2. Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2022
Tekst van het document
Daarnaast sluit de gemeente (grotendeels vanuit regionale samenwerking met andere gemeenten) contracten af met zorgaanbieders voor de inzet van de verschillende vormen van specialistische jeugdhulp. De gecontracteerde zorgaanbieders zijn volledig verantwoordelijk voor een tijdige uitvoering en de kwaliteit van zorg.
5. Verhouding tussen beleidsplan, verordening en nadere uitwerkingsbesluiten De bepalingen in de verordening worden door de gemeenteraad vastgelegd als algemeen instrumenteel kader ter uitvoering van het gemeentelijk beleidsplan Jeugd. Daarmee wordt in hoofdlijnen vastgelegd hoe het gemeentebestuur invulling geeft aan de zorgplicht zoals opgedragen in de Jeugdwet. Het college stelt nadere
uitvoeringsregels vast en actualiseert deze periodiek om verbeteringen in het aanbod en de samenwerking met externe partijen te realiseren in het belang van een doelmatige en effectieve jeugdhulp. De opdrachtuitvoering voor jeugdhulp als maatwerkvoorziening heeft de gemeente grotendeels ingeregeld in samenwerking met andere gemeenten in de regio. Het college kan voor de beschikbaarheid van zorgvormen in nadere uitwerkingsbesluiten rechtstreeks verwijzen naar besluiten van het regionaal bestuursorgaan waaraan door de gemeente bepaalde bevoegdheden zijn overgedragen. Op verschillende onderdelen zijn uit oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor zowel hulpvragers als te contracteren hulpverleners nadere uitvoeringsregels gewenst, welke in een of meer uitwerkingsbesluiten van het college worden vastgelegd. De gewenste doorontwikkeling van het stelsel van voorzieningen is gebaat bij een proces van voortdurend reflecteren en evalueren in samenwerking met externe uitvoeringspartners. Daarop kan het college nadere uitwerkingsbesluiten aanpassen en aanvullen. Het streven is om in de komende jaren meer en sneller hulp te kunnen verlenen in zorgvormen zonder beschikking en daarmee het volume aan zorg in beschikte vorm te verminderen.
Ook wordt voortdurend gestreefd naar aanpassing en aanvulling van nadere uitwerkingsbesluiten om zorg te dragen voor tijdige beschikbaarheid van passender zorgvormen als reactie op veranderingen in de lokale hulpvraag. Het college kan op basis van deze verordening besluiten om een nadere regeling vast te stellen voor: a. toegankelijkheid tot algemene voorzieningen voor jeugdigen van buiten de gemeente (artikel 1.2, tweede lid); b. aanwijzing rechtspersoon tot uitvoering van lokaal teamtaken (artikel 2.2, tweede lid); c. mandatering van verschillende professionals van het lokaal team (artikel 2.2, vierde lid) en criteria voor de beoordeling van hulpvragen door deze professionals (artikel 4.2, vijfde lid); d. toegangsvoorwaarden voor jeugdigen en hun ouders met betrekking tot hulpen ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening voor bepaalde hulpvragen (artikel 2.3, tweede lid); e. uitvoeringsvoorwaarden voor gecontracteerde aanbieders van hulp- en ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening voor bepaalde hulpvragen (artikel 2.3, derde lid);
f. directe beschikbaarheid van op veiligheid en spoedeisendheid gerichte zorg (artikel 2.4, eerste lid); g. keuzevrijheid voor jeugdigen en hun ouders met betrekking tot de gecontracteerde zorgaanbieder van specialistische jeugdhulp op indicatie (artikel 3.1, derde lid); h. afbakening van door de gemeente bekostigde dyslexiezorg en hiervoor in aanmerking komende doelgroep (artikel 3.2, tweede lid) en beoordeling van het leesdossier (artikel 4.6, derde lid); i.
voorwaarden voor toekenning van een vorm van vervoersvoorziening (artikel 3.3, tweede lid);
j.
