CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

984062 - Bijlage 8 (motivering) - Weging waterbelang

Raadsvergadering 23 juni 2025, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplanwijzigingen project verkabeling hoogspanning Zutphen15.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 hebben we onze doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.

Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanigte

invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar extreem

zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van

weer.

Veilig gebied We zorgen voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat

in

2050 onze keringen voldoen

aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheerop een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie

Wij willen in het uitvoeren van onze primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we

onze

taken

klimaatneutraal

uitvoeren.

Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het

gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een opperviaktewatersysteem te bereiken dat optimaal s voor ecologisch functioneren en biodiversiteiten natuurwaarden

daarbinnen

en -buiten bevordert.

De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met

onze partners (zoals gemeenten en provincies), inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke

bron: Handreiking Watertoetsproces 3, 2009, door Helpdesk Water 2

ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.

12.

De watertoets en waterparagraaf

Een goed gesprek tussen initiatiefnemer, gemeente en waterschap over de kansen en aandachtspunten van water in een plangebied in de startfase van de planvorming maakt een integrale aanpak mogelijk. Met behulp van de watertoets kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een

groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de watertoets moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de watertoets: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig

2.

Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemerof gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan

relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien.

3.

Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met

het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. We adviseren in de omgevingsvisie en omgevingsplannen in de waterparagraaf een stapsgewijze benadering van het huidige en toekomstige watersysteem op te nemen. Deze bestaat uit de volgende stappen: 1.

Omschrijf het huidig watersysteem

2.

Omschrijfde visie op het watersysteem n het plangebied. Houdt hierbij rekening klimaatontwikkeling en benut uitkomsten uit stresstesten voor wateroverlast, droogte, hitte en overstroming.

3.

Omschrijf de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op het watersysteem.

4.

Omschrijf welke maatregelen worden genomen om met de gevolgen om te gaan. Hierbij geldt als uitgangspunt, dat de ontwikkeling waterneutraal en klimaatrobuust is.

13. _ Vragen voor de weging van het waterbelang In de watertoets komen de in onderstaande tabel opgenomen thema's en vragen aan de orde. Als het

antwoord op één of meer van onderstaande vragen ‘ja' is, raakt het plan een waterbelang en is de Watertoets van toepassing (resultaat 2 of 3, zie 1.2.). Neem dan contact op met het waterschap. Als het antwoord op alle vragen ‘nee’ is, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang, en kan

volstaan worden met de standaard waterparagraaf (resultaat 1, zie 1.2). De vragenlijst kan ook digitaal doorlopen worden op dewatertoets.nl.

Thema

1 Algemeen

Vraag

Relevant

* Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/

stedenbouwkundige visie?

Ja/Nee

2. Beheereen

e Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast?

Ja/Nee

onderhoud

e Ligt in of nabij het plangebied een watergang?

Ja/Nee

3. Veiligheid

* Ligt in of nabij het plangebied een waterkering (primaire waterkering,

regionale waterkering, overige kering of kade)?

Ja/Nee

* van Ligt een het plangebied in een overstromingsgevoelig gebied of winterbed | ‚yee rivier?

* toe Neemtmet inmeer het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating | /nee dan 500m?? * toe Neemtmet inmeer het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating |, /yee dan 1500m?? © Bevindt het plan zich in een waterbergingsgebied, laaggelegen gebied of 4. Klimaatadaptatie

wsteroverlaat)

beekdal? e Is er n of rondom het gebied wel eens sprake (geweest) van

wateroverlast of blijkt er gevoeligheid voor wateroverlast uit de

JaNee Ja/Nee

klimaatatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatias) * Is het plangebied gevoelig voor hittestress? (bekijk hiervoor de x klimaatatlas)

Ja/Nee

* begane-grondvloer Is het verschil ussen minder de hoogte van de weg ende bovenzijdevande dan 30 centimeter? « Is in of nabij het plangebied oppervlaktewater aanwezig of gepland?

S. Waterkwaliteit

6. Afvalwaterketen

| ‚yee _

[Ja/Nee

| e Bevindt het plan zich in een gebied met speciale functie (zoalsKRW, _ |a yyee EVZ, N2000, natte landnatuur, zwemwater)? e Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?

Ja/Nee

* rioolgemaal/ Ligt in of nabij persleiding/ het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie/ gemengde overstort?

Ja/Nee

+ Wordt regenwater afgevoerd naar de rioolwaterzuivering?

Ja/Nee

* Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor

verontreinigingen kunnen afspoelen en het oppervlaktewater mogelijk vervuild

« Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?

7. Grondwater-

beheer

_

[Ja/Nee

+ Bevindt het plan zich in een kwelgebied ?

Ja/Nee

« Is afstand tussen GHG en bovenkant vloer kleiner dan 80 cm?

Ja/Nee

* Ligt het plan in beschermingszone of intrekgebied van een

Ja{Nee

« ondergrond? Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de

Ja/Nee

(drink)wateronttrekking?

< Worden drainagevoorzieningen aangelegd binnen een

8.beleving Recreatieeen

| /a/nee

raakt?

beperkingengebied voor drainage? e Wordt recreatief medegebruik van wateren en oevers mogelijk gemaakt?

