Bijlage 2_Bp Noorderhaven Kompaan College_Toelichting
Tekst van het document
30
toename van het afvalwater is naar verwachting groter dan 1 m3 per uur. Binnen het plangebied ligt geen persleiding of rioolgemaal van het waterschap. Overleg Waterschap Rijn en IJssel Het ontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van de procedure aan het waterschap toegestuurd. De resultaten van dit overleg worden te zijner tijd in deze paragraaf opgenomen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.3.9
Archeologie en cultuurhistorie
Algemeen Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet in een toelichting van een bestemmingsplan bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Toetsing Archeologie Voor het plangebied zijn reeds meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat de op de archeologische waardenkaart aanwezige vestingwerken en gracht van de Lunetten van Coehoorn (ca. 1700-1710) in 1862/63 volledig blijkt te zijn vergraven voor de aanleg van nog modernere vestingwerken bij de komst van de spoorwegen. Daartoe werden de vestingwerken van Menno van Coehoorn ter plaatse volledig geslecht en afgegraven en won men tot grote diepte het zand voor de nieuwe vestingwerken en voor de spoordijk. Die afgravingen ten behoeve van de vestingwerken en het spoor zijn kort na 1875 omgevormd tot het Coenenspark. De locatie van het Kompaan College ligt geheel in het Coenenspark en voor het grootste deel in de voormalige waterpartijen (vijver) van dat park. Resten van vestingwerken zijn derhalve hier niet meer te verwachten.
De vijvers van het park zijn in diverse stadia tot 1917 gedempt met aangevoerd rivierzand. Er is dus geen aanleiding om in het plangebied archeologisch onderzoek te verrichten. Er worden geen archeologische relevante zaken bij de ontwikkeling van het plan geschaad. De archeologische waardenkaart zal worden aangepast met de vijvers van het Coenenspark als 'archeologische verstoord'. Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle lijnen of elementen aanwezig. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect cultuurhistorie. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.3.10 Ecologie Algemeen
31
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. Toetsing Quickscan natuurtoets Door Staring Advies is in juli 2019 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek worden hierna behandeld9. Het onderzoek is als Bijlage 8 bijgevoegd. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Grote delen van de nabijgelegen IJsseluiterwaarden vallen binnen het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit Natura 2000-gebied ligt op geringe afstand van het plangebied, vanaf circa 380 meter. Overige Natura 2000-gebieden, waaronder 'Landgoederen Brummen', 'Veluwe' en 'Stelkampsveld' liggen op ruimere afstand, vanaf 3,5 km. Uit een eerder uitgevoerd ecologisch onderzoek is gebleken dat de aanleg en de herontwikkeling van het plangebied niet zal leiden tot negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', mits wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden10 11 (zie Bijlage 9 en Bijlage 10). Wel dient een (nieuwe) effectbeoordeling naar stikstofdepositie te worden uitgevoerd. Hierop wordt verderop in deze paragraaf nader ingegaan. Het plangebied ligt niet in het GNN (Gelders Natuurnetwerk) of in een GO (Groene Ontwikkelingszone).
Het dichtstbijzijnde GNN natuurgebied is een oude meander van de IJssel 'De Overmarsch', ten westen van het plangebied. Dit gebied ligt op ruim 750 meter afstand van het plangebied. Directe negatieve effecten als oppervlakteverlies en versnippering op deze gebieden zijn daarmee uit te sluiten. Het GNN of de GO kent geen externe werking. Een toetsing van indirecte negatieve effecten van de ontwikkeling op het GNN of de GO is daarmee niet noodzakelijk. Soortenbescherming Voor de herontwikkeling van de Noorderhaven is reeds flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Op basis daarvan is ontheffing aangevraagd en verleend voor de soorten huismus, gierzwaluw en de vleermuissoorten gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Voor de quickscan natuurtoets is een actueel literatuur- en veldonderzoek verricht. Op basis van dit onderzoek, het reeds uitgevoerde onderzoek en de verleende ontheffing wordt het volgende geconcludeerd. Er dient bij de geplande ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met de huismus. In het plangebied zijn tijdelijke nestgelegenheden voor de huismus aangebracht, ter compensatie van de nesten in de reeds gesloopte bebouwing. Daarnaast zijn er nog groenstructuren in het plangebied aanwezig die het (tijdelijke) functioneel leefgebied van deze huismussen vormen.
De tijdelijke nestgelegenheden en bijbehorende groenstructuren mogen pas verwijderd worden als er voldoende permanente voorzieningen gerealiseerd zijn, conform het mitigatieplan dat in het kader van de ontheffing is opgesteld. Het verwijderen van de tijdelijke nestgelegenheden mag bovendien alleen als er geen actuele broedgevallen zijn. Naast het voorgaande zijn ook de de voorwaarden uit de reeds verstrekte ontheffing van toepassing.
32
Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een (nieuwe) ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde soort(groep)en is niet noodzakelijk. Stikstofberekening Door Buro Ontwerp & Omgeving is in mei 2021 een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd12. Het onderzoek is als Bijlage 11 bijgevoegd. In het onderzoek is een verschilberekening gemaakt, waarbij voor de referentiesituatie is uitgegaan van de mogelijkheid die het geldend bestemmingsplan biedt om op de locatie een bedrijf te vestigen. Uit het onderzoek komt naar voren dat bij de voorgenomen ontwikkeling van de middelbare school zowel in de realisatiefase (de bouw) als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr plaatsvindt ten opzichte van de referentiesituatie. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.3.11 Verkeer en parkeren Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. Toetsing Verkeer Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een nieuw schoolgebouw ten behoeve van een middelbare school. De school zal ruimte bieden aan circa 800 leerlingen. Voor wat betreft het te verwachten aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van de kengetallen van CROW13. Voor de school wordt uitgegaan van 'Middelbare school'.
