CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

984062 - Bijlage 2 (regels) - Voortoets stikstofdepositie

Raadsvergadering 23 juni 2025, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplanwijzigingen project verkabeling hoogspanning Zutphen16.524 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ook geldt dat het gebrek aan kalkrijke kwel zorgt voor te zure omstandigheden. Daarnaast lijkt een klein deel te voedselrijk (Natuurdoelanalyse). Ten aanzien van de parameter ‘structuur en functie’ wordt aan 3 van de 4 eisen voldaan. Aan de optimale omvang vanaf enkele hectares wordt niet voldaan (Natuurdoelanalyse). Naast stikstofdepositie beschrijft de Natuurdoelanalyse voor Landgoederen Brummen de volgende knelpunten ten aanzien van Vochtige heiden: diepe ontwatering binnen en buiten gebied, grondwaterverontreiniging, bebossing/bosopslag, stikstofdepositie, ongunstige abiotische omstandigheden, beperkte omvang areaal, geïsoleerde ligging belemmert de connectiviteit, invloed van gebiedsvreemde stoffen en onvoldoende kennis over kwaliteit van het grondwater (Natuurdoelanalyse).

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

27

Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 §3.2) Ter instandhouding van het habitat worden cyclische maatregelen getroffen zoals uitmijnen, maaien en verwijderen van exoten (Beheerplan, Natuurdoelanalyse). Van het maaien van Blauwgraslanden is bekend dat er per ingreep steeds een grote hoeveelheid stikstof aan het systeem onttrokken. Onderzoek door Van den Berg et al. (2014) laat zien dat het maaien en afvoer van Blauwgrasland leidt tot een stikstofafvoer van 0,8 – 1,5 Kmol N/ha. Daarnaast zijn voor het habitattype de volgende maatregelen geborgd (Natuurdoelanalyse): - afplaggen (afgerond in 2017; Beheerplan) en extra maaien geplagde terreinen; - verwijderen bouwvoor (deels nog uit te voeren); - hydrologisch herstel d.m.v. interne en externe maatregelen: o verleggen, verondiepen, dempen en/of opstuwen van drainerende beken; o dempen van greppels en sloten binnen het Natura 2000-gebied zelf; o herinrichten van aangrenzende agrarische percelen (afgraven bouwvoor, dempen sloten); - functieverandering van agrarisch naar natuur; - monitoring grondwater en verkenning verbindingszone; - Verkenning verbindingzones. Ook met een deel van deze maatregelen wordt stikstof in een orde van honderden mol uit het systeem afgevoerd. Effectbeoordeling (vragen 4 en 5 §3.2) Het habitattype Blauwgraslanden komt in Landgoederen Brummen voor met een stabiele oppervlakte en kwaliteit (Natuurdoelanalyse).

De kwaliteit van het oppervlak is ondanks een lichte tot matige overschrijding van de KDW goed. In de Natuurdoelanalyse is beoordeeld dat het vastgestelde pakket aan maatregelen de realisatie van de instandhoudingsdoelen borgt, mits de voorgenomen maatregelen om de grondwatercondities verbeteren niet door klimaatsverandering onder druk komen te staan. De ontoereikende grondwaterstand vormt namelijk het grootste knelpunt ten aanzien van de instandhoudingsdoelen van het habitat. De uitgevoerde en geplande hydrologische maatregelen moeten leiden tot een verbetering van de standplaatscondities door toestroming van basenrijk grondwater. Verder wordt met het reguliere beheer per ingreep een grote hoeveelheid stikstof in een orde grootte van honderden mol N per ha/jr uit het gebied afgevoerd. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr heeft geen effect op het rendement van de beschreven maatregelen. In de Natuurdoelanalyse is beoordeeld dat het vastgestelde pakket aan maatregelen de realisatie van de instandhoudingsdoelen mogelijk maakt. Verslechtering van het habitat is ondanks een overschrijding van de KDW niet aan de orde en de instandhoudingsdoelstellingen liggen binnen bereik. De projectbijdrage leidt niet tot een significante kwaliteitsafname van de vegetatie.

De projectbijdrage verzwaart of beperkt de opgave tot verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van oppervlak niet. Significant nadelige gevolgen op (het behalen van) instandhoudings-doelen voor habitattype H6410 - Blauwgraslanden zijn op voorhand op basis van objectieve gegevens uitgesloten.

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

28

4.3.6

H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst De KDW van het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst wordt in Landgoederen Brummen op het gehele oppervlak (51 ha) overschreden (Tabel 4.3). Op 34 ha overbelast oppervlak vindt een projectbijdrage plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. De maximale achtergronddepositie van dit oppervlak bedraagt 2.074 mol N/ha/jr. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 3.2) De instandhoudingsdoelen voor Beuken-eikenbossen met hulst in Landgoederen Brummen zijn behoud van het oppervlak en de kwaliteit. Op basis van de T1habitattypekaart is de trend in oppervlak stabiel. Het habitattype is in de T1-situatie op vergelijkbare locaties aanwezig als in de T0-situatie maar ook op nieuwe locaties (Natuurdoelanalyse). De vegetatieve kwaliteit is over het hele oppervlak goed. Ten aanzien van het aspect ‘typische soorten’ is de kwaliteit beoordeeld als goed. Binnen het gekarteerde oppervlak zijn 7 van de 8 typische waargenomen in de periode 2016-2021. Ten aanzien van de abiotiek ontbreken vlakdekkende gegevens betreft de zuurgraad, vochttoestand en voedselrijkdom, maar gezien de goede kwaliteit van de vegetaties lijkt het aannemelijke dat aan de abiotische factoren wordt voldaan (Natuurdoelanalyse). Ook aan alle eisen voor de parameter ‘structuur en functie’ wordt voldaan.

Gezien het habitattype goed scoort op kwaliteit, positieve trend voor oppervlakte kent zijn er geen knelpunten voor het habitattype op dit moment (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 3.2) Voor het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst zijn de volgende maatregelen geborgd (Natuurdoelanalyse): periodiek dunnen, het verwijderen van exoten in de ondergroei en het verkennen van het creëren van mogelijke verbindingszones. Deze maatregelen zijn gericht op functioneel herstel van het habitat (Hommel et al, 2016). Effectbeoordeling (vragen 4 en 5 §3.2) De kwaliteit van Beuken- eikenbossen is ondanks een lichte tot matige overschrijding van de KDW goed en de trend in oppervlakte positief. Er zijn momenteel geen knelpunten voor dit habitattype anders dan het gebrek aan connectiviteit. In de Natuurdoelanalyse is beoordeeld dat het vastgestelde pakket aan maatregelen de realisatie van de instandhoudingsdoelen mogelijk maakt. Verslechtering van het habitat is ondanks een overschrijding van de KDW niet aan de orde en de instandhoudingsdoelstellingen liggen binnen bereik. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een deel van het habitat doet geen afbreuk aan deze conclusie. De projectbijdrage heeft geen invloed op het rendement van dit beheer en leidt niet tot een noodzaak voor intensiever beheer of aanvullende maatregelen.

Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Beuken- eikenbossen met hulst als gevolg van de tijdelijke projectbijdrage zijn daarmee uitgesloten.

4.3.7

H91E0C – Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) De KDW van het habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) wordt in Landgoederen Brummen op het gehele oppervlak (16 ha) overschreden (Tabel 4.3). Op

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

29

2,7 ha overbelast oppervlak vindt een projectbijdrage plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. De maximale achtergronddepositie van dit oppervlak bedraagt 1.982 mol N/ha/jr. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 3.2) De instandhoudingsdoelen voor Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in Landgoederen Brummen zijn behoud van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. De trend in oppervlak en kwaliteit zijn beide negatief. Ten opzichte van de T0-situatie is het oppervlak in de T1-situatie afgenomen van 20,9 ha naar 16 ha. De onderliggende oorzaak is vermoedelijk verdroging (Natuurdoelanalyse). De vochtige vegetatietypes zijn in de T1situatie in kleine oppervlaktes (Elzenzegge-Elzenbroek & Vogelkers-Essenbos) of geheel niet meer waargenomen (Rompgemeenschap met Grote brandnetel van het Onderverbond der vochtige Elzen Essenbossen). In plaats daarvan zijn juist twee rompgemeenschappen waargenomen die duiden op voedselrijkere omstandigheden. De huidige kwaliteit van de huidige vegetatie die tot het habitattype behoort is grotendeels goed (Natuurdoelanalyse). De kwaliteit ten aanzien van het aantal typische soorten is ook beoordeeld als matig. In de periode 2014-2020 zijn slechts 8 van de 19 typische soorten waargenomen in het gekarteerde oppervlak (Natuurdoelanalyse).

Voor de abiotische omstandigheden geldt dat voor overstroming, voedselrijkdom en het zoutgehalte wordt voldaan aan de eisen. Voor een deel van het habitattype is onduidelijk of de omstandigheden wel nat genoeg zijn. Daarnaast zijn grote delen te zuur. Voor de eisen aan structuur en functie geldt dat voor 4 van de 9 eisen wordt voldaan en 4 van de 9 voldoen niet. Naast stikstofdepositie beschrijft de Natuurdoelanalyse voor Landgoederen Brummen de volgende knelpunten ten aanzien van Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen): diepe ontwatering binnen en buiten het gebied, grondwaterverontreiniging, grondwateronttrekking, bebossing/bosopslag, dumpen tuinafval/exoten, ongunstige abiotische omstandigheden, voldoet niet aan optimale functionele omvang en onvoldoende connectiviteit (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 3.2) Voor het habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) zijn de volgende (onderzoeks)maatregelen geborgd (Natuurdoelanalyse): - hydrologisch herstel d.m.v. interne en externe maatregelen: o verleggen, verondiepen, dempen en/of opstuwen van drainerende beken; o dempen van greppels en sloten binnen het Natura 2000-gebied zelf; o herinrichten van aangrenzende agrarische percelen (afgraven bouwvoor, dempen sloten).

- omvorming van bos naar beekbegeleidend bos; - aanplant van bos met ter plaatse thuishorende soorten; - verwijderen exoten; - functieverandering van agrarisch naar natuur (202 ha); - monitoren grondwaterkwaliteit; - ecohydrologisch onderzoek vochtig alluviaal bos; - verkenning verbindingzones. In de herstelstrategie van het habitattype wordt hakhoutbeheer genoemd als een effectieve maatregel om de effecten van stikstofdepositie tegen te gaan (Beije et al, 2016). Door het

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

30

oogsten van hout kan stikstof in een orde van 0,4 tot 0,9 Kmol N/ha/jr uit het systeem worden onttrokken (De Jong, 2011). Houtoogst kan plaatsvinden door omvorming van bos en het verwijderen van exoten. Voor de maatregelen die betrekking op hydrologisch herstel en de aanplant van soorten die in het habitattype thuishoren geldt dat ze bijdragen op functioneel herstel van het habitat (Hommel et al, 2016). Zo neutraliseert de toestroom van voldoende, basenhoudend en schoon water de vermestende- en zuurinvloed van stikstofdepositie (Beije et al, 2016). Ook kan de aanplant van soorten die thuishoren in het habitat leiden tot een betere vertering van bladstrooisel, waardoor een betere basenverzadiging in de bodem ontstaat en bovendien meer stikstof wordt vastgelegd in stabiele humus (Beije et al, 2016). Effectbeoordeling (vragen 4 en 5 §3.2) In de Natuurdoelanalyse is beoordeeld dat het vastgestelde pakket aan maatregelen de realisatie van de instandhoudingsdoelen mogelijk maakt. Verslechtering van het habitat is ondanks een overschrijding van de KDW niet aan de orde en de instandhoudingsdoelstellingen liggen binnen bereik (Natuurdoelanalyse). De matige kwaliteit van het habitat heeft hangt vooral samen met de ontoereikende waterkwaliteit en grondwaterstand (Natuurdoelanalyse). Maatregelen worden uitgevoerd om de knelpunten aan te pakken.

Tegelijkertijd wordt met de maatregelen die leiden tot houtoogst stikstof uit het systeem afgevoerd. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op geen afbreuk aan het rendement van de maatregelen. De projectbijdrage heeft geen invloed op het rendement van dit beheer en leidt niet tot een noodzaak voor intensiever beheer of aanvullende maatregelen. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) als gevolg van de tijdelijke projectbijdrage zijn daarmee uitgesloten.

4.3.8

Habitatrichtlijnsoorten Landgoederen Brummen is aangewezen voor de Habitatrichtlijnsoort Kamsalamander. Voor de Kamsalamander zijn in Landgoederen Brummen geen leefgebieden aanwezig, wel stelt de Natuurdoelanalyse dat het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen onderdeel vormt van het leefgebied. Aangezien op het habitattype H3130 geen sprake is van een stikstofbijdrage op (naderend) overbelast habitat, zijn significant nadelige gevolgen als gevolg van projectbijdrage op de instandhoudingsdoelen van dit habitattype uitgesloten, evenals nadelige gevolgen ten aanzien van de instandhoudingsdoelen van Kamsalamander.

