CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

Collegebesluit ontwerp Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 en mogelijkheden grootschalige opwekking Zutphen (13 april 2021)

Raadsvergadering 20 september 2021, gemeente ZutphenBij agendapunt: Ontwerp Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 van de Cleantech Regio37.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

18

Hier vindt u de Concept RES. Aandachtspunten bij de Concept RES

In de Concept RES hebben we een aantal aandachtspunten benoemd bij het maken van deze RES 1.0. Zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing zonneladder De logica van de zonneladder past in het DNA van onze regio. Dit betekent dat wij kijken naar welke vorm van zonne-energie past op welke locatie. Extra inzet van zon-op-dak moet vorm krijgen. Opwek van energie en het netwerk, balans van zon en wind Voor een optimale investering in het energienetwerk is een balans nodig tussen zonne- en windenergie. Kaders vanuit het netwerk Liander ziet kansen om het net effectiever te benutten. Dit is binnen het huidig wettelijk kader niet altijd mogelijk. Maatschappelijke betrokkenheid; participatie en samenwerking We hebben deze Concept RES in korte tijd gemaakt. Daardoor

waren er beperkingen in het zorgvuldig omgaan met het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Ruimtelijke kwaliteit, ontwerpprincipes Er zijn ontwerpprincipes ontwikkeld voor de ruimtelijke inpassing van grootschalige duurzame opwek van energie op land. In deze ontwerpprincipes staat de kwaliteit van het landschap in onze regio centraal. Belangrijke beperkingen Het concept-bod is zo samengesteld dat zoveel mogelijk wordt tegemoetgekomen aan de uitgangspunten van zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijk kwaliteit, energie-efficiëntie en maatschappelijke betrokkenheid. Maar voor realisatie, worden we geconfronteerd met belangrijke belemmeringen die niet binnen de regio kunnen worden opgelost. Relatie met de omliggende regio’s Er is overleg met de omliggende regio’s die ook werken aan hun RES. Daarin wordt in elk geval ook gesproken over de Veluwe en de IJsselvallei. Intensiveringsprogramma Provincie Gelderland De GEA-doelstelling om in 2030 tot 55% CO2 reductie te komen, is ambitieus. Alleen de RES-plannen van de Gelderse regio’s zijn niet voldoende. Er moet worden ingezet op andere manieren om CO2 te reduceren. Dit wordt in een intensiveringsprogramma uitgewerkt. Wat is gedaan met de reacties op de Concept RES?

Na de oplevering van de Concept RES in maart 2020 hebben maatschappelijke partners, inwoners en volksvertegenwoordigers hun reacties gegeven. De grote hoeveelheid en verscheidenheid van reactie is het bewijs dat de RES leeft in de maatschappij. De Covid-pandemie maakte deze dialoog overigens niet eenvoudig. Hieronder geven we in hoofdlijnen een weergave van deze reacties. Ook beschrijven we hoe we dit hebben meegenomen in het proces naar de RES 1.0.

26/146

Draagvlak en participatie

Reacties In vrijwel alle reacties komt het belang van draagvlak en participatie bij de totstandkoming van de Concept RES aan bod. Inwoners gaven aan zich niet voldoende betrokken te voelen bij de RES. De korte doorlooptijd van de RES is hierbij een van de problemen. Ook wordt aandacht gevraagd voor het democratisch proces. De gemeenteraden van Apeldoorn en Voorst hebben gevraagd om een zienswijzenota. Inwoners vragen zich af wanneer inspraak mogelijk is en spreken daarbij hun zorg uit dat na de oplevering van de Concept RES geen inspraak meer mogelijk is. Aanpassing proces RES 1.0 De stuurgroep zet zich in om participatie van inwoners en maatschappelijke partners in het RES proces zo goed mogelijk vorm te geven. Naar aanleiding van de reacties hebben we aanpassingen gedaan in het proces:

19

De lokale processen en het regionale proces beïnvloeden elkaar en vraagt om goede afstemming. De bijeenkomsten zijn zo georganiseerd dat lokale inbreng meegenomen kan worden in regionale bijeenkomsten en omgekeerd. In de RES 1.0 zijn maatschappelijke partners intensiever betrokken bij afwegingen zodat hierover meer transparantie ontstaat. Daarom zijn we gestart met de regionale stakeholdertafel die meedenkt over proces en inhoud en de stuurgroep adviseert. Inwoners en volksvertegenwoordigers worden vaker geïnformeerd door informatieve (digitale) bijeenkomsten en nieuwsbrieven. Het Cleantech RES platform bevat alle informatie om het proces te volgen en verslagen van opnames van bijeenkomsten. Er is aangegeven dat de tijdsdruk zich moeilijk verhoudt tot een goed en zorgvuldig proces. De stuurgroep deelt deze zorg. De stuurgroep stelt in het proces naar de RES 1.0 dan ook kwaliteit boven tijd. De stuurgroep heeft daarom gekozen voor een latere aanleverdatum dan 1 juli 2021.

De RES 1.0 ligt in 2021 ter besluitvorming voor aan de volksvertegenwoordigers van raden, Staten en Algemene Besturen. De besluitvorming zal naar goed gebruik in onze regio in twee ronden plaatsvinden. Een formele inspraakprocedure maakt onderdeel uit van ronde één. De colleges leggen de ontwerp RES 1.0 gedurende zes weken ter inzage en bieden het ontwerp samen met inspraakreacties aan de gemeenteraden en Provinciale Staten. Dit leidt mogelijk tot eventuele aanpassingen van de RES 1.0. De op basis van de inspraak aangepaste RES 1.0 wordt in de tweede ronde voorgelegd aan de volksvertegenwoordigers ter besluitvorming. Tot slot ziet de stuurgroep dat bij inwoners zorgen zijn over grootschalige opwek. Inwoners voelen zich niet altijd gehoord en stellen soms de nut en noodzaak ter discussie. In de RES laten wij de discussie over nut en noodzaak achter ons. Het Klimaatakkoord geeft ons de opgave om uit te gaan van de bewezen technieken zon en wind. Het gaat dus om de vraag hoe we dit gaan doen in onze regio en niet of we het gaan doen. Status van de RES

Reacties Verschillende gemeenten hebben gereageerd op de status van de RES. Zo heeft de gemeenteraad van Apeldoorn aangegeven de RES te zien als een gezamenlijke strategie van regionaal samenwerkende overheden, maar niet als een bindend toetsingskader. Ook geven meerdere gemeente aan dat het belangrijk is lokale partners te betrekken bij de uitwerking van lokaal beleid. Tot slot heeft de gemeente Voorst om duidelijkheid gevraagd rondom het proces als een gemeente niet instemt met de RES. Nadere uitwerking status op weg naar RES 1.0 Een werkgroep heeft onderzocht wat de juridische-, bestuurlijke-, en planologische betekenis van de RES is. Hierover is bij 1.3 al een toelichting gegeven. De volledige notitie is leest u hier.

27/146

De belangrijkste conclusies zijn: Juridisch: de RES is niet op rechtsgevolg gericht en heeft geen externe werking. De juridische doorwerking van de RES vindt plaats via de Wet ruimtelijke Ordening/Omgevingswet (vanaf 1 januari 2022). Bestuurlijk/beleidsmatig: de RES is geen beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De RES is een bestuurlijke overeenstemming om de afspraken in de RES te verankeren via de instrumenten uit de Omgevingswet. De gemeentelijke inspraakverordening is van toepassing. De RES is te zien als een inspanningsverplichting tussen alle overheden. Planologisch: de omgevingsvisie is het instrument om de RES op gemeentelijk niveau strategisch te positioneren. Het programma, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is als het gaat om energietransitie een erg relevant en toepasbaar instrument. En kan goed worden ingezet om de RES lokaal uit te werken en gebiedsspecifiek te maken. Over de RES 1.0 wordt een formeel besluit van gemeenteraden, Provinciale Staten en Algemene Besturen verlangd. Volksvertegenwoordigers worden gevraagd de RES 1.0 vast te stellen. Indien één of meerdere raden de RES 1.0 niet vaststelt, ontstaat een bijzondere situatie. Het “Huis van Thorbecke” treedt dan in werking. Dat betekent dat partijen eerst onderling tot een oplossing moeten komen om ervoor te zorgen dat de opgave alsnog gerealiseerd wordt.

