CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

600423 - Bijlage 3 - Toelichting bestemmingsplan Fort de Pol, Zutphen

Raadsvergadering 13 november 2023, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Fort de Pol, gemeente Zutphen14.073 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Fort de Pol, Zutphen

Gemeente Zutphen

Datum: 26 september 2023 Projectnummer: 220325 ID: NL.IMRO.0301.bp0221DMFortdePol-on01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 8

3

Beleid en regelgeving

11

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid

11 13 16

4

Milieu- en omgevingsaspecten

18

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Stikstof Archeologie Cultuurhistorie Kabels en leidingen Verkeer en parkeren

18 22 24 24 26 26 28 32 33 34 36 36 38

5

Wijze van bestemmen

39

5.1 5.2

Wat is een bestemmingsplan? Bestemmingsplan

39 40

6

Uitvoerbaarheid

43

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43 43

Bijlagen Bijlage 1 – Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 2 – Quickscan natuur Bijlage 3 – Stikstofonderzoek

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Fort de Pol is een voormalige vuilstort in Zutphen welke getransformeerd wordt naar energielandschap, waarin zonne- en windenergie opgewekt kan worden. Het meest westelijk gedeelte en de zuidelijke rand zijn reeds voorzien van zonnepanelen welke gerealiseerd zijn met een omgevingsvergunning. Naast de zonnepanelen biedt de locatie ook plaats aan twee windturbines waarvan er één reeds is gerealiseerd en een tweede mogelijk gemaakt wordt met het recent vastgestelde inpassingsplan ‘Windpark IJsselwind Zutphen’. Op 14 november 2022 is voor de locatie een voorbereidingsbesluit vastgesteld. Het college heeft een richting bepaald voor de toekomstige ontwikkeling voor de locatie en wil dat deze op basis van het toekomstige bestemmingsplan kan worden ingericht ten behoeve van de energietransitie en zonnepanelen/zonnevelden. Onderhavig document voorziet in de toelichting van het bestemmingsplan

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied van Fort de Pol omvat de voormalige vuilstort van Zutphen. Het plangebied is ten noorden gelegen van bedrijventerrein De Mars, verder wordt het aan de noordelijke zijde begrenst door het Twentekanaal en aan de westzijde door de uiterwaarden van de IJssel. Het betreft de percelen welke kadastraal bekend zijn als kadastrale gemeente Zutphen, sectie K en nummers 1163, 1466, 1437, 1209, 1429, 1428, 1714, 1708, 1711, 1705, 1204, 1201, 1424, 1707 en de percelen welke gedeeltelijk onderdeel uitmaken van het plangebied zijn 1269, 1175, 1494, 1211, 1398, 1794, 1395, 1396, 1391, 1476, 1709 en 1202. In navolgende afbeeldingen wordt het plangebied weergegeven ten opzichte van de directe omgeving.

Globale ligging plangebied (rode ster) in relatie tot de kern Zutphen (bron: app.pdok.nl/viewer/)

3

Globale begrenzing plangebied (rood kader) (bron: app.pdok.nl/viewer/)

1.3

Vigerend bestemmingsplan Voor het westelijk gedeelte van het plangebied is bestemmingsplan ‘Windpark De Mars 2001’ van kracht en voor een gedeelte van onderhavig plangebied is het provinciaal inpassingsplan ‘Windpark IJsselwind Zutphen’ recent vastgesteld. Buiten deze gedeeltes van het plangebied geldt geen bestemmingsplan met uitzondering van de ‘Thematische herziening Standplaatsen Terrassen Evenementen en Parkeren’, maar dit bevat geen relevante regels voor onderhavige locatie. Voor het gehele plangebied is op 14 november 2022 een nieuw voorbereidingsbesluit ‘Fort de Pol De Mars’ vastgesteld.

1.3.1

Windpark De Mars 2001 Bestemmingsplan ‘Windpark De Mars 2001’ is door de gemeenteraad van Zutphen vastgesteld en op 4 februari 2003 onherroepelijk geworden. De gronden welke gelegen zijn binnen onderhavig plangebied hebben volgens dit vigerende bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Windturbines’. De op de kaart voor windturbines aangewezen gronden zijn bestemd voor windturbines met de daarbij behorende voorzieningen, ontsluitingswegen en overige verhardingen alsmede groenvoorzieningen en water. Bouwwerken ten behoeve van de mast mogen uitsluitend in het op de kaart met "situering mast" aangegeven gebied worden gebouwd, met een ashoogte van niet meer dan 85 m en een totale hoogte (mast en rotor) van niet meer dan 125 m, met dien verstande dat het overhangen van de rotorbladen ook daarbuiten is toegestaan. Bouwwerken ten behoeve van de fundering van de mast zijn eveneens buiten het op de kaart met "situering mast" aangegeven gebied toegestaan, met dien verstande dat de hoogte niet meer mag bedragen dan 2 m en de gezamenlijke oppervlakte binnen en buiten het bedoelde gebied niet meer mag bedragen dan 300 m 2 en voor het overige deze bouwwerken uitsluitend beneden het peil mogen worden gebouwd. De hoogte en de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen mogen per windturbine niet meer dan

4

10 m respectievelijk 20 m2 bedragen en de hoogte van andere bouwwerken, mag niet meer dan bedragen dan 2 m. 1.3.2

