984062 - Bijlage 2 (regels) - Voortoets stikstofdepositie
Tekst van het document
Ecologische beoordeling stikstofdepositie verkabelingsproject Zutphen Toetsing effecten op beschermde Natura 2000gebieden in het kader van de Omgevingswet
L. Littooij
Ecologische beoordeling stikstofdepositie verkabelingsproject Zutphen Toetsing effecten op beschermde Natura 2000-gebieden in het kader van de Omgevingswet
Status uitgave: definitief Rapportnummer:
25-125
Projectnummer:
25-0070
Datum uitgave:
12 mei 2025
Projectleider: Tweede lezer: Opdrachtgever:
Qirion Postbus 50 6920 AB Duiven
Akkoord voor uitgave: Datum akkoord:
24 april 2025
Graag citeren als: Littooij, L. 2025. Ecologische beoordeling stikstofdepositie verkabelingsproject Zutphen. Toetsing effecten op beschermde Natura 2000-gebieden in het kader van de Omgevingswet. Rapport 25-125. Waardenburg Ecology, Culemborg. Trefwoorden: Natuurtoets, Omgevingswet, stikstofdepositie, Rijntakken, Landgoederen Brummen Waardenburg Ecology is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Waardenburg Ecology. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Waardenburg Ecology voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
© Waardenburg Ecology / Qirion Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Waardenburg Ecology, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Waardenburg Ecology is een handelsnaam van Bureau Waardenburg BV. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus. Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015. Waardenburg Ecology hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.
Waardenburg Ecology Varkensmarkt 9, 4101 CK Culemborg, 0345 512710 info@waardenburg.eco, www.waardenburg.eco
Voorwoord Qirion is voornemens om de komende jaren de hoogspanningslijn boven Zutphen te verkabelen. Tijdens het project worden gefaseerd door de tijd heen een aantal hoogspanningsmasten geamoveerd en (graaf)werkzaamheden uitgevoerd, werkzaamheden waarbij diverse machines stikstof uitstoten. Qirion heeft met het online rekenprogramma AERIUS Calculator (versie 2024.1) de stikstofdepositie als gevolg van het verkabelingsproject uitgerekend. Uit de berekening blijkt dat het project tot een stikstofdepositie op twee stikstofgevoelige Natura 2000gebieden leidt. Qirion heeft Waardenburg Ecology gevraagd de mogelijke effecten van de additionele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in het kader van de Omgevingswet (Ow) ecologisch te beoordelen. Voorliggende rapportage doet verslag van deze beoordeling. Aan de totstandkoming van dit rapport werkten vanuit Waardenburg Ecology mee: Rapportage Projectleiding Kwaliteitsborging Vanuit Qirion is de opdracht begeleid door prettige samenwerking.
. Wij danken hem voor de
Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Waardenburg Ecology is ISO gecertificeerd.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
3
Inhoud Voorwoord
3
Samenvatting
6
1 -- Inleiding
7
1.1 Aanleiding en doel
7
1.2 Reikwijdte van het onderzoek
8
1.3 Wettelijk kader Omgevingswet
8
1.4 Verantwoording
9
1.5 Leeswijzer
10
2 -- Projectbeschrijving
11
2.1 Ligging projectgebied
11
2.2 Project informatie
12
3 -- Toetsingskader
13
3.1 Bepaling van effecten van stikstofdepositie
13
3.2 Proces van beoordelen
14
4 -- Effectbeoordeling: habitat- en soortspecifiek
16
4.1 Reikwijdte projectbijdrage stikstofdepositie
16
4.2 Rijntakken
16
4.2.1 Effect op de ontwikkeling van de achtergronddepositie
16
4.2.2 Projectbijdrage op habitattypen en leefgebieden
17
4.2.3 Actualiteit gegevens
18
4.2.4 H6120 – Stroomdalgraslanden
18
4.2.5 H6510A – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
20
4.2.6 H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst
22
4.2.7 Lg11 – Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied
23
4.2.8 Habitatrichtlijnsoorten
24
4.3 Landgoederen Brummen
24
4.3.1 Effect op de ontwikkeling van de achtergronddepositie
24
4.3.2 Projectbijdrage op habitattypen en leefgebiedtypen
25
4.3.3 Actualiteit gegevens
25
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
4
4.3.4 H4010A – Vochtige heiden (hogere zandgronden)
25
4.3.5 H6410 – Blauwgraslanden
27
4.3.6 H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst
29
4.3.7 H91E0C – Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
29
4.3.8 Habitatrichtlijnsoorten
31
5 -- Conclusie
32
5.1 Effectbeoordeling effecten door stikstofdepositie
32
5.1.1 Instandhoudingsdoelen, kwaliteit, knelpunten en maatregelen
32
5.1.2 Effectbeoordeling
33
5.2 Cumulatie
34
5.2.1 Specifieke zorgplicht
34
Literatuur
35
Bijlage I
Wat doet stikstof
Bijlage II
Supplement AERIUS-rapportage stikstofdepositie – Tracé Zutphen-
Zuid Bijlage III Noord
37
45 Supplement AERIUS-rapportage stikstofdepositie – Tracé Zutphen46
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
5
Samenvatting Qirion is voornemens om de komende jaren de hoogspanningslijn boven Zutphen te verkabelen. Tijdens het project worden gefaseerd een aantal hoogspanningsmasten geamoveerd en (graaf)werkzaamheden uitgevoerd, werkzaamheden waarbij diverse machines stikstof uitstoten. Anteagroup heeft met het online rekenprogramma AERIUS-Calculator (versie 2024.1) de stikstofdepositie als gevolg van het verkabelingsproject op Natura 2000-gebieden berekend. Uit de AERIUS-berekening volgt een tijdelijke depositie van maximaal 0,02 mol N/ha op Natura 2000-gebied Rijntakken en 0,01 mol N/ha op Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. In deze rapportage is beoordeeld dat significant negatieve gevolgen van additionele stikstofdepositie als gevolg van het voorgenomen verkabelingsproject op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Landgoederen Brummen op voorhand zijn uit te sluiten. De gebruiksfase leidt niet tot een additionele depositie. Effecten in de gebruiksfase zijn daarom op voorhand uitgesloten. Met deze ecologische beoordeling is invulling gegeven aan de specifieke zorgplicht, zoals vermeld in Artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, Omgevingswet.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
6
V
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Qirion is voornemens om de hoogspanningslijn boven Zutphen te verkabelen. Ten behoeve van de verkabeling worden drie lijnverbindingen ondergronds ingebracht en worden verschillende masten van het bestaande hoogspanningstracé geamoveerd. Om dit voornemen te realiseren worden (graaf)werkzaamheden worden uitgevoerd (Anteagroup, 2025). Door de inzet van diverse machines komt tijdens de werkzaamheden stikstof vrij. Met het online rekenprogramma AERIUS Calculator (versie 2024.1) is de stikstofdepositie als gevolg van het verkabelingsproject op Natura 2000-gebieden berekend. Waardenburg Ecology heeft op basis van de uitkomsten van deze berekening de effecten van de additionele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ecologisch beoordeeld. Deze beoordeling is uitgevoerd in het kader van de Omgevingswet (Ow), gebruik makend van de meest recente beschikbare gegevens over de habitattypen en leefgebieden van soorten waar de Natura 2000-gebieden voor zijn aangewezen. De berekeningen van de additionele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (kenmerk RexrE1Jhs9CS en S34iqvLnyLzQ) staan in Bijlage II en III. In de gebruiksfase vindt geen extra depositie plaats. De gebruiksfase is daarom niet beoordeeld.
Het doel van het onderzoek is om te bepalen of significant nadelige gevolgen als gevolg van de verkabeling op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten. Van een Natura 20000-activiteit is dan geen sprake (zie kader). Daarnaast is getoetst aan de specifieke zorgplichtbepalingen van de Ow.