Pas daarna intervenieert de provincie of eventueel het Rijk. Hierbij is steeds het uitgangspunt: ‘Eerst zacht, dan pas hard’. Oftewel: de overheden proberen er altijd eerst onderling in goed overleg uit te komen (bestuurlijke interventie). Pas als het via de bestuurlijke route écht niet lukt, gaan de hogere overheden over op de inzet van meer dwingende juridische instrumenten. Dit kunnen instrumenten uit de Omgevingswet zijn, zoals instructieregels, omgevingsverordening en een projectbesluit.

Technieken

Reacties In verschillende reacties wordt aandacht gevraagd voor andere technieken. Zo is er aandacht gevraagd om waterstof, geothermie en kernenergie mee te nemen in de RES 1.0. Ook is er aandacht gevraagd voor energiebesparing en energieopslag. Vanuit gemeenteraden en stakeholders is in brede zin opgeroepen om op een goede manier de zonneladder in te zetten in de RES. De gemeenteraden van Lochem en Voorst roepen op om zon op land zoveel mogelijk te vervangen door zon op dak in het bod. In andere raden wordt dit in het midden gelaten. Inwoners stellen het gebruik van windmolens als verantwoorde wijze om energie duurzaam op te wekken, ter discussie.

20

RES 1.0 In de Inleiding hebben we omschreven hoe we binnen de Cleantech Regio samenwerken. Binnen de regiodeal zijn speciale programmalijnen opgezet over waterstof en energy hubs. Ook hebben we daar aangegeven waarom kernenergie niet binnen het bereik van de RES valt. Geothermie en het opslaan van warmte zijn onderdeel van de warmtetransitie. Energiebesparing is vooral een lokale aangelegenheid. Hierdoor kunnen we ons in de RES concentreren op grootschalige opwek. Andere belangrijke onderdelen van de energietransitie worden op andere plekken opgepakt, zoals figuur 5 laat zien.

Lobby inzet Rijk en netinfrastructuur

Verdere uitwerking in RES 1.0 We zijn samen met de samenwerkende energiecoöperaties gestart om de mogelijkheden voor financiële participatie en lokaal eigendom verder uit te werken. We staan pas aan het begin. De komende periode gaan dat verder uitwerken met de gemeenten. In hoofdstuk 6 leest u hier meer over. Het landschap vormt het kapitaal van de regio. Het is ons vertrekpunt geweest voor de verdere uitwerking van de Concept RES. Aan het begin van deze RES hebben we beschreven waarom ons landschap zo bijzonder is. Ook hebben we deze analyse als basis genomen voor de verdere uitwerking van de zonneladder. Daarin hebben we benoemd welke gebieden uitgesloten zijn voor grootschalig zon en waar het onder voorwaarden mogelijk is. Zie hiervoor 3.3.

Brief aan NP RES & Netimpactanalyse We hebben de binnengekomen reacties gebundeld en met een begeleidende brief op 28 oktober 2020 aan het NP RES gestuurd. We vragen hen dit in te brengen bij de koepelorganisaties en bij het Rijk.

Het bod van 1,23 TWh

Reacties Het realiteitsgehalte van het bod wordt in meerdere reacties ter discussie gesteld, zowel in positieve als negatieve zin. Een aantal partijen binnen sommige raden vindt de ambitie niet hoog genoeg, anderen zetten vraagtekens bij de haalbaarheid. Ook is gevraagd om de doorwerking van het bod naar de verschillende deelnemers in de regio transparant te maken.

Financiële participatie, lokaal eigendom, landschap en natuur

Reacties Verschillende raden en stakeholders roepen op om in de RES duidelijke uitgangspunten op te nemen ten aanzien van financiële participatie en lokaal eigendom. Gemeenten kunnen dit daarna verankeren in hun lokale beleid. Zo wordt financiële participatie voor inwoners geborgd. Er wordt aandacht gevraagd voor het behoud, herstel of versterking van het landschap. In de Concept RES is gewezen op het benutten van mogelijkheden hiervoor. Dit is nog niet verder uitgewerkt. Ook is gevraagd het uitsluiten van bijzonder landschap en kwetsbare natuur mogelijk te maken, op lokaal dan wel regionaal niveau. Daarnaast wordt gevraagd om in de verdere uitwerking de landschappelijke inpassing serieus mee te nemen.

Reacties De Cleantech Regio wordt opgeroepen om het Rijk te vragen om duidelijkheid in landelijke voornemens, bijvoorbeeld door het oppakken van het spoor kernenergie. Ook wordt het Rijk gevraagd om financiële middelen voor gemeenten om de duurzame opwek te kunnen realiseren. De huidige beperkingen van het energienetwerk zijn ook een aandachtspunt bij het verwezenlijken van het bod. Om het net te ontlasten wordt er aandacht gevraagd voor de juiste verhouding tussen zon- en wind in het bod. Ook moet beter gekeken worden naar de mogelijkheden om energie lokaal op te slaan.

Aanpassing bod RES 1.0 De Concept RES betrof een eerste verkenning van de maximale potentie in ons gebied. Door een meer grondige analyse van het landschap zijn we gekomen tot een aanscherping van de strategie voor zon op land. De combinatie met andere gebiedsopgaven en de verhouding wind/ zon is verder onderzocht. Dit heeft ook geleid tot een aanscherping van de windstrategie. Parallel hieraan is gewerkt aan een heldere onderbouwing voor de potentie van zon op dak. Ondertussen heeft de Concept RES geleid tot reacties en zorgen bij inwoners en gemeenten. Al deze elementen en ontwikkelingen hebben geleid tot een nieuwe afweging van bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak. Het resultaat daarvan staat beschreven in hoofdstuk 3.

28/146

Om de gevolgen en kansen van de RES voor de netinfrastructuur in kaart te brengen heeft netbeheerder Liander een netimpactanalyse van de concept-RES gemaakt en een handreiking voor het vergroten van de systeemeffciëntie opgesteld. Deze zijn meegenomen in de afwegingen van de stuurgroep. Liander is als netbeheerder intensief betrokken in het proces naar de RES 1.0.

3

Elektriciteit

In dit hoofdstuk nemen we u mee in het bod, welke overwegingen hierin meewegen en de kern van de ruimtelijke verkenning. We laten zien hoe clustering van wind mogelijk is. Ook is de zonneladder uitgewerkt voor onze regio. Grootschalig zon op land is ruimtelijk uitgewerkt en vormt de middelste treden van de zonneladder. De onderste trede van de zonneladder, ja-graag, gaat over grootschalig zon op dak en no-regret locaties. Deze strategie is niet ruimtelijk uitgewerkt. Tot slot laten we ook zien wat de impact van het bod is op het net en wat we al doen.

Dit hoofdstuk vormt de kern van de RES; waar gaan we hoeveel grootschalig wind en zon neerzetten? Op basis van de Concept RES hadden we drie aandachtspunten in het proces naar de RES 1.0:

21

de strategie voor zon, een betere wind/ zon verhouding voor het net en de nadrukkelijkere koppeling met gebiedsopgaven. Hierbij hebben we het landschap als vertrekpunt genomen. Opwek van energie is een nieuwe laag in het landschap die we landschappelijk willen inbedden. We willen het zoveel mogelijk een meerwaarde voor het gebied laten zijn; een motor om het gebied tot verdere ontwikkeling te brengen. We bewaken daarbij de grote zichtlijnen en willen versnippering voorkomen. En door concentratie houden we het landschap beter in tact en beleefbaar. Aan de basis van deze RES ligt daarom een regionale landschapsanalyse. Deze is gebaseerd op het bestaande beleid (oa. landschapsontwikkelingenplannen). Behalve zicht op de landschapseenheden, hebben we zo ook vat gekregen op ruimtelijke gebiedsopgaven. Daarnaast is in beeld gebracht welke ruimte de onderstations van Liander hebben dan wel krijgen tot 2030.

In het proces samen met stakeholders is dit uitgewerkt tot de ruimtelijke verkenning, die in dit hoofdstuk wordt beschreven. Tegelijkertijd ontwikkelden ook andere inzichten zich. Ecologische verkenningen op de Veluwe en de IJsselvallei brachten de consequenties van windmolens in beeld. Het besef nam toe dat een groot deel van zonneparken komt te liggen op landbouwgrond. Dit komt het agrarisch ondernemerschap en het gebruik van vruchtbare grond niet ten goede. Het is van belang dat we hier rekening mee houden. Ook werd duidelijk dat grootschalig zon op dak een grote bijdrage kan leveren aan onze opgave. Ook zijn gemeenten aan de slag gegaan. Lokale haalbaarheidsstudies, gesprekken met inwoners over de omgevingsvisie en grootschalige opwek leverden zwaarwegende nieuwe inzichten op. In de laatste fase naar de RES 1.0 kwamen deze actualiteiten en de ruimtelijke verkenning bij elkaar. De ambitie die we voelden in de Concept RES, werd geconfronteerd met de realiteit en betekenis van deze inzichten. Dat heeft geleid tot een bijstelling van het bod naar beneden. De ruimtelijke verkenning is daarmee meer een basis voor de lange termijn. Als nieuwe ontwikkelingen en verdere uitwerking leiden tot mogelijk nieuwe inzichten en opgaven.

