302118RH 2022_BW_00140
Tekst van het document
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 4.1.3.2 Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna 'Ladder') is van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c in samenhang met artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 van de Wabo. Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling en daarmee Ladderplichtig zijn. Het voornemen betreft een woningbouwontwikkeling die voorziet in 29 nieuwe woningen. Hiermee is sprake van een stedelijke ontwikkeling. Hierna vindt de laddertoetsing plaats.
Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte aan de woningen die mogelijk worden gemaakt bevatten. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het zwaartepunt van het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde ontwikkeling ligt op een lager schaalniveau en komt grotendeels overeen met de stad Zutphen zelf, en is voor een deel toe te spitsen op de wijk Waterkwartier. Bedoeling is niet alleen een buurt te ontwikkelen maar ook om de doorstroming verder op gang te helpen en kwaliteit toe te voegen. Beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling Het plan beoogt de realisatie van 29 nieuwe woningen. Het gaat om 20 grondgebonden woningen in de vorm van vrijstaande en rijwoningen en 9 appartementen in het midden- en hoge segment.
30/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld Kwantitatieve behoefte Het woningbouwprogramma van de gemeente Zutphen is in afstemming met de provincie en de regiogemeenten vastgelegd in de regionale Woonagenda welke door de provincie is overgenomen en vastgesteld. In de Woonagenda is op basis van de actuele Primos woningbehoefteprognoses per gemeente een kwantitatief woningbouwprogramma voor de periode 2018 tot 2027 bepaald. Hierbij is een bandbreedte gehanteerd tussen een behoefte op basis van de huishoudensgroei en een waarbij ook het theoretische woningtekort wordt ingelopen. Voor de realisatie van die laatste, hogere behoefte, is het noodzakelijk om te sturen op de gewenste kwaliteit omdat die aantallen alleen realistisch zijn als het aanbod goed aansluit op de vraag. Het woningbouwprogramma voor Zutphen gaat tot 2027 uit van het toevoegen van 700 woningen op basis van alleen huishoudensgroei. Indien het inlopen van het theoretische woningtekort wordt meegenomen dan gaat het programma uit van het toevoegen van 1.025 woningen. Daarnaast mogen er 150 woningen extra worden gebouwd op basis van de maatwerkafspraak voor migratie. Het woningbouwprogramma van Zutphen telt op basis van de Woonagenda 1325 woningen, 225 hoger dan de 1100 woningen die aan Zutphen is toegerekend. Het voornemen betreft de bouw van in totaal 29 woningen.
In het woningbouwprogramma zijn voor dit project 29 woningen opgenomen, waarmee het plan qua aantallen in overeenstemming is met het programma. Het plan draagt bij aan het voorzien in de kwantitatieve behoefte aan woningen in Zutphen. Kwalitatieve behoefte Het kwalitatief woonprogramma van de gemeente Zutphen is in afstemming met de provincie en de regiogemeenten eveneens vastgelegd in de Woonagenda. Het behouden en versterken van de woonkwaliteit vraagt om de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio. Daarom wordt met de woningbouwprogrammering gestuurd op kwaliteit. De speerpunten vanuit de regio zijn: • • •
Woningbouw draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande stad, wijk, dorp, kern en buitengebied; Woningbouw is behoeftegericht, past bij de lokale vraag van een specifieke doelgroep en levert een strategische (toekomstgerichte) aanvulling op het bestaande woningaanbod; De programmering is flexibel en kan aangepast worden om goed te blijven aansluiten op de speerpunten van ons beleid en actuele marktontwikkelingen.
