Bijlage 9 TOE Voortoets stikstof
Tekst van het document
Voortoets stikstof Park Helbergen fase 2, Zutphen Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming
H.W. van Ziel
Voortoets stikstof Park Helbergen fase 2, Zutphen Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming Ir. H.W. van Ziel Status uitgave: concept Projectnummer:
20-0561
Datum uitgave:
26-10-2020
Projectleider:
ir. H.W. van Ziel
Tweede lezer:
drs. G.F.J. Smit
Naam en adres opdrachtgever:
Gemeente Zutphen Postbus 41 7200 AA Zutphen
Akkoord voor uitgave:
drs. G.F.J. Smit
Paraaf: Graag citeren als: Ziel, H.W. van, 2020: Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen. Project 200561. Bureau Waardenburg, Culemborg. Trefwoorden: natuurtoets, voortoets, Wet natuurbescherming, stikstofdepositie, Rijntakken, Landgoederen Brummen, Zutphen Bureau Waardenburg bv is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Bureau Waardenburg bv / Gemeente Zutphen Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgevers en is hun eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Waardenburg bv, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv is door CERTIKED gecertificeerd overeenkomstig ISO 9001: 2015.
Bureau Waardenburg bv hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.
Bureau Waardenburg, Varkensmarkt 9 4101 CK Culemborg, 0345 51 27 10, info@buwa.nl, www.buwa.nl
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
2
Voorwoord De Gemeente Zutphen is voornemens om binnen het bestemmingsplan Park Helbergen fase 2 te realiseren. De Gemeente Zutphen wil weten of deze ingreep effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden en of significante effecten op deze gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Gemeente Zutphen heeft Bureau Waardenburg opdracht verstrekt om de voorgenomen ingreep te toetsen aan de Wet natuurbescherming. In voorliggend rapport zijn de effecten van additionele stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op Natura 2000-gebieden beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit rapport is te beschouwen als een Voortoets voor een Passende beoordeling zoals omschreven in de Wet natuurbescherming. Dit rapport is opgesteld door Bureau Waardenburg, de berekening van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is opgenomen in de bijlage bij dit rapport. Aan de totstandkoming van dit rapport werkten mee: J. de Jong Ir. H.W. van Ziel
AERIUS-berekeningen, projectleiding, rapportage.
Genoemde personen zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg is ISO gecertificeerd. Vanuit Gemeente Zutphen werd de opdracht begeleid door Mevrouw M. Schuijl-Oltvoort. Wij danken haar voor de prettige samenwerking.
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
3
Inhoud
1
2
3
Voorwoord
3
Samenvatting
6
Inleiding
8
1.1
Aanleiding
8
1.2
Doel en wettelijk kader
8
1.3
Proces van vergunningverlening
9
1.4
Verantwoording
10
Plangebied en project of plan
12
2.1
Het project Park Helbergen fase 2 Zutphen
12
2.2
AERIUS-berekeningen voor project Park Helbergen fase 2 Zutphen
12
Effecten op Natura 2000-gebieden
16
3.1
Mogelijke effecten en de reikwijdte van het project
16
3.2
Bepaling van effecten van stikstofdepositie
16
3.3
Natura 2000-gebied 038 Rijntakken
16
3.3.1
3.4
3.5
4
(ZG)Lg11 – Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren en zeekleigebied
17
3.3.2
(ZG)Lg08 – Nat, matig voedselrijk grasland
18
3.3.3
H6510A – Glanshaver – en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
19
3.3.4
H91E0B – Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)
19
3.3.5
ZGLg07 – Dotterbloemgrasland van veen en klei
20
3.3.6
H6120 – Stroomdalgraslanden
21
Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen
21
3.4.1
H91E0B – Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)
21
3.4.2
H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst
22
3.4.3
H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen
24
3.4.4
H6230vka – Heischrale graslanden, vochtig kalkarm
25
3.4.5
H6410 – Blauwgraslanden
26
3.4.6
H3130 – Zwakgebufferde vennen
28
3.4.7
H4010A – Vochtige heiden (hogere zandgronden)
29
3.5 Natura 2000-gebied Veluwe
30
3.5.1
Lg14 – Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
31
3.5.2
Lg13 – Bos van arme zandgronden
32
3.6
Cumulatie
33
3.7
Conclusie
33
Literatuur
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
35
4
Bijlage I
Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied 038 Rijntakken
36
Bijlage II
Instandhoudingsdoelen N2000-gebied 058 Landgoederen Brummen 39
Bijlage III
Rapportage Stikstofdepositie
40
Bijlage IV
AERIUS- berekeningen
42
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
5
Samenvatting De Gemeente Zutphen is voornemens om binnen het bestemmingsplan Park Helbergen fase 2 te realiseren. Het doel van het onderzoek is te bepalen of de ingreep kan leiden tot een vergunningplicht op grond van de regels uit de Wet natuurbescherming. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd door Bureau Waardenburg. Deze zijn berekend voor de bouwfase en voor de gebruiksfase van de woningen. Uit de AERIUS-berekeningen volgt dat het project tijdens de aanlegfase een extra stikstofdepositie oplevert van maximaal 4,27 mol N/ha/jr op 7 habitattypen, 2 Zoekgebieden voor een habitattype, 3 leefgebiedtypen en 4 zoekgebieden voor leefgebiedtypen binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken en maximaal 0,02 mol N/ha/jr op 7 habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Ook levert het een extra depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op 2 leefgebieden in het Natura-2000 gebied Veluwe. Op andere Natura 2000-gebieden vindt geen extra depositie van stikstof plaats als gevolg van het project. Tijdens de gebruiksfase vindt depositie plaats van maximaal 0,08 mol N/ha/jr op één leefgebiedtype in het Natura 2000-gebied Rijntakken.
Binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de KDW van de volgende (zoekgebieden voor) habitattypen/leefgebiedtypen niet overschreden: (ZG)H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen, H6430C – Ruigten en Zomen (droge bosranden), H6510B – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden, H91E0B – Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen), (ZG)H91F0 – Droge hardhoutooibossen, (ZG)Lg02 – Geïsoleerde meander en petgat en ZGLg08 – Nat, matig voedselrijk grasland. Negatieve effecten op deze habitat/ leefgebiedtypen zijn op voorhand uit te sluiten. In Rijntakken is voor de reeds overbelaste delen van de Lg08 Nat, matig voedselrijk, het zoekgebied ZGLg07 Dotterbloemhooiland van veen en klei en het leefgebiedtype en zoekgebied (ZG)Lg11 – Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivierenen zeekleigebied 1 is op basis van objectieve gegevens (de Gebiedsanalyse van Provincie Gelderland) op voorhand uit te sluiten dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen voor deze (zoekgebieden voor) leefgebiedtypen kunnen optreden. Voor de overige habitattypen in Rijntakken, Landgoederen Brummen en Veluwe wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelen op voorhand niet geheel zijn uitgesloten. Op grond daarvan dient een vergunningprocedure in het kader van de Wet natuurbescherming doorlopen te worden.