29/146

3.1 Bod Cleantech Regio Ons regionale bod bestaat uit drie bouwstenen, namelijk wind, zon op land en zon op dak. Dit bod is een bestuurlijke afweging van de inhoudelijke verkenningen en de lokale gesprekken. Ten opzichte van de Concept RES heeft dit geleidt tot een bijstelling van het bod naar beneden.

0,11 TWh windenergie: - 3 bestaande windmolens Zutphen - 3 beoogde windmolens die nu in procedure zijn bij de Raad van State - 4 windmolens in Lochem (tot 12 MW) - 5 windmolens op de Veluwe stuwwal (aantal en locatie afhankelijk van vervolgonderzoek)

0,51 TWh energie door zon op dak: - waarvan 0,05 TWh al is gerealiseerd; - 33% van dakpotentieel wordt benut, dit betekent: - 35% jaarlijkse groei tot 2025 en 10% groei na 2025, dit houdt in: - een grote inzet op opslag en innovatie omdat Liander deze omvang niet kan aansluiten op het netwerk

0,45 TWh energie door zon op land; - ca. 600 ha waarvan ruim 250 ha al is gerealiseerd en ruim 50 ha al in procedure is. - Apeldoorn heeft een eigen ambitie 250 ha zon op land, naast zon op dak. Hiervan is ruim 90 ha al gerealiseerd of in planning.

In 2030 verwachten we in de Cleantech 1,07 TWh hernieuwbare energie op te wekken door:

Verwachting in 2030

22

1,07 TWh hernieuwbare energie

=

0,11 TWh wind

+

0,51 TWh zon op dak

In de volgende paragrafen laten we zien welke onzekerheden hebben geleid tot een fors mindere inzet op wind. De voornaamste aanleiding is de betekenis van Natura2000 gebieden. Daarna gaan we in op de zonneladder. In het proces is de ruimtelijke uitwerking van de treden ja-mits en nee-tenzij gemaakt. Er was echter onvoldoende tijd om dit toe te passen op de regio. Dat wil zeggen dat we dus nog niet hebben onderzocht hoeveel ruimte voor zon op land mogelijk is. Daarom is het bod gebaseerd op de potentie van zon op land zoals die in de Concept RES is geformuleerd. Daarop is de potentie van zon op dak in mindering gebracht, zodat minder hectares nodig zijn om zonne-energie op te wekken. Parallel aan de ruimtelijke verkenning is gewerkt aan de onderste trede van de zonneladder, de ja-graag locaties. Dit gaat grotendeels over grootschalig zon op dak.

30/146

+

0,45 TWh zon op land

TWh is terawattuur, een eenheid voor energie.

In deze RES, net als in de Concept RES, gaan we ervan uit dat 138 windmolens van 3 MW of 1.227 ha zonnevelden nodig zijn om 1 TWh op te wekken. Dat is de omrekenfactor van het Energie Transitie Model (ETM) van de provincie Gelderland. Windmolens worden steeds groter en zonnepanelen worden steeds beter en wekken daarom per exemplaar steeds meer elektriciteit op.Deze omrekenfactor verandert daardoor in de tijd. In april 2020 gaat het ETM standaard rekenen met 5,6 MW turbines. Dat is nog niet meegenomen in deze ruimtelijke verkenningen en netimpactanalyse.

3.2 Wind In de ruimtelijke verkenning voor de lange termijn hebben we in de ateliers windclusters geformuleerd, die: ten opzichte van de zoekgebieden in de Concept RES verder zijn gepreciseerd; zijn gekoppeld aan het gebied/gebiedsopgaven door ze een eigen karakter mee te geven; netwerktechnisch inpasbaar zijn (op termijn).

23

De clusters op de Veluwe stuwwal (groene gebieden) zijn echter zeer onzeker wat betreft omvang en locatie. Hier komen actualiteit en verkenning bij elkaar. De komende jaren zal moeten blijken of deze clusters als zoekgebieden beschouwd kunnen worden. In de RES 1.0 worden deze gebieden vanwege deze onzekerheid niet verder uitgewerkt. Daarnaast heeft de gemeente Zutphen besloten niet verder te werken aan windmolens ten zuiden van Zutphen (rode gebied). Op basis van een haalbaarheidsonderzoek en gesprekken met de omgeving achten zij dit onwenselijk. Er is geen ruimte voor wind vanwege woonbestemmingen en de geldende geluidsnorm. Ten opzichte van de Concept RES is geconcludeerd dat bepaalde zoekgebieden niet goed passen binnen de principes van de ruimtelijke verkenning, ecologisch uitdagend zijn of netwerktechnisch lastig liggen. Dit gaat om de gele gebieden. Voor het donkergele gebied bij Apeldoorn zal uit nader onderzoek blijken wat daar mogelijk is.

Figuur 6: Veranderingen tov Concept RES nav onderzoek

31/146

De potentie voor wind in 2030 is daarmee beperkt. Bovenregionaal is bestuurlijk afgesproken dat de mogelijkheden voor de 8-km zone rond de Veluwe nader worden onderzocht (rood gearceerd). De uitkomst daarvan is onzeker. De aantallen en locaties voor de aan de Veluwe grenzende regio’s, zijn nu niet voorspelbaar. We moeten dus een aanname doen. In 2030 hopen we 5 molens gerealiseerd te hebben. Aandachtspunt hierbij is dat clustering van windmolens ook dan de voorkeur zou moeten hebben. Op het Lochems grondgebied (gebied in blauwe stippellijn) worden ca. 4 molens (12 MW) als haalbaar ingeschat. Ook hier wordt een clusteraanpak voorzien. Tot slot hebben we de molens bij Zutphen Noord, 3 bestaande en 3 molens die op dit moment voorliggen bij de Raad van State (blauw).

24 Figuur 7: Mogelijkheden voor wind in RES 1.0

32/146

Ruimtelijke verkenning wind

Met clustering van wind houden we zichtlijnen zoveel mogelijk in tact. Op basis van de zorgvuldige landschapsanalyse is op macroschaal de regio in een grotere context geplaatst. Hierdoor zien we een leidend principe ontstaan: de stuwwallen en de Hanzesteden als poortwachters. In deze benadering is het principe om de verschillende windclusters op voldoende afstand (minimaal 5 km.) van elkaar te plaatsen. Zo voorkomen we op regionale en bovenregionale schaal versnippering en bewaken we de grotere zichtlijnen. Naast de ruimtelijke invalshoek zijn de posities van de windclusters ook gekozen op basis van efficiëntie van het energienetwerk. De clusters zijn gelegen nabij hoofdstations van het netwerk. De clusters hebben ieder een eigen karakter en meekoppelkansen, afhankelijk van de lokale omstandigheden.

25

Er zijn drie typologieën voor clusters.