Daarnaast wordt uitgegaan van de verstedelijkingsgraad 'sterk stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Functie
Aantal leerlingen
Categorie (op basis van kengetallen CROW)
Middelbare school
800
Middelbare school
Verkeersgeneratie per 100 leerlingen (gemiddeld) 14,3
Totaal
114,4
Het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie bedraagt op basis van de voorgaande uitgangspunten 114 per dag. Ten opzichte van de situatie in het verleden, toen het plangebied een bedrijfsfunctie had, zal het aantal verkeersbewegingen naar verwachting afnemen. Het plangebied wordt aan de noordoostzijde worden ontsloten op de Dreef.
33
Als gevolg van het initiatief zal het aantal fietsbewegingen van en naar het plangebied toenemen. De school is via de bestaande wegen en fietspaden te bereiken. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Voor de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van de gemeentelijke parkeernormen voor Noorderhaven (zie tevens Bijlage 1 bij de regels). Functie
Aantal leslokalen
Middelbare school
34
Categorie (op basis van parkeernorm) voortgezet onderwijs
Parkeernorm per leslokaal 0,5
Totaal 17
Het aantal benodigde parkeerplaatsen op basis van de parkeernorm bedraagt zeventien parkeerplaatsen. Het parkeren ten behoeve van de school vindt plaats aan de zuidoostzijde van het perceel. Hier zijn zeventien parkeerplaatsen beoogd (zie paragraaf 2.4). Daarnaast zijn aan de noordoostzijde vijf langsparkeerplaatsen voorzien. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de ontwikkeling. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 3.3.12 Economische uitvoerbaarheid Algemeen Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een bestemmingsplan onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In verband daarmee is eerst onderzocht of voor het onderhavige bestemmingsplan op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro de verplichting bestaat om één of meer exploitatieplannen vast te stellen. Op grond van artikel 6.12, lid 1 van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een in het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen.
Dit zijn de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer gebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro kan van deze verplichting worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren:
34
het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is, en; het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen niet noodzakelijk is. Voor de beoordeling van de vraag of het kostenverhaal anderszins verzekerd is, is de eigendomsituatie van belang. In het geval dat alle gronden binnen een exploitatiegebied eigendom zijn van de gemeente, kan de gemeente de kosten van de grondexploitatie verrekenen in de prijs van de uit te geven bouwrijpe kavels. In dat geval is het kostenverhaal afdoende anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Een andere mogelijkheid is dat de gemeente in een overeenkomst met de ontwikkelaar heeft vastgelegd hoe de kosten van de grondexploitatie worden verrekend. Ook in dat geval is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Toetsing De ontwikkeling van voorliggend plan betreft een gezamenlijk initiatief van de gemeente Zutphen en Stichting Achterhoek VO (stichting waartoe het Kompaan College behoort). Bekostiging vindt plaats conform de middelen die zijn opgenomen in het Masterplan Onderwijshuisvesting en komen ten laste van de 'reserve onderwijshuisvesting'. De gemeente heeft in de begroting budget voor de bouw van het schoolgebouw opgenomen. Daarnaast is in de begroting een bedrag opgenomen voor voorbereidingskosten voor het opstellen van het bestemmingsplan.
De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. Op grond van artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening behoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Conclusie Het aspect economische uitvoerbaarheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
35
Hoofdstuk 4
Juridische planaspecten
4.1
Algemeen
4.1.1
Wat is een bestemmingsplan
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid. 4.1.2
Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een dubbelbestemming Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
36
4.1.3
Hoofdstukindeling van de regels
De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. 4. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
4.2
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
37
4.2.1
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan
In dit bestemmingsplan is de bestemming 'Maatschappelijk' opgenomen. Hieronder volgt een korte toelichting op de genoemde bestemmingen. Maatschappelijk De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, groen- en speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, wegen en paden, geluidsafschermende voorzieningen, watergangen, waterpartijen en -infiltratievoorzieningen alsmede schouwpaden en andere voorzieningen voor de watervoorziening waaronder bodempassages en duikers. Binnen deze bestemming is één bouwvlak opgenomen. Het gebouw ten behoeve van de school moet binnen het bouwvlak worden gebouwd. Voor de maximale bouwhoogte is een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding opgenomen. Aan de zuidwestzijde van het gebouw is een overkraging voorzien. Deze overkraging bevindt zich buiten het bouwvlak. Ter plaatse van de overkraging is een specifieke bouwaanduiding opgenomen. In de regels is opgenomen dat ter plaatse van deze aanduiding ('specifieke bouwaanduiding – overkraging’) een overkraging buiten het bouwvlak toegestaan. Naast het schoolgebouw zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. In de bouwregels van deze bestemming zijn de maatvoeringseisen voor de bouw van deze bouwwerken opgenomen. 4.2.2
Algemene regels
Algemene aanduidingsregels Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 2 en Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 4 De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 2' en 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 4' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een adequaat grondgebruik ten behoeve van een bodemenergiesysteem voor energievoorziening middels 'koude-/warmteopslag' in de bodem. Ter bescherming van dit systeem omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.
is
voor
beide
beschermingsgebieden
een
Overige algemene regels Naast de bestemmingen en de hiervoor genoemde algemene aanduidingsregels, bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
38
Hoofdstuk 5 5.1
Procedure
Inspraak
Met de inwerkingtreding van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is de verplichte inspraak, alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen, komen te vervallen. Ook de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening verplicht gemeenten niet meer tot het bieden van de mogelijkheid tot inspraak. De gemeente Zutphen heeft een inspraakverordening. Het bevoegde orgaan, in dit geval burgemeester en wethouders, bepaalt of er gebruik wordt gemaakt van inspraak. Tevens bepaalt zij voor welke termijn er inspraak mogelijk is. Omdat er voor een ieder nog de gelegenheid bestaat zienswijzen naar voren te brengen wordt in dit geval geen gebruik gemaakt van inspraak.