Ja/nee Ja/Nee

e Ligt in het plangebied een beschermd watererfgoed?

Ja/Nee

14 Welke ontwikkelingen voorzien we de komende jaren? De implementatie van de Omgevingswet zal veel veranderen. De gemeenten moeten de wateraspecten in hun omgevingsvisies en omgevingsplannen opnemen, en het overleg met de waterschappen speelt hierin een

belangrijke rol. Goede afstemming vanaf het begin van het planproces is belangrijk voor het stellen van lokale prioriteiten, lokale sturing en duidelijkheid voor initiatiefnemers.

2.

Beheer en onderhoud (en inrichting)

Het waterschap is verantwoordelijk voor beheer en onderhoud van oppervlaktewater. 21

Doel

Het beheer en onderhoud van het watersysteem is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden of te verbeteren. Het gaat bij watergangen zowel om waterkwantiteit en -kwaliteit, als om beeldkwaliteit en waterbeleving. Het reguliere onderhoud bestaat voornamelijk uit het maaien van de water- en oevervegetatie. 2.2. Uitgangspunten Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het

waterschap (of zijn aannemers) mogelijkte zijn. In situaties waar de ruimte beperkt is, bijvoorbeeld bij stedelijke herontwikkeling, is vroegtijdige afstemming met het waterschap nodig om te komen tot maatwerk.

In de Legger zijn kern- en beschermingszones vastgelegd, waarin de breedte van onderhoudsstroken is opgenomen. De onderhoudsstroken dienen vrijgehouden te worden van obstakels. De beheervorm en -frequentie wordt afgestemd op de functie die aan de watergang is toegekend. Hierbij

wordt ook rekening gehouden met recreatief medegebruik en natuurwaarden, Dit wordt in een streefbeeld voor het onderhoud vastgelegd. Met name in stedelijk gebied wordt daarbij ook afgestemd met de gemeentelijke onderhoudsdiensten. Ook kunnen afspraken gemaakt worden over onderhoud door andere partijen.

2.:

Vragen voor de wef

g van het waterbelang

Zie toelichting in paragraaf 1.3. e _ Overweegt u water aan te leggen of te dempen, of aan te passen? e _ Ligt in of nabij het plangebied een watergang?

NB. Bij wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de kern- en beschermingszone is de Keur van het waterschap van toepassing en gelden algemene regels of een vergunningplicht.

3.

Waterveiligheid en waterkeringen

Het waterschap beschermt zijn inwoners tegen overstromingen 3.

Doel

Met de aanleg en instandhouding van waterkeringen beschermen we inwoners tegen overstromingen door rivieren. Primaire en regionale waterkeringen hebben een functie voor de waterveiligheid, overige keringen en

kades voor het beperken van wateroverlast. Met de benadering van meerlaagse veiligheid waarborgen we niet alleen het veiligheidsniveau van de dijken,

maar bevorderen we ook het verstandig gebruik van de ruimte die beschermd wordt door waterkeringen. We willen de gevolgen van overstromingen beperken door een passende ruimtelijke inrichting en

calamiteitenbestrijding. 3.2.

Uitgangspunten

Het winterbed van rivieren en waterkeringen met bijbehorende beschermingszones hebben als primaire functie het bieden van veiligheid tegen overstromingen. Ontwikkelingen in deze gebieden zijn enkel toegestaan, als ze het functioneren ervan niet belemmeren. Zo mag de sterkte van een waterkering niet

aangetast worden en het onderhoud aan de waterkering niet belemmerd worden. Bij werkzaamheden in de keurzone van de waterkering dient in overleg met het waterschap een watervergunning aangevraagd te worden.

We staan open voor robuuste oplossingen waarin de veiligheid is geïntegreerd in het ontwerp, bijvoorbeeld multifunctionele waterkeringen. Zo kunnen we verschillende ruimtelijke opgaven combineren. Het werken aan meerlaagse veiligheid is maatwerk. We adviseren gemeenten en ontwikkelaars om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig vorm te geven dat de gevolgen van een overstroming en wateroverlast beperkt blijven.

Dit betekent 0.a. dat bij voorkeur niet gebouwd wordt in laaggelegen gebieden; dat kwetsbare functies en vitale infrastructuur aangelegd worden boven het niveau waarop het water kan komen in geval van een overstroming.

3.3. _ Vragen voor de weging van het waterbelang Zie toelichting in paragraaf 1.3.

e _ Ligt in of nabij het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering, overige kering of kade)? e _ Ligt het plangebied in winterbed van een rivier of een overstromingsgevoelig gebied?

3.4.

_

Welke ontwikkelingen voorzien we de komende jaren?

Primaire keringen worden in de periode 2017 — 2023 voor de eerste keer beoordeeld op basis van de nieuwe

normen. We verwachten dat veel keringen niet voldoen aan de nieuwe normen en versterkt mosten worden. Dit betekent dat het profiel kan wijzigen en in sommige gevallen beschermingszones verbreed kunnen worden.

4.