De Omgevingswet De Omgevingswet heeft als doel het behoud van de biodiversiteit en het duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan. Sommige handelingen en ontwikkelingen kunnen de natuur en daarmee de biodiversiteit, schaden en zijn daarom krachtens de wet verboden. Is dat het geval dan is in geval van beschermde gebieden een vergunning nodig voor een Natura 2000activiteit. Bij het aspect stikstof is van een Natura 2000-activiteit sprake bij significant negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelen van stikstofgevoelige en overbelaste habitattypen en leefgebieden. Naast een algemene zorgplicht geldt een specifieke zorgplicht ten aanzien van de bescherming van gebieden.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
7
1.2
Reikwijdte van het onderzoek In voorliggend rapport zijn de gevolgen van additionele stikstofdepositie als gevolg van het verkabelingsproject Zutphen op Natura 2000-gebieden op basis van beschikbare informatie beoordeeld in het kader van de Omgevingswet (Ow). De gebruiksfase leidt niet tot additionele stikstofdepositie. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie in de gebruiksfase zijn op voorhand uitgesloten. Effecten op beschermde soorten, beschermde gebieden of houtopstanden, anders dan door stikstofdepositie, zijn in deze beoordeling niet opgenomen
1.3
Wettelijk kader Omgevingswet De toetsing is uitgevoerd in het kader van de Ow1. De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een specifieke zorgplicht, een beschermingsregime voor Natura 2000gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geeft een nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht en de rijksregels voor beschermde gebieden. De voorliggende toetsing heeft betrekking op het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden, waarbij enkel de effecten van stikstofdepositie zijn getoetst. Effecten anders dan door stikstofdepositie zijn niet beoordeeld (zie paragraaf 1.2). De specifieke zorgplicht houdt kort gezegd in dat bij alle activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, nadelige gevolgen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. De Omgevingswet geeft aan dat voorafgaand aan een activiteit moet worden nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens significant nadelige gevolgen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Kan dat op basis van beschikbare informatie, dan is een zogenaamde voortoets voldoende.
In dat geval is er geen sprake van een Natura 2000activiteit en is er geen vergunningsplicht. Als significante effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, moet in een Passende Beoordeling worden vastgesteld wat die verslechterende of significant verstorende gevolgen zijn, gelet op de instandhoudingsdoelen. In een Passende Beoordeling kunnen mitigerende maatregelen in de beoordeling worden meegenomen om de effecten te niet te doen of te verzachten. Ook interne of externe saldering is mogelijk, dat wil zeggen maatregelen binnen of buiten het project die in samenhang met het project leiden tot vermindering van de stikstofdepositie. Als sprake is van interne of externe saldering dient in de Passende Beoordeling te worden onderbouwd of de ruimte die wordt gebruikt voor het salderen nodig is voor het behalen van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-
1
De wetteksten zijn gepubliceerd op wetten.overheid.nl.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
8
gebieden. Alleen als kan worden onderbouwd dat de instandhoudingsdoelen zijn geborgd of zonder de saldogever kunnen worden bereikt, mag intern of extern salderen worden toegepast. Dit wordt het additionaliteitsvereiste genoemd. Zowel voor de voortoets als voor de Passende Beoordeling moet worden beoordeeld of een plan of project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Er dient dus aangetoond te worden dat er ‘cumulatief’ geen significante effecten kunnen optreden als gevolg van het plan of project.
1.4
Verantwoording Berekeningen De berekeningen van stikstofdepositie zijn uitgevoerd door Anteagroup met AERIUS Calculator versie 2024.1 (zie Bijlage I). Tijdens het opstellen van voorliggende beoordeling is de planning van de werkzaamheden nog niet bekend. Uitgangspunt voor de planning is dat beide projecten afzonderlijk binnen een periode van 12 aaneengesloten maanden worden uitgevoerd. Zie Lansink (2025a en 2025b) voor de uitgangspunten van beide berekeningen. Omdat de depositie van het zuidelijke tracé het hoogste is, vormt deze berekening het maatgevend jaar voor de beoordeling. Op basis van deze berekening zijn met behulp van GIS de oppervlakten met overschrijding en een projectbijdrage berekend. Voor het uitvoeren van GIS-berekeningen met plaatselijke gegevens over de achtergronddepositie en de ligging en oppervlakten van habitattypen en leefgebieden van soorten is gebruik gemaakt van de volgende datasets, gedownload van het Nationaal Georegister: - AERIUS-koppeltabel hexagonengrid en relevante-habitats (versie oktober 2024); - AERIUS totale stikstofdepositie (versie 1 oktober 2024). Beschikbare informatie Voor de instandhoudingsdoelstellingen van de in dit rapport genoemde habitattypen en soorten waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, is de website Natura 20001 geraadpleegd.
De informatie uit de Natuurdoelanalyses (NDA) en Natura 2000-beheerplannen is gebruikt voor het vaststellen van mogelijke gebiedsgerichte knelpunten en oplossingen ten aanzien van de instandhoudingsdoelen. Daarbij is bij tegenstrijdigheden tussen verschillende documenten steeds het meest recente document als leidend gehanteerd. Ook is kennisgenomen van het advies van de Ecologische Autoriteit over de natuurdoelanayses. In de tekst van hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 wordt per habitat als volgt verwezen naar deze bronnen: -
1
Beheerplan Rijntakken à (Provincie Gelderland, 2018);
Natura 2000 Ministerie LNV www.natura2000.nl
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
9
-
Natuurdoelanalyses Rijntakken à (Provincie Gelderland, 2023a);
-
PAS-gebiedsanalyse Rijntakken à (Dorland et al, 2018);
-
Advies EA over NDA Rijntakken à (Ecologische Autoriteit, 2024a).
-
Beheerplan Landgoederen Brummen à (Provincie Gelderland, 2022);
-
Natuurdoelanalyses Landgoederen Brummen à (Provincie Gelderland, 2023b);
-
PAS-gebiedsanalyse Landgoederen Brummen à(Runhaar, 2017)
-
Advies EA over NDA Landgoederen Brummen à (Ecologische Autoriteit, 2024b).
De hierboven genoemde bronnen vormen de best beschikbare wetenschappelijke kennis. Omdat de beschikbare gegevens van sommige Natura 2000-gebieden verouderd zijn of ontbreken, is in hoofdstuk 5 per gebied een paragraaf opgenomen over de actualiteit van de gebruikte gegevens. Informatie uit de profielen en herstelstrategieën voor habitattypen is gebruikt om de aard en omvang van effecten in te schatten. Voor overige bronnen wordt verwezen naar de literatuurlijst.
1.5
Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een beknopte projectbeschrijving. Hoofdstuk 3 schetst de toetsingscriteria voor de beoordeling. Hoofdstuk 4 geeft een beoordeling per habitattype of leefgebied op basis van de stikstofdeposities. Hoofdstuk 5 geeft de conclusie van de effectbeoordeling.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
10
2 Projectbeschrijving 2.1
Ligging projectgebied Het verkabelingsproject loopt parallel aan de hoogspanningslijn die van noord naar zuid door Zutphen loopt (Figuur 2.1). Het zuidelijke verkabelingstraject loopt van ter hoogte van de Van Suchtelenstraat tot de Leestense rondweg (mast 55 t/m 64) De totale lengte van het plangebied betreft circa 3 km. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken, dat op 0,6 km afstand van zuidelijke gedeelte van het plangebied ligt. Op 5 km afstand ligt het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 km afstand.
Figuur 2.1
Ligging verkabelingsproject Zutphen-Zuid, ten opzichte van Natura 2000gebieden (Esri Nederland, Community Map Contributors | Esri Nederland, beeldmateriaal.nl).