Industriecluster:

Landschapsontwikkelingcluster

Nabij hoofdstation energienetwerk Koppeling vraag en aanbod bij bedrijven Kansen voor opslag Koppeling met warmte / conversie bijvoorbeeld bij RWZI Gebiedstransformatie in de vorm van HUBS Kansen voor combinaties met grootschalig zon

Nabij hoofdstation energienetwerk Ontwikkelen van nieuwe landschappen en nieuwe natuur Aansluiten op gebiedsontwikkelingen, oa bij stadsranden Kansen voor combinaties met grootschalig zon

33/146

Agrarisch cluster

Nabij hoofdstation energienetwerk Benutten ruimte in agrarisch gebied Agrariërs komen samen tot ontwikkelpotentie Agrariërs maken een sociale verdeling van grondvergoedingen Geen combinaties met grootschalig zon

Ecologische verkenning

Onze regio wordt gekenmerkt door een bijzonder landschap dat op veel plekken ook een grote ecologische waarde heeft. In deze gebieden zijn windclusters vanwege natuurbescherming niet wenselijk. Het gaat dan om N2000 gebieden, rust- en fourageergebieden van winterganzen, weidevogelgebieden, het Gelders Natuur Netwerk en groenontwikkelzones. Twee gebieden springen hierbij in het oog, namelijk de Veluwe en het IJsselgebied. Daarom is hier specifiek ecologisch onderzoek gedaan. Veluwe

26

Op de Veluwe is de wespendief de meest bepalende soort. Voor deze soort geldt in het Natura2000-gebied Veluwe een Europese instandhoudingsdoelstelling. Als het leefgebied van de wespendief voldoende beschermd is, profiteren andere soorten daar ook van. Uit het onderzoek, gebaseerd op modellen en geen veldonderzoek, blijkt dat windmolens in een straal van 8 km rond de Veluwe een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de wespendief. Met de andere aan de Veluwe grenzende regio’s is afgesproken dat vervolgonderzoek nodig is. In dit vervolgonderzoek worden de precieze consequenties in beeld gebracht. Ook wordt onderzocht wat wel mogelijk is (energetische ruimte). Onder meer wordt het leefgebied preciezer in beeld gebracht via een veldonderzoek. Parallel hieraan wordt onderzocht welke mitigerende maatregelen, zoals bijvoorbeeld stilstand, kunnen werken. En hoe eventuele negatieve effecten daarvan op de business case kunnen worden opgelost. De Veluwe beperkt zich niet tot onze regio. Daarom wordt ook een bovenregionaal afwegingskader met de provincie en andere Veluwse RES-regio’s ontwikkeld zodat de energetische ruimte voor wind op de Veluwe optimaal kan worden benut.

In afwachting van deze vervolgonderzoeken kunnen we in deze RES 1.0 geen ruimtelijke onderbouwing geven voor locaties en aantallen windmolens in een straal van 8km rondom de Veluwe. Dit raakt de beoogde clusters op de stuwwal van de Veluwe en het heeft consequenties voor ons bod. Meer over het onderzoek staat hier. IJsselvallei

Het ecologische bureauonderzoek naar de IJsselvallei heeft inzicht gegeven in kansrijkheid van gebieden langs de IJssel voor wind en zon. Ook in dit gebied is de wespendief van belang net als de fourageergebieden voor ganzen en gebieden voor weidevogels. Meer over het onderzoek staat hier. Ontwikkelagenda wind

De mogelijkheid voor windclusters op de Veluwe stuwwal is afhankelijk van het vervolgonderzoek op de Veluwe en de bovenregionale afspraken over de verdeling van schaarste. Voor de windmolens van Lochem is een lokaal proces van beleidsvorming en participatie ingericht. Vanuit de ruimtelijke verkenning leidt dit tot de volgende ontwikkelagenda: Veluweflankclusters: - uitvoeren ecologische vervolgonderzoeken, het veld onderzoek heeft een doorlooptijd van minimaal 2 jaar; - onderzoek mogelijkheden ontwikkelen ‘value case’ in plaats van business case; - ontwikkelen van bovenregionaal afwegingskader met andere Veluwse RES-regio’s. Andere clusters: - Uitwerking lokale omgevingsvisies (veelal afronding in 2021) en beleidskaders (inclusief eventuele normenkader). Ten behoeve van vergunningverlening is nader effectonderzoek noodzakelijk.

Figuur 8: Ecologische verkenningen

34/146

3.3 Zon: de zonneladder als vertrekpunt

In de Concept RES hebben we op basis van landschappelijke kenmerken een uitspraak gedaan over de potentie voor zon in de regio. In deze RES hebben we hiervoor samen met stakeholders een strategie ontwikkeld. De zonneladder is het uitgangspunt. De regionale zonneladder heeft 4

Met deze strategie kan zon een meerwaarde voor het gebied opleveren en versnippering voorkomen. We vragen om investeringen in landschappelijke waarden. Uit de (lokale) situatie kunnen echter altijd andere of nieuwe relevante argumenten naar voren komen. De strategie is dus geen verplichting. Het is een instrument waar we op regionale schaal leidende principes formuleren. En die op lokale schaal worden vertaald naar beleid dat lokaal passend is.

treden, namelijk ja graag, ja-mits, nee-tenzij en nee. De landschapstypes worden op deze treden ‘gezet’. Daarbij geven we aan onder welke voorwaarden grootschalig zon op

27

land de gewenste motor voor gebiedsontwikkeling kan zijn. Verdere uitwerking van de strategie en het toe passen op het

Zonneladder naar landschapstype

Ieder landschapstype is ingedeeld op een trede in de zonneladder en afgestemd op de ruimtelijke en ecologische karakteristiek en de lokale gebiedsopgave in dat landschap. Dit draagt bij aan een leesbare ordening. Hieronder wordt per trede de strategie toegelicht. Gemakshalve worden de treden ja-mits en nee-tenzij samengevat in Zon op land.

Nooit of uitgesloten

gebied levert meer inzicht in mogelijke omvang en locaties. De zonneladder is bedoeld als voorkeursvolgorde. Door bijvoorbeeld bij vergunningverlening voorrang te geven aan projecten die voldoen aan ja in plaats van nee-tenzij. Dus naarmate het een landschapstype minder de voorkeur heeft, moet aan meer voorwaarden worden voldaan. Het is niet bedoeld als een voorwaardelijke volgorde; dus niet eerst alle ja mogelijkheden voordat je naar ja-mits gaat. De urgentie van de energietransitie vraagt om inzet op alle treden.

3

JA-GRAAG Altijd medewerking verlenen aan deze ontwikkelingen, met inachtneming van de lokale situatie. Zon op dak Rijksinfrastructuur (langs geluidswal, in bermen en incourante zones, gelieerd aan de weg) Bedrijventerreinen Stortplaatsen Zandwinlocatie Clusters met zonne-energie of wind- en zonne-energie

Nee, tenzij Ja, mits

Altijd, ‘No Regret’

De ontwikkelagenda wordt ook gebaseerd door andere hoofdstukken, zoals verdere uitwerkingen voor participatie en lokaal eigendom. Hier gaat het om het ruimtelijk spoor. 35/146

JA-MITS Medewerking verlenen aan ontwikkelingen in deze gebieden als ze een substantieel waardevolle bijdrage leveren aan doelstellingen op het vlak van bodem, biodiversiteit, klimaatbestendig landschap of gezonde groene omgevingen rondom stedelijke gebieden en circulaire economie, met inachtneming van de lokale situatie. Groenontwikkelzones Transitiegebieden landbouw Klimaatlandschappen Nieuwe en uit te breiden bestaande landgoederen

28

Figuur 9: Gebieden zon ja-mits

36/146

NEE-TENZIJ Lage prioriteit geven aan deze locaties voor grootschalige monofunctionele velden op agrarische grond om zo voedselproductie te beschermen en perspectief voor landbouw te behouden. Tenzij het als onderdeel van integrale gebiedsontwikkeling is, bijvoorbeeld bij aantoonbaar incourante kavels of aan randen van ja-mits gebieden en een substantieel waardevolle bijdrage aan doelstellingen op het vlak van bodem, biodiversiteit, klimaatbestendig landschap of rondom stedelijke gebieden en circulaire economie kan worden geleverd, met inachtneming van de lokale situatie. Grootschalige Landbouwgebieden Verbrede beekdalen - noodzakelijk voor klimaatdoelstellingen en biodiversiteit Enken (cultuurhistorische enken en / of enken als klimaatlandschap – spons vanwege de waardevolle bodem) Bestaande landgoederen

29

Figuur 10: Gebieden zon nee-tenzij

37/146

NEE Geen medewerking aan initiatieven en aanvragen op deze locaties, met inachtneming van de lokale situatie. Wettelijke uitsluitingen Natura 2000 gebieden Weidevogelgebieden Rust en fourageergebieden ganzen Voorgestelde uitsluitingen Gelders Natuurnetwerk Beekdalen, Cultuurhistorische ensembles Nabij beschermde dorps en stadsgezichten Rivier , uiterwaarden en dijken Complex begrensde particuliere historische buitenplaatsen

30

Figuur 11: Gebieden zon nee

38/146

31

Trede Ja-graag

Strategie Grootschalig Zon op Dak

Ja-graag gaat over de onderste trede van de zonneladder. Opstellingen van zon zijn hier doorgaans altijd een goed idee. Deze locaties leveren nagenoeg geen weerstand op maar kennen wel elk hun eigen beperkingen en belemmeringen die realisatie niet vergemakkelijken. Hierbij maken we een onderscheid in:

We kiezen voor een ambitieuze inzet van zon op dak. We willen 33% van het dakpotentieel gebruiken en daarmee een jaarlijkse groei van 35% realiseren. Dit levert in 2030 0,46 TWh op, boven op de al gerealiseerde zon op dak. Dit is een stevige ambitie, omdat de groei sneller gaat dan Liander kan aansluiten. Deze ambitie is daarom onlosmakelijk verbonden met inzet op innovaties voor opslag en smart grids. Dat sluit ook goed aan bij het innovatieve karakter van de Cleantech Regio en de reeds bestaande regiodeal. We kunnen het echter als regio niet alleen. Om de ambitie te realiseren moet er ook landelijk ingezet worden op innovatie en opslagmogelijkheden. Het is dan ook onze opdracht om opslag nog nadrukkelijker landelijk te agenderen.