Het project is naar alle waarschijnlijkheid vergunbaar. Daarbij is een combinatie van twee wegen mogelijk: • via het stikstofregistratiesysteem SSRS. Op 2 december 2020 is de laatste doorrekening met AERIUS gedaan en daarbij is in de jaren 2021, 2022 en 2023
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
6
•
voldoende ruimte beschikbaar in het SSRS. Waarschuwing: dit garandeert niet dat die ruimte er ook is bij aanmelding door het bevoegd gezag. via een nadere Passende beoordeling van de ecologische gevolgen op basis van veldwerk en literatuurstudie
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
7
1 Inleiding 1.1
Aanleiding De Gemeente Zutphen is voornemens om binnen het bestemmingsplan Park Helbergen fase 2 te realiseren. De Gemeente Zutphen wil weten of en zo ja, hoe met deze ingreep rekening moet worden gehouden met de Wet natuurbescherming, in het bijzonder wat betreft de depositie van stikstof door aanlegwerkzaamheden op Natura 2000-gebieden. Concreet wil Gemeente Zutphen weten of als gevolg van dit project significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op grond van objectieve gegevens op voorhand kunnen worden uitgesloten. In dit rapport wordt ecologisch beoordeeld wat de effecten zijn van additionele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De berekening van de effecten van deze additionele stikstofemissie op de depositie in Natura 2000-gebieden is opgenomen in Bijlage 3. De analyses uit de PAS-gebiedsanalyses en informatie uit Natura 2000beheerplannen zijn gebruikt om de afwezigheid van effecten te onderbouwen.
1.2
Doel en wettelijk kader Het doel van het onderzoek is te bepalen of de ingreep kan leiden tot een vergunningplicht op grond van de regels uit de Wet natuurbescherming dan wel de plicht om een Passende beoordeling op te stellen voordat een bestemmingsplan kan worden vastgesteld. Als op voorhand op grond van objectieve gegevens duidelijk is dat de additionele depositie niet tot significante effecten kan leiden, is sprake van een Voortoets en hoeft geen vergunningverlening plaats te vinden of een Passende beoordeling te worden opgesteld (zie ook ABRvS 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:684, ov. 23.7 en ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1573). Zijn significante effecten niet op voorhand uit te sluiten, dan moet een Passende Beoordeling worden verricht van de additionele depositie, waarbij zo nodig ook mitigerende maatregelen kunnen worden betrokken in de beoordeling. Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De regels die toezien op bescherming van Natura 2000-gebieden zijn opgenomen in ‘Hoofdstuk 2 Natura 2000gebieden’ van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft als doel het behoud van de biodiversiteit en duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan. Sommige handelingen en ontwikkelingen kunnen de natuur, en daarmee de biodiversiteit, schaden en zijn daarom krachtens de wet verboden.
Is dat het geval, dan is er in geval van beschermde gebieden een vergunning nodig.
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
8
Vraagstelling: Zijn er significante effecten mogelijk op Natura 2000-gebieden rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden? De voorliggende rapportage beschrijft de resultaten van een onderzoek naar de effecten van additionele stikstofuitstoot van een project/plan op Natura 2000-gebieden. De centrale vraag van deze toetsing is: bestaat een reële kans op significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden met zekerheid op voorhand worden uitgesloten? Meer in detail geeft deze rapportage antwoord op de volgende vragen: • Welke Natura 2000-gebieden liggen binnen de invloedssfeer van het plan/project (§ 2.1)? • Wat zijn de instandhoudingsdoelen voor deze natuurgebieden (bijlage 2)? • Welke effecten heeft het project op Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 3)?
1.3
Proces van vergunningverlening Voor de habitattypen van Bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn kritische depositiewaarden (KDW’s) vastgesteld voor de depositie van stikstof. Dit is ook gebeurd voor de leefgebiedtypen van aangewezen soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn of Bijlage I van de Vogelrichtlijn. Een te hoge stikstofdepositie leidt tot verzuring en vermesting. Bij elke toename van stikstofdepositie in deze gebieden dient beoordeeld te worden of significant negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een Passende beoordeling opgesteld te worden. In het onderstaande wordt getoetst aan de artikel 2.7 lid 2 van de Wet Natuurbescherming: Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of: er is sprake van een “plan” (meestal een bestemmingsplan of inpassingsplan).
Dan is artikel 2.7 lid 1 van toepassing: Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. In beide gevallen is het criterium: afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Er dient dus aangetoond te worden dat er geen significante effecten kunnen optreden als gevolg van het plan of project.
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
9
Is het mogelijk om op grond van objectieve gronden op voorhand significante gevolgen uit te sluiten dan is een zogenaamde Voortoets voldoende. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of een rapportage die tot de conclusie komt dat significante effecten uitgesloten zijn, moet worden beschouwd als een Voortoets of een Passende beoordeling. Als er sprake is van interne saldering is een vergunning mogelijk. Dit treedt op als binnen het project ook vermindering optreedt van vergunde en gerealiseerde stikstofuitstoot. De vermindering van depositie kan dan worden afgetrokken van de extra depositie die door het project of plan wordt veroorzaakt. Als significante effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld. Hierin dient alsnog op basis van een inhoudelijke ecologische beoordeling van de effecten op het Natura 2000-gebied te worden aangetoond dat er geen effecten kunnen optreden. Daarbij dienen de instandhoudingsdoelen in ogenschouw genomen te worden. Er mogen ook mitigerende maatregelen genomen worden om de effecten te niet te doen of te verzachten. Ook externe saldering is mogelijk, dus met vermindering van stikstofdepositie buiten het project. Hierbij mag maximaal 70% van de externe vermindering benut worden voor saldering. Een andere route is via het SSRS, het Stikstofregistratiesysteem.
Hierin wordt feitelijk extern gesaldeerd met algemene maatregelen die de regering heeft genomen voor vermindering van stikstofuitstoot, zoals de verlaging van de maximumsnelheid tot 100 km/uur overdag. Enkele grote wegenbouwprojecten en andere bouwprojecten krijgen hierbij voorrang (https://www.bij12.nl/nieuws/vergunningverlening-via-stikstofregistratiesysteem-van-start/ ). Op bijna alle hexagonen is voor alsnog ruimte beschikbaar, op één hexagon in Rijntakken na. Is het niet mogelijk om significante effecten uit te sluiten, dan is de ADC-toets het laatste redmiddel. Er dient dan te worden aangetoond dat er: • geen Alternatieven zijn • een Dwingende reden van groot openbaar belang is en • Compensatie plaatsvindt van de verloren gaande natuur(kwaliteit).
1.4
Verantwoording AERIUS-berekeningen De gegevens voor de bouw- en gebruiksfase van Park Helbergen fase 2 zijn aangeleverd door de opdrachtgever. Bronnenonderzoek Voor de ecologische beoordeling heeft bronnenonderzoek plaatsgevonden. De belangrijkste bronnen zijn: • Natura 2000-beheerplan Rijntakken • Natura 2000-beheerplan Landgoederen Brummen • Natura 2000-beheerplan Veluwe • PAS-gebiedsanalyse Rijntakken 20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
10
• • • •
PAS-gebiedsanalyse Landgoederen Brummen PAS-gebiedsanalyse Veluwe AERIUS Calculator website https://www.natura2000.nl o Profielendocumenten habitattypen en beschermde soorten
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
11
2 Plangebied en project of plan 2.1
Het project Park Helbergen fase 2 Zutphen Plangebied Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Zutphen en grenst direct aan de IJssel aan de westkant en aan de Laan naar Eme aan de oostkant (figuur 1). Het plangebied ligt buiten het Natura 2000-gebied Rijntakken, maar grenst daaraan.
Figuur 1
Ligging plangebied (rood omkaderd). (Esri Nederland, Community Map Contributors | Esri Nederland, beeldmateriaal.nl | Esri Nederland, Kadaster | Esri Nederland, AHN).