In de woonagenda zijn ook de lokale speerpunten van gemeenten opgenomen. Hierna wordt ingegaan op de lokale speerpunten van Zutphen. “Zutphen werkt aan haar kracht als centrumgemeente” Zutphen heeft een aantrekkelijke binnenstad en is landschappelijk mooi gelegen, maar de zwakke sociaaleconomische structuur vraagt om versterking. Daarvoor is het raadsbreed omarmde focustraject “Krachtig Zutphen” gestart. Zutphen voegt kansrijke woonmilieus in het hogere segment toe met de transformatie van gebieden in en om de binnenstad naar kwalitatief hoogwaardig wonen én middeldure en dure woningen. De 3 prioritaire woningbouwlocaties; Noorderhaven, Leesten-Oost en het afronden van de herstructurering van het Waterkwartier zijn daarbij erg belangrijk. Vooral in het hogere segment weet Zutphen daarmee inwoners van elders aan te trekken. Maar liefst de helft van de woningvoorraad valt in de kernvoorraad voor huishoudens met een laag inkomen (40% sociale huur en 10% goedkope koop). Op basis van het coalitieakkoord 2018-2022 wordt ervoor gezorgd dat de verhouding niet groter wordt. Dat vraagt ook om afstemming van de opgaven in de sociale huur met omliggende gemeenten en de corporaties. Niet alleen over de sociaaleconomisch minder krachtige inwoners, maar ook voor oudbewoners van zorginstellingen.
Historisch heeft Zutphen hiervan veel en in dat verband zijn de gevolgen van extramuralisering in Zutphen duidelijk merkbaar. Naast het investeren in de bestaand huurvoorraad is ook stedelijke vernieuwing en herstructurering aan de orde.
31/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld Zutphen krijgt ruimte tot boven in de bandbreedte van de woningbehoefte voor haar kwaliteitsslag op de 3 prioritaire woningbouwlocaties en in en rond de binnenstad. Zutphen pakt haar kansen, maar is zich ook bewust van de risico’s. Daarbij wordt flexibiliteit in het programma behouden om bij veranderende marktomstandigheden bij te kunnen sturen en locaties uit de markt te nemen. Door de huidige druk op de huurmarkt ligt de herstructurering in de sociale huur (verdunning) op een wat lager pitje, maar uitgaande van de huidige prognose zal met deze opgave gerekend moeten worden als op termijn de druk op de markt afneemt. Voorliggend plan is gelegen in de prioritaire woningbouwlocatie Waterkwartier. Het plan voorziet in (grondgebonden) woningen in het midden- en dure segment, waarbij de mogelijkheid bestaat om de woningen levensloopbestendig te bouwen. Hiermee wordt vooral gericht op de doelgroepen; starters, midden- en hoge inkomens en senioren. Het plan draagt hiermee bij aan het verbeteren van het sociaaleconomisch evenwicht in de wijk Waterkwartier.
Over deze doelgroepen wordt in de gemeentelijke woonvisie ‘Zutphen: daar wil ik wonen 2019-2024’ het volgende geschreven: “Huishoudens met een middeninkomen komen door toewijzingsregels moeilijk aan bod in de sociale huursector en hebben minder (financiële) mogelijkheden op de (koop)woningmarkt. Tot voor kort misten zij in Zutphen met name huurwoningen net boven de liberalisatiegrens voor sociale huurwoningen (maandhuur tot € 710,68). Ook huishoudens die meer te besteden hebben en bijvoorbeeld willen doorstromen naar een andere woning stuiten op barrières. Uit gegevens van de NVM blijkt dat het te koop staande woningaanbod in de gemeente Zutphen de afgelopen vier jaar is afgenomen van ruim 500 woningen in april 2014 naar ruim 240 woningen in april 2018. Dat betekent dat de markt in een paar jaar tijd is omgeslagen in een verkopersmarkt en dat de keuzemogelijkheden van kandidaat-kopers bijna zijn gehalveerd. Makelaars in Zutphen geven aan dat de vraag sterk is aangetrokken en mensen weer vaker willen kopen. Hier ligt uiteraard een relatie met de verbeterde economische situatie in combinatie met de lage marktrente. Volgens de makelaars is er in Zutphen met name krapte in het segment € 250.000 - € 300.000, twee-onder-een-kapwoningen en kleine betaalbare appartementen.
