Nota bodembeheer regio Achterhoek 2021 en de bijbehorende bodemkwaliteits- en bodemfunctieklassenkaarten regio Achterhoek
Tekst van het document
Tabel 2.5 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij voorkomende functies conform het in deze nota bodembeheer geformuleerde beleid Bodemkwaliteitszone
Voor komende bodemfunctie(s)
Verwachte ontgravingsklasse (op basis van 80-percentielwaarde)
Toepassingseis (gebeiedsspeciek en gemeentelijk beleid) A
Bovengrond (dieptetraject 0-0,5 m-mv) # Wonen voor 1970 (8 gemeenten*)
Overig (8 gemeenten*)
Industrie
Industrie B @@
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Industrie
Industrie B @@
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur Lochem: Wonen 1900-1945 Lochem: Overig wonen
Wonen
Industrie
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen @ Industrie B @@ Wonen @ Industrie B @@
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur Industrie Lochem: Buitengebied
Wonen C @ Landbouw/natuur
Industrie Lochem: Industrie
Wonen @
Landbouw/natuur Industrie B @@
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
36/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
55/222
Landbouw/natuur
Bodemkwaliteitszone
Voor komende bodemfunctie(s)
Verwachte ontgravingsklasse (op basis van 80-percentielwaarde)
Toepassingseis (gebeiedsspeciek en gemeentelijk beleid) A
Bovengrond (dieptetraject 0-0,5 m-mv) # Zutphen: Wonen voor 1945
Wonen Landbouw/natuur
Industrie
Industrie Zutphen: Wonen vanaf 1945
Wonen
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur $
Spoorzone)
(overig gebied) Zutphen: Industrie vanaf 1945 (stortplaats Fort de Pol)
Industrie Wonen
Wonen
Landbouw/natuur Industrie
Wonen @ Landbouw/natuur
Zutphen: Industrie voor 1945
Zutphen: Industrie voor 1945
Landbouw/natuur Industrie B @@
Landbouw/natuur (plangebied Noorderhaven-
Wonen @
Lokale Maximale Waarden D
Wonen @ Landbouw/natuur
Industrie $$
Industrie @@
Zutphen: Industrie vanaf 1945
Industrie
(overig gebied/noordelijk
Wonen
industrieterrein De Mars)
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur E
Industrie
Industrie B @@
Zutphen: Buitengebied
Industrie E @@ Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur Gebieden met diffuus verhoogde
Industrie
gehalten aan bestrijdingsmiddelen
Wonen
(bodemlaag 0-0,5 m-mv)**
Landbouw/natuur
Geasfalteerde wegen in het buitengebied (incl. bermen) Onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en Oude stortplaatsen (afdeklaag)
Wonen E @
Landbouw/natuur Industrie F @@
Industrie
Wonen F @ Landbouw/natuur F
Industrie
Onbekend
Industrie G @@
Varieert
Varieert
Landbouw/natuur H
Varieert
Onbekend
Lokale Maximale Waarden I
Tussenlaag (dieptetraject 0,5-1,0 m-mv) # Wonen voor 1970 (8 gemeenten*)
Industrie
Industrie B @@
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
37/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
56/222
Wonen C @ Landbouw/natuur
Bodemkwaliteitszone
Voor komende bodemfunctie(s)
Verwachte ontgravingsklasse (op basis van 80-percentielwaarde)
Toepassingseis (gebeiedsspeciek en gemeentelijk beleid) A
Tussenlaag (dieptetraject 0,5-1,0 m-mv) # Industrie Overig (8 gemeenten*)
Industrie B @@
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen C @ Landbouw/natuur
Industrie Lochem: Ondergrond
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Industrie
Wonen @
Landbouw/natuur Zutphen: Wonen voor 1900 Zutphen: Wonen 1900-1945
Wonen Wonen Landbouw/natuur
Wonen
Zutphen: Industrie voor 1945 (plangebied Noorderhaven-
Wonen
Landbouw/natuur $
Spoorzone) Zutphen: Industrie voor 1945 (overig gebied) Zutphen: Industrie 1945-1970 (stortplaats Fort de Pol)
Industrie Wonen
Industrie
Landbouw/natuur Industrie Industrie
(overig gebied/noordelijk
Wonen
industrieterrein De Mars)
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur Lokale Maximale Waarden D
Wonen @ Landbouw/natuur
Industrie $$
Zutphen: Industrie 1945-1970
Wonen @
Industrie @@ Industrie E @@
Wonen
Wonen E @ Landbouw/natuur E
Industrie Zutphen: Industrie na 1970
Wonen
Landbouw/natuur $$$
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Industrie
Onbekend
Industrie G @@
Varieert
Varieert
Landbouw/natuur H
Landbouw/natuur Industrie Zutphen: Overig ondergrond
Wonen Wonen
Geasfalteerde wegen in het buitengebied (incl. bermen) Onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en
Ondergrond (dieptetraject 1,0-2,0 m-mv) ## Wonen voor 1970 (8 gemeenten*)
Industrie
Industrie B @@
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
38/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
57/222
Wonen C @ Landbouw/natuur
Bodemkwaliteitszone
Voor komende bodemfunctie(s)
Verwachte ontgravingsklasse (op basis van 80-percentielwaarde)
Toepassingseis (gebeiedsspeciek en gemeentelijk beleid) A
Ondergrond (dieptetraject 1,0-2,0 m-mv) ## Industrie Overig (8 gemeenten*)
Industrie B @@
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen C @ Landbouw/natuur
Industrie Lochem: Ondergrond
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Industrie
Wonen @
Landbouw/natuur Zutphen: Wonen voor 1900 Zutphen: Wonen 1900-1945
Wonen Wonen Landbouw/natuur
Wonen
Zutphen: Industrie voor 1945 (plangebied Noorderhaven-
Wonen
Landbouw/natuur $
Spoorzone) Zutphen: Industrie voor 1945 (overig gebied) Zutphen: Industrie 1945-1970 (stortplaats Fort de Pol)
Industrie Wonen
Wonen
Landbouw/natuur Industrie Industrie
(overig gebied/noordelijk
Wonen
industrieterrein De Mars)
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur Lokale Maximale Waarden D
Wonen @ Landbouw/natuur
Industrie $$
Zutphen: Industrie 1945-1970
Wonen @
Industrie @@ Industrie E @@
Wonen
Wonen E Landbouw/natuur E
Industrie Zutphen: Industrie na 1970
Wonen
Landbouw/natuur $$$
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Industrie
Onbekend
Industrie G @@
Varieert
Varieert
Landbouw/natuur H
Varieert
Landbouw/natuur @@@
Landbouw/natuur Industrie Zutphen: Overig ondergrond
Wonen Wonen
Geasfalteerde wegen in het buitengebied (incl. bermen) Onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en Bijzondere omstandigheden Waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden
Industrie Wonen Landbouw/natuur