Windpark IJsselwind Zutphen Het inpassingsplan ‘Windpark IJsselwind Zutphen’ is op 16 november 2022 vastgesteld. Met dit inpassingsplan wordt een tweede windturbine mogelijk gemaakt waarvoor de enkelbestemming ‘Bedrijf – Windturbinepark’ is opgenomen. Voor de overige gronden is grotendeels de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein – Voormalige stortplaats’ opgenomen. De voor 'Bedrijventerrein - Voormalige stortplaats' aangewezen gronden zijn bestemd voor uitsluitend bestaande (bedrijfs)activiteiten ten behoeve van een voormalige stortplaats voor mogelijk nazorg en monitoringsvoorzieningen ten behoeve van de voormalige stortplaats, bestaande wegen en paden, afrasteringen en hekwerken het bestaand zonnepark met bijbehorende voorzieningen en groenvoorzieningen. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet worden gebouwd. Onderhavig plan neemt de locatie waar de windturbine mogelijk gemaakt wordt niet mee in het eigen plangebied. Hierdoor ontstaat er een ‘gat’ in de verbeelding waar het onderliggende provinciaal inpassingsplan vigerend blijft. De bijbehorende vrijwaringszone en veiligheidszone zijn in onderhavig plan wel meegenomen, zodoende bevat onderhavig plan dezelfde functie (met uitzondering van de realisatie van de windturbine) en bijbehorende regeling zoals opgenomen in het inpassingsplan.

1.3.3

Overige plannen Bestemmingsplan ‘Thematische herziening Standplaatsen Terrassen Evenementen en Parkeren’ heeft als ontwerp op 12 november 2021 ter inzage gelegen. Dit bestemmingsplan heeft inhoudelijk geen betrekking op onderhavig plan.

1.3.4

Strijdigheid met de plannen Het plan ‘Windpark De Mars 2001’ heeft een vastgestelde status, dit plan geldt maar voor een gedeelte van het plangebied en binnen dit gedeelte is het gedeelte van het zonnepark al door middel van een onherroepelijke omgevingsvergunning gerealiseerd. Voor het grootste gedeelte van het plangebied waar inpassingsplan ‘Windpark IJsselwind Zutphen’ is vastgesteld is de realisatie van een zonnepark niet mogelijk. Voor de overige gronden is geen bestemmingsplan vastgesteld.

1.4

Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (Hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6).

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie In het westen van dit plandeel heeft fort De Pol gestaan. Het fort is gesloopt en op deze locatie is reeds een zonnepark aangelegd, ook is er een windturbine geplaatst. De navolgende afbeelding geeft een indruk van de locatie van het fort.

Luchtfoto uit 1945 met locatie van Fort de Pol (groen omcirkeld). De globale begrenzing van het gehele plandeel Fort de Pol is met blauw aangeduid en de huidige topografie is met rood aangegeven1

Fort de Pol was onderdeel van de IJssellinie en maakte deel uit van de Zutphense vesting. Het fort werd kort voor 1800 gebouwd. Het had tot doel de monding van de Berkel, de Polbeek en de Eefdese Beek, die daar gezamenlijk uitmondden in de IJssel, te verdedigen. Nadat het Fort in 1920 buiten gebruik raakte werd op dit (destijds) afgelegen terrein, tussen de inmiddels gedempte Polbeek en het Twentekanaal, illegaal (huis)vuil gedumpt. Pas veel later is sprake van enige registratie van de vuilstort. In eerste instantie werd het binnendijkse deel van de voormalige Polbeek met afval volgestort. De in de directe nabijheid gelegen gaten, ontstaan als gevolg van zand- en kleiwinning, werden eveneens gedicht. In 1992 is met het storten van huisvuil en slib gestopt. Conform het bodemsaneringsplan is het materiaal geherschikt en vervolgens 1

Bron: Soetens, L., 2005. Archeologisch onderzoek Fort ‘de Pol’ te Zutphen. Bureaustudie en beperkt veldonderzoek. Grontmij archeologische rapporten 150. 6

afgewerkt met een afdeklaag conform het Landschapsplan Fort de Pol. Dit plan bestaat uit een drietal terrassen tot een hoogte 24 meter. De sanering is inmiddels afgerond. Op de westelijke rand van het plandeel staat een windturbine met een mast van 85 meter. De rotorbladen hebben een lengte, gemeten vanuit de as, van 40 meter. De windturbine maakt onderdeel uit van een rijtje van drie windturbines langs de IJssel en vormt daarvan de meest noordelijke windturbine. Nabij de windturbine is een uitzichtpunt gerealiseerd op het plateau in het westelijke deel van het plandeel.

Bestaande windturbine

7

Recente luchtfoto van de planlocatie (bron: google.maps)

Op de luchtfoto is te zien dat het westelijke terras en het westelijke en zuidelijke talud reeds voorzien zijn van zonnepanelen. De overige gronden liggen momenteel braak en er is op dit moment geen bebouwing aanwezig, los van bestaande afrasteringen en hekwerken. De begroeiing bestaat uit grasland en enkele individuele lage heesters. Het terrein is op te delen in drie plateaus die in hoogte verschillen. De dijk langs het Twentekanaal is duidelijk herkenbaar in het landschap.