voorwaarden om in aanmerking te komen voor een alternatief aanbod van jeugdhulp indien passend aanbod ontbreekt (artikel 3.4, derde lid) en aanvraagprocedure (artikel 4.7, tweede lid);
k. onderscheiden zorgvormen bij de inzet van algemene en maatwerkvoorzieningen waarop specifieke toegangsregels en beoordelingscriteria gelden (artikel 4.2, zesde lid en artikel 4.4, derde lid); l.
inhoud en wijze van gespreksvoering met jeugdige en of zijn ouders (artikel 4.3, negende lid);
m. heroverweging en intrekking van indicatiebesluiten (artikel 4.5, zesde lid); n. berekening van persoonsgebonden budget (artikel 5.3, tweede lid); o. aanwijzing en bevoegdheden toezichthouders (artikel 6.2, tweede en derde lid); p. inspraak van inwoners bij de voorbereiding van nieuw beleid en besluitvorming over verordeningen inzake het jeugdbeleid (artikel 8.3, vierde lid).
Artikelsgewijze toelichting Per artikel van de verordening wordt hieronder een nadere toelichting gegeven.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Waarom deze begrippenlijst?
Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.
Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de vermelde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.
Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.
Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.
Aanvraag: Hulpvragen van jeugdige en/ of zijn ouders kunnen langs verschillende wegen de professional van het lokaal team bereiken. Rechtstreeks, via informele contacten rondom het gezin, via professionals van andere voorzieningen (onderwijs, zorg, politie, buurtwerk, sport- en culturele werkers) of via een verwijzende instantie (arts, medisch specialist, rechter, gecertificeerde of justitiële instelling). Het is de taak van de professional van het lokaal team om op basis van een quick scan van het gezin te bepalen wat de beste route is om het gezin van een passend antwoord te voorzien. Dat kan zijn: a. informatie en advies waarmee het gezin zelfstandig verder kan; b. toeleiding naar andere voorzieningen op grond van andere wetten en preventieve voorzieningen; c. directe hulp en ondersteuning door de professional van het lokaal team zelf (zo nodig met korte ondersteuning vanuit specialisten); d. attenderen op de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Bij route a, b en c wordt door de professional van het lokaal team geen aanvraagformulier uitgereikt maar slechts vastgelegd wie de inwoner is (inwonertoets), wat zijn hulpvraag is en met welke inzet de hulpvraag het beste kan worden beantwoord (beschikkingsvrij).
Vindt de jeugdige en/ of zijn ouders een inzet van de professional op route a, b of c niet voldoende dan kunnen zij de professional van het lokaal team verzoeken om een aanvraagformulier uit te reiken voor een maatwerkvoorziening. Een aanvraagprocedure wordt te allen tijde gestart met de indiening van het uitgereikte aanvraagformulier, waarmee tevens de behandeltermijn van 8 weken gaat lopen die wordt afgerond met een besluit in de vorm van een beschikking. Bij uitreiking van het aanvraagformulier wordt de jeugdige en/ of zijn ouders geattendeerd op de mogelijkheid een beroep te doen op onafhankelijke cliëntondersteuning.
Algemene voorziening: De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). In de Jeugdwet wordt naast individuele voorziening alleen (in artikel 2.9) gesproken van ‘overige voorziening’. Een algemene voorziening is derhalve te beschouwen als een ‘overige voorziening’ in de zin van de Jeugdwet. Deze wettelijke term kan verwarrend werken en doet geen recht aan de belangrijke positie van de vrij toegankelijke voorzieningen in het nieuwe jeugdstelsel. Zij zijn geen restcategorie. Daarom wordt toch de term uit de Wmo gebruikt.
