600423 - Bijlage 3 - Toelichting bestemmingsplan Fort de Pol, Zutphen
Tekst van het document
4.7
Water Algemeen Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen.
Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027
28
Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: - waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); - waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; - waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; - realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; - Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; - Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is.
In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk.
Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma:
29
1. 2. 3. 4. 5.
Klimaatadaptatie; Waterveiligheid; Zoetwater; Grondwater; Scheepvaart.
Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.
Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland.
In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn
30
randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022 – 2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater. Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders.
Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: − Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; − Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; − Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie. Het programma is, naast in deze thema’s, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven. Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing Met onderhavig plan wordt een zonnepark met bijbehorende bouwwerken en verharding gerealiseerd. De zonnepanelen zelf worden niet gezien als verhard oppervlak aangezien neerslag niet opgevangen wordt en direct in de bodem kan infiltreren. De overige verharding in het plangebied is zodanig beperkt dat een infiltratievoorziening niet noodzakelijk is.
Er wordt geen afvalwater geproduceerd met onderhavig plan en er is zodoende geen vuilwaterrioolaansluiting vereist. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
31
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Vanuit de ecologie is onderzocht of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In deze quick scan4 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Rijntakken en Landgoederen Brummen ligt in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van beide Natura2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Ook andere verstoringen zijn niet op voorhand uit te sluiten.
Nader onderzoek in de vorm van een voortoets Wet natuurbescherming is daarom noodzakelijk, dit komt terug in de paragraaf stikstof. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden
4
SAB. Quick scan natuur, Zutphen Fort de Pol. 220325, 10 november 2022 32
geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Ten slotte lopen er mogelijk vliegroutes langs het plangebied over de IJssel en het Twentekanaal. Daarom moet bij de ontwikkeling in het plangebied voorkomen worden dat een mogelijke vliegroute wordt verstoord. Dit dient te worden gedaan door: − het terrein tijdens de bouwfase ’s avonds en ’s nachts niet te verlichten. − bij de inrichting van het terrein in de nieuwe situatie geen gebruik te maken van verlichting die verstoring van in de omgeving levende dieren minimaliseert. Wanneer deze maatregelen worden toegepast, is verstoring van eventuele vliegroutes niet te verwachten. Wanneer deze maatregelen niet of onvolledig kunnen worden genomen dient de potentiële vliegroute eerst nader onderzocht te worden. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
Vervolgstappen − Houd rekening met de zorgplicht; − Houd rekening met broedende vogels; − Uitvoeren voortoets Natura 2000; − Voorkom verstoring van een essentiële vliegroute van vleermuizen door verlichting hierop aan te passen of voer nader onderzoek uit. Conclusie Wanneer de vervolgstappen worden doorlopen vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan
4.9
Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de
33
Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Toetsing Met onderhavig plan wordt de realisatie van een zonnepark mogelijk gemaakt. In het kader van de Wet Natuurbescherming is de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling voor de aanleg- en gebruiksfase inzichtelijk gemaakt in een stikstofonderzoek 5. Aanlegfase Uit de uitgevoerde berekeningen voor de aanlegfase blijkt een grootste toename van 0,01 mol stikstof/ha/j op 0,36 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Dit zijn hexagonen in Natura 2000-gebieden die in het kader van de Wet Natuurbescherming relevant zijn bevonden voor beoordeling van het onderdeel stikstofdepositie. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is. Uit een ecologische voortoets welke is uitgevoerd en verwerkt is in het stikstofonderzoek is gebleken dat er bij een toename van stikstofdepositie op deze hexagonen geen sprake is van significante effecten op instandhoudingsdoelen voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten.
Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
5
Onderzoek stikstofdepositie Zutphen, Fort de Pol. 25 januari 2023 34
Toetsing De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de gemeentelijke archeologische waardenkaart voor dit plandeel.
Uitsnede archeologische waardenkaart gemeente Zutphen (2017). Met rode lijnen is de globale begrenzing van het plandeel Fort de Pol aangegeven (bron: Archeologische waardenkaart Zutphen).
Voor het zonnepark is in dit bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen op basis van de verwachtingskaart (lage verwachtingswaarde en een klein deel hoge verwachtingswaarde). Voor de centrale en de oostelijke kavel wordt geconstateerd dat de grond ernstig is verstoord (grijs gekleurd). Ondiepe bodemingrepen behoeven hier geen archeologisch onderzoek. Ook voor deze plateaus is een dubbelbestemming opgenomen. Daarnaast ligt vrijwel het gehele plangebied in een voormalige IJsselbedding. Hiervoor gelden bijzondere regels en is een specifiek dubbelbestemming opgenomen. Bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 5,5 m +NAP dienen voorafgegaan te worden door archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek. Ten behoeve van de voorzieningen in onderhavig plan vinden geen ontgravingen plaats tot op een diepte waarbij eventuele archeologische waarden in de fossiele IJsselmeanders kunnen worden bedreigd. In het geval dat bebouwing wordt onderheid, kunnen deze heipalen tot voorbij de fossiele IJsselbedding reiken. Indien meer dan 1.000 m2 wordt verstoord dieper dan 5,5 m +NAP, dan moet in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag onderzoek plaatsvinden. Met werkzaamheden welke toebehoren aan het realiseren van het zonnepark zal er geen sprake zijn van grote verstoring waarvoor de onderzoekplicht geldt.
