564694 - Bijlage 13 - Bijlagen bij de toelichting - Bijlage 13 Archeologisch PvE
Tekst van het document
Ecoynsultancy, ARCHEOLOGISCH BREEGRAVEN
PROGRAMMA
VAN EISEN (PVE)
101-115
TE WARNSVELD
GEMEENTE
ZUTPHEN
©O Archeologie
Archeologisch Programma van Eisen (PvE) Breegraven 101-115 te Warnsveld In de gemeente Zutphen
Opdrachtgever
Ons Huis Apeldoom Postbus
24
7300 AA Apeldoom
PvE
nummer
14691.004
Versienummer Status
D1 Definitief
Datum
25 februari 2022
Vestiging
Gelderland Fabriekstraat 7005
AP
190
Doetinchem
0314 - 365150
doetinchem@econsultancy.nl
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Paraaf
.
© Econsultancy bv, Doetinchem Foto's en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door midde! van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de
uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Programma van Eisen Locatie
Breegraven 101-115
Projectnaam
Breegraven 101115 te Wamsveld
Plaats binnen archeologisch proces « IVO - Proefsleuven (IVO-P)
Opsteller Auteur
Naam, adres, telefoon, e-mail
datum
Econsultancy Doetinchem
25-02-2022
(geanonimiseerd) .
(geanonimiseerd)
Fabriekstraat 7005
paraaf
AP
19C
Doetinchem
Tel. 0314-365150
Em Senior KNA-archeoloog
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
25-02-2022
Rijksweg Noord 39 6071
KS
Swalmen
Tel. 0475-504961
E Opdrachtgever
(geanonimiseerd)
Naam, adres, telefoon, e-mail Ons Huis Apeldoom (geanonimiseerd) Postbus 24
7300 AA
Apeldoom
Tel. 055-5262500
Email: info@onshuisapeldoom.nl Goedkeuring bevoegde overheid e Gemeente
Gemeente Zutphen Bureau Archeologie (geanonimise rd) (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
Postbus 41
7200 AA
Zutphen
Tel. 0575-587760
)dreesiminonaeg( Eai: (geanonimiseerd)
Depothouder/eigenaar (kennisgeving) Archeologisch depot Gemeente Zutphen
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) E. Dieserstraat
7201
NA
11
Zutphen
Tel. 14-0575
Emai! (geanonimiseerd)
datum
paraaf
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE AANLEIDING
21 22
EN
GEGEVENS
MOTIVERING
ONDERZOEKSGEBIED… VAN
HET
ONDERZOEK..
Aanleiding . _ Motivering en besluí
ARCHEOLOGISCHE
VERWACHTING
31 _ Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 3.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) . 3.3 Begrenzing en opperviakte van de vindplaats(en) . 34 _ Structuren en sporen.. 3.5
_ Anorganische artefacten.
36
_ Organische artefacten
3.7 _ Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten 3.8 _ Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .
3.9
_ Gaafheid en conservering …
DOELSTELLING
41
EN
VRAAGSTELLING.
Doelstelling …
42
_ Relatie
43 44
Vraagstelling. _ Onderzoeksvragen 441 _ Algemeen 44.2 _ Landschap en bodem 443 _ Vraagstelling specialistisch onderzoek . _ Aanbeveling..
45
STRATEGIE,
met
NOaA
2.0 en/of
METHODEN
51
Strategie
5.2
_ Methoden
andere
onderzoekskaders
EN TECHNIEKEN
…
en technieken …
53 _ Omgang kwetsbare vondsten en monsters 54 _ Structuren en grondsporen.. 5.5 _ Aardwetenschappelijk onderzoek. 56 _ Anorganische artefacten 57 _ Organische artefacten 5.8 _ Archeozoölogische en -botanische resten 59 _ Overige resten. 5.10 Dateringstechieken 5.11
Bouwstenel
5.12
Complexitei
5.13
Beperkingen..
UITWERKING
61 6.2 6.3 64
EN CONSERVERING..
_ Structuren, grondsporen en vondstspreidingen … _ Analyse aardewetenschappelijke gegevens . _ Anorganische artefacten _ Organische artefacten
21
14691004
Eco/nsu!tanc* 6.5 66
11
21 22
7.1 7.2
22
Uitvoeringsperiode uitwerkin ; opleveringstermijn (concept)eind-/evaluatierapport… Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid..
22 22
_ Inhoud standaard-/evaluatierapport.
74
Kwaliteit .
23
7.5
Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport
23
(DE)SELECTIE EN CONSERVERING.
24
81 8.2 83
24
_ Selectie materiaal voor uitwerking _ Selectie materiaal voor deponering en verwijdering. _ Selectie materiaal voor conservering …
24 24
DEPONERING ..
24
9.1 9.2 93
24
Eisen betreffende depot T leveren product. E-depot
RANDVOORWAARDEN
EN
25 25
AANVULLENDE
EISEN
…
10.1
Personele
10.2 10.3 10.4
Overlegmomenten. Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen
WIJZIGINGEN
11.1 11.2 11.3 11.4 12
21
RAPPORTAGE
7.3
10
_ Archeozoölogische en -botanische resten _ Beeldrapportage (objecttekeningen, foto's, kaarten e.d.)
randvoorwaarden
TEN
OPZICHTE
VAN
25
HET
VASTGESTELDE
26 26 27
PVE.
Wijzigingen tijdens het veldwerk.. Belangrijke wijzigingen … Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk . Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering …
AANVULLENDE
12.1 12.2 12.3
25
EISEN...
Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk… Uitvoeringscondities veldwerk … Niet gesprongen explosieven (NGE) en veldgraven
27 27 27 27
28 28 28 28 29
14691004
Eco/nsu!tanc* LITERATUUR
EN
BIJLAGEN
Literatuur
Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000 Beek, R. van, 2009: Reliëf in Tijd en Ruimte. Interdisciplinair onderzoek naar bewoning en landschap van Oost Nederland tussen vroege prehistorie en middeleeuwen. Proefschrift Wageningen Universiteit. ISBN
978-90-8585-460-9.
Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding n de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsent, H & Kempen, H.F.J., 2009: Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland. Fermin, B. & Dalfsen, J. van, 2019: Een volmiddeleeuws erf in Warnsveld. Archeologisch onderzoek bij Den Bouw aan de Bevrijdings!aan, gemeente Zutphen. ZAP 137. Fermin, V., 2011: Erven uit IJzertijd en Volle-Middeleeuwen in Warnsveld. Archeologisch onderzoek onder de nieuwbouw van Den Bouw, Abersonplein 9 Warnsveld. (gem. Zutphen). ZAP 63. Fermin, B., 2009: Het verleden van Warnsveld verkend (2). Archeologische begeleiding van de rioolvervanging in de Molenstraat, het Bongerspad, de Tuinstraat en de Schoolstraat te Warnsveld (gem. Zutphen). ZAP 47. Fermin, B., 2008: Historische erfstructuren rond boerderij t Brake. Archeologisch onderzoek Veldesebosweg 4 in Warnsveld (gem. Zutphen). ZAP 40. Gemeente Zutphen, 2017: Archeologische Waardenkaart Zutphen (versie 3 april 2017). Goossen, E. 2012: Plangebied Klaprooslaan 2 te Warnsveld, gemeente Zutphen; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). RAAP-notitie 4312. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp.