Kleinschalig zon op dak: dit zijn daken kleiner dan 15 kWp (ca. 50 zonnepanelen). Deze zijn van belang voor de energie­transitie. Het Klimaatakkoord rekent dit onder autonome groei van 7 TWh. We tellen ze dus niet mee voor de RES. Grootschalig zon op dak: grootschalige opstellingen die in de praktijk alleen voorkomen bij bedrijven, instellingen of agrariërs. De strategie voor ja-graag gaat met name hierom. No-regret locaties: deze voorkeurslocaties zijn bijvoorbeeld langs infrastructuur, op stortplaatsen en zandwinlocaties en solar carports. Gemeenten en initiatiefnemers werken aan kleinschalig zon op dak en no-regret locaties. Grootschalig zon op dak is onderdeel van deze RES 1.0.

en -instrumenten ontwikkeld door gemeenten samen met ondernemersverenigingen, bedrijven en lokale stakeholders. Hier heeft de overheid een stimulerende en faciliterende rol. In de programmatische aanpak willen we onderzoeken hoe bedrijventerreinen zich gaan ontwikkelen het komende decennium. Die inzichten brengen focus aan in de aanpak en dat helpt de netbeheerder. Dit doen we onder meer samen met VNO-NCW, Liander en verbinden we het met de regiodeal. En waar mogelijk sluiten we aan bij industriële windclusters om zo hub-vorming te realiseren. Agrariërs. Daken van agrariërs hebben vaak een groot oppervlak en een gunstige ligging voor zon. Door de locatie is teruglevering aan het net vaak lastig. Als het volledige dak benut wordt, betekent dat vaak hoge kosten voor verzwaring van de netaansluiting. Ook ligt het soms ver van de openbare weg, waardoor kosten nog meer stijgen. De komende periode wordt samen met LTO verkend hoe deze daken zo efficiënt mogelijk benut kunnen worden. Woningbouw. Woningbouwcorporaties beschikken vooral over kleinschalige daken en hebben een voorkeur voor individuele aansluitingen. Voor het verduurzamen van hun woningvoorraad hebben zij eigen programma’s en doelstellingen. Het bezit van de corporaties telt niet mee voor het bod in de RES. Wel vindt er periodiek afstemming plaats met de corporaties.

Gemeenten nemen zon op dak mee in de jaarlijkse prestatieafspraken. Maatschappelijk vastgoed en no-regretlocaties. De gemeenten geven het goede voorbeeld en voorzien hun eigen vastgoed zoveel mogelijk van zonnepanelen. Diverse regelingen kunnen (kleine) gemeenten hierbij ondersteunen. Maatschappelijk vastgoed is breder, denk aan scholen en zorginstellingen. Hiervoor worden diverse stimuleringsprogramma’s ontwikkeld, zoals de Green Deal Zorg en de samenwerking van gemeente en onderwijskoepels voor het plaatsen van zonnepanelen op daken van scholen.

We gaan onze ambitie realiseren door een programmatische aanpak met concrete acties. Zo brengen we focus aan. En kunnen we inschatten waar in de regio de versnelling van zon op dak gaat plaatsvinden. Dat helpt de netbeheerder het net hierop voor te bereiden. In deze aanpak is een belangrijke rol weggelegd voor de overheid als samenwerkingspartner. Het vraagt om een stimulerende inzet om zon op dak te realiseren. De markt kan dit niet alleen omdat het niet eenvoudig te realiseren is. Alleen al vanwege de grote hoeveelheid verschillende eigenaren, die zelf beslissen of ze panelen plaatsen. Daarnaast zijn er ook diverse belemmeringen, zoals een dakconstructie die niet toereikend is voor extra gewicht van de panelen, sterke stijging van de verzekeringspremie en hoge kosten voor het verzwaren van de netaansluiting. In de programmatische aanpak zien we vier doelgroepen: Bedrijven. Op bedrijventerreinen zijn veel potentiële daken voor het plaatsen van zonnepanelen. Ondernemers maken zelf de keuze om hun daken van panelen te voorzien. Om te versnellen worden collectieve stimuleringsprogramma’s

4

Bij het omrekenen van zonnepanelen naar hectares spelen verschillende factoren mee. Een belangrijke is het vermogen van een zonnepaneel. Door innovaties wordt dat steeds efficiënter. In deze RES baseren we ons, net als in de Concept RES, op het rekenmodel van de provincie (ETM) zodat het vergelijkbaar is. 39/146

Tredes Zon op land Zon op land gaat over de middelste treden (ja-mits, nee-tenzij), waar dus onder voorwaarden zonneparken gerealiseerd kunnen worden. We kiezen nu voor een kleiner aandeel voor zon op land dan in de Concept RES omdat we ambitieus inzetten op grootschalig zon op dak. In de Concept RES zetten we in op 0,78 TWh waarvan in deze RES 0,46 TWh door grootschalig zon op dak gerealiseerd gaat worden. Op land realiseren we nog 0,32 TWh waarvan al 0,23 TWh is vergund. Door het aandeel grootschalig zon op dak is ca. 300 ha minder land nodig voor zonnevelden. Apeldoorn heeft op basis van eigen ambitie een opgave voor 250 ha zon op land tot 2030, naast zon op dak. Hiervan is ruim 90 ha al gerealiseerd of in planning. Het gaat dus voor de Apeldoornse bijdrage aan nieuwe zonneparkinitiatieven tot 2030 om ca. 160 ha, oftewel 0,13 TWh bovenop de genoemde 0,32 TWh. Daarmee komt het totaal voor zon op land op 0,45 TWh. Zoals eerder aangegeven is in het proces onvoldoende tijd geweest om de strategie toe te passen op de regio als geheel. Dat wil zeggen dat we nog niet hebben onderzocht hoeveel ruimte voor zon op land mogelijk en wenselijk is. Daarom is het bod gebaseerd op de potentie van zon op land van de Concept RES. We verwachten dat nadere uitwerking van deze strategie leidt tot meer mogelijkheden dan volgens dit bod nodig zou zijn.

De genoemde opwek van 0,45 TWh beschouwen we als minimale inzet. Het betekent dus niet dat gemeenten die meer willen en kunnen doen, daarin door deze RES worden belemmerd. Sterker nog, deze strategie helpt juist om die

ontwikkelingen van meerwaarde voor het landschap te laten zijn. En daarmee te kunnen voldoen aan ambities op het gebied van energie- of klimaatneutraliteit. Van belang is ook de notie dat het realisatie van zon op dak zijn uitdagingen heeft. Meer tijd helpt om hier oplossingen voor te vinden. Zon op land kan op die manier een overbrugging zijn naar de tijd dat zon op dak voor veel dakeigenaren de standaard is. Strategie Zon op land

32

Ook voor zon op land is clustering het uitgangspunt. In de ateliers is expliciet aangegeven dat meer regionale regie op zonnevelden wenselijk is om versnippering te voorkomen. En tot sterkere landschappelijke inbedding en ontwikkeling te komen. Er is daarom een voorkeur voor enkele grote velden ten opzichte van veel kleine velden. Vanuit het landschap is dit een voor de hand liggende redenering en het biedt verschillende extra voordelen. Een groot veld wordt een (financiële) motor voor een gebiedsontwikkeling en creëert daarmee meerwaarde. Het is dan een stapeling van gelden en stakeholders. Door gerichte gebiedsontwikkeling is acceptatie en lokaal eigendom beter te organiseren. Ook het aansluiten op het net is beter te realiseren. En het creëert duidelijkheid naar initiatiefnemers over kansrijkheid voor hun zonproject. Tegelijkertijd moeten velden die ontstaan vanuit een lokaal

initiatief of proces, vaak kleiner van omvang zijn, ook mogelijk zijn. Deze verschillende velden moeten bij voorkeur aan dezelfde, geharmoniseerde spelregels voldoen als het gaat om inpassing. Hiervoor zijn regionale uitgangspunten en aanbevelingen per landschapstype geformuleerd die nog verder uitgewerkt moeten worden in de ontwikkelagenda.

ontwikkelingen en grondeigendom (uitnodigingsplanologie) resulteren mogelijk in locaties die niet of minder wenselijk zijn. Verder zijn veel kleinere velden moeilijker inpasbaar op het energienetwerk dan een paar grote velden. Het vinden van balans in deze aandachtspunten vraagt om verdere uitwerking in de ontwikkelagenda.