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
11
2.2
Project informatie Informatie over het project is aangeleverd door Qirion (Lansink 2025a & 2025b). Werkzaamheden Het zuidelijke project bestaat uit het amoveren van 10 hoogspanningsmasten (mast 55 t/m 64) en graafwerkzaamheden. Het noordelijke project bestaat uit het amoveren van 9 hoogspanningsmasten (mast 1 t/m 4, 43 t/m 46, 65) en graafwerkzaamheden. Planning Op basis van de omvang van het werk en de benodigde inzet van materieel bedraagt de doorlooptijd van het werk twee jaar. Tijdens het opstellen van voorliggende beoordeling is de planning nog niet bekend. Uitgangspunt voor de planning is dat de werkzaamheden aan het noordelijke en het zuidelijke tracé onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd, beide in een aangesloten periode van steeds 12 maanden. Dit is mogelijk doordat er een knip is gelegd bij het elektriciteit station aan de Wijnhofstraat.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
12
3 Toetsingskader 3.1
Bepaling van effecten van stikstofdepositie Significantiebepaling Een verhoogde stikstofdepositie heeft invloed op de kwaliteit van habitats en leefgebieden. Voor het beoordelen van de significantie van effecten zijn de aspecten precisie, de ontwikkeling en actuele kwaliteit en veerkracht in relatie tot de instandhoudingsdoelen van belang, zoals dit is opgenomen in de Leidraad bepaling significantie (Steunpunt Natura 2000, 2010). Precisie De precisie waarmee de kwaliteit kan worden bepaald kan niet nauwkeuriger zijn dan een vermindering met één klasse zoals beschreven in de profieldocumenten (Steunpunt Natura 2000, 2010). Stikstofdepositie heeft in potentie een effect op de zuurgraad en voedselrijkdom van een habitattype of leefgebied. Voedselrijkdom wordt ingedeeld in klassen van zeer voedselarm tot uiterst voedselrijk en zuurgraad in klassen, van basisch tot zuur. Als het projecteffect mogelijk leidt tot een verschuiving naar een andere voedselrijkdom- of zuurgraadklasse kan sprake zijn van significant nadelige gevolgen op het betreffende habitattype (Ministerie van economische zaken, 2014; Steunpunt Natura 2000, 2010). Stikstofdepositie wordt berekend in mol N/ha/jr. De gevoeligheid van een habitattype voor stikstof is bepaald op basis van de kritische depositiewaarde (KDW). De KDW is bepaald in eenheden (stappen) van 1 kilo (70 mol).
Als de achtergronddepositie hoger is dan de KDW is sprake van een overbelaste situatie en kunnen significant nadelige gevolgen optreden. Vanuit voorzorg wordt bij de effectbeoordeling uitgegaan van een naderende overbelasting waarbij een marge van 70 mol wordt gehanteerd. Voor de bepaling van significantie wordt onder andere beoordeeld of de projectbijdrage leidt tot een wezenlijke verandering in de (trend van de) achtergronddepositie. Ontwikkeling en actuele kwaliteit Gegevens over de actuele kwaliteit en (autonome) ontwikkeling zijn ontleend aan het Natura 2000 beheerplan en de Natuurdoelanalyse. In hoofdstuk 5 wordt de actualiteit van de gebruikte gegevens per Natura 2000-gebied met een projectbijdrage besproken. Veerkracht en kwaliteit Bij de beoordeling van kwaliteit is het wenselijk om rekening te houden met de veerkracht van het ecosysteem. Belangrijk bij de beoordeling van kwaliteit is dat een afname die door natuurlijke fluctuaties van het gebied kan worden opgevangen niet per definitie significant
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
13
is (Steunpunt Natura 2000, 2010). Als het projecteffect een (negatief) effect heeft op het langjarig gemiddelde van de kwaliteit kan wél sprake zijn van een significant negatief effect. Beheer en herstelmaatregelen dragen bij aan de veerkracht van een gebied. Regulier beheer is belangrijk voor de instandhouding van een habitattype. Voor het oordeel ‘geen significante gevolgen’ mag de projectbijdrage geen invloed hebben op het rendement van beheermaatregelen en niet leiden tot de noodzaak voor intensiever beheer of aanvullende maatregelen. Herstelmaatregelen worden uitgevoerd met het doel de kwaliteit en oppervlak van een habitattype te verbeteren. Met herstelmaatregelen die aantoonbaar bijdragen aan instandhoudingsdoelen worden onder andere de effecten van een hoge stikstoflast aangepakt. Met maatregelen worden enorme hoeveelheden stikstof uit het systeem onttrokken (Van den Berg et al., 2014). De projectbijdrage mag geen invloed hebben op het rendement van de uitgevoerde herstelmaatregelen en dus niet leiden tot de noodzaak voor extra maatregelen. Om de veerkracht van een gebied beter in beeld te brengen dient te worden bepaald wat de sleutelfactoren zijn die bepalend zijn voor de kwaliteit (en ten dele ook de veerkracht).
Op basis van de impact die sleutelfactoren hebben op de kwaliteit kan worden vastgesteld wat de rol is van stikstofdepositie in het behouden of behalen van een goede kwaliteit habitat. Instandhoudingsdoelen Op de website Natura 20001 zijn de doelen per gebied aangegeven zoals opgenomen in de aanwijsbesluiten en de wijzigingsbesluiten. In het geval van een behoudsdoelstelling zal moeten worden beoordeeld of de kwaliteit zoals bepaald in de begintoestand (bij aanwijzing van het gebied) is gewaarborgd. Bij een verbeterdoelstelling moet tevens worden beoordeeld of de genoemde verbetering niet wordt belemmerd door de projectbijdrage. In het Natura 2000-beheerpan zijn de instandhoudingsmaatregelen aangegeven om de kwaliteit te verbeteren of te behouden. Voor de effectbepaling is van belang of de projectbijdrage invloed heeft op de instandhoudingsmaatregelen, zodanig dat de additionele depositie beperkend is voor het behalen van de instandhoudingsdoelen.
3.2
Proces van beoordelen De ecologische beoordeling toetst (op basis van de AERIUS-uitkomst) op de onderstaande vragen: 1. Wat is het projecteffect op de ontwikkeling van de achtergronddepositie en overschrijding van de kritische depositiewaarde? a. Heeft de additionele hoeveelheid stikstof als gevolg van dit project invloed op de ontwikkeling van de achtergronddepositie? b. Is in het gebied met additionele depositie sprake van (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde?
1
https://www.natura2000.nl/gebieden
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
14
In het geval dat de KDW, rekening houden met het projecteffect, (naderend) wordt overschreden moet het projecteffect beoordeeld worden in het licht van de instandhoudingsdoelen en maatregelen zoals beschreven in het Natura 2000-beheerplan. De volgende vragen zijn daarbij van toepassing. 2. Wat zijn de instandhoudingsdoelen en wat is de kwaliteit van de relevante habitattypen en leefgebiedtypen? c. Is voor het habitattype/leefgebiedtype een verbeter- of uitbreidingsdoelstelling opgenomen? d. Wat is de huidige kwaliteit van het habitattype/leefgebiedtype ter plekke van de projectbijdrage? e. Is de kwaliteit onvoldoende, wat zijn dan de knelpunten ten aanzien van vegetatie, structuur en functie, typische soorten en abiotiek, en is er een relatie tussen deze knelpunten en stikstof? 3. Wat zijn de instandhoudingsmaatregelen voor de relevante habitattypen en leefgebiedtypen? a. Zijn reguliere beheermaatregelen van toepassing gericht op behoud of verbetering van de kwaliteit? b. Zijn herstelmaatregelen uitgevoerd of in uitvoering gericht op behoud of verbetering van de kwaliteit? 4. Is additionele stikstofdepositie (al dan niet in cumulatie met andere bekende projecten) beperkend voor het behalen van de instandhoudingsdoelen? a.