5.2
Overleg
Conform artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van en bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De uitkomsten van dit overleg wordt te zijner tijd in deze of een andere paragraaf van het bestemmingsplan opgenomen.
5.3
Ontwerp
5.3.1
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 17 juni 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 5.3.2
Ambtshalve wijzigingen
Ambtshalve is het plan op een aantal onderdelen gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn doorgevoerd. Verbeelding Ter plaatse van een beoogde overkraging van het schoolgebouw is de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – overkraging’ opgenomen. Regels In artikel 1 is het begrip 'overkraging' toegevoegd. In artikel 3.2.1 is sub d toegevoegd. Deze bepaling regelt dat de overkraging onder voorwaarden is toegestaan. Toelichting Het akoestisch onderzoek verkeerslawaai is aangepast en als nieuwe Bijlage 2 bijgevoegd. Om die reden is paragraaf 3.3.4 ook aangepast. Het betreffen ondergeschikte aanpassingen die niet hebben geleid tot een inhoudelijke aanpassing aan het plan. De rapporten in het kader van het aspect externe veiligheid zijn aangepast en als nieuwe bijlagen 3, 4 en 5 bijgevoegd. Om die reden is paragraaf 3.3.6 ook aangepast. Het betreffen ondergeschikte
39
aanpassingen die niet hebben geleid tot een inhoudelijke aanpassing aan het plan. Er is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 12 bijgevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in paragraaf 3.3.7. In paragraaf 4.2.1 is de regeling ten behoeve van de overkraging nader toegelicht.
40
Eindnoten
1. Het gaat globaal om het stedelijk netwerk Stedendriehoek, bestaande uit delen van de gemeenten Apeldoorn, Deventer en Zutphen, met de daarbinnen gelegen kernen van de gemeenten Brummen, Lochem en Voorst. 2. Buro Ontwerp & Omgeving, 31 augustus 2021, Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai Noorderhaven, middelbare school, Zutphen, projectnummer 2920.01 3. https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/ 4. Kragten, 15 april 2021, Quickscan Externe Veiligheid, Noorderhaven te Zutphen, projectnummer WND662-0001 5. Kragten, 20 mei 2021, Externe veiligheid buisleidingen, Noorderhaven Zutphen, projectnummer WND663-0001 6. Kragten, 20 mei 2021, Verantwoording hoogte groepsrisico, Noorderhaven Zutphen, projectnummer WND662-0001 7. Buro Ontwerp & Omgeving, 27 juli 2021, Akoestisch onderzoek industrielawaai, Noorderhaven, middelbare school, Zutphen, projectnummer 2920.01 8. Buro Ontwerp & Omgeving, 30 juli 2020, Quickscan Water, Middelbare school en woningbouw Noorderhaven te Zutphen, projectnummer 2920.01 9. Staring Advies, 15 juli 2019, Quickscan natuurtoets, Noorderhaven in Zutphen, rapportnummer 1968 10. Arcadis, 5 juli 2010, Nader ecologisch onderzoek, Noorderhaven Zutphen, documentnummer 074897562:0.4!/AM 11. SAB, 19 september 2013, Activiteitenplan Flora en fauna, Zutphen, Noorderhaven, projectnummer 130314 12.
Buro Ontwerp & Omgeving, 17 mei 2021, Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Ontwikkeling middelbare school Noorderhaven te Zutphen, projectnummer 2920.01 13. CROW, december 2018, Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381
41
Ruimtelijke Onderbouwing
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Pierikstraat 11 te Gaanderen Kompaan College Noorderhaven te Zutphen Gemeente Doetinchem
Gemeente Zutphen
Projectnummer: 2920.01 Datum: 20 mei 2021
Inhoudsopgave Algemeen ............................................................................................................... 3 Toetsing ................................................................................................................. 4 2.1
Algemeen ................................................................................................................................................... 4
2.2
De kenmerken van het project ................................................................................................................... 4
2.3
De plaats waar de activiteit wordt verricht ............................................................................................... 5
2.4
De kenmerken van het potentiële effect .................................................................................................... 5
Conclusie ................................................................................................................ 7 Bijlage 1 Ecologisch onderzoek Bijlage 2 Stikstofberekening
2
Algemeen Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat in bijlage C er direct sprake is van een m.e.r.-plicht voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden en besluiten onder de drempelwaarden zijn niet m.e.r.-plichtig. Onderdeel D geeft aan of er voor besluiten beoordeeld moet worden of er m.e.r. noodzakelijk is. Voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Pas na het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r-beoordeling is duidelijk of er een M.E.R. moet worden opgesteld.
3
Toetsing 2.1
Algemeen Het initiatief ziet toe op het mogelijk maken van een nieuwe middelbare school ten behoeve van circa 800 leerlingen met bijbehorende buitenruimte en parkeerplaatsen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, wordt een bestemmingsplan in procedure gebracht. Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). De realisatie van een middelbare school met bijbehorende buitenruimte en parkeerplaatsen kan worden gekwalificeerd als "de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De activiteit valt ruim beneden de gestelde drempelwaarde, waardoor geen sprake is van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of de activiteit, wanneer deze onder de drempelwaarden zit, daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, waarbij het in het bijzonder moet worden nagegaan of sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij het bepalen van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wordt, conform de Bijlage III van de Europese Richtlijn, ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats waar de activiteit wordt verricht; • de kenmerken van het potentiële effect.