- Beveiliging: bij voorkeur heggen en sloten i.p.v. beveiliging met een hekwerk • Hekwerk doordringbaar voor klein zoogdieren, amfibieën en reptielen. • Hekwerk ondoordringbaar voor grote predatoren • Geen bewaking met honden

Regionale uitgangspunten: Gemeenten nemen samen als regio regie op de wijze waarop het zonnepark wordt gerealiseerd. Dit doen we door voorwaarden te formuleren zodat zon kan bijdragen aan gebiedstransformatie (landschapsbouw door absolute meerwaarde te creëren) en goede inpassing. Op regionale schaal zijn voorkeurslocaties (ja en jamits) geïdentificeerd voor enkele grotere zonnevelden. Tegelijkertijd kan elke gemeente (enkele, bij voorkeur kleinere) velden ontwikkelen volgend uit lokale processen. De regionale aanbevelingen helpen om de zonnevelden van meerwaarde voor de omgeving te laten zijn en versnippering te voorkomen.

Hieronder zijn hiervoor enkele aanbevelingen op verschillende schaalniveaus aangegeven: Regionaal op landschapstypeniveau: de Veluweflank, het Kampenlandschap en nieuwe landgoederen zijn geschikte landschapstypen voor zonneparken (ja-mits). Dit vraagt nog wel om verdere uitwerking van gebiedsspecifieke voorwaarden afgestemd op ruimtelijke en ecologische karakteristieken en de gebiedsopgave waarmee wordt gekoppeld. Regionaal en lokaal op landschapsniveau: door afspraken over maatwerkinpassingen op hoofdlijnen wordt de leesbaarheid van het landschap bevorderd. Ook voorkomt het ‘shoppen’ door ontwikkelaars tussen gemeenten. Voorbeelden van afspraken zijn: maak gebruik van een netto/bruto verhouding bij inpassing; een goede landschappelijke en ecologische inpassing vraagt 30 tot 50% meer ruimte. En stem de inpassing af op het type landschap, bijvoorbeeld houtwallen in kleinschalige halfopen landschappen en water en rietoevers in open landschappen. Lokaal op kavelniveau: afspraken waaraan alle zonneparken aan moeten voldoen. Deze algemene regels zorgen dat het land en de biodiversiteit in ieder geval niet slechter wordt door de zonneparken.

Denk aan afspraken over ecologische inrichting van zonneparken, waaronder: - Biodiversiteit van het gebied moet toenemen met aanleg van zonnepark - Bodem: behoud en verbetering bodemstructuur is uitgangspunt - Beheer: beheer de vegetatie extensief

Tot slot zijn ook enkele algemene aanbevelingen geformuleerd: Vergunningverlening en extra beperkingen op kavelniveau vanuit eigen gemeentelijke beleidskader Participatie meenemen als toetsingscriteria (lokaal eigendom, zie hoofdstuk 6) Ingrediënten van landschappelijke inpassing Opruimplicht na afschrijving

Aanbevelingen: Het realiseren van zonnevelden passend in deze ruimtelijke strategie vraagt om aandacht op een aantal punten. De typering van de landschappen is nu op regionale schaal uitgevoerd en grenzen zijn moeilijk op kaart te zetten. Ze zijn gebaseerd op het bestaande beleid en zijn niet op alle punten eensluidend. Daarnaast is er een wens om velden zoveel mogelijk in lokaal eigendom te ontwikkelen. Dat draagt bij aan acceptatie, opbrengsten blijven in het gebied en het voorkomt initiatieven van grote (buitenlandse) investeerders, zie ook hoofdstuk 6. Maar lokale, sociale of economische

40/146

Ontwikkelagenda Zon

De zonneladder biedt een goede basis om het principe het landschap is leidend verder uit te werken. Voor de treden ja-graag, ja-mits en nee-tenzij is een heldere strategie geformuleerd. Wel is er nog huiswerk te doen voordat velden worden gerealiseerd zoals bedoeld in deze strategie. Aandacht voor en stimuleren van opslagmogelijkheden en innovaties en landelijk de noodzaak ervan agenderen. Ja-graag - Ontwikkelen programmatische aanpak zon op dak met partners. Ja-mits en nee-tenzij - Uitwerking optimale omvang en de verhouding regionale/ lokale zonnevelden; - Uitwerken van aanbevelingen naar regionale en (geharmoniseerde) lokale spelregels ten behoeve van lokaal beleid.

3.4 Het elektriciteitsnetwerk Liander is een belangrijke partner in het ontwikkelen van de RES. Hun aanbevelingen naar aanleiding van de Concept RES en de handreiking zijn het vertrekpunt voor deze RES 1.0.

33

Specifiek gaat om stationscapaciteit en het systeemefficiënt benutten van het net. Dit verbetert door: Verhouding zon/wind optimaliseren en combinatie van zon en wind op een station of locatie; Slim benutten locatie en grootte van ontwikkelingen irt aansluitpunt: rekening houden met vrije stationscapaciteit; Slim benutten van de velden: cablepooling zon en wind of meerdere kleine zonneparken, maar ook gebruik maken van grote aansluitingen; Ontwikkelingen duurzame opwek af te stemmen met naastgelegen regio´s. Netimpactanalyse

Het RES-bod heeft invloed op de energie-infrastructuur. Liander laat die invloed zien aan de hand van knelpunten op het huidige net. De netbeheerder geeft aan welke investering, ruimte en planning nodig zijn om die knelpunten weg te nemen. Het bod bestaat uit 450 MW aan zonneweides, 42 MW aan windmolens en 460 MW aan grootschalige zon op dak. Het bod past niet op de huidige stationscapaciteit, de aan te sluiten opwek veroorzaakt op alle HS/MS-stations knelpunten. Er zijn meerdere oplossingsrichtingen mogelijk. Op veel stations kan redundantie, als het ware de reservecapaciteit van het station, worden benut. De mogelijkheden moeten verder worden onderzocht. Daarin kijken we ook of het een toekomstbestendige oplossing is. Op stations Lochem en

Zutphen sluit de benodigde capaciteit aan bij de beoogde uitbreidingen voor 2030. Het beoogde nieuw te bouwen station bij Apeldoorn Zuid beperkt, bij een slimme planning, knelpunten op stations Apeldoorn, Woudhuis en Eerbeek. In de doorrekening leest u meer over de kosten van het wegnemen van knelpunten.

onderdeel uit van de informatie die gebruikt wordt door Liander om de netimpact te bepalen. Dat betekent dat, mocht over enkele jaren (meer) wind op de Veluwe toch mogelijk blijken te zijn, het netwerk mogelijk niet toereikend is.

overzien. Om piekbelasting in het net te voorkomen moet actief worden ingezet op opslag. Liander neemt graag deel in het programmatisch ontwikkelen van zon op dak. Een gezamenlijke uitvoeringsstrategie zorgt ervoor dat de benodigde uitbreidingen op het net integraal en gebiedsgericht worden opgepakt.

In de doorrekening wordt de belasting op stationsniveau en op het net in hoofdlijnen in beeld gebracht. De regio is ambitieuzer wat betreft zon op dak dan passend is in de scenario’s van Liander. Dat betekent dat Liander een deel kan aansluiten, maar dat is niet helemaal te

Het grote aandeel zon betekent dat op zonnige dagen grote hoeveelheden energie moeten worden verwerkt op de onderstations. Liander heeft in 2020 een convenant gesloten met zonontwikkelaars om grootschalige zonprojecten aan te sluiten op 70% van de piekcapaciteit. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor zonnestroom en kunnen duurzame energieprojecten sneller op het elektriciteitsnet worden aangesloten.

Een uitgebreide toelichting op de consequenties van het bod is uitgewerkt in de impactanalyse, die vindt u hier.