Heeft de tijdelijke additionele stikstofdepositie als gevolg van dit project of in cumulatie met andere bekende projecten een reëel effect op de effectiviteit van het reguliere beheer? b. Heeft de tijdelijke additionele stikstofdepositie als gevolg van dit project of in cumulatie met andere bekende projecten een reëel effect op de effectiviteit van de herstelmaatregelen? Met andere woorden heeft het project (in cumulatie met andere vergunde, maar nog niet gerealiseerde projecten) een reëel effect op de stikstofhuishouding van een habitat of leefgebied in relatie tot beheer- en herstelmaatregelen voor dat habitat of leefgebied? In het geval dat significant nadelige gevolgen ten gevolge van de projectbijdrage niet kunnen worden uitgesloten zijn de volgende vragen van toepassing: 5. Is het nodig om aanvullende maatregelen te nemen als gevolg van de additionele stikstofdepositie van dit project? Met andere woorden is mitigatie dan wel compensatie nodig om negatieve effecten te voorkomen?
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
15
4 Effectbeoordeling: habitat- en soortspecifiek 4.1
Reikwijdte projectbijdrage stikstofdepositie Verkabelingsproject Zutphen bestaat uit twee deelprojecten, tracé Zuid en tracé Noord. De planning van de werkzaamheden is nog niet bekend, maar voor beide projecten geldt dat ze afzonderlijk in een periode van 12 aaneengesloten maanden uitgevoerd. Voor tracé Zuid geldt dat gedurende een aaneengesloten periode van 12 maanden sprake is van een tijdelijke stikstofbijdrage op de Natura 2000-gebieden Rijntakken (maximaal 0,02 mol N/ha/jr) en Landgoederen Brummen (0,01 mol N/ha/jr) (Tabel 4.1). Voor tracé Noord geldt dat de depositie op alle habitattypen in deze Natura 2000-gebieden gelijk of lager is (maximaal 0,01 mol N/ha/jr) dan de projectbijdrage van de werkzaamheden aan het zuidelijke tracé. Het zuidelijke tracé geldt hier als het maatgevende jaar en de additionele stikstofbijdrage van dit deelproject is in voorliggende rapportage daarom beoordeeld. Op hexagonen met een hersteldoel is geen sprake van depositie. Op andere Natura 2000gebieden is geen sprake van additionele depositie. De mogelijke effecten van de projectbijdrage op Natura 2000-gebieden worden in onderstaande paragrafen per gebied beoordeeld. Tabel 4.1
Maximale depositiebijdrage als gevolg van verkabelingsproject Zutphen op (naderend) overbelaste hexagonen in Natura 2000-gebieden (AERIUS-Calculator v2024.1). Per gebied is het totale gekarteerde oppervlak aangegeven in hectares.
Natura 2000-gebied
Ha berekend (gekarteerd)
Maximale toename (mol N/ha)
Rijntakken
5,6
0,02
Landgoederen Brummen
40,9
0,01
4.2
Rijntakken
4.2.1
Effect op de ontwikkeling van de achtergronddepositie Huidige achtergronddepositie en toekomstige ontwikkelingen De huidige achtergronddepositie (ADW) in Rijntakken varieert sterk, maar ligt gemiddeld rond de 1.251 mol/ha/jr. Voor een deel van het gebied geldt dat de kritische depositiewaarde (KDW) licht tot sterk wordt overschreden door de ADW. De bijdrage op het gebied is voor 49% afkomstig van de landbouw. Het buitenland levert met een aandeel
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
16
van 30% ook een grote bijdrage aan de achtergronddepositie (AERIUS-Monitor, geraadpleegd in maart 2025). Fluctuaties in achtergronddepositie Bij een gemiddelde ADW van 1.251 mol N/ha/jr is de jaarlijkse variatie circa 125 mol N/ha/jr (zie kader).
Het is gebruikelijk om stikstofdepositie uit te drukken in molen stikstof per hectare per jaar. Dit betreft een middeling over een jaar, terwijl er feitelijk sprake is van temporele en ruimtelijke variatie. De mate van depositie verandert in de loop van de tijd en is afhankelijk van de omvang van de uitstoot uit de verschillende bronnen, de weersomstandigheden (turbulentie, neerslag) en de ruwheid van de vegetatie. Jaarlijkse fluctuaties in achtergronddepositie (ADW) ten gevolge van meteorologische variatie bedragen circa 10% van de ADW (Compendium voor de Leefomgeving, 2024)1.
Effect projectbijdrage op ontwikkeling achtergronddepositie De projectbijdrage bedraagt maximaal 0,02 mol/ha. Dit is 0,002% van de gemiddelde ADW en gemiddeld 0,02% van de jaarlijkse fluctuaties. De additionele stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden heeft daarmee geen reëel effect op de mate van overschrijding van de KDW, op de ontwikkeling van de achtergronddepositie of op de jaarlijkse fluctuaties in achtergronddeposities in Natura 2000-gebied Rijntakken.
4.2.2
Projectbijdrage op habitattypen en leefgebieden Het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen voor 9 habitattypen en 4 leefgebiedtypen. Op 4 habitattypen en twee leefgebiedtypen is sprake van een projectbijdrage op (naderend) overbelast oppervlak (Tabel 5.1). De maximale projectbijdrage op (naderend) overbelast oppervlak is 0,02 mol N/ha/jr. Op de overige habitat- en leefgebiedtypen (H3150, H6430C, H6510B, H91E0C, H91F0, Lg02 en Lg07) vindt geen overschrijding van de KDW plaats, waardoor negatieve effecten op voorhand zijn uitgesloten. Negatieve effecten op Lg08 – Nat, matig en voedselrijk grasland kunnen ook worden uitgesloten omdat de projectbijdrage betrekking heeft op een oppervlak van 10 m2. Volgens de Leidraad significantie bepaling van het Steunpunt Natura 2000 (2010) zijn significant negatieve effecten bij voorbaat uitgesloten als de projectbijdrage betrekking heeft op een oppervlak kleiner dan 100 m2.
1
https://www.clo.nl/indicatoren/nl018920-stikstofdepositie-1990-2022
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
17
Tabel 4.2
Habitat-/ leefgebiedtype
4.2.3
Natura 2000-gebied Rijntakken: habitattypen, zoekgebieden en leefgebied met projectbijdrage met het totale oppervlak (ha), de KDW, het percentage overbelast oppervlak (AERIUS-Monitor, 2025), de maximale ADW van oppervlak met een projectbijdrage, de hoogste projectbijdrage, de hoogste bijdrage op overbelast oppervlak en het bijbehorende oppervlak (berekend met de gml-export van AERIUS-Calculator 2024.1). Opp. (ha)
KDW mol N/ha/jr
Overschrijding
ProjectProjectOpp. overbel. Max. ADW bijdrage bijdrage t.p.v. t.p.v. project(mol (mol N/ha/jr) overbel. opp. bijdrage (ha) N/ha/jr) (mol N/ha/jr)
H3150baz
18
2.143
<1%
0,01
-
-
1.335
H6120
29
1.286
7%
0,01
0,01
0,4
1.234
H6430C
1,1
1.857
0%
0,01
-
-
1.070
H6510A
200
1.357
4%
0,02
0,02
0,1
1.364
H6510B
11,8
1.571
0%
0,01
-
-
1.125
H9120
18
1.071
100%
0,01
0,01
3,4
2.051
H91E0B
16,1
2.000
0%
0,02
-
-
1.473
H91F0
29
2.071
3%
0,01
-
-
1.182
Lg02
439
2.143
<1%
0,01
-
-
1.156
Lg07
4,4
1.286
0%
0,01
-
-
1.199
Lg08
274
1.571
<1%
0,01
0,01
0,001*
1.509
Lg11
418
1.357
5%
0,01
0,01
1,4
1.551
ZGH91F0
0,5
2.071
0%
0,02
-
-
1.500
Actualiteit gegevens In de Natuurdoelanalyse voor Rijntakken is het oppervlak en de kwaliteit bepaald op basis van verouderde gegevens. Zowel de Natuurdoelanalyse en het Beheerplan baseren zich op de PAS-gebiedsanalyse, waarin gebruikt is gemaakt van een vegetatiekartering uit 2009 opgesteld door Natuurbalans. In de Natuurdoelanalyse zijn de kwaliteitsparameters ‘vegetatie’, ‘typische soorten’, ‘abiotische kenmerken’ en ‘overige kenmerken structuur en functie’ niet beschreven. In de Natuurdoelanalyse is per habitatype wel een trend bepaald voor beide instandhoudingsdoelen, maar het is onduidelijk op basis van welke gegevens dat is gedaan.