Voorgenomen ingreep Informatie over de voorgenomen ingreep is aangeleverd door Gemeente Zutphen. Het project betreft de aanleg en gebruik van een woonwijk met ca. 88 grondgebonden woningen. Bij de aanleg wordt gebruik gemaakt van mobiele werktuigen en vracht- en personenverkeer. Ook vindt bemaling plaats. Er wordt gasloos gebouwd. Derhalve vindt er in de gebruiksfase alleen uitstoot van stikstofoxide plaats vanuit wegverkeer. Hiervoor is op basis van CROW-normen een aantal van 267 verkeersbewegingen per etmaal aangehouden.
2.2
AERIUS-berekeningen voor project Park Helbergen fase 2 Zutphen De additionele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is berekend. De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma AERIUS op basis van in te zetten machines en duur van de werkzaamheden (dd. 22 oktober 2020). Voor de aanleg van de woningen en infrastructuur worden mobiele werktuigen ingezet en dienen personeel en materiaal getransporteerd te worden. Als gevolg van de bouwfase van het project vindt extra stikstofdepositie plaats in de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Landgoederen Brummen
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
12
en Veluwe (tabel 1). In andere Natura 2000-gebieden vindt geen extra depositie plaats. In figuur 2 is een overzicht te zien van de locatie van het plangebied en de belaste hexagonen (geel). In de gebruiksfase van het project vindt stikstofdepositie plaats op één leefgebied in het Natura 2000-gebied Rijntakken (figuur 3).
Tabel 1: Maximale stikstofdeposities gespecificeerd per habitattype of leefgebiedtype gedurende de aanlegfase en de gebruiksfase. code en naam habitattype
KDW aanleg- gebruiks mol/ha/jr fase -fase
% van KDW
N2000-gebied 038 Rijntakken H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten
2.143
0,02
0,00
0,0009
2.143
0,01
0,00
0,0005
H6120 – Stroomdalgraslanden
1.286
0,01
0,00
0,0008
H6430C – Ruigten en zomen (droge bosranden)
1.857
0,01
0,00
0,0005
H6510A – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
1.429
0,05
0,00
0,0035
1.571
0,01
0,00
0,0006
H91E0B – Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)
2.000
0,04
0,00
0,002
H91F0 – Droge hardhoutooibossen
2.071
0,01
0,00
0,0005
ZGH91F0 – Droge hardhoutooibossen
2.071
0,03
0,00
0,0014
Lg02 – Geïsoleerde meander en petgat
2.143
0,03
0,00
0,0014
ZGLg02 – Geïsoleerde meander en petgat
2.143
0,01
0,00
0,0005
ZGLg07 – Dotterbloemgrasland van veen en klei
1.571
0,02
0,00
0,0013
Lg08 – Nat, matig voedselrijk grasland
1.571
0,33
0,00
0,021
ZGLg08 – Nat, matig voedselrijk grasland
1.571
0,05
0,00
0,0031
Lg11 – Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van
1.429
4,27
0,08
0,30
1.429
0,02
0,00
0,0014
571
0,01
0,00
0,0018
H4010A – Vochtige heiden (hogere zandgronden)
1.214
0,01
0,00
0,0008
H6230vka – Heischrale graslanden, vochtig kalkarm
714
0,01
0,00
0,0014
H6410 – Blauwgraslanden
1.071
0,01
0,00
0,0009
H7150 – Pioniervegetaties met snavelbiezen
1.429
0,01
0,00
0,0007
afgesloten zeearmen ZGH3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen
(glanshaver) H6510B – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)
het rivieren- en zeekleigebied ZGLg11 – Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied N2000-gebied Landgoederen Brummen H3130 – Zwakgebufferde vennen
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
13
code en naam habitattype H91E0C – Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende
KDW aanleg- gebruiks mol/ha/jr fase -fase
% van KDW
1.857
0,02
0,00
0,0011
1.429
0,02
0,00
0,0014
Lg13 – Bos van arme zandgronden
1.071
0,01
0,00
0,0009
Lg14 – Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
1.429
0,01
0,00
0,0007
bossen) H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst N2000-gebied Veluwe
Omdat in de gebruiksfase geen depositie wordt berekend op natuurgebieden die hoger is dan die in de aanlegfase, wordt hier verder alleen de aanlegfase beoordeeld. Deze is uit zijn aard tijdelijk. In de gebruiksfase is er slechts uitstoot op 1 leefgebied van het Natura 2000-gebied Rijntakken, direct grenzend aan het projectgebied.
Figuur 2
Ligging plangebied en belaste hexagonen (geel) in de aanlegfase en overbelaste of bijna overbelaste hexagonen (geel met rode rand). Bron: AERIUS Calculator 2020.
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
14
Figuur 3
Ligging plangebied en belaste hexagonen (geel, bruin, groen) in de gebruiksfase en overbelaste of bijna overbelaste hexagonen (met rode rand). Bron: AERIUS Calculator 2020.
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
15
3 Effecten op Natura 2000-gebieden 3.1
Mogelijke effecten en de reikwijdte van het project Deze beoordeling gaat in op de invloed van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Andere invloeden van het project worden in deze beoordeling buiten beschouwing gelaten.
3.2
Bepaling van effecten van stikstofdepositie De stikstofdepositie als gevolg van het project Park Helbergen fase 2 is berekend met behulp van het rekenprogramma AERIUS. Voor de details van de berekening en resultaten wordt verwezen naar Bijlage IV bij dit rapport voor AERIUS-rapportage. De ecologische beoordeling toetst (op basis van de AERIUS-uitkomst) op één of meer van de onderstaande vragen: 1. Is er in het gebied met additionele depositie (overal) sprake van overschrijding van de kritische depositiewaarde op de beïnvloede hexagonen? 2. Is er een noodzaak om omvang of kwaliteit van het habitat/leefgebiedtype te vergroten (uitbreidingsdoelstelling(en) of nog niet halen van de minimum behoudsdoelen (populatieomvang). 3. Wat is de kwaliteit van het habitattype/leefgebiedtype? 4. Is de kwaliteit onvoldoende, wat zijn dan de knelpunten? Bij leefgebieden wordt ook naar de relevante soorten gekeken. 5. In hoeverre en op welke manier(en) speelt stikstofdepositie daarbij een rol? 6. In hoeverre speelt de additionele hoeveelheid stikstof door dit project hierbij een rol? 7. Welke maatregelen worden genomen om de kwaliteit van het habitattype/leefgebiedtype in stand te houden, te herstellen of te vergroten? 8. Worden de maatregelen of hun effecten negatief beïnvloed door de additionele stikstof uit dit project? 9.
Is het nodig om additionele maatregelen te nemen als gevolg van de additionele stikstofdepositie van dit project? 10. Zijn er andere projecten bekend die cumulatieve effecten kunnen hebben op de door dit project belaste habitat- of leefgebiedtypen?
3.3
Natura 2000-gebied 038 Rijntakken Het project zorgt tijdelijk voor extra depositie in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Rijntakken is aangewezen voor 14 habitattypen, waarvan voor 10 habitattypen verbetering van kwaliteit als instandhoudingsdoel is geformuleerd. Daarnaast is Rijntakken aangewezen voor 11 soorten van de habitatrichtlijn, 12 soorten broedvogels en 26 nietbroedvogels. De instandhoudingsdoelen van Rijntakken zijn weergegeven in Bijlage I.