Figuur 13: Knelpunten netimpactanalyse RES 1.0 Bron: Liander

Capaciteitsknelpunten 2030 op basis van RES-doorrekening

Door in de Cleantech Regio actief in te zetten op het realiseren van opslag bij zonontwikkelingen (zonnevelden en zon op dak) kunnen netinvesteringen en dus maatschappelijke kosten beperkt worden. Liander kan daar (wettelijk gezien) geen rol in spelen.

Hattem

Het betrekkelijk kleine aandeel van wind is ongunstig voor de belasting van het net. Op de stations Zutphen en Lochem worden naast zonneweides ook windontwikkelingen aangesloten. Er liggen kansen om door te combineren op één kabel en aansluiting de systeemefficiëntie te vergroten. De windontwikkeling op de Veluwe is nog niet te koppelen aan één of meer stations. Ook hier geldt dat combineren met zon of (grote) vraag interessant is.

Vaassen

Zuidbroek Apeldoorn

Woudhuis Lochem Zutphen Borculo

Door de onzekerheid van de Veluwe-windmolens in het bod, kan slechts een indicatieve doorrekening worden gemaakt van de toekomstige windbelasting. Wind maakt dan ook beperkt

Eerbeek

Geen capaciteit beschikbaar tot 2030

Oplossingsrichting capaciteitsknelpunten: Redundantie verlaten

41/146

>75 MVA beschikbaar tot 2030

Stationsuitbreiding

3.5 Wat doen we al? De regio zit niet stil in afwachting van de RES. Op verschillende plekken is al grootschalige

Hernieuwbare elektriciteitsopwekking in de Cleantech regio, 2015-2019 Hernieuwbare elektriciteitsopwekking in de Cleantech regio, 2015-2019 0,05 TWh gaan opwekken. Ook zijn al veel daken in de Cleantech Regio belegd met zonnepanelen. Bij elkaar leveren zijn nu ook bijna 0,05 TWh.

opwek gerealiseerd of is dat in voorbereiding.

100 100 80 80 60 60 Gigawattuur Gigawattuur(GWh) (GWh)

In de grafieken ziet u de totale productie in GWh van alle opstellingen samen, dus wind, zon op land en zon op dak. Hierin is geen onderscheid gemaakt tussen klein- en grootschalig dak omdat dit onderscheid alleen van belang is voor het RES-bod. In de grafiek eronder is de groei van zon op dak in opgesteld vermogen (kW) zichtbaar. Hier wordt zowel kleinals grootschalig getoond. Het laat zien dat beide exponentieel zijn toegenomen de afgelopen jaren.

In de regio staat ook al zon op land-opstellingen. Bij elkaar beslaan zij nu ruim 250 ha en wekken 0,23 TWh op. En zijn voornamelijk op landbouwgrond en enkele stortplaatsen gerealiseerd. Nieuwe velden zijn in voorbereiding, dat gaat om bijna 60 ha die

40 40 20 20 0 0 2015 2015

2016 2016

2017 2017

2018 2019 2018 2019 Bron: De Klimaatmonitor (2021) Bron: De Klimaatmonitor (2021)

Geregistreerd vermogen zonne-energie Cleantech Regio Geregistreerd vermogen zonne-energie Cleantech Regio Vermogen geregistreerde zonnepanelen woningen Vermogen geregistreerde zonnepanelen woningen Vermogen geregistreerde zonnepanelen niet woningen Vermogen geregistreerde zonnepanelen niet woningen

140 140 120 120 100 100 80 80 60 60

5

De opwek is weergegeven in gigawattuur (GWh) omwille van de leesbaarheid. (1000 GWh staat gelijk aan 1 TWh).

6

De grafiek is gebaseerd op beschikbare data uit de Klimaatmonitor.

Megawatt Megawatt(MW) (MW)

34

In dit hoofdstuk leest u de stand van zaken. Op het industrieterrein de Mars van Zutphen staan op dit moment de 3 windmolens die de RES Cleantech rijk is. Daarnaast loopt er nu een zaak bij de Raad van State over nog eens 3 windmolens. Een uitspraak hierover wordt in het voorjaar van 2021 verwacht. Dit heeft betrekking op een uitspraak over de noodzaak om milieu-effectonderzoek te doen naar de algemene milieunormen die voor windmolens en windparken gelden.

Hernieuwbare elektriciteit zon Hernieuwbare elektriciteit zon Hernieuwbare elektriciteit wind Hernieuwbare elektriciteit wind

120 120

40 40 20 20 0 0 2014 2014

42/146

2015 2015

2016 2016

2017 2017

2018 2019 2018 2019 Bron: Klimaatmonitor / CBS Bron: Klimaatmonitor / CBS

4

Regionale Structuur Warmte (RSW) Binnen de Cleantech Regio is het doel dat 155.000 woningen en 23.000 gebouwen van het aardgas af zijn in 2050. In dit hoofdstuk brengen we het bovengemeentelijk aanbod van en de vraag naar

35

duurzame warmte in beeld. En ook identificeren we bovengemeentelijke ontwikkelkansen. Het gaat om de bovengemeentelijke warmtevraag, -warmtebronnen en -warmte-infrastructuur. Er is sprake van een bovengemeentelijk belang bij een warmtepotentie groter dan 1500 woningequivalenten (weq.). De RSW helpt lokaal (gemeentelijk) opgestelde Transitievisies Warmte op elkaar af te stemmen.

Regionale Energiestrategie (RES)

4.1

Regio

Relatie lokale (TVW) en regionale plannen (RSW)

Warmtevraag, aanbod (bronnen) en afweging

De transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving wordt de warmtetransitie genoemd. De gemeenten regisseren deze lokale warmtetransitie. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten daarvoor uiterlijk in 2021 een Transitievisie Warmte (TVW) vaststellen. Daarin geven ze aan hoe ze tot 2050 de transitie wijk voor wijk uitvoeren en met welke wijken wordt gestart. In de TVW staan ook de nu denkbare alternatieven voor aardgas. De lokale en regionale plannen beïnvloeden elkaar. In de RSW kijken we of op lokaal niveau gebruik gemaakt kan en gaat worden van de bronnen die bovengemeentelijke potentie hebben of buiten de eigen gemeenten liggen. Afstemming en eventuele afspraken met omliggende gemeenten voorkomt dat één bron ten onrechte meerdere malen in lokale TVW’s wordt opgenomen.

Figuur 13: Relatie tussen de RES, de TVW en de wijkuitvoeringsplannen. Bron: Over Morgen

43/146

Onzekerheid neemt af met de tijd

Elektriciteitsvraag voor verwarmen, ruimtelijke impact opwek en infra

Regionale Structuur Warmte (RSW)

Warmtevraag en lokale afwegingen

ee Gem nte Tijdspad en wijken en voorkeuroplossing per wijk

Aanbod en toedeling regionale warmtebronnen

Warmtebronnen en -oplossingen

Transitievisie Warmte (TVW)

Lessen planvorming en uitvoering

jk (gebied) i W

Keuze eerste aardgasvrije wijk(en)

Uitvoering(splan) en besluit wijkinfrastructuur

Wijkuitvoeringsplan aardgasvrij

Kennis neemt toe met de tijd

4.2 Warmtevraag en hernieuwbare warmtebronnen

De regionale warmte vraag in 2030 (peiljaar 2020) is 9.179 TJ/jaar. Voor de RSW is een warmtebronnenanalyse gemaakt. In deze kaart staat de warmtevraag en het warmteaanbod. De warmtevraag is van woningen, utiliteiten en bedrijven. Zware industrie is geen onderdeel van de warmtevraag. De industrie valt buiten de scope van de RSW en de TVW. Industrie is wel opgenomen als restwarmteaanbod. Ook is de huidige warmte-infrastructuur in beeld gebracht. In onze regio is nu alleen in Apeldoorn een warmtenet in gebruik. In Lochem is een klein warmtenet, dat deels gevoed wordt door bodemwarmte.