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

31

5 Conclusie In dit hoofdstuk wordt de conclusie van de ecologische beoordeling stikstof weergegeven op basis van de informatie uit de vorige hoofdstukken en in cumulatie met andere vergunde, maar nog niet gerealiseerde projecten.

5.1

Effectbeoordeling effecten door stikstofdepositie Het project levert gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar een tijdelijke stikstofbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr op overbelaste hexagonen in Natura 2000gebied Rijntakken en maximaal 0,01 mol N/ha op overbelaste hexagonen in Natura 2000gebied Landgoederen Brummen. Op andere Natura 2000-gebieden in de omgeving is geen sprake van een projectbijdrage op stikstofgevoelig habitat en zijn effecten als gevolg van het project op voorhand uit te sluiten.

5.1.1

Instandhoudingsdoelen, kwaliteit, knelpunten en maatregelen Rijntakken In Rijntakken geldt dat op drie habitattypen (H6120, H6510A & H9120) en leefgebiedtype Lg11 sprake is van een tijdelijke projectbijdrage op (naderend) overbelast habitat. Voor deze habitattypen gelden behoud- en verbeterdoelen ten aanzien van oppervlakte en kwaliteit. De vegetatiekwaliteit van de habitattypen in de Rijntakken varieert van matig tot goed, ook op plekken waar de KDW al decennialang wordt overschreden door de ADW. Zoals de Ecologische Autoriteit (2024a) benadrukt is de informatie over de kwaliteitsparameters sterk verouderd en geeft ze geen goed beeld van de huidige kwaliteit. Ook wordt stikstofdepositie niet benoemd als knelpunt in de Natuurdoelanalyse, omdat wordt aangenomen dat de depositie op korte termijn onder de KDW zal dalen. De kwaliteit van habitattypen hangt samen nauw met de continuïteit van het beheer doordat invloed van de rivierdynamiek door menselijk handelen zeer beperkt is. Als gevolg daarvan wordt de successie niet meer teruggezet en vindt beperkt afzet van kalkrijk zand plaats. Voor de het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst geldt dat het beperkte areaal en het gebrek aan connectiviteit de knelpunten vormen.

Maatregelen om de instandhoudingsdoelen te halen hebben vooral betrekking op continuering van het huidige beheer en goede afspraken met agrarische gebiedscollectieven ter bescherming van de Kwartelkoning. Ook zijn bronmaatregelen nodig om de achtergronddepositie te doen dalen.

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

32

Landgoederen Brummen In Landgoederen Brummen geldt dat op vier habitattypen sprake is van een tijdelijke projectbijdrage op (naderend) overbelast habitat. Voor deze habitattypen gelden behouden verbeterdoelen ten aanzien van oppervlakte en kwaliteit. De vegetatiekwaliteit van de habitattypen in Landgoederen Brummen grotendeels goed en deels matig. Oppervlakte van goede kwaliteit zijn aanwezig, ook op plekken waar de KDW wordt overschreden door de ADW. De kwaliteit van de vochtige habitattypen met een projectbijdrage staat onder druk als gevolg van verdroging, wat de toevoer van basenrijk grondwater beperkt. Verder speelt de geïsoleerde ligging van het Natura 2000-gebied ten opzichte van overeenkomende habitattypen een belangrijke rol. Ten aanzien van de habitattypen waarbij sprake is van een projectbijdrage stelt de Natuurdoelanalyse dat de instandhoudingsdoelen binnen bereik liggen, mits klimaatsverandering de effecten van de hydrologische maatregelen in de toekomst niet te veel onder druk zet. De beschreven maatregelen hebben vooral betrekking op het herstellen van het hydrologisch systeem, een vereiste die ook door de Ecologische Autoriteit (2024b) wordt benadrukt.

5.1.2

Effectbeoordeling De tijdelijke stikstofbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr (gedurende twee jaar) als gevolg van het verkabelingsproject Zutphen leidt niet tot een wezenlijke verandering in de plaatselijke achtergronddepositie. De tijdelijke bijdrage gedurende twee aaneengesloten jaren heeft geen reëel effect op de trend van de achtergronddepositie. Tijdelijke projectbijdragen met deze orde van grootte (maximaal 0,02 mol N/ha) leiden gedurende twee jaar niet tot acute effecten op habitattypen. De projectbijdrage betreft maximaal 0,2% van de stapgrootte waarin de KDW is bepaald en valt weg tegen de jaarlijkse fluctuaties in de achtergronddepositie. De tijdelijke projectbijdrage zal niet leiden tot significante verslechtering van de habitatkwaliteit, dat wil zeggen, tot een verschuiving naar een andere zuurgraad- of voedselrijkdomklasse, zoals beschreven in de profieldocumenten. De voorgenomen en/of reeds uitgevoerde instandhoudingmaatregelen gericht op het herstellen van de dynamiek en de waterhuishouding, zijn bedoeld om de (interne) eutrofiëring te beperken. De tijdelijke projectbijdrage staat de effectiviteit van deze duurzame maatregelen niet in de weg. Door voorgenomen en/of reeds uitgevoerde beheer- en herstelmaatregelen wordt biomassa aan het ecosysteem onttrokken in een orde van grootte van enkele Kmol N per hectare.

De tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr (gedurende twee jaar) staat de effectiviteit van deze maatregelen niet in de weg. Significant negatieve gevolgen op de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebiedtypen in de Natura 2000-gebieden met een projectbijdrage zijn daarmee op voorhand op basis van objectieve gegevens uitgesloten.

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

33

Kwaliteit op lange termijn Om de kwaliteit voor alle habitattypen op lange termijn te waarborgen, de afhankelijkheid van beheer te beperken en de invloed van natuurlijke processen te vergroten, is een afname van de depositie noodzakelijk (Ecologische Autoriteit, 2024a & 2024b). Dit betekent een daling van enkele honderden mol in de Natura 2000-gebieden met een projectbijdrage, afhankelijk van de locatie van de habitattypen. Deze opgave wordt niet verzwaard door de tijdelijke project-bijdrage (zie ook Precisie en trend ADW).

