662538 - bijlage 4 - Was-wordt lijst Algemene Subsidieverordening gemeente Zutphen 2025
Tekst van het document
Reden wijziging
Artikel 9 Meerjarige subsidie, indexering Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. De termijn van ten hoogste vier jaar houdt verband met de raadsperiode, waar eventueel bij grote subsidieontvangers bij aangesloten kan worden.
Artikel 9 Meerjarige subsidie, indexering Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Bij een meerjarige subsidie bestaat de mogelijkheid van indexering. In de subsidiebeschikking wordt vermeld op welk bedrag de subsidieontvanger voor elk jaar recht heeft en als er indexering wordt toegepast, op welke wijze dit gebeurt. Indexering is in de uitvoeringspraktijk niet standaard het geval.
De tekst in deze toelichting is gewijzigd!.
Artikel 10 Weigerings- en terugvorderingsgronden In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld. Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a.). Wat betreft de verplichte weigeringsgrond opgenomen onder b. in het eerste lid moet het volgende opgemerkt worden. Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b. gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met
Artikel 10 Weigerings- en terugvorderingsgronden In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.
De tekst in deze toelichting is gewijzigd!.
Soms is het toch mogelijk om staatssteun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a.). Wat betreft de verplichte weigeringsgrond opgenomen onder b. in het eerste lid moet het volgende opgemerkt worden. Bepaalde Europese steunkaders verbieden - als er een bevel tot terugvordering uitstaat - alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het
Was het verplichtende karakter komt het in de ASV echter neer op een– op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat). In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar het oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren van de Europese Commissie voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun niet had uitgevoerd.
Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart. In het derde lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht. De onderdelen a. en c. behoeven geen nadere toelichting. Onderdeel b. geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende gelden uit eigen middelen of uit middelen van derden beschikt.
Wordt algemeen. Door de in het eerste lid, onder b. gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de ASV echter neer op een - op zichzelf verdedigbare - verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat). In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar het oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren van de Europese Commissie voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01).
Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders - lees: zonder de steun - niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart. In het derde lid zijn nog enkele bijzondere weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze
Reden wijziging
Was De onderdelen d., e., f., g. en h. behoeven eveneens geen nadere toelichting. Onderdeel i. geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen. Onder j. tenslotte is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet geoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan deminimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de stand stillverplichting de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid). Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het eerste lid, onder a.).
Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd. Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, dan moet de subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.
Wordt gevallen subsidie weigeren, maar is daartoe niet verplicht. De onderdelen a. en c. behoeven geen nadere toelichting. Onderdeel b. geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende gelden uit eigen middelen of uit middelen van derden beschikt. De onderdelen d., e., f., g. en h. behoeven eveneens geen nadere toelichting. Onderdeel i. geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen. Onder j. tenslotte is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet geoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen.
Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de stand still-verplichting de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid). Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan weigert het college de aanvraag alsnog (zie het eerste lid, onder a.). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd.
Reden wijziging
Was
Wordt Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, dan moet de subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.
Artikel 14 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb). Wat betreft het tweede en derde lid wordt het scheppen van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 van de Awb (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 van de Awb (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie). In beginsel moet de verordening hiervoor een uitdrukkelijke grondslag bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking. Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren. Als het college in een subsidieregeling of in een subsidieverleningsbeschikking van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden. Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken
Artikel 14 Aan een subsidie te verbinden bijzondere De tekst in deze toelichting is verplichtingen gewijzigd!. Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat al mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb). Wat betreft het tweede en derde lid wordt het scheppen van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 van de Awb (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 van de Awb (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie). In beginsel moet de verordening hiervoor een uitdrukkelijke grondslag bieden, of - in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie - de verleningsbeschikking. Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren. Als het college in een subsidieregeling of in een subsidieverleningsbeschikking van deze aanvullende
Reden wijziging
Was tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid moet worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college in een subsidieregeling van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden. Bij het vierde lid wordt het volgende opgemerkt. In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen: a. als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; b. als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen; c.
als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; d. als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of
Wordt mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden. Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid moet worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college in een subsidieregeling van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden. Bij het vierde lid wordt het volgende opgemerkt. In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen: a. als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; b.
als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de
Reden wijziging
Was e. de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.
Wordt Reden wijziging gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen; c. als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; d. als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of e. de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden. Deze vergoedingsplicht geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of - als deze ontbreken - in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met het vierde lid krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven. In de praktijk zal dit alleen aan de orde zijn bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het is ook mogelijk in andere gevallen. Het vijfde lid gaat over de inzet voor social return en duurzaamheid. Bij inkoop van diensten, leveringen of werken neemt de gemeente Zutphen al enige jaren een contractvoorwaarde of -eis op over Social return on investment (SROI). Het doel hiervan is om extra werk(ervarings)plaatsen te maken voor mensen met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt. Deze verplichting kan nu ook opgelegd worden of daaraan verbonden worden bij subsidieverlening.
