond en baggerspecie, worden door de gemeenten digitaal inzichtelijk gemaakt op de gemeentelijke websites en die van de Omgevingsdienst Achterhoek. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt. De kaarten van deze nota bodembeheer zijn ook raadpleegbaar op de website van het Bodemloket: http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk.
Bijlage 2 — 12/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
90/222
2.5 Provinciale en gemeentelijke kaders die relevant zijn voor de bodemtaken [34] Provinciale Milieuverordening (PMV) In de Provinciale Milieuverordening staan verschillende regels waaraan de gemeente zich als initiatiefnemer moet houden. Er mag bijvoorbeeld geen verontreinigde grond worden toegepast in grondwaterbeschermings- en drinkwaterwingebieden. Verder kunnen in de PMV nadere eisen aan saneringsplannen en evaluatieonderzoek zijn gesteld. Gemeentelijk milieubeleidsplan (GMP) In het gemeentelijk milieubeleidsplan wordt het milieubeleid van de gemeente bepaald. In principe moeten alle verschillende milieu-onderwerpen behandeld worden, waaronder bodem. Voor bodem zal dus een eigen paragraaf of hoofdstuk in het GMP moeten staan. Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP) In het kader van de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet gaan er stemmen op om het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP) te benutten als kapstok voor een programmatische aanpak van de problematiek van bodem en ondergrond. In dit programma zou dan een directe koppeling worden gelegd met gebiedsontwikkelingen met kansen voor het combineren van grondwater-/bodemsanering en warmte- en koudeopslag, afkoppelen van verhard oppervlak, waterberging en aanpak knelpunten rioolbeheer.
Gemeentelijke gedragscode Naast de wettelijke verplichtingen die de gemeente heeft als initiatiefnemer is het ook mogelijk om een gemeentelijke gedragscode op te stellen. Deze interne gedragslijnen kunnen ervoor zorgen dat gemeenten zorgvuldig en eenduidig met bodemverontreiniging omgaan. De gedragscode heeft geen wettelijke status, maar kan wel gezien worden als een aanvulling op de wettelijke regels en beleidskaders. Bouwverordening Elke gemeente heeft een bouwverordening vastgesteld. Het indienen van een bouwaanvraag dient in principe vergezeld te gaan van een bodemonderzoeksrapport conform NEN 5740. De taak van de gemeente in deze is dat in principe bouwen op verontreinigde grond wordt tegen gegaan. Voor meer informatie over dit onderwerp zie de handreiking ‘Bodemtoets bij bestemmingsplan en omgevingsvergunning voor bouwen’. In de bouwverordening is ook opgenomen aan welke kwaliteitseisen de bodem van open erven en in gebieden moet voldoen, ook als er niet op gebouwd wordt. In deze nota bodembeheer is onder voorwaarden een vrijstellingsregeling opgenomen voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart in plaats van het uitvoeren van een bodemonderzoek bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouw.
Bijlage 2 — 13/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
91/222
2.6 Taken en verplichtingen[34] De gemeente/omgevingsdienst heeft verschillende taken en verplichtingen op het gebied van bodemkwaliteitsbeheer. De taken en verplichtingen komen voort uit wettelijke regels en/of beleidskaders. Indien de gemeente op basis van een wet bevoegd gezag is, heeft zij bepaalde taken. Deze komen aan de orde in tabel B2.3. Als de gemeente zelf initiatief neemt is zij te beschouwen als private partij. De verplichtingen die hieruit voortvloeien komen aan de orde in tabel B2.4.