35
Voor dit bestemmingsplan zijn de archeologische belangen afgewogen en wordt geconstateerd dat er geen belemmering bestaat voor het vastleggen van de bestemmingen in dit plan. Conclusie De dubbelbestemmingen volgens het gemeentelijk beleid zijn overgenomen in het bestemmingsplan. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Met de aanleg van het Twentekanaal in de jaren dertig en de ontwikkeling van industrieterrein De Mars is er van de oorspronkelijke landschappelijke structuur weinig intact. De aanleg van het Twentekanaal, in het vroegere dal van de Polbeek, heeft een behoorlijke ruimtelijke impact op de oorspronkelijke landschappelijke structuren. De oostelijke helft van het fort De Pol is nog licht herkenbaar in de structuur van de uiterwaard. De cultuurhistorische waarde van deze elementen is beperkt, omdat de ruimtelijke context niet meer aanwezig is. Het zijn losse elementen, zonder verbinding met het huidige landschap of het huidige grondgebruik. De werkzaamheden welke betrekking hebben op de realisatie van het zonnepark zijn beperkt en brengen geen wijzigingen in de oorspronkelijke landschappelijke structuren. De elementen hebben daarom geen kader gevormd voor de planvorming van dit bestemmingsplan. In het plandeel zijn verder geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.12
Kabels en leidingen Algemeen Bij vaststelling van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen. Relevante gasleidingen zijn weergegeven in paragraaf 4.6. Overige relevante leidingen betreffen een hoogspanningsleiding ten zuiden van het bedrijventerrein.
36
Uitsnede Netkaart RIVM, met hoogspanningsleiding 150 Kv (blauwe lijn)
Hoogspanningsleidingen In verband met een goede ruimtelijke ordening moet worden voorkomen dat nieuwe voor hoogspanning gevoelige functies binnen de magneetveldzone van 0,4 microTesla liggen. Dit blijkt uit het advies van het rijk uit 2005 6 en de toelichtende brief van 20087 over bovengrondse hoogspanningslijnen. In de brieven van 2005 en 2008 is toegelicht dat bestemmingen waar kinderen (tot 15 jaar) langdurig kunnen verblijven worden aangemerkt als gevoelig. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. 'Zoveel als redelijkerwijs mogelijk' houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. De voor- en nadelen en de specifieke lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat er besloten wordt om dergelijke functies toch binnen de zone toe te staan. Gemeenten, provincies en het rijk moeten hierbij hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het maken van keuzen. Toetsing In de huidige situatie zijn er geen gevoelige objecten en dit onderhavig plan worden ook geen gevoelige objecten gerealiseerd. Voor de aanwezige hoogspanningsleiding en de aanwezige gasleidingen zijn dubbelbestemmingen opgenomen. En de leidingen zullen niet gewijzigd worden met onderhavig initiatief. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
6
Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen, Kenmerk, SAS/2005183118, De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
7
Verduidelijking van het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen, Kenmerk, DGM\/2008105664, 4 november 2018, De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 37
4.13
Verkeer en parkeren Algemeen Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan sprake zijn van een afweging van verkeersbelangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit kan zijn ingegeven door bijvoorbeeld een wijziging van de verkeersaantrekkende werking of ontsluiting van een plangebied. Daarnaast kan het parkeren relevant zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening van functies, omdat de ruimtelijke ontwikkeling bijvoorbeeld gevolgen kan hebben voor de ruimtebehoefte ten behoeve van het parkeren in en/of in de omgeving van het plangebied. Toetsing verkeer De verkeersaantrekkende werking wordt gebruikt als basis voor de berekeningen van bijvoorbeeld de aspecten luchtkwaliteit en stikstofdepositie. De verkeersaantrekkende werking van het zonnepark wordt als niet noemenswaardig beschouwd, omdat hier in de beheerfase louter sprake is van verkeersbewegingen in verband met onderhoudswerkzaamheden. Deze verkeersbewegingen zijn zodanig laag, dat deze geen invloed hebben op de verkeersgeneratie als geheel. Toetsing parkeren Het ontwerpbestemmingsplan ‘Thematische herziening Standplaatsen Terrassen Evenementen en Parkeren’ is nog niet vastgesteld, dit plan zal parkeernormen bevatten, maar deze geldt nog niet. Daarnaast heeft de gemeente Zutphen geen parkeernormen vastgesteld voor het beheer van een zonnepark.