5.2

Cumulatie Bij de auteur van dit rapport zijn geen andere vergunde projecten bekend die in dezelfde periode als de werkzaamheden leiden tot een tijdelijke depositie op de Natura 2000gebieden Rijntakken en Landgoederen Brummen. Mochten er vergunde projecten zijn die in dezelfde periode leiden tot een vergelijkbare depositie (enkele honderdsten tot enkele tientallen mol N/ha/jr) op de betrokken Natura 2000-gebieden, dan leidt deze bijdragen cumulatief evenmin tot significant negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelen. Behalve voor het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst in Natura 2000-gebied Rijntakken geldt dat alle habitattypen waarop een projectbijdrage plaatsvindt dat de instandhoudingsdoelen binnen bereik liggen (Natuurdoelanalyse). De kwaliteit van het areaal Beuken-eikenbossen met hulst is in Rijntakken echter van goed, de instandhoudingsdoelen staan vooral onder druk door het geringe oppervlak en gebrek aan connectiviteit. Indien er vergunde projecten of handelingen zijn die een groter effect kunnen hebben op (de instandhoudingsdoelen van) de Natura 2000-gebieden, dient dit project met die grotere projectbijdrage cumulatief te worden beoordeeld.

Significant nadelige gevolgen op habitattypen en leefgebieden in de hier besproken Natura 2000-gebieden, in cumulatie met bekende projecten, of enkele onbekende projecten met een vergelijkbare of lagere depositie, zijn op voorhand uitgesloten.

5.2.1

Specifieke zorgplicht Met deze toetsing is voor het aspect ‘stikstof’ invulling gegeven aan de specifieke zorgplicht, zoals vermeld in Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Artikel 11.6 lid 2a en 2b.

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

34

Literatuur Adams, A.S., H.P.J, Huiskes, K.V. Sykora & N.A.C. Smits. 2016a. Herstelstrategie H6120: Stroomdalgraslanden. Adams, A.S., K.V. Sykora & N.A.C. Smits. 2016b. Herstelstrategie H6150A: Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver). Beije, H.M., P.W.F.M. Hommel, R.W. de Waal & N.A.C. Smits. 2016. Herstelstrategie H91E0C: Vochtige alluviale bossen (beek begeleidende bossen). De Jong, J.J. 2011. Effecten van oogst van takhout op de voedingstoestand en bijgroei van bos. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2202. Dorland, E., J. Pingen, J. Kusters & J. Ex. 2017. PAS-gebiedsanalyse 038 Rijntakken. Provincie Gelderland & KWR Water Ecologische autoriteit. 2024a. Advies over de Natuurdoelanalyse Rijntakken, provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht. Ecologische autoriteit, Utrecht. Ecologische autoriteit. 2024b. Advies over de Natuurdoelanalyse Landgoederen Brummen, provincie Gelderland. Ecologische autoriteit, Utrecht. Lansink, D. 2025a. Passende beoordeling – stikstofdepositierapport. Verkabeling Zutphen-Zuid. Documentnr. 20240530-486826.101-dep-rap-Verkabeling Zutphen Zuid-rev02. Anteagroup, Heerenveen. Lansink, D. 2025b. Passende beoordeling – stikstofdepositierapport. Verkabeling Zutphen-Noord. Documentnr. 20241125-486826.101-dep-rap-Verkabeling Zutphen Zuid-rev01. Anteagroup, Heerenveen. Provincie Gelderland. 2018. Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (038).

Provincie Gelderland, Arnhem. Provincie Gelderland. 2022. Landgoederen Brummen (58). Ontwerp-beheerplan Natura 2000gebied. Provincie Gelderland, Arnhem. Provincie Gelderland. 2023a. Natuurdoelanalyse Rijntakken (38). Eindconcept Provincie Gelderland. Arcadis Nederland B.V., Amersfoort. Provincie Gelderland. 2023b. Natuurdoelanalyse Natura 2000 Landgoederen Brummen (58). Eindconcept. Arcadis, Amersfoort. Runhaar, H. 2017. Pas-gebiedsanalyse 058 Landgoederen Brummen. Natura 2000 Steunpunt Natura 2000. 2010. Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingswet. Steunpunt Natura 2000, Ede. Smits, N.A.C., H.M. Beije, A.J.M. Janssen, L. van Tweel-Groot, J. Smits & J.J. Vogels. 2020. Herstelstrategie H4010A: Vochtige heiden (hogere zandgronden). Van den Berg L., R. Loeb & R. Bobbink. 2014. Mitigatie N-depositie Zeetoegang IJmond: inschatting stikstofafvoer door PAS- herstelmaatregelen. Onderzoekcentrum B-WARE Radboud Universiteit Nijmegen, Nijmegen. Van Dobben, H.F., R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg. 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000., Rapport 2397, Alterra, Wageningen. Laurijsse, R.F.J.A., (2015). Stikstofdepositie ten

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

35

gevolge van woningbouwontwikkeling Lange Weeren te Volendam. Rapport O 15635-1-RA001. Peutz, Zoetermeer.

Geraadpleegde websites www.aerius.nl www.clo.nl www.natura2000.nl/gebieden

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

36

Bijlage I

Wat doet stikstof

Wat doet stikstof? Stikstof is een onmisbare bouwsteen en voor het leven met name van belang in de vorm van nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+). In veel natuurlijke en half-natuurlijke ecosystemen zijn plantensoorten aangepast aan nutriëntenarme omstandigheden waarbij (onder andere) stikstof beperkend is voor de groei. Neemt de depositie van stikstof in de vorm van stikstofoxides (NOx) en ammoniak (NH3) toe, dan is er risico op vermestende en verzurende effecten doordat NOx en NH3 in de bodem worden omgevormd tot nitraat en ammonium waardoor voor de vegetatie veel voedingsstoffen beschikbaar komen. De thema’s verzuring en vermesting maken al vanaf de jaren negentig deel uit van het nationale natuur- en milieubeleid. Een hoge stikstofdepositie vormt een belangrijke bedreiging voor de biodiversiteit (Wallis De Vries & Bobbink, 2017). Een toename van de atmosferische stikstofdepositie in een voorheen onbelast gebied vergoot de beschikbaarheid van stikstof in bodem of water, en leidt zodoende tot een verhoogde opname van stikstofverbindingen door vegetatie. Dit proces wordt eutrofiëring genoemd. Een langdurige toename van stikstofdepositie bevordert snelgroeiende soorten. Dit kan leiden tot het verdwijnen van kenmerkende soorten van voedselarme omstandigheden omdat zij juist zijn aangepast aan een lage stikstofbeschikbaarheid (Smits & Bal, 2014).