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
16
De KDW van de volgende (zoekgebieden voor) habitattypen/leefgebiedtypen wordt niet overschreden: (ZG)H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen, H6430C – Ruigten en Zomen (droge bosranden), H6510B – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden, H91E0B – Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen), (ZG)H91F0 – Droge hardhoutooibossen, (ZG)Lg02 – Geïsoleerde meander en petgat en ZGLg08 – Nat, matig voedselrijk grasland. Negatieve effecten op deze habitat/ leefgebiedtypen zijn op voorhand uit te sluiten. De overige habitattypen en leefgebiedtypen worden behandeld op volgorde van hoogste depositie naar laagste depositie.
3.3.1
(ZG)Lg11 – Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren en zeekleigebied De extra depositie als gevolg van het project bedraagt tijdens de aanlegfase maximaal 4,27 mol N/ha/jr. Tijdens de gebruiksfase vindt een depositie plaats van 0,08 mol N/ha/jr. Met behulp van de Gebiedsanalyse Rijntakken (Dorland et al., 2017) is nagegaan welke van de aangewezen soorten een daadwerkelijk stikstofgevoelig leefgebied (kunnen) hebben binnen dit leefgebiedtype en of er voor die soort een uitbreidingsdoelstelling, dan wel een aantal beneden het streefaantal is. Van de potentieel stikstofgevoelige soorten die zijn aangewezen als doelsoort in Natura 2000-gebied Rijntakken is in de Gebiedsanalyse alleen de kwartelkoning als potentieel stikstofgevoelig voor het leefgebiedtype (ZG)Lg11 (Zoekgebied voor) Kamgrasweide en Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied aangemerkt. De kwartelkoning is een soort die leeft in hoge vegetaties en als trekvogel meestal pas laat in het seizoen aankomt. De kwartelkoning heeft voor zijn voortbestaan behoefte aan graslanden die pas na 1 augustus worden gemaaid. Dit komt vrijwel nergens (meer) voor, ook niet in natuurterreinen. Alleen waar speciaal op de kwartelkoning gericht beheer wordt gevoerd, kan de soort succesvol tot broeden komen. De soort komt in Nederland jaarlijks in sterk wisselende aantallen voor.
Voor de kwartelkoning is binnen het Natura 2000gebied Rijntakken verbetering van kwaliteit en vergroten van leefgebied als instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Effectbeoordeling In de Gebiedsanalyse (Dorland et al., 2017) is aangegeven dat stikstof een zeer beperkt knelpunt vormt (de vegetatie kan bij grote overschrijdingen iets dichter worden). Maatregelen als gevolg van stikstofdepositie worden niet nodig geacht en de conclusie is: Het areaal extensief beheerd hooiland en het maaischema zijn in hoge mate bepalend voor de populatieomvang. Omdat de doelstellingen incidenteel wel gehaald worden, lijkt de draagkracht van het gebied voldoende. De stikstofdepositie speelt, gezien de mate en het oppervlak, een zeer ondergeschikte rol. Significant negatieve effecten op het leefgebied van de Kwartelkoning door stikstofdepositie is dan ook uitgesloten.
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
17
Conclusie ten aanzien van de kwartelkoning is dan ook dat significant negatieve effecten van de extra depositie door het project op voorhand zijn uitgesloten.
3.3.2
(ZG)Lg08 – Nat, matig voedselrijk grasland De extra depositie als gevolg van het project bedraagt tijdens de aanlegfase maximaal 0,33 mol/ha/jr. Dit is een maximale depositie, die slechts op een zeer klein oppervlak optreedt, als gevolg van de ligging van het project direct tegen het Natura 2000-gebied aan. Belangrijker is dat op die plaats de KDW niet wordt overschreden en effecten dus op voorhand uitgesloten zijn. Elders in het gebied liggen echter plaatsen waar extra depositie optreedt op reeds overbelaste hexagonen. De maximale depositie is daar 0,05 mol N/ha/jr. Van de potentieel stikstofgevoelige soorten die zijn aangewezen als doelsoort in Natura 2000-gebied Rijntakken zijn in de Gebiedsanalyse alleen de kwartelkoning en watersnip als potentieel stikstofgevoelig aangemerkt voor het leefgebiedtype (ZG)Lg08 Zoekgebied voor Nat, matig voedselrijk grasland. Voor de kwartelkoning geldt hetgeen beschreven onder Lg11. Effectbeoordeling In de Gebiedsanalyse (Dorland et al., 2017) is aangegeven dat stikstof een zeer beperkt knelpunt vormt (de vegetatie kan bij grote overschrijdingen iets dichter worden). Maatregelen als gevolg van stikstofdepositie worden niet nodig geacht en de conclusie is: Het areaal extensief beheerd hooiland en het maaischema zijn in hoge mate bepalend voor de populatieomvang.
Omdat de doelstellingen incidenteel wel gehaald worden, lijkt de draagkracht van het gebied voldoende. De stikstofdepositie speelt, gezien de mate en het oppervlak, een zeer ondergeschikte rol. Significant negatieve effecten op het leefgebied van de Kwartelkoning door stikstofdepositie is dan ook uitgesloten. De watersnip komt voor in lage, vochtige graslanden en broedt vooral in vochtig tot nat, zeer extensief gebruikt en kruidenrijk, rijk gestructureerd grasland op veen; ook in gemaaid rietland, trilvenen, vroeger ook natte heide (Vogelbescherming). Voor de watersnip is in het Natura 2000-gebied Rijntakken een behoudsdoelstelling geformuleerd. In Gelderland broedt de watersnip in kleine aantallen langs de Nederrijn en incidenteel in de Gelderse Poort en langs de IJssel ten noorden van Deventer. Dat hangt waarschijnlijk samen met de stabiele waterstanden in de Nederrijn en in het benedenstroomse deel van de IJssel. In het algemeen vertonen de aantallen watersnippen in alle deelgebieden een dalende trend (Dorland et al., 2017). De grootste knelpunten voor de watersnip zijn verdroging, versnippering, verstoring en stikstofdepositie. In de Gebiedsanalyse staat beschreven dat stikstof een ondergeschikt knelpunt is (Dorland et al., 2017). Door verdroging worden moeras- en graslandgebieden ongeschikt om te foerageren.
De watersnippen kunnen dan niet meer met hun snavels in 20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
18
de bodem dringen. Door versnippering van leefgebied raken resterende populaties geïsoleerd. Verstoring vindt vooral plaats door landrecreatie (Dorland et al., 2017). Conclusie in de Gebiedsanalyse is: Stikstofdepositie speelt, gezien de matige overbelasting op een relatief klein deel van het leefgebied en zal in verhouding tot de andere knelpunten voor deze soort waarschijnlijk een beperkt probleem en niet –of slechts zeer beperkt – de oorzaak zijn van de dalende trend in aantal. Er zijn derhalve geen aanvullende PASherstelmaatregelen nodig voor de Watersnip. Conclusie ten aanzien van de watersnip is dan ook dat significant negatieve effecten van de zeer kleine extra depositie door het project op voorhand uitgesloten zijn.
3.3.3
H6510A – Glanshaver – en vossenstaarthooilanden (glanshaver) De totale oppervlakte van glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) is ongeveer 200 ha (Provincie Gelderland, 2018). Tijdens de gebruiksfase wordt geen extra depositie berekend. In de aanlegfase is de depositie maximaal 0,05 mol N/ha/jr. De instandhoudingsdoelstellingen voor dit habitattype binnen Rijntakken zijn verbetering van kwaliteit en vergroten van oppervlakte. Van het Nederlandse areaal glanshaverhooiland ligt het grootste deel in Rijntakken. De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype zijn inadequaat beheer, ingeperkte rivierdynamiek, vermesting door overstromingen en verzuring en vermesting door stikstofdepositie (Dorland et al., 2017). Significante negatieve effecten zijn niet op voorhand uit te sluiten. Een ecologische beoordeling is noodzakelijk.