39/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
58/222
*
De gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. ** Voor de ligging van de percelen met diffuus verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (bijvoorbeeld boomgaard- en fruitteeltpercelen in de periode 1945-2000[13]) wordt verwezen naar de website www.topotijdreis.nl. # De 80-percentielwaarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen liggen deze boven de bepalingsgrens. ## De niet geroerde ondergrond (traject 1,0-2,0 m-mv) is niet verdacht voor PFAS-verbindingen en daarom niet onderzocht op deze stofgroep. @ De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan landelijke achtergrondwaarden. @@ De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de toepassingswaarden voor de bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’. @@@ De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de in de meest recente versie van de provinciale omgevingsverordening benoemde toepassingswaarden. $ Kwaliteitsklasse is gebaseerd op het in 2017 vastgestelde gebiedsspecifieke beleid [2] en de grootschalige herontwikkelingen met de bijbehorende ingrepen in dit gebied de afgelopen jaren. $$ Kwaliteitsklasse is gebaseerd op de aangebrachte leeflaag om de saneringsdoelstelling voor stortplaats De Pol te behalen[2].
$$$ De 95-percentielwaarde voor arseen overschrijdt de interventiewaarde. De sterk verhoogde arseengehalten hebben een natuurlijke oorzaak.Bij het aantreffend van een ijzeroerlaag moet de grond worden onderzocht (zie § 2.5.5). A Toe te passen van nature arseenhoudende grond moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden (zie tabel 2.2 in § 2.5.5). B Ter plaatse aangewezen gebieden mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ worden toegepast (zie § 2.5.3). In sommige situaties is eerst een formeel besluit van het college van burgemeester en wethouders nodig. C Ter plaatse van aangewezen gebieden in de gemeente Aalten mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast (zie § 2.5.4). D Vrijkomende grond uit deze bodemkwaliteitszone mag voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of beter. Toe te passen grond van buiten deze bodemkwaliteitszone moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. E De toepassingseis sluit geldt voor locaties die worden herontwikkeld op het noordelijk industrieterrein De Mars en sluiten aan op de toekomstige functie van de locatie: Industrie, Wonen of Overig (zie § 2.5.7).
F De gemeenten staan toe dat grond uit de zone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (bodemlaag 0-0,5 m-mv)’ alleen na uitvoeren van een indicatief bodemonderzoek en afhankelijk van de onderzoeksresultaten en toetsing aan de Lokale Maximale Waarden weer in deze zone mag worden hergebruikt (zie § 2.5.8). G Ter plaatse van de geasfalteerde wegen in het buitengebied (incl. bermen) mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter worden toegepast (zie § 2.5.2). H De kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (zie § 2.5.9). Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbestverdachte materialen (zie § 2.6 en § 2.7). I Op oudere stortplaatsen mag voor een betere bovenafdichting grond worden gebruikt met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Voorwaarden bij deze Lokale Maximale Waarden zijn dat deze alleen mogen worden gebruikt in combinatie met een 0,5 meter dikke afdeklaag. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseis voor hergebruik van grond van het gebied waarin de stortplaats ligt. (zie § 2.5.10).
2.17 Opstellen grondstromenplan bij projecten 2.17.1 Grootschalige bodemtoepassing Bij grootschalige bodemtoepassingen moet, conform artikel 64 van het Besluit, een (grondstromen) beheerplan worden ingediend. In het beheerplan wordt minimaal opgenomen: • Aan- en/of inleiding. • Wettelijk kader en onderbouwing dat aan artikelen 5/35 van het Besluit (nuttige/functionele en ruimtelijk gewenste toepassing) wordt voldaan. • Een technische onderbouwing waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 63 van het Besluit; de “technische” aspecten van de grootschalige bodemtoepassing (opbouw van de toepassing / deklaag / herkenbaarheid / kwaliteit grond / etc.). • Uitvoeringsaspecten (betrokkenen / periode / meldingsregime / kwaliteitsverklaringen / registratie / oplevering / beheerder). 40/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
59/222
•
•
Beheer / nazorg (in stand houden van toepassing én leeflaag / eventueel risico dat de grootschalige bodemtoepassing niet wordt afgerond en wie dan verantwoordelijk is / eventueel een monitoringsporgramma). Het plan kan voorzien worden met enkele bijlagen (bijvoorbeeld de ligging / opbouw van de grootschalige bodemtoepassing / verwachte ontgravingskwaliteit -boven- en ondergrond- in het ontgravingsgebied).
Door het tijdig in beeld brengen van de grondstromen en de afstemming met het bevoegde gezag kunnen knelpunten vooraf worden gesignaleerd en kan stagnatie tijdens de uitvoering worden voorkomen. Het grondstromenplan met de melding van het toepassen van grond worden ingediend bij het centrale meldpunt van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hierdoor wordt de administratieve last verminderd. 2.17.2 Andere projecten met grootschalig grondverzet Bij de uitvoering van projecten met grootschalig grondverzet, bijvoorbeeld infrastructurele werken, bouw- en woonrijp maken en natuurontwikkeling, wordt geadviseerd om een grondstromenplan op te stellen. Dit plan moet dan worden ingediend bij de gemeente (als deze initiatiefnemer is van het project) of de Omgevingsdienst Achterhoek. In een grondstomenplan voor grootschalig grondverzet wordt minimaal opgenomen: • Aan- en/of inleiding. • Wettelijk kader en onderbouwing dat aan artikelen 5/35 van het Besluit (nuttige/functionele en ruimtelijk gewenste toepassing) wordt voldaan. • Een technische onderbouwing waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 63 van het Besluit; de “technische” aspecten van het grootschalige grondverzet (opbouw van de toepassing / eventuele deklaag / herkenbaarheid / kwaliteit grond / etc.).