2.2
De kenmerken van het project Ten noorden van de spoorlijn Arnhem-Deventer ligt het transformatiegebied 'Noorderhaven'. In het verleden maakte dit gebied deel uit van bedrijventerrein 'De Mars'. Het onderzoeksgebied maakt deel uit van het transformatiegebied. In het onderzoeksgebied is een middelbare school ten behoeve van circa 800 leerlingen beoogd. Naast het schoolgebouw zal het onderzoeksgebied tevens ruimte bieden aan buitenruimte behorende bij de school en parkeerplaatsen. Met het plan is sprake van herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied.
4
2.3
De plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Zutphen ten noorden van de spoorlijn ArnhemDeventer en ten westen van de IJssel. De locatie kan omschreven worden als een stedelijk gebied. Op enige afstand van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (circa 400 m). Overige Natura 2000-gebieden, waaronder ‘Landgoederen Brummen’, ‘Veluwe’ en ‘Stelkampsveld’ liggen op ruimere afstand, vanaf 3,7 km. Navolgend is het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000gebied ‘Rijntakken’ weergegeven.
Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’
2.4
De kenmerken van het potentiële effect De omvang van het project ligt ver beneden de voor de m.e.r.-beoordeling gedefinieerde drempelwaarden. In de navolgende paragrafen van dit hoofdstuk is aangetoond dat voor deze ontwikkeling geen sprake is van negatieve effecten op het milieu. Op grond van de kenmerken van het plan en de ligging, kan de realisatie van de nieuwe middelbare school ten behoeve van circa 800 leerlingen met bijbehorende buitenruimte en parkeerplaatsen in potentie de volgende milieueffecten hebben: • verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving; • invloed op omliggende beschermde natuurgebieden.
2.4.1
Luchtkwaliteit Verkeer zorgt voor uitstoot van stikstofdioxide en fijn stof. Ten opzichte van de situatie in het verleden, toen het plangebied een bedrijfsfunctie had, zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Daarom zal het plan niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse.
5
2.4.2
Beschermde natuurgebieden Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Grote delen van de nabijgelegen IJsseluiterwaarden vallen binnen het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit Natura 2000-gebied ligt op enige afstand van het plangebied, vanaf circa 400 meter. Overige Natura 2000-gebieden, waaronder 'Landgoederen Brummen', 'Veluwe' en 'Stelkampsveld' liggen op ruimere afstand, vanaf 3,7 km. Uit ecologisch onderzoek van Arcadis uit 2010 is gebleken dat de aanleg en de herontwikkeling van het gebied Noorderhaven niet zal leiden tot negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', mits wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden 1. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het onderzoek. Het onderzoek is als bijlage 1 bijgevoegd. In het onderzoek werd niet ingegaan op de effecten van mogelijke stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van de ontwikkeling. Om die reden is door Buro Ontwerp & Omgeving in mei 2021 een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd2. Het onderzoek is als bijlage 2 bijgevoegd. In het onderzoek is een verschilberekening gemaakt, waarbij voor de referentiesituatie is uitgegaan van de mogelijkheid die het geldend bestemmingsplan biedt om op de locatie een bedrijf te vestigen.
Uit het onderzoek komt naar voren dat bij de voorgenomen ontwikkeling van de middelbare school zowel in de realisatiefase (de bouw) als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr plaatsvindt ten opzichte van de referentiesituatie. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of in een Groene Ontwikkelingszone (GO). Het dichtstbijzijnde GNN natuurgebied is een oude meander van de IJssel 'De Overmarsch', ten westen van het plangebied. Dit gebied ligt op circa 750 meter afstand van het plangebied. Directe negatieve effecten als oppervlakteverlies en versnippering op deze gebieden zijn daarmee uit te sluiten. Het GNN of de GO kent geen externe werking.
1 2
Arcadis, 5 juli 2010, Nader ecologisch onderzoek, Noorderhaven Zutphen, documentnummer 074897562:0.4!/AM Buro Ontwerp & Omgeving, 17 mei 2021, Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Ontwikkeling middelbare school Noorderhaven te Zutphen, projectnummer 2920.01
6
Conclusie Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten. Het bestemmingsplan voor de realisatie van de school in het onderzoeksgebied kunnen zonder m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.