Klimaatadaptatie

Het waterschap anticipeert samen met de gemeente op klimaatverandering 41

Doel

De klimaatverandering heeft betrekking op onze taken voor waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. We willen watersysteem zo inrichten, dat het beter bestand is tegen de effecten van de verwachte klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere droge perioden. We bevorderen het maken van bewuste

keuzes om risico's te beperken of te accepteren. Om inzicht te krijgen in de kwetsbaarheid voor weersextremen hebben alle gemeenten, waterschappen,

provincies en het Rijk samen met de betrokkenen in hun gebied stresstesten uitgevoerd. Deze stresstesten worden vervolgens iedere zes jaar herhaald. De resultaten van de stresstest worden verwerkt in een

klimaatatlas. In de gemeentelijke klimaatatlassen worden de volgende effecten van klimaatverandering in beeld gebracht: wateroverlast (door zowel hoosbuien als langdurige regen), hittestress, droogte en overstromingen. Het waterschap adviseerten ondersteunt gemeenten bij het maken van de klimaatatlassen.

De resultaten van de stresstesten worden meegewogen bij de advisering in ruimtelijke plannen. 42.

Uitgangspunten

Een ruimtelijk plan is in principe waterneutraal, dus veroorzaakt geen wijziging van waterpeilen of aan-/afvoer van water. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Door versnelde afvoer van hemelwater wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar op

benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook s er geen aanvulling van het grondwater. Om versnelde afvoer tegen te gaan hanteren we bij ruimtelijke plannen de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Dit betekent dat hemelwater

zoveel mogelijk wordt vastgehouden op de plek waar het valt. Hiervandaan kan

het infiltreren in de bodem of vertraagd worden afgevoerd naar het watersysteem. In ruimtelijke plannen met een toename van verharding zijn infiltratie- of waterbergende voorzieningen nodig

om het plan waterneutraal te maken. Onze uitgangspunten voor het ontwerp van infiltratie- en waterbergingsvoorzieningen zijn: - _ Inlandelijk gebied is een regenbui

T=10+10%

maatgevend. De hoeveelheid neerslag die valt in deze

bui moet in het plangebied worden geborgen, waarna dit kan infiltreren of vertraagd wordt afgevoerd. - _ Inbebouwd is een regenbui T=100+10% maatgevend voor de dimensionering van de waterhuishoudkundige voorzieningen. Hierbij mag het waterpeil vanuit het oppervlaktewater tot aan

straatpeil stijgen, waarbij geen waterschade aan bouwwerken, hoofdinfrastructuur en spoorwegen mag ontstaan.

Een uitgebreidere toelichting op de uitgangspunten en de berekening van de bergingsopgave is te lezen in de

bijlage Uitgangspunten voor waterneutraal bouwen. Bij ontwikkelingen met een toename van verharding groter dan 1500 m? kan het waterschap vragen om waterhuishoudkundig plan, dat aantoont dat de wijze van berging effectief is, en dat er geen effecten zijn op het omliggende gebied. Daarnaast vraagt in stedelijk gebied ook de interactie met riolering om bijzondere aandacht.

Verder adviseren we om bewust te zijn van de gevolgen van (kortdurende) extreme buien met een intensiteit van 60 - 150 mm/uur. Bij deze buien kan niet al het water verwerkt worden door de riolering en zal waterop straat kunnen ontstaan. Het ontwerp van een wijk bepaalt waar het water naar toe kan stromen en waar

schade ontstaat. Door middel van een stresstest kan een beeld gevormd worden van de robuustheid en klimaatbestendigheid van het systeem. We streven naar afkoppeling van bestaand verhard oppervlak van het rioolstelsel. Zo ontlasten we het rioolstelsel en de rioolwaterzuiveringen en verminderen we de kans op vervuilende overstorten van het gemengd riool. Bij afkoppeling van bestaand verhard oppervlak moet minimaal 20 mm

hemelwater n een

infiltratievoorziening geborgen worden. Als de overlaat van het hemelwaterrioolstelsel op dezelfde watergang loost als voorheen de gemengde overstort, dan is geen extra berging noodzakelijk. Als de overlaat loostop een andere watergang, dan is afstemming met het waterschap nodig om te bepalen wat de benodigde extra

bergingscapaciteit is.

oorkeur worden natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale waterbergingsgebieden en

overstromingsvlaktes niet bebouwd. In waterbergingsgebieden zijn ontwikkelingen enkel toegestaan, als ze het functioneren van het waterbergingsgebied niet belemmeren.

4: Vragen voor de weging van het waterbelang Zie toelichting in paragraaf 1.3.

e _ Heeft het plan uitbreiding van het verhard oppervlak met meer dan 500 m? tot gevolg? e _ Heeft het plan uitbreiding van het verhard oppervlak met meer dan 1500 m? tot gevolg? e _ Bevindt het plan zich in een waterbergingsgebied, laaggelegen gebied of beekdal? e _ Is in of rondom het gebied wel eens sprake (geweest} van wateroverlast of blijkt er gevoeligheid voor

wateroverlast uit de klimaatatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas)? e _ Is het plangebied gevoelig voor hittestress? e _ Is het verschil tussen de hoogte van de weg en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter?