Hesseling, , 2013: Plangebied Klaprooslaan 2 te Warnsveld, gemeente Zutphen; inventariserend veldonderzoek (proefsleuven). RAAP-notitie 4416. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Kastelein, D., 2013: Rond het begin van de jaartelling. Archeologisch onderzoek onder de nieuwbouw van
de Adriaan
van den
Endeschool.
ZAP
87.
Kastelein, D.& Groothedde, M., 2014: Rondom Den Bouw. Archeologisch onderzoek tijdens de herinrichting van de omgeving van Den Bouw in Warnsveld. ZAP 95. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, |.L., Westerhoff, W.E. & Wong, T.E. 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.
14691004
Eco/nsu!tanc* Stichting voor Bodemkartering, Oost/Apeldoorn.
1976:
Bodemkaart
van
Nederland,
schaal
1:50.000,
blad
33
Versfelt, H.J., 2003: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794. Heveskes Uitgevers, Groningen. ISBN 90-806727-4-2 Bronnen
AHN; internetsite, februari 2022. http;//www.ahn.nl
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Riijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amerstoort, februari
2022.
https://archis.cultureelerfgoed.nl
Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, februari 2022. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Kadaster Topotijdreis; internetsite, februari 2022. http;//wwwtopotijdreis.nl Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 2.0; intemnetsite, februari 2022. http/archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, februari 2022. https://pdokviewer.pdok.nl Figuren Figuur1. Figuur2. Figuur3. Figuur4.
_ _ _ _
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Inrichtingsplan
Figuur5.
_ Situering van het plangebied binnen de archeologische waardenkaart van de gemeente
Zutphen (versie 3 april 2017) Figuur6. _ Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Figuur7. _ Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Figuur8. _ Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Figuur9. _ Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Figuur 10. Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 vanuit kaartblad 73 Figuur 11. _ Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1830 (Minuutplan) Figuur 12. _ Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1885 (Bonneblad) Figuur13. _ Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1907 (Bonneblad) Figuur14. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1933 (Bonneblad) Figuur 15. _ Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1957 Figuur16. _ Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1976 Figuur17. Advieskaart aan te leggen proefsleuven
14691004
Eco/nsultanc* Bijlagen Bijlage 1: Tabel met de verwachtte aantallen Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen
14691004
Eco/nsu!tanc* 1
_ADMINISTRATIEVE
GEGEVENS
ONDERZOEKSGEBIED
Projectnaam
14691.004
Provincie
Gelderland
Gemeente
Zutphen
Plaats
Warnsveld
Toponiem
Breegraven 101-115
Kaartbladnummer
33H
Centrum x,y-coördinaat
X:212.560/
Archeologische waardenkaart van de gemeente Zutphen’
Volgens de archeologische waardenkaart van de gemeente Zutphen ligt het plangebied in een zone met een hoge verwachtingswaarde (zie figuur 5).
Archis-monumentnummer
Niet van toepassing
Archis-vondstmeldingsnummer
Niet van toepassing
Oppervlakte plangebied?
Het plangebied heeft een totaaloppervlakte van circa 2.530 m2
Oppervlakte onderzoeksgebied
2.530 m?2
Huidig grondgebruik
De centraal en zuidoostelijk gelegen delen van het plangebied zijn nog bebouwd met een drietal twee-onder-een-kap-woningen (zie figuur 3). Verder zijn de woonpercelen waren in gebruik als siertuin en in de achtertuinen staan enkele kleine schuurijes. De twee-onder-een-kap-woning n het noordwestelijk gelegen deel van het plangebied is al enkele jaren gelegen gesloopt. Dit ter-
Y: 461.365
reindeel is momenteel in gebruik als grasveld.
Voorgenomen bodemingrepen
De initiatiefnemer is voornemens de huidige bebouwing te slopen en vervolgens de nieuwbouw van 20 appartementen te realiseren (zie figuur 4).
NAP-hoogte maaiveld
Het maaiveld bevindt zich op een hoogte van circa 9,2 m +NAP.
Grondwatertrap
Vllof
VII”
* Gemeente Zutphen, 2017 ? Het gbied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. 7 Het geografisch gebied waarop het onderzoek betrekking heeft
PE
14691.004
versie DI
Pagina 1 van 29
Eco/nsu{tanc* 2
_AANLEIDING
21
Aanleiding
EN
MOTIVERING
VAN
HET
ONDERZOEK
De initiatiefnemer is voornemens is voornemens de huidige bebouwing te slopen en vervolgens de nieuwbouw van 20 appartementen te realiseren (zie figuur 4). Ter plaatse van de toekomstige bebouwing zal naar verwachting, bij de aanleg van een standaard staalfundering op het gele zand (top
van de C-horizont), de bodem tot een diepte van circa 1 m -mv worden afgegraven (bouwput). De nieuwbouwwoningen
zullen voor zover bekend niet worden onderkelderd.
De uitvoering van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) komt voort uit het gemeentelijk selectiebesluit. 22
Motivering en besluit
Voor het plangebied is geen archeologisch bureau- en/of booronderzoek uitgevoerd. Het plangebied maakt onderdeel uit van de Warnsveldse Enk met prehistorische en vroegmiddeleeuwse bewoning. Al eerder werden vondsten in de omgeving van het plangebied gedaan. Een vooronderzoek is nodig waarbij uitgegaan kan worden van proefsleuven in plaats van boringen. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) dient een (door de bevoegde overheid goedgekeurd) Programma van Eisen te worden opgesteld, waarin de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen, zijn vastgelegd. Omdat het merendeel van de woningen, ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan, nog niet gesloopt was, kon dit nog niet plaatsvinden. In overleg met de gemeentelijk archeoloog is daarom besloten dat de resultaten van het vooronderzoek en de consequenties daarvan mee zullen worden genomen in het bouwproces (bij aanleg van fundering). Normaal dienen de resultaten van het vooronderzoek in het bestemmingsplan te worden meegenomen. De verwachting s echter, dat dit de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in gevaar brengt.
3
31
_ ARCHEOLOGISCHE
VERWACHTING
_ Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context
Locatie, recente ingrepen en verstoringen Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.530 m? en ligt aan de Breegraven
101-115,
in het
zuidelijke deel van de bebouwde kom van Warnsveld in de gemeente Zutphen (zie figuren 1 en 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 9,2 m +NAP. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Warnsveld, sectie I, nummer 4059. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 33 H (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X = 212.560 / Y = 461.365. De centraal en zuidoostelijk gelegen delen van het plangebied zijn nog bebouwd met een drietal twee-onder-een-kap-woningen (zie figuur 3). Verder zijn de woonpercelen waren in gebruik als siertuin en in de achtertuinen staan enkele kleine schuurtjes. De twee-onder-een-kap-woning in het noordwestelijk gelegen deel van het plangebied is al enkele jaren gelegen gesloopt. Dit terreindeel is momenteel in gebruik als grasveld. De twee-onder-een-kap-woningen zijn eind jaren '40 van de 20° eeuw gebouwd en voorzien van bakstenen funderingen tot circa 80 cm -mv en deels onderkelderd is tot circa 200 cm -mv (voorraadkelder). Te verwachten is dat destijds, ten behoeve van de aanleg van deze bebouwing en aanleg van diverse nutsvoorzieningen, de bodem minimaal tot deze dieptes is afgegraven.