4.2.4
H6120 – Stroomdalgraslanden De KDW van het habitattype Stroomdalgraslanden wordt in Rijntakken op 7% van het oppervlak (29 ha) overschreden (Tabel 4.2). Op 0,4 hectare naderend overbelast oppervlak vindt een projectbijdrage plaats van maximaal 0,01 mol N/ha. De maximale achtergronddepositie van dit oppervlak bedraagt 1.234 mol N/ha/jr. Dat wil zeggen dat nergens sprake is van een projectbijdrage én een overschrijding van de ADW. Het naderend overbelaste oppervlak met projectbijdrage bevindt zich in het deelgebied ‘Uiterwaarden IJssel’, in kerngebied Cortenoever waar 3 ha stroomdalgrasland aanwezig.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
18
Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 §3.2) De instandhoudingsdoelen van Stroomdalgraslanden zijn in Rijntakken uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. Voor het kerngebied Cortenoever geldt een ambitie om het oppervlak met 7 ha te laten toenemen (Natuurdoelanalyse). Deze ambitie is in het kerngebied lastig te realiseren vanwege een beperkte zanddynamiek en doordat de oevers van de IJssel met stenen zijn vastgelegd (Beheerplan). Ten aanzien van zowel kwaliteit als oppervlak stelt de Natuurdoelanalyse dat er sprake is van een positieve trend. Uitbreiding van het oppervlak en verbetering van het habitattype hangt samen met de mogelijkheden voor het creëren van dynamische omstandigheden langs de rivier. Als gevolg van deze maatregelen wordt de successie lokaal teruggezet, vindt aanvoer van kalkrijk zand plaats wat verzuring van de bodem tegen gaat en er ontstaan nieuwe situaties voor pioniersvegetaties. De huidige kwaliteit wordt in de Natuurdoelanalyse evenals het Beheerplan verder niet besproken. Wel stelt de Natuurdoelanalyse dat stikstofdepositie bij geborgd beleid in 2030 geen knelpunt meer is. De gemiddelde depositie is ruim 200 mol N/ha/jr lager dan de KDW, waardoor op de depositie op de meeste locaties met Stroomdalgrasland aanzienlijk lager is dan de KDW.
In het Natura 2000-gebied zijn voldoende geborgde mogelijkheden om het areaal habitat van goede kwaliteit te laten toenemen. Op basis van de aanwezigheid van voldoende herstelmaatregelen met bewezen effectiviteit stelt de Natuurdoelanalyse dat atmosferische stikstofdepositie geen relevante drukfactor vormt. In plaats daarvan stelt de Natuurdoelanalyse dat de volgende knelpunten van invloed zijn op het habitattype: - Verzuring als gevolg van een verminderde rivierdynamiek (minder sedimentatie, erosie en afname van basen); - Vermesting als gevolg van aanvoer voedselrijk sediment en/of overstroming met voedselrijk water; - Vermeste gronden bemoeilijken het herstel van kwaliteit; - Verlies (potentieel) habitat door inrichtingsmaatregelen; - Mechanische effecten. Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 §3.2) Voor de ontwikkeling van Stroomdalgraslanden is goed beheer een vereiste. In het kader van de PAS zijn verschillende maatregelen bedacht om verbetering van kwaliteit en uitbreiding van het oppervlak te realiseren. Het stroomdalgrasland in Cortenoever wordt extra gemaaid (waarbij het maaisel wordt afgevoerd) en/of nabeweid (Natuurdoelanalyse).
Over de stikstofafvoer van deze maatregelen ten aanzien van Stroomdalgrasland zijn geen gegevens bekend, maar onderzoek naar de effectiviteit van maaien (en afvoeren) en nabeweiding in vergelijkbare habitattypen (Grijze duinen, Blauwgraslanden en Veenmosrietland) laten zien dat per ingreep een grote hoeveelheid stikstof in een orde van honderden mol (0,6 – 2,5 Kmol) uit het systeem wordt afgevoerd (Van den Berg et al, 2014). (Extra) maaien en afvoeren en nabegrazing worden in de herstelstrategie H6120 ook genoemd als effectieve maatregelen om de effecten van stikstofdepositie tegen te gaan (Adams et al, 2016a). Effectbeoordeling (vragen 4 en 5 §3.2) De trend van kwaliteit en oppervlakte van Stroomdalgraslanden in Rijntakken is positief. Doordat er voldoende, geborgde, effectieve herstelmaatregelen zijn vormt stikstof geen
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
19
relevante drukfactor meer. De kwaliteit wordt voornamelijk bepaald door de mate waarin ruimte is voor de dynamiek van de rivier, processen waardoor de successie van de bodem en vegetatie op natuurlijke wijze wordt teruggezet. Op locaties waar deze dynamiek ontbreekt wordt extra gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Met deze maatregelen worden jaarlijks meer dan honderden mol stikstof uit het systeem afgevoerd. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een zeer beperkt oppervlak (0,4 ha) heeft geen effect op het rendement van deze maatregel. De projectbijdrage leidt niet tot een overschrijding van de KDW of tot een significante kwaliteitsafname van de vegetatie. De projectbijdrage verzwaart of beperkt de opgave tot verbetering van de kwaliteit niet. Significant nadelige gevolgen op (het behalen van) instandhoudingsdoelen voor habitattype H6120 – Stroomdalgraslanden zijn op voorhand op basis van objectieve gegevens uitgesloten.
4.2.5
H6510A – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) De KDW van het habitattype Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) wordt in Rijntakken op 4% van het totale oppervlak (200 ha) overschreden (Tabel 4.2). Op 0,1 hectare (naderend) overbelast oppervlak vindt een projectbijdrage plaats van maximaal 0,02 mol N/ha. De maximale achtergronddepositie van dit oppervlak bedraagt 1.364 mol N/ha. Het overbelaste oppervlak met projectbijdrage bevindt zich in deelgebied ‘Uiterwaarden IJssel’, in kerngebied Cortenoever waar 7 ha glanshaverhooiland aanwezig is. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 §3.2) De instandhoudingsdoelen voor Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) in Rijntakken zijn uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. Specifiek voor het kerngebied Cortenoever geldt de ambitie om het oppervlak met 3 ha te laten toenemen (Natuurdoelanalyse). Momenteel geldt een sterk negatieve trend ten aanzien van het uitbreidingsdoel van het habitat en een negatieve trend betreft kwaliteit, hoewel lokaal ook positieve trend in kwaliteit waarneembaar is als gevolg van gericht beheer (Natuurdoelanalyse). Uitbreiding van het oppervlak kan plaatsvinden door functieverandering en/of aanpassing van het beheer, (grootschalige) inrichtingsmaatregelen zijn daar niet voor nodig (Beheerplan).