• Uitvoeringsaspecten (betrokkenen / periode / meldingsregime / kwaliteitsverklaringen / registratie / oplevering / beheerder). • Beheer / nazorg (in stand houden van toepassing en eventuele leeflaag / eventueel risico dat het grootschalig grondverzet niet wordt afgerond en wie dan verantwoordelijk is / eventueel een monitoringsporgramma). • Het plan kan voorzien worden met enkele bijlagen (bijvoorbeeld de ligging / opbouw van de toepassing / verwachte ontgravingskwaliteit -boven- en ondergrond- in het ontgravingsgebied). Door het tijdig in beeld brengen van de grondstromen en de afstemming met het bevoegde gezag kunnen knelpunten vooraf worden gesignaleerd en kan stagnatie tijdens de uitvoering worden voorkomen. Ook kunnen op basis van het grondstromenplan afspraken worden gemaakt over het indienen van meldingen Besluit bodemkwaliteit. Hierdoor kan de administratieve last worden verminderd.
41/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
60/222
2.18
Melden tijdelijke opslag voorafgaand een de definitieve toepassing
Als grond voorafgaand aan de toepassing tijdelijk wordt opgeslagen dan zijn in principe 2 meldingen bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat noodzakelijk. Om deze administratie lasten te verminderen, verruimen de gemeenten de eisen voor het melden van tijdelijke opslag van grond waarvan de toepassingslocatie bekend is als volgt: Als bekend is waar de grond, die tijdelijk wordt opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen, moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse. Als bekend is waar de grond, die tijdelijk is opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse.
42/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
61/222
Bronvermelding [1]
[2]
[3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13]
[14]
Bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart regio Achterhoek, documentnummer: SOB011398.RAP001, Lievense Milieu B.V.|WSP, 15 december 2020 Gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk: Bodemkwaliteitskaart regio Achterhoek, projectcode: 11K054, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 24 oktober 2011. Nota bodembeheer, Gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk, dossier AC0831, Vakberaad Bodem Achterhoek, november 2011. Gemeente Lochem en Zutphen: Bodemkwaliteitskaart Regio Stedendriehoek, projectcode EP91-1, Witteveen+Bos, 16 juni 2010 Aanvulling op de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart (gemeenten Lochem en Zutphen), projectcode: 101453, Witteveen+Bos, mei 2017. Nota bodembeheer voor Epe, Apeldoorn, Voorst, Brummen, Zutphen en Lochem, projectnummer: B08B0337, MWH B.V., 20 januari 2011. Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007. Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen. Beleidsnota De Gelderse wegwijzer door bodemland, Bodem, uitvoering en toetsing, gemeente Arnhem / gemeente Nijmegen / provincie Gelderland, 2012. Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen.
Algemene wet bestuursrecht, publicatie Staatsblad 693, 23 december 1993. Activiteitenbesluit, publicatie Staatsblad, nummer 415, 2007 en latere wijzigingen. Waterwet, publicatie Staatsblad, nummer 489, 24 november en latere wijzigingen. Waterregeling, publicatie Staatscourant nr. 19353, 17 december 2009, inclusief update 1 januari 2014. Wet milieubeheer, publicatie Staatsblad, nummer 443, 1980 en latere wijzigingen. Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en later wijzigingen. Bronswijk et al. (2003) en De Jong en Van der Hoek (2009), PBL/dec13; http://www.clo.nl/indicatoren/nl026405-bestrijdingsmiddelen-in-de-bodem; en https://www.clo.nl/indicatoren/nl0048-bestrijdingsmiddelengebruik-door-de-overheid. Regionale bodemkwaliteitskaart Twente, projectcode: ES349-1, Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V., 23 maart 2018.
43/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
62/222
[15]
[16] [17]
[18]
[19]
[20]
[21] [22] [23]
[24] [25]
[26]
[27] [28] [29] [30]
Bodemkwaliteitskaart regio Arnhem, CSO, projectcode: 08K118, 5 oktober 2010. Addendum bodemkwaliteitskaart, kentallen voor standaardbodem, projectcode: AH6441, Witteveen+Bos, 21 augustus 2014. Actualisatie bodembeleid en klantgerichte kaarten voor regio MRA, projectcode: 109993/18-013.498, Witteveen+BOS, 5 september 2018. Bodemkwaliteitskaart gemeenten Apeldoorn, Brumen, Epe en Voorst, documentnummer: SOB005100.RAP002, Lievense Milieu B.V., 2020. NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK-2019/131399; aangepast op 29 november 2019 en 2 juli 2020. Verordening van Provinciale Staten van de provincie Gelderland houdende Omgevingsverordening Gelderland, publicatie Provinciaal Blad nr. 2624, 24 september 2014 en latere wijzigingen. Wordt naar verwachting in 2021 gewijzigd. Onder meer wordt regelgeving voor PFAS in de omgevingsverordening opgenomen. Arbeidsomstandighedenwet, publicatie Staatsblad nr. 450, 25 oktober 1999 en latere wijzigingen. Arbeidsomstandighedenbesluit, publicatie Staatsblad nr. 263, 26 juni 1997 en latere wijzigingen.