2.2

Toekomstige situatie Om na te gaan wat een goede manier van bestemmen is (en dus de juiste functie op de juiste plek te krijgen) voor Fort de Pol, is nagegaan welke opgaven er liggen met bijbehorende afspraken en ontwikkelingen die spelen. Vanuit het beleid en de opgestelde kaders, de huidige situatie van het terrein en huidige wetgeving en lopende processen en trajecten zijn er een aantal randvoorwaarden en beleidskaders te benoemen die van invloed zijn op de mogelijkheden van het terrein. De belangrijkste zijn hieronder kort benoemd. Fort de Pol is onderdeel van het industrieterrein De Mars. Bedoeling van de gronden was en is om deze uit te geven voor bedrijvigheid passend bij de milieucategorieën die er op De Mars zijn (Structuurplan De Mars, Businessplan De Mars). De Mars is een terrein dat zich kenmerkt door diverse deelgebieden met verschillende zwaartes in milieucategorieën en daarmee een divers aanbod van bedrijvigheid. De Mars is in de regio het enige industrieterrein waar zware bedrijvigheid mogelijk is. Op De Mars wordt de economische visie herijkt als input voor de omgevingsvisie. Op het hoogste plateau van Fort de Pol, aan de zijde van de IJssel, is een zonneveld gerealiseerd. Dit zonneveld in combinatie met het initiatief van het Waterschap Rijn en 8

IJssel voor een windturbine op Fort de Pol, maakt dat dit deel van De Mars een aanzet is voor een energielandschap/ duurzaamheidsinitiatief. Het gebied is meegenomen als zoekgebied voor wind in de RES. Als uitwerking van de RES wordt een lokaal uitwerkingskader zon en een lokaal uitwerkingskader wind opgesteld. Aan de overzijde van het Twentekanaal speelt het initiatief van IJsselwind voor de realisatie van twee windturbines inclusief landschappelijke inpassing. Daarnaast is het goed te weten dat de bewoners van Eefde hier kritisch in mee kijken. Niet alleen naar de ontwikkeling van de windturbines maar ook wat er allemaal op De Mars gebeurt. Het initiatief van IJsselwind en het Waterschap voor realisatie van drie windturbines is door de provincie opgepakt met een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) en bijbehorende vergunningen. De provincie heeft in een brief van 15 februari 2022 bevestigd op welke wijze de provincie zorgdraagt voor borging van de genoemde waarden. Het gaat om: 1 Betrokkenheid omwonenden 2 Landschappelijke inpassing en biodiversiteit 3 Financiële participatie In dit proces is aangegeven dat deze samenwerking en de bijbehorende procedures en producten een verantwoordelijkheid is van de provincie als bevoegd gezag. Stikstof is een onderwerp waarover in 2019 de Raad van State een kritische uitspraak heeft gedaan.

Dat had tot gevolg dat vele ontwikkelingen die effect hebben op Natura2000 gebieden ‘on hold’ kwamen te staan in afwachting van nieuwe wet- en regelgeving. Indertijd is het afschalen van de zwaarte van de milieucategorie aanleiding geweest om aan dit onderwerp te kunnen voldoen. In het landschapsplan Fort de Pol en in de Groenatlas worden de uitgangspunten beschreven voor het landschappelijke ontwerp van de voormalige vuilstort Fort de Pol en daarmee de landschappelijke inpassing van het terrein als afronding van De Mars en te komen tot een goede overgang naar het landelijk gebied aan de noordzijde van het Twentekanaal. Voor Fort de Pol als onderdeel van het bestaande bedrijventerrein De Mars is, in combinatie met het windturbineproject, op 23 september 2019 door de gemeenteraad een bestemmingsplan vastgesteld. Dit bestemmingsplan is door de Raad van State op 12 mei 2021 vernietigd. Dat betekent dat er geen bestemmingsplan geldt voor dit deel van onze gemeente. Er geldt momenteel geen toetsingskader en dus geen beperking van gebruiks- en bouwregels. Om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen is op 14 november 2022 een voorbereidingsbesluit vastgesteld. De lijn van het vastgestelde, maar door de Raad van State vernietigde, bestemmingsplan was dat de opgenomen bestemmingen bij de bestaande functies conserverend van aard zijn.

Dit betekende concreet dat de bestaande situatie van de gesloten vuilstort en het onherroepelijk vergunde zonnepark vastgelegd zijn. De enige ontwikkelmogelijkheid die indertijd was opgenomen, was de realisatie van de windturbine van het Waterschap Rijn en IJssel. Met onderhavig bestemmingsplan wordt op de braakliggende gronden ook de realisatie van zonnepanelen mogelijk gemaakt. De locatie waar de windturbine wordt gerealiseerd conform het inpassingsplan ‘Windpark

9

IJsselwind Zutphen’ is niet meegenomen in onderhavig plan. Hierdoor ontstaat er een ‘gat’ in de verbeelding waar het onderliggende provinciaal inpassingsplan vigerend blijft. De bijbehorende vrijwaringszone en veiligheidszone zijn in onderhavig plan wel meegenomen, zodoende bevat onderhavig plan dezelfde functie (met uitzondering van de realisatie van de windturbine) en bijbehorende regeling zoals opgenomen in het inpassingsplan. In onderhavig plan vindt geen toetsing plaats voor de realisatie van de windturbine. Er is nog geen inrichtingsplan beschikbaar en het is nog niet bekend wat de exacte capaciteit van het zonnepark zal zijn, zodoende zijn in dit bestemmingsplan enkel randvoorwaarden vastgelegd voor de realisatie van de zonnevelden.

10

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie Algemeen Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in juli 2023 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 Duurzaam economisch groeipotentieel; 3 Sterke en gezonde steden en regio’s; 4 Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied. Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3 Afwentelen wordt voorkomen. Toetsing Voor het voorliggende plan is prioriteit 1 van toepassing. Prioriteit 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Per prioriteit heeft het Rijk verschillende beleidskeuzes gemaakt.