44.

Welke ontwikkelingen voorzien we?

Wanneer met de stresstesten de kwetsbare plekken voor weersextremen n kaart zijn gebracht, zal gewerkt gaan worden aan een aanpak om te komen tot een meer waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting. Hiervoor zal een samenwerking tussen de verschillende overheden en betrokkenen in het gebied nodig

Hierbij ligt voor het waterschap de nadruk op wateroverlast en de verslechtering van de waterkwaliteit als gevolg van de toename van droogte.

;

S.

Waterkwaliteit (Schoon water)

Waterschappen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater 51

Doel

De kwaliteit van het oppervlaktewater op orde brengen en houden t.b.. volksgezondheid en natuur. De oppervlaktewaterkwaliteit kan een risico vormen voor de volksgezondheid. Bij ontwikkelingen in stedelijk gebied dient rekening gehouden te worden met mogelijke kwetsbaarheid van de waterkwaliteit voor droge

perioden. Met name ondiepe, kleine, stagnante en geïsoleerde wateren, zoals retentievijvers en moerasachtige watersystemen, kunnen gevoelig zijn voor blauwalg en botulisme.

De doelen voor oppervlaktewaterkwaliteit t.b.v. ecologie zijn vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water (KRW). De waterschappen hebben voor alle wateren in hun beheersgebied aangegeven wat de ecologische doelstellingen

zijn. Voor de chemische kwaliteit zijn normen vastgelegd door de EU. Nieuwe ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de waterkwaliteit tot gevolg hebben en de doelstellingen vanuit de KRW niet belemmeren. Daarnaast mag ook de inrichting van wateren met een natuurfunctie (HEN, SED of EVZ) met de voorgenomen

ontwikkeling niet worden geschaad of belemmerd. En nieuwe ontwikkelingen mogen geen negatieve invloed hebben op de waterhuishouding in Natura2000 gebieden en gebieden met natte natuur. 5.2. _ Uitgangspunten Schoon hemelwater wordt, waar mogelijk, binnen het plangebied in de bodem geïnfiltreerd. Wanneer vanuit het plangebied hemelwater op het oppervlaktewater wordt geloosd, mag de waterkwaliteit van het

ontvangende water niet verslechteren. Wanneer functies mogelijk

gemaakt worden die een negatieve invloed op de waterkwaliteit kunnen hebben,

worden deze benoemd. Ook wordt beschreven welke maatregelen worden genomen om de kwaliteit van het waterte waarborgen en mogelijk in de toekomst te verbeteren. Voorbeelden van maatregelen die getroffen kunnen worden, zijn: een bodempassage in een berm of wadi of filtering d.m.v. een helofytenfilter, chemisch filter of mechanisch

filter.

In stedelijk gebied streven we naar een

inrichting van het watersysteem waarbij ook in droge perioden de

waterkwaliteit op orde blijft. Bij voorkeur wordt hemelwater geborgen in droogvallende voorzieningen, zoals wadi’s. Wanneer toch gekozen wordt voor aanleg van opperviaktewater, zoals retentievijvers, dient in het ontwerp rekening gehouden te worden met voldoende volume, waterdiepte en verversing van het water,

zodat de kans op blauwalg en botulisme zo klein mogelijk is. Bij een recreatieve bestemming moet de waterkwaliteit te waarborgen zijn.

5

Vragen voor de weging van het waterbelang

Zie toelichting in paragraaf 1.3. e

s inof nabij het plangebied oppervlaktewater

aanwezig of gepland?

e _ Bevindt het plan zich in een gebied met speciale functie (zoals KRW, EVZ, N2000, natte landnatuur, zwemwater)?

Welke ontwikkelingen voorzien we? Wij

zijn in 2021 gestart met een periodieke monitoring van het stedelijke water. Wij verwachten dat er locaties

zijn waar de waterkwaliteit verbeterd moet worden met watersysteemmaatregelen of met ruimtelijke maatregelen.

10

6.

Afvalwaterketen

Waterschappen en gemeenten zijn samen verantwoordelijk voor het goed functioneren van de afvalwaterketen. 6

Doel

Wij streven naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen. Wij treden daarom in een vroeg stadium met gemeenten in gesprek over nieuwe ontwikkelingen. Hemelwater wordt min mogelijk afgevoerd

naar de afvalwaterzuivering, zodat meer water in de bodem wordt vastgehouden, de efficiëntie van de waterzuivering vergroot wordt, en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater

wordt teruggedrongen.

Een toename van afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de rioolgemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) dienen de toename te kunnen verwerken, zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. 6.2.

Uitgangspunten

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt hemelwater in het plangebied geïnfiltreerd of geborgen en vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bestaande verharding wordt waar mogelijk afgekoppeld van de riolering. De gemeente communiceert over afgekoppelde gebieden en hieraan verbonden beperkingen voor particulieren.

Bij een toename van het afvalwater controleert het waterschap of deze mogelijk is binnen de bestaande capaciteit van de rwai.