NEN 5707 – Bodem: inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond NEN 5897 – Inspectie en monstername van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. Handreiking asbest en bodem, Gelders Ondergrond Overleg (zie http://geldernet.omgevingsdienst.nl of zie ook: https://www.expertisebodemenondergrond.nl/upload/documents/platformtoezichtbodem beheer/28november2017/Gelderse%20Handreiking%20Asbestonderzoek.pdf). Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, publicatie Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013. Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen, Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen. De richtlijn voor risicogestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem, Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van decentrale overheden, bedrijfsleven, Inspectie Leefomgeving en Transport, Inspectie SZW en Rijkswaterstaat Bodem+, 30 april 2020. CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen, Aequator Groen & Ruimte, Stichting Probos & Geofoxx milieuexpertise, 14 oktober 2019. Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, BRL 1000 – protocol 1001.
Statistische analyse van de relatie puin in de bodem en de aanwezigheid van asbest, TNO 2018 R10825, 15 augustus 2018.
44/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
63/222
[31] [32] [33] [34] [35]
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, publicatie Staatsblad, nummer 570, 24 december 2009 en latere wijzigingen Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, publicatie Staatscourant, nummer 207, 27 oktober 2004 en latere wijzigingen. Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, publicatie Staatsblad nr. 434, 28 september 2006, en latere wijzigingen. Handreikingen bodem voor gemeenten, Overzicht gemeentelijke bodemtaken, Rijkswaterstaat, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 1 augustus 2013. Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid, rapport 711701053, RIVM, 2006.
45/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020
64/222
Overzicht bijlagen Bijlage 1 Begrippenlijst Bijlage 2 Wet- en regelgeving Bijlage 3A Statistische parameters organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB; waarden standaardbodem) Bijlage 3B Statistische parameters PFAS-verbindingen per bodemlaag/bodemkwaliteitszone (gemeten waarden) Bijlage 3C Statistische parameters andere stoffen per bodemkwaliteitszone getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (waarden standaardbodem) Bijlage 4 Mogelijkheden vrij grondverzet Bijlage 5 Verschillende toets- en risiconormen voor arseen in de grond
Bijlagen — SOB011396 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
65/222
Bijlage 1
Begrippenlijst Bagger(specie) Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organisch stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voor komende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Baggerspecie die in het kader van het Besluit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. Met gebiedsspecifiek beleid hebben de gemeenten hier strengere eisen aan gesteld. Barium Voor barium bestaat op dit moment geen norm. De destijds voor deze stof geldende normen zijn ingetrokken (Staatscourant nr. 67, publicatie 7 april 2009) omdat de interventiewaarde lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Dit blijft gehandhaafd. De onderzoeksgegevens over barium moeten wél in de bodemkwaliteitskaarten worden meegenomen, aangezien barium onderdeel uitmaakt van het stoffenpakket, met dien verstande dat geen eisen worden gesteld aan het aantal waarnemingen. Deze gegevens kunnen een indicatie voor de aanwezigheid van antropogene bronnen zijn die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond worden aangetroffen door een menselijke activiteit. Dit gehalte wordt beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium: 920 mg/kg ds (bij standaardbodem lutum 25%, organisch stof 10%). Bodembeheergebied gemeentelijk grondstromenbeleid Het bodembeheergebied omvat de grondgebieden van de gemeente Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen. Bodemfunctieklassenkaart Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’. Onder het laatstgenoemde gebruik vallen landbouw en natuur. Bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten: 1. Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden. 2. De ontgravingskaart (deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast). 3. De toepassingskaart (deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen).
Bijlage 1 — 1/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
66/222
Bodemkwaliteitsklasse In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen: • Klasse Landbouw/natuur. • Klasse Wonen. • Klasse Industrie. De bodemkwaliteit is gebaseerd op de 80-percentielwaarde van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit de Regeling bodemkwaliteit. De 80-percentielwaarde geeft meer betrouwbaarheid aan de te verwachten ontgravingsklasse in een zone. Bij de toetsingsmethodiek voor de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’ wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen (zie onderstaand). Voor de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten is het basispakket van toepassing. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ is minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (zie het kopje ‘Ontgravingskaart’ in deze bijlage). Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één stof wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie Industrie. Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied.
Tabel B2.1 Staffel toegestane aantal overschrijdingen. Aantal gemeten stoffen
Aantal toegestane overschrijdingen
1-6
0
Basispakket (7-15)
2
16 – 26
3
27 – 36
4
37 – 48
5
Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): • Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B2.1. • De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. • De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2.2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit'). Klasse Wonen: • Alle gehalten voldoen aan de klassegrens Wonen, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B2.1. • De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. • De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Industrie bedragen.
Bijlage 1 — 2/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
67/222
Klasse Industrie: • Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of Achtergrondwaarden (AW2000) wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie. Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’. Bodemkwaliteitszone Een deel van een gebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Bodemvreemd materiaal Onder bodemvreemd materiaal vallen alle materialen die niet onder de definitie van grond vallen en bij ontgraving al in de bodem aanwezig zijn. Deze bijmenging mag niet opzettelijk zijn toegevoegd aan de partij of het gevolg zijn van onzorgvuldige ontgraving of sloopwerkzaamheden. Bijzondere omstandigheden Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone.
Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie/cultuurhistorie en aardkundige waarden vallen onder de bijzondere omstandigheden. In gebieden met bijzondere omstandigheden kunnen vanwege andere wet en regelgeving aanvullende eisen worden gesteld. Diffuse chemische bodemkwaliteit De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden). Ernstig verontreinigde grond Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden van de Wet bodembescherming overschrijden. Geval van ernstige bodemverontreiniging (grond) In minimaal 25 m³ grond overschrijden de gehalten voor één of meer stoffen de betreffende Interventiewaarden (I-waarde).
Bijlage 1 — 3/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
68/222
Gevoelig bodemgebruik Gevoelig bodemgebruik wordt hier gedefinieerd als zijnde Wonen met onverharde tuinen, plaatsen waar kinderen spelen (zie verderop in deze bijlage), moes-/volkstuin(complex)en. Grond Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit definieert grond als volgt: “Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voor komende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.” Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Besluit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. Met gebiedsspecifiek beleid hebben de gemeenten hier strengere eisen aan gesteld. Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2013. Kinderspeelplaatsen Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.