Bijlage 2 — 14/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
92/222
Tabel B2.3 Gemeente als bevoegd gezag m.u.v. Wbb (publiekrechtelijk) wettelijk kader
naam AmvB
Wet bodembescherming
Bijlage 2 — 15/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
toelichting taak
registratie / documentatie
-
taak zorgplicht art. 13 Wbb
-
preventie bodemverontreiniging
-
bodembeheerplan / verordeningen
-
opgave onderzoeksgevallen en gevallen van ernstige verontreiniging (o.b.v. artikel 41 Wbb)
-
melden gevallen bodemverontreiniging en calamiteiten aan Wbb bevoegd gezag beoordelen mogelijk ernstige gevallen en nieuwe gevallen van bodemverontreiniging
-
register meldingsformulieren register / beoordelingsformulieren
-
uitvoering werkzaamheden in het kader van het budget Decentralisatie Uitkering bodem
-
bodemsanering meenemen in ruimtelijke ontwikkelingen
-
Bodemloket: informatieverstrekking over verontreinigde locaties
-
sanering ernstige bodemverontreiniging (saneringsregeling Wbb of BUS)
-
onderzoek (laten) doen beschikkingen aanvragen en melden sanering begeleiden
-
onderzoeksrapport overzicht beschikkingen saneringsverslag
-
handhaving binnen en buiten inrichting
-
artikel 6 t/m 11 (AMvB), artikel 13 (Zorgplicht), artikel 72 (verplicht bodemonderzoek) en artikel 95 (bestuurlijke handhaving)
-
handhavingsverslag
-
uitvoering gebiedsgerichte aanpak grondwater
-
het bevoegd gezag Wbb kan uitvoeringstaken in het kader van gebiedsgerichte grondwaterbeheer overdragen aan andere besturen
-
monitoring van de voortang communicatie betrokken instantie en bedrijven
-
overige taken
-
verhaalacties entameren en begeleiden begeleiding, voorlichting, advisering bij onderzoek en sanering in opdracht van Wbb bevoegd gezag/ waterschap/ derden
-
verplichte aankoop bij ernstige bodemverontreiniging (artikel 56 t/m 63 Wbb)
-
bewonersregeling Wbb: op verzoek van eigenaar/bewoner aankoop woningen
-
93/222
correspondentie brochures
wettelijk kader
naam AmvB
taak
AMvB’s op basis van de Wet bodembescherming*
Besluit bodemkwaliteit
-
verantwoordelijk voor bodemkwaliteit binnen eigen beheersgebied
toelichting taak
registratie / documentatie
-
-
-
generiek beleid
-
-
Activiteitenbesluit
*
-
standstill principe toepassen beoordelen kwaliteit toe te passen grond (toetsen aan klasseniveau) met behulp van Risicotoolbox toezicht herkomstlocatie en toepassingslocatie
meldingen via centraal meldpunt verslagen toezicht en handhaving
functiekaart opstellen, waarop de functies wonen en industrie binnen het eigen beheergebied zijn aangegeven. Zonder deze functiekaart kan alleen grond en baggerspecie worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarde voor schone gebieden in Nederland (Achtergrondwaarde – AW2000) functiekaart beheren
functiekaart
-
bodembeheernota
-
gebiedsspecifiek beleid
-
opstellen bodemkwaliteitskaart volgens nieuwe regels (zoals opgenomen in bijlage J van de Regeling) en een bodembeheernota opstellen, waarin de lokale normen worden gemotiveerd en vastgelegd handhaven gebiedsspecifiek beleid
-
controle en handhaving ondergrondse tanks
-
registratie meldingen en saneringen controle saneringen controle en handhaving in gebruik zijnde tanks
-
register meldingen controleverslagen controleverslagen
-
actie Tankslag
-
voorlichting geven (inventariseren tanks) begeleiding Actie Tankslag financiering (eventueel )
-
brochures
-
controle en handhaving bodemlozingen
-
registratie omvangrijke lozingen verlenen ontheffing registratie van niet op de riolering aangesloten percelen -
register correspondentie register
In deze tabel zijn alleen de AMvB’s opgenomen waarbij de afdeling bodem van de gemeente bepaalde taken heeft. Bij overige AMvB’s bij de Wbb, zoals Besluit Overige Organische Meststoffen, Stortbesluit Bodembescherming en Infiltratiebesluit Bodembescherming is de gemeente geen bevoegd gezag of houdt een andere afdeling binnen de gemeente zich hiermee bezig. Voor meer informatie over deze AMvB’s wordt verwezen naar de Leidraad Bodembescherming.