Tot slot zorgen de vergrijzing en het rijksbeleid - dat nastreeft dat mensen langer zelfstandig thuis wonen ervoor dat de vraag naar comfortabele en gelijkvloerse woningen voor senioren de komende jaren toeneemt, zowel in het koop- als huursegment. Het is een kieskeurige groep die een weloverwogen stap moet maken van de (gezins)woning waar men jarenlang heeft gewoond met vaak lage woonlasten, naar een kleinere woning met niet zelden relatief hogere woonlasten. Binnen de gemeente Zutphen zal voldoende betaalbaar én kwalitatief hoogwaardig aanbod voor deze doelgroep moeten zijn om ook ruimte te maken voor andere huishoudens om door te stromen en de slagingskansen voor huishoudens over de gehele linie te verbeteren.” Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voorliggend plan aansluit op de kwalitatieve behoefte. Daarnaast wordt tevens bijgedragen aan de doorstroming op de woningmarkt. Immers komen er door het realiseren van het plan woningen voor starters en middeninkomens elders in Zutphen beschikbaar. Ligt de stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied dan wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. De woningbouwontwikkeling vindt – gezien de huidige bestemming, inrichting en omgeving - plaats binnen het bestaand stedelijk gebied van Zutphen.
Hiermee is sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, indachtig het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking, waarbij wordt gestreefd naar een optimale benutting van de ruimte in stedelijk gebied. Conclusie Voorliggend plan voorziet binnen bestaand stedelijk gebied zowel in de kwantitatieve als kwalitatieve vraag naar woningen. Gezien het vorenstaande wordt gesteld dat met deze ontwikkeling wordt voldaan aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'. 4.1.3
Conclusie toets aan het rijksbeleid
Geconcludeerd kan worden dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.
32/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld
4.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid behelst een doorvertaling van rijksbeleid en is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen betreffen de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. 4.2.1
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
4.2.1.1 Algemeen In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie worden twee provinciale hoofddoelen onderscheiden: • •
een duurzame economische structuur; het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.
Deze hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities, waarbij per ambitie de aanpak op hoofdlijnen is beschreven. De nadere invulling vindt plaats via provinciale uitvoeringsprogramma's en samenwerking met partners. Daarmee is de Omgevingsvisie een 'plan' dat richting geeft en ruimte biedt; geen plan met exacte antwoorden. Ofwel: ‘de Omgevingsvisie gaat over het speelveld en de spelregels, niet over de uitkomst van het spel’. In voorliggend geval is met name het beleid ten aanzien van het woon- en leefomgeving van belang. 4.2.1.2 Woon- en leefomgeving: Dynamisch, divers, duurzaam Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In de groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt er geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt.
Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De voorkeur wordt gegeven aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, wordt er uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen. 4.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Het plan voorziet in de realisatie van 29 woningen en sluit aan bij de ambitie om ook de komende jaren voor de stad Zutphen zowel kwantitatief als kwalitatief te voorzien in de lokale woningbehoefte. Het plangebied is gelegen binnen de wijk Waterkwartier en vormt gelet op de kenmerken een geschikte inbreidingslocatie. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor overige functies in de omgeving. De nieuwe woningen passen zowel vanuit stedenbouwkundig als functioneel oogpunt goed in de omgeving. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 4.2.2
Omgevingsverordening Gelderland
4.2.2.1 Algemeen Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen.
33/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan op deze regels afstemmen. 4.2.2.2 Van toepassing zijnde artikel In voorliggend geval is uitsluitend artikel 2.2 (instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda) van de omgevingsverordening van toepassing. Artikel 2.2 (instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda) 1. 2.
Een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden: a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, e d. Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling.