Gebruikelijke hulp: in de Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen is vastgelegd dat het college geen jeugdhulp toekent voor zover sprake is van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is een invulling van de voorwaarde van 'eigen kracht’ die de Jeugdwet stelt (artikel 2.3 Jeugdwet). De vraag of en zo ja, welk onderdeel van de hulpvraag tot gebruikelijke hulp behoort, beoordeelt het college op grond van beleidsregels. Uit de Jeugdwet volgt dat het college geen voorziening voor jeugdhulp hoeft te verstrekken voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/ of zijn ouder(s) toereikend zijn (artikel 2.3, eerste lid Jeugdwet). Onder 'eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen' onder andere wordt verstaan de gebruikelijke hulp die ouders geacht worden hun kinderen te bieden. Voor zover gebruikelijke hulp kan worden verwacht, hoeft het college geen jeugdhulpvoorziening toe te kennen. Jeugdhulp kan alleen worden toegekend voor hulp die als meer dan gebruikelijk, ofwel boven gebruikelijk, kan worden beschouwd. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekening als in de Jeugdwet, het landelijke Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Verordening Jeugdhulp en het Besluit Jeugdhulp.
Om vast te stellen welke hulp boven gebruikelijk is, beoordeelt de professional van het lokaal team welke hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. In nadere regels op grond van deze verordening zijn richtlijnen opgenomen van gebruikelijke hulp van ouders
voor jeugdigen zonder beperkingen. Bij de beoordeling welke hulp hier bovenuit gaat, betrekt de professional van het lokaal team de volgende factoren:
leeftijd van de jeugdige; aard van de zorghandelingen;
frequentie en patroon van de zorghandelingen;
tijdsomvang van de zorghandelingen.
Het is van belang dat deze criteria telkens in samenhang worden beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de jeugdige en het gezin.
Gezinsplan: met het gezinsplan wordt bedoeld het familiegroepsplan uit de Jeugdwet (artikel 1.1). De term ‘familiegroepsplan’ is in Zutphen geen algemeen bekend begrip.
Maatwerkvoorziening: ‘Individuele voorziening’ is de term die in de Jeugdwet gebruikt wordt voor wat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een ‘maatwerkvoorziening’ heet. De term individuele voorziening wordt in de Jeugdwet niet gedefinieerd, vandaar dat in de verordening een begripsbepaling is toegevoegd waarmee individuele jeugdhulp wordt bedoeld op basis een indicatiebeschikking.
Onderwijszorgarrangement: veel leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs en praktijkonderwijs hebben extra ondersteuning nodig in de vorm van specialistische jeugdhulp. Ook de ouders van deze leerlingen hebben geregeld behoefte aan extra ondersteuning bij de begeleiding en opvoeding van hun kind. De gemeente kan een deel van dit aanbod aan specialistische jeugdhulp (in aanvulling op de algemene ondersteuning die geboden wordt door professionals van het lokaal team op de scholen) laagdrempelig en dicht bij de school organiseren. Dat wil zeggen als algemene in plaats van individuele voorziening. Het gaat om ambulante jeugdhulp die geboden wordt naast het onderwijs of jeugdhulp die in gezamenlijkheid met een onderwijsinstelling geboden wordt in een aparte klas.
Professional: met de professional van het lokaal team wordt de persoon bedoeld die zowel beoordelingstaken uitvoert voor toegankelijkheid naar algemene en maatwerkvoorzieningen in het kader van de Jeugdwet als – zonder indicatiebeschikking - zelf lichte hulp en ondersteuning verleent (bij enkelvoudige
problematiek). Deze professionals staan in de regel geregistreerd in een beroepsregister (BIG of SKJ), waarmee bepaalde kwaliteitsgaranties worden geboden.
Specialistische jeugdhulp: het onderscheidende karakter van laagdrempelige jeugdhulp en ondersteuning zonder beschikking en specialistische jeugdhulp waarvoor een indicatiebeschikking nodig is, is dat de laatste categorie in de regel meer specifieke kennis en een intensievere en veelomvattende aanpak vraagt. De kosten zijn daardoor in de regel hoger. Specialistische jeugdhulp kan door een grote groep jeugdhulpaanbieders geboden worden waarvoor een aanbestedingsproces geldt om gecontracteerd te worden. De gemeente Zutphen koopt jeugdhulp regionaal in (Zorgregio Midden IJssel / Oost Veluwe).