3.3.4
H91E0B – Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) Kenschets Essen-Iepenbossen groeien op afzettingen van de grote rivieren. In het rivierengebied zijn de kleiige, hoge delen van de uiterwaarden van nature de standplaatsen van dit type hardhoutooibos (uit het Verbond van Els en Vogelkers, Alno-Padion), waarin gewone es (Fraxinus excelsior) domineert. In de uiterwaarden is dit bos momenteel alleen nog in gedegradeerde vorm aanwezig, als populierenaanplant. Het komt in ons land ook binnendijks voor als oude bossen op landgoederen en als oud essenhakhout (o.a. langs de Waal). Die bossen staan sinds lang alleen nog indirect onder invloed van de rivier (door stijging van grondwater tijdens hoog water in de rivier), maar worden hier toch tot het habitattype gerekend. Het betreft een prioritair habitattype (Dorland et al., 2017). Plaatselijke situatie Voor dit habitattype geldt een uitbreidingsdoelstelling voor zowel oppervlakte als kwaliteit. Knelpunten in dit bostype zijn (Dorland et al., 2017): 1. Inadequaat beheer 2. Gering oppervlak huidige locaties en beperkingen door inrichting 3. Verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie.
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
19
De effecten van stikstofdepositie op dit habitattype zijn beperkt. De PAS- herstelstrategie stelt dat er geen verzurende effecten van stikstofdepositie op dit habitattype bekend zijn. De ruime basenvoorraad in de bodem maakt het niet waarschijnlijk dat depositie op korte en middellange termijn zorgt voor verzuring in de bodem. Op lange termijn lijkt wel verzuring te kunnen gaan optreden, maar alleen in combinatie met verdroging (Beije et al., 2012). Ook de vermestende effecten zijn beperkt vanwege de van nature vrij hoge voedselrijkdom van dit habitattype. Mogelijk zijn er op termijn wel effecten in matig voedselrijke situaties (Beije et al., 2012). Voor deze gebieden zijn daarom geen herstelmaatregelen voorzien. Gezien het bovenstaande en de zeer geringe en eenmalige bijdrage van het project is het op voorhand uitgesloten dat er significant negatieve effecten in dit habitattype kunnen optreden als gevolg van het project.
3.3.5
ZGLg07 – Dotterbloemgrasland van veen en klei De extra depositie als gevolg van het project bedraagt tijdens de aanlegfase maximaal 0,02 mol/ha/jr. Met behulp van de Gebiedsanalyse Rijntakken (Dorland et al., 2017) is nagegaan welke van de aangewezen soorten een daadwerkelijk stikstofgevoelig leefgebied (kunnen) hebben binnen dit Leefgebiedtype en of er voor die soort een uitbreidingsdoelstelling, dan wel een aantal beneden het streefaantal is. Van de potentieel stikstofgevoelige soorten die zijn aangewezen als doelsoort in Natura 2000-gebied Rijntakken is in de Gebiedsanalyse alleen de watersnip als potentieel stikstofgevoelig voor het leefgebiedtype Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei aangemerkt. Voor de watersnip geldt hetzelfde als hiervoor beschreven. In het belaste gebied zijn de laatste 5 jaar geen broedgevallen van watersnip waargenomen (NDFF). De grootste knelpunten voor de watersnip zijn verdroging, versnippering, verstoring en stikstofdepositie. In de Gebiedsanalyse staat beschreven dat stikstof een ondergeschikt knelpunt is (Dorland et al., 2017). Door verdroging worden moeras- en graslandgebieden ongeschikt om te foerageren. De watersnippen kunnen dan niet meer met hun snavels in de bodem dringen. Door versnippering van leefgebied raken resterende populaties geïsoleerd. Verstoring vindt vooral plaats door landrecreatie (Dorland et al., 2017).
Conclusie daarin is: Stikstofdepositie speelt, gezien de matige overbelasting op een relatief klein deel van het leefgebied en zal in verhouding tot de andere knelpunten voor deze soort waarschijnlijk een beperkt probleem en niet –of slechts zeer beperkt – de oorzaak zijn van de dalende trend in aantal. Er zijn derhalve geen aanvullende PASherstelmaatregelen nodig voor de Watersnip. Conclusie ten aanzien van de watersnip is dan ook dat significant negatieve effecten van de zeer kleine extra depositie door het project op voorhand uitgesloten zijn.
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
20
3.3.6
H6120 – Stroomdalgraslanden Kenschets De totale oppervlakte van stroomdalgraslanden binnen Rijntakken is circa 29 hectare (Provincie Gelderland, 2018). De extra depositie bedraagt maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Door de vrij lage KDW van 1286 mol N/ha/jr wordt vrijwel overal in het belaste gebied de KDW overschreden. Plaatselijke situatie De instandhoudingsdoelstellingen voor stroomdalgraslanden zijn verbetering van kwaliteit en vergroten van oppervlakte. De landelijke staat van instandhouding is zeer ongunstig en stroomdalgraslanden hebben een sense of urgency voor de instandhoudingsdoelstellingen. Stroomdalgraslanden zijn bloemrijke graslanden die voorkomen op zandige stroomruggen, oeverwallen en rivierduinen en als linten op de dijken. Het habitattype komt voor als soortenrijke, relatief open, grazige begroeiing op droge standplaatsen. Een groot deel van dit habitattype ligt in Gelderland. In de afgelopen eeuw is stroomdalgrasland sterk achteruitgegaan in oppervlakte en kwaliteit. Belangrijke oorzaken zijn habitatvernietiging, bemesting, omploegen, recreatie en achterstallig beheer (Provincie Geldeland, 2017). Het habitattype kent in Rijntakken een sterk negatieve trend in oppervlak, maar sinds enkele jaren een positieve trend in kwaliteit. Significante negatieve effecten van stikstofdepositie op dit habitattype zijn niet op voorhand uit te sluiten.
Een ecologische beoordeling is noodzakelijk.
3.4
Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen Op landgoederen Brummen zijn 114 door het project belaste hexagonen. Ze zijn vrijwel alle reeds overbelast met stikstof door de achtergronddepositie. De hoogste (eenmalige) deposities die hier optreden (tijdens de bouwfase) zijn 0,02 mol N/ha/jr. Deze depositie vindt plaats op 10 hexagonen. Op de overige hexagonen is de extra depositie 0,01 mol N/ha/jr. Landgoederen Brummen is aangewezen voor 8 habitattypen en 2 habitatrichtlijnsoorten. De instandhoudingdoelen van Landgoederen Brummen zijn opgenomen in Bijlage II.