Wanneer de hoeveelheid stikstof in de bodem toeneemt, neemt de concurrentiekracht van deze soorten ten opzichte van snelgroeiende soorten af. Verzuring, oftewel afname van de buffercapaciteit, is een langetermijnproces dat ook van nature plaatsvindt door carbonzuur of organische zuren, maar wat (zeer sterk) versneld kan worden door de toevoer van zure of verzurende stoffen uit de atmosfeer. Afhankelijk van de bodemsamenstelling kan dit complexe proces leiden tot een lagere pH, verhoogde uitspoeling van kationen, verhoogde concentraties aan toxische metalen (vooral van aluminium) en veranderingen in de verhouding tussen nitraat en ammonium in de bodem (Smits & Bal, 2014). Plantensoorten van kalkrijke of licht zure habitattypen zijn aangepast aan nitraat als stikstofbron, of een combinatie van nitraat en ammonium, terwijl dat onder zure omstandigheden juist ammonium is. Verzuring leidt dan ook tot een verandering in de soortensamenstelling en vormt een bedreiging voor kenmerkende soorten van zwak gebufferde systemen, vooral Rode-lijstsoorten. Algemene of dominante plantensoorten worden niet beïnvloed of juist gestimuleerd. In zeer sterk gebufferde systemen speelt verzuring geen rol, wat niet wegneemt dat ze gevoelig zijn voor het vermestende effect van stikstof en doorwerking in de voedselketen (Bobbink & Weijters, 2018).

De verhoogde stikstofniveaus kunnen verder leiden tot een hogere gevoeligheid voor droogte en ziekten. Verhoogde stikstofniveaus kunnen ook leiden tot een verandering van het stikstofgehalte in de plant, wat de gevoeligheid voor (plaag)insecten kan vergroten en doorwerkt in de voedselketen (Wallis De Vries & Bobbink, 2017; Smits & Bal, 2014).

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

37

Ontwikkeling stikstofdepositie Rond 1900, aan het begin van de vorige eeuw, lag de achtergronddepositie (ADW) in Nederland onder de 500 mol N/ha/jaar, en daarmee onder de kritische depositiewaarde (KDW) van de voor stikstof zeer gevoelige habitattypen. Vanaf 1900 is de stikstofdepositie toegenomen, eerst gestaag en vanaf 1960 steeds sneller. In de jaren negentig werden de hoogste waarden bereikt. In 1990 bedroeg de gemiddelde stikstofdepositie in Nederland ruim 2.700 mol N/ha. In 2010 daalde de stikstofdepositie tot rond de 1.600 mol N/ha. Na enkele jaren van stagnatie is de depositie inmiddels weer gestegen tot 1.730 mol N/ha/jr (situatie 2018). Dit komt doordat de depositie van gereduceerd stikstof sinds 2005 niet verder is gedaald en sinds 2010 weer toegenomen (bron www.clo.nl). De stagnatie van de daling sinds 2005 en de stijging sinds 2009 in ammoniakdepositie zijn vooral toe te schrijven aan hogere ammoniak uitstoot door uitbreiding van de veestapel (www.clo.nl).

Kritische depositiewaarde voor stikstof (KDW): de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Beneden deze grens treden geen significant schadelijke effecten op (Van Dobben et al., 2012).

Beheer- en herstelmaatregelen bij stikstofdaling Het spontaan herstel van habitattypen verloopt, ook bij een afname van de depositie, in het algemeen traag. Dit kan een gevolg zijn van het feit dat de stikstofdepositie, hoewel afgenomen, nog steeds te hoog is, of doordat een geschikte zaadbank of andere zaadbronnen ontbreken. Ook kunnen vegetaties in een overbelaste situatie in een alternatieve stabiele staat komen wat voorkomt dat eerder verdwenen en kenmerkende soorten weer terug kunnen komen (Stevens, 2016). In dergelijke gevallen zijn actieve herstelmaatregelen nodig om de kwaliteit te verbeteren en uitbreiding te realiseren. Herstelmaatregelen Verzuring en vermesting staan niet los van elkaar, maar versterken elkaar. Om de verzurende en vermestende effecten van een te hoge stikstofdepositie het hoofd te bieden bestaan er twee herstelstrategieën: het verwijderen van de extra geaccumuleerde stikstof en het vergroten van de buffercapaciteit in verzuurde systemen (Smits & Bal, 2014). • Verwijdering van geaccumuleerde stikstof kan op verschillende manieren gebeuren en is afhankelijk van het type habitat. Voorbeelden van herstelmaatregelen zijn: extra maaien en afvoeren, plaggen, drukbegrazing of baggeren. Met deze maatregelen wordt een aanzienlijke hoeveelheid stikstof uit het systeem verwijderd. Deze maatregelen zijn uitvoerbaar in half-natuurlijke ecosystemen.

Ze kunnen het best op kleine schaal worden toegepast. Het succes van herstelmaatregelen kan bij continuering van hoge depositieniveaus een beperkt effect hebben, wat betekent dat op termijn opnieuw moeten worden ingegrepen. Dit is wederom ingrijpend voor flora en fauna. Ook intensivering van het beheer met als doel het afvoeren van extra stikstof kan een negatief effect hebben op de biodiversiteit en leiden tot ongewenste verstoring van de nutriëntenbalans in de bodem (Jones et al, 2017; de Keersmaeker et al, 2016;

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

38

•

Nijssen et al., 2014). Voor bepaalde habitattypen leidt het verwijderen van organisch materiaal tot een dusdanige verarming van het systeem dat dit type maatregel geheel onwenselijk is (Vangansbeke et al, 2015; De Keersmaeker et al, 2016). Een maatregel om verzuring tegen te gaan in droge ecosystemen is bekalking (na plaggen). Een andere maatregel is het herstellen van de toestroom aan bicarbonaatrijk, basisch en kationenrijk grond- of oppervlaktewater. Afhankelijk van de situatie kan dit door herstel van kwel, overstroming met gebufferd, schoon oppervlaktewater of bekalking van het inzijgingsgebied (Smits & Bal, 2014).

Duurzaam herstel van ecosystemen vraagt om een aanpak op landschapsschaal. Als de kenmerkende plantensoorten niet in de zaadbank aanwezig zijn, is de kolonisatie afhankelijk van groeiplaatsen uit de omgeving. Bij dieren is het van belang dat binnen een ecosysteem de verschillende levensfase worden ondersteund. Natuurlijke landschappen zijn afwisselend door de dynamiek via wind, vuur, grond- en oppervlaktewater, grote herbivoren en hun predatoren. In onze halfnatuurlijke landschappen is deze sturende rol grotendeels door de mens overgenomen (Smits & Bal, 2014). Beheermaatregelen Om een versnelde successie in half-natuurlijke landschappen tegen te gaan is actief beheer nodig. Met regulier beheer kan op regelmatige basis een grote hoeveelheid stikstof worden afgevoerd (Van den Berg et al., 2014). Door maaien en afvoeren kunnen hoeveelheden stikstof worden afgevoerd die vergelijkbaar zijn met de orde van de plaatselijke achtergronddepositie. De afgevoerde hoeveelheid stikstof kan daarbij plaatselijk enkele honderden mol per hectare verschillen. Ook tussen de jaren kunnen grote verschillen optreden. Dit is onder andere afhankelijk van hoelang het maaisel blijft liggen voor het wordt afgevoerd (Schaffers et al., 1998; Socher et al., 2013). Het beheer in half-natuurlijke landschappen is maatwerk en afhankelijk van het habitattype en de lokale situatie.