4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsverordening Gelderland In de verordening wordt aangegeven dat een ontwikkeling dient te passen binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Kortheidshalve wordt verwezen naar subparagraaf 4.1.3.2 waar het voornemen is getoetst aan de Woonagenda Cleantech Regio 2018 ‘Investeren in maatwerk voor goed wonen’. Hier wordt geconcludeerd dat het voornemen in overeenstemming is met artikel 2.2 van de Omgevingsverordening Gelderland.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1
Woonagenda Cleantech Regio 2018
4.3.1.1 Inleiding De acht gemeenten uit de Cleantech Regio hebben samen met de provincie Gelderland een nieuwe woonagenda voor deze regio opgesteld. Hiermee geeft de regio richting aan het soort en aantal woningen dat gebouwd kan worden. Verduurzamen en klimaatbestendig maken van de bestaande woningen, wonen in combinatie met zorg en het karakter van stad en platteland zijn belangrijke uitgangspunten voor het regionale woonbeleid. 4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Woonagenda Cleantech Regio 2018 Zoals verwoord in paragraaf 4.1.2.2 sluit de gewenste ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief goed aan bij de woningbouwbehoefte. De ontwikkeling is expliciet als project opgenomen in de geactualiseerde woningbouwprogrammering.
34/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020
4.4.1.1 Inleiding De Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020 behelst de vertaling van de gemeentelijke ambities in een ruimtelijk functioneel toekomstperspectief tot 2020. Zutphen wil zijn bestaande identiteit behouden en versterken, maar zich tegelijkertijd verder ontwikkelen als een moderne stad, waarin historie en dynamiek hand in hand gaan. Gericht op de toekomst wil Zutphen zich profileren als een duurzame gemeente, met een sterke sociale en economische structuur en burgers die tevreden zijn over het woon- en leefklimaat. Het ruimtelijk totaalconcept voor 2020 valt uiteen in negen planelementen. Het plangebied maakt deel uit van het element ‘De Woonkwartieren’, waarbinnen zich de meeste inbreidingslocaties bevinden. Voorliggend plangebied is dan ook, samen met de voormalige sportvelden ten oosten van het plangebied, in de visie aangewezen als inbreidingslocatie. Ten behoeve van het inbreiden acht Zutphen een integrale aanpak van belang, waarbij tevens vanuit een sociaal-maatschappelijke invalshoek naar de ontwikkelingen wordt gekeken en rekening wordt gehouden met de betekenis en uitstraling van de betreffende locatie in relatie tot de omgeving. 4.4.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020 Het plangebied maakt deel uit van het bestaand bebouwd gebied en betreft een herontwikkelingslocatie.
Binnen het bestaand bebouwd gebied zijn stedelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouwprojecten, goed mogelijk. Het project zorgt ervoor dat de locatie een passende invulling krijgt en bijgedragen wordt aan het realiseren van voldoende woningen in de stad Zutphen. De bestaande kwaliteiten van het gebied, waaronder de directeurs- en dienstwoningen, de groenstructuur en de grachten, blijven bovendien behouden. Hiermee sluit het plan aan op de ambities genoemd in de Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020. 4.4.2
Woonvisie gemeente Zutphen 2019-2024; Zutphen, daar wil ik wonen
4.4.2.1 Inleiding De woonvisie ‘Zutphen: daar wil ik wonen’ gemeente Zutphen 2019-2024 is op 8 juli 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van Zutphen. Het betreft een actualisatie van de vorige woonvisie 'Ik woon in Zutphen' gemeente Zutphen 2013-2017. Er is bewust gekozen voor actualiseren in plaats van een geheel nieuwe woonvisie op te stellen. De woonthema’s uit de vorige woonvisie zijn nog steeds actueel maar zijn verscherpt en nader uitgewerkt. In de geactualiseerde woonvisie identificeren zijn een aantal opgaven geformuleerd waar, als het om het wonen in onze gemeente gaat, echt mee aan de slag moet worden gegaan. Op basis daarvan zijn woonambities en strategische acties beschreven om deze ambities te kunnen realiseren. De woonambities zijn: • • •
Ambitie 1 Sterke positie als centrumgemeente Ambitie 2 Ambitieus in energietransitie en verlaging van woonlasten Ambitie 3 Sociaal economisch evenwicht in woonwijken
In voorliggend geval is met name ambitie 3 relevant. 4.4.2.2 Ambitie 3: Sociaaleconomisch evenwicht in woonwijken De gemeente streeft naar gebalanceerde wijken met een mix van inkomensgroepen en leefstijlen. Het evenwicht tussen de primaire doelgroep en de kernvoorraad wordt verbeterd. Segregatie is ongewenst en daarom dient in het bijzonder in het Waterkwartier het sociaaleconomisch evenwicht terug worden gebracht. Met de partners dient de slaagkans voor jongeren te worden vergroot en aandacht worden besteed aan huisvesting voor senioren. Daarnaast wordt er een plan van aanpak voor huisvesting van zorgdoelgroepen gemaakt. Dit wordt gedaan om te bekrachtigen dat de gemeente terughoudend is met het ruimte bieden voor nieuwe initiatieven voor zorgdoelgroepen, waarvoor in de gemeente al voldoende aanbod is of dat alleen ter