Zoals ook bij het aspect verkeer is aangegeven zal er enkel voor onderhoudswerkzaamheden parkeergelegenheid nodig zijn. Uitgangspunt bij de toetsing is dat de parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgevangen. In de regels is vastgelegd dat de parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgevangen. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
38
5 5.1
Wijze van bestemmen Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.1
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
39
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.2
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
40
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Enkelbestemmingen Bedrijf - Windturbine De bestaande windturbine wordt specifiek bestemd als 'Bedrijf - Windturbine'. Binnen het bestemmingsvlak is één windturbine toegestaan. De bestaande windturbine is aangeduid als ‘specifieke vorm van bedrijf – windturbine 1’. Naast de bestaande windturbine wordt met het inpassingsplan ‘Windpark IJsselwind Zutphen’ nog één windturbine mogelijk gemaakt, de exacte locatie is echter uit onderhavig plan gehouden. Er gelden wel verschillende veiligheidszones en vrijwaringszones voor de twee windturbines, zodoende zijn zij navolgend uitgesplitst. Bestaande windturbine Aan de bestaande windturbine is de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – windturbine 1’ gekoppeld. Per aanduiding is maximaal één windturbine toegestaan. De maximale ashoogte van een windturbine bedraagt 85 meter. De maximale totale hoogte (mast en rotor) mag niet meer bedragen dan 125 meter, met dien verstande dat het overhangen van de rotorbladen ook daarbuiten is toegestaan. De hoogte en de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen mogen per windturbine niet meer bedragen dan 10 meter respectievelijk 20 m2 bedragen, de hoogte van andere bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 2 meter.
Aan de bestaande windturbine met aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – windturbine 1’ zijn ‘veiligheidszone - bestaand 1’ en ‘veiligheidszone - bestaand 2’ verbonden. Nieuw windturbine Aan de nieuwe windturbine welke mogelijk gemaakt wordt met inpassingsplan ‘Windpark IJsselwind Zutphen’ is de ‘veiligheidszone - windturbine’ en de ‘vrijwaringszone windturbine’ verbonden. Bedrijventerrein – Zonnepark Deze bestemming is opgenomen voor de terrassen van de voormalige vuilstort en het westelijk en zuidelijk talud. Voor het westelijk terras en de taluds is een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een zonnepark. De bouw- en gebruiksregels zij op deze omgevingsvergunning afgestemd. Ook voor het midden terras en het oostelijke terras mogen bedrijfsmatig geëxploiteerde zonnepanelen en zonnecollectoren gerealiseerd worden. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, watergangen, waterpartijen en -infiltratievoorzieningen alsmede schouwpaden en andere voorzieningen voor de watervoorziening waaronder bodempassages en duikers, fiets-
41
wandel- en toegangspaden, straatmeubilair, nutsvoorzieningen en landschappelijke inpassing en versterking. Water De bestemming ‘Water’ is opgenomen voor het Twentekanaal dat binnen het plangebied valt. Tevens heeft een bestaande watergang deze bestemming gekregen. Ook hier heeft afstemming met de aangrenzende waterbestemmingen plaatsgevonden. Dubbelbestemmingen Archeologische (verwachtings-)waarde Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn dubbelbestemmingen in verband met bekende of te verwachten archeologische resten in de ondergrond opgenomen. Er gelden specifieke regels voor het bouwen en het aanleg (grondwerkzaamheden). De volgende dubbelbestemmingen zijn opgenomen: − Waarde – Archeologie hoge bekende waarde − Waarde – Archeologie hoge verwachtingswaarde − Waarde – Archeologie IJsselbedding − Waarde – Archeologie lage verwachtingswaarde Water In verband met de bevaarbaarheid van het Twentekanaal en de bescherming van de waterkering van het kanaal zijn twee dubbelbestemmingen opgenomen. Het betreffen respectievelijk: − Waterstaat - Waterkering − Waterstaat - Waterstaatkundige functie Daarnaast is een vrijwaringszone opgenomen voor de vaarweg en de dijk. Er gelden specifieke regels voor het bouwen en/of aanleg (grondwerkzaamheden).
Leidingen Vanwege belemmeringsstrook of beschermingszone van leidingen in het plangebied of vlak daarbuiten is een dubbelbestemming opgenomen. Er gelden specifieke regels voor het bouwen en/of aanleg (grondwerkzaamheden). Het betreffen de volgende dubbelbestemmingen: − Leiding - Gas − Leiding - Hoogspanningsverbinding 5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
42
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Voor het plangebied is reeds een grondexploitatie vastgesteld. Met het wijzigen van de bestemming wordt de grondexploitatie gewijzigd. De wijziging van de bestemming heeft een negatief effect op de grondwaarde. Een (extra) tekort op de grondexploitatie wordt gedekt uit de reserve GZ exploitatieresultaten. Het wijzigen van de bestemming is door de gemeente Zutphen geïnitieerd.
De bijbehorende kosten zullen zodoende ook de gemeente Zutphen worden gedragen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg en inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Er heeft afstemming plaatsgevonden met provincie Gelderland en waterschap Rijn en IJssel over het ontwerp en gewijzigd vast te stellen bestemmingsplan.
43
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 23 maart 2023 voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze periode zijn er zes zienswijzen binnengekomen. In de Reactienota zienswijzen welke bijgevoegd is bij dit bestemmingsplan zijn de binnengekomen zienswijzen samengevat en van een antwoord voorzien, daarnaast zijn ook ambtshalve wijzigingen meegenomen in de reactienota.
44