Hooilanden zijn, zoals de naam aangeeft, afhankelijk van een regulier maaien terwijl graslanden en heide veelal afhankelijk zijn van begrazing. Is het beheer op orde, dan is intensivering van het beheer met tot doel stikstof af te voeren als vorm van mitigatie niet wenselijk. Het reduceren van stikstofemissies is de enige duurzame oplossing om de schade als gevolg van een te hoge stikstofbelasting te verminderen (Jones et al., 2017; Van der Bij et al., 2017, Schoukens & Cliquet, 2016; Stevens, 2016; Wallis de Vries & Bobbink, 2017).

Uit veldstudies blijkt dat habitattypes gevoeliger zijn voor een structurele toename in depositie als de achtergronddepositie rond de KDW ligt. Bij een depositie rond de KDW kan een structurele toename van 20 mol N/ha/jaar of hoger bij verlies van soorten optreden (Caporn et al., 2016; Bobbink & Hettelingh, 2011). Effecten als gevolg van een te hoge stikstofdepositie, boven de KDW, zijn meestal pas na enkele jaren en soms pas na tientallen jaren zichtbaar. Omgekeerd kan ook bij verlaging van de depositie pas na jaren verbetering optreden, of treedt dit pas op na actief herstelbeheer (Stevens, 2016).

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

39

Effecten van een tijdelijk verhoogde stikstofdepositie Temporele en ruimtelijke variatie in depositie Het is gebruikelijk om de stikstofdepositie uit te drukken in molen stikstof per hectare per jaar. Dit betreft een middeling over een jaar, terwijl er feitelijk sprake is van allerlei temporele en ruimtelijke variatie. De mate van depositie verandert in de loop van de tijd afhankelijk van de omvang van uitstoot uit de verschillende bronnen, de weersomstandigheden (turbulentie, neerslag) en de ruwheid van de vegetatie. Bij vegetatie gaat het om de hoogte en het bladoppervlak (Leaf Area Index/LAI; Heil et al., 1988 in: Schaffers et al., 1998). Bladeren vangen stikstof in en het bladoppervlak (LAI) is in de zomer groter dan in de winter en kan ook veranderen als gevolg van (maai)beheer. In publicaties over de effecten van stikstofdepositie wordt weinig of geen aandacht gegeven aan de variatie in depositie (Bal, 2014). Ook de beschikbaarheid van stikstof is variabel Depositie in een ecosysteem betekent niet dat alle stikstofverbindingen in het systeem aanwezig blijven. In droge ecosystemen vindt uitspoeling plaats van stikstof dat niet door de vegetatie wordt opgenomen. In natte systemen treedt vooral afbraak op van stikstofverbindingen via denitrificatie door bacteriën. In sommige gevallen wordt daarmee de volledige stikstoftoevoer in een bepaalde periode tenietgedaan.

In bossystemen kan stikstof echter ook lange tijd aanwezig blijven doordat er geen uitspoeling plaatsvindt (Johnson & Turner, 2014). Ook bij het verwijderen van stikstof uit het systeem als regulier beheer kunnen tussen jaren grote verschillen optreden, bijvoorbeeld als gevolg van de productie van het hooiland en wijze van afvoeren van het maaisel (Schaffers et al., 1998). Korte termijneffecten als gevolg van een tijdelijke projectbijdrage (Bal 2014) Acute effecten (binnen een groeiseizoen) kunnen optreden bij zeer hoge stikstofgiften (kilo’s per ha) zoals deze bij bemesting in de landbouw worden toegepast. Bij de depositie uit de lucht, bijvoorbeeld door deposities afkomstig van bouw- en renovatieprojecten, is dit niet aan de orde omdat de depositie te laag blijft om acute effecten te kunnen veroorzaken. Zowel de mate van depositie uit de lucht als de beschikbaarheid van stikstof in de bodem is sterk onderhevig aan variatie als gevolg van het weer, het seizoen, type vegetatie en allerlei andere factoren. Tijdelijke variaties in depositie kunnen een orde van grootte van enkele honderden mol N/ha/jaar bedragen. Effecten als gevolg van een (tijdelijk) verhoogde depositie treden in de natuur bij de huidige niveaus van depositie niet acuut op. Effecten treden geleidelijk op, veelal na een structurele verhoging gedurende een reeks van jaren.

Zoals hiervoor beschreven is er al meerdere decennia sprake van een verhoogde depositie. Ondanks dat de depositie sinds de jaren 1990 flink is gedaald, ligt er nog veel stikstof opgeslagen in de bodem (tenzij dat is afgevoerd via plaggen of baggeren). Deze stikstof is nog steeds als voedingsstof beschikbaar en de verzuring is al opgetreden, dus de gevolgen voor natuur zijn al permanent aanwezig (tenzij er door herstelmaatregelen is ingegrepen in het ecosysteem). Het voortduren van de overmaat (de overschrijding van de KDW) houdt deze situatie in stand. Maar de aard van de effecten is niet zo dat er een snelle reactie is op zowel een stijging als een daling van depositie.

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

40

Concurrentieverhoudingen tussen planten veranderen slechts langzaam als gevolg van veranderingen in stikstofdepositie. Er is in de literatuur geen aanwijzing te vinden dat een tijdelijke depositie genegeerd kan worden bij het bepalen van effecten op habitats. Maar aan de andere kant is het niet zo dat tijdelijke verhogingen direct aantoonbaar zouden leiden tot sterkere effecten op de vegetatie of de fauna. Uit de aard van de processen die optreden als gevolg van stikstofdepositie ligt het niet voor de hand dat er een snelle reactie optreedt op variaties in de tijd. Dergelijke reacties zijn ook nooit waargenomen in natuurgebieden, terwijl de temporele variatie in depositie aanzienlijk is. Korte termijneffecten van een tijdelijke, beperkte verhoging van de stikstofdepositie op habitats zijn uitgesloten daar de vegetatie in het algemeen traag reageert op veranderingen. Belangijker dan de temporele variatie in depositie is de (gemiddelde) totale overschrijding van de KDW. Een tijdelijke depositie zal moeten worden beoordeeld op grond van de bijdrage aan de overschrijding van de KDW, de duur van deze bijdrage én hun effect de uitgevoerde herstelmaatregelen. Beheer, stikstofdepositie en de kwaliteit van graslanden in het rivierengebied Het verkabelingsproject Zutphen draagt onder andere bij aan stikstofdepositie in het riviergebied.