35/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld afronding van het aanbod nog wordt toegevoegd. De gemeente blijft met woningcorporaties afstemmen over de huisvesting van vergunninghouders. Tot slot worden er eisen gesteld aan gezonde en groene woonwijken. 4.4.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie gemeente Zutphen 2019-2024; Zutphen, daar wil ik wonen In de woonvisie wordt wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte verwezen naar de regionale Woonagenda. Kortheidshalve wordt voor de toetsing aan het betreffende document verwezen naar paragraaf 4.1.3.2. Het plan levert een belangrijke bijdrage aan het terugbrengen van het sociaaleconomisch evenwicht in de wijk Waterkwartier. Het plan voorziet namelijk in woningen voor met name starters, midden- en hoge inkomens en senioren. Hiermee wordt gezorgd voor een betere mix qua inkomstengroepen en leefstijlen in de wijk. Tot slot wordt opgemerkt dat het plan tevens bijdraagt aan de energietransitie. De woningen worden immers gasloos gebouwd en zullen qua duurzaamheidseisen aan de laatste wet- en regelgeving moeten voldoen. Geconcludeerd wordt dan ook dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie. 4.4.3
Welstandsnota en Beeldkwaliteitsplan
4.4.3.1 Inleiding In het verlengde van het bestemmingsplan ligt het welstandstoezicht. Bouwplannen kunnen pas uitgevoerd worden als daarover een positief welstandsadvies is gegeven. Het welstandsbeleid is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dient te behartigen. Het aanzicht van gebouwen en andere bouwwerken vormt de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Zutphen. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving draagt bij aan de belevingswaarde. Bovendien heeft dit een gunstige invloed op de waarde van het onroerend goed en het vestigingsklimaat. Voor het plangebied geldt themagebied ‘Bijzondere bebouwingscomplexen’ waarvoor welstandsniveau 2 geldt. 4.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota en Beeldkwaliteitsplan De door de raad vastgestelde Welstandsnota voorziet niet in kaders voor een herontwikkeling zoals binnen het plangebied is beoogd. Daarom is in deze situatie een beeldkwaliteitsplan het instrument om bij nieuwe ontwikkeling de kwaliteit van de leefomgeving te bewaken.
In het beeldkwaliteitsplan, opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting, zijn bindende randvoorwaarden opgenomen voor de inrichting van het openbaar gebied, maar óók voor de stedenbouwkundige inrichting en architectonische vormgeving voor zowel de bestaande als nieuwe woningen. Het beeldkwaliteitsplan vormt het toetsingskader bij het beoordelen van nader uitgewerkte inrichtingsplannen en de toetsing van de individuele aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. Na het vaststellen van het beeldkwaliteitsplan (gelijktijdig met het bestemmingsplan) maakt het onderdeel uit van de gemeentelijke Welstandsnota. Hiermee wordt de beoogde kwaliteit voor het gebied verzekerd. 4.4.4
Groenatlas ‘Samenwerken aan een duurzame groenstructuur’
4.4.4.1 Algemeen De gemeente Zutphen heeft in 2012 de Groenatlas ‘Samenwerken aan een duurzame groenstructuur’ vastgesteld. Hierin is de visie verwoord op de groenstructuur vanuit natuur, milieu en ruimte met daarin een heldere beschrijving van eindbeelden, beheerkaders en ontwikkelingsstrategieën. De groenatlas omvat een uitwerking voor het groen langs randen en de overgangszone van de kernen naar het landelijk gebied en de belangrijkste hoofdstructuren van wegen-, water- en landschapsstructuren in het landelijk gebied. Het doel
36/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld van de Groenatlas is onder meer het opstellen van een samenhangende groenstructuur en het ontwikkelen van een visie op de groenstructuren en het vastleggen van de groene ambitie. Verder biedt het een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. 4.4.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Groenatlas ‘Samenwerken aan een duurzame groenstructuur’ De gracht en het oostelijk gelegen Lunettepark maken onderdeel uit van de groenblauwe structuur. Voor het overige zijn er binnen het plangebied geen essentiële groenelementen aanwezig. Ten gevolge van het voornemen wordt de groenblauwe structuur niet aangetast, maar juist versterkt (o.a. doorgraven van de gracht). Voorliggend bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met de Groenatlas. 4.4.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.