7
Bijlage 1 Ecologisch onderzoek
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
GEMEENTE ZUTPHEN DEFINITIEF
5 juli 2010 074897562:0.4!/AM B02041.100001
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
Inhoud 1
Inleiding ____________________________________________________________________ 4 1.1 Aanleiding _______________________________________________________________ 4 1.2 Doel ____________________________________________________________________ 4 1.3 Werkwijze _______________________________________________________________ 4 1.4 Leeswijzer _______________________________________________________________ 5
2
Wettelijk kader ______________________________________________________________ 6 2.1 Inleiding_________________________________________________________________ 6 2.2 Gebiedsbescherming ______________________________________________________ 6 2.2.1 Natuurbeschermingswet 1998 ________________________________________ 6 2.2.2 Ecologische Hoofdstructuur (EHS) _____________________________________ 9 2.3 Soortenbescherming _____________________________________________________ 11 2.3.1 Flora- en faunawet ________________________________________________ 11
3
Projectgebied_______________________________________________________________ 16 3.1 Plannen ________________________________________________________________ 16 3.2 Aanwezige natuurwaarden ________________________________________________ 16
4
Toetsing Flora- en faunawet _________________________________________________ 18 4.1 Inleiding________________________________________________________________ 18 4.2 Resultaten inventarisaties _________________________________________________ 18 4.2.1 Vaatplanten ______________________________________________________ 18 4.2.2 Broedvogels ______________________________________________________ 19 4.2.3 Steenmarter ______________________________________________________ 19 4.2.4 Vleermuizen ______________________________________________________ 20 4.3 Conclusies ______________________________________________________________ 22
5
Toetsing Natuurbeschermingswet ____________________________________________ 24 5.1 Inleiding________________________________________________________________ 24 5.2 Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel _____________________________________ 24 5.2.1 Aanwezige beschermde natuurwaarden_______________________________ 26 5.3 Effecten ________________________________________________________________ 27 5.3.1 Effecten tijdens de aanlegfase _______________________________________ 27 5.3.2 Effecten gebruikersfase_____________________________________________ 28 5.3.3 Effecten op soorten ________________________________________________ 29 5.3.4 Cumulatieve effecten ______________________________________________ 31 5.4 Inrichting en activiteiten in de uiterwaarden __________________________________ 31 5.4.1 Huidig gebruik van de uiterwaarden __________________________________ 32 5.4.2 Beoordeling Plannen _______________________________________________ 32 5.4.3 Randvoorwaarden _________________________________________________ 33 5.5 Conclusie_______________________________________________________________ 33
074897562:0.4!
ARCADIS
2
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
6
Toetsing Ecologische Hoofdstructuur _________________________________________ 34 6.1 Kenmerken en waarde van de EHS _________________________________________ 34 6.2 Toetsing________________________________________________________________ 34
7
Conclusies en aanbevelingen ________________________________________________ 35 7.1 Flora- en faunawet_______________________________________________________ 35 7.2 Natuurbeschermingswet __________________________________________________ 35 7.3 Ecologische Hoofdstructuur _______________________________________________ 35
8
Literatuur __________________________________________________________________ 36
Bijlage 1
Methode veldonderzoek ________________________________________________ 38
Bijlage 2
Resultaten veldonderzoek _______________________________________________ 40
Bijlage 3
Locatie habitattype ____________________________________________________ 58
074897562:0.4!
ARCADIS
3
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
HOOFDSTUK
1.1
1
Inleiding
AANLEIDING In het noorden van Zutphen, grenzend aan de uiterwaarden van de IJssel, ligt het bedrijventerrein De Mars. De gemeente Zutphen wil de beschikbare ruimte op het verouderde bedrijventerrein optimaal benutten. Een van de projecten binnen dit gebied is de realisatie van het deelgebied Noorderhaven. Dit gebied krijgt een stedelijk karakter, met een mix van eengezinswoningen en appartementen, kantoren, horeca en sociaal-culturele voorzieningen. Het plangebied grenst aan de IJssel, de historische binnenstad en de Overmars: het landelijk gebied ten noordwesten van Zutphen. De geplande ontwikkelingen kunnen mogelijk gevolgen hebben voor beschermde planten- en diersoorten in dit gebied en de omgeving van het gebied. In deze rapportage worden de gevolgen voor beschermde soorten en het beschermde gebied Uiterwaarden IJssel beschreven.
1.2
DOEL Het doel van deze rapportage is de toetsing van de realisatie van Noorderhaven aan de Flora- en faunawet (beschermde soorten) en de Natuurbeschermingswet 1998 (beschermde gebieden). Uit deze rapportage zal blijken of de aanvraag van een ontheffing ten behoeve van de Flora- en faunwet of vergunning ten behoeve van de Natuurbeschermingswet noodzakelijk is.
1.3
WERKWIJZE Als basis voor deze rapportage is gebruik gemaakt van de uitkomsten van de risicoscan (Risicoscan de Mars, ARCADIS 2008). De uitkomst van deze rapportage is dat mogelijk beschermde soorten aanwezig zijn in het plangebied Noorderhaven. Naar de mogelijk aanwezige soorten is een vervolgonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van dit vervolgonderzoek zijn gebruikt voor de toetsing aan de Fora- en faunawet. Daarnaast is in deze rapportage beoordeeld of mogelijke sprake is van negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel. Op basis van verspreidingsgegevens van de voor de IJssel aangewezen soorten en habitattypen is een toetsing uitgevoerd aan de Natuurbeschermingswet.
074897562:0.4!
ARCADIS
4
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
1.4
LEESWIJZER Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van de relevante wettelijke kaders. Vervolgens geeft hoofdstuk 3 een overzicht van het plangebied en de geplande ontwikkelingen. In hoofdstuk 4 vindt u de toetsing aan de Flora- en faunawet en de resultaten van deze toetsing. In hoofdstuk 5 is de toetsing aan de Natuurbeschermingswet opgenomen. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies weer. In hoofdstuk 6 is de gebruikte literatuur ten behoeve van dit onderzoek opgesomd.
074897562:0.4!
ARCADIS
5
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
HOOFDSTUK
2.1
2
Wettelijk kader
INLEIDING Het Nederlandse natuurbeleid kent twee sporen, de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. Hieraan wordt via verschillende wetten en beleidsregels invulling gegeven, waarvan de Natuurbeschermingswet 1998 (paragraaf 2.2.1), de Nota Ruimte (bescherming EHS, paragraaf 2.2.2) en de Flora- en faunawet (paragraaf 2.3.1) de belangrijkste zijn. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende beschermingsregimes.
