CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

600423 - Bijlage 4 - Regels bestemmingsplan Fort de Pol, Zutphen

Raadsvergadering 13 november 2023, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Fort de Pol, gemeente Zutphen11.718 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Regels

Fort de Pol, Zutphen

Gemeente Zutphen

Datum: 26 september 2023 Projectnummer: 220325 ID: NL.IMRO.0301.bp0221DMFortdePol-on01

INHOUD REGELS

1

Inleidende regels

3

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

3 7

2

Bestemmingsregels

9

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Bedrijf - Windturbine Bedrijventerrein - Zonnepark Groen Water Leiding - Gas Leiding - Hoogspanningsverbinding Waarde - Archeologie hoge bekende waarde Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde Waarde - Archeologie IJsselbedding Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde Waterstaat - Waterkering Waterstaat - Waterstaatkundige functie

9 9 10 12 12 14 15 18 21 24 27 28

3

Algemene regels

29

Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18

Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Overige regels

29 29 29 33

4

Overgangs- en slotregels

34

Artikel 19 Artikel 20

Overgangsrecht Slotregel

34 34

De verbeelding Verbeelding met legenda

1 Artikel 1

Inleidende regels Begrippen In dit plan wordt verstaan onder:

1.1

plan: het bestemmingsplan ‘Fort de Pol, Zutphen' met identificatienummer NL.IMRO.0301.bp0221DMFortdePol-on01 van de gemeente Zutphen;

1.2

bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;

1.3

aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4

afgraven en ophogen van de bodem: het verrichten van handelingen, waardoor de hoogteligging van een terrein of de bodem van een water (al dan niet tijdelijk) wordt verlaagd. Hieronder wordt niet begrepen: a de werkzaamheden, die in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering worden verricht zoals (diep)ploegen en frezen; b het maken van ondiepe (circa 1 m) en weder te dichten sleuven en gaten voor het leggen van buizen, drainagebuizen en kabels; c het reguliere onderhoud aan watergangen (baggerwerkzaamheden);

1.5

archeologisch deskundige: een deskundige met betrekking tot archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties;

1.6

archeologische waarde: de aan een gebied toegekende, of naar verwachting voorkomende, waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden;

1.7

(beperkt) kwetsbaar object: in relatie tot windturbines: a beperkt kwetsbaar object: objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zoals deze luidde ten tijde van vaststelling van het inpassingsplan; b kwetsbaar object: objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder l, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zoals dit luidde ten tijde van vaststelling van het inpassingsplan;

1.8

bestaand: a bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het inpassingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd

3

krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het inpassingsplan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldende planologische regime; 1.9

bestaande windturbine: de aanwezige windturbine van het type Enercon E70 binnen het plangebied;

1.10

bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.11

bevoegd gezag: bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, tenzij de Elektriciteitswet 1998 anders bepaalt;

1.12

bijbehorende voorziening: bij een windturbine(park) behorende voorzieningen ten behoeve van de realisatie en/of het beheer van windturbines zoals bouw- en servicepaden, opstelplaatsen, groenvoorzieningen en terreinafscheidingen, dan wel ten behoeve van het transport van elektriciteit zoals kabeltracés, net- en inkoopstations, transformator- en schakelkasten, alsmede voorzieningen voor telecommunicatie;

1.13

bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.14

bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die duurzaam en direct met de aarde is verbonden;

1.15

duurzame energievoorziening: voorziening ten behoeve van het opwekken van energie uit duurzame energiebronnen zoals windkracht, waterkracht en zonlicht, mest en biomassa. Onder duurzame energievoorziening wordt onder meer verstaan windmolens, -turbines en -wokkels, zonnecollectoren en -panelen;

1.16

extensieve dagrecreatie: recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, paardrijden, zwemmen en vissen, onder extensieve dagrecreatie vallen geen gemotoriseerde sporten;