Ten aanzien de kwaliteit stelt de Natuurdoelanalyse dat deze plaatselijk kan worden verbeterd door consequent hooilandbeheer. De huidige kwaliteit wordt in de Natuurdoelanalyse evenals het Beheerplan niet besproken. Wel stelt de Natuurdoelanalyse dat de effecten van atmosferische stikstofdepositie nihil zijn, slechts op 2% van het totale oppervlak is sprake van een lichte tot matige overschrijding van de KDW. Bij bestaand beleid zal de KDW vanaf 2030 niet langer worden overschreden doordat de verwachting is dat de achtergronddepositie voldoende zal dalen (Natuurdoelanalyse). Instandhouding van het habitattype van het habitat hangt vooral samen de volgende knelpunten:
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
20
-
Verdroging als gevolg van (kunstmatig) lage rivierstanden; Verzuring als gevolg van verminderde rivierdynamiek (minder sedimentatie en erosie); Verzuring als gevolg van verminderde rivierdynamiek (minder afvoer basen); Vermesting als gevolg van aanvoer van of overstoming met voedselrijk water/sediment; Vermeste gronden bemoeilijken herstel; Inadequaat beheer; Kwetsbaar door gering oppervlak; Verlies (potentieel) habitat door inrichtingsmaatregelen; Mechanische effecten
Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 §3.2) Voor ontwikkeling van het habitattype Glanshaverhooiland is consequent beheer een vereiste. In het kader van de PAS zijn verschillende maatregelen bedacht om de kwaliteit te verbetren en uitbreiding van het oppervlak te realiseren. Het glanshaverhooiland in Cortenoever wordt extra gemaaid (waarbij het maaisel wordt afgevoerd) en/of nabeweid (Natuurdoelanalyse). Over de stikstofafvoer van deze maatregelen ten aanzien van Glanshaverhooiland zijn geen gegevens bekend, maar onderzoek naar de effectiviteit van maaien (en afvoeren) en nabeweiding in vergelijkbare habitattypen (Grijze duinen, Blauwgraslanden en Veenmosrietland) laat zien dat per ingreep een grote hoeveelheid stikstof in een orde van honderden mol (0,6 – 2,5 Kmol) uit het systeem wordt afgevoerd (Van den Berg et al, 2014). (Extra) maaien en afvoeren en nabegrazing worden in de herstelstrategie H6150A ook genoemd als effectieve maatregelen om de effecten van stikstofdepositie tegen te gaan (Adams et al, 2016b). Verder worden er ten aanzien van de kwaliteit de volgende maatregelen getroffen: - Cyclisch beheer; - Aanleg nevengeul; - Herstel waterhuishouding à gericht op het herstel van ijzerrijke kwel; - Ontgronden.
Effectbeoordeling (vragen 4 en 5 §3.2) De negatieve trend ten aanzien van oppervlakte en kwaliteit hangt niet samen met atmosferische stikstofdepositie, maar met de waterkwaliteit- en dynamiek en de mate waarin het beheer consequent wordt uitgevoerd. Slechts op 2% van het totale oppervlak Glanshaverhooiland wordt de KDW licht overschreden. Daarnaast wordt met het huidige beheer per ingreep een grote hoeveelheid stikstof uit het systeem afgevoerd. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr op een zeer beperkt oppervlak (0,1 ha) waar sprake is van een zeer beperkte overschrijding van de KDW (7 mol N/ha/jr), heeft geen effect op het rendement van deze maatregelen. De projectbijdrage leidt niet tot een significante kwaliteitsafname van de vegetatie. De projectbijdrage verzwaart of beperkt de opgave tot verbetering van de kwaliteit niet. Significant nadelige gevolgen op (het behalen van) instandhoudingsdoelen voor habitattype H6120 – Stroomdalgraslanden zijn op voorhand op basis van objectieve gegevens uitgesloten.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
21
4.2.6
H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst De KDW van het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst wordt in Rijntakken op het gehele oppervlak (18 ha) overschreden (Tabel 4.2). Op 3,4 hectare overbelast oppervlak vindt een projectbijdrage plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. De maximale achtergronddepositie van dit oppervlak bedraagt 2.051 mol N/ha/jr. Het overbelaste oppervlak met projectbijdrage bevindt zich in deelgebied ‘uiterwaarden IJssel’, in kerngebied Ravenswaarden. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 §3.2) De instandhoudingsdoelen voor Beuken-eikenbossen met hulst in Rijntakken zijn behoud van het oppervlak en de kwaliteit. De locaties waar Beuken-eikenbossen met hulst voorkomt zijn oorspronkelijk gekarteerd als droog ooibos of Essen-iepenbos. Door de hoogteligging en daarmee gepaarde beperkte invloed van de rivier, kwalificeren deze locaties nu enkel als Beuken-eikenbossen met hulst. Omdat het habitattype niet eerder was opgenomen in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse is er weinig bekend over de mate waarin drukfactoren van invloed zijn op de kwaliteit. Het habitattype komt alleen voor langs de IJssel. Op de locatie met een projectbijdrage is sprake van een oude bosgroeiplaats, welke deels bestaat uit oude eikenopstanden. Volgens de Natuurdoelanalyse is de kwaliteit van dit oppervlak voldoende ondanks, dat de KDW wordt overschreden.
Op 75% van het oppervlak is sprake van een lichte tot matige overschrijding. Andere mogelijke knelpunten zijn de kleine omvang van de bossen, de grote randlengte en inadequaat beheer. Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 §3.2) Omdat het habitattype recent is aangewezen zijn er geen maatregelen beschreven in het Beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse. In de regel neemt de kwaliteit van bossen met de leeftijd toe doordat het percentage dood hout en dikke bomen met holtes zal toenemen. Voor duurzaam behoud van de Beuken-eikenbossen met hulst stelt de Natuurdoelanalyse wel dat bronmaatregelen noodzakelijk zijn om de achtergronddepositie te doen dalen tot onder de KDW. Omdat het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst een bostype is dat ecologisch minder thuishoort bij het rivierecosysteem zou het volgens de Ecologische autoriteit (2023) ook beter bij de Veluwe passen. Beleidsmatig onderschrijft de Ecologische Autoriteit het voornemen om voor de maatregelen voor dit bostype aan te sluiten op visie, beheer en beleid van het Natura 2000-gebied de Veluwe voor Beuken-eikenbossen met hulst. In de Natuurdoelanalyse voor de Veluwe worden nog geen concrete bronmaatregelen beschreven. In afwachting van de bronmaatregelen kunnen overleveringsmaatregelen nodig zijn om verslechtering van habitat (in de Rijntakken) in de tussentijd te voorkomen.
Mogelijke maatregelen zijn het verwijderen van strooisel, hakhoutbeheer en dunnen en ingrijpen in de boomsamenstelling om verzuring te voorkomen (Natuurdoelanalyse). In de herstelstrategie voor het habitattype worden deze maatregelen echter niet genoemd als effectief in het tegengaan van de effecten van stikstofdepositie. Wel stelt de herstelstrategie dat ingrijpen in de soortensamenstelling een zinvolle maatregel kan zijn voor functioneel herstel van de bossen. (Extra) begrazen wordt in de herstelstrategie wel genoemd als een maatregel om de effecten van stikstof tegen te gaan. Mocht begrazing worden toegepast, dan betreft dit een maatregel die in duinbossen
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
22
leidt tot een stikstofafvoer van 0,9 tot 1,2 Kmol N/ha/jr. Voor beuken-eikenbossen met hulst zal ongeveer een vergelijkbare orde van grootte van toepassing zijn. Effectbeoordeling (vragen 4 en 5 §3.2) De kwaliteit van het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst is op de overbelaste hexagonen met een projectbijdrage voldoende. Voor duurzame behoud van het areaal zijn overlevings- en bronmaatregelen noodzakelijk. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een beperkt oppervlak (3,4 ha) heeft geen effect hebben op het rendement van de toekomstige herstel- en bronmaatregelen. Significant nadelige gevolgen op (het behalen van) instandhoudingsdoelen voor habitattype H9120 – Beukeneikenbossen met hulst zijn op voorhand op basis van objectieve gegevens uitgesloten.