PE 14691.004 versie DI
Pagina 2 van 28
Eco/nsuvtanc* Verder zijn de woonpercelen in gebruik als siertuin. De verwachting is dan ook dat binnen deze delen van het plangebied bodemverstorende ingrepen vrij beperkt zijn geweest.
Fysiek-landschappelijke,
geologische,
geomorfologische en bodemkundige kenmerken*
De ondergrond van het gebied rondom Vierakker maakt deel uit van een groot preglaciaal bekken. Dit bekken is in eerste instantie gevormd door vooriopers van de Rijn, waarna deze subglaciaal verder is geërodeerd door het landijs tijdens de Saale ijstijd (ca. 250.000 - 130.000 jaar geleden). Het geëro-
deerde materiaal werd door het landijs zowel zijdelings als frontaal weggedrukt in stuwwallen. Hierbij zijn 0.a. de stuwwallen van Montferland en de Veluwe ontstaan, welke zich respectievelijk verder ten zuiden en westen van het plangebied bevinden. Nadat het landijs zich had teruggetrokken hervatten
de voorlopers van de Rijn hun loop door dit preglaciale bekken waar fluviatiel materiaal van de Formatie van Kreftenheye is afgezet. Tijdens het Weichselien bereikte het landijs Nederland niet. Wel was er toen gedurende langere periodes sprake van een zeer koud en droog klimaat. Het landschap in Nederland bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. In de eerste helft van het Weichselien tot na het eerste koude maximum, het Vroeg-Pleniglaciaal, 74.000 tot 60.000 jaar geleden) had de Rijn een noordelijke loop richting het noorden. Binnen een corridor tussen de Veluwse en de Sallandse stuwwallen stroomde de Rijn via waar nu Zwolle en Kampen liggen richting de Noordzee. Er was sprake van een brede riviervlakte waar de Rijn een vlechtend karakter had en grote hoeveelheden zand en grind afgezette. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Kreftenheye. In de tweede helft van het Weichselien (vanaf 60.000 jaar geleden) boog het Rijndal langzaam westwaarts af, om tussen Montferland en de Veluwezoom richting de Betuwe en West-Nederland te gaan stromen. Tussen 40.000 en 25.000 jaar geleden heeft het merendeel van de Riijn door dit gebied gestroomd. Daarna verloor ook dit deel van de Rijn stapsgewijs haar afvoer, omdat de nog zuidelijker geleden verbindingen via het Niersdal en uiteindelijk de Gelderse Poort actief werden.
Nadat de Riijn het gebied tussen de Veluwse en de Sallandse stuwwallen verlaten had, bleef er een tamelijk brede verlaten riviervlakte over, waarbinnen voornamelijk kleinere sneeuwsmeltwaterrivieren (grote beken) de afwatering verzorgden. Een uitzondering betrof het Berkeldal. Deze heeft zich rond 20.000 jaar geleden verlegd in die mate dat de loop naar het noorden verlaten werd ten gunste van
een loop naar het zuiden. Het werd daarmee een zijrivier van de Rijn. Tegelijkertijd bleef de sterke erosie van het stuwwallengebied van de Oostelijke Veluwe plaatsvinden. Erosie vond vooral plaats doordat een geconcentreerde afstroming van sneeuwsmeltwater zich insneed in de permafrost. Hierdoor ontstonden sneeuwsmeltwaterdalen, welke vandaag de dag worden aangeduid als droge dalen. Aan het einde van deze dalen zijn de meegevoerde sedimenten tot afzetting gekomen als sneeuwsmeltwaterafzettingen, ofwel een daluitspoeingswaaier. Deze afzettingen liggen bovenop de rivierterrasafzettingen van de Rijn.
* De Mulder et al, 2003 / Berendsen, 2008 / Van Beek, 2009 / Cohen et al, 2009
PE 14691.004 versie DI
Pagina 3 van 28
Eco/nsu!tanc* De sneeuwsmeltwaterafzettingen vormden weer op hun beurt weer een bron voor lokale windafzettingen. In het Midden- en Laat-Weichselien (tussen 70.000 en 10.000 jaar geleden) veranderde het klimaat van koud en nat naar koud en droog. In eerste instantie werd onder nat-eolische omstandigheden een laag Oud Dekzand afgezet en kenmerkt zich door een hoger leemgehalte en een horizontale gelaagdheid. Aan het einde van het Laat-Weichselien, tijdens het Laat-Glaciaal (tussen 12.500 en 10.000 jaar geleden) werd het dekzand onder droog-eolische omstandigheden afgezet in de vorm
van langgerekte of paraboolvormige ruggen. Gelaagdheid is hierin meestal niet aanwezig, er komen geen leemlagen in voor en het betreft vaak goed gesorteerde zanden. Deze dekzanden worden ook wel aangeduid als de Jonge Dekzanden. De dekzanden behoren tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. In het Holoceen (vanaf ca. 10.000 jaar geleden) zijn verspreid over delen van het Oost-Nederlandse dekzandlandschap veengebieden ontstaan, daar waar sprake was van een slechte ontwatering vanwege het voorkomen van natte, vlakke delen (depressies) omgeven door hoger gelegen terreindelen
en de aanwezigheid van ondoorlatende lagen. De veengebieden hadden vaak een kleine tot middelgrote omvang samenhangend met de sterke landschappelijke variatie op relatief korte afstanden. Vanaf de Late-Middeleeuwen is het aanwezige veen vooral kleinschalige gewonnen. Vanwege de meestal vrij geringe dikte van de veenpakketten en de slechte ontsluiting was grootschalige veenwinning economisch niet rendabel. Aanwijzingen van de voormalige venen en het afgraven daarvan zijn in het huidige landschap nauwelijks meer herkenbaar. Nadat veenwinning had plaatsgevonden ontwikkelde zich op de braakliggende terreinen een natte heidevegetatie. In de 19° en 20° eeuw werden deze gebieden vervolgens ontgonnen ten behoeve van agrarisch gebruik, waardoor resten veen vaak volledig zijn vermengd met het onderliggende zanddek en volledig is geoxideerd, mede als gevolg van de gereguleerde grondwaterstanden. Dit (voormalige) hoogveen behoort tot de Formatie van Nieuwkoop. Tevens zijn door verwaaing van de (nat-Jeolische zanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door stuifzandgebieden beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd (zie bijlage 1). Het stuifzand is vervolgens weer vastgelegd door dennenaanplant.
De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd, bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel.