1.17

fundering: de ondersteuningsconstructie, welke geheel of gedeeltelijk ondergronds ligt, waarop het gebouw of bouwwerk geplaatst wordt;

1.18

gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt;

4

1.19

geluidgevoelige objecten: gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, niet zijnde bedrijfswoningen op geluidgezoneerd industrieterrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder, zoals dit luidde ten tijde van vaststelling van het inpassingsplan;

1.20

geluidgezoneerd industrieterrein: een industrieterrein (of bedrijventerrein) waarbij aan de gronden een zodanige bestemming is toegekend dat op grond van de artikelen 40 en 52 van de Wet geluidhinder in een bestemmingsplan een zone rond dat industrieterrein is vastgelegd, waarbuiten de geluidsbelasting ten gevolge van dat industrieterrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A);

1.21

inkoopstation: bouwwerk bedoelt voor het onderbrengen van schakel en meetapparatuur ten behoeve van het transport van elektriciteit van de interne parkbekabeling van het windturbinepark naar het externe landelijke elektriciteitsnet;

1.22

Inpassingsplan Windpark IJsselwind: het provinciaal inpassingspan Windpark IJsselwind met identificatienummer NL.IMRO.9925.IJsselwindZutphen-VST1;

1.23

kunstwerk: een bouwwerk ten behoeve van verkeersdoeleinden, zoals viaducten, alsmede bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding, zoals dammen, duikers, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, niet zijnde steigers, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening;

1.24

maaiveld: de hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op het gebouw, bouwwerk of windturbine;

1.25

natuurwaarden: de aan een gebied eigen zijnde ecologische waarden;

1.26

nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut (met bijbehorende voorzieningen), zoals transformatorhuisjes, transformatorkasten, inkoopstations, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

1.27

obstakelverlichting: licht gebruikt in de luchtvaart die de aanwezigheid van een obstakel aangeeft;

1.28

onderhoudsweg: een (half)verharde weg ten behoeve van de ontsluiting van een windturbine voor het bouwen van en het onderhoud aan een windturbine;

5

1.29

opstelplaats: een (semi-)verharde plek ten behoeve van het bouwen van en het onderhoud aan een windturbine, waaronder tevens begrepen onderhoudswegen;

1.30

overig bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.31

parkeervoorziening: gelegenheid tot parkeren ten behoeve van motorvoertuigen, met uitzondering van garages;

1.32

peil: a voor gebouwen die onmiddellijk aan de openbare weg grenzen: de hoogte van die weg; b in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;

1.33

plaatsgebonden risico (PR): risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als een rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting. Binnen de PR 10-6 contour is de kans op overlijden 1 op 1 miljoen per jaar. Voor de PR 10-5 contour geldt dat de kans op overlijden 1 op 100.000 per jaar is;

1.34

rotor: het samenstelsel van drie rotorbladen (ook wel wieken genoemd) en hub (ook wel de neus genoemd) van een windturbine;

1.35

rotorblad: de wiek van een windturbine;

1.36

rotordiameter: de diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven;

1.37

slagschaduwgebied: Het gebied waarbinnen er sprake kan zijn van enige waarneembare slagschaduw die als hinderlijk kan worden ervaren, zijnde de afstand vanaf de windturbine waarop de zon voor minimaal 20% kan worden afgeschermd door het rotorblad van de windturbine;

1.38

slagschaduw gevoelig object: ieder object bedoeld voor bewoning of anderszins voor permanent verblijf van personen (woningen, woonboten of woonwagens en zorginstellingen), voor zover het gebruik in overeenstemming met de geldende bestemming is, en voor zover de gevel of het dakvlak voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s);

6

1.39

tip: de uiterste punt van een rotorblad of wiek van een windturbine;

1.40

voormalige stortplaats: een stortplaats waar het storten van afvalstoffen is beëindigd, een bodemsanering heeft plaatsgevonden, een leeflaag is aangebracht, en een beschikking is afgegeven door het bevoegd gezag waaruit is gebleken dat er zodanige maatregelen getroffen zijn dat wordt gewaarborgd dat die stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt. Dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst mogelijke bescherming wordt geboden tegen die nadelige gevolgen. Een voormalige stortplaats valt onder de Wet bodembescherming;