In deze paragraaf wordt de relatie tussen stikstof en de sleutelfactoren voor instandhouding van graslanden in het rivierengebied beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gebiedspecifieke problematiek. De kwaliteit van graslanden in het rivierengebied hangt nauw samen met mate van de rivierdynamiek en beheer. Stikstofdepositie versterkt de negatieve effecten van een gebrek aan dynamiek en beheer. Doordat deze dynamiek door menselijk handelen grotendeels is beperkt, vinden er minder overstromingen plaats. Als gevolg daarvan wordt de successie niet meer op natuurlijke wijze teruggezet en vindt er geen aanvoer meer plaats van kalkrijk sediment. Door het gebrek aan dynamiek nemen het areaal met geschikte groeiplaatsen voor de typerende pioniersvegetatie af terwijl verzuring van de bodem bij het gebrek van de aanvoer van kalkrijk zand afneemt. Voor instandhouding van de graslanden speelt beheer in de vorm van maaien en afvoeren of begrazing daarom een cruciale rol. Beheer, stikstofdepositie en de kwaliteit van vochtige systemen Het verkabelingsproject Zutphen draagt onder andere bij aan stikstofdepositie op vochtige systemen zoals de habitattypen Vochtige Heiden, Blauwgraslanden en Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen). In deze paragraaf wordt de relatie tussen stikstof en de sleutelfactoren voor instandhouding van deze habitattypen beschreven.

In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gebiedspecifieke problematiek. De kwaliteit van de vochtige habitattype hangt nauw samen met de mate waarin het hydrologisch systeem op orde is. Verdroging kan ervoor zorgen dat de aanvoer van basenrijke kwel vermindert of stopt, wat verzuring in de hand werkt doordat de verminderende beschikbaarheid van calciumionen de bufferende werking van de bodem belemmert. Stikstofdepositie kan vervolgens leiden tot verzuring, en bij een bodem-pH van

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

41

6 of lager leiden tot de mobilisatie van fosfaat (externe eutrofiering) (Lamers et al, 2010; Michielsen et al., 2007). Als fosfaat vrij opneembaar wordt voor planten verschuift het natuurlijke evenwicht naar concurrentie om licht, dit kan algenbloei bevorderen (Lamers et al, 2015). Bij de opneembaarheid van fosfor door de vegetatie speelt ook de concentratie van ijzer in het grond- en oppervlaktewater een rol. Uit onderzoek van Kooijman et al (2021) blijkt dat bij hogere ijzerconcentratie de hoeveelheid fosfor fors toeneemt in zowel de bodem als de vegetatie. Met het oog op hydrologisch is het daarom belangrijk om zowel de fosfaat- als de ijzerwaarden in het grond- en oppervlaktewater te verlagen (Kooijman et al, 2021). Beheer Vermesting en verzuring van vochtige habitattypen leidt tot een versnelde successie en bosopslag. Om het open karakter van sommige gebieden (Vochtige heiden, Blauwgraslanden) te behouden en de ontwikkeling van de karakteristieke soorten te stimuleren worden deze gebieden gemaaid en begraasd. Maaien en afvoeren van maaisel levert in de praktijk voldoende resultaat op om de bestaande (gewenste) vegetaties in stand te houden. Vochtige heiden en Blauwgraslanden kunnen bij een gericht beheer heel lang, vijftig tot mogelijk zelfs honderd jaar, behouden blijven.

Dit proces staat echter onder druk bij een hoge stikstofdepositie, waar voorheen een maaibeurt enkele jaren kon worden overgeslagen leidt dit in overbelaste gebieden tegenwoordig tot de opslag van struiken of bomen. Voor de instandhouding van de habitattypen zijn verschillende successiestadia noodzakelijk en is nieuwvorming van habitat nodig. Herstelmaatregelen Een belangrijke maatregel om verzuring tegen te gaan in het rivierengebied is het verhogen van de waterstand tot het niveau dat de bodem waterverzadigd raakt met basenrijk en voedselarm oppervlaktewater. Hiermee kan successie worden teruggezet (Kooijman et al. 2021; Aggenbach et al. 2021; Van den Elzen et al. 2016). Maatregelen in de waterhuishouding die de wegzijging verminderen dragen daar ook aan bij. Ook kunnen ze bijdragen aan een gunstiger waterbalans, zodat minder aanvoer van vervuild water nodig is. Momenteel is er nog geen beproefde maatregel die op landschapsschaal kan worden toegepast. Uit veldexperimenten van Aggenbach et al (2021) blijkt dat bevloeiing met calcium en bicarbonaat oppervlaktewater op korte termijn kan leiden tot herstel van een hoge basenrijkdom van de bodemtoplaag. Wat dit betekent voor de lange termijn ontwikkeling is niet bekend. Referenties Aggenbach, C., Cirkel, G., Cusell, C., Dijk., G. van, Kooijman, A.M. (2021).

Trilveenvegetatie herstellen met oppervlaktewaterbevloeiing, De Levende Natuur, 122(3): 96-101. Bal, D. 2014. Temporele variatie in stikstofdepositie: effecten op natuurwaarden. Notitie t.b.v. de Programmatische Aanpak Stikstof. Programmadirectie Natura 2000, Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.Bobbink R. & JP. Hettelingh, (eds.) (2011). Review and revision of empirical critical loads and dose- response relationships, Coordination Centre for Effects, National Institute for Public Health and the Environment (RIVM), www.rivm.nl/cce. Bobbink, R. and M. Weijters, (2018). Verschil in effecten op natuur van gereduceerd versus geoxideert stikstof. Lucht (2018): 23-27.