Voor de komst van de Gelderse IJssel bestond het landschap in de omgeving van het plangebied uit grote laagtenvlakten met daarbinnen geïsoleerd gelegen zandruggen en kleinere zandkopjes. De verder ten westen gelegen Gelderse IJssel is ontstaan door een doorbraak van de Rijn tussen Zutphen en Deventer tijdens een moment van extreem hoogwater, rond het einde van de Romeinse tijd/overgang naar de Vroege-Middeleeuwen (tussen circa 350 en 600 na Chr., Merovingische tijd). In eerste instantie ontwikkelde zich een crevassecomplex. In latere fases (tussen circa 600 en 1300 na Chr.) ontwikkelde de hoofdgeul van het crevassecomplex zich door tot een beddinggordel met meanders en naast gelegen oeverwallen. Tijdens overstromingen drong het IJsselwater landinwaarts tot de daar gelegen beekdal- en dekzandlaagten. Tijdens overstromingen werden vrij grote gebieden oppervlakkig door het IJsselwater uitgesleten, waardoor diepe, soms honderden meters brede laagten ontstonden. Deze raakte weer opgevuld met een mengsel van geërodeerd Pleistoceen zand en IJsselklei. Ter plaatse van het plangebied is waarschijnlijk geen IJsselklei gesedimenteerd, gezien zijn relatief hoge ligging op een dekzandrug. Vanaf de Late-Middeleeuwen heeft de mens de ligging van meanders en nevengeulen van de Gelderse IJssel beïnvloed en aan het begin van de 14° eeuw na Chr. was de rivier bedijkt.
PE 14691.004 versie DI
Pagina 4 van 28
Eco/nsu!tanc* Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom ligt het plangebied op de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) binnen een niet gekarteerd gebied (zie figuur 6). Op basis van de landschapseenheden direct buiten de bebouwde kom kan gesteld worden dat Warnsveld (zowel het oude buurtschap als de direct ten zuiden gelegen Wamnsveldse Enk) op een dekzandrug ligt (code 3K14). Op basis van het AHN os goed zichtbaar dat het plangebied zich in het zuidelijke deel van een omvangrijk gebied van dekzandruggen ontstaan (zie figuur 7).
ligt, waarop ook het buurtschap Wamnsveld
in het noordelijke deel is
Ook op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied niet gekarteerd, vanwege de ligging
binnen de bebouwde
kom
(zie figuur 8). Aangezien
het plangebied
dee! heeft uitgemaakt van
een oud bouwlandcomplex (Warnsveldse Enk) wordt er een > 50 cm dik plaggendek verwacht en daarmee een hoge bruine enkeergrond, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand of uit lemig fijn zand (bEZ21/bEZ23) en met een grondwatertrap VIl of VII". Deze oude bouwlanden werden soms al vanaf de Late-Middeleeuwen bemest met potstalmest, een mengsel van mest, plaggen en bosstrooisel. Hierdoor ontstond in de loop der jaren een meer dan 50 cm dikke, humeuze bovengrond die het oude pleistocene landschap afdekt. Regionale archeologische context
Volgens de archeologische waardenkaart van de gemeente Zutphens ligt het plangebied in een zone met een hoge verwachtingswaarde (zie figuur 5). Het plangebied maakt onderdeel uit van (het zuideljke deel van) de Warnsveldse Enk met prehistorische en vroegmiddeleeuwse bewoning. Circa 400 meter ten noordwesten van het plangebied ligt een AMK-terrein (12.798) met een hoge archeologische waarde (zie figuur 9). Het terrein is een grasveldje waar mogelijk sporen van een grafveld uit de IJzertijd aanwezig zijn. Langs de rand van het grasveldje zijn bij de bouw van huizen verploegde urnen gevonden. Een lopend veldonderzoek(2020-2022) wordt uitgevoerd door de gemeentelijke archeologische dienst van Zutphen ten behoeve van de rioolvervangingen in het hele zuidelijke deel van het dorp Warmnsveld. Hierbij zijn ook waarnemingen verricht ter plaatse van de nabij het plangebied gelegen straten
Hellekamp en Oranjelaan. In de Hellekamp, direct ten noorden van het plangebied, ligt de top van het schone zand op 7,6 +NAP
(maaiveld op circa 8,7 m +NAP) met daarop een intacte oude akkerlaag
(van
het esdek).
voor de vorming
van
Hierin
is 0.a. wat prehistorisch
en Merovingisch
aardewerk
aangetroffen. In de Oranjelaan, ten oosten van het plangebied, loopt het oude maaiveld zelís iets op naar het zuiden (top C-horizont op circa 8,05 m +NAP), ook met daarop een oude akkerlaag van 15 m dikte. Het plangebied ligt dus inderdaad op een hoge rug van het rivierduin. In het noordelijke deel van de Oranjelaan, ter hoogte van huisnummer 16, i een rituele put of bassin van hout uit de IJzertijd aangetroffen (circa 500 BC), vol met aardewerk, houtskool en kookstenen. Ten noordwesten in de Kremerskamp is een boerderij met waterput uit de late 9° en begin 10° eeuw gevonden.
3 Gemeente Zutphen, 2017
PE 14691.004 versie DI
Pagina 8 van 29
Eco/nsu!tanc* Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn verder in totaal veertien archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie figuur 9). Meest van belang voor het plangebied zijn het vooronderzoek, het proefsleuvenonderzoek en navolgend de opgraving die zijn uitgevoerd circa 180 meter ten noorden van het plangebied (zaakidentificatie (OM-nummers) 2379516100 (53327)°, 2388645100 (54515)7 & 2413202100 (57715):). De opgraving heeft uiteindelijk geresulteerd in het aantreffen van
archeologische resten en sporen uit twee archeologische perioden te onderscheiden. De oudste sporen stammen op grond van de kenmerken van het aardewerk uit de Late-lJzertijd of mogelijk de Vroeg-Romeinse tijd. Hoewel het om een gering aantal sporen gaat, die aan de periferie van een veel groter nederzetiingsareaal
liggen, is het onderzoek
buitengewoon
waardevol
gebleken
door de ont-
dekking van enkele aardewerkdeposities. Sporen uit de Late-IJzertijd waren in Warnsveld nog niet eerder aangetroffen. Omdat de datering van de sporen jonger uitvalt dan die van de opgegraven resten aan het nabijgelegen
Abersonplein (circa 100 meter ten noorden)
zijn beide sites niet direct met
elkaar in verband te brengen. Een relatie met het mogelijke urnenveld (AMK-terrein 12.798) aan de Breegraven en de Schoolstraat is eveneens uit te sluiten. Wel is het zeer goed mogelijk dat de archeologische overblijfselen aan de Klaprooslaan afkomstig zijn van een latere fase van het erf aan het Abersonplein, omdat de boerderijen tot aan de Middeleeuwen slechts hoogst zelden op dezelide plaats herbouwd werden. Men spreekt dan ook over ‘zwervende erven'. De aardewerkdeposities bieden een goed handvat om te komen tot verdergaande kennis van de materiële cultuur en dan met name het voorkomend aardewerkspectrum in de regio. Mogelijk gaat het hier om rituele aardewerkdeposities. Dat i een redelijk veel voorkomend verschijnsel in de gehele late prehistorie. Vaak lijkt het te gaan om huisraad van een boerenerf. Volgens de meest gangbare theorie gaat het om materiaal dat afgedankt wordt bij het verlaten van een erf, bijvoorbeeld bij het overlijden van de hoofdbewoner van een boerderij. Dat de aan de Klaprooslaan aangetroffen depots ook aan de rand van de nederzetting lagen -en niet in bijvoorbeeld een relatief lege ruimte tussen zich door de tijd heen verplaatsende erven- blijkt uit het ontbreken van prehistorische grondsporen in het zuiden. De nederzetting lag ook aan de rand van een dekzandrug.
