984062 - Verkabeling Zutphen Zuid - Motivering
Tekst van het document
Het maximaal te verwachten waterbezwaar voor het gehele tracé bedraagt circa 315.900 m3 en het maximale debiet bedraagt circa 245 m³/uur (GHG situatie). Voor de GLG situatie is het maximaal te verwachtenwaterbezwaar voor het gehele tracé bedraagt circa 121.300 m3 en het maximale debiet bedraagt circa 109m³/uur. Op basis van het berekende maximale waterbezwaar per 30 dagen (105.000 m3 voor het tracé vanaf het hoogspanningsstation tot moflocatie 1) is de onttrekking vergunningsplichtig. Daarnaast dient te allen tijde de zorgplicht zoals beschreven in de Waterschapsverordening opgevolgd te worden. blad 38 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
Grondwaterbeschermingsgebied Volgens de digitale Kaartbank van de Provincie Gelderland zijn binnen het invloedsgebied van de bemalingen geen grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig. De overige onttrekkingen binnen het invloedsgebied van de bemalingen zijn geïnventariseerd met behulp van de wfs-service van het LGR. Uit de gegevens blijkt dat binnen het invloedsgebied van de bemalingen geen bodemenergiesystemen aanwezig zijn. Wel zijn binnen het invloedsgebied van de bemalingen diverse grondwateronttrekkingen geregistreerd. Uit de informatie blijkt dat de onttrekking buiten gebruik zijn. Negatieve effecten zijn daarom uit te sluiten. Natuur Door tijdelijke verlaging van de grondwaterstand kan mogelijk droogteschade optreden aan de natuurgebieden binnen het invloedsgebied. Droogteschade hangt sterk af van de periode van de werkzaamheden en de voorkomende soorten. In het groeiseizoen zal de invloed van de bemaling op de natuur het grootst zijn. De aanwezige natuurgebieden binnen het invloedsgebied zijn geïnventariseerd met behulp van de digitaal beschikbare kaartlagen van de Provincie Gelderland en in Figuur 4.5 weergegeven. Aan de hand van deze kaarten blijkt dat binnen de invloedsgebieden (GHG situatie) van de bemalingen geen Natura2000 gebieden aanwezig zijn. Wel zijn enkele gebieden aanwezig welke behoren tot het Gelders Natuurnetwerk en/of het Natuurbeheerplan 2024.
De gebieden behorende tot het Gelders Natuurnetwerk zijn ten noorden van de projectlocatie gelegen. Uit het Natuurbeheerplan 2024 blijkt dat voor de terreinen de beheertypen ‘Poel en klein historische wateren’, ‘Droog bos met productie’, ‘Park- of stinzenbos’ of ‘Houtwal en houtsingel’ van toepassing zijn. In een GHG situatie wordt de grondwaterstand met circa 0,1 m verlaagd. In een GLG situatie wordt de grondwaterstand ter plaatse van de gebieden niet beïnvloed. Negatieve effecten worden daarom niet verwacht. De Berkel is eveneens onderdeel van zowel het Gelders Natuurnetwerk als het Natuurbeheerplan 2024. Als gevolg van de bemaling wordt het waterpeil in de Berkel niet beïnvloed. Negatieve effecten zijn daarom uit te sluiten. Binnen het invloedsgebied komen tot slot nog twee gebieden door welke behoren tot het Natuurbeheerplan 2024 en waarvoor het natuurbeertype ‘Rivier en beekbegeleidend bos’ van toepassing is. Het gebied ter hoogte van sectie 3 ligt binnen de 0,5 m verlagingscontour. Aanbevolen wordt om dit bosgebied te monitoren op droogteschade gedurende de werkzaamheden. Bij het optreden van droogteverschijnselen dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen. Ter plaatse van het gebied ten oosten van sectie 7 is de grondwaterstandsverlaging kleiner dan 0,5 m. Aanvullende maatregelen worden niet noodzakelijk geacht.
Binnen het invloedsgebied van de bemalingen zijn diverse groenstroken met gras, struiken en bomen aanwezig. Aanbevolen wordt om bomen binnen de 0,5 m verlagingscontour (GLG-situatie) te monitoren en mitigerende maatregelen te treffen indien droogteschade dreigt op te treden.
blad 39 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
Figuur 4.5 Gebieden behorende tot het Gelders Natuurnetwerk en het Natuurbeheerplan 2024 en verlagingscontouren (0,5 en 0,05 m) en GHG (zwart) en GLG (rood) situatie Conclusie Als gevolg van de bemalingen is droogteschade aan landbouw, natuur en groenvoorzieningen niet geheel uit te sluiten. Wanneer droogteschade dreigt te ontstaan dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen (bijvoorbeeld beregenen). Watersystemen De verkabeling dient rekening te houden met de regelgeving uit de Waterschapsverordening en het oppervlaktewatersysteem uit de legger van waterbeheerder Waterschap Rijn en IJssel. Onderstaand zijn de locaties waar de verkabeling in aanraking komt met het oppervlaktewatersysteem van het waterschap individueel toegelicht en uitgewerkt. Het is daarnaast belangrijk te benoemen dat diverse smalle watergangen en waterlopen niet in de legger van waterbeheerder waterschap Rijn en IJssel staan opgenomen. Hiermee moet rekening worden gehouden bij de nadere uitwerking van het ontwerp. De Waterschapsverordening maakt onderscheid tussen twee vormen van verkabeling, het leggen van kabels parallel aan en kruisend met een waterstaatswerk. Het beleid van toepassing wordt in onderstaande tabel weergegeven per deellocatie.