Bijlage 2 — 16/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
94/222
wettelijk kader
naam AmvB
toelichting taak
registratie / documentatie
slibbeheer gemeentelijke wateren
-
onderzoek kwaliteit gemeentelijke waterbodems onderhoud en sanering gemeentelijke waterbodems (deel)sanering in kader van nautisch baggeren
-
onderzoeksrapport saneringsverslag saneringsverslag
Activiteitenbesluit en Besluit lozen buiten inrichtingen -
afhandeling meldingen kleine gesloten systemen vergunningverlening (OBM) voor grotere gesloten systemen >70kW)
-
algemene regels en voorschriften met betrekking tot de bescherming van de bodem en ondergrond bij gebruik bodemenergie
-
verwerking via OLO of AIM opname systemen in WKO tool
-
controle en handhaving bij aanleg, gebruiksfase en bij buitengebruikstelling
-
Toezien op efficiënt gebruik bodemenergie Buitengebruikstelling en verwijderen koelvloeistoffen bij beëindiging systeem
-
controleverslag
-
vergunningverlening
-
bodemvoorschriften opnemen in vergunningen
-
bodemvoorschriften
-
controle en handhaving vergunningen
-
toetsen nul/eindsituatie-onderzoeken
-
toetsingsverslag
-
controle en handhaving AMvB’s en art.
-
controleren op storten buiten de inrichting en calamiteiten
-
controleverslag
Waterwet
Wijzigingsbesluit Bodemenergie- systemen
taak -
Omgevingsvergunning (Wabo/Wm)
10.2 Wm en Hoofdstuk 17 Wm Wabo (voorheen besluit hoofdstuk 7 Bor en kwaliteitseisen handhaving hoofdstuk 10 milieubeheer) Mor
-
opstellen handhavingsbeleid en jaarlijks uitvoeringsprogramma
-
op grond van art. 2 en 3 van het besluit moeten deze beleidsgerichte taken worden uitgevoerd
handhavingsbeleidsplan en -programma
-
beheer en registratie handhavingsgegevens
-
bewaken uitvoeringsprogramma met geautomatiseerd systeem registratie gegevens (aantal controles, overtredingen, handhavingsbeschikkingen, p.v.’s,
-
-
geautomatiseerd systeem handhaving
ontvangen klachten)
Wms (voorheen Wet milieugevaarlijke stoffen)
Bijlage 2 — 17/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
-
rapportage en evaluatie
-
rapportage over mate waarin doelen zijn bereikt en of afspraken (activiteiten) zijn nagekomen
periodiek rapportage
-
controle en handhaving (artikel 64)
-
zorg dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving in overleg met inspectie en provincie
handhavingsverslagen
95/222
-
wettelijk kader
naam AmvB
Omgevingsvergunning voor bouwen/ Woningwet
taak -
opstellen Bouwverordening
toelichting taak
registratie / documentatie
-
bodemonderzoek/bodemkwaliteitskaart en –toets vastleggen in bouwverordening controleren of bodemkwaliteit open erven en in gebieden voldoet aan gestelde eisen
-
tekst bouwverordening
-
verlenen omgevingsvergunning voor bouwen
-
opnemen bodemvoorschriften in de omgevingsvergunning voor bouwen
-
bodemvoorschriften
-
controle en handhaving
-
-
register beoordelingsformulieren correspondentie
-
beoordelen en controleren bodemtoets omgevingsvergunning voor bouwen verlenen ontheffing bodemtoets
Wet op de ruimtelijke ordening
-
bodembescherming garanderen
-
bodemparagraaf in bestemmingsplan
-
bodemparagraaf
-
controle en handhaving
-
bodemtoets bestemmingsplanprocedures bodemtoets omgevingsvergunning (artikel 19 procedure)
-
toetsingsverslagen
Wet openbaarheid van bestuur/ verdrag van Aarhus
-
verzorgen informatie en communicatie
-
verzorgen bodemloket (intern en extern) op verzoek ter beschikking stellen gegevens over bodemkwaliteit
-
correspondentie makelaarsformulieren
Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
-
bijhouden beperkingenregister en -registratie verzorgen informatie en communicatie
-