2.2
GEBIEDSBESCHERMING
2.2.1
NATUURBESCHERMINGSWET 1998 In Nederland hebben veel natuurgebieden een beschermde status onder de Natuurbeschermingswet 1998 gekregen. Daarbij kunnen twee categorieën beschermingsgebieden worden onderscheiden: Natura 2000-gebieden. Beschermde natuurmonumenten.
NATURA 2000-GEBIED
Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Om dit toetsbaar te maken kent de Natuurbeschermingswet 1998 voor projecten en andere handelingen die gevolgen voor soorten en habitats van de betreffende gebieden zouden kunnen hebben, een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de instandhoudingsdoelen van het gebied niet in gevaar worden gebracht. Hiervan mag in bepaalde gevallen afgeweken worden. In onderstaande tekst (zie onderdeel Passende Beoordeling en Verslechteringstoets) wordt dit toegelicht.
VOORMALIG BESCHERMD
Naast deze Natura 2000-gebieden kent de Natuurbeschermingswet ook Beschermde
NATUURMONUMENT
Natuurmonumenten. Sinds de inwerkingtreding van de (oude) Natuurbeschermingswet zijn in Nederland 188 gebieden aangewezen als Beschermd Natuurmonument of Staatsnatuurmonument. Door de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 verdwijnt het verschil tussen Beschermde en Staatsnatuurmonumenten. Deze gebieden vallen dan onder de noemer van Beschermde Natuurmonumenten.
074897562:0.4!
ARCADIS
6
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
Een deel van de Beschermde Natuurmonumenten valt samen met Natura 2000-gebieden. Hiervoor geldt bij definitieve aanwijzing van de Natura 2000-gebieden het toetsingskader van artikel 19 van de Natuurbeschermingswet voor Natura 2000-gebieden. De betreffende gebieden hebben dan niet langer de status van Beschermd Natuurmonument; de doelen waarvoor het gebied in het verleden was aangewezen als Beschermd Natuurmonument worden als “oude doelen” toegevoegd aan de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. BESCHERMD NATUURMONUMENT
Waar de gebieden niet samen vallen, blijven Beschermde Natuurmonumenten in stand en vallen onder het toetsingskader van artikel 16 van de Natuurbeschermingswet, dat hieronder wordt toegelicht. Het gaat hierbij in Nederland om 66 gebieden. De status Beschermd Natuurmonument betekent dat het zonder vergunning verboden is om handelingen te verrichten die schadelijk kunnen zijn voor dat natuurmonument. Het gaat om handelingen die significante gevolgen kunnen hebben (ook bij twijfel) voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis of voor dieren en planten in dat gebied. Tenzij er zwaarwegende openbare belangen zijn (‘dwingende reden van openbaar belang’) die het verlenen van een vergunning ‘noodzaken’. In tegenstelling tot de afweging bij een Natura 2000-gebied, hoeft hier geen alternatievenonderzoek plaats te vinden. Bij Beschermde Natuurmonumenten ontbreken de instandhoudingdoelen als toetsingskader voor mogelijke effecten, zoals bij de Natura 2000-gebieden. Het aanwijzingsbesluit van een Beschermd Natuurmonument bevat echter een overzicht van de te behouden natuurwaarden. Het toetsingskader en het traject tot vergunningverlening is vergelijkbaar met dat van de Natura 2000-gebieden.
Voor handelingen buiten het Beschermde Natuurmonument (voor zover aangewezen voor de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998) die significante effecten kunnen hebben op het gebied is het begrip ‘externe werking’ van toepassing (art. 65 Nbwet1). Dit betekent dat de vergunningplicht ook van toepassing is op handelingen buiten een Beschermd Natuurmonument die negatieve gevolgen kunnen hebben. Daarnaast is de zogenaamde Zorgplichtbepaling (art. 19l Natuurbeschermingswet 1998) van toepassing. Deze zorgplicht houdt onder andere in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor de natuurwaarden van het gebied, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om gevolgen te voorkomen of te beperken.
Onderzoek voor vergunningverlening bij een Natura 2000-gebied De Natuurbeschermingswet kent twee routes voor het verlenen van een vergunning. Als er sprake is of kan zijn van significante verstoring van soorten en/of significante verslechtering van de kwaliteit van habitats, moet een Passende Beoordeling uitgevoerd worden. Als er wel verslechtering van de kwaliteit van habitats op kan treden, maar deze zeker niet significant zullen zijn, kan worden volstaan met een Verslechteringstoets. Als geen sprake is van de verslechtering van de kwaliteit van habitats en hoogstens sprake is van niet-significante verstoring van soorten, is geen Natuurbeschermingswetvergunning nodig.
1
In artikel 16 staat dat externe werking alleen geldt voor in het aanwijzingsbesluit beschreven
activiteiten. Uit art. 65 blijkt echter dat dit alleen geldt voor beschermde natuurmonumenten die na 1 oktober 2005 zijn aangewezen en die zijn er (nog) niet.
074897562:0.4!
ARCADIS
7
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
In dat geval is nader onderzoek niet noodzakelijk. Deze eerste stap, het onderzoeken welke effecten mogelijk optreden, is de “Oriëntatiefase”. In onderstaande figuur is bovenstaande schematisch weergegeven. Afbeelding 2.1 Verslechteringstoets of Passende Beoordeling?