blad 40 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
In het geval van kruisende verkabeling moet rekening worden gehouden met de volgende beleidsregels: de kabel wordt gelegd of behouden in een kernzone van een oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone 1 van een primaire waterkering, regionale waterkering of zomerkade; en de kabel wordt niet aangelegd door een damwand, duiker of inspectieput; en de kabel wordt niet aangelegd binnen 10 m van een bestaand of gepland kunstwerk; en de kabel heeft een buitendiameter van maximaal 0,3 m; en de kabel wordt aangelegd op een diepte van minimaal 1 m onder het leggerprofiel van het oppervlaktewaterlichaam of kade, gemeten vanaf de bovenzijde van de kabel; en de kabel wordt aangelegd op een diepte van minimaal 1 m onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam; en de kabel wordt bij het kruisen van een duiker aangelegd op minimaal 1 m onder de binnenonderkant van een duiker of wordt aangelegd aan de bovenzijde van een duiker met tussenliggende gronddekking van minimaal 0,2 m en een gronddekking van minimaal 0,5 m op de kabel; en de kabel wordt niet met een open ontgraving aangelegd, tenzij deze een duiker aan de bovenzijde kruist; en de kabel wordt haaks op het oppervlaktewaterlichaam of de kade aangelegd, dwars op de as van het oppervlaktewaterlichaam of kade; en de kabel over een duiker wordt aangelegd met een mantelbuis.
In het geval van parallelle verkabeling moet rekening worden gehouden met de volgende beleidsregels: de kabel mag niet worden gelegd buiten een oppervlaktewaterlichaam met de functie HEN (hoogst ecologische niveau), SED (specifiek ecologische doelstelling) of natte EVZ (ecologische verbindingszone). Daarnaast dient deze buiten de kern- of beschermingszone van een primaire, regionale, zomerkade of kade te liggen; en de kabel mag niet worden aangelegd door een damwand, een duiker of inspectieput; en de kabel wordt niet aangelegd binnen een afstand van 10 m van een bestaand of gepland kunstwerk; en de kabel wordt op ten minste 1 m van de insteek van het oppervlaktewater aangelegd en heeft een gronddekking van minimaal 0,7 m. Uitwerking locaties Bij locatie 1, 'Berkel, Wijnhofpark', komen de kabels zowel parallel aan als kruisend met de watergang te liggen. Het oppervlaktewaterlichaam de Berkel heeft ter plaatse van het Wijnhofpark een bodemhoogte van NAP +5,5 tot +5,6 m. Door de minimale vereiste diepte uit de Waterschapsverordening van 1,0 m onder de vaste bodem, komt de kabel te liggen op minimaal NAP +4,5 m. Daarnaast moet de kabel in een haaks op de as van het waterlichaam komen te liggen. Het deel van de verkabeling wat doorloopt aan de noordzijde van de locatie dient parallel te worden aangelegd langs de watergang.
Hierbij dient rekening te worden gehouden met een minimale afstand van 1 meter van de insteek van de watergang en minimale gronddekking van 0,7 m. blad 41 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
Bij locatie 2, 'Bonenlaak, Rijksstraatweg', komen de kabels kruisend met de watergang te liggen. Het oppervlaktewaterlichaam de Bonenlaak heeft ter plaatse van de Rijksstraatweg een bodemhoogte van NAP +4,7 m. Door de minimale vereiste diepte uit de Waterschapsverordening van 1,0 m onder de vaste bodem, komt de kabel te liggen op minimaal NAP +3,7 m. Daarnaast moet de kabel haaks op de as van het waterlichaam komen te liggen. Bij locatie 3, 'Afw. Van de Vijver, Draaiomsdreef', komen de kabels kruisend met de watergang te liggen. Het oppervlaktewaterlichaam de Afw. Van de Vijver heeft ter plaatse van de Draaiomsdreef een bodemhoogte van NAP +4,7 m. Door de minimale vereiste diepte uit de Waterschapsverordening van 1,0 m onder de vaste bodem, komt de kabel te liggen op minimaal NAP +3,7 m. Daarnaast moet de kabel haaks op de as van het waterlichaam komen te liggen. Bij locatie 4, 'BER56.106, Ida Gerhardtsingel', komen de kabels kruisend met de watergang te liggen. Het oppervlaktewaterlichaam BER56.106 heeft ter plaatse van de Ida Gerhardtsingel een bodemhoogte van NAP +5,7 m tot +4,7 m. Door de minimale vereiste diepte uit de Waterschapsverordening van 1,0 m onder de vaste bodem, komt de kabel te liggen op minimaal NAP +3,7 m. Daarnaast moet de kabel haaks op de as van het waterlichaam komen te liggen. Bij locatie 5, 'Ooierhoekselaak, Betsy Kerlenpad' en 'Afw. v.d.
Eme, Betsy Kerlenpad', komen de kabels zowel parallel aan als kruisend met de watergang te liggen. Het oppervlaktewaterlichaam de Ooierhoekselaak heeft ter plaatse van het Betsy Kerlenpad een bodemhoogte van NAP +4,2 m. Het ondergelegen oppervlaktewaterlichaam Afw. v.d. Eme heeft ter plaatse van het Betsy Kerlenpad een bodemhoogte van NAP +5,2 m. Door de minimale vereiste diepte uit de Waterschapsverordening van 1,0 m onder de vaste bodem, komt de kabel te liggen op minimaal NAP +3,2 m. Daarnaast moet de kabel in een haaks op de as van het waterlichaam komen te liggen. Het deel van de verkabeling wat doorloopt aan de noordzijde van de locatie dient parallel te worden aangelegd aan de watergang. Hierbij dient rekening te worden gehouden met een minimale afstand van 1 meter van de insteek van de watergang en minimale gronddekking van 0,7 m. Opgemerkt wordt dat bij het bepalen van het exacte tracé van de kabels getracht wordt om zoveel als mogelijk de watergangen haaks te kruisen maar dat dit ook afhankelijk is van de mogelijkheden voor een boor en ontvangstput. Vuilwater Het planvoornemen heeft geen afvalwaterproducerende functie en gaat dit toekomstige ook niet krijgen. Hierdoor is er geen afwatering naar het gemeentelijke DWA-systeem benodigd. Er is aangegeven door waterschap Rijn en IJssel dat een persleiding van het waterschap moet worden gekruist.