37/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen en andere omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, conventionele explosieven, verkeer en parkeren en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De gemeente Zutphen heeft op lokaal niveau eigen geluidbeleid opgesteld. Dit beleid is vervat in het ‘Geluidsplan Zutphen 2015-2025’ en de nota’s ‘Hogere waarden geluid, Bouw-/slooplawaai en Trillingen’ en ‘Bedrijven en Geluid’. 5.1.2
Situatie plangebied
De geplande woningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als een geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
De geplande woningen liggen in ‘stedelijk gebied’. Op basis van jurisprudentie is echter akoestisch onderzoek verplicht indien verwacht wordt dat de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden zal worden. Voor wat betreft voorliggend plan zijn de Vijfmorgenstraat, Tak van Poortvlierstraat, Spittaalderkamp, Buitensingel en Lunettestraat van belang. Betreffende wegen zijn woonstraten met een 30 km/uur regime en worden hoofdzakelijk gebruikt door bestemmingsverkeer. De verkeersintensiteiten op deze wegen zijn dan ook relatief laag. Daarnaast zal de afstand tussen de nieuwe woningen en de as van de betreffende wegen
38/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld meer dan 35 meter bedragen en is er in sommige gevallen sprake van afscherming door bestaande bebouwing (o.a. in geval van de Spittaalderkamp). Gelet op het vorenstaande is het derhalve te verwachten dat de geluidsbelasting van omliggende wegen op de woningen in het plangebied de voorkeurswaarde van 48 dB niet zal overschrijden. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht. Vanuit het plangebied geldt dat verkeer enkel bestemmingsverkeer is. Door de woningen rondom wordt geluid tegengehouden en slaat niet neer op de omgeving. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai In artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder is aangegeven dat een spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte naast de spoorweg, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. In onderstaande tabel staan de zones in meters aangegeven die horen bij het betreffende geluidproductieplafond (Gpp). Hoogte geluidproductieplafond Kleiner dan 56 dB Gelijk aan of groter dan 56 dB en kleiner dan 61 dB Gelijk aan of groter dan 61 dB en kleiner dan 66 dB Gelijk aan of groter dan 66 dB en kleiner dan 71 dB Gelijk aan of groter dan 71 dB en kleiner dan 74 dB Gelijk aan of groter dan 74 dB
Breedte zone (in meters) 100 m 200 m 300 m 600 m 900 m 1200 m
Aan de hand van het Geluidregisterspoor is een inventarisatie gedaan naar de Gpp ter plaatse van het spoor. Hierbij is gekeken naar de punten in de nabijheid van de beoogde woningen. Uit de inventarisatie blijkt dat het Gpp ter plaatse kleiner is dan 66 dB, waardoor een wettelijke geluidzone van 300 meter geldt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf. Het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 1,2 kilometer, waardoor nader akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voor de beoogde woningen ten aanzien van het aspect railverkeerlawaai sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.1.2.3 Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Derhalve is het aspect industrielawaai buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op (individuele) milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Ter plaatse van de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is in dit geval door Kruse Milieu uit Geesteren een verkennend bodem- en asbestbodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740 en NEN 5707. De conclusies voortkomend uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting.