Kwalibo – kwaliteitsborging in het bodembeheer Bij het milieuvriendelijk beheren en gebruiken van de (water)bodem moeten gegevens betrouwbaar zijn en moet netjes worden gewerkt. Hiervoor stelt Kwalibo eisen aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer. In artikel 2.1 van de Regeling zijn de werkzaamheden aangewezen wanneer Kwalibo van toepassing is. Lokale bron (puntbron) Duidelijk aanwijsbare bron voor een eventuele bodemverontreiniging zoals bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, boerenerven (puinverhardingen), een gedempte watergang, een ophooglaag, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, bodembedreigende activiteiten, of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Niet gezoneerd gebied Gebieden kunnen worden gezoneerd wanneer er voldoende bodemgegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende bodemgegevens beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het gebied niet gezoneerd. Een gebied kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de bodemgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten.
Een niet gezoneerd gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de bodemkwaliteitskaart (zie ook: ‘Uitgesloten gebied’).
Bijlage 1 — 4/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
69/222
Onderscheidende gebiedskenmerken Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een bodemkwaliteitskaart kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de bestaande kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld. Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de 80-percentielwaarde van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit de Regeling bodemkwaliteit. De 80-percentielwaarde geeft met betrouwbaarheid de te verwachten ontgravingsklasse in een zone aan. De ontgravingskwaliteit is van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit de Regeling bodemkwaliteit. De kaart doet dus alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De ontgravingskwaliteit kan vallen in één van de vier onderscheiden klassen: • Klasse Landbouw/natuur. • Klasse Wonen. • Klasse Industrie. • Klasse Niet toepasbaar.
Bij de toetsingsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel (zie tabel B2.1 bij 'Bodemkwaliteitsklasse') voor het aantal toegestane overschrijdingen. Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): • Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B2.1. • De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. • De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2.2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit'). Klasse Wonen: • De gehalten voldoen niet aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden. Klasse Industrie: • De norm voor klassegrens Wonen wordt overschreden. • De norm voor klasse grens Industrie wordt niet overschreden. Klasse Niet toepasbaar: • De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden. Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’.
Bijlage 1 — 5/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
70/222
Ontgravingslocatie Betreft het gebied(sdeel) waar grond ontgraven wordt. Onverharde wegbermen De strook grond naast de verharde (klinker- en asfalt) weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanaf de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1.): • de erfgrens of • de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of • de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of • als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in habitatgebieden en het Natuurnetwerk Nederland geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden.
Figuur B1. Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009).
Oppervlaktewaterlichaam Een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater. Percentiel/percentielwaarde Waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 90-percentiel: 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.
Bijlage 1 — 6/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
71/222
PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen (Bron: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grondbaggerspecie-pfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/resultaten-pfas-onderzoek-toetsenaanvulling/) De toetsing aan de PFAS-verbindingen is een aanvullende (losse) toets ten opzichte van de toetsing op de reguliere parameters en indeling in kwaliteitsklassen. Dat betekent dat eerst de toetsing plaatsvindt op basis van de reguliere parameters en op basis daarvan een indeling in kwaliteitsklasse plaatsvindt. Vervolgens vindt de toetsing aan de voorlopige toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader voor de PFAS-verbindingen plaats. Aan de hand van de aanvullende toetsing stel je vervolgens vast in hoeverre beperkingen aan de toepassing gelden, bijvoorbeeld een verbod op het toepassen onder grondwaterniveau of in oppervlaktewater. Voor PFAS zijn de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de Achtergrondwaarde of maximale waarde wonen niet van toepassing, omdat nog geen normen zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Ook tellen de gemeten PFAS niet mee als gemeten stoffen bij de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de achtergrondwaarde of maximale waarde wonen. Bij de inbouw van het handelingskader in de Regeling bodemkwaliteit wordt de wijze van toetsen aan normwaarden nader ingevuld.
Hieronder zijn twee voorbeelden uitgewerkt: Voorbeeld 1 Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Wonen, dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de toepassingsnormen uit het tijdelijk handelingskader. Dit kan leiden tot de volgende drie situaties: 1. Als alle PFAS-gehalten zijn aangetoond beneden de rapportagegrens, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan en gelden geen aanvullende toepassingsvoorwaarden. De partij kan als bodemkwaliteit Wonen worden toegepast zonder aanvullende voorwaarden. 2. Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de rapportagegrens maar alle PFAS-gehalten voldoen aan de toepassingsnormen voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen (7,0 µg/kg d.s. voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s. voor de overige PFAS), blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan, maar gelden wel beperkingen aan de toepassing: toepassing van grond op de landbodem beneden grondwaterniveau (tenzij PFAS < voorlopige achtergrondwaarden voor PFAS) en in grondwaterbeschermingsgebieden. 3. Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de toepassingsnormen van 7,0 µg/kg d.s. voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s. voor de overige PFAS is deze niet generiek toepasbaar.
Toepassing van de partij kan alleen plaatsvinden als in dat gebied verhoogde Lokale Maximale Waarden door het bevoegd gezag zijn vastgesteld in het kader van gebiedsspecifiek beleid.
Bijlage 1 — 7/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
72/222
Voorbeeld 2 Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarde), dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de landelijke achtergrondwaarden (1,9 µg/kg d.s. voor PFOA en 1,4 µg/kg d.s. voor de andere PFAS) en bij overschrijding daarvan ook toetsen aan de normen voor 7,0 µg/kg d.s. voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s. voor de overige PFAS). Dit kan leiden tot de volgende vier situaties: 1. Als alle PFAS-gehalten kleiner zijn dan de bepalingsgrens, blijft de indeling in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarden) staan en gelden geen toepassingsvoorwaarden. Kortom alle toepassingen zijn toegestaan. 2. Als een PFAS-gehalte aangetoond wordt boven de rapportagegrens (0,1 µg/kg d.s.) maar beneden de landelijke achtergrondwaarden (van 1,9 µg/kg d.s. voor PFOA en 1,4 µg/kg d.s. voor de andere PFAS), dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarden) staan, maar gelden wel toepassingsvoorwaarden: toepassing van grond op de landbodem in grondwaterbeschermingsgebieden is niet toegestaan. 3. Als een PFAS-gehalte aangetoond wordt boven de voorlopige achtergrondwaarde (van 1,9 µg/kg d.s. voor PFOA en 1,4 µg/kg d.s. voor de andere PFAS) en onder de toepassingsnormen van 7,0 µg/kg d.s.
voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s voor de overige PFAS, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarden) staan, maar kan de partij uitsluitend toegepast in gebieden met de kwaliteitsklassen Wonen of Industrie als toepassingseis of in gebieden waarvoor verhoogde lokale achtergrondwaarden zijn vastgesteld. 4. Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de toepassingsnormen van 7,0 µg/kg d.s. voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s voor de overige PFAS, kan de partij niet meer ingedeeld worden in een generieke kwaliteitsklasse voor toepasbare grond. Toepassing van de partij kan alleen plaatsvinden als in dat gebied verhoogde Lokale Maximale Waarden door het bevoegd gezag zijn vastgesteld in het kader van gebiedsspecifiek beleid. Puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707 of NEN 5897 plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. De NEN 5707 moet worden gebruikt bij een bijmenging met bodemvreemd materiaal tot en met 50 gewichtsprocent. Als meer dan 50 gewichtsprocent aan bijmenging met bodemvreemd materiaal is vastgesteld, moet de NEN 5897 worden gebruikt.
In overleg met de Omgevingsdienst Achterhoek kan ook direct een partijkeuring worden uitgevoerd (inclusief, dan wel specifiek op asbest). Een onderzoek conform de NEN 5707 of de NEN 5897 is volgens paragraaf 4.3 van de Regeling namelijk geen erkend bewijsmiddel. Of bodemvreemd materiaal daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is, het historisch gebruik van de locatie (bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel in de bodem terecht is gekomen) en de soort puinbijmenging. Alleen als voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat het puin in
Bijlage 1 — 8/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
73/222
de grond geen asbest kan bevatten, is de grond niet-verdacht voor asbest. In de NEN 5725 is hierover het volgende beschreven: “Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat is toegepast en het historisch gebruik van de locatie, bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel is toegepast. Er zijn verschillende typen puin: metselpuin, betonpuin, puin van asfalt, klinkers en/of straatstenen en historisch puin 15. Vooral bij ongedefinieerd gemengd bouw‐ en sloopafval is de kans groot dat dit asbestcementplaatmateriaal bevat (stukjes golfplaat, vlakke plaat, daklei en buis). Ook in betonpuin (vooral funderingspuin) komt incidenteel asbestcement voor in de vorm van asbestcementbuizen, verloren bekisting en stelplaatjes. In de overige soorten puin (puin van asfalt, asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers en/of straatstenen, trottoirbanden en historisch puin) zit in de regel geen asbesthoudend materiaal en de aanwezigheid daarvan maakt een locatie niet verdacht. Indien het (puin)granulaat duidelijk visueel herkenbaar is als eenduidig materiaal en voldoende kan worden onderbouwd dat dit materiaal niet vermengd kan zijn met asbesthoudend materiaal, is de (deel)locatie niet verdacht. De kans op het aantreffen van asbest is sterk afhankelijk van de herkomst en ouderdom van het materiaal.
Op basis van de leeftijd van het bouw ‐ en sloopafval of recyclinggranulaat is het mogelijk om de verdachtheid nader vast te stellen.” In de onderstaande tabel is aangegeven welke kans er is op het aantreffen van asbest in relatie tot de leeftijd van het materiaal. Onderzoek door TNO[30] naar bodemvreemd materiaal in de bodem en het voorkomen van asbest wijst uit dat ten opzichte van onverdachte locaties: • hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond met bijmengingen met bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin; • hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als meer bodemvreemd materiaal in de grond aanwezig is; • hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als er slechts spoortjes puin aan bijmenging aanwezig zijn. Voor grondverzet op terreinen waar gebouwen met asbestdaken aanwezig zijn wordt voor de wijze van het uit te voeren bodemonderzoek verwezen naar de handreiking asbest en bodem[23] die is opgesteld in opdracht van het Gelders Ondergrond Overleg. Ook kan voor de juiste onderzoeksmethode contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Achterhoek.
15
Puin van voor 1945.
Bijlage 1 — 9/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
74/222
Kans op aantreffen van asbest in puin(granulaat) in relatie tot leeftijd materiaal (bron: NEN 5725)
Kans op aantreffen asbest
Soort asbest
Indicatief gehalte (mg/kg)
Asbestverdacht?
Vóór 1945
Gering
Hechtgebonden
<10
Nee
1945-1980
Groot
>100
Ja
10-100
Ja
Periode Puin
Hechtgebonden en niethechtgebonden 1980-1993/1995
Tamelijk groot
1993/1995-1998
Gering
1998-2005 Na 2005
Meestal hechtgebonden Meestal
Vaak <10,
hechtgebonden
incidenteel >10
Incidenteel
Hechtgebonden
< 10
Nee
Nihil
Hechtgebonden
<<10
Nee
In principe ja
(Gecertificeerd) recyclinggranulaat <1998 (niet
Groot
Ja
Tamelijk groot
Ja
Nihil
Nee
Onder Certiva certificaat
Nee
gecertificeerd) 1998-2005 (gecertificeerd) Na 2005 (gecertificeerd)
(Gecertificeerd) recyclinggranulaat Bouw en sloopafval van project met een asbestinventarisatierapport waar door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is aangegeven dat in het
Nee
betreffende bouwwerk geen asbest aanwezig is. (Gecertificeerd) recyclinggranulaat Bouw- en sloopafval van project met een asbestvrijgaverapport waar door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf is aangegeven dat het al in het
Nee
betreffende bouwwerk aanwezige asbest is verwijderd. Puin dat aantoonbaar voldoet aan de SCB-007/BRL9999 en aantoonbaar is verkregen uit een sloop die aantoonbaar is uitgevoerd conform SCB-
Nee
007/BRL9999. Bouw- en sloopafval dat afkomstig van een sloper en wordt geleverd met een conformiteitsverklaring volgens de SCB-007/BRL9999.