Bij verdere uitwerking van het planvoornemen dient rekening te worden gehouden met deze persleiding. Hemelwater Door het verwijderen van de hoogspanningsmasten en toebehorende betonnen voetstukken, verdwijnt het verhard oppervlak. Hierdoor is er geen waterbergingseis van de gemeente of het waterschap van kracht. Waterkwaliteit Ten opzichte van de huidige situatie heeft de herontwikkeling van het plangebied weinig tot geen invloed op de waterkwaliteit. Om hemelwater dat in de bodem wordt geïnfiltreerd langs de kabels te laten lopen, dient onder meer aan de volgende voorwaarden te worden voldaan: vereist is de toepassing van niet-uitloogbare bouwmaterialen als kunststoffen en geen zink, lood, koper of asfalt. Staal, aluminium en zink voorzien van duurzame coating kan wel worden toegepast. Hierbij ontstaan geen verhoogde concentraties verontreinigende blad 42 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
stoffen. Waterveiligheid Het planvoornemen bevindt zich niet binnen de kern- of beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Hierdoor zijn geen bijkomende wet- en regelgeving voor de waterveiligheid. Natuur Als gevolg van de bemalingen is droogteschade, oftewel het tekort aan grondwater in de bodem, aan natuur niet geheel uit te sluiten. Wanneer droogteschade dreigt te ontstaan dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen (bijvoorbeeld beregenen). Conclusie De eindsituatie zorgt niet voor negatieve effecten. Er zijn aandachtspunten met betrekking tot de benodigde bemaling die in acht worden genomen. De benodigde vergunning wordt aangevraagd bij Waterschap Rijn en IJssel.
4.6
Geluid Besluit kwaliteit leefomgeving De geluidsnormen zijn onder de Omgevingswet neergelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een omgevingsplan dient bij de toevoeging van een nieuw geluidgevoelig gebouw ervoor te zorgen dat het geluid op dat gebouw niet de standaardwaarde overschrijdt (5.78t Bkl). In het omgevingsplan kan van deze standaardwaarden worden afgeweken. Indien afwijking mogelijk is, dan gelden wel de grenswaarden uit artikel 5.78u Bkl. Afwijking van de standaardwaarde is mogelijk indien geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen, de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde zoals bedoeld in artikel 5.78u Bkl. Tabel 1: standaardwaarde geluidgevoelige gebouwen (5.78t Bkl)
Tabel 2: grenswaarde geluidgevoelige gebouwen (5.78u Bkl)
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; blad 43 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl.
Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (emissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Projectspecifiek De ondergrondse hoogspanningsverbinding zorgt niet voor een toename van de geluidbelasting. Hierdoor zal er geen geluidhinder ontstaan door de ondergrondse hoogspanningsverbinding op omliggende geluidsgevoelige objecten. Daarnaast betreft het ook geen geluidsgevoelig object. Ook ten tijde van de aanleg zal er geen sprake zijn van veel geluid, omdat ter plekke van de geluidgevoelige woningen gewerkt zal worden met gestuurde boringen en de in- en uittrede punten slecht gedurende een korte termijn en tijdelijk geluid produceren. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.7
Geur Besluit kwaliteit leefomgeving In het omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dient de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (artikel 5.92 Bkl). Een geurgevoelig gebouw is volgens artikel 5.91 Bkl in ieder geval een gebouw of een gedeelte daarvan met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bij die functies behorende nevengebruiksfuncties. Een bedgebied is op grond van dit besluit een plek waar gasten/gebruikers kunnen slapen/overnachten. Daarnaast bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving een aantal instructieregels voor het opnemen van regels over geur in het omgevingsplan bijvoorbeeld ten aanzien van landbouwhuisdieren (paragraaf 5.1.4.6.3). Projectspecifiek Met de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding zal geen sprake zijn van een activiteit die geur veroorzaakt op geurgevoelige functies. De geurbelasting zal dan ook niet
blad 44 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
toenemen. Er behoeft dan ook geen verder onderzoek naar de geurbelasting en de toetsing van de geurbelasting aan de geurnormen. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
4.8
Kabels en leidingen Kabels en leidingen verschillen in omvang en wat zij vervoeren. Daarnaast liggen kabels en leidingen in verschillende (openbare) gronden, waardoor verschillende belangen geraakt worden. Regels met betrekking tot kabels en leidingen zijn te vinden in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de ruimtelijke regels (zoals bestemmings-, wijzigings-, uitwerkings- en inpassingsplannen) en de bruidsschat. Ruimtelijke regels In het tijdelijk deel omgevingsplan staan regels voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Deze regels richten zich op de ligging en het type leiding (aard van de stof en bij gas, de maximale druk). In het tijdelijk deel omgevingsplan kunnen ook regels over ondergrondse hoogspanningsverbindingen staan. Deze regels richten zich op de afstand van bepaalde gebouwen tot magneetvelden. Daarnaast kunnen ook voor andere kabels en leidingen regels staan in de ruimtelijke regels van het tijdelijk deel, omdat ze naar het oordeel van het bevoegd gezag ruimtelijk relevant zijn. Bruidsschat Bij een aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.26 bruidsschat) wordt getoetst of het te bouwen bouwwerk aan de regels van het omgevingsplan voldoet. Alleen die delen van buis- en leidingenstelsels die als bouwwerk aan te merken zijn, kunnen hieronder vallen.
De ondergrondse buis- en leidingenstelsels vallen niet onder deze vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Deze buisleidingen zijn namelijk vergunningvrij op basis van artikel 22.27, onder h van de bruidsschat. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) heeft het Rijk ondergrondse buis- en leidingenstelsels aangewezen als vergunningvrij voor de omgevingsplanactiviteit (artikel 2.29, onder p, Bbl). Een uitzondering hierop zijn de buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De gemeente heeft de bevoegdheid om deze buisleidingen vergunningplichtig te maken in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Projectspecifiek Het is noodzakelijk dat bij de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt bezien of er reeds andere ondergrondse infrastructuur aanwezig is in de vorm van kabels en leidingen. De verkabeling in het zuiden van Zutphen voor TenneT zal geen andere buisleidingen kruisen. Er hoeft dan ook geen verdere afstemming plaats te vinden met andere leidingbeheerders. Conclusie Het aspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de plannen.