Ook ten aanzien van het onderwerp ‘duurzaamheid’ kunnen nu bij subsidieverlening verplichtingen worden opgelegd of daaraan verbonden worden. Zie echter ook de toelichting bij het derde lid.
Was
Wordt
Reden wijziging
Artikel 18 Wijze van verstrekking en verantwoording subsidies tot en met € 5.000, Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000,- is dat deze op basis van vertrouwen worden verleend; er wordt niet meer standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 13). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger. Als de subsidieontvanger goed bekend staat zal de subsidie bij een dergelijk klein bedrag meestal direct vastgesteld en uitbetaald kunnen worden (eerste lid, onder a.). In andere gevallen kan er eerst verleend worden, gevolgd door een ambtshalve vaststelling (eerste lid, onder b.). In zo’n geval wordt een eventueel voorschot in één termijn (lumpsum) verstrekt en hoeft de subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard, terwijl toch het risico voor de gemeente beperkt blijft. Verder wordt in het geval van verlening gevolgd door ambtshalve vaststelling, in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen een nader bepaalde termijn, ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker.
In het tweede lid is een afwijkende termijn opgenomen voor situaties waarin speciale rapportageverplichtingen worden opgelegd.
Artikel 18 Wijze van verstrekking en verantwoording subsidies tot en met €5.000,Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000,- is dat deze op basis van vertrouwen worden verleend; er wordt niet standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de verplichtingen (zie artikel 13). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger.
De tekst in deze toelichting is gewijzigd!.
Als de subsidieontvanger goed bekend staat, kan de subsidie bij een dergelijk klein bedrag meestal direct vastgesteld en uitbetaald worden (eerste lid, onder a.). In andere gevallen kan er eerst verleend worden, gevolgd door een ambtshalve vaststelling (eerste lid, onder b.). In zo’n geval wordt een eventueel voorschot in één termijn (lumpsum) verstrekt en hoeft de subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Dit bespaart werk voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker, terwijl toch het risico voor de gemeente beperkt blijft. Verder wordt in het geval van subsidieverlening gevolgd door ambtshalve subsidievaststelling, in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen een nader bepaalde termijn, ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. In het tweede lid is een afwijkende termijn opgenomen voor situaties waarin speciale rapportageverplichtingen worden opgelegd.
Was Artikel 19 Verantwoording subsidies tussen € 5.000,en € 100.000, In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen € 5.000,- en € 100.000,- aan het college moeten verantwoorden. Er moet een aanvraag tot vaststelling ingediend worden (eerste lid). Deze aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan en een financieel verslag of jaarrekening (tweede lid). Ingevolge artikel 12 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt. Over het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt en dat de activiteiten zijn uitgevoerd. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid, in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag.
De uiterste indieningstermijn voor de aanvraag tot vaststelling is verschoven naar 1 mei voor jaarlijkse subsidies of uiterlijk vier maanden na afloop van het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend. In de ASV 2012 was dat 1 april, respectievelijk drie maanden, maar dit tijdstip bleek voor veel organisaties moeilijk
Wordt Artikel 19 Verantwoording subsidies van €5.000,- tot en met €100.000,In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen € 5.000,- en € 100.000,- aan het college moeten verantwoorden. Er moet een aanvraag tot vaststelling ingediend worden (eerste lid). Deze aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan en een financieel verslag of jaarrekening (tweede lid). Door artikel 12 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt. Over het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enzovoort. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is gebruikt voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt en dat de activiteiten zijn uitgevoerd. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid bepalen dat het andere bewijsmiddelen verlangt dan een inhoudelijk verslag.
De uiterste indieningstermijn voor de aanvraag tot vaststelling is 1 mei voor jaarlijkse subsidies of uiterlijk vier maanden na afloop van het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.
Reden wijziging De tekst in deze toelichting is gewijzigd!.
Was haalbaar. 1 mei is een cruciale datum gelet op tijdige vaststelling van de jaarrekening van de gemeente. Artikel 20 Verantwoording subsidies van meer dan €100.000, In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie van meer dan € 100.000,- aan het college moeten verantwoorden. Er moet een aanvraag tot vaststelling ingediend worden (eerste lid). Deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan en een financieel verslag of jaarrekening (tweede lid). Ingevolge artikel 12 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt. Voor het overige geldt wat bij de toelichting bij artikel 19 is opgenomen met een belangrijke aanvulling voor wat betreft de bij de aanvraag over te leggen stukken. Aanvullend wordt gevraagd om een balans van het afgelopen subsidietijdvak en een controleverklaring afgegeven door een accountant. De uiterste indieningstermijn voor de aanvraag tot vaststelling is verschoven naar 1 mei voor jaarlijkse subsidies of uiterlijk vier maanden na afloop van het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend. In de ASV 2012 was dat 1 april, respectievelijk drie maanden, maar dit tijdstip bleek voor veel organisaties moeilijk haalbaar.