De tijdens het archeologisch onderzoek verkregen geomorfologische gegevens laten duidelijk een naar het zuiden aflopend en tevens laagliggend en dus vochtig terrein zien dat voor menselijke bewoning in de prehistorie ongeschikt zal zijn geweest. Pas met het opnieuw in ontginning brengen van het terrein in de middeleeuwen, waarbij
de natte delen
middels greppels
en sloten op grote schaal ontwaterd
werden,
zal het
terrein bewoonbaar zijn geworden. Het terrein kwam in de Middeleeuwen echter binnen een groter akkercomplex te liggen. De aangetroffen resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd beperkten zich tot enkele perceelsgreppels en een mogelijke omheining om vee van de akkers te houden. Ook
300
meter ten noorden
van
het plangebied
is een
proefsleuvenonderzoek
en navolgend
de
opgraving uitgevoerd (zaakidentificatie (OM-nummers) 2073513100 (13257) & 2264544100 (37928)° & 469601010019). De oudste vondst die werd gedaan, is een vuurstenen pijlspits met vlakdekkende oppervlakteretouche. Mogelijk dateert het stuk uit de Vroege-Bronstijd. In de Midden-IJzertijd ontstaat er een erf op de noordwestelijke vindplaats A. Hiervan zijn drie spiekers teruggevonden. Aan de rand van de opgraving bevond zich ook een aantal kuilen, waaronder een silokuil. In deze kuil werd een
relatief grote hoeveelheid aardewerk gevonden, die, in combinatie met een '*C-datering (492 +/- 66 voor Chr.) een strakke datering van het erf mogelijk maakte. De silokuil duidt aan dat hier ook een boerderij moet hebben gestaan, maar deze lag waarschijnlijk net ten noorden van de opgraving.
5 Goossens, 2012
7 Hesseling, 2013 ° Kastelein, 2013
° Fermin, 2011 ' Fermin & Van Dalfsen, 2019
PE 14691.004 versie DI
Pagina 6 van 28
Eco/nsuvtanc* Ook op vindplaats B, aan de zuidoostkant van het nieuwbouwterrein, werden resten uit de IJzertijd gevonden. Of dit een andere bewoningsfase is of dat de resten bij het erf van vindplaats A horen is met de huidige gegevens niet te zeggen. Het terrein tussen beide vindplaatsen is verstoord door de kelders van de oude bebouwing van Den Bouw. In de loop der jaren zijn meerdere IJzertijd vindplaatsen bekend geworden in de kern van Warnsveld. De Warnsveldse Enk zal, net als de Wolfelerenk, Leestense Enk en Looërenk gedurende de late prehistorie permanent bewoond zijn geweest. Een aantal scherven op het terrein dateert uit de 10° eeuw. Hoewel er geen gebouwstructuren aan te koppelen zijn, kan het toch niet anders dan dat er een erf in de zeer nabije omgeving moet hebben gelegen. Dit erí zal de directe voorganger zijn van het 12°-eeuwse erf dat in de bouwput van Den werd aangetroffen.
Bouw
Het aardewerk dateert vrijwel allemaal uit de 12° eeuw, en waarschijnlijk hebben we met 1101 de bouwdatum van dit erf te pakken. Op vindplaats A werd een gebouw uit deze tijd opgegraven. 12°eeuwse erven bestaan standaard
uit een boerderij en een schuur. Hoe het opgegraven
gebouw ge-
duid moet worden is niet helemaal duidelijk. Wel is vrijwel zeker dat een tweede gebouw gezocht moet worden tussen het opgegraven gebouw en de in 2004 ontdekte waterput, waarmee de ligging van het erf als geheel vrij helder is. Naast het gebouw werd een tonputje ontdekt, waarvan de conservering geen dendrochronologische datering toeliet. Naast de boerderij werden ook twee fasen van een 12°-eeuwse greppel aangesneden. Opvallend was dat de jongste fase daarvan zeer veel verbrande leem en houtskool bevatte. Dit duidt op het afbranden van een gebouw en markeert waarschijnlijk het einde van het erf. Het aardewerk dat werd gevonden in de jongste fase, laat een verlatingsdatering toe tot ca. 1180. Het importpercentage van het aardewerk van 28 % is redelijk hoog voor en dergelijke boerderij. Bijzonder is een gesmolten stuk loodglas. Dergelijk glas werd alleen gebruikt voor ringen, kerkvensters en elitaire drinkglazen. De aangetroffen greppels zijn tot en met de 18e eeuw onderhouden. Begin 19° eeuw is te zien dat de percelering gedeeltelijk wordt gewijzigd. Behalve deze hoofdgreppels is er ook nog een perceelsgreppel uit de 14° eeuw aangetroffen op vindplaats B. De resultaten van de opgraving in 2019 sluiten aan bij eerder onderzoek op het terrein van Den Bouw en de omliggende straten, waarbij resten van een volmiddeleeuws erf en resten uit de Midden-
IJzertijd en Vroeg-Romeinse tijd werden gevonden. Bij het onderhavige onderzoek werden onder meer paalsporen van structuren uit de 12° eeuw gevonden. Ook werd er een 13° -eeuwse houten waterput gevonden, die een latere fase van hetzelfde erf representeert. De put moet op grond van dendrochronologisch onderzoek uit kort na 1265 dateren. Een 132-eeuwse greppel aan de zuidzijde lijkt het erf te begrenzen. Aan de oostzijde werd het erf al eerder begrensd door greppels. Het geheel aan sporen is gebruikt om tot een completere reconstructie van dit erf te komen. Dit erf is historisch verder niet bekend. Het bestond waarschijnlijk uit twee grotere gebouwen, een schuur en enkele hooimijten. Er zijn drie opeenvolgende waterputten aangetroffen. Aardewerk uit eerdere opgravingen van hetzelfde erí suggereert dat het erf misschien al rond 900 gesticht moet zijn, maar de bijbehorende structuren zijn verder niet aangetroffen (maar het erf is maar deels opgegraven). De einddatum van het erf is met het onderhavige onderzoek een eeuw opgeschoven naar de late 13° eeuw. Let wel: de historische gegevens beginnen pas in de 14° eeuw: er is dus geen naam aan het erf te koppelen. Aan de zuidzijde van het onderzoeksgebied werd een tweede greppel gevonden. Deze heeft in ieder geval als grens bestaan tot in de 20° eeuw, maar gaat mogelijk al terug tot de Late-Middeleeuwen.