4.9
Luchtkwaliteit Besluit kwaliteit leefomgeving De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het
blad 45 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit de artikelen 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. De gemeente Zutphen is geen aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Projectspecifiek Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding heeft geen impact op de luchtkwaliteit. Het leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen (paragraaf 4.17). Er zal hierdoor geen sprake zijn van uitstoot van vervuilende stoffen. Het project draagt dan ook niet in betekende mate bij. Er behoeft dan ook geen verder toetsing aan de waarden voor luchtkwaliteit. Slechts de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding leidt tijdelijk tot een kleine toename van verkeer om materiaal aan- en af te voeren. Deze bewegingen vallen onder de algemene vrijstellingsregeling 'niet in betekenende mate bijdragen aan' (NIBM). Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.10
Klimaatadaptatie Kader Om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten, is het nodig dat klimaatadaptatie op alle overheidsniveaus onderdeel is van beleid en uitvoering. Op landelijk niveau wordt dit gedaan middels het Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) programma. Het NAS beschrijft onder andere de effecten van klimaatverandering en de te nemen stappen om ervoor te zorgen dat Nederland in 2050 structureel minder kwetsbaar is voor klimaatverandering. Van de NAS wordt de uitvoering neergelegd in het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUP KA). In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. In de omgevingsvisie kan de gemeente beleid opnemen over klimaatadaptatie. In de Atlas Zutphen 2040 wordt ingegaan op klimaatadaptatie. Voor de impact van droogte werkt de
blad 46 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
gemeente Zutphen in regionaal verband samen en is de Aanpak Droogte Achterhoek 202-2021 opgesteld. Naast droogte spelen ook de ecologische waterkwaliteit en het stedelijk hitte-eiland effect, welke voornamelijk in de binnenstad van Zutphen en de industrieterreinen plaatsvindt, een rol. De gemeente Zutphen zet in op het klimaatbestendig maken van de openbare ruimte door onder andere natuurlijke waterberging en waterinfiltratie, maar ook extra investeringen in het rioolsysteem zijn noodzakelijk. In de omgevingsvisie is de gemeente voornemens om één integrale visie op klimaatadaptatie en duidelijke doelen te stellen. In het tweede kwartaal van 2024 wordt door de gemeenteraad een besluit genomen over de visie. Projectspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor klimaatadaptatie. Het leidt bijvoorbeeld niet tot een verharding van de bovengrond waardoor infiltratie in de grond wordt bemoeilijkt. Het nemen van maatregelen ten behoeve van klimaatadaptatie is dan ook niet noodzakelijk. Het draagt wel bij aan mogelijkheden voor klimaatadaptatie elders omdat een sterk en betrouwbaar energienetwerk bijdraagt aan de energietransitie. Conclusie Het aspect klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.11
Omgevingsveiligheid Besluit kwaliteit leefomgeving Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe
blad 47 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl. Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl. Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl). Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Projectspecifiek Eigendommen en gebruiksinstallaties van TenneT vallen zelf niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. De realisatie van de ondergrondse 150kV kabelverbinding heeft geen gevolgen voor het risiconiveau (plaatsgebonden risico en groepsrisico) van de hiervoor vermelde risicobron. Er is geen sprake van vaststelling van een ruimtelijk besluit, dat betrekking heeft op de gronden in de omgeving van een (niet) basisnetroute en die de bouw, vestiging of aanleg van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toelaat. Er worden met dit plan geen nieuwe kwetsbare activiteiten mogelijk gemaakt. Een nadere verantwoording hoeft dan ook niet te worden opgesteld.
Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.12
Niet-gesprongen explosieven Niet gesprongen explosieven kunnen een gevaar vormen wanneer er trillingen worden veroorzaakt in de grond. Deze niet gesprongen explosieven kunnen dan alsnog afgaan. Als een gebied verdacht is van explosieven, dan dient er een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd door een gecertificeerd opsporingsbedrijf. Projectspecifiek Door AVG is een explosieven onderzoek verricht ten behoeve van de verkabeling te Zutphen (bijlage 11). Uit het onderzoek is gebleken dat het gebied in Zutphen Zuid verdacht is verklaard op afwerpmunitie en mijnenvelden. Voor Zutphen Zuid zijn de deelgebieden midden en zuid van belang zoals weergegeven in figuur 4.10.1.
blad 48 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
Figuur 4.10.1 verdachte gebieden Zutphen Zuid Uit figuur 4.10.1 kan worden afgeleid dat in deelgebied midden er verschillende gebieden verdacht worden van afwerpmunitie. Deelgebied zuid wordt verdacht op mijnenvelden. In het onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken: Alle werkzaamheden in niet verdacht gebied kunnen onder reguliere omstandigheden worden uitgevoerd. In deelgebied zuid vallen in de praktijk bodemroeringen buiten verdacht gebied. Hier kan onder reguliere omstandigheden ontgaven worden. In deelgebied midden ter hoogte van de Wijnhofstraat, kunnen de werkzaamheden (tot een diepte van 2,3 m -mv) onder reguliere omstandigheden worden uitgevoerd. De grond is hier met 3,0 m opgehoogd. In de verdachte gebieden waar naoorlogse bodemroeringen zijn uitgevoerd, kan er tot de aangegeven diepte (bijlage 9.4 van het explosievenonderzoek) onder reguliere omstandigheden worden ontgraven. Vanaf de naoorlogse ongeroerde laag in de verdachte gebieden, dient er opsporing van ontplofbare oorlogsresten plaats te vinden. In de verdachte gebieden waar geen naoorlogse veranderingen hebben plaatsgevonden dient, ter hoogte van de open opgravingen, oppervlaktedetectie plaats te vinden, daar de uit te voeren werkzaamheden ter hoogte vna de open ontgravingen niet dieper gaan dan 2,3 m -mv. Met oppervlakte detectie kan er tot 4,5 m -mv gemeten worden.