Persleidingen blijven bereikbaar voor beheeren onderhoud en in calamiteitenfase. Bebouwing en/of beplanting binnen de belangenstrook van de persleiding is daarom niet toegestaan. In de milieuzonering van de rwzi’s en rioolgemalen worden geen hindergevoelige

functies mogelijk gemaakt.

Andere geldende voorwaarden zijn beschreven n de Beleidsregels zuiveringstechnische werken. 6.3.

_

Vragen voor de weging van het waterbelang

Zie toelichting in paragraaf 1.3. e _ Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd? « _ Ligt in of nabij het plangebied een rwzi/ rioolgemaal/ persleiding/ gemengde overstort? e

Wordt regenwater afgevoerd naar de rioolwaterzuivering?

e _ Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor verontreinigingen kunnen afspoelen en het oppervlaktewater mogelijk vervuild raakt? e _ Zijneer kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?

6.4.

__ Welke ontwikkelingen voorzien we?

Er ontstaan juridisch mogelijkheden voor decentrale zuivering. Vooruitlopend op nieuwe regels is decentrale

zuivering in de vorm van pilots bespreekbaar. Voor lozing op de bodem moet initiatiefnemer afspraken maken met gemeente. Voor lozing op oppervlaktewater met het waterschap.

11

7.

Grondwaterbeheer

Nieuwe ontwikkelingen ondervinden geen grondwateroverlast en veroorzaken dit ook niet. 71.

Doel

We streven naar doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Nieuwe functies sluiten aan bij het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime. Hiermee willen we structurele overlast door te hoog grondwater voorkómen en verdroging door te laag grondwater tegengaan. 72 Uitgangspunten Bij grondwaterbeheer in stedelijk gebied zijn particulieren, gemeente, provincie en waterschap betrokken, met

elk hun eigen verantwoordelijkheden. Het peilbeheer en onderhoud van het watersysteem is gericht op het handhaven van het gewenst grond- en opperviaktewaterregime (GGOR). Voor het grootste deel van het beheergebied is deze gewenste situatie gelijk aan de actuele situatie. In een aantal gebieden is er een doelstelling bijvoorbeeld om de verdroging van natuur te verminderen.

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn ten minste grondwaterneutraal. Dit betekent dat ze niet mogen leiden

tot wijziging van de grondwaterstand. We adviseren niet te bouwen in gebieden met een hoge grondwaterstand of kwel, of de bouwwijze hierop aan te passen. In zettingsgevoelige gebieden wordt rekening gehouden met de bodemgesteldheid en de relatief hoge grondwaterstanden. Ook als slecht doorlatende lagen

in het plangebied voorkomen, wordt de bouwwijze aangepast om grondwateroverlast te voorkomen. Aangepaste bouwwijzen zijn 0.a. extra ophogen of kruipruimteloos en waterdicht bouwen. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden moeten in nieuwe ruimtelijke plannen voldoende maatregelen worden genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen. Als ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling bestaande watergangen moeten worden

gedempt worden maatregelen genomen om wateroverlast als gevolg van de demping tegen te gaan. Nieuwe functies mogen geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater. We adviseren n

nieuwe bebouwing en verharding geen uitlogende en milieubelastende materialen te gebruiken. 7.3.

_

Vragen voor de weging van het waterbelang

Zie toelichting in paragraaf 1.3. en vragen in 5.3 e _ Bevindt het plan zich in een kwelgebied? Is afstand

tussen

GHG

en bovenkant

vloer

kleiner dan

80 cm?

Ligt het plan in beschermingszone of intrekgebied van een (drink)wateronttrekking?

Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? Worden drainagevoorzieningen aangelegd binnen een beperkingengebied voor drainage? 7.4. _ Welke ontwikkelingen voorzien we? Vanuit de Koers Voorraadbeheer streven wij naar nul op de balans. De grondwatervoorraad mag niet verder worden uitgeput. De staat van de balans brengen wijin beeld. We verwachten dat ook bij nieuwe ruimtelijke

ontwikkelingen extra inspanningen nodig zijn om een positieve bijdrage te leveren aan deze waterbalans.

12

8.

Recreatie en beleving

Water beïnvloedt de beleving van de openbare ruimte: 81

_

Doel

Zichtbaaren beleefbaar water draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. We streven naar een aantrekkelijk, herkenbaar en leefbaar watersysteem. Recreanten gebruiken het oppervlaktewater en de

waterkeringen om te wandelen, te varen, te zwemmen, te vissen en te schaatsen. We stimuleren dit gebruik waar mogelijken stemmen het waar nodig af op de belangen van anderen.

We beschermen cultuurhistorische objecten die een link hebben met water(beheersing) door behoud en ontwikkeling. 82.

Uitgangspunten

Het waterschap stelt zich positief op bij initiatieven van anderen voor inrichting en gebruik en denkt mee over kansen en mogelijkheden. We stellen waar mogelijk onze eigendommen open voor recreatief medegebruik, zoals wandelen, vissen en

kanoën. We verlenen medewerking aan evenementen op en langs het water, zolang dit veilig is en niet ten koste gaat van het functioneren van het watersysteem. Ook wegen we de belangen van aanliggende functies zoals natuur, landbouw, wonen zorgvuldig af. We stimuleren om vooral in de aangewezen provinciale zwemwateren te zwemmen. Zwemmen

in ander

opperviaktewater is, op eigen risico, wel toegestaan, maar er is geen toezicht op zwemwaterkwaliteit en veiligheid. Op de website www.zwemwater.nl is informatie te vinden over de waterkwaliteit en veiligheid van zwemwater.