3.4.1
H91E0B – Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) Kenschets Essen-Iepenbossen groeien op afzettingen van de grote rivieren. In het rivierengebied zijn de kleiige, hoge delen van de uiterwaarden van nature de standplaatsen van dit type hardhoutooibos (uit het Verbond van Els en Vogelkers, Alno-Padion), waarin gewone es (Fraxinus excelsior) domineert. Het komt in ons land ook binnendijks voor als oude bossen op landgoederen en als oud essenhakhout (o.a. langs de Waal). Die bossen staan sinds lang alleen nog indirect onder invloed van de rivier (door stijging van grondwater tijdens hoog water in de rivier), maar worden hier toch tot het habitattype gerekend. Het betreft een prioritair habitattype. (Dorland e.a., 2017). Plaatselijke situatie
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
21
Voor Landgoederen Brummen geldt een behoudsdoelstelling voor de oppervlakte en een verbeteringsdoelstelling voor kwaliteit. Dit habitattype komt verspreid over het gehele Natura 2000-gebied. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt op de Landgoederen Voorstonden en Leusveld. Het habitattype komt plaatselijk voor als vogelkers- essenbos als onderdeel van en boscomplex met elzenzegge-elzenbroek. Delen van dit habitattype zijn gelegen in rabattenbossen en zijn begreppeld. Omdat de hydrologische situatie ernstig is verstoord is de kwaliteit van deze delen als matig beoordeeld. Van de overige percelen is de kwaliteit als voldoende beoordeeld. De structuur van dit habitattype wordt beoordeeld als voldoende. De boom- en struiklaag bestaat uit representatieve soorten. Elzen en essen domineren vaak de boomlaag. Schietwilg komt sporadisch voor, grauwe wilgen domineren in de laagstgelegen delen. In maar weinig bossen hebben de exoten Canadapopulier en balsempopulier een hogere bedekking dan 5%. Kwelindicatoren zijn regelmatig aangetroffen. De kwaliteitssoorten bosereprijs, muskuskruid, groot springzaad, gele dovenetel en slanke sleutelbloem komen voor en de bijzondere kwaliteitssoorten grote keverorchis en zwarte rapunzel zijn op een enkele plek aangetroffen. Wat flora betreft is de kwaliteit daarom voldoende tot goed beoordeeld.
Bosereprijs en groot springzaad worden ook in het profieldocument aangegeven als typische soorten. Andere volgens het profieldocument typische soorten die in het gebied voorkomen zijn bloedzuring en bospaardenstaart. Van de (bijzondere) kwaliteitssoorten fauna komen boomklever, matkop, appelvink en kleine ijsvogelvlinder voor. Wat fauna betreft is de kwaliteit als voldoende tot goed beoordeeld. Door verdroging en daarmee samenhangende afname van aanvoer van basenrijk grondwater en combinatie met vervuiling van het grondwater (o.a. sulfaat) staat het habitattype onder druk. Deze combinatie van factoren leidt ertoe dat de kwaliteit van het habitattype over de afgelopen periode een negatieve trend laat zien. Knelpunten zijn: • te diepe ontwatering • grondwaterverontreiniging: op veel plekken is het ondiepe grondwater verontreinigd met sulfaat en met meststoffen als gevolg van verdroging en bemesting van landbouwgronden. Dit kan bij herstel van lokale kwelstromen leiden tot ongewenste neveneffecten als gevolg van eutrofiering. • grondwateronttrekking • stikstofdepositie • dumpen tuinafval. Voor het habitattype zijn PAS-beheersmaatregelen geformuleerd. Significante effecten zijn daarmee niet op voorhand uitgesloten en nadere analyse moet plaatsvinden.
3.4.2
H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst Kenschets
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
22
Het habitattype betreft bossen met meestal beuk in de boomlaag en hulst en/of taxus in de struiklaag, voorkomend op zeer voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden. Het habitattype komt voor op de hogere zandgronden en in het heuvelland. Een belangrijk deel van de biodiversiteit van dit habitattype komt voor in de zomen en mantels van het bos zelf. Daarom zijn deze (gewenste) mozaïekvegetaties opgenomen in de definitie. In de Nederlandse situatie zijn door intensief bosbeheer beuk, hulst en taxus uit veel bossen op de genoemde bodems verdwenen, maar ze komen ook weer vanzelf terug bij extensivering van het beheer. Het actuele voorkomen van beuk, taxus of hulst is dus geen goed onderscheidingscriterium (Hommel et al., 2016). Knelpunten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden als gevolg van 3 processen: 1. verzuring: In deze bossen kan door een verzuring van de toplaag een versnelde terugloop van basenbeschikbaarheid in het wortelmilieu (en een verhoogde Albeschikbaarheid) optreden, die de soortensamenstelling kan beïnvloeden; de dominante boomsoorten (eik en beuk) hebben slecht verterend, zuur strooisel, wat door uitloging de verzuring verder versterkt. Zo ontstaat een zichzelf versterkend proces op bodems die toch al zuurgevoelig zijn. 2.
vermesting: dit komt in eerste instantie de groei van de boomsoorten ten goede, maar dit wordt ingehaald door verzuring, waardoor de groei weer afneemt. Ook neemt door de vermesting het voorkomen van mycorrhizapaddestoelen af, die een sleutelrol innemen bij de water- en voedselvoorziening van de bomen en de bescherming tegen diverse vormen van stress zoals droogte, zware metalen en diverse ziekteverwekkers op deze bodems. Verder bevordert vermesting de groei van grassen en bramen. De grassen nemen na enige tijd weer af, door de vorming van een ander soort humus, waarna bijvoorbeeld bosbessen en beuk meer kansen krijgen. 3. effecten op de fauna: Voor aangewezen en typische diersoorten van dit habitattype geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit voedselplanten en afname prooibeschikbaarheid. Plaatselijke situatie Het instandhoudingsdoel voor in de Landgoederen Brummen is behoud van oppervlakte en kwaliteit. Het habitattype komt voornamelijk voor op goed ontwaterde lemige grond in het Landgoed Voorstonden. Omdat het habitattype later is toegevoegd (in concept-aanwijzingsbesluit uit 2011) is er geen gericht onderzoek gedaan naar huidige samenstelling en mogelijke knelpunten. Door Bijlsma et al.
(2008) wordt het omschreven als een rijke vorm van het beuken-eikenbos met hulst, met soorten als Adelaarsvaren, Bladhumusbraam, Dalkruid en Witte klaverzuring. De laatste twee soorten worden in de profielbeschrijving genoemd als typische soorten. In 2011/2012 is het oorspronkelijke parkbos hersteld in het kader van het ILG hersteld. Daarbij is een deel van de oudere beuken weggehaald, en zijn nieuwe beuken en lokaal ook lindes aangeplant. In de ondergroei zijn veel struiken weggehaald, en zijn clusters van Taxus geplant. De ondergroei is zo veel mogelijk gespaard, waarbij soorten
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
23
als Dalkruid, Gewone salomonszegel, Witte klaverzuring en Bosanemoon zijn ontzien of waar dat niet mogelijk was (bij herstel van overwoekerde paden) verplant. Het belangrijkste knelpunt van dit habitattype is stikstofdepositie. Voor het habitattype zijn PAS-beheersmaatregelen geformuleerd. Significante effecten zijn daarmee niet op voorhand uitgesloten en nadere analyse moet plaatsvinden.
3.4.3
H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen Kenschets Dit habitattype betreft pioniergemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden. De kale plekken waar de pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen ontwikkelen, ontstaan in natte heide op natuurlijke wijze door langdurige waterstagnatie in laagten. Dat gebeurt tegenwoordig nog maar zelden. Meestal ontstaan ze onder invloed van menselijk handelen, bijvoorbeeld na het steken van plaggen of na intensieve betreding. Op geplagde plekken en heidepaadjes zijn de pioniervegetaties van het habitattype doorgaans slechts kortstondig aanwezig. Ze gaan daar al snel over in gesloten vochtige heidebegroeiingen, die deel uitmaken van habitattype H4010. In de internationale literatuur worden deze pionierbegroeiingen meestal beschouwd als behorend tot één plantensociologisch verbond dat de veenslenken beschrijft, het Rhynchosporion albae. In ons land wordt een deel van de begroeiingen, de gemeenschappen van de plagplekken in de natte heide, gerekend tot het verbond dat de natte heide beschrijft, het Ericion tetralicis. Pioniergemeenschappen in natte heiden zijn gebonden aan open, minerale grond. Die komt op natuurlijke wijze beschikbaar na langdurige stagnatie van regenwater.