Voor dit plan is beleidskeuze 1.4 relevant: “We realiseren de opgave van duurzame energie met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies. Voor de inpassing op land van de opgave voor duurzame energie worden regionale energiestrategieën opgesteld.” Het Rijk heeft bij de inpassing van duurzame energie voorkeur voor grootschalige clustering, vanwege het verminderen van de ruimtelijke afwenteling en de kostenreductie. Voor mogelijke locaties voor realisatie van zonnepanelen is in de NOVI de volgende voorkeursvolgorde opgenomen: 1 zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen; 2 onbenutte terreinen in bebouwd gebied; 3 landeljik gebied: slimme functiecombinaties, bij voorkeur op gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur.

11

Met het mogelijk maken van het zonnepark op de voormalige vuilstort, worden de zonnepanelen gerealiseerd op een locatie die vanuit het Rijk de een na hoogste voorkeur heeft. De voormalige vuilstort is echter bij uitstek gebieden waar grootschalige clustering mogelijk is, een andere ambitie van het Rijk. Het plan is in lijn met de NOVI. 3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur (thans NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Toetsing Het plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het gestelde in de SVIR en het Barro.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening. Onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand

12

stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Toetsing Met het voorliggende plan wordt een zonnepark op de voormalige vuilstort mogelijk gemaakt. Een zonnepark wordt op basis van jurisprudentie2 niet aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het doorlopen van de ladder is voor de zonneparken om deze reden niet noodzakelijk. Tevens blijkt uit jurisprudentie dat bij een voorziening die voor algemeen gebruik is, de actuele regionale behoefte niet aangetoond kan worden. Een dergelijke ontwikkeling heeft namelijk geen regionaal gebonden verzorgingsgebied.

De afstand tot aan de gebruikers is niet of nauwelijks relevant, omdat de stroom aan het algemene net wordt geleverd. 3.1.4

Conclusie rijksbeleid Het voorliggende plan sluit aan op en draagt bij aan de ambities van het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1

RES 1.0 In 2015 is een wettelijke bindende, universele overeenkomst voor het klimaat in Parijs ondertekend. Deze uitgangspunten zijn in Nederland uitgangspunt voor het klimaatakkoord voor 49% CO2-reductie in 2030 en 95% CO2-reductie in 2050. De EU heeft zich inmiddels gecommitteerd aan 55% CO2-reductie in 2030. Om dit te kunnen realiseren wordt onder andere door 30 regio’s in Nederland een Regionale Energie Strategie (RES) opgesteld waarin staat hoeveel grootschalige opwek van hernieuwbare energie de betreffende regio wil realiseren tot 2030. In de RES 1.0 staat beschreven hoeveel grootschalige opwek van hernieuwbare energie de Cleantech Regio wil realiseren tot 2030. Het vormt daarmee een belangrijk deel van de energietransitie, die om meer gaat dan alleen grootschalige opwek. De RES is daarmee een sectorale strategie. Het geeft inzicht in hoe de regio kijkt naar duurzame opwek in de Cleantech Regio tot 2030. Het is wel van belang te beseffen dat daarover een integrale afweging met andere opgaven moet worden gemaakt. Behalve de 2

Uitspraak van 25 april 2018 Rechtbank Overijssel ECLI:NL:RBOVE:2018:1387 Uitspraak van 4 mei 2016 Raad van State ECLI:NL:RVS:2016:1208 Uitspraak van 16 maart 2016 Raad van State ECLI:NL:RVS:2016:709 Uitspraak van 23 januari 2019 Raad van State ECLI:NL:RVS:2019:178 13

energietransitie, komen namelijk ook andere transities en opgaven op gang die bijvoorbeeld ook ruimteclaims met zich meebrengen. In de verdere ontwikkeling van de RES naar 2.0 en verder zal daarom verbreding plaatsvinden naar andere opgaven zoals de warmtetransitie, mobiliteit en verduurzaming van landbouw en industrie. Bij die verbreding van opgaven past ook de ontwikkeling van een samenhangend energiesysteem. In dit systeem moet er aandacht zijn voor netcapaciteit, transport van overige brandstoffen en warmte, opslag, buffering en verdeling van energie. Alleen dan kunnen de doelen voor 2030 en 2050 gehaald worden. Zon De zonneladder staat aan de basis voor de strategie voor zon. Ook hierbij is het landschap ons vertrekpunt en wil de regio zon van meerwaarde voor het gebied laten zijn. Door clustering wordt versnippering voorkomen. De zonneladder kent vier treden, te weten: ja graag, ja-mits, nee-tenzij, en nee. Bij de middelste twee treden wordt enkel onder voorwaarden medewerking verleend aan het realiseren van zonne-installaties in de regio. Voor de trede ja-graag is een eigen niet-ruimtelijke strategie opgesteld die zich met name richt op zon op dak. Richting RES 2.0 wordt de zonneladder verder uitgewerkt. Zon op land gaat over de middelste treden (ja-mits, nee-tenzij), waar dus onder voorwaarden zonneparken gerealiseerd kunnen worden.