1.41

waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie, en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, et cetera;

1.42

waterkering: een voorziening om water tegen te houden, zoals een dijk en een dam;

1.43

windturbine: een door de wind aangedreven turbine of molen, die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit;

1.44

windturbinepark: het geheel van windturbines binnen het bestemmingsplan Fort de Pol en Inpassingsplan Windpark IJsselwind met alle daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen, zoals opstelplaatsen en onderhoudswegen;

1.45

woning: een (gedeelte van een) gebouw of een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.46

zonnepaneel een apparaat dat zonlicht omzet in elektriciteit.

1.47

zonnepark: een gebied waar door middel via zonnepanelen zonlicht in elektriciteit wordt omgezet, met de daarbij behorende voorzieningen zoals ontsluitingspaden, onderhouds- en nutsgebouwen, erfafscheidingen en landschappelijke voorzieningen.

Artikel 2

Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1

de bouwhoogte van een bouwwerk, geen windturbine zijnde: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, bliksemafleiders en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 7

2.2

maximale bouwhoogte fundering: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de fundering/funderingsplaat;

2.3

de ashoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine;

2.4

rotordiameter van een windturbine: de diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven.

2.5

tiphoogte of bouwhoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het bovenste verticaal staande rotorblad;

8

2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels Bedrijf - Windturbine Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf - Windturbine' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a de opwekking van duurzame elektriciteit door middel van windturbines; 1 ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - windturbine 1’ is een bestaande windturbine toegestaan; b bijbehorende wegen en paden.

3.2 3.2.1

Bouwregels Windturbine 1 Voor het bouwen van windturbines gelden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - windturbine 1’ de volgende regels: a per aanduiding is maximaal één windturbine toegestaan; b de maximale ashoogte van een windturbine bedraagt 85 meter; c de maximale totale hoogte (mast en rotor) mag niet meer bedragen dan 125 meter, met dien verstande dat het overhangen van de rotorbladen ook daarbuiten is toegestaan; d de bouwhoogte en de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen mogen per windturbine niet meer bedragen dan 10 meter respectievelijk 20 m2 bedragen; e de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 2 meter.

3.3 3.3.1

Specifieke gebruiksregels Lichtmasten Lichtmasten of verlichtingsarmaturen aan andere bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan, indien de lichtuitstraling uitsluitend naar beneden plaatsvindt en niet is gericht op de IJssel en het Twentekanaal.

Artikel 4 4.1

Bedrijventerrein - Zonnepark Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijventerrein - Zonnepark' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a bedrijfsmatig geëxploiteerde zonnepanelen en zonnecollectoren; met bijbehorende: b gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van een transformatorvoorziening; c nutsvoorzieningen; d paden; e parkeervoorzieningen; f groenvoorzieningen; g water; h waterhuishoudkundige voorzieningen; i tuinen en erven; j voorzieningen ten behoeve van de veiligheid en de beperking van veiligheidsrisico’s.

9

4.2 4.2.1

Bouwregels Gebouwen Op de in artikel 4.1 bedoelde gronden mogen gebouwen, in de vorm van een transformatorvoorziening, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: a de bouwhoogte bedraagt maximaal dan 4 m; b de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen bedraagt maximaal 100 m2.

4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Op de in artikel 4.1 bedoelde gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: a de bouwhoogte van op de grond geplaatste zonnepanelen en zonnecollectoren bedraagt maximaal 3 m; b de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.

4.3

Specifieke gebruiksregels Lichtmasten of verlichtingsarmaturen aan andere bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan, indien de lichtuitstraling uitsluitend naar beneden plaatsvindt en niet is gericht op de IJssel en het Twentekanaal.