1 mei is een cruciale datum gelet op tijdige vaststelling van de jaarrekening van de gemeente.
Wordt
Reden wijziging
Artikel 20 Verantwoording subsidies van meer dan €100.000,In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie van meer dan €100.000,aan het college moeten verantwoorden. Er moet een aanvraag tot vaststelling ingediend worden (eerste lid). Deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan en een financieel verslag of jaarrekening (tweede lid). Door artikel 12 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.
De tekst in deze toelichting is gewijzigd!.
Voor het overige geldt wat bij de toelichting bij artikel 20 is opgenomen met een belangrijke aanvulling voor wat betreft de bij de aanvraag over te leggen stukken. Aanvullend wordt gevraagd om een balans van het afgelopen subsidietijdvak en een contoleverklaring opgesteld door een onafhankelijk accountant. De uiterste indieningstermijn voor de aanvraag tot vaststelling is 1 mei voor jaarlijkse subsidies of uiterlijk vier maanden na afloop van het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend. Artikel 21 Controleprotocol Het controleprotocol is nieuw ten opzichte van de vorige ASV en vloeit voort uit de wens bij subsidieontvangers naar meer gedetailleerde verantwoordingsinformatie. Het protocol is standaard van toepassing op subsidies
Toelichting Artikel 21 is nieuw toegevoegd om duidelijkheid te geven over de subsidieverantwoording bij grote subsidiepartners, vooral over de controleverklaring die opgesteld moet
Was
Wordt van meer dan € 100.000,- en in sommige gevallen ook op subsidies vanaf € 50.000,-. Door vooraf duidelijk aan te geven wat de in te schakelen onafhankelijke accountant moet doen, kan het verantwoordingsproces efficiënter verlopen. In het protocol zijn tevens de specifieke werkzaamheden opgenomen die de onafhankelijk accountant moet uitvoeren voor de verantwoording van de uitgevoerde activiteiten die vermeld zijn in het activiteitenverslag.
Artikel 21 Vaststelling subsidie van meer dan € 5.000, Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 22 Vaststelling subsidie van meer dan €5.000,Het eerste tot en met derde lid behoeft geen nadere toelichting. In het ten opzichte van de vorige ASV nieuwe vierde lid is een sanctie opgenomen als een subsidieontvanger te laat of een onvolledige aanvraag tot subsidievaststelling indient. De sanctie kan opgelegd worden nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen. Voor het alsnog indienen en/ of aanvullen van de aanvraag kan het college immers een nieuwe termijn stellen. Als sanctie kan het college overgaan tot (ambtshalve) vaststelling waarbij de subsidie door het niet naleven van de betreffende verplichting met 5% wordt verlaagd vergeleken met het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld als aan de verplichting zou zijn voldaan.
Artikel 22 Hardheidsclausule Op grond van dit artikel kan het college één of meer artikelen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van het verstrekken van subsidies, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit kan echter alleen
Artikel 23 Hardheidsclausule Op grond van dit artikel kan het college één of meer artikelen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van het bereiken van gemeentelijke doelstellingen door het verstrekken van subsidies, leidt
Reden wijziging worden door een onafhankelijk accountant.
Was in die gevallen die niet zijn voorzien ten tijde van het vaststellen van de regeling. Wordt een geval onder de hardheidsclausule gebracht, dan heeft dit tot gevolg dat de regeling op dit punt moet worden aangepast. Het geval is immers voorzienbaar geworden. Deze mogelijkheid bestaat niet bij de artikelen 4 en 10, eerste en tweede lid, omdat het hier gaat om wet- en regelgeving op het gebied van staatsteun, waarvan niet afgeweken kan worden.
Wordt Reden wijziging tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit kan echter alleen in die gevallen die niet zijn voorzien tijdens het vaststellen van de verordening. Wordt een geval onder de hardheidsclausule gebracht, dan heeft dit tot gevolg dat de verordening op dit punt moet worden aangepast. Het geval is immers voorzienbaar geworden.
Artikel 25 Overgangsrecht Dit artikel bevat de gebruikelijke regels van overgangsrecht. Het derde lid gaat over subsidieregelingen die tot stand zijn gekomen onder de ASV 2012. Deze blijven in stand na inwerkingtreding van de ASV 2019 tot het moment van wijziging en intrekking van de betreffende subsidieregeling.
Artikel 26 Overgangsrecht Dit artikel bevat de gebruikelijke regels van het overgangsrecht. Het derde lid gaat over subsidieregelingen die tot stand zijn gekomen onder de vorige ASV. Deze blijven in stand na inwerkingtreding van deze ASV tot het moment van wijziging of intrekking van de betreffende subsidieregeling. Vanaf dat moment geldt de gewijzigde of nieuwe subsidieregeling, onder vigeur van deze ASV.
Deze mogelijkheid bestaat niet bij de artikelen 4 en 10, eerste en tweede lid, omdat het hier gaat om wet- en regelgeving op het gebied van staatsteun, waarvan niet afgeweken kan worden.