We kiezen nu voor een kleiner aandeel voor zon op land dan in de Concept-RES omdat we ambitieus inzetten op grootschalig zon op dak. In de Concept-RES zetten we in op 0,78 TWh waarvan in deze RES 0,46 TWh door grootschalig zon op dak gerealiseerd gaat worden. Op land realiseren we nog 0,32 TWh waarvan al 0,23 TWh is vergund. Door het aandeel grootschalig zon op dak is ca. 300 ha minder land nodig voor zonnevelden. Voor zon op land is clustering het uitgangspunt. In de ateliers is expliciet aangegeven dat meer regionale regie op zonnevelden wenselijk is om versnippering te voorkomen. En tot sterkere landschappelijke inbedding en ontwikkeling te komen. Er is daarom een voorkeur voor enkele grote velden ten opzichte van veel kleine velden. Toetsing Het zonnepark sluit aan bij het reeds onherroepelijk vergunde zonnepark dat aanwezig is op Fort de Pol. Door hierbij aan te sluiten is sprake van clustering en wordt voorzien in de te realiseren 0,32 TWh. De realisatie van het energielandschap past binnen de RES.01. 3.2.1

Gelders Energieakkoord Algemeen De opwekking van duurzame stroom levert indirect een grote bijdrage aan de CO2reductie. In 2030 moeten we in staat zijn om 8,3 TWh per jaar aan duurzame stroom op te wekken. Daarmee voorkomen we jaarlijks 8,5 Mt CO2-uitstoot. Het Energietransitiemodel (ETM) Gelderland vertaalde dit naar ruim 800 windturbines van 3 MW en 3.200 ha aan zonnevelden. Met de kennis van nu gaan we echter uit van hogere turbines met een hoger gemiddeld vermogen van ca. 4 MW. Door deze ‘winst’ van 33% aan vermogen per turbine hebben we minder duurzame bronnen nodig; namelijk ca. 450 windturbines en 1.800 ha zonnevelden.

14

In het Gelders Energieakkoord is vastgelegd dat de provincie in 2050 klimaatneutraal is. Hiermee worden de afspraken uit het Energieakkoord in een Gelderse context geplaatst. Dit akkoord is tot stand gekomen in overleg met onder andere 35 gemeenten, 3 waterschappen en diverse branche-, huurders- en bedrijvenverenigingen. Toetsing De realisatie van het zonnepark op de voormalige vuilstort zorgt voor een bijdrage aan de doelstellingen uit het Gelders Energieakkoord. 3.2.2

Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.

− Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening, welke is vastgesteld op 1 februari 2022, wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

15

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat er ruimte nodig is voor de realisatie van zonneparken als de provincie haar ambitie wil halen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het buitengebied, zodoende zijn er geen specifieke instructieregels voor zonneparken, aangezien deze enkel voor het buitengebied zijn opgesteld. 3.2.3

Conclusie provinciaal en regionaal beleid Dit plan is niet in strijd met het provinciaal en regionaal beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Afwegingskader Zonneparken Zonneparken leveren een groot deel van de opwek van duurzame energie. Tegelijkertijd hebben deze ontwikkelingen gevolgen voor het landschap en de mensen die er wonen. De gemeenteraad heeft in oktober 2021 besloten om een 'afwegingskader' op te stellen voor zonneparken. In het afwegingskader komen duidelijke voorwaarden voor hoe zonneparken in het landschap passen in combinatie met andere functies, zoals: wonen, agrarisch gebruik, biodiversiteit, natuur en recreatie. Daarnaast komen er ook voorwaarden voor het betrekken van omwonenden en belanghebbenden bij een eventueel project. En hoe er wordt omgegaan met financiële opbrengsten van zonneparken. Het afwegingskader zonne-energie ligt vanaf 21 november ter inzage. Na terinzagelegging stelt de gemeenteraad het afwegingskader zonneparken vast.

3.3.2

Coalitieakkoord gemeente Zutphen In het Coalitieakkoord 2022-2026 is aangegeven dat de gemeente Zutphen wil zorgen dat onze mooie stad en dorp schoon en leefbaar worden doorgegeven aan de inwoners van morgen. Daarvoor moeten we onze ecologische voetafdruk verkleinen. Energiebesparing blijft het uitgangspunt. Energie die wordt bespaard hoeft niet te worden opgewekt. We wekken zoveel als mogelijk zonne-energie op, maar met alleen zonnepanelen op daken halen we onze doelen uit de vastgestelde Regionale Energie Strategie (2021) niet. Dat betekent dat we ook goed moeten kijken naar de mogelijkheden voor windenergie en zon-op-land. We ontwikkelen in 2022 spelregels waaraan een zonneveld en een windpark moeten voldoen: het afwegingskader ‘wind- en zonne-energie’. In die spelregels staat helder

16

uitgelegd hoe inwonersparticipatie (meedenken en financieel mee kunnen profiteren) moet worden ingericht en hoe we ervoor zorgen dat natuur en landschap goed worden meegenomen in de besluiten. Toetsing De realisatie van het energielandschap, waarin zonne-energie opgewekt kan worden, op de voormalige vuilstort zorgt voor een bijdrage aan het opwekken van groene energie. Onderhavig plan sluit daarmee aan op het coalitieakkoord. 3.3.3

Conclusie gemeentelijk beleid Dit plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

17

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Pas na het uitvoeren van deze vormvrije m.e.r-beoordeling is duidelijk of er een m.e.r. moet worden doorlopen. Toetsing Onderhavig plan is te beschouwen als een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan, dat wordt genoemd als activiteit in het Besluit m.e.r.