inschrijven beperkingenbesluiten in register en doorgeven aan de landelijke voorziening op verzoek aangegeven of er een beperking (bijv. saneringsplicht, gebruiksbeperking) op een bepaald perceel rust
-
register beperkingen (voorheen kadastrale registratie) correspondentie
Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer (opgenomen als hoofdstuk 2 in het Besluit bodemkwaliteit)
-
kwalibo: alleen werken met erkende bodemintermediairs
-
besluiten baseren (bijv. verlenen vergunning, afgegeven beschikking) op bodemonderzoek dat is uitgevoerd door een daarvoor erkend onderzoeksbureau
-
erkenning bij Bodem+
Bijlage 2 — 18/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
-
-
96/222
Tabel B2.4 Gemeente als eigenaar (privaatrechtelijk) wettelijk kader Wet bodembescherming
AmvB’s op basis van de Wbb
naam AmvB
Besluit bodemkwaliteit
Activiteitenbesluit Wet milieubeheer
verplichting sanering in eigen beheer
toelichting melden voorgenomen sanering saneren indien gemeente zelf eigenaar/- gebruiker/ veroorzaker is
registratie / documentatie onderzoeksrapport saneringsverslag monitoringrapportage
-
zorgplicht art. 13 wbb
-
preventie bodemverontreiniging bij uitvoeren eigen werken
-
werkwijzer / werkafspraken
-
melding van hergebruik grond en bouwstoffen
-
aantonen kwaliteit van grond en bouwstoffen registratie
-
keuringsverslagen en certificaten register meldingsformulieren
-
toepassingseisen naleven
-
bij toepassing voldoen aan generiek danwel gebiedsspecifiek kader, toetsing kwaliteit aan ontvangende bodem
-
toetsingsresultaat
-
naleving regels bij gemeentelijke ondergrondse tanks
-
KIWA-keuringen laten uitvoeren bodemonderzoek
-
keuringsverslag onderzoeksrapport
-
preventie bodemverontreiniging aanvraag omgevingsvergunning/ melding doen i.h.k.v. AMvB stimuleren hergebruik grond
toe te voegen bodemonderzoek bij aanvraag vergunning dient te zijn uitgevoerd door daarvoor erkende instantie initiëren van faciliteiten voor hergebruik (grondbank)
-
haalbaarheidsstudie grondbank: in eigen beheer of in samenwerking
melden transport verontreinigde grond indien van toepassing: omschrijvingsformulier en/of transportbegeleidingsbonnen invullen
bij afvoer van niet-gevaarlijk afval, zijnde bedrijfsafval naar depot/reiniger: melden transport, invullen en overleggen omschrijvingsformulier en transportbegeleidingsbonnen bij afvoer grond naar werk: buiten de locatie alleen permanente begeleidingsbrief bij afvoer gevaarlijk afval: lmv-formulier, melden transport, invullen omschrijvings-formulier en transportbegeleidingsformulier
registratie transportbegeleidingsbonnen en omschrijvingsformulieren
afdekken risico’s en aansprakelijkheid
onderzoeksrapporten clausules bij overdrachtsakten
Besluit melden Bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
-
-
-
Burgerlijk Wetboek
Bijlage 2 — 19/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
-
bodemonderzoek en saneringen
-
97/222
-
2.7 Verdeling bevoegdheden[34] 2.7.1 Verdeling bevoegdheden bij bodemverontreiniging Decentralisatie en deregulering staan hoog genoteerd. In dit kader is ook inzake bodemkwaliteitsbeheer een toenemende verantwoordelijkheid van de gemeenten gerealiseerd en te verwachten. Een overzicht van huidige bevoegdheidsverdeling tussen gemeente enerzijds en provincie en Wbb bevoegde gemeenten anderzijds staat in tabel B2.5. Tabel B2.5 Bevoegdheidsverdeling bij bodemverontreiniging Omschrijving
Gemeente als bevoegd
Provincie en
gezag in kader overige
Wbb-gemeente als
wetgeving
bevoegd gezag Wbb
lokale, bestaande gevallen van bodemverontreiniging: •
niet ernstig 1
•
ernstig 2
nieuwe gevallen van bodemverontreiniging •
X 3
binnen inrichting: -
•
X
omgevingsvergunning 4
X
X
buiten inrichting: -
in bodem- of grondwaterbeschermingsgebied
-
niet in beschermingsgebied 5