4.4 4.4.1

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na afweging van de in het geding zijnde belangen waaronder begrepen planologisch-stedenbouwkundige belangen en verkeersbelangen, nadere eisen te stellen met betrekking tot: a de situering van bouwwerken; b buitenopslag van goederen en materialen.

4.4.2

De bevoegdheid als bedoel in artikel 4.4.1 wordt toegepast met het oog op: a de gebruiksmogelijkheden: ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken en in verband met gewenste parkeer-, laad- en losruimte van voldoende omvang op eigen terrein; b de verkeersveiligheid: ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is; c de brandveiligheid: ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding, niet gewenst is, dient rekening gehouden te worden met het waarborgen, instandhouden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid.

Artikel 5 5.1

Groen Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a groenvoorzieningen; b watergangen, waterpartijen en -infiltratievoorzieningen alsmede schouwpaden en andere voorzieningen voor de watervoorziening waaronder bodempassages en duikers; 10

c d e f

fiets- wandel- en toegangspaden; straatmeubilair; nutsvoorzieningen; landschappelijke inpassing en versterking.

5.2 5.2.1

Bouwregels Gebouwen Op de in artikel 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: a de inhoud van nutsvoorzieningen bedraagt maximaal 100 m3; b de bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt maximaal 3 meter.

5.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Op de in artikel 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: a de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 meter. Deze hoogtebeperking geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van speelvoorzieningen.

5.3

Specifieke gebruiksregels Lichtmasten of verlichtingsarmaturen aan andere bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan, indien de lichtuitstraling uitsluitend naar beneden plaatsvindt en niet is gericht op de IJssel en het Twentekanaal.

5.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 5.1 onder a t/m f bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas; b aanleggen, verbreden en verharden van oppervlakteverhardingen; c het aanleggen van verharde en halfverharde wegen en paden; d het aanbrengen van drainage; e het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telefooncommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

5.4.1

5.4.2

Weigering Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de betreffende groenstructuur, in die zin dat door de werken of de werkzaamheden de conditie, levensverwachting, groeiplaats en ruimtelijke kwaliteit van de groenstructuur negatief wordt beïnvloed.

5.4.3

Advies De omgevingsvergunning wordt pas verleend nadat advies is gevraagd aan de adviseur groen van de gemeente.

11

5.4.4

Artikel 6

Uitzondering Geen omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.

Water

6.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a vaarwater ten behoeve van de scheep- en recreatievaart; b waterstaatkundige doeleinden; c instandhouding en ontwikkeling van natuurwaarden; d afvoer van oppervlaktewater, ijs en sediment; e taluds, oevers en onderhoudspaden; f watergangen en waterpartijen; g voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en/of waterkering; h watergangen en waterlopen met de daarbij behorende voorzieningen zoals stuwen, sluizen, duikers, steigers en bruggen; i extensieve recreatie; j wandel-, fiets- en toegangspaden; k groenvoorzieningen; l met bijbehorende gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde en voorzieningen.

6.2

Bouwregels Op de in artikel 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: a de hoogte van stuwen, sluizen en viaducten bedraagt maximaal 8 meter; b de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 4 meter.

Artikel 7

Leiding - Gas

7.1

Bestemmingsomschrijving a De op de verbeelding voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse hoge druk gastransportleidingen (inclusief voorzieningen) met de daarbij behorende belemmeringenstroken. b De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt.

7.2

Bouwregels Op of in de in artikel 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de leiding(en) worden gebouwd. Overige gebouwen

12

en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan uit oogpunt van externe veiligheid en energieleveringszekerheid. 7.3

Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen van overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toelaten.

7.4

Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen t.b.v. van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding.

7.5

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Verbod Het is verboden op of in gronden met de bestemming ‘Leiding - Gas’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of de volgende werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: a het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; b het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; d het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; e het permanent opslaan van goederen; f het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

7.5.1

7.5.2

Uitzondering op verbod Het bepaalde in artikel 7.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden: a die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; b die het normale onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van andere voorkomende bestemming(en) betreffen; c zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten; d die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

7.5.3

Voorwaarden omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.5.1 voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kan worden verleend indiende de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig schaden.