8.3.

_

Vragen voor de bepaling van de Watertoetsprocedure

Zie toelichting in paragraaf 1.3 en vraag paragraaf 5.3 e _ Wordt recreatief medegebruik van wateren en oevers mogelijk gemaakt? e _ Ligt in het plangebied een beschermd watererfgoed?

13

Weging van het Waterbelang

o

Verkabeling Zutphen

projectnummer 0486826.100

anteagroup

12 juni 2024 revisie 00 Girion 8.

Bijlage 3 Beleidsregel 1.4 Kabels en leidingen

blad 38 van 38

Waterschap ‘ Rijn en IJssel Beleidsregel 1.4 141

Kabels en leidingen in en nabij waterkeringen

Kader

Onderwerp en toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het leggen, wijzigen en verwijderen van kabels en leidingen inclusief alle bijbehorende voorzieningen en appendages in de kernzone, de beschermingszone, het profiel van vrije ruimte en de buitenbeschermingszone 1 (voor drukleidingen) van waterkeringen binnen het beheergebied van waterschap Rijn en IJssel. Drainageleidingen en horizontale bodemwarmtewisselaars vallen ook onder het toepassingsgebied van deze beleidsregel. Lozende leidingen worden beschouwd als waterkerende kunstwerken. Deze vallen onder Beleidsregel 1.3 (Bouw)werken in, op en nabij waterkeringen. Relatie met de waterschapsverordening

Op grond van de waterschapsverordening is het verboden zonder vergunning van het bestuur:

e

een kabel of leiding aan te leggen of te behouden die een oppervlaktewaterlichaam kruist, voor zover de kabel of leiding wordt aangelegd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam binnen de kernzone of beschermingszone van een primaire waterkering, regionale waterkering, zomerkade of kade. Tenzij de kade wordt gekruist.

e

een kabel of leiding aan te leggen of te behouden die een oppervlaktewaterlichaam binnen de kernzone of beschermingszone van een primaire waterkering, regionale waterkering, zomerkade, voor zover de kabel of leiding: -

wordt aangelegd door een damwand, duiker of inspectieput; wordt aangelegd op minder dan 10 m afstand tot een bestaand of gepland kunstwerk; een buitendiameter heeft groter dan 0,3 m; wordt aangelegd op een diepte van minder dan 1 m beneden het leggerprofiel van het oppervlaktewaterlichaam; wordt aangelegd op een diepte van minder dan 1 m beneden de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam; of bij het kruisen van een duiker: l _ wordt aangelegd op minder dan 1 m onder de binnenonderkant van een duiker; of

I. _ wordt aangelegd aan de bovenzijde van een duiker met een tussenliggende

gronddekking van minder dan 0,2 m of een gronddekking heeft van minder dan 0,5 m op de kabel of leiding. «

een kabel of leiding aan te leggen of te behouden in de kernzone van een waterkering of de beschermingszone van een waterkering.

e

een werk met overdruk te plaatsen in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone 1 van een waterkering. o Het verbod geldt niet in de buitenbeschermingszone 1 van een waterkering als de berekende verstoring die optreedt bij een beschadiging of calamiteit: bij een grotere beschermingszone dan 15 meter, buiten de beschermingszone blijft en buiten de zone die vanaf de beschermingszone punt daalt met een helling van 1:5 uit de richting van de waterkering; of - _ buiten de zone blijft die 15 meter horizontaal gemeten vanuit de teen van de waterkering begint en vanaf dat punt daalt met een helling van 1:5 uit de richting van de waterkering.

Waterschap ‘ Rijn en IJssel Begripsbepaling e Appendages: voorzieningen in leidingsystemen zoals afsluiters, ontlastkleppen, veiligheidskleppen, ventielen en drukregulatiesystemen; « Bijbehorende voorzieningen: voorzieningen die noodzakelijk zijn vanuit

waterkeringtechnische overwegingen of voor het in goede staat behouden van het kabelof leidingnet, zoals kwelschermen, kleikisten, kathodische bescherming en afsluiters; e «

Dämmeren: het blijvend, volledig vullen en waterdicht afdichten van buiten gebruik gestelde leidingen. Dämmeren is een alternatief voor het verwijderen van leidingen; Horizontale bodemwarmtewisselaar: een gesloten horizontaal in de ondiepe ondergrond liggend leidingsysteem waarmee warmte aan de bodem wordt onttrokken en bovengronds wordt afgeven aan een warmtepomp;

«

Kabel:

«

alle kabels zoals elektriciteits-, data- en telecommunicatiekabels.