Artikel 1.2 Doelgroep Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Artikel 2.1 Sociale basis en preventieaanbod Jeugd Het preventieaanbod Jeugd wordt vanuit de Jeugdwet formeel niet aangemerkt als jeugdhulp maar vormen een voorliggende voorziening. Jeugdhulpvoorzieningen kunnen mogelijk wel gecombineerd worden met het preventieaanbod als laagdrempelige algemene voorzieningen geïntegreerd in sociale basisvoorzieningen. De inzet van dit gecombineerde aanbod kan in dat geval gepaard gaan met voorwaarden gebaseerd op de Jeugdwet. Jeugdhulp is immers alleen toegankelijk wanneer gebruikelijke hulp tekortschiet en geen passende ondersteuning mogelijk is vanuit voorliggende voorzieningen.
Artikel 2.2 Lokaal team Lokaal teamtaken kunnen op basis van deze verordening worden uitgevoerd door professionals in dienst van aangewezen rechtspersonen of de gemeente zelf. Waarbij een taakverdeling wordt gehanteerd op basis van de zwaarte en complexiteit van hulpvragen. De professionals werken samen in het lokaal team dat beschouwd kan worden als algemeen toegankelijke voorziening waar jeugdigen en hun ouders met hun hulpvragen terecht kunnen. Afhankelijk van de inhoud en
complexiteit van de hulpvraag draagt de gemeente zorg dat de professional wordt ingezet die beschikt over de bevoegdheden en kwaliteiten om de hulpvraag adequaat op te lossen.
Artikel 2.3 Opvoed- en opgroeiondersteuning Aanvullend op de ondersteuningscapaciteit vanuit het lokaal team kan de gemeente voor specifieke hulpvragen een additioneel aanbod aan opvoed- en opgroeiondersteuning inkopen. Dit aanbod wordt in de gemeente aangeboden in nauwe afstemming met de professionals van het lokaal team. Het aanbod kan vrij toegankelijk zijn of zich richten op specifieke doelgroepen. In die zin kunnen aan de toegankelijkheid voorwaarden worden gesteld.
Artikel 2.4 Op veiligheid en spoedeisende zorg gerichte algemene voorzieningen De gecertificeerde instellingen die in Zutphen de jeugdbescherming en –reclassering uitvoeren mogen in opdracht van het college ook gezinnen begeleiden zonder dat er sprake is van een kinderbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel. In die gevallen wordt gesproken van intensieve vrijwillige zorg. In de meeste gevallen zal een lokaal team in goed overleg met de jeugdige en zijn ouders een gezin aanmelden bij de gecertificeerde instelling. Ook een melding bij Veilig Thuis kan aanleiding zijn om een gezin in contact te brengen met een gecertificeerde instelling. De intensieve vrijwillige zorg is altijd vrijwillig.
Hoofdstuk 3 Maatwerk voorzieningen Artikel 3.1 Specialistische jeugdhulp Specialistische jeugdhulp wordt alleen ingezet als aanvulling op het vrij toegankelijke aanbod aan preventie en jeugdhulp in de vorm van algemene voorzieningen zoals omschreven in hoofdstuk 2. In veel gevallen zal de beoordelende professional vanuit het lokaal team ook betrokken blijven bij de ondersteuning van de jeugdige en zijn ouders als specialistische jeugdhulp ingezet wordt. Specialistische jeugdhulp wordt zoveel als mogelijk ambulant gegeven. Dat wil zeggen dat de jeugdhulpverlener met de jeugdige en of zijn ouders op de locatie van de aanbieder, thuis of op school ondersteuning biedt, kortom in het netwerk van de jeugdige. Naast ambulant, kan specialistische jeugdhulp ook geboden
worden als daghulp en kortdurend verblijf (als logeervoorziening) op de locatie van de aanbieder. Doel is dan de ontlasting van de ouders (respijtzorg).