In de op afwerpmunitie verdachte gebieden waar geen naoorlogse veranderingen hebben plaatsgevonden en waar de in- en uittredepunten van de HDD-boringen worden aangebracht, dient diepte detectie plaats te vinden. De verticale afbakening van het op afwerpmunitie verdachte gebied ligt tussen mv W.O.II t/m de 10 MPa laag. De 10 MPa laag ligt, afgaande op nabije sonderingen, gemiddeld op 10,3 m -mv. De betreffende werkzaamheden zullen zeker tot een diepte van 10 m -mv worden uitgevoerd. blad 49 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
De maximale diepteligging van de HDD-boringen bedraagt meer dan 10 meter. De boringen die onder de 10 MPa laag worden uitgevoerd zullen in onverdacht gebied worden uitgevoerd. HDD-boringen die onder deze verdachte laag worden uitgevoerd, kunnen onder reguliere omstandigheden worden uitgevoerd. Er kan voor gekozen worden om bepaalde ontgravingen niet dieper uit te voeren dan de naoorlogse geroerde bodem. Als er enkel in naoorlogs geroerde bodem wordt gegraven, kunnen de werkzaamheden onder reguliere omstandigheden worden uitgevoerd. Daarbij is de volgende Risicoanalyse Bodembelastingkaart gemaakt:
Detectieonderzoek ontplofbare oorlogsresten Door T&A Survey is een detectieonderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd in verband met de mogelijke aanwezigheid van afwerpmunitie (vliegtuigbommen) met een gewicht van 250 lb (bijlage 12 ). Uit het onderzoek zijn drie geanalyseerde objecten, waarvan twee in blad 50 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
deelgebied zuid gelegen, naar voren gekomen waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze ontplofbare oorlogsresten betreffen. Daarnaast is er ook afwerkmunitie verdacht gebied. Indien ter plaatse van deze verdachte objecten grondroerende werkzaamheden dienen te worden verricht, wordt geadviseerd om nader onderzoek te laten verrichten. Hierbij wordt het object gecontroleerd ontgraven, geïdentificeerd en indien van toepassing overgedragen aan de EODD. Bij grondroerende werkzaamheden in de nabijheid van verdachte objecten wordt in verband met de noodzakelijke veiligheidsmarge het volgende geadviseerd: Geen werkzaamheden binnen 2 meter in horizontale richting rondom verdacht object; Geen trillingsveroorzakende werkzaamheden binnen 10 meter in horizontale richting rondom een verdacht object, gelegen binnen op afwerpmunitie verdacht gebied. Indien grondroerende werkzaamheden plaatsvinden binnen niet ingemeten gebied, wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te laten voeren.
Figuur 4.10.2 locaties verdachte objecten en verdacht gebied Bij de werkzaamheden voor de verkabeling wordt rekening gehouden met de resultaten uit de onderzoeken en waar nodig zal er een nader onderzoek volgen. Conclusie Vanuit het aspect niet gesprongen explosieven zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het project.
4.13
Gezondheid Kader
blad 51 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de gezondheid die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het betreft de aspecten geur, geluid, trillingen, luchtkwaliteit, stof en spuitzoneringen. Deze aspecten zijn meetbaar en hebben vooral betrekking op de fysieke gezondheid. Sociale gezondheid wordt ook meegenomen en is net zo belangrijk als fysieke gezondheid. In de volgende artikelen van de omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving: In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl. Projectspecifiek Een bovengrondse hoogspanningsverbinding kan bij harde wind leiden tot windfluiten en zogeheten coronageluid. Windfluiten ontstaat doordat wind rondom de hoogspanningsverbinding giert. Coronageluid treedt voornamelijk op bij vochtig weer en leidt tot een knisperend geluid. Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding zorgt voor het wegnemen van geluidhinder voor omwonenden. Dit leidt tot een optimalisering van de fysieke leefomgeving en de draagt bij aan de gezondheid van burgers. Verder leidt de ondergrondse hoogspanningsverbinding niet tot een afname van de luchtkwaliteit of tot geurhinder. Magneetvelden Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen.
Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden, zoals die bij hoogspanningsverbindingen voor komen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla wordt afgeraden (Europese Richtlijn 1999/519/EC). De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen daarnaast op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie en langdurige nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Ondanks dat er geen aanwijzingen zijn voor een oorzakelijk verband is er sinds 2005 voorzorgbeleid voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen geformuleerd door het Rijk. In april 2023 heeft blad 52 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
de Minister voor Klimaat en Energie dat voorzorgbeleid herijkt (Kamerbrief voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen, kenmerk: DGKE-DRE / 26746813, d.d. 21-04-2023). Het herijkte beleid is van toepassing op alle netcomponenten van het hoogspanningsnet (bovengrondse hoogspanningsverbindingen, ondergrondse hoogspanningskabels en hoogspanningsstations). De doelstelling van het voorzorgbeleid is om de blootstelling aan magneetvelden van alle netcomponenten, waar mogelijk en proportioneel, beperkt te houden. Dit wil de Minister bereiken door het nemen van proportionele bronmaatregelen bij de aanleg van nieuwe netcomponenten of het wijzigen van bestaande netcomponenten, waardoor de magneetvelden van deze netcomponenten zo klein mogelijk worden gehouden danwel worden verminderd. Voor bovengrondse verbindingen geldt daarnaast het advies om afstand te houden. Voor ondergrondse hoogspanningskabels en -stations geldt dit advies om afstand te houden niet en acht de Minister het voldoende om enkel de proportionele bronmaatregelen te treffen. Deze bronmaatregelen zijn opgenomen in bijlage 2 behorend bij het herijkte voorzorgbeleid (https://www.rivm.nl/documenten/bijlage-2-overzicht-proportionele-bronmaatregelen). TenneT volgt het beleidsadvies van de Minister en zal in dit project de in het advies opgenomen bronmaatregelen treffen.