36

Figuur 14 is gebaseerd op enkele veronderstellingen en uitgangspunten: Verwachte warmtevraag in 2030 (na besparing vanwege isolatieactiviteiten, uitbreiding woningbouw, harde plancapaciteit5); Als er een geconcentreerde warmtevraag is dan is een warmtenet kansrijk; Technisch mogelijke warmtebronnen; Warmtebron is regionaal interessant wanneer de bron gekoppeld kan worden aan een warmtevraag van 1500 woonequivalenten. Kaarten van vraag en aanbod van warmte zijn te zien in de webviewer ‘Gelderland Warmteatlas’. De data over vraag en aanbod zijn gebaseerd op huidige informatie en inzichten (peiljaar 2020). De kaarten laten zien dat er vooral in de stedelijke kernen in onze regio mogelijkheden voor warmtenetten zijn. Deze warmtenetten worden in de meeste gevallen gevoed door lokale warmtebronnen. In het overige deel van de regio is de dichtheid van de warmtevraag te laag. Deze lage warmtevraagdichtheid resulteert naar alle waarschijnlijkheid in individuele oplossingen en/of kleine collectieve oplossingen. Deze conclusies trekken we op basis van de huidige stand van de techniek. In de kaarten is geen aandacht besteed aan de potentie voor biogas. In de agrarische gebieden kan dit wel een optie zijn. 5

Regionale Woonagenda Cleantech Regio (16 december 2020) is niet verwerkt in bovenstaande kaart.

Figuur 14: lokale en bovenlokale warmtebronnen in de Cleantech Regio

Gemeenten CTR gaan 5000 extra woningen bouwen. Dit heeft invloed op de warmtevraag. 44/146

4.3 Beschikbare bovengemeentelijke warmtebronnen

Binnen de Cleantech RES Regio hebben we weinig hernieuwbare bovengemeentelijke warmtebronnen. Er zijn twee bovengemeentelijke bronnen die tegelijkertijd ook bovenregionale bronnen zijn. Er kan vanuit meerdere RES-en aanspraak op worden gemaakt. Hiervoor is afstemming met de andere RES-

In de afvalwaterleidingen van FrieslandCampina in Borculo (gemeente Berkelland en regio Achterhoek) en Lochem) is veel restwarmte beschikbaar. Deze leiding wordt beheerd door het Waterschap Rijn en IJssel en eindigt bij de zuiveringsinstallatie in Zutphen. Er loopt een apart traject met de gemeentes Berkelland (RES regio Achterhoek), Lochem en Zutphen, FrieslandCampina en Waterschap Rijn en IJssel.

regio’s en de betreffende gemeente(n) nodig.

IJssel en Apeldoorns Kanaal

In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de verschillende

De IJssel en het Apeldoorns Kanaal hebben bovengemeentelijke potentie voor TEO (thermische energie oppervlaktewater). Deze bronnen worden onderzocht op mogelijkheden voor warmtelevering aan de gemeenten binnen de Cleantech Regio.

duurzame warmtebronnen en de visie van de Cleantech Regio

37

Gemeente Lochem en Berkelland (Borculo)

hierop.

Gemeente Brummen en Apeldoorn

De papierfabrieken in Eerbeek en Loenen bieden kansen voor restwarmte voor de gemeenten Brummen en Apeldoorn. Binnen het programma Eerbeek-Loenen-2030 hebben gemeenten Brummen, Apeldoorn, woningbouwvereniging en Provincie Gelderland geld gereserveerd voor een businesscase doorrekening. De papierfabrieken van Eerbeek en Loenen liggen dicht bij Laag-Soeren en, iets verder weg, Dieren. Beide kernen liggen in de RES-regio Arnhem/ Nijmegen. Gemeente Lochem en Deventer (Oxe)

Deventer is onderdeel van de Cleantech Regio, maar valt in de RES-regio West-Overijssel. In Oxe (Deventer) hebben enkele boeren de handen ineen geslagen om een mestvergistingsproject op te starten. Dit project start met 5 melkveehouderijen, samen goed voor 1.000.000 m3 biogas. De mogelijkheid bestaat dat in een later stadium boeren uit Lochem aansluiten.

45/146

4.4 Afwegingskader

4.5 Infrastructuur voor warmte

4.6 Haalbaarheidscans

provincie Gelderland

Binnen de provincie Gelderland is gewerkt aan een afwegingskader voor bovengemeentelijke warmtebronnen. Dit kader dient ook als basis

De warmtetransitie heeft ook voor netbeheerders grote

RHDHV heeft diverse haalbaarheidsstudies (quickscans) uitgevoerd

voor figuur 2. Als er een bron interessant is voor meerdere gemeenten,

gevolgen. Elektrificatie zorgt voor een grotere belasting van

binnen provincie Gelderland. Het gaat dan vooral om de technische en

helpen deze afwegingscriteria bij het benutten ervan.

het elektriciteitsnet. Ook worden gas- en warmtenetten anders

financiële haalbaarheid van alternatieve warmtesystemen. Vanuit onze

ingericht in de toekomst.

regio is aangegeven dat er behoefte is aan studies naar de haalbaarheid

Binnen de provincie Gelderland zijn de volgende criteria afgesproken: Is de warmtebron duurzaam? Is de warmtebron beschikbaar? Is de warmtebron betaalbaar?

38

In deze 3 kerncriteria komen onder andere CO2-emissie, afstanden, temperatuur en dekkingsgraad terug. Uitgangspunt is dat deze drie criteria even zwaar meetellen, maar hier kan lokaal van afgeweken worden. Iedere stakeholder heeft hierin andere belangen en waarden. De één streeft naar maximale CO2 reductie, de ander wil maatschappelijke meerwaarde en weer een ander vindt lokaal eigendom belangrijk. Dit afwegingskader werken voor de Cleantech Regio verder uit richting RES 2.0. Vooruitlopend hierop is het project ‘Benutting restwarmte FrieslandCampina’ door de warmte-eigenaar (Waterschap Rijn en IJssel) en de drie aanliggende gemeentes een eigen afwegingskader vastgesteld om de hoogste maatschappelijke waarde van de warmtebenutting te bepalen.

van warmtenetten in Zutphen (Noordveen), Heerde (lage temperatuur Warmtenetten

We verwachten dat voor een groot deel van de Cleantech RES Regio individuele warmteoplossingen vanzelfsprekend zijn. Maar in meerdere gemeenten zien we kansen voor lokale warmtenetten. De ontwikkeling van een lokaal warmtenet wordt afgewogen in de lokale Transitievisie Warmte. De regio werkt richting RES 2.0 haar rol inzake warmtenetten verder uit. Ze onderzoekt daarbij of het wenselijk is sturingsinstrumenten te ontwikkelen rondom eigenaarschap, toegang en dimensionering van warmtenetten in het kader van de Warmtewet. Ook kan zij een rol vervullen als kennisplatform voor de gemeenten in de regio. Elektrificatie en het elektriciteitsnet

Waar mogelijk zet Liander haar gasnetten in voor een alternatieve warmtebron. En bouwen we in de regio het gebruik van aardgas op een slimme manier af. De netbeheerders zetten de gasnetten graag in voor een alternatieve warmtebron, zoals groengas (biogas met aardgaskwaliteit). Ook als gekozen wordt voor een collectieve warmteoplossing, neemt de elektriciteitsvraag toe. Dat komt onder andere door de overgang naar koken op inductie en benodigde installaties. Een voorbeeld hiervan is een collectieve warmtepomp bij de toepassing van een lagetemperatuurwarmtebron. De consequenties van de warmtetransitie voor de elektriciteitsvraag zijn nog niet helder binnen de Cleantech Regio, omdat nog niet alle Transitievisies Warmte gereed zijn. In de doorrekening van de netimpact is de warmtetransitie meegenomen op basis van prognoses van Liander. In de RES 2.0 brengen we de consequenties verder in beeld.

46/146

via TEO/TEA), Epe, Vaassen, Apeldoorn (wijk De Maten) en Voorst (kassengebieden). Met uitzondering van de quickscan voor Zutphen zijn geen van de onderzoeken gericht op bovenregionale bronnen. Bij de quickscan voor Zutphen is sprake van meerdere bronnen voor het warmtenet waarbij lokale en regionale bronnen elkaar aanvullen. De uitgevoerde quickscans zijn onderling moeilijk te vergelijken aangezien veel factoren meespelen bij de bepaling van de kansrijkheid. In de studie wordt geconcludeerd dat voor de collectieve warmtesystemen, waarvoor een quickscan is gedaan, slechts in een enkel geval sprake is van financieel rendabele projecten. Een rendabel systeem kan daarbij nog steeds duurder zijn dan de huidige situatie. Met name het onderzochte geothermie project komt financieel zeer ongunstig uit. Er is nog aanvullend onderzoek nodig. Ook de veranderende wet- en regelgeving (Warmtewet 2 in voorbereiding) en de toekomstige prijzen (van technieken maar ook van aardgas) zijn van grote invloed op de kansrijkheid van een warmtevoorziening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=b0d022cb-e40f-4d84-92a9-290f0024f43e