Artikel 3.2 Jeugdbescherming Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 3.3 Jeugdreclassering Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 3.4 Zorg voor ernstige dyslexie Dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige dyslexie (ED) viel tot 1 januari 2015 onder de Zorgverzekeringswet en het regime van de geestelijke gezondheidszorg. Met inwerkingtreding van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk geworden voor deze zorg en valt zij onder de noemer ‘jeugdhulp’. In de Jeugdwet (of het Besluit of Regeling Jeugdwet) is deze vorm van jeugdhulp niet nader afgebakend. Vanaf 1 januari 2015 heeft de gemeente de voor die tijd gegroeide praktijk voortgezet. Deze bestond eruit dat alleen dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige dyslexie wordt vergoed en dat het in de regel jeugdigen in de leeftijd van 7 tot 13 jaar betreft (deze laatste inperking lag vast in de ministeriële regeling behorende bij de Zorgverzekeringswet).
Artikel 3.5 Vervoer Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 3.6 Overige maatwerk voorzieningen jeugdhulp In bijzondere gevallen kan het nodig zijn om een niet door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder in te schakelen om specialistische jeugdhulp te bieden aan een jeugdige en zijn ouders. Feitelijk gaat het dan niet om andersoortige jeugdhulp dan beschreven in artikel 3.1 (specialistische jeugdhulp) en artikel 3.2 (dyslexiezorg). In die gevallen kan de gemeente andere eisen stellen aan de
toegangsprocedure zoals beschreven in paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van deze verordening en de nadere regels die daarop gebaseerd zijn.
Hoofdstuk 4 Toegankelijkheid tot voorzieningen Artikel 4.1 Toegankelijkheid van algemene en maatwerkvoorzieningen In het derde lid van dit artikel is als algemene regel geformuleerd dat de toegankelijkheid tot algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen verloopt via het gesprek dat de professional van het lokaal team met de jeugdige en zijn ouders voert (en het gezinsplan dat daar een weerslag van is). Alle professionals van het lokaal team kunnen een aanvraagformulier uitreiken (vierde lid). Beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening vindt uitsluitend plaats door de bevoegde professionals van het lokaal team. Huisarts, jeugdarts en medisch specialist hebben op grond van de Jeugdwet de eigenstandige bevoegdheid om een indicatie af te geven voor jeugdhulp (zevende lid). Uitgangspunt bij een arts verwijzing naar specialistische jeugdhulp is dat de afstemming met een lokaal team en daarmee de integrale afweging van zorgbehoeften in een gezinsplan niet perse nodig. De verwijzing kan zowel naar laagdrempelig georganiseerde beschikkingsvrije jeugdhulp zijn als gecontracteerde maatwerkvoorzieningen waarvoor anders een indicatiebesluit van het college nodig is.
Bij een voorgenomen verwijzing naar niet gecontracteerde jeugdhulpvoorzieningen is de jeugdhulpaanbieder verplicht contact op te nemen met de bevoegde professional van het lokaal team in het kader van de zorgtoewijzing. In crisissituaties kan soms niet gewacht worden met de inzet van specialistische jeugdhulp tot een gezinsplan is opgesteld (achtste lid). In dit soort gevallen is het de jeugdhulpaanbieder toegestaan de spoedhulp te verlenen voordat een gesprek met het lokale team heeft plaatsgevonden en een gezinsplan is opgesteld. NB Het gaat dan om kortdurende inzet. Wanneer daarna langdurig specialistische jeugdhulp nodig is, dient alsnog een gezinsplan opgesteld te worden.
Artikel 4.2 Beoordelingsregels naar aard en complexiteit van hulpvragen Het college kan nadere regels opstellen met als doel om zo snel mogelijk de professional van het lokaal team in contact te brengen met het gezin, die beschikt
over de kwaliteiten en bevoegdheden nodig voor een adequate oplossing van de hulpvraag.