In ons land ontwikkelen deze pioniergemeenschappen zich echter meestal op de natte minerale zandbodem die blootgelegd wordt door het steken van plaggen of die ontstaat als gevolg van intensieve betreding. De pioniervegetaties met snavelbiezen komen voor op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en die zeer voedselarm tot voedselarm (oligotroof tot mesotroof) zijn. Plaatselijke situatie De volgende associaties worden tot dit habitattype gerekend en geven een goede kwaliteit aan: - Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge - Associatie van Draadzegge en Veenpluis - Rompgemeenschap met Snavelzegge van de klasse der hoogveenslenken - Associatie van Moeraswolfsklauw en Snavelbies Dit habitattype ligt min of meer geïsoleerd in een agrarische omgeving en staat hydrologisch onder invloed van de agrarische waterhuishouding (basaal). Het oppervlak is over het algemeen meer dan 1 are wat voor dit type voldoende is. De kwaliteit wat betreft landschap en oppervlakte is daarom basaal tot voldoende. Voor de structuur zijn voor dit habitattype in de factsheets geen beoordelingscriteria opgenomen. Van de door Bijlsma et al. aangegeven kwaliteitssoorten flora komen de Kleine zonnedauw, Moeraswolfsklauw en Bruine snavelbies voor. Er komen geen bijzondere kwaliteitssoorten voor. De kwaliteit wat 20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
24
betreft flora is op de Tondensche heide is als voldoende beoordeeld. Op Landgoed Voorstonden is dit basaal. Er zijn geen (bijzondere) kwaliteitssoorten fauna aangetroffen, waardoor de kwaliteit wat betreft fauna als basaal beoordeeld is. Knelpunten en oorzakenanalyse H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen De volgende knelpunten vormen een bedreiging van de instandhoudingsdoelen: • Verdroging als gevolg van ontwatering in gebied en omgeving • Verdroging door bebossing/bosopslag • Stikstofdepositie De huidige stikstofdepositie is fors hoger dan de kritische depositiewaarde van het habitattype (1429 mol N/ha/jr). Voor het habitattype zijn PAS-beheersmaatregelen geformuleerd. Dat betekent dat er effecten zijn van stikstofdepositie die door middel van maatregelen dienen te worden bestreden of gemitigeerd. Significante effecten zijn daarmee niet op voorhand uitgesloten en nadere analyse moet plaatsvinden.
3.4.4
H6230vka – Heischrale graslanden, vochtig kalkarm Kenschets Dit habitattype omvat in ons land min of meer gesloten, zogenoemde halfnatuurlijke graslanden op betrekkelijk zure zand- en grindbodems. Goed ontwikkelde heischrale graslanden zijn zeer rijk aan allerlei grassoorten, kruiden en paddenstoelen. Een deel van de soorten komt ook voor in heidebegroeiingen. Op de hogere zandgronden komen heischrale graslanden zowel op vochtige als op relatief droge standplaatsen voor. Het habitattype is in ons land aan te treffen in het heuvelland, de duinen en op de hogere zandgronden van het binnenland. De oorspronkelijke beschrijving van de habitatrichtlijn beperkte dit type tot ‘berggebieden’, maar in de latere interpretatie van de Europese handleiding is aangegeven dat ook soortenrijke heischrale graslanden in het laagland bij dit type horen. Heischrale graslanden komen in verschillende variaties voor op uiteenlopende bodemtypen: op de hogere zandgronden komen heischrale graslanden zowel op vochtige (de Associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras) als op relatief droge standplaatsen (de Associatie van Liggend walstro en Schapengras) voor. In de duinen komen heischrale graslanden ook op zowel relatief droge als op vochtige standplaatsen voor. Alleen de duingemeenschappen op vochtige standplaatsen (de Associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras) worden tot habitattype H6230 gerekend.
In het heuvelland wordt het habitattype vertegenwoordigd door de Associatie van Betonie en Gevinde kortsteel. Ze is daar te vinden langs de bovenranden van kalkhellingen waar bodem is bedekt met een laag kalkarm materiaal afkomstig van hoger op de helling. In laag- en hoogveen is dit type zeer zeldzaam. Het is daar te vinden op licht verdroogd veen waar vroegere bemesting en bekalking nog zorgen voor een lichte buffering van de bodem. In hoogveengebieden is het alleen bekend van de bovenveengronden in het Bargerveen, niet afgegraven veengronden die vroeger werden gebruikt als
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
25
landbouwgrond. In laagveengebieden kan het voorkomen in licht verzuurde en verdroogde (voormalige) blauwgraslanden. Op vergelijkbare maar iets beter gebufferde standplaatsen komt ook de Associatie van Maanvaren en Vleugeltjesbloem voor, die echter onderdeel uitmaakt van de heischrale variant van Grijze duingraslanden (H2130C) (Smits et al., 2020). Plaatselijke situatie Voor Heischrale graslanden in Landgoederen Brummen is vergroten van oppervlakte en verbeteren van kwaliteit geformuleerd als instandhoudingsdoelen. Heischrale graslanden komen slechts in een klein oppervlakte voor op twee plekken in de omgeving van landgoed Leusveld. Het meest zuidelijke gebiedje is met een oppervlakte van 0.14 ha verreweg het grootste. Het gaat om een matig vochtig tot droog grasland met Gevlekte orchis, Blauwe knoop, Pilzegge, Dopheide en Tormentil, behorend tot de associatie van Liggend walstro en Schapengras. Het graslandje ligt op een iets hogere dekzandrug temidden van (verdroogde) alluviale bossen ten noorden van de Knoevenoord Straat, en wordt doorsneden door een sloot die de bovenloop vormt van de Rhienderense Beek. Het schraalland wordt jaarlijks gemaaid. Op het hoogste deel van de dekzandrug ligt een klein stukje niet gemaaide droge heide. De associatie van liggend walstro en schapengras wordt volgens het profielendocument gerekend tot een goed ontwikkelde vorm van het habitattype.
Er zijn geen typische soorten aangetroffen. Ook kwaliteitssoorten zoals onderscheiden door Bijlsma et al. (2008) ontbreken. Op Landgoed Voorstonden komt wel de bijzondere kwaliteitssoort Fraai hertshooi voor, maar dit is buiten het gekarteerde habitattype. Er zijn geen (bijzondere) kwaliteitssoorten fauna aangetroffen, waardoor de kwaliteit wat betreft fauna als basaal beoordeeld is (Runhaar, 2017). De volgende knelpunten vormen een bedreiging voor de instandhoudingsdoelen: • Verdroging als gevolg van ontwatering in gebied en omgeving • Stikstofdepositie Voor het habitattype zijn PAS-beheersmaatregelen geformuleerd. Dat betekent dat er effecten zijn van stikstofdepositie die door middel van maatregelen dienen te worden bestreden of gemitigeerd. Significante effecten zijn daarmee niet op voorhand uitgesloten en nadere analyse moet plaatsvinden.