Aangezien het project ver onder de drempelwaarden blijft is een vormvrije m.e.r.-beoordeling voldoende. Hierna is een korte vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen, deze is tevens als los document3 bijgevoegd in de bijlage. Conform de MER-richtlijn wordt achtereenvolgens kort ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project Algemeen Het project betreft de realisatie van een zonnepark op de locatie Fort de Pol, een voormalige vuilstort ten noorden van bedrijventerrein De Mars te Zutphen. Omvang van het project Het projectgebied is ca. 9 ha groot. Cumulatie met andere projecten Er is sprake van cumulatie met het plan ‘Windpark IJsselwind Zutphen’. Dit plan maakt de realisatie van windturbines mogelijk, waarvan één zich bevindt in onderhavig projectgebied. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft reeds een m.e.r. besluit genomen voor dit plan. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen De nieuwe functie binnen het project maakt gebruik van een natuurlijke hulpbron in de vorm van de inkomende straling van de zon. De zon wordt echter gezien als onuitputtelijke hulpbron.

3

SAB. Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, Fort de Pol. 220325, 25 januari 2023 18

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico van ongevallen Afgezien van de tijdelijke aanlegfase is geen sprake van een betekenisvolle productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder. Ook brengt het project geen bijzondere risico’s voor ongevallen met zich mee en er is geen sprake van een verkeersaantrekkende functie. Plaats van het project Het bestaande grondgebruik Het projectgebied bestaat uit een voormalige vuilstort. Het meest westelijk gedeelte en de zuidelijke rand zijn reeds voorzien van zonnepanelen welke gerealiseerd zijn met een omgevingsvergunning. Naast de zonnepanelen biedt de locatie ook plaats aan twee windturbines waarvan er één reeds is gerealiseerd. Het plangebied is ten noorden gelegen van bedrijventerrein De Mars, verder wordt het aan de noordelijke zijde begrenst door het Twentekanaal en aan de westzijde door de uiterwaarden van de IJssel. Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een korte analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn, of gebieden die krachtens nationale en provinciale regels zijn aangewezen.

Hieruit ontstaat het volgende beeld: •

Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn): In de omgeving van het plangebied liggen Natura 2000-gebieden die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn.

•

Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid: Het projectgebied is niet gelegen in een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid.

•

Landschappen van archeologisch of cultureel belang (Verdrag van Valetta, Erfgoedwet): Voor het projectgebied geldt een archeologische verwachtingswaarde. Binnen het projectgebied heeft Fort de Pol gestaan.

•

Ecologische Hoofdstructuur / Natuurnetwerk Nederland (Provinciale verordening): Onderhavig projectgebied ligt niet binnen de EHS/NNN dan wel de provinciale GNN of GO.

•

Gebied geschikt voor beschermde soorten (Wet natuurbescherming): Het is denkbaar dat zich binnen het projectgebied beschermde soorten hebben ontwikkeld.

Kenmerken van het potentiële effect Algemeen Het project betreft de realisatie van een zonnepark op de locatie Fort de Pol, een voormalige vuilstort ten noorden van bedrijventerrein De Mars te Zutphen. De omgeving van het projectgebied kent een beperkt aantal kwetsbaarheden. Gezien voorgaande zijn de milieugevolgen voor de volgende aspecten nader beoordeeld: •

archeologie: er kan sprake zijn van negatieve effecten op de archeologische waarden in het projectgebied.

•

cultuurhistorie: er kan sprake zijn van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden in het projectgebied. 19

•

natuur: flora en fauna: het project kan voor wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna en voor wat betreft gebiedsbescherming tot negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden.

Voor de overige milieuaspecten geldt dat op voorhand geen negatieve effecten hoeven te worden verwacht. Hierover kan heel kort het volgende worden gesteld: •

externe veiligheid: onderhavig plan brengt geen activiteiten met zich mee die leiden tot externe veiligheidsrisico’s op de omgeving.

•

bodem: bij onderhavig plan zal realisatie van zonnevelden plaatsvinden. Er hoeft niet te worden verwacht dat deze bouwactiviteiten bodemverontreiniging met zich meebrengen.

•

water: bij onderhavig plan neemt de verhardingsoppervlakte niet toe en ook is geen sprake van activiteiten die mogelijk bedreigend zijn voor de waterhuishouding; er zijn hiermee geen negatieve effecten op water.

•

verkeer: het project leidt niet tot negatieve milieueffecten op de verkeerssituatie.

•

geluid: er kan sprake zijn van milieueffecten op de omgeving als gevolg van geluid veroorzaakt door onderhavig project door de omvormers bij de zonnepanelen, echter zijn er geen gevoelige objecten gelegen in de nabijheid van de projectlocatie;

•

lucht: het project leidt niet tot milieueffecten op de omgeving als gevolg van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen.

Archeologie De gronden van het besluitgebied zijn mede bestemd voor de bescherming en het behoud van archeologische waarden. In paragraaf 4.10 van de toelichting wordt hier verder op ingegaan. Aan de westelijke zijde geldt een lage verwachtingswaarde en in de zuidwestelijke hoek voor een klein gedeelte een hoge verwachtingswaarde. Voor het midden gedeelte, het oostelijke gedeelte en de locatie van het voormalige fort de Pol is geconstateerd dat de grond ernstig verstoord is. Daarnaast ligt vrijwel het gehele plangebied in een voormalige IJsselbedding. Hiervoor gelden bijzondere regels en is een specifiek dubbelbestemming opgenomen. Bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 5,5 m +NAP dienen voorafgegaan te worden door archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek. Het meest westelijke deel en de zuidelijke rand zijn reeds voorzien van zonnepanelen. De nog te realiseren zonnepanelen worden gerealiseerd binnen de ernstig verstoorde gebieden. Er zullen geen bodemingrepen dieper dan 5,5 m +NAP plaats vinden. Wat betreft archeologie is hierdoor geen sprake van een negatief milieueffect. Cultuurhistorie Met de aanleg van het Twentekanaal in de jaren dertig en de ontwikkeling van industrieterrein De Mars is er van de oorspronkelijke landschappelijke structuur weinig intact.