Deze bronmaatregel betreft het aanleggen van de kabels in een driehoekformatie. Het (herijkte) voorzorgbeleid van het Rijk ziet op langdurige blootstelling. Voor alle netcomponenten geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microtesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd. Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze limiet nergens overschreden. Ondergrondse verbindingen In het kader van bovenstaande heeft TenneT de magneetvelden voor ondergrondse 150 kV verbindingen (zoals de aan te leggen ondergrondse verbinding in Zutphen) onderzocht. Daarbij is de magneetveldsterkte van de kabelverbinding berekend. Uit de berekeningen blijkt dat wordt voldaan aan de aanbeveling voor de magneetveldsterkte van maximaal 100 µT uit de Europese Richtlijn 1999/519/EC. Conclusie is dan ook dat wordt voldaan aan de aanbevelingen op Europees en nationaal niveau voor wat betreft magneetvelden. Conclusie Het aspect gezondheid zorgt niet voor een belemmering van de uitvoering van het project.
4.14
Duurzaamheid Kader Duurzaamheid betreft in het kader van de Omgevingswet het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van alle mensen op aarde, hier en nu, elders en later. De Omgevingswet richt zich op de zorg voor de fysieke leefomgeving. De onderwerpen waarop de Omgevingswet ziet, zijn belangrijk bij de afwegingen over duurzame ontwikkeling. Zowel overheden, burgers, bedrijven en organisaties hebben eigen beweegredenen om te werken aan duurzaamheid. De Omgevingswet biedt instrumenten die het duurzaam handelen van burgers, bedrijven, organisaties en overheden ondersteunen. Bij duurzaamheid kan volgens de Omgevingswet worden gedacht aan aspecten als energie en duurzaam omgaan met grondstoffen. De omgevingsvisie beschrijft de gewenste toekomst van de fysieke leefomgeving. Er wordt één omgevingsvisie gemaakt waarbij de focus wordt gelegd op één integrale blik over verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Dit zou volgens de wetgever een schets zijn voor een duurzame leefomgeving.
blad 53 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
Projectspecifiek Dit plan draagt in zijn algemeenheid bij aan de duurzaamheid. Doordat er een veilige en betrouwbare ondergrondse verbinding wordt aangelegd kunnen maatregelen voor bijvoorbeeld klimaatadaptatie in het werkingsgebied verder ontwikkeld worden.
4.15
Trillingen Omgevingswet Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Gemeenten mogen zelf regels stellen over trillingen door milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Onder de Omgevingswet zijn de regels van trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen van activiteiten. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl. Projectspecifiek De ondergrondse hoogspanningsverbinding zorgt bij de realisatie en de ingebruikname neit voor trillingen. De ondergrondse hoogspanningskabels bewegen namelijk niet onder de grond. Hierdoor behoeft er geen nader onderzoek te worden verricht naar trillingen en behoeft er ook geen toetsing plaats te vinden omdat er geen trillingen ontstaan. Conclusie Het aspect trillingen levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.16
Verkeer en parkeren Kader Een nieuwe ontwikkeling kan zorgen voor een toename van verkeer. Er dient dan ook aangetoond te worden wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook bekende richtlijnen vanuit het CROW zijn na de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven bestaan. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Verder is mobiliteit een aspect dat in de omgevingsvisies, in de omgevingsverordening en in het omgevingsplan meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit. De gemeente stelt daarnaast parkeerbeleid op met daarin parkeernormen, waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De provincie kan in de verordening haar beleid uit de omgevingsvisie borgen. Gemeenten en provincies kunnen daarnaast specifieke ambities voor mobiliteit verwerken in een programma. Door de gemeente Zutphen is een Atlas Gemeente Zutphen 2040 opgesteld. Hierin zijn kansen en opgaven voor de omgevingsvisie van de gemeente Zutphen opgenomen.
In de omgevingsvisie wil de gemeente kansen benutten voor de ontwikkeling naar een multimodaal knooppunt via spoor, weg en water. Daarnaast is de aanpak van het autogebruik in de oude binnenstad van Zutphen een belangrijk onderwerp. Ook wil de
blad 54 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
gemeente gaan inzetten op het verschonen van de mobiliteit. Projectspecifiek Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die tot een substantiële toename van het verkeer en parkeren leiden. De ondergrondse verkabeling heeft geen impact op de parkeercapaciteit dan wel op de verkeerintensiteit. Het aantal verkeersbewegingen in de aanlegfase zal beperkt blijven, aangezien een deel van de aanleg middels horizontaal gestuurde boringen gaat. Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het project.
4.17
Stikstofdepositie Kader Binnen de Europese Unie worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze gebieden moet samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk vloeit voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in de Omgevingswet en de Omgevingsregeling. Het onderdeel gebiedsbescherming binnen de Omgevingswet (Natura 2000-actviteit) biedt de basis voor de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Er dient allereerst te worden bezien of de activiteit een significant gevolg voor een Natura 2000-gebied heeft. Indien op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de activiteit significante gevolgen heeft, dient een passende beoordeling te worden geamakt. Wanneer uit deze passende beoordeling blijkt alsnog blijkt dat de activiteiten niet tot significante gevolgen leidt, dan staat het aspect gebiedsbescherming de besluitvorming niet in de weg.