Glasvezelkabels

vallen niet onder kabels omdat deze altijd in een mantelbuis worden gelegd. Mantelbuis: een drukloze leiding ter bescherming van kabels en/of mediumvoerende leidingen, vaak gelegen onder wegen, op- en afritten, bouwwerken of beplanting. Een mantelbuis wordt getoetst als leiding.

1.4.2

Doel van de beleidsregel

Met deze beleidsregel biedt het waterschap inzicht in de wijze waarop het aanleggen,

wijzigen en verwijderen van kabels en/of leidingen in of nabij waterkeringen wordt beoordeeld. Bij kabels en/of leidingen in (de nabijheid van) een waterkering is het van belang dat de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd. Daarnaast mogen het beheer en onderhoud van de waterkering niet worden belemmerd.

1.4.3

Motivering van de beleidsregel

Waterschap Rijn en IJssel is terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen binnen de kernzone, beschermingszone en het profiel van vrije ruimte (en drukleidingen in de buitenbeschermingszone) van de waterkering. Verstoringen

Kabels en leidingen kunnen de waterkerende functie van de waterkering aantasten door verstoringen in de ondergrond, zowel bij de aanleg als bij het beheer en onderhoud van deze werken. Breuk van een leiding kan leiden tot verweking van de ondergrond waardoor materiaal kan wegspoelen en de grondmechanische stabiliteit van de waterkering wordt aangetast. Bij breuk van drukleidingen met een explosieve stof kan bij explosie een verstoringszone ontstaan. De grootte van de schade aan een waterkering door verweking of explosie is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de druk, de diameter, de aanwezigheid van (trekvaste) koppelingen en de lokale situatie. Aanlegtechnieken Voorgeschreven aanlegtechnieken voor het aanleggen van kruisende kabels en leidingen in of nabij waterkeringen zijn open ontgraving of een HDD-boring (horizontal directional drilling).

Overige aanlegtechnieken zoals rakettechniek, persing, spoelboring zijn niet toegestaan. Leidingkruisingen Een kruisende leiding vormt als het ware een ongewenste tunnel door de waterkering. Om het risico op falen van de waterkering zo klein mogelijk te houden moet een leidingkruising aan bepaalde criteria voldoen. Om bij leidingbreuk verdere schade te voorkomen moet een kruisende leiding altijd afgesloten en drukloos gemaakt kunnen worden.

Waterschap ‘ Rijn en IJssel Parallelle tracés kabels en leidingen In de lengterichting in de waterkering lopende kabels en leidingen zijn niet toegestaan omdat deze een groot risico vormen voor de stabiliteit van de waterkering. Parallelle ligging van kabels en leidingen buiten het dijkprofiel van de waterkering (dus in de zoneringen van de waterkering) is eveneens niet toegestaan tenzij (maatschappelijke) belangen of plaatsgebondenheid dit verlangen. In dat geval moet de kabel/leiding op een zo groot mogelijke afstand van de waterkering worden gelegd. Hiermee worden de risico's op instabiliteit van de waterkering verkleind. Drainage

Soms is het wenselijk een drainagesysteem aan te leggen voor bijvoorbeeld het ontwateren van (landbouw)percelen. Drainage binnen het dijkprofiel van de waterkering brengt een risico met zich mee

omdat dit extra kwelwater kan aantrekken; dit kan de stabiliteit van de

waterkering ondermijnen. Maar drainage kan ook waterstaatkundige voordelen met zich meebrengen. In dat geval moet de drainageleiding voor dat specifieke doel zijn aangelegd. Voorbeelden zijn de afvoer van het spanningswater van de waterkering en het voorkomen van ophopend hemelwater.

1.4.4 1.

Toetsingscriteria

Onderhoud

De kabel/Ileiding moet in goede staat van onderhoud verkeren. 2.

NEN

3650

Bij een vergunningaanvraag voor een leiding of mantelbuis moeten relevante berekeningen conform de NEN 3650-serie worden aangeboden, tenzij: -

het een drukleiding of mantelbuis betreft met buitendiameter < 110 mm en/of een inwendige druk < 3 bar, en de leiding of mantelbuis middels open ontgraving wordt aangelegd (zowel parallelle ligging als kruisend), en het toegepaste leidingmateriaal minimaal PE80-SDR11 is.

3.

Open ontgraving: aanleg van een kruisende kabel/leiding binnen de kernzone en beschermingszone, aanleg van een kruisende drukleiding in de buitenbeschermingszone 1

e

De kabel/leiding moet zo haaks mogelijk worden aangelegd.

e e

De kabel/leiding moet het dijkprofiel van de waterkering volgen. De kabel/Ieiding moet in de kruin, aan de buitendijkse zijde van de waterkering worden voorzien van een kleikist en een kwelscherm (een kwelscherm is niet nodig bij kabels met

een buitendiameter s 50 mm). e

De grondlagen en erosiebestendige bekleding die door de aanleg van een kabel/leiding zijn verstoord, moeten volledig worden hersteld volgens de oorspronkelijke grond- en laagopbouw.

4.