X X
X
diffuse bodemverontreiniging: •
gebiedseigen grond
X
•
verhoogde achtergrondwaarden bij Wbb-sanering
X
hergebruik grond:
1
2 3 4 5
•
toepassing in het kader van Besluit bodemkwaliteit
X
•
hergebruiksbeleid / zonering (Besluit bodemkwaliteit)
X
•
in (grondwater)beschermingsgebieden die zijn vastgelegd in PMV X Als het gaat om meer dan 50 m3 niet ernstige verontreiniging is niet de gemeente, maar de provincie (of de daarvoor aangewezen gemeenten) bevoegd gezag. Op basis van de Wet bodembescherming artikel 28 lid 4 is het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen opgesteld. Hierin wordt onder andere geregeld dat voor nieternstige gevallen met een omvang groter dan 50 m3 grond of 100 m3 grondwater andere wettelijke kaders dan de Wbb van toepassing kunnen zijn, bijvoorbeeld de Woningwet. Hiervoor is de gemeente dan het bevoegd gezag. Gevallen van ernstige bodemverontreiniging kleiner dan 25 m3 grond of 100 m3 grondwater vallen sowieso niet onder de meldingsplicht, evenzo gevallen van bodemverontreiniging kleiner dan 50 m3 grond of 100 m3 grondwater, de gemeente is dan bevoegd gezag. Ontstaan/veroorzaakt na 1 januari 1987. Naast de typering ‘nieuwe gevallen’ kent de Wet bodembescherming ook het ‘ongewone voorval’. Dit is een bijzondere gebeurtenis waarbij verontreiniging of aantasting van de bodem is opgetreden. Afhankelijk van wie bevoegd gezag is in het kader van de Wabo/ Activiteitenbesluit. De inrichtingen die vallen onder de bevoegdheid van de minister van I&M zijn hier buiten beschouwing gelaten. De gemeente is het eerste aanspreekpunt bij de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging buiten inrichtingen.
De gemeente neemt hierbij de formele besluiten aangaande instemming met de voorgenomen sanering van deze gevallen. Hierbij is wel afstemming vereist met de provincie. De provincie kan aanvullende eisen stellen.
Bijlage 2 — 20/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
98/222
2.7.2 Omgevingsdiensten Sinds januari 2013 hebben gemeenten, provincies en Rijk hun taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) ondergebracht bij Omgevingsdiensten ook wel Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) genoemd. Het gaat om minimaal de VTH taken op het gebied van milieu en mogelijk ook bouwen, natuur en water. De gemeenten en provincies hebben ook hun VTH taken met betrekking tot bodem overgedragen aan de Omgevingsdienst. In het kader hieronder zijn de basistaken met betrekking tot bodem weergegeven die bij de Omgevingsdienst zijn neergelegd. Tot de basistaken met betrekking tot bodem van de Omgevingsdienst/RUD horen: ▪ het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten die vallen onder het Besluit bodemkwaliteit voor zover het die activiteiten betreft; ▪ het milieutoezicht bij bodemsanering, sanering van bedrijfsterreinen en lozing van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering voor zover het die activiteiten betreft; ▪ het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen, asbest, vuurwerk, bouwstoffen, grond, baggerspecie, meststoffen, dierlijke vetten, radioactief schroot, destructiemateriaal, explosieven voor civiel gebruik of andere gevaarlijke stoffen voor zover het die activiteiten betreft.
Het gaat hierbij om ketengericht milieutoezicht. Daarnaast hebben gemeenten en provincie ook nog een aantal bodemtaken die zij vrijwillig kunnen overdragen aan de omgevingsdienst
Bijlage 2 — 21/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
99/222
Bijlage 3A
Statistische parameters organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB; waarden standaardbodem)
Bijlage 3 —Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
100/222