Het aspect cultuurhistorie wordt verder onderbouwd in paragraaf 4.11 van de toelichting. Het fort de Pol is gesloopt en is niet meer aanwezig binnen het plangebied. In het plandeel zijn verder geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig. Wat betreft cultuurhistorie is hierdoor geen sprake van een negatief milieueffect. Natuur Algemeen

20

Er is onderzoek gedaan inzake flora en fauna. Hier is zowel ingegaan op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. In paragraaf 4.8 van de ruimtelijke onderbouwing is hier nader op ingegaan. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Rijntakken en Landgoederen Brummen ligt in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van beide Natura2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Ook andere verstoringen zijn niet op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een voortoets Wet natuurbescherming is daarom noodzakelijk, dit komt terug in de paragraaf stikstof. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Stikstof Uit de uitgevoerde berekeningen voor de aanlegfase blijkt een grootste toename van 0,01 mol stikstof/ha/j op 0,36 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie ten opzichte van de referentiesituatie.

Dit zijn hexagonen in Natura 2000-gebieden die in het kader van de Wet Natuurbescherming relevant zijn bevonden voor beoordeling van het onderdeel stikstofdepositie. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is. Uit een ecologische voortoets welke is uitgevoerd en verwerkt is in het stikstofonderzoek is gebleken dat er bij een toename van stikstofdepositie op deze hexagonen geen sprake is van significante effecten op instandhoudingsdoelen voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten. Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.

In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te

21

starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Ten slotte lopen er mogelijk vliegroutes langs het plangebied over de IJssel en het Twentekanaal. Daarom moet bij de ontwikkeling in het plangebied voorkomen worden dat een mogelijke vliegroute wordt verstoord. Dit dient te worden gedaan door: −

het terrein tijdens de bouwfase ’s avonds en ’s nachts niet te verlichten.

−

bij de inrichting van het terrein in de nieuwe situatie geen gebruik te maken van verlichting die verstoring van in de omgeving levende dieren minimaliseert.

Wanneer deze maatregelen worden toegepast, is verstoring van eventuele vliegroutes niet te verwachten. Wanneer deze maatregelen niet of onvolledig kunnen worden genomen dient de potentiële vliegroute eerst nader onderzocht te worden. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

Conclusie Uit de voorgaande vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of een zeer beperkt effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.2

Bodem Algemeen Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de geldende bestemming zal moeten worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie ook toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. Toetsing Sanering In 2004 is gestart met het saneren van de vuilstort. De sanering is vanwege tegenvallende resultaten gestopt. Besloten is toen om een nieuw saneringsplan op te stellen. De provincie heeft bij besluit van 17 maart 2010 het saneringsplan goedgekeurd. Conform het nieuwe saneringsplan is het materiaal herschikt en vervolgens afgewerkt met een afdeklaag. De gehele bodemsanering heeft inmiddels plaatsgevonden. Grondwater Het grondwater is over de periode 2001-2007 bemonsterd. Uit deze monitoring is naar voren gekomen dat het grondwater uitsluitend tot boven de interventiewaarde

22

verontreinigd is met barium en arseen. Opvallend is dat geen sterke organische verontreinigingen zijn aangetroffen. De oorzaak van de barium- en arseenverontreiniging hoeft geen directe relatie te hebben met de stort. Arseen kan een natuurlijke oorsprong hebben en bariumverontreinigingen in het grondwater kunnen ook ontstaan door sulfaatreducerende omstandigheden in de bodem (oplossen van bariumsulfaat) of de aanwezigheid van zouten (uitwisseling van ionen). De monitoring is voortgezet. Daarna is een risicobeoordeling uitgevoerd middels het ‘Evaluatierapport monitoring Fort de Pol’ d.d. 24 februari 2017. Uit de risicobeoordeling blijkt in eerste instantie dat er mogelijk sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s doordat het verontreinigde grondwater zich verspreidt richting het Twentekanaal en de uiterwaarden van de IJssel. Deze worden als kwetsbaar object beschouwd. Om een uitspraak te kunnen doen of er ook daadwerkelijk hinder optreedt is op 14 november 2017 een locatiespecifieke risicobeoordeling uitgevoerd waarbij het effect van de verspreiding van de verhoogde concentraties arseen en barium op de kwetsbare objecten, in beeld is gebracht. Tijdens de locatiespecifieke risicobeoordeling is de worst-case situatie voor emissie van arseen en barium richting het Twentekanaal in beeld gebracht.