HDD-boring: aanleg van een kruisende kabel/leiding binnen de kernzone en beschermingszone, aanleg van een kruisende drukleiding in de buitenbeschermingszone 1 Aanleg van een kruisende kabel/Ieiding door het dijkprofiel middels HDD is toegestaan indien aan alle onderstaande

« e

criteria wordt voldaan:

de kabel/leiding moet zo haaks mogelijk worden aangelegd; uit de kwelwegberekening, het grondonderzoek en de sterkteberekening volgens de NEN 3650-serie (alleen voor leidingen) moet blijken dat de waterkerende functie van de waterkering gewaarborgd blijft. De initiatiefnemer moet dit (laten) aantonen;

Waterschap ‘ Rijn en IJssel « e e

de HDD-boring moet worden uitgevoerd in het watervoerend pakket op een diepte van minimaal 10 meter onder de teen van de waterkering; uit het grondonderzoek moet blijken dat het grindgehalte in het watervoerende pakket minder bedraagt dan 40%; binnen de kern- en beschermingszone van de waterkering mogen de ondoorlatende lagen niet doorboord

worden;

e

bij kruisingen met verticale waterkerende constructies zoals damwanden en kwelschermen moet de bovenzijde van de kabel/leiding ten minste 5 meter onder de onderzijde van de constructie liggen;

«

tijdens het intrekken van de leiding of mantelbuis moet het boorgat over de gehele lengte worden gevuld met een hiervoor geschikt materiaal zoals Drill-grout of gelijkwaardig.

5. Parallel tracé kabel/leiding Een parallel aan de waterkering lopende kabel of (druk)leiding moet op een zo groot mogelijke afstand van de waterkering worden gelegd, doch in ieder geval buiten de veiligheidszone en buiten het profiel van vrije ruimte, tenzij dit aantoonbaar niet mogelijk is vanwege zwaarwegende (maatschappelijke) belangen of plaatsgebondenheid. 6.

Vervanging en uitbreiding

e

Een aanvraag voor het vervangen van bestaande kabels en leidingen op dezelfde locatie in of nabij waterkeringen wordt getoetst aan de vigerende beleidsregels.

e

Vervanging en uitbreiding van kabels en leidingen in bestaande tracés in of nabij waterkeringen is alleen toegestaan indien: - de aanleg van nieuwe tracés buiten de zoneringen niet mogelijk is, en/of; - de aanleg van nieuwe tracés buiten de zoneringen een onevenredig grote investering vraagt;

-

7.

de aanleg van nieuwe tracés binnen de zoneringen aantoonbaar noodzakelijk is vanwege zwaarwegende (maatschappelijke) belangen of plaatsgebondenheid. Invloed nieuwe kabels en leidingen op bestaande kabels en leidingen

Een nieuw aan te leggen kabel of leiding mag geen negatieve invloed hebben op reeds aanwezige kabels en/of leidingen. 8.

Afsluiters

Een leiding moet drukloos gemaakt kunnen worden en afsluitbaar zijn. 9. Leiding uit één stuk Een kruisende leiding binnen de kernzone of beschermingszone moet uit één stuk bestaan. 10.

Mantelbuizen

« «

Een mantelbuis wordt beoordeeld als een leiding. Het gebruik van een mantelbuis is toegestaan indien: - er aantoonbaar geen andere mogelijkheid bestaat voor het aanleggen van een kabel of leiding zonder mantelbuis; - middels HDD-boring wordt aangelegd.

«

Een mantelbuis moet blijvend waterdicht worden afgesloten.

11. Aftakkingen, aansluitingen en appendages in kernzone en beschermingszone Aftakkingen, aansluitingen en appendages in een leiding zijn niet toegestaan in de kernzone en beschermingszone van de waterkering, huisaansluitingen uitgezonderd.

Waterschap ‘ Rijn en IJssel 12.

Kabels voor openbare verlichting

Kabels voor het openbare verlichtingsnet zijn alleen toegestaan indien: - er verlichting technisch geen alternatieven bestaan; - deze in of nabij de binnenkruinlijn van de waterkering worden aangelegd. 13. Kabel/leiding door waterkerende constructie Indien een kabel/leiding een waterkerende constructie (zoals een damwand of kwelscherm) kruist, moet de opening tussen de kabel/leiding en de constructie waterdicht worden gemaakt en gehouden.

14. Buiten gebruik gestelde kabel/leiding Een kabel of leiding die zijn functie heeft verloren en niet meer wordt gebruikt, moet in zijn geheel worden verwijderd uit alle zoneringen van de waterkering. Wanneer een leiding niet kan worden verwijderd, moet deze gedämmerd worden. De leidingbeheerder moet in dat geval eerst (laten) aantonen dat verwijdering niet mogelijk is. Bij dämmeren moeten tevens alle noodzakelijke werkzaamheden worden uitgevoerd om negatieve effecten voor de stabiliteit van de waterkering tot een minimum te beperken.

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving.

Je vindt

bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve

oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste

resultaat te gaan.

Op deze manier

iciperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen.

Al 70 jaar.

Contactgegevens Rivium

Westlaan

72

2909 LD Capelle aan den IJssel Postbus 8590 3009 AN Rotterdam

www.anteagroup.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=29749ed8-1e56-4735-a1ca-5e0d84b51bef