Wanneer een passende beoordeling benodigd is, dan is ook altijd een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodig. Projectspecifiek In het ontwerpbesluit dat ter inzage heeft gelegen was een passende beoordeling stikstofdepositierapportage opgenomen. Ook werd in het ontwerp verwezen naar de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024. Hierover stond het volgende in de motivering: Op 18 december 2024 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan, waardoor in Nederland op een andere wijze omgegaan moet worden met intern salderen. Intern salderen was tot 18 december 2024 niet vergunningplichtig. De Raad van State oordeelt in deze uitspraak dat het intern salderen met onmiddellijke ingang in de natuurvergunning moet worden meegenomen. Hoe dit moet en welke regels er – vanuit de provincie – voor zullen gelden is nog niet bekend. De periode tussen de ter inzage legging van de ontwerp-wijzigingsbesluit en de vaststelling daarvan zal worden benut om te bezien hoe er het beste met deze situatie kan worden omgegaan en op welke wijze nader onderzoek moet worden gedaan. De resultaten van dit onderzoek worden dan opgenomen in het te zijner tijd vast te stellen wijzigingsbesluit. De gevolgen van de uitspraak hebben ertoe geleid dat er een nieuwe stikstofrapportage is
blad 55 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
toegevoegd aan het vastgestelde wijzigingsbesluit. Er is een nieuwe berekening gemaakt met Aerius en een Voortoets opgesteld door Waardenburg Ecology uit Culemborg. In het rapport 'Littooij, L. 2025. Ecologische beoordeling stikstofdepositie verkabelingsproject Zutphen.Toetsing effecten op beschermde Natura 2000-gebieden in het kader van de Omgevingswet. Rapport 25-125' zijn hiervan de resultaten beschreven. Dit rapport is als geheel als bijlage 1 aan de regels toegevoegd aan deze morivering en maakt onderdeel uit van het besluit. Anteagroup heeft met het online rekenprogramma AERIUS-Calculator (versie 2024.1) de stikstofdepositie als gevolg van het verkabelingsproject op Natura 2000-gebieden berekend. Uit de AERIUS-berekening volgt een tijdelijke depositie van maximaal 0,02 mol N/ha op Natura 2000-gebied Rijntakken en 0,01 mol N/ha op Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. In de rapportage van Waardenburg ecology is beoordeeld dat significant negatieve gevolgen van additionele stikstofdepositie als gevolg van het voorgenomen verkabelingsproject op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Landgoederen Brummen op voorhand zijn uit te sluiten. De gebruiksfase leidt niet tot een additionele depositie. Effecten in de gebruiksfase zijn daarom op voorhand uitgesloten.
Met deze ecologische beoordeling is invulling gegeven aan de specifieke zorgplicht, zoals vermeld in Artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, Omgevingswet. Conclusie Conclusie van het onderzoek is dat: significant negatieve gevolgen op de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebiedtypen in de Natura 2000-gebieden met een projectbijdrage zijn daarmee op voorhand op basis van objectieve gegevens uitgesloten. Het onderdeel stikstofdepositie vormt daarmee geen beperking.
4.18
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Kader Een plan is m.e.r.-plichtig wanneer het gaat om een plan of programma zoals bedoeld in artikel 16.34 lid 2 Omgevingswet en wanneer het een kader vormt voor te nemen besluiten voor een m.e.r.-plichtig project. Een omgevingsplan valt onder plan zoals bedoeld in artikel 16.34 lid 2 Omgevingswet. Of er een m.e.r.-beoordelingsplicht bestaat kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Projectspecifiek Het aanleggen van een ondergrondse hoogspanningsverbinding valt niet onder een van de projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er is dan ook geen sprake van een m.e.r.-plicht. Wel is er een m.e.r. beoordeling gedaan waarbij op basis van de uitgevoerde onderzoeken beoordeeld is of er sprake is van mogelijke nadelige milieugevolgen. Dit rapport is als bijlage 13 toegevoegd aan dit wijzigingsbesluit. Conclusie Uit de m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen aanzienlijke milieueffecten zijn. Er is daarom geen reden om een milieueffectrapport te maken.
blad 56 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1
De Omgevingswet
5.1.1
Algemeen Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Overheden moeten vanaf die datum werken volgens de Omgevingswet. Deze nieuwe wet bundelt en vereenvoudigt de regels voor alles wat u buiten ziet, hoort en ruikt. De wet geldt voor alle Nederlandse inwoners, organisaties en bedrijven. Om ervoor te zorgen dat onze leefomgeving een gezonde, veilige en prettig leefbare plek is, hebben we in Nederland veel regels gemaakt. Zowel voor inwoners als bedrijven. Die regels gaan onder andere over hoe we omgaan met natuur, milieu, bouwen en wonen. De Omgevingswet bundelt deze regels.
5.1.2
Het Omgevingsplan Tot 1 januari 2024 had de gemeente Zutphen meerdere bestemmingsplannen waarmee ontwikkelingen mogelijk gemaakt werden. Al deze bestemmingsplannen zijn overgegaan in het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Zutphen. Elke gemeente in Nederland heeft nu nog maar één omgevingsplan. Als er ontwikkelingen zijn waar het gemeentebestuur achter staat, dan wordt dit omgevingsplan aangepast met een wijzigingsbesluit om de activiteit mogelijk te maken. Het hangt af van de activiteit of de gemeenteraad of het college bevoegd gezag is om het wijzigingsbesluit te nemen. In dit geval is dat de gemeenteraad. De gemeente kan in het omgevingsplan voor ieder gebied bepalen welke activiteiten zij wel of niet toestaat, bijvoorbeeld wonen, recreatie of bedrijvigheid. Ook geeft de gemeente aan welke regels zij aan de activiteiten stelt. Het omgevingsplan is de vervanging van alle bestemmingsplannen. Het omgevingsplan van de gemeente is digitaal raadpleegbaar via het omgevingsloket. Op dit moment is bij vrijwel alle gemeenten in Nederland hoofdstuk 22 van het omgevingsplan gevuld met regels. Dit zijn de regels van het Rijk die overgaan naar de gemeenten. Dit heet de Bruidsschat. De wijzigingsbesluiten zullen in een nieuw hoofdstuk 21 vóór het hoofdstuk van de bruidsschat worden toegevoegd aan het omgevingsplan.