39/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld 5.2.2
Situatie plangebied
Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: • • • • • • • •
de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met kwik, lood en PAK; de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd kwik, lood en zink; de bovengrond (BG III) is zeer licht verontreinigd kwik en lood; de ondergrond (OG I) is zeer licht verontreinigd met zink; de ondergrond (OG II) is zeer licht verontreinigd met koper, kwik en lood; het grondwater (PB 1 is zeer licht verontreinigd met barium; het grondwater (PB 2) is licht verontreinigd met barium; de bovengrond (BG - MM1) is niet verontreinigd met PFAS.
De resultaten van de asbestanalyses zijn als volgt: • • • • •
MM FF - A bevat geen asbest; MM FF - B bevat asbest, maar is het gehalte ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; MM FF - C bevat geen asbest; MM FF - D bevat geen asbest; MM FF - E bevat geen asbest.
In de boven-, ondergrond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaring wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het rapport. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Opgemerkt wordt dat in het verleden een tank is gesaneerd evenals de bodem. Er is geen restverontreiniging achtergebleven. 5.2.3
Conclusie
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
40/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een herontwikkeling van het plangebied waarbij 29 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Een ontwikkeling met een dergelijke omvang is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Tot slot wordt geconcludeerd dat de nieuwe woningen niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • de Regeling basisnet;
41/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld • •
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Regelgeving ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Zutphen Met de Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de gemeente Zutphen. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. De visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Zutphen aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. 5.4.2
Situatie in het plangebied
5.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is hierbij weergegeven met de rode omlijning.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:
42/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld • • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
43/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld Het plangebied is gelegen in overwegend woongebied. Dit betekent dat uitgegaan kan worden van het omgevingstype ‘rustig woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies.
In de directe omgeving bevinden zich uitsluitend maatschappelijke voorzieningen en functies behorend bij een wijkcentrum (detailhandel, horeca en dienstverlenende bedrijven). Dergelijke voorzieningen en bedrijven worden op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangemerkt als zijnde maximaal milieucategorie 2 inrichtingen. Voor functies in milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van milieugevoelige functies. De afstand tussen de nieuwe woningen en de milieubelastende functies bedraagt meer dan 30 meter waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Ter plaatse van de woningen is in het kader van milieuzonering sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende functies ten gevolge van het plan niet belemmerd. 5.5.4
Conclusie
Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
44/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De locatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen ten zuiden van het plangebied op circa 850 meter afstand. Dit betreft het Natura 2000-gebied “Rijntakken”. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 weergegeven.
Afbeelding 5.2
Ligging plangebied ten opzichte van N2000 (Bron: Synbiosys Alterra)
Ondanks de ruime onderlinge afstand is sprake van een ontwikkeling waarbij gedurende de gebruiks- en aanlegfase stikstof wordt uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten
45/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Veel Natura 2000-gebieden zijn kwetsbaar voor stikstofdepositie; stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Ten behoeve van het voornemen is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee sprake van een stikstofdepositie met mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.1.2 Gelders Netwerk Nederland Het Gelders Netwerk Nederland (GNN) is de kern van het Gelderse natuurbeleid. De GNN is in de provinciale omgevingsvisie en verordening uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de GNN geldt het 'nee, tenzij' principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen het concreet begrensde GNN. Het dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het NNN is gelegen op circa 285 meter van het plangebied. De ligging ten opzichte van het NNN wordt hierna weergegeven.
Afbeelding 5.3
Ligging van het plangebied t.o.v. GNN (Bron: Provincie Gelderland)
Gezien de onderlinge afstand, aard en omvang van de ontwikkeling evenals de invulling van het tussengelegen gebied (bebouwd gebied) wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden op het GNN als gevolg van dit plan.
46/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.6.2.2 Situatie plangebied Quickscan natuurwaarden Natuurbank Overijssel heeft in voorliggend geval een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten vleermuizen er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieën er een vaste rustplaats en nestelen er vogels. Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er nestelen mogelijk ook vogels waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Om vast te kunnen stellen of er vogels in het plangebied nestelen waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, dient aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw, huismus en vleermuizen uitgevoerd te worden. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende beschermde dieren niet aangetast.