PE 14691.004 versie DI
Pagina 7 van 29
Eco/nsuvtanc* Circa 350 meter ten noordoosten van het plangebied is een opgraving uitgevoerd in het kader van een rioolvervanging naast een deel van een reeds opgegraven middeleeuws erf (zaakidentificatie (OM-nummers) 2436515100 (606827"). Hoewel het onderzoek een beperkt oppervlak besloeg, heeft het toch waardevolle informatie opgeleverd. Allereerst is aangetoond dat de bewoning uit de MiddenIJzertijd, waar al tijdens het onderzoek in 2009 (reeds hierboven behandeld) sporen en structuren van zijn gevonden,
zich in ieder geval deels
naar het westen
heeft
uitgestrekt.
De spoordichtheid
was
echter beperkt zodat vooralsnog vermoed wordt dat de bijvehorende boerderij zich ergens ten noordoosten van het onderzochte gebied heeft bevonden. Naar het westen toe loopt het terrein fors omlaag
in een natte depressie en in het zuiden van werkput 2, aan de Bevrijdingslaan, zijn geen sporen en scherven meer aangetroffen uit de IJzertijd. Een nog zuidelijker ligging is uitgesloten omdat tijdens de
opgraving aan de Klaprooslaan in 2013 weliswaar prehistorische resten gevonden zijn maar deze waren met zekerheid enkele eeuwen jonger. Wellicht gaat het om een jongere fase van hetzelfde erf. Ook voor de middeleeuwse bewoning is er sprake geweest van een belangrijke aanvulling. Op voorhand bestond de hoop dat het hoofdgebouw, behorende bij het in 2009 gevonden oostelijke deel van
een 12°-eeuws erf, zou worden aangetroffen. lets noordwestelijker was in 2004 al een waterput uit 1101 van dit erí gevonden. Hoewel er in het noordelijke deel van de opgraving een cluster paalkuilen uit de Volle-Middeleeuwen is gevonden, is het lastig om er de structuur van een boerderij in te herkennen. Daarvoor is de opgraving te smal en dat werd versterkt door de aanwezigheid van de oude rioolverstoring. De clustering van sporen maakt het wel waarschijnlijk dat de onderzochte locatie zich midden in een gebouwstructuur bevindt. De in de sporen aangetroffen scherven dateren uit de 12° eeuw en dat sluit goed aan bij de datering van het erf. De zuidelijke begrenzing van het erí is ook aangetoond. De westelijke begrenzing van het erf wordt gevormd door de laagte van de Verzetslaan. De resten van het 12°-eeuwse erf zullen dus nog tussen de Bevrijdingslaan en de opgraving van 2009 bevinden en onder de huispercelen aan de westzijde van de Bevrijdingslaan. Ook zijn enkele laatmiddeleeuwse en jongere greppels gevonden. Voor een deel sluiten deze aan op eerder gevonden greppels. Het te reconstrueren greppelsysteem past deels in de perceleringsstructuur van het kadastrale minuutplan van 1832 en de aanleg van de oudste perceelsgreppels is terug te voeren op de 12° eeuw. Pas bij het bouwrijp maken van het gebied in de
jaren '50 van de 20° eeuw verdween deze oude landinrichting definitief. De enige vorm van bewoningsactiviteit ter plaatse na de 12° eeuw is een 19°-eeuwse afvalkuil. Op de kadastrale minuut van 1832 en op jongere 19°-eeuwse kaarten i er geen bebouwing ter plaatse geweest.
De kuil kan goed
behoord hebben bij erf De Scheurkamp dat een aantal percelen op de onderzoekslocatie n gebruik had.
Verder is er circa 500 meter ten noordoosten van het plangebied een opgraving uitgevoerd (zaakiden-
tificatie (OM-nummers)
2187984100
(27148)'2). Op
het onderzochte
perceel is geen
prehistorisch
materiaal aangetroffen. De oudste vondsten dateren uit de Late-Middeleeuwen, vermoedelijk de 14° eeuw. Het gaat echter om bijzonder weinig materiaal. Er zijn geen grondsporen aangetroffen met (louter)
middeleeuws
materiaal.
De
hoofdmoot van
het aardewerk
dateert uit de
17° en
18° eeuw,
waarbij moet worden opgemerkt dat de aantallen scherven nog steeds relatief gering zijn. Onder de grondsporen vinden we kuilen en paalsporen. Aan geen van deze sporen is met zekerheid een functie toe te schrijven. Of de palen bij een gebouw hebben gehoord, is gezien het geringe oppervlak van de opgraving weinig te zeggen. Echt sterke aanwijzingen zijn hier echter niet voor. In de grootste van de twee werkputten liep parallel aan de straat een greppel met daarin 19° of vroeg 20°-eeuws materiaal (alweer weinig vondsten). Parallel aan deze greppel loopt ook een rij ondiepe kuilen. Het is waarschijnlijk dat deze een bomenrij of haag representeren. Het schamele aardewerk hieruit is 18°-eeuws, maar de haag zou ook best 19°-eeuws kunnen zijn gezien de relatie met de greppel. ! Kastelein & Groothedde, 2014
’? Fermin, 2008
PE 14691.004 versie DI
Pagina 8 van 29
Eco/nsu{tanc* Een laatste serie sporen bestaat uit paralelle stroken met een verhoogde concentratie mollensporen. Mogelijk duidt dit op de groentebedden van een moestuin. Al met al zijn er bij de opgraving geen eenduidige gebouwstructuren tevoorschijn gekomen maar wel veel sporen die duiden op percelering en landgebruik. Het onderzochte perceel maakte deel uit van erve 't Brake. Dit erf wordt reeds in 1378 genoemd. Het tegenoverliggende erf ’t Rhienderink wordt in 1494 voor het eerst genoemd, maar een waterput op dit erf is dendrochronologisch gedateerd op 1059. Bij de opgraving zijn dus geen sporen uit deze periode aangetroffen. Historische informatie over het erf is uitermate schaars. Interessant zijn de gegevens die bij de minuut van 1832 horen. Hierop vinden we informatie over de ei-
genaren -in ons geval Jan Ghijse(n). Deze man was apotheker in Zutphen (geen boer) en had behalve t Brake ook de Scheurkamp in zijn bezit 't Rhienderink was al sinds de Middeleeuwen
van het Bornhof. Behalve
in het bezit
eigendomsgegevens vinden we ook informatie over landgebruik.
Dit was
een kleinschalige mengeling van akkers, weiden, tuinen, boomgaarden, bos en heide.
Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken Op basis van het beschikbare historische kaartmateriaal uit het begin van de 2° helft van de 18° eeuw was het plangebied destijds in gebruik was als akkerland en maakte onderdeel uit van de Warnsveldse Enk, een oud bouwlandcomplexen dat ten zuiden van het buurtschap van Warnsveld lag (zie figuur 10). Op dan wel langs de randen van de enk lagen enkele boerenerven/hoeves. De voorloper van de weg Breegraven liep reeds langs de zuidwestzijde van het plangebied.