Bijlage 1 — 10/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
75/222
Nee
Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem (Generiek kader Besluit bodemkwaliteit) De toepassingskaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen. Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt voor elke bodemkwaliteitszone de toepassingseis vastgesteld.
@
Bodemfunctieklasse
Bodemkwaliteitsklasse
Gemeentelijke toepassingseis @
Overig (Landbouw/natuur)
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Overig (Landbouw/natuur)
Wonen
Landbouw/natuur
Overig (Landbouw/natuur)
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Industrie
Wonen
Wonen
Industrie Industrie Industrie De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de toepassingswaarden in de meest recente versie van het tijdelijk handelingskader hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.
Toepassingslocatie Betreft dat gebied(sdeel) waar grond wordt toegepast. Toetsing toepassen grond Om te beoordelen of het toepassen van grond is toegestaan wordt de kwaliteit van de toe te passen grond vergeleken met de toepassingseis die geldt voor de ontvangende bodem. De kwaliteit van de toe te passen grond kan worden bepaald op basis van een bodemkwaliteitskaart, partijkeuring of een ander erkend bewijsmiddel. De toepassingseis kan worden bepaald op basis van de bodemkwaliteitskaart (gezoneerde gebieden) of bodemonderzoek van de ontvangende bodem (niet gezoneerde gebieden). Kwaliteit toe te passen grond #
Toepassingseis @
Toepassing toegestaan?
Wonen
Wonen
Ja
Industrie
Wonen
Nee
Landbouw/natuur
Wonen
Ja
Wonen
Industrie
Ja
Industrie
Industrie
Ja
Landbouw/natuur
Industrie
Ja
Wonen
Landbouw/natuur
Nee
Industrie
Landbouw/natuur
Nee
Landbouw/natuur Landbouw/natuur Ja De gemiddelde waarden van een aantal PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. @ De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de toepassingswaarden in de meest recente versie van het tijdelijk handelingskader hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. #
Bijlage 1 — 11/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
76/222
Toetsingswaarden Besluit en Regeling bodemkwaliteit en het Tijdelijk handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie Om een zone te karakteriseren moet een toetsing plaatsvinden aan de gestelde normen uit het Besluit en de Regeling en het Tijdelijk handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. Deze toetsingsnormen zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel B2.2: Toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org.stof 10%-) Maximale waarden Stof
Achtergrondwaarde
Maximale waarden
Maximale waarden
(AW2000,
wonen
industrie
Landbouw/natuur) Arseen
20
27
76
Barium *
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Cadmium
0,60
1,2
4,3
Chroom
55
62
180
Kobalt
15
35
190
Koper
40
54
190
Kwik
0,15
0,83
4,8
Lood
50
210
530
Molybdeen
1,5
88
190
Nikkel *
35
39
100
Zink
140
200
720
Som PAK
1,5
6,8
40
Som PCB
0,02
0,04
0,5
Minerale olie
190
190
500
PFOA16 zonder vastgestelde
0,0019
achtergrondwaarde Andere PFAS-verbindingen
0,0014
zonder vastgestelde achtergrondwaarde PFOA *
16
0,0019
0,007
0,0014 0,003 Andere PFAS-verbindingen De normstelling in Besluit bodemkwaliteit voor barium en nikkel zijn door het voormalige Ministerie van VROM sinds 1 april 2009 gewijzigd (Staatscourant, 7 april 2009). Voor nikkel vindt voor schone grond (klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’) geen toetsing meer plaats aan de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Voor barium is besloten alle toetsingsnormen tijdelijk in te trekken als aangetoond kan worden dat er geen sprake is van een verontreiniging veroorzaakt door activiteiten van de mens. Als een verhoogd gehalte van barium is veroorzaakt door een activiteit door de mens, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium: 920 mg/kg ds.
PFOA: perfluoroctaanzuur; gebruikt in vochtafwerende producten.
Bijlage 1 — 12/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
77/222
Uitgesloten locaties en gebieden Uitgesloten locaties en gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart of niet voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de bodemgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar de gemeente niet het bevoegd gezag voor het Besluit is zoals buitendijks gebied. Terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit worden eveneens uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Maar ook terreinen die in het beheer zijn van andere organisaties zoals Rijkswaterstaat (rijkswegen), de provincie (provinciale wegen) of de ProRail (spoorgebonden gronden) worden soms uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Verdachte watergang Deze zijn gedefinieerd in art. 4.3.4.4 van de Regeling bodemkwaliteit.
Het betreffen watergangen in gebieden: • die zijn bebouwd, daaronder begrepen kassen- en industriegebieden; • waar regelmatig beroeps- of pleziermotorvaart plaatsvindt; • waar geloosd wordt na de laatste keer dat er is gebaggerd; • grenzend aan wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 500 voertuigen per dag, tenzij het betreft bermsloten op een afstand van ten minste 15 meter waarin de wegriolering niet loost; • met een oeverbeschoeiing die bestaat uit met gecreosoteerde olie behandeld hout; • waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze niet voldoen aan de maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie of die niet zijn aangegeven in een beheerplan. Daarnaast worden watergangen grenzend aan voormalige boomgaarden ook als verdachte watergangen gezien. Voor bodemverontreiniging (niet) verdachte locatie Een locatie waar geen lokale bron (puntbron) aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, boerenerven (puinverhardingen), een gedempte watergang, een ophooglaag, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, bodembedreigende activiteiten, of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Vrij grondverzet Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld.