3.4.5
H6410 – Blauwgraslanden Kenschets Het habitattype betreft in ons land de zogenoemde blauwgraslanden. Het zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), Blauwe zegge (Carex panicea) en Tandjesgras (Danthonia decumbens). De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, 20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
26
afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Zo kunnen in het laagveengebied plaatselijk Riet (Phragmites australis) en Melkeppe (Peucedanum palustris) talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig zijn. In sommige geografische regio’s zijn bepaalde soorten kenmerkend,zoals Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis) in noordelijk Noord-Brabant, Veldrus (Juncus acutiflorus) in beekdalen, en Karwijselie (Selinum carvifolium) in Willinks Weust. Schrale hooilanden met veel Veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond Junco-Molinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig). Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals Parnassia (Parnassia palustris). Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden echter gerekend tot het habitattype ‘Alkalisch laagveen’ (habitattype H7230; zie aldaar voor de verschillen met type H6410) (Beije et al., 2012). Plaatselijke situatie Momenteel komt het habitattype blauwgraslanden op een klein oppervlakte en in matige kwaliteit voor. In het gebied zijn potenties voor uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit aanwezig.
Deze worden nagestreefd vanwege de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding van het habitattype. Op de Empesche en Tondensche heide komen enkele kleine percelen voor die kwalificeren als habitattype blauwgraslanden vanwege het voorkomen van de blauwgraslandgemeenschap (in het profieldocument aangegeven als kenmerkend voor goed ontwikkelde vormen van het habitattype) en van de rompgemeenschap met Blauwe zegge en Blauwe knoop van het Verbond van biezenknoppen en Pijpenstrootje (in het profieldocument aangegeven als kenmerkend voor matig ontwikkelde vormen van het habitattype). Het habitattype ligt min of meer geïsoleerd in het landschap en het oppervlak van de afzonderlijke delen is minder dan 1 ha. Binnen het grasland is het aandeel ruigte, struweel of bos kleiner dan 10%. Daarom is de kwaliteit wat betreft structuur als goed beoordeeld. Het gevoerde hooilandbeheer duidt eveneens op een goede structuur en functie. Van de door Bijlsma et al. aangegeven (bijzondere) kwaliteitssoorten flora en fauna komt alleen de Spaanse ruiter nog plaatselijk voor. Pijpenstrootje neemt meer dan een kwart van de kruidlaag in en de soortenrijkdom is vrij laag. De kwaliteit voor flora is beoordeeld als basaal tot plaatselijk voldoende (op plaatsen waar Spaanse ruiter voorkomt) en voor fauna als basaal. Toevoer van basenrijk water belangrijk voor dit habitattype.
Omdat in de zomer gedurende een lange periode geen grondwater meer tot in de wortelzone doordringt en zich een neerslaglens vormt, verzuurt het gebied. Goed ontwikkelde soortenrijke blauwgraslanden komen daardoor nauwelijks meer voor in het gebied (Runhaar, 2017). De volgende knelpunten vormen een bedreiging voor de instandhoudingsdoelen: • Verdroging als gevolg van ontwatering in gebied en omgeving • Grondwaterverontreiniging • Verdroging door bebossing/bosopslag • Stikstofdepositie
20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
27
Voor het habitattype zijn PAS-beheersmaatregelen geformuleerd. Dat betekent dat er effecten zijn van stikstofdepositie die door middel van maatregelen dienen te worden bestreden of gemitigeerd. Significante effecten zijn daarmee niet op voorhand uitgesloten en nadere analyse moet plaatsvinden.
3.4.6
H3130 – Zwakgebufferde vennen Kenschets Dit habitattype betreft begroeiingen van zwakgebufferde vennen. Het onderscheid met de zeer zwak gebufferde vennen van habitattype 3110 is dat die vennen een lager gehalte aan bicarbonaat hebben. Zwakgebufferde vennen kunnen al dan niet gelimiteerd zijn door koolstof. Kenmerkend voor deze vennen is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. De leefgemeenschappen van deze vensystemen – de plassen plus de oeverzones of venlaagtes- vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties (gradiënten) in zones en fijnschalige mozaïeken. De standplaatscondities variëren van zeer voedselarm (oligotroof) tot voedselarm (mesotroof), van aquatisch tot vochtig, langdurig tot zeer kortstondig overstroomd enzovoort. Voor een deel betreft het systemen die zijn ontstaan uit uitgeveende hoogveenvennen. Sommige van de pioniergemeenschappen komen binnen vensystemen alleen voor op kale vochtige plekjes in het hogere gedeelte van de oeverzone. Die gemeenschappen zijn ook elders – buiten de vensystemen - op de zandgronden te vinden op plekken met vergelijkbare condities zoals op afgeplagde natte heide.
De begroeiingen vormen in de zwakgebufferde vensystemen veelal patronen van smalle zones of mozaïeken of ze zijn met elkaar verweven zoals ‘schering- en inslag’. Daarom worden binnen dit habitattype in ons land geen subtypen onderscheiden. De begroeiingen behoren tot vier verschillende verbonden van plantengemeenschappen (het Potamion graminei, Hydrocotylo-Baldellion, Eleocharition acicularis uit de klasse Littorelletea uniflorae en het Nanocyperion flavescentis uit de klasse Isoeto-Nanojuncetea). Drijvende waterweegbree (Luronium natans) kan in sommige van de zwakgebufferde vennen van dit habitattype grote populaties vormen. Het is een te beschermen soort volgens de Habitatrichtlijn onder meer verzuring en atmosferische vermesting gaan in de zwakgebufferde vennen soorten overheersen zoals Pijpenstrootje (Molinia caerulea), en/of veenmossen. Vermesting met fosfaat leidt tot toename van Pitrus (Juncus effusus). Vennen waarin voor zwakgebufferde vennen kenmerkende gemeenschappen en soorten ontbreken, worden niet tot het habitattype gerekend (Arts et al., 2016). Plaatselijke situatie De zwak gebufferde vennen komen voor in de Empesche en Tondensche heide.
De aanwezigheid van de volgende vegetatietypen duidt op een goede kwaliteit: – Associatie van ongelijkbladig fonteinkruid – Pilvaren-associatie – Associatie van Vlottende bies – Associatie van Veelstengelige waterbies 20-0561 Voortoets stikstof project Park Helbergen fase 2, Zutphen
28
– Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge Een matige kwaliteit wordt toegekend aan de Rompgemeenschap met Veelstengelige waterbies en Veenmos van de Oeverkruidklasse/Klasse der hoogveenslenken. Het oppervlakte van de vennen is beperkt. Er is sprake van periodiek wisselende waterstanden en een zandige of venige bodem. Er is geen sprake van veenmosdominantie en er zijn biezen en zeggen aanwezig. Hiermee is de kwaliteit wat structuur betreft voldoende. Binnen dit habitattype zijn verschillende kwaliteitssoorten aanwezig (o.a. Poelkikker, Pilvaren, Vlottende bies, Veelstengelige waterbies, Duizendknoopfonteinkruid en Moerashertshooi) en plaatselijk ook bijzondere kwaliteitssoorten (Ongelijkbladig fonteinkruid en Ondergedoken moerasscherm). De volgende knelpunten vormen een bedreiging voor de instandhoudingsdoelen: • Verdroging als gevolg van ontwatering in gebied en omgeving • Grondwaterverontreiniging • Verdroging door bebossing/bosopslag • Stikstofdepositie Voor het habitattype zijn PAS-beheersmaatregelen geformuleerd. Dat betekent dat er effecten zijn van stikstofdepositie die door middel van maatregelen dienen te worden bestreden of gemitigeerd. Significante effecten zijn daarmee niet op voorhand uitgesloten en nadere analyse moet plaatsvinden.