Nader ecologisch onderzoek Natuurbank Overijssel heeft in voorliggend geval het nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. In de periode april -september 2021 is bebouwing op het adres Lunettestraat 3 te Zutphen onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen. De onderzoeken zijn uitgevoerd volgens de daarvoor geldende protocollen en zijn volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat vleermuizen geen verblijfplaats bezetten in het onderzoekgebied en dat huismussen en gierzwaluwen er geen nestplaats bezetten. Als gevolg van het slopen van de bebouwing, wordt geen verblijfplaats van een vleermuis en geen nestplaats van huismussen of gierzwaluwen negatief beïnvloed. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden.
47/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld 5.6.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Bureau- en inventariserend veldonderzoek en een karterend booronderzoek Er heeft een bureauonderzoek, een inventariserend veldonderzoek en een karterend booronderzoek plaatsgevonden. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Op basis van de resultaten van het booronderzoek zijn mogelijk archeologische vindplaatsen in het plangebied aanwezig. Het betreft een vindplaats uit de prehistorie en een vindplaats uit de nieuwe tijd.
Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 175 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten in de vorm van prehistorische sporen worden geraakt. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 125 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten in de vorm van ophoging / opvullingpakketten uit de nieuwe tijd geraakt worden. Als de geplande verstoringen dieper reiken dan 125 cm beneden maaiveld wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek geadviseerd om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten uit met name de nieuwe tijd aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Dit proefsleuvenonderzoek dient te bestaan uit het plaatsen van sleuven, haaks op de verwachte ligging van de vestingwal. De vestingwal wordt verwacht aan de zuid- en oostzijde van het plangebied. Als de geplande verstoringen dieper reiken dan 175 cm beneden maaiveld wordt geadviseerd een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn uit met name de prehistorie en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Archeologische sporen uit de prehistorie worden in het hele plangebied verwacht.
Voor een proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. Proefsleuvenonderzoek Er is ter plaatse van het plangebied een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd plaatsgevonden. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting. Op basis van het proefsleuvenonderzoek kan een selectieadvies worden opgesteld. Het archeologische niveau ligt diep en is door de aanwezige akkerlaag en het ophogingspakket eeuwenlange beschermd geweest tegen menselijke invloeden. Hierdoor is het archeologische niveau alleen aangetast op plekken waar zeer diepe funderingen van de jeugdgevangenis in de grond zijn gegaan en aan de rand van het plangebied waar de gracht rondom de lunet is gegraven.
48/387
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld In het archeologische niveau is een reeks aan sporen gevonden met daarbij een relatief grote hoeveelheid aardewerk dat geclusterd lijkt rond de sporenclusters. De belevingswaarde van de vindplaats is laag. De sporen liggen diep en hebben geen relatie met de huidige landinrichting. De schoonheid en herinneringswaarde scoren dan ook laag. De fysieke waarde daarentegen is hoog. De sporen zijn minimaal verstoord door bioturbatie maar verder zijn ze bijzonder gaaf behouden in de bodem. Qua vondstmateriaal is de conservering goed voor aardewerk en natuursteen, er is geen organisch materiaal (behalve houtskool) aangetroffen. De inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats is zeer hoog. De zeldzaamheid van de neolithische pijlpunt is bijzonder hoog. Indien het spoor zou leiden tot een intacte neolithische vindplaats dan is dat een unicum in Zutphen en de regio. Tegelijkertijd zijn de ensemblewaarde en de representativiteit van de brons- of ijzertijdvindplaats hoog door de relatie met de vindplaats op het naastgelegen voormalige sportveld en de andere vindplaatsen in de Zutphen. De vindplaats scoort met 19 van de 24 punten erg hoog en is daarmee behoudenswaardig. Binnen het plangebied kunnen drie zones worden aangegeven met drie verschillende archeologische waarden (zie bijlage 3 van het rapport).