Uit de emissietoets blijkt dat voor zowel arseen als barium de instroom van de grondwaterverontreiniging van de stort Fort de Pol niet leidt tot een overschrijding van de oppervlaktewaternomen. Gezien het feit dat de omvang van de grondwaterverontreiniging niet toeneemt en de uitstroom in het oppervlaktewater niet tot overschrijding van de milieukwaliteitsnormen leidt, is destijds geconcludeerd dat er sprake is van een milieuhygienisch acceptabele eindsituatie. De monitoring van het grondwater op de locatie kon middels deze conclusie worden afgerond. De Provincie heeft als bevoegd gezag het evaluatierapport monitoring Fort de Pol, de grondwatermonitoringsreeks en de locatiespecifieke risicobeoordeling beoordeeld. De Provincie heeft bij besluit van 29 januari 2018 de passieve grondwatersanering goedgekeurd. Hiermee is de passieve grondwatersanering afgerond. Blootstellingsrisico's na sanering Risico's op contact met stortmateriaal wordt voorkomen met een afdeklaag. Om direct contact met de stortlaag te voorkomen is de stortlaag afgedekt met een afdeklaag met een minimale dikte van 0,5 meter. De afdeklaag bestaat uit grond met zowel kwaliteit AW 2000 (schoon) als uit grond met kwaliteit Industrie. De afdeklaag is visueel te onderscheiden van het onderliggende stortmateriaal of verontreinigde afdeklaag door een gronddoek of sterk afwijkende grondlaag.

Voor werkzaamheden in de afdeklaag moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Een andere mogelijke vorm van blootstelling van de mens is de blootstelling aan stortgas of dampen, welke zich kunnen ophopen onder en in bebouwing. De verwachting is dat zich niet veel stortgassen zullen vormen in deze stort. Dit zal echter zowel tijdens als na een herinrichting periodiek gemonitord worden. Met de deklaag en de monitoring wordt de locatie geschikt geacht voor beoogd gebruik. Als signaleringsfunctie is voor de stortplaats in dit bestemmingsplan de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – voormalige stortplaats’ opgenomen. Er geldt op grond hiervan onder andere een omgevingsvergunningplicht voor enkele werken en werkzaamheden. Bodemingrepen zullen zeer beperkt zijn bij het zonnepark. Wel zal mogelijk

23

nader onderzoek met melding nodig zijn GS (BUS-melding oid) voor de aanleg i.v.m. trafo/kabels/leidingen en bouwwerken. Dit zullen echter allemaal beperkte bodemingrepen betreffen. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer in een plan nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bebouwing wordt toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar wegverkeer, railverkeer of industrielawaai. De gemeente Zutphen heeft haar geluidbeleid vastgelegd in het geluidsplan 20152025, en de deelnota’s Nota Bedrijven, Geluid en de Nota Hogere waarden geluid van augustus 2015 en het geluidreductieplan De Mars (2018). Toetsing Met het voorliggende plan wordt een zonnepark op de voormalige vuilstort mogelijk gemaakt. De zonnepanelen zelf veroorzaken geen geluid, enkel de transformator produceert in kleine mate geluid. In de VNG wordt voor een ‘Elektriciteitsdistributiebedrijf met transformatorvermogen: 10 – 100 MVA’ een richtafstand van 50 meter voor geluid aangehouden. Binnen 50 van de planlocatie zijn geen gevoelige objecten aanwezig. Er worden geen gevoelige functies mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Er is zodoende geen onderzoek wegverkeerslawaai benodigd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.

24

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO 2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a.

woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Met het voorliggende plan wordt een zonnepark op de voormalige vuilstort mogelijk gemaakt.

Er worden geen andere bedrijfsfuncties mogelijk gemaakt welke mogelijk een negatieve bijdrage leveren aan de luchtkwaliteit en er is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking wat effect heeft op de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

25

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Met het voorliggende plan wordt een zonnepark op de voormalige vuilstort mogelijk gemaakt. Er worden geen gevoelige objecten mogelijk gemaakt, er zal dus geen sprake zijn van belemmering van omliggende bedrijvigheid. Een zonnestroominstallatie vormt geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in de termen van milieuzonering. Zonneparken zijn niet opgenomen in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er is geen sprake van ruimtelijk relevante milieuaspecten, waardoor het aanhouden van een afstand noodzakelijk is. Er is wel sprake van een transformator, waardoor de installatie geschaard kan worden onder de categorie ‘elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen 10-100 MVA. De grootste afstand voor wat betreft geluid richting gevoelige functies is 50 meter. Binnen 50 meter van het plangebied zijn geen gevoelige objecten aanwezig. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en 26

veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Toetsing Risicobronnen In dit plandeel en met name in de directe omgeving daarvan liggen de volgende risicobronnen: a vervoer gevaarlijke stoffen over de IJssel; b aardgasleidingen van de Nederlandse Gasunie NV; c één inrichting waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen; d windturbines.

Uitsnede risicokaart met risicobron in de vorm van een gasleiding(rood gestreept) door het plangebied (blauw gestreept kader).

27

Overige risicobronnen in de omgeving, plangebied is geel gestreept omkaderd. In voorgaande afbeeldingen is zichtbaar dat er een gasleiding door het plangebied loopt, daarnaast zijn er een aantal risicovolle installaties in de omgeving aanwezig. De windturbine welke met het provinciaal inpassingsplan wordt mogelijk gemaakt, wordt eveneens gezien als risicobron. Met onderhavig plan worden er geen kwetsbare objecten gerealiseerd. Er hoeft zodoende geen toetsing plaats te vinden in verband met de aanwezige risicobronnen. Met onderhavig plan wordt de realisatie van een zonnepark mogelijk gemaakt. Een zonnepark is geen risicobron, er hoeft geen risicoanalyse uitgevoerd te worden naar aanleiding van de realisatie van het zonnepark ten opzichte van omliggende kwetsbare objecten. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=26d7787c-22e3-406f-b6ae-46f6e0c14bc7