Passende Beoordeling Bij de Passende Beoordeling wordt gedetailleerd in kaart gebracht wat de effecten (kunnen) zijn van de activiteit op de natuurwaarden in het gebied en welke verzachtende (mitigerende) maatregelen de initiatiefnemer van plan is te nemen. Hierbij wordt rekening gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen. De significantie van de gevolgen moet met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied. Omkeerbare en tijdelijke effecten kunnen ook significant zijn. Indien uit de Passende Beoordeling, waarbij ook rekening gehouden moet worden met cumulatieve effecten, de zekerheid verkregen is dat de activiteit de natuurlijke kenmerken van een gebied niet aantast (er zijn dus toch geen significante effecten) kan het Bevoegd Gezag vergunning verlenen. Hiervoor dient dan alsnog een Verslechteringstoets opgesteld te worden. Als er wel significante effecten op zullen treden, mag alleen een vergunning worden verleend als alternatieve oplossingen voor het project ontbreken én wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de zogenaamde ADC-toets: Alternatieven, Dwingende redenen van groot openbaar belang en Compenserende maatregelen).
Redenen van economische aard kunnen ook gelden als dwingende reden van groot openbaar belang. Als prioritaire soorten of habitats deel uitmaken van de instandhoudingsdoelen mogen redenen van economische aard alleen gebruikt worden na toetsing door de Europese Commissie.
074897562:0.4!
ARCADIS
8
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
Definitie significante effecten Een activiteit heeft significante effecten als zij de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied in gevaar brengt. Hiervoor is geen objectieve grens; per geval zal bekeken worden of een effect significant is. Het oordeel moet gebaseerd zijn op de specifieke situatie die van toepassing is. Hierbij moet ook cumulatieve effecten onderzocht worden (Ministerie van LNV, 2006).
Verslechteringstoets Bij de Verslechteringstoets dient te worden nagegaan of een project, handeling of plan een kans met zich meebrengt op onaanvaardbare verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Indien deze verslechtering niet optreedt (dan wel indien deze gelet op de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is) kan een vergunning worden verleend, zo nodig onder voorwaarden of beperkingen. Indien de verslechtering in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen onaanvaardbaar is dient de vergunning te worden geweigerd. Bij de afweging of de verslechtering onaanvaardbaar is, heeft het Bevoegd Gezag een grotere beleidsvrijheid dan wanneer de vergunningaanvraag via de Passende Beoordeling verloopt. Het Bevoegd Gezag kan rekening houden met de aanwezigheid van redenen van openbaar belang, de mogelijkheid om te compenseren en andere relevante overwegingen. Ook hoeft geen rekening te worden gehouden met cumulatieve effecten.
Definitie verslechtering Om een Verslechteringstoets te kunnen uitvoeren is het allereerst van belang een eenduidige definitie van verslechtering te hebben. In de Handreiking Natuurbeschermingswet (LNV 2005) wordt dit begrip uitgewerkt: Onder ‘verslechtering’ wordt de fysieke aantasting van een habitat verstaan. Hiervan is sprake als in een bepaald gebied van deze habitat, de oppervlakte afneemt of wanneer het met de specifieke structuur en functies die voor de instandhouding van de habitat op lange termijn noodzakelijk zijn, dan wel met de staat van instandhouding met de met deze habitat geassocieerde typische soorten, in dalende lijn gaat in vergelijking tot de instandhoudingsdoelstellingen.
Onderzoek voor vergunningverlening bij een Beschermd Natuurmonument Voor het onderzoek dat ten grondslag ligt aan een vergunning voor een activiteit met negatieve gevolgen voor een Beschermd Natuurmonument bestaan geen voorschriften zoals bij Natura 2000-gebieden. Het onderzoek zal in ieder geval antwoord moeten geven op de vraag in hoeverre de handelingen schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het Beschermd Natuurmonument of voor dieren of planten in het Beschermd Natuurmonument of het Beschermd Natuurmonument ontsieren en of dit al dan niet significante gevolgen kan hebben voor het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor dieren of planten in het Beschermd Natuurmonument.
2.2.2
ECOLOGISCHE HOOFDSTRUCTUUR (EHS) Om de natuur in Nederland weer tot een goed functionerend ecologisch netwerk te maken, wordt de EHS begrensd en aangelegd, als netwerk van bestaande en nieuwe natuur. Het wettelijk kader voor het aanwijzen (begrenzen) en beschermen van de EHS is de PKB Nota Ruimte. Het ruimtelijk beleid voor de EHS is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn.
074897562:0.4!
ARCADIS
9
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
Het EHS-beschermingsregime is opgebouwd uit verschillende elementen. Dit zijn naast het ‘nee, tenzij’-regime, met als sluitstuk natuurcompensatie, de maatwerkinstrumenten EHSsaldobenadering en Herbegrenzen EHS. Definitie wezenlijke kenmerken & waarden in de Nota Ruimte (2004, p.114): “de wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen van het gebied. Het gaat daarbij om: De bij het gebied behorende natuurdoelen en –kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde”.
’Nee, tenzij’-regime en compensatiebeginsel Het ruimtelijke beleid voor de EHS is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in de EHS het ‘nee, tenzij’-regime. Dat wil zeggen dat ontwikkelingen in de EHS die negatieve gevolgen hebben voor de kenmerken en waarden van de EHS alleen kunnen worden toegestaan als sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieve oplossingen zijn. Indien een voorgenomen ingreep de ‘nee, tenzij’afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het ‘nee, tenzij’-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.