13

7.5.4

Artikel 8

Advies Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.5.1, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de leiding niet worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.

Leiding - Hoogspanningsverbinding

8.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming), bestemd voor aanleg, het beheer en instandhouding van een hoogspanningsverbinding met de daarbij behorende: a masten en (veiligheids)voorzieningen. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

8.2 8.2.1

Bouwregels Algemeen In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (basisbestemming) mag op of in gronden met de bestemming ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding’ niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.

8.2.2

Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

8.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat: a de hoogte van de masten maximaal 65 meter bedraagt, gemeten vanaf peil; b de hoogte van overige bouwwerken maximaal 2 meter bedraagt, gemeten vanaf peil.

8.3

Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.2 en toestaan dat bouwwerken worden gebouwd overeenkomstig de basisbestemming, mits: a geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de betreffende hoogspanningsleiding; b vooraf schriftelijk advies is verkregen van de betreffende netbeheerder.

8.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding’ zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

8.4.1

14

a het aanbrengen en/of rooien van opgaande beplantingen en/of bomen; b het wijzigen van maaiveld- of weghoogte door ontgrondingswerkzaamheden, ophoging of andere graafwerkzaamheden; c het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen; d het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen; e het aanbrengen en/of slopen van bovengrondse opstallen, constructies, straatmeubilair, installaties of apparatuur anders dan ten dienste van deze in artikel 8.1 omschreven bestemming; f het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; g het aanleggen van zonneparken. 8.4.2

Uitzonderingen Het verbod als bedoel in artikel 8.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

8.4.3

Voorwaarden De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 8.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de betreffende hoogspanningsleiding; b vooraf schriftelijk advies is verkregen van de betreffende netbeheerder.

Artikel 9

Waarde - Archeologie hoge bekende waarde

9.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie hoge bekende waarde’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

9.2 9.2.1

Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemming Voorwaarden Ten aanzien van het oprichten van nieuwe bebouwing gelden de volgende regels: a bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 50 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen 15

van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3 de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4 de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. c het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. 9.2.2

Afwijken van Bouwen Er mag afgeweken van het onder artikel 9.2.1 bepaalde indien: a op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 50 m2 wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, mits de uitbreiding niet meer bedraagt dan 50 m2, met uitzondering van nieuwe kelders.

9.2.3

Archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 9.2.1 onder a wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 9.2.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld.

9.3

Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat er plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische momenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

9.4 9.4.1

Uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden Verbod Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 9.1 genoemde gronden de volgende werken, geen gebouwen zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a het ophogen egaliseren en ontginnen van gronden; b grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diep-ploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, ver-ruime of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c het aanleggen van overbeschoeiingen;

16

d e f g h i j

het verlagen of afgraven van de bodem; het verlagen van het waterpeil; het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; k alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. 9.4.2

Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waar-en van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

9.4.3

Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk, mits deze niet meer bedragen dan 50 m2; c werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn.

9.4.4

Toelaatbaarheid Ten aanzien van de in artikel 9.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaats te vinden; b het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

17

9.4.5

Voorschriften bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.4.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, waaronder: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen.

9.4.6

Deskundig advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

9.5

Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de bestemming 'Waarde - Archeologie hoge bekende waarde’, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Artikel 10

Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde

10.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem.

10.2 10.2.1

Bouwregels Voorwaarden Ten aanzien van het oprichten van nieuwe bebouwing gelden de volgende regels: a bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 50 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen

18

van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen, of; 3 de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige, en/of; 4 de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. c het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. 10.2.2

Afwijken van bouwen Er mag afgeweken van het onder artikel 10.2.1 bepaalde indien: a op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 50 m2 wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, mits de uitbreiding niet meer bedraagt dan 50 m2, met uitzondering van nieuwe kelders.