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

42

Caporn, S., Field, C., Payne, R., Dise, N., Britton, A., Emmett, B., Jones, L., Phoenix, G., S Power, S., Sheppard, L. & Stevens, C. (2016). Assessing the effects of small increments of atmospheric nitrogen deposition (above the critical load) on semi- natural habitats of conservation importance. Natural England De Keersmaeker, L., Cosyns, H., Thomaes, A., & Vandekerkhove, K., (2016). Kan houtoogst stikstofdepositie mitigeren? Landschap Tijdschrift Voor Landschapsecologie en Milieukunde, (4), 4–13. Retrieved from http://edepot.wur.nl/413120 Johnson, D.W. & J. Turner (2014). Nitrogen budgets of forest ecosystems: A review. Forest Ecology and Management, 318 (2014), 370–379. Jones, L., C. Stevens, E.C. Rowe, R. Payne, S.J.M. Caporn, C.D. Evans, C. Field, & S. Dale, (2017). Can Onsite Management Mitigate Nitrogen Deposition Impacts in Non-wooded Habitats? Biol. Conserv. 212, 464–475. Kooijman, A.M., Cusell, C., Aggenbach, C. Dijk, G. van (2021). Risico’s en kansen bij behoud en herstel van basenrijke trilvenen, De Levende Natuur, 122(3): 80-83. Lamers, L.P.M., J. Sarneel, J. Geurts, M. Dionisio Pires, E. Remke, H. van Kleef, M. Christianen, L. Bakker, G. Mulderij, J. Schouwenaars, M. Klinge, N. Jaarsma, S. van der Wielen, M. Soons, J. Verhoeven, B. Ibelings, E. van Donk, W. Verberk, H. Esselink & J. Roelofs (2010).

Onderzoek ten behoeve van het herstel en beheer van Nederlandse laagveenwateren. Eindrapportage 2006-2009 (Fase 2). Lamers, L.P.M., Vile, M.A., Grootjans, A.P., Acreman, M.C., Diggelen, R. van, Evans, M.G., Richardson, C.J., Rochefort, L., Kooijman, A.M, Roelofs, Smolders, A.J.P., (2015). Ecological restoration of rich fens in Europe and North America: from trial and error to an evidence-based approach, Biological Reviews, 90: 182-203. Michielsen, B., Lamers, L.P.M. & Smolders, A.J.P. (2007). Interne eutrofiering van veenplassen belangrijker dan voorheen erkend? H2O, 8: 51-54. Nijssen, M., J. Bouwan, & H. Siepel, 2014. Hoe zijn negatieve effecten van stikstofdepositie op diersoorten te mitigeren? De Levende Natuur, 115(4), 167–171. Schaffers A.P., M.C. Vasseur & K.V. Sykora, (1998). Effects of delayed hay removal on the nutrient balance of roadside plant communities, Journal Applied Ecology, 35: 349-364. Socher S.A., D. Prati, S. Boch, J. Müller, H. Baumbach, S. Gockel, A. Hemp, I. Schöning, K. Wells, F. Buscot, E.K.V. Kalko, K.E. Linsenmair, E-D. Schulze, W.W. Weisser, M. Fischer, (2013). Interacting effects of fertilization, mowing and grazing on plant species diversity of 1500 grasslands in Germany differ between regions. Basic and Applied Ecology, Volume 14, Issue 2, March 2013, Pages 126–136. Schoukens, H., & Cliquet, A., (2016).

Biodiversity offsetting and restoration under the European Union Habitats Directive: Balancing between no net loss and deathbed conservation? Ecology and Society, 21(4). https://doi.org/10.5751/ES-08456-210410 Smits, N.A.C. & D. Bal (red.), (2014). Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deel 1 Algemene inleiding herstelstrategieën: beleid, kennis en maatregelen. Ministerie van EZ & Alterra. Steunpunt Natura 2000, 2010. Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingswet. Steunpunt Natura 2000, Ede. Stevens, C. J. (2016). How long do ecosystems take to recover from atmospheric nitrogen deposition? Biological Conservation, 200, 160–167. https://doi.org/https://doi.org/10.1016/j.biocon.2016.06.005 Van den Berg L., R. Loeb & R. Bobbink, (2014). Mitigatie N-depositie Zeetoegang IJmond: inschatting stikstofafvoer door PAS- herstelmaatregelen. Onderzoekcentrum B-WARE Radboud Universiteit Nijmegen, Nijmegen. Van den Elzen, E., Kox, M.A.R., Harpenslager, S.F., Hensgens, G., Fritz, C., Jetten, M.S.M., Ettwig, K.F. & Lamers, L.P.M. (2016). Symbiosis revisited: phosphorus and acid buffering stimulate N2 fixation but not Sphagnum growth, Biogeosciences, 14, 1111–1122. Van der Bij, A.U., Pawlett, M., Harris, J.A., Ritz, K., van Diggelen, R., (2017).

Soil Microbial Community Assembly Precedes Vegetation Development After Drastic Techniques to Mitigate Effects of Nitrogen Deposition. Biol. Conserv. 212, 476–483.

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

43

Van Dobben, H.F., R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000., Rapport 2397, Alterra, Wageningen. Laurijsse, R.F.J.A., (2015). Stikstofdepositie ten gevolge van woningbouwontwikkeling Lange Weeren te Volendam. Rapport O 15635-1-RA-001. Peutz, Zoetermeer. Vangansbeke, P., A. De Schrijver, P. De Frenne, A. Verstraeten, L. Gorissen & K. Verheyen 2015. Strong negative impacts of whole tree harvesting in pine stands on poor, sandy soils: a long-term nutrient budget modelling approach. Forest ecology and Management 356: 101-111.Veer, R. van ’t, (2011). Beheer van botanisch waardevolle rietlanden in de Zaanstreek. CDROM- Bijlage Natuuratlas Zaanstad. Ecologisch Adviesbureau Van ’t Veer & De Boer, Jisp & Stichting Natuur & Milieu Educatie Zaanstreek. WallisDeVries, M. F., & Bobbink, R., 2017. Nitrogen deposition impacts on biodiversity in terrestrial ecosystems: Mechanisms and perspectives for restoration. Biological Conservation, 212, 387–389. https://doi.org/10.1016/j.biocon.2017.01.017

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

44

Bijlage II Supplement AERIUS-rapportage stikstofdepositie – Tracé Zutphen-Zuid

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

45

Projectberekening

Projectberekening

₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

ₓ

2/13

Projectberekening

₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

ₓ

3/13

Projectberekening

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

4/13

Projectberekening

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

5/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

6/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

7/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

8/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

9/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

10/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

11/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₂ ₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

12/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

RexrE1Jhs9CS (13 maart 2025)

13/13

Bijlage III Supplement AERIUS-rapportage stikstofdepositie – Tracé ZutphenNoord

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

46

Projectberekening

Projectberekening

₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

ₓ

2/13

Projectberekening

₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

ₓ

3/13

Projectberekening

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

4/13

Projectberekening

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

5/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

6/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

7/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

8/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

9/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

10/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

11/13

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₂ ₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

12/13

Projectberekening

ₓ ₃

S34iqvLnyLzQ (13 maart 2025)

13/13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=5e5d0166-0a81-4657-8c42-4fc9b29db541