Externe werking In de brief van 3 december 2004 heeft de minister van LNV, mede namens de minister van VROM, besloten om in de Nota Ruimte het 'nee, tenzij'-regime op gebieden in de nabijheid van EHS te laten vervallen (TK 29 576, nr 12). In een brief van 5 juni 2008 heeft de minister van LNV nogmaals aangegeven dat ingrepen buiten de EHS niet worden beoordeeld op hun effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden binnen de EHS (TK 29 576, nr 12). In de beantwoording van een aantal vragen van de vaste Kamercommissie voor LNV in 2008 is expliciet tot uitdrukking gebracht dat dit `nee-tenzij' regime niet van toepassing is op ingrepen buiten de EHS die gevolgen kunnen hebben voor de EHS zelf, de zogenaamde "externe effecten"(TK 29576, nr. 52). Dit betekent overigens wel, dat bij een ingreep in de EHS, ook rekening gehouden moet worden met indirecte effecten, zoals geluidsverstoring en stikstofdepositie naar andere delen van de EHS.
Provinciale uitwerking De EHS wordt op provinciaal niveau uitgewerkt in streekplannen en natuurgebiedsplannen. Via dat spoor daalt de bescherming neer in bestemmingsplannen waarmee de bescherming van de EHS in de ruimtelijke ordening geregeld is. Doordat de EHS door de provincies uitgewerkt wordt, zijn er tussen de provincies verschillen tussen bescherming en afwegingskader.
074897562:0.4!
ARCADIS
10
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
2.3
SOORTENBESCHERMING
2.3.1
FLORA- EN FAUNAWET De Flora- en faunawet (2003) regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld (algemene verbodsbepalingen, artikelen 8 t/m 12). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 2). Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Flora- en faunawet zijn de soortbeschermingsbepalingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. De Flora- en faunawet heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen. De interpretatie van de wet is in 2009 aangescherpt. Deze aanscherping is in onderstaande uitleg opgenomen.
ALGEMENE ZORGPLICHT
In het kader van de Flora- en faunawetgeving geldt dat alle dieren en planten een zekere
Artikel 2 Flora- en faunawet
mate van bescherming genieten, omdat hun bestaan op zichzelf waardevol is, zonder te kijken welk nut de dieren en planten voor de mens kunnen hebben. Dit wordt de intrinsieke waarde genoemd. Vanuit deze intrinsieke waarde is de algemene zorgplicht als vorm van “basisbescherming” opgenomen (artikel 2). Hierin staat dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Ook mag men het welzijn van dieren niet onnodig aantasten en dieren onnodig laten lijden. De algemene zorgplicht geldt voor alle in het wild levende dier- en plantensoorten, ook voor de soorten die niet als beschermde soort aangewezen zijn onder de Flora- en faunawet. Het is een aanvulling op de algemene verbodsbepalingen die uitsluitend betrekking hebben op beschermde soorten. Het artikel biedt de mogelijkheid om op te treden tegen ongewenste handelingen jegens beschermde dieren en planten, welke niet nadrukkelijk in één van de verbodsbepalingen zijn genoemd. Er bestaat geen wettelijke sanctie op overtreding. Wel kunnen activiteiten door de Algemene Inspectiedienst (AID) worden stilgelegd.
VERBODSBEPALINGEN
De algemene verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, is een belangrijk onderdeel van de Flora en faunawet. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. De belangrijkste, voor ruimtelijke plannen relevante wettelijke bepalingen staan hieronder genoemd. ALGEMENE VERBODSBEPALINGEN FLORA - EN FAUNAWET (ARTIKELEN 8 T/M 12) Artikel 8. Het is verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen. Artikel 9. Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Artikel 10. Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten. Artikel 11. Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.
074897562:0.4!
ARCADIS
11
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
Artikel 12. Het is verboden eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen. VRIJSTELLINGEN EN ONTHEFFINGEN
Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling, wordt door het ministerie van LNV goedkeuring gegeven aan de mitigerende maatregelen, of is het mogelijk van de minister van LNV ontheffing van de algemene verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ten aanzien van de criteria die voor vrijstellingen en ontheffingen gelden, kunnen verschillende groepen soorten worden onderscheiden. Deze groepen zijn benoemd in het “Besluit van 28 november 2000 houdende regels voor het bezit en vervoer van en de handel in beschermde dier- en plantensoorten”, kortweg genoemd “Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten”. Dit besluit heeft de status van een AMvB. Onderstaande heeft betrekking op vrijstellingen en ontheffingen voor ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Voor andere activiteiten gelden andere regels.
BESCHERMINGSCATEGORIEË Categorie: Tabel 1, algemene soorten N AMVB ARTIKEL 75 FLORA- Ontheffing of vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen: Algemene vrijstelling van de EN FAUNAWET
verboden 8 tot en met 12, wel zorgplicht, m.u.v. artikel 10 Categorie: Tabel 2 Overige soorten Ontheffing of vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen: Vrijstelling is mogelijk, mits gebruik wordt gemaakt van een door de minister goedgekeurde gedragscode. In alle andere gevallen is ontheffing noodzakelijk (toetsing aan gunstige staat van instandhouding en zorgvuldig handelen). Daarbij geldt een eventuele mitigatie- en compensatieplicht. Ook kan door het ministerie een beschikking worden afgegeven waarin goedkeuring wordt gegeven voor maatregelen ter voorkoming van het overtreden van verbodsbepalingen. Deze goedkeuring heeft de vorm van een afwijzing van de ontheffingsaanvraag, m.u.v. artikel 10. Categorie: Tabel 3 Soorten van bijlage 1 van de AMvB Ontheffing of vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen: Voor volgens art 75 lid 6 bij AMVB aangewezen soorten geldt een zwaar beschermingsregime. Voor deze soorten geldt, ook wanneer wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode, geen vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen kan alleen verleend worden wanneer: er geen andere bevredigende oplossing bestaat; er sprake is van een bij AMvB bepaald belang.