5.1.3
Aanpassen van het omgevingsplan Aanpassen van het omgevingsplan moet met een wijzigingsbesluit. Dit is vergelijkbaar met een partiele herziening van het bestemmingsplan onder de oude wet. Er wordt voor de nieuwe activiteit een stukje van het omgevingsplan gewijzigd zodat de activiteit vergund en gerealiseerd kan worden. Dit is, net als met een bestemmingsplan, een digitaal wijzigingsbesluit. Een wijzigingsbesluit dat volledig voldoet aan de eisen van de nieuwe wet is een STOP-TPOD plan. STOP-TPOD is de afkorting van de Standaard voor officiële publicaties (STOP) en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). De software die daarvoor gebruikt moet worden functioneert nog niet optimaal, zodat er tijdelijke voorzieningen getroffen zijn door het Rijk. Om het omgevingsplan aan te kunnen passen is er op dit moment een tijdelijke mogelijkheid om een wijziging van het omgevingsplan te maken dat ook volledig voldoet aan de eisen vanuit de Omgevingswet. Er is voor 2024 een tijdelijke maatregel genomen zodat het omgevingsplan van de gemeente wel gewijzigd kan worden met gebruik van de 'oude' bestemmingsplan software 'Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO) . Dit heet een Tijdelijke Alternatieve Maatregel en een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is door de Minister in 2021 beschikbaar gesteld om urgente gebiedsontwikkeling niet te laten vertragen. Dit
blad 57 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
plan is een TAM-omgevingsplan voor de ondergrondse verkabeling van een hoogspanningsverbinding.
5.1.4
Wat is een TAM-omgevingsplan? TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die hun omgevingsplan nog niet kunnen wijzigen in het formaat STOP/TPOD. Dit geldt zowel voor gemeenten die om technische redenen niet kunnen werken met STOP/TPOD, als voor gemeenten die technisch al wel kunnen werken met STOP/TPOD, maar om andere redenen ervoor kiezen om in de beginfase TAM-IMRO te gebruiken om hun omgevingsplan te wijzigen. Een combinatie van factoren maakt dat de gemeente Zutphen, net als veel andere gemeenten, vooralsnog kiest voor de toepassing van TAM-IMRO. Het gaat bijvoorbeeld om nog niet goed functionerende techniek van software en het landelijk Omgevingsloket. Maar ook onduidelijkheden over en onbekendheid met de nieuwe technische standaarden voor het omgevingsplan. De basis van de regels in dit TAM-omgevingsplan is de staalkaart van de grote energiebedrijven in Nederland. Hierin hebben ze de activiteiten beschreven die van belang zijn bij de aanleg en het beschermen van ondergrondse kabelverbindingen. Deze regels lijken op de dubbelbestemmingen uit de bestemmingsplannen (Leiding - Hoogspanning). Deze regels zijn opgesteld met het oog op een omgevingsplan structuur. Met de oude software is het niet mogelijk om met deze nieuwe structuur te werken. De regels zijn omgezet naar de TAM-IMRO systematiek, waarbij gebruik wordt gemaakt van de regels zoals gesteld in de staalkaarten.
Het TAM-omgevingsplan heeft ook een verbeelding. Deze lijkt op de verbeelding van het bestemmingsplan. De verbeelding geeft aan in welk gebied de regels van toepassing zijn. Het gaat dan om de exacte ligging van de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding en de bijbehorende beschermingsstrook. Het TAM-omgevingsplan wordt een onderdeel van het omgevingsplan van Zutphen. In Zutphen is ervoor gekozen om ontwikkelingen voorlopig op te nemen in Hoofdstuk 21 van het omgevingsplan. Elke ontwikkeling zal dan een eigen titel in dit hoofdstuk zijn. Voor de verkabeling Zutphen zijn hiervoor Hoofdstuk 21, Titel 1 voor het noordelijke deel en Hoofdstuk 21, Titel 2 voor het zuidelijke deel van toepassing. De komende periode zal de gemeente een definitieve structuur en opbouw van het omgevingsplan bepalen. Als die bepaald is dan kunnen op termijn alle TAM-omgevingsplannen ook omgezet worden in deze definitieve structuur. Voor het omzetten heeft de gemeente tot 2032 de tijd. Dit is een werkwijze die vele gemeenten op dit moment toepassen totdat de standaarden bekend en bepaald zijn en volledig werken.
5.1.5
Bestaande rechten en dit TAM-omgevingsplan De mogelijkheden die het (voormalige) bestemmingsplan aan de gebruikers van de gronden gaf blijven in principe in stand. Alle regels uit de voormalige bestemmingsplannen blijven namelijk bestaan naast dit plan. Wel is het zo dat de regels van dit plan voorrang krijgen op de andere plannen. Dit heeft te maken met de belangenafweging die gedaan is door de gemeente naar het veilig en optimaal functioneren van de energievoorziening. Het kan dus voorkomen dat, met name bij activiteiten in of op de bodem in het werkingsgebied van dit plan, activiteiten alleen zijn toegestaan nadat de leidingbeheerder toestemming gegeven heeft.
blad 58 van 66
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21 Titel 21.2 ondergrondse verkabeling Zutphen Zuid
Gemeente Zutphen Projectnummer 0490876.100
5.2
Toelichting op de regels De regels van het TAM-omgevingsplan lijken op de regels van een bestemmingsplan. Ze geven aan voor welke activiteiten de gronden gebruikt mogen worden en voor welke activiteiten ook niet. Dit TAM-omgevingsplan regelt de aanleg van een ondergrondse kabelverbinding en tevens ook het gebruik dat boven deze kabels is toegestaan. Daarbij geldt nogmaals dat alle activiteiten die nu ook op grond van de (oude) bestemmingsplannen mogen toegestaan zijn tenzij ze een gevaar vormen voor het functioneren van deze kabelverbinding. Wel dient in een aantal gevallen vooraf toestemming gevraagd te worden voor deze activiteiten aan de betreffende leidingbeheerder. Hieronder zal dit verder toegelicht worden. Preambule De preambule zorgt ervoor dat het TAM-omgevingsplan in samenhang met het omgevingsplan gelezen kan worden. Met de preambule wordt bijvoorbeeld het TAM-omgevingsplan gelezen als Hoofdstuk 21, Titel 21.2 van het omgevingsplan en worden de artikelen ook gelezen als artikel 21.2.1, 21.2.2, 21.2.3, etc. Hiermee wordt duidelijk dat het TAM-omgevingsplan juridisch gezien een onderdeel is van het omgevingsplan en ook als zodanig moet worden gelezen. Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1: Toepassingsbereikbepaling In dit artikel wordt het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan weergegeven.