4.2.7
Lg11 – Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied De KDW van het leefgebiedtype Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied wordt in Rijntakken op 5% van het gehele oppervlak (418 ha) overschreden (Tabel 4.2). Op 1,4 hectare overbelast oppervlak vindt een projectbijdrage plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. De maximale achtergronddepositie van dit oppervlak bedraagt 1.551 mol N/ha/jr. Het overbelaste oppervlak met projectbijdrage bevindt zich in het deelgebied ‘uiterwaarden IJssel’, in kerngebieden Cortenoever en langs de IJssel richting de Rammelwaard. Het leefgebiedtype is in Rijntakken aangewezen voor de Kwartelkoning, een soort waarvan het habitat is aangemerkt als potentieel stikstofgevoelig. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 §3.2) De doelstelling voor de Kwartelkoning is uitbreiding van de omvang van het leefgebied en verbetering van de kwaliteit, met een draagkracht voor een populatie van ten minste 160 broedparen. De trend is negatief, nog geen 5% van het streefaantal is de afgelopen vijf jaar (sinds 2019) waargenomen (Natuurdoelanalyse). In de tussenliggende jaren is sprake geweest van sterke schommeling in het aantal broedparen, vermoedelijk door ontwikkelen elders in het leefgebied (zoals andere broedgebieden in Europa en overwinteringsgebieden in Afrika).
Instandhouding van geschikt leefgebied hangt in de Rijntakken samen met verlate maaidata, een uitgangspunt dat op gespannen voet staat met de uitbreidingsdoelstellen van de graslandhabitattypen H6120 - Stroomdalgrasland en H6510 - Glanshaverhooiland (Natuurdoelanalyse). Te vroeg maaien leidt tot een beperking van geschikt vestigings-, nest- en opgroeihabitat. Ook natuurlijke successie van pioniervegetaties, intensieve begrazing, verstoring door recreatie en versnippering van het leefgebied vormen belangrijke drukpunten (Natuurdoelanalyse). Stikstof is voor de kwartelkoning geen drukfactor van betekenis (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 §3.2) Ter verbetering van het leefgebied zijn afgelopen de beheerperiode afspraken gemaakt met natuurbeheerders en gebiedscollectieven over mozaïekbeheer, het verlaat maaien van hooilandpercelen en/of aangepast begrazingsbeheer.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
23
Effectbeoordeling (vragen 4 en 5 §3.2) Stikstof vormt geen drukfactor voor het in stand houden van de Kwartelkoning. De flinke daling in het aantal broedparen hangt samen met ontwikkelingen in de andere delen van het leefgebied en vervroegde maaidata. Door het maken van afspraken met natuurbeheerders en (agrarische) gebiedscollectieven is de verwachting dat het areaal en de kwaliteit van het leefgebied in de toekomst zullen toenemen, zodoende ook de populatie. Significante negatieve effecten op de Kwartelkoning als gevolg van een tijdelijke, kleine projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een zeer beperkt oppervlak (1,4 ha) zijn daarmee uitgesloten.
4.2.8
Habitatrichtlijnsoorten Naast de Kwartelkoning is Rijntakken aangewezen voor de habitatrichtlijnsoort Watersnip. Watersnip is een broedvogel van natte hooilanden en vooral van pas gemaaid, plas-dras rietland in de uiterwaarden. Aangezien op dit soort habitattypen geen sprake is van een stikstofbijdrage op overbelast habitat (zie Tabel 4.2), zijn significant nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelen en daarmee op de Watersnip op basis van objectieve gegevens uitgesloten.
4.3
Landgoederen Brummen
4.3.1
Effect op de ontwikkeling van de achtergronddepositie Huidige achtergronddepositie en toekomstige ontwikkelingen De huidige achtergronddepositie (ADW) in Landgoederen Brummen varieert sterk, maar ligt gemiddeld rond de 1.500 mol N/ha/jr. Voor een deel van het gebied geldt dat de kritische depositiewaarde (KDW) licht tot matig wordt overschreden door de ADW. De bijdrage op het gebied is voor 53% afkomstig van de landbouw. Het buitenland levert met een aandeel van 28% ook een grote bijdrage aan de achtergronddepositie (AERIUSMonitor, geraadpleegd in maart 2025). Fluctuaties in achtergronddepositie Bij een gemiddelde ADW van 1.519 mol N/ha/jr is de jaarlijkse variatie circa 152 mol N/ha/jr (zie kader §4.2.1). Effect projectbijdrage op ontwikkeling achtergronddepositie De projectbijdrage bedraagt maximaal 0,01 mol/ha/jr. Dit is 0,001% van de gemiddelde ADW en gemiddeld 0,01% van de jaarlijkse fluctuaties. De additionele stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden heeft daarmee geen reëel effect op de mate van overschrijding van de KDW, op de ontwikkeling van de achtergronddepositie of op de jaarlijkse fluctuaties in achtergronddeposities in Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen.
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
24
4.3.2
Projectbijdrage op habitattypen en leefgebiedtypen Het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen is aangewezen voor acht habitattypen. Op vier habitattypen is sprake van een projectbijdrage op (naderend) overbelast habitat (Tabel 4.3). De maximale projectbijdrage op (naderend) overbelast oppervlak is 0,01 mol N/ha. Op de overige habitattypen (H3130, H3160, H6230, H7150) vindt geen overschrijding van de KDW plaats, waardoor negatieve effecten op voorhand zijn uitgesloten. Tabel 4.3
4.3.3
Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen: habitattypen, zoekgebieden en leefgebied met maximale projectbijdrage op het totale oppervlak (ha), de KDW, het percentage overbelast oppervlak (AERIUS-Monitor 2025), de maximale ADW van oppervlak met een projectbijdrage, de hoogste projectbijdrage, de hoogste bijdrage op overbelast oppervlak en het bijbehorende oppervlak (berekend met de gmlexport van AERIUS-Calculator 2024.1).
Habitat-/ leefgebiedtype
Opp. (ha)
KDW OverProjectProjectOpp. overbel. Max. ADW mol N/ha/jr schrijding bijdrage bijdrage t.p.v. t.p.v. project(mol (mol overbel. opp. bijdrage (ha) N/ha/jr) N/ha/jr) (mol N/ha/jr)
H4010A
6,2
1.071
100%
0,01
0,01
0,06
1.595
H6410
0,3
786
100%
0,01
0,01
0,2
1.591
H9120
51
1.071
100%
0,01
0,01
34
2.074
H91E0C
16
1.857
7%
0,01
0,01
2,7
1.982
Actualiteit gegevens In het Beheerplan en de Natuurdoelanalyse (die op het beheerplan is gebaseerd) van Landgoederen Brummen is gebruik gemaakt van de T0- en de T1 habitattypekaart (welke in 2022 nog niet was gevalideerd). De kwaliteitsparameter ‘vegetatieve kwaliteit’ is afgeleid van deze twee kaarten. De parameter ‘typische soorten’ is geanalyseerd op basis van gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), waarbij waarnemingen uit de periode 2016 t/m 2021 zijn geselecteerd. Dit is aangevuld met informatie uit vegetatie- en florakarteringen, vegetatie-opnamen (permanente kwadraten) en specifieke soortgerichte onderzoeken voor bepaalde deelgebieden. Voor de vegetatie-opnamen (permanente kwadranten, PQ’s) is uitgegaan van data vanaf 2016. De beoordeling van de abiotische kwaliteit heeft plaatsgevonden op basis van kenmerken die in de profielendocumenten in de paragraaf abiotische randvoorwaarden zijn opgenomen. Deze kenmerken beperken zich tot zuurgraad, voedselrijkdom, zoutgehalte, vocht en overstromingstolerantie. Andere relevante abiotische randvoorwaarden zoals basenrijkdom zijn niet in de Profieldocumenten onder deze kenmerken opgenomen.