Gedurende het verloop van de 19° eeuw vonden er weinig veranderingen plaats en bleef het plangebied deel uitmaken van een perceel akkerland (zie figuren 11 en 12). In de tweede helft van de 19° eeuw ontstaat een klein boerenerf ten zuiden van het plangebied, nagenoeg op de hoek van de be-
staande wegen Breegraven en Oranjedreef (zie figuur 12). Aan het begin van de 20° eeuw ontstaan enkele woonerven langs de voorlopers van de Breegraven, zo ook ten zuidwesten aan de overzijde van de Breegraven (zie figuur 13). Deze ontwikkeling zet zich geleidelijk aan voort gedurende de eerste helft van de 20° eeuw. De weg Breegraven vormde een doorgaande route richting Warnsveld en Zutphen (zie figuur 14). Eind jaren '40 van de 20° eeuw raakt het plangebied bebouwd met de recent gesloopte twee-ondereen-kap-woningen (zie figuur 15). De eerste uitbreiding van de bebouwde kom van Zutphen/Warmsveld vindt plaats ten noordwesten van het plangebied. Deze uitbreiding zet zich voort gedurende de tweede helft van de 20° eeuw rondom het plangebied (zie figuur 16). 3.2
Aard en ouderdom van de vindplaats(en)
Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. De kans op het voorkomen van archeologische resten is hoog voor uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithieum, gezien de ligging van het plangebied op een relatief hooggelegen dekzandrug. Er zijn verder onvoldoende gegevens om de exacte aard en ouderdom van de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats te bepalen. Meest voorkomende aangetroffen type vindplaatsen in de omgeving van het plangebied betreffen het complextype huisplaats of nederzetting, onbepaald. Archeologisch gravend
onderzoek
reeds uitgevoerd
n de nabijheid van
het plangebied
heeft voornamelijk
laatprehistorische huisplaatsen/nederzettingsrestanten opgeleverd daterend uit de IJzertijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe tiijd. Het is goed mogelijk dat een vergelijkbaar complextype (of een deel ervan) ook aanwezig is binnen de begrenzing van het plangebied.
PE 14691.004 versie DI
Pagina 8 van 28
Eco/nsu!tanc* 3.3
Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)
Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) Onbekend.
Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied De begrenzing van een eventueel aanwezige vindplaats binnen het plangebied is niet bekend.
3.4 _ Structuren en sporen In het plangebied zijn in het algemeen bewoningssporen vanaf het Laat-Paleolithicum te verwachten. Voor de perioden Laat-Paleolithicum-Mesolithicum (Jagers-Verzamelaars) kunnen sporen van kortstondige bewoning worden aangetroffen, bijvoorbeeld jachtkampjes, of waar specialistische activitei-
ten plaatsvonden, zoals (vuur)steenbewerking. Voor de periode vanaf het Neolithicum kunnen sporen van permanente bewoning (Landbouwers) worden aangetroffen in de vorm van huisplattegronden (paalsporen, restanten van waterputten en afvalkuilen, etc.) en hieraan gerelateerde activiteiten. Tevens kan de aanwezigheid van sporen van rituele activiteiten, grafvelden/urnenvelden, sporen gerelateerd aan ijzerwinning en depotvondsten niet worden uitgesloten. Sporen van rituele activiteiten zijn al concreet aangetroffen in 2021 (het nog lopende veldonderzoek t.b.v. de rioolvervanging) in het noordelijke deel van de Oranjelaan, ter hoogte van huisnummer 16. Het betrof een rituele put of bassin van hout uit de IJzertijd (circa 500 BC), vol met aardewerk, houtskool en kookstenen. 35
_ Anorganische artefacten
Er kunnen anorganische vondsten worden verwacht die verband houden met (kortstondige) Steentijd bewoning, laatprehistorische en middeleeuwse bewoning (Landbouwers). Dit kunnen voorwerpen zijn van keramiek (gebruiksaardewerk, dakpannen, huttenleem, bakstenen), glas, metaal (limonieterts, ijzerslak en ander productieafval), vuursteen en natuursteen (waaronder leisteen en tefriet). Verder kunnen metalen voorwerpen en munten worden verwacht. 3.6
_ Organische artefacten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, dierlijk en menselijk botmateriaal, hout, textiel en leer.
Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 120 cm -mv en de bodem sterk ontkalkt i, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 120 cm -mv, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied en het hebben van een grondwatertrap VII of VII", is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. De aanwezigheid van een plaggendek zal wel een gunstige invloed hebben gehad op de conservering van organische artefacten, in vergelijking met vergelijkbare landschappelijk en bodemkundige locaties waar geen plaggendek aanwezig is.
PE 14691.004 versie DI
Pagina10 van29
Eco/nsuvtanc* 3.7
Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater pertinent aanwezig is, zijn archeozoölogische en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied en het hebben van grondwatertrap VIl of VII, is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. De aanwezigheid van een plaggendek zal wel een gunstige invloed hebben gehad op de conservering van archeozoölogische en botanische resten, in vergelijking met vergelijkbare landschappelijk en bodemkundige locaties waar geen plaggendek aanwezig is.
3.8 _ Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen De archeologische resten uit de perioden Paleolithicum tot en met Middeleeuwen worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek: hier wordt ook wel van 'cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan ca. 30 cm beneden het maaiveld. Er dient rekening gehouden te worden met een waarschijnlijk ondiepe ligging van de archeologische laag door het bouwrijp maken van de woonwijk (waar het plangebied binnen ligt) in de tweede helft van de jaren '50 van de 20° eeuw. De hogere delen van de Warnsveldse enk zijn toen geëgaliseerd. Door middel van het proefsleuvenonderzoek zal uitsluitsel worden gegeven of dat binnen de begrenzing van het plangebied ook het geval is. 3.9
_ Gaafheid en conservering
Onbekend. De aanwezigheid van een plaggendek zal gezorgd hebben voor een betere conservering van archeologische resten in vergelijking met terreinen waar het natuurlijke bodemprofiel niet is afgedekt door een plaggendek. Door de relatief lage grondwaterspiegel zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal (archeozoölogische en botanische resten) niet tot slecht geconserveerd zijn en deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijke structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Er dient rekening gehouden te worden met een waarschijnlijk ondiepe ligging van de archeologische laag door het bouwrijp maken van de woonwijk (waar het plangebied binnen ligt) in de tweede helft van de jaren '50 van de 20° eeuw. De hogere delen van de Wamsveldse enk zijn toen geägaliseerd. Door middel van het proefsleuvenonderzoek zal uitsluitsel worden gegeven of dat binnen de begrenzing van het plangebied ook het geval is. Zo ja, dan is de verwachting dat dit zal hebben geleidt tot een verslechtering van de gaafheid en conservering van eventueel aanwezige archeologische resten/sporen.
PE 14691.004 versie DI
Pagina11 van29
Eco/nsu!tanc* 4
_ DOELSTELLING
41
_ Doelstelling
EN
VRAAGSTELLING
Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vind-
plaatsgericht onderzoek.
IVO gebeurt door middel van waarnemingen
in het veld, waarbij (extra) in-
formatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden
binnen een onder-
zoeksgebied.
Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de
conservering
en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.