10.2.3

Archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel onder a wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 10.2.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld.

10.3

Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat er plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische momenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

10.4 10.4.1

Uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden Verbod Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 10.1 genoemde gronden de volgende werken, geen gebouwen zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a het ophogen egaliseren en ontginnen van gronden; b grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diep-ploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, ver-ruime of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c het aanleggen van overbeschoeiingen;

19

d e f g h i j

het verlagen of afgraven van de bodem; het verlagen van het waterpeil; het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; k alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. 10.4.2

Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waar-en van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

10.4.3

Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk, mits deze niet meer bedragen dan 50 m2; c werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn.

10.4.4

Toelaatbaarheid Ten aanzien van de in artikel 10.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaats te vinden; b het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

20

10.4.5

Voorschriften bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, waaronder: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen.

10.4.6

Deskundig advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.5

Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de bestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde’, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Artikel 11

Waarde - Archeologie IJsselbedding

11.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie IJsselbedding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden vanwege het feit dat het bekend is dat hier in het verleden de IJssel heeft gelopen.

11.2 11.2.1

Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemming Voorwaarden Ten aanzien van het oprichten van nieuwe bebouwing gelden de volgende regels: a bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 1.000 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen 21

van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3 de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4 de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. c het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. 11.2.2

Afwijken van Bouwen Er mag afgeweken van het onder artikel 11.2.1 bepaalde indien: a op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 1.000 m2 wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, mits de uitbreiding niet meer bedraagt dan 1.000 m2, met uitzondering van nieuwe kelders.

11.2.3

Archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 11.2.1 onder a wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 11.2.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld.

11.3

Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat er plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische momenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

11.4 11.4.1

Uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden Verbod Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 11.1 genoemde gronden de volgende werken, geen gebouwen zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a het ophogen egaliseren en ontginnen van gronden; b grondwerkzaamheden dieper dan 5,5m + NAP onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diep-ploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, verruime of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c het aanleggen van overbeschoeiingen;

22

d e f g h i j

het verlagen of afgraven van de bodem; het verlagen van het waterpeil; het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; k alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. 11.4.2

Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waar-en van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

11.4.3

Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk, mits deze niet meer bedragen dan 1.000 m2; c werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn; e op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

11.4.4

Toelaatbaarheid Ten aanzien van de in artikel 11.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaats te vinden; b het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

23

11.4.5

Voorschriften bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, waaronder: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen.

11.4.6

Deskundig advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

11.5

Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de bestemming 'Waarde - Archeologie IJsselbedding’, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Artikel 12

Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde

12.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

12.2 12.2.1

Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemming Voorwaarden Ten aanzien van het oprichten van nieuwe bebouwing gelden de volgende regels: a bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 10.000 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen

24

van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3 de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4 de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. c het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. 12.2.2

Afwijken van Bouwen Er mag afgeweken van het onder artikel 12.2.1 bepaalde indien: a op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 10.000 m2 wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, mits de uitbreiding niet meer bedraagt dan 10.000 m2, met uitzondering van nieuwe kelders.

12.2.3

Archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 12.2.1 onder a wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 12.2.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld.

12.3

Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat er plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische momenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

12.4 12.4.1

Uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden Verbod Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 12.1 genoemde gronden de volgende werken, geen gebouwen zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a het ophogen egaliseren en ontginnen van gronden; b grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 10.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, ver-ruime of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;

25

c d e f g h i j

het aanleggen van overbeschoeiingen; het verlagen of afgraven van de bodem; het verlagen van het waterpeil; het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; k alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. 12.4.2

Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waar-en van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

12.4.3

Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk, mits deze niet meer bedragen dan 10.000 m2; c werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn.

12.4.4

Toelaatbaarheid Ten aanzien van de in artikel 12.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaats te vinden; b het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

26

12.4.5

Voorschriften bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.4.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, waaronder: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen.

12.4.6

Deskundig advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=d18ed60c-b87d-4620-b634-5ad7a4078074