Omdat van Landgoederen Brummen geen recente, gerichte structuurkartering beschikbaar is, zijn de aspecten onder de kwaliteitsparameter ‘structuur en functie’ beoordeeld op basis van beschikbare vegetatie- en florakarteringen en de LESA (onderdeel van de Natuurdoelanalyse).
4.3.4
H4010A – Vochtige heiden (hogere zandgronden) De KDW van Vochtige heiden (hogere zandgronden) wordt in Landgoederen Brummen op het gehele oppervlak (6,2 ha) overschreden (Tabel 4.3). Op 0,3 hectare (naderend)
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
25
overbelast oppervlak vindt een projectbijdrage plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. De maximale achtergronddepositie van dit oppervlak bedraagt 1.595 mol N/ha/jr. Instandhoudingsdoelen kwaliteit habitat (vraag 2 par 3.2) De instandhoudingsdoelen van Vochtige heiden (hogere zandgronden) zijn in Landgoederen Brummen uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. Volgens de meest recente habitattypekaart T1 is het areaal Vochtige heiden in het gebied de afgelopen toegenomen, hoofdzakelijk als gevolg van de getroffen maatregelen (Natuurdoelanalyse). Zowel in de T0- als de T1-situatie geldt dat het gehele oppervlak van goede kwaliteit is. Ten aanzien van het aspect ‘typische soorten’ is de kwaliteit matig. Van de 12 soorten die in de regio voorkomen zijn in de periode 2014-2021 binnen het habitattypen maar zes soorten waargenomen (Natuurdoelanalyse). Gegevens over de abiotische factoren ontbreken, maar door de goede kwaliteit van de vegetatie wordt in de Natuurdoelanalyse aangenomen dat deze factoren op orde zijn. Ten aanzien van de parameter ‘structuur en functie’ geldt dat alleen aan de eis ‘bedekking struiken en bomen is beperkt <10%’ wordt voldaan (Natuurdoelanalyse).
Naast stikstofdepositie beschrijft de Natuurdoelanalyse voor Landgoederen Brummen de volgende knelpunten ten aanzien van Vochtige heiden: diepe ontwatering binnen en buiten het gebied, bebossing en bosopslag door uitblijven van goed beheer, ongunstige abiotische omstandigheden (wegvallen kwel versterkt de effecten van stikstofdepositie), onvoldoende connectiviteit, invloed van gebiedsvreemde stoffen en onvoldoende kennis over de kwaliteit van het grondwater. Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 3.2) Ter instandhouding van het habitat worden cyclische maatregelen getroffen zoals uitmijnen (door te maaien), begrazen en verwijderen van exoten (Natuurdoelanalyse). Volgens de Gebiedsanalyse wordt met ‘uitmijnen’ bedoelt dat voedingstoffen uit de bodem worden onttrokken door maaibeheer of akkerbouw. Met genoemde maatregelen wordt per ingreep steeds een grote hoeveelheid stikstof in een orde van honderden mol aan het systeem onttrokken. Onderzoek door Van den Berg et al. (2014) laat zien dat extensieve begrazing in verglijkbaar habitat (Duinheiden met struikhei) leidt tot een stikstofafvoer van 0,9 – 1,1 Kmol N/ha. Onthouting (bijvoorbeeld door het verwijderen van exoten) leidt in Vochtige heiden (laagveengebied) tot een stikstofafvoer van 11-15 Kmol N/ha (Van den Berg et al, 2014).
Voor het habitattype Vochtige heiden (hogere zandgrond) kan eenzelfde orde van grootte van aan stikstofafvoer worden verwacht. Maaien (en afvoeren), begrazing en verwijderen van opslag worden in de herstelstrategie voor Vochtige heiden (hogere zandgronden) ook genoemd als effectieve maatregelen om de effecten van stikstof tegen te gaan (Smits et al, 2020). Verder beschrijft de Natuurdoelanalyse ter instandhouding dat de volgende maatregelen zijn getroffen of ingang gezet om het systeem robuuster te maken: hydrologisch herstel doormiddel van externe maatregelen, mitigerende maatregelen op het gebied van landbouw en woonfuncties en omvorming van bos ten behoeve van heide (afgerond in 2017). Effectbeoordeling (vragen 4 en 5 §3.2) Ondanks dat de KDW van het habitattype in Landgoederen Brummen wordt overschreden is kwaliteit overwegend goed. Maatregelen in het verleden hebben geleid tot een uitbreiding van het oppervlak. Het grootste knelpunt ten aanzien van de kwaliteit betreft het
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE VERKABELINGSPROJECT ZUTPHEN TOETSING EFFECTEN OP BESCHERMDE NATURA 2000-GEBIEDEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
26
ontbreken van voldoende connectiviteit met andere gebieden, waardoor de (typische) soorten het habitattype niet kunnen bereiken. In het habitattype vindt cyclisch beheer plaats in de vorm van uitmijnen, begrazing en het verwijderen van exoten. Als gevolg van deze maatregelen wordt per ingreep steeds een grote hoeveelheid stikstof uit het gebied afgevoerd. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op 0,3 hectare overbelast oppervlak (4,8% van het totale oppervlak Vochtige heiden) doet geen afbreuk aan deze maatregelen. In de Natuurdoelanalyse is beoordeeld dat het vastgestelde pakket aan maatregelen de realisatie van de instandhoudingsdoelen mogelijk maakt. Verslechtering van het habitat is ondanks een overschrijding van de KDW niet aan de orde en de instandhoudingsdoelstellingen liggen binnen bereik. De projectbijdrage heeft geen invloed op het rendement van de maatregelen en leidt niet tot een noodzaak voor intensiever beheer of aanvullende maatregelen. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Vochtige heiden als gevolg van de tijdelijke projectbijdrage zijn daarmee uitgesloten.
4.3.5
H6410 – Blauwgraslanden De KDW van het habitattype Blauwgraslanden wordt in Landgoederen Brummen op het gehele oppervlak (0,3 ha) overschreden (Tabel 4.3). Op 0,2 hectare (naderend) overbelast oppervlak vindt een projectbijdrage plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. De maximale achtergronddepositie van dit oppervlak bedraagt 1.591 mol N/ha/jr. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 §3.2) De instandhoudingsdoelen voor Blauwgraslanden in Landgoederen Brummen zijn vergroting van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. Volgens de meest recente habitattypekaart T1 is de ligging van het habitat verschoven naar de lagere (nattere) delen. Het oppervlak is daarentegen min of meer gelijk gebleven en ook zijn dezelfde vegetatietypen waargenomen. Voor zowel de T0- als de T1-situatie geldt dat de vegetatieve kwaliteit over het gehele oppervlak van goed is. Ten aanzien van het aspect ‘typische soorten’ is de kwaliteit beoordeeld als matig. Van de negen soorten die in de regio voorkomen zijn de afgelopen zes jaar maar vier soorten (blauwe knoop, blauwe zegge, watersnip en Spaanse ruiter) waargenomen binnen het habitattypen (Natuurdoelanalyse). De locaties waar het habitattype voorkomt voldoen waarschijnlijk maar beperkt aan de abiotische randvoorwaarden. De ingezette maatregelen voor systeemherstel leiden tot te natte omstandigheden op de huidige groeiplaatsen.