Belangrijk is dat op basis
van het inventariserend veldonderzoek een beslissing kan worden genomen of verder archeologisch (voor)onderzoek
in het gebied
noodzakelijk is (bijvoorbeeld wanneer een behoudenswaardige
vind-
plaats is aangetroffen en deze door de geplande bodemingrepen zal worden verstoord). 4.2
Relatie
met
NOaA
2.0 en/of andere
onderzoekskaders
Het in dit PVE omschreven onderzoek is inventariserend van karakter en heeft niet als primair doel voort te bouwen op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Het
onderzoek
valt
binnen
de
Nationale
Onderzoeksagenda
Archeologie
onder
het
Overijssels-
Gelders zandgebied.’3 Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap 3. Gebruik
van
het water
4. Occupatie en adaptatie n het rivierengebied en langs de kust 5. Sociale en economische
differentiatie
6. Emigratie, immigratie, acculturatie 7. De archeologie van het rituele 8. Conflictarcheologie 9. Dodenbestel en grafmonumenten 10. De vroegste bewoning van Nederland 11. Overgang Laat-Paleolithicum - Vroeg-Mesolithicum 12. Neolithisatie proces (‘Neolithisering’)
13. De verankering van het boerenbestaan 14. De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw 15. De limes: inrichting en interactie 16. Overgang Romeinse tijd naar Vroege-Middeleeuwen 17. ‘Frankisering’ en kerstening 18. Dorpsvorming 20. De relatie stad — platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens
- materiële cultuurrelaties
23. Netwerken
en infrastructuur
Alle genoemde thema's worden beschouwd in het onderzoek, op basis van de in $ 5.4 gestelde onderzoeksvragen. Tevens wordt voor dît onderzoek gebruik gemaakt van de Kennisagenda Archeologie van de provincie Gelderland.
13 http://archeologieinnederland.n\/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20
PE 14691.004 versie DI
Pagina
12van 29
Eco/nsu!tanc* Vraagstelling
43
De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. Bij het Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuven dienen de onderstaande onderzoeksvragen een rol te spelen. 44
_ Onderzoeksvragen
441
Algemeen
Bij het Inventariserend
Veldonderzoek Proefsleuvenonderzoek dienen de volgende
onderzoeksvra-
gen een rol te spelen: 1. @;
Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische
locaties en welke
is dat?
Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Zutphen aanscherpen? Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord? Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en) (licht dit toe)? Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving. Wat kunnen de uikomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? . Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? . Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische resten te worden omgegaan? 12. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? Landschap en bodem
442
Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 13.
Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied?
14.
Wat s de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde
15.
16.
en ge-
omorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, n de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied Iocaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein?
De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA versie 4.1, bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit.
PE 14691.004 versie DI
Pagina18 van 29
Eco/nsu!tanc* 443
Vraagstelling specialistisch onderzoek
Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het eventuele vervolgonderzoek. Het is hierbij van belang om te weten of de vindplaats geschikt s voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysischantropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. Eventueel genomen monsters (op basis van juiste argumentatie en in overleg met de bevoegde overheid) dienen hiervoor ge-
waardeerd te worden. De bevoegde overheid neemt uiteindeijk een besluit. 45
_ Aanbeveling
'Op basis van de resultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden
gedaan
betreffende
een archeologisch
verantwoorde
omgang
met het plangebied.
Met be-
trekking tot die omgang zijn er drie opties:
Op
*
behoud in situ;
. e
definitieve opgraving: vrijgeven.
basis van de onderzoeksresultaten dient de bevoegde overheid
een selectiebesluit te kunnen
maken.
5 _ STRATEGIE, METHODEN 51
EN TECHNIEKEN
Strategie
In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een proefsleuvenonderzoek. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Overijssels-Gelders zandgebied, of in vergelijkbare regio's. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door een KNA-archeoloog als dagelijks wetenschappelijk leider die ervaring heeft met onderzoek in het Overijssels-Gelders zandgebied, of in vergelijkbare regio's, bijgestaan door minimaal een veldtechnicus/archeoloog. De aanleg van het eerste vlak gebeurt in aanwezigheid van de Senior KNA Archeoloog.
Gelijkmatig verspreid in het onderzoeksgebied worden drie proefsleuven aangelegd
met ieder een
lengte van circa 20 meter en een breedte van 4 meter. Hiermee wordt 240 m? onderzocht, zijnde bijna 10 % van het plangebied (zie figuur 17).
PE 14691.004 versie DI
Pagina
14van29
Eco/nsu!tanc* 5.2
_ Methoden
en technieken
Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA versie 4.1. Voorwerk
.
Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01): dit is een handleiding voor het onderzoek.
e
Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem door het aanvragen van een OMNR.
.
Het definitieve PVE wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder (gemeente Zutphen) gestuurd.
Veldwerk
e
Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS09.
e
Verspreid over het terrein worden drie proefsleuven aangelegd met ieder een lengte van circa 20 meter en een breedte van 4 meter (zie figuur 17). Hiermee wordt bijna 10 % van de onderzoekslocatie onderzocht.
«
e e e
Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die ruime ervaring heeft met archeologisch werk. Indien deze niet voorhanden is, dient de machinist begeleid te worden door een Senior KNAArcheoloog. Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak. De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. Zodra archeologische sporen worden aangetroffen zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd.
e e e e e
Er wordt uitgegaan van de aanleg van één vlak. Mocht het noodzakelijk zijn om een tweede vlak aan te leggen dan dienen de sporen in het eerste vlak afgewerkt te zijn. Mochten er geen sporen worden aangetroffen dan wordt verdiept tot 30 centimeter in de ongestoorde grond. In verband met de mogelijkheid dat de mogelijke vindplaats(en) behouden blijf/blijven, ex-sítu, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. Archeologisch
relevante structuren mogen
tijdens het proefsleuvenonderzoek niet worden verwij-
derd.
e
*
*
e
Er worden foto's gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto's gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto's gemaakt. De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, vooral de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens. Tijdens het onderzoek wordt voldoende materiaal met diagnostische kenmerken verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. Vondsten
gedaan
bij de aanleg van de sleuf worden
in vakken van 4 x 5 meter per bodemlaag
verzameld.
e
Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd.
PE 14691.004 versie DI
Pagina15 van29
Eco/nsu!tanc* e
e
Stortvondsten worden per proefsleuf onder een vondstnummer verzameld.
Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd.
e
Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld.
«
Tijdens de ontgravingswerkzaamheden wordt per haal van de graafmachine het dan voorliggende vlak met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. Dit geldt eveneens voor de uitgekomen grond. Het discriminatieniveau van de metaaldetector dient zo laag mogelijk gehouden te worden. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker. Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden als puntvondst ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd.
. * e e «
e e
*
« e 5.3
Bij het waterpassen van het vlak om de 5 m wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de proefsleuf meegenomen. De verschillende vondstcategorieën worden kundig verpakt zodat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft en op een vondstenlijst geregistreerd. Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk. Alle aanpassingen van het proefsleuvenonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid. Erwordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. De bevoegde overheid neemt uiteindelijk een besluit. Bij het aantreffen van meer dan drie stuks bewerkt vuursteen in onverstoorde context in een vak van 4 x 4 meter, dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval worden verspreid over de vermoede concentratie vier megaboringen gezet, diameter 15 cm. De grond wordt gezeefd met een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Het boren vindt plaats tot een diepte waarop in twee achtereenvolgende boringen geen artefacten meer worden aangetroffen.