Bijlage 1 — 13/13 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
78/222
Bijlage 2
Wet- en regelgeving 2.1 Landelijke wet- en regelgeving 2.1.1 Besluit en Regeling bodemkwaliteit Algemeen Voor het in werking treden van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit was de regelgeving voor het nuttig toepassen van grond en baggerspecie (hierna aangeduid als 'grond') en bouwstoffen versnipperd in diverse wet- en regelgevingen. De diverse regelgevingen waren complex, onoverzichtelijk en in de praktijk moeilijk handhaafbaar. Daarom zijn de regels herzien en is één eenduidig landelijk kader gemaakt: het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Het Besluit heeft betrekking op de kwaliteit van de uitvoering (Kwalibo) en het toepassen van grond en bouwstoffen. Binnen het Besluit kunnen gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders voor het toepassen van grond aansluiten bij het landelijke, generieke, kader zoals dat in het Besluit is opgenomen. Ook bestaat de mogelijkheid om op niveau van het bodembeheergebied maatwerkbeleid te formuleren in de vorm van gebiedsspecifiek beleid. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen knelpunten bij grondstromen onder bepaalde voorwaarden worden opgelost. Gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders kunnen voor hun (water)bodembeheergebied, of delen daarvan, Lokale Maximale Waarden vaststellen (zie ook § 2.2.2 van deze bijlage). Op deze wijze kunnen de toepassingseisen voor grond worden aangepast.
Ook zijn er meer mogelijkheden voor een lokale invulling van het beleid als het gaat om de nuttige toepassing van grond. Gebiedsspecifiek beleid is mogelijk als: • er sprake is van ‘standstill’ op het niveau van het bodembeheergebied; • de Lokale Maximale Waarden het Saneringscriterium niet overschrijden; • het risiconiveau van de gekozen Lokale Maximale Waarden wordt berekend met behulp van de Risicotoolbox (zie https://www.risicotoolboxbodem.nl/); • de Lokale Maximale Waarden worden afgestemd met het bevoegd gezag bodemsanering; • de Lokale Maximale Waarden worden vastgelegd in een nota bodembeheer; • de vaststelling van de gekozen Lokale Maximale Waarden een besluit is van de Raad waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Dit betekent dat het besluit alleen openstaat voor inspraak. De Regeling geeft een technische invulling aan de hoofdregels van het Besluit en uitleg over de uitvoering. In de Regeling staan onder andere de normen, de wijze waarop de kwaliteit van grond en baggerspecie en bouwstoffen moet worden bepaald en de wijze waarop aan de normen wordt getoetst. Het Besluit en de Regeling vullen elkaar aan en zijn niet los van elkaar te gebruiken.
Bijlage 2 — 1/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
79/222
Nuttige toepassingen van grond Het hergebruik van grond mag uitsluitend in nuttige toepassingen plaatsvinden (Besluit, artikel 35). Als grond wordt hergebruikt in een niet-nuttige toepassing, dan wordt dit gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden in het kader van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. De hierna volgende toepassingen van grond en baggerspecie worden beoordeeld als nuttige toepassingen: a) Toepassing in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen. b) Toepassing in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid. c) Toepassing voor het afdekken van een saneringslocatie of als bovenafdichting voor een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier door contact met het onderliggende materiaal. d) Toepassing in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van een oppervlaktewaterlichaam met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart.
e) Toepassing in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen bedoeld in a tot en met d. f) Verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang aangrenzende percelen. g) Verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, uitgezonderd uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met het oog op de duurzame invulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment. h) Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie, bestemd voor de toepassingen bedoeld in onderdeel a tot en met e, gedurende maximaal drie jaar op landbodems of gedurende maximaal 10 jaar in een oppervlaktewaterlichaam. i) Tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor toepassingen bedoeld in a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is. Grootschalige bodemtoepassingen Binnen het Besluit is een verbijzondering opgenomen: het toetsingskader voor het toepassen van grond in grootschalige bodemtoepassingen. Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem.
Wel moet de toe te passen grond voldoen aan de emissiewaarden (opgenomen in bijlage B van de Regeling) om te voorkomen dat ontoelaatbare uitloging naar de onderliggende bodem en het grondwater plaatsvindt. De toetsing aan de emissiewaarden is een eenvoudige toetsing op basis van het rekenkundige gemiddelde van de gemeten stoffen in de toe te passen grond. De emissietoetsingswaarden komen overeen met de t-waarden uit het voormalige Bouwstoffenbesluit.
Bijlage 2 — 2/21 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002
80/222
Grootschalige bodemtoepassingen hebben een minimaal volume van 5.000 m 3 en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. Met de voornoemde eisen voor toepassingshoogten moet pragmatisch worden omgegaan. Taluds lopen bijvoorbeeld niet verticaal maar schuin af waardoor ze formeel gezien niet aan de eisen voor de toepassingshoogten voldoen. Voor (spoor)wegen geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. Een grootschalige bodemtoepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van tenminste 0,5 meter dikte. Hiervan zijn grootschalige bodemtoepassingen in bermen van (spoor)wegen uitgezonderd. De leeflaag moet geschikt zijn voor de functie en passen bij de daadwerkelijke bodemkwaliteit van de omliggende bodem, of voldoen aan de bestuurlijk vastgestelde Lokale Maximale Waarden. Van het toetsingskader voor grootschalige bodemtoepassingen kunnen gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders, als bevoegde gezagen van het Besluit, gebruik maken. Het is niet verplicht om van dit toetsingskader gebruik te maken. In het Besluit (artikel 63) zijn toepassingen benoemd die als grootschalige bodemtoepassingen gedefinieerd mogen worden: • Toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen.
• Toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving. • Toepassingen van grond en baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart. • Toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen. N.B.
Het ophogen van een industrie/bedrijventerrein of een woonwijk wordt niet als een grootschalige bodemtoepassing beschouwd.
De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de gemeente waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. 2.1.2 Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) is geschreven met het oogmerk de bodem te beschermen. In de Wbb is een regeling opgenomen voor ernstig verontreinigde bodems. Op grond van de Wbb is grondverzet ter plaatse van ernstig verontreinigde locaties alleen toegestaan als hiervoor een melding ingevolge artikel 28 of een melding ingevolge het Besluit uniforme saneringen (artikel 39b) wordt verricht aan het bevoegd gezag. Eventueel geldt als aanvullende voorwaarde dat het grondverzet moet passen binnen een van te voren opgesteld en door het bevoegd gezag goedgekeurd (raam)saneringsplan. Daarom moet voorafgaand aan het grondverzet worden geverifieerd of de leverende en/of de ontvangende bodem ernstig verontreinigd is.