Artikel 4.3 Het gesprek en het gezinsplan Er wordt in de verordening (en nadere regels) niets vastgelegd over de wijze waarop het gesprek gevoerd wordt tussen lokaal team en jeugdige en/ of zijn ouders (en eventuele andere betrokken). Dit zou de handelingsvrijheid van de jeugdige, zijn ouders én professionals te veel beperken. In de verordening ligt alleen vast wat er in het gesprek aan de orde kan komen (als dit van belang is), niet welke methodiek of instrumentarium gebruikt moet worden of wie er precies bij betrokken moeten zijn, of hoe vaak en hoe lang de gesprekken gevoerd worden. Natuurlijk gelden hierbij wel de eisen die de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet stellen aan de kwaliteit van de toegankelijkheid. Het kan voorkomen dat een ouder of jeugdige al zelf een gezinsplan heeft opgesteld voordat hij/ zij binnenkomt bij het lokaal team. In dat geval wordt dit plan als uitgangspunt genomen voor het gesprek. Het is dus niet zo dat op basis van het gezinsplan alleen besloten wordt tot de inzet van specialistische jeugdhulp. De inhoud van het gezinsplan is in de verordening niet in detail beschreven. Wel dát de uitkomsten van het gesprek altijd in het gezinsplan vastgelegd worden. De instemming met de uitkomsten van het gesprek moet altijd op ondubbelzinnige wijze worden vastgelegd.
Het besluit tot inzet van specialistische jeugdhulp wordt toegevoegd aan het gezinsplan, maar is juridisch gezien een eenzijdige, publiekrechtelijke, beslissing van het college (de facto genomen door de gemandateerde professional van het lokaal team). Het besluit wordt wel genomen op grond van het gezinsplan. Het gezinsplan is van de jeugdige en/ of zijn ouders. Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen (beoogde resultaten) zoals vastgelegd in het gezinsplan. De relevante informatie uit het gezinsplan kan door de jeugdige en/ of zijn ouders zelf of door het lokaal team aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouders/ jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor. Natuurlijk gelden bij het delen van het gezinsplan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in de Jeugdwet zelf (zie § 7.3 rond dossiervorming). Ouders worden niet gedwongen privacygevoelige informatie te delen. Het is aan de ouders
om in samenspraak met het lokaal team (of arts) te bepalen welke informatie in het gezinsplan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige en/ of zijn ouders aan de ene kant en het lokaal team (of arts) aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen moet het recht op privacy en het belang van het kind tegen elkaar afgewogen worden. De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy protocollen van de uitvoerders (professionals lokale team) wordt hieraan aandacht besteed.
Artikel 4.4 Algemene criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning van jeugdhulp In de verordening worden de criteria en afwegingsfactoren bij de beoordeling tot toekenning van algemene en maatwerkvoorzieningen voor jeugdhulp alleen in algemene termen beschreven. In het tweede lid is een ‘kan’ bepaling opgenomen voor de tot beoordeling bevoegde professional. Dat kan ook een externe professional zijn die met een flexibele schil is verbonden aan het lokaal team (met specifieke expertise). Criteria kunnen uitgewerkt worden in nadere regels.
Artikel 4.5 Inhoud en geldigheidsduur van besluit toekenning maatwerk voorziening Algemene regel is dat het college binnen 8 weken na het indienen van een aanvraag een besluit neemt. Binnen deze termijn moet een volledig onderzoek afgerond zijn. In sommige situaties is een volledig onderzoek niet nodig en kan volstaan worden met een kortere termijn voor het nemen van een besluit tot inzet van een passende jeugdhulpvoorziening, bijvoorbeeld bij verwijzing door een arts, gecertificeerde instelling. In spoedeisende situaties kan sprake zijn van een besluit dat wordt genomen nadat de inzet van jeugdhulp al is gestart (binnen 4 weken na de start). In het besluit van het college moet altijd een einddatum zijn opgenomen voor de inzet. Het uitgangspunt is om in samenspraak tussen jeugdige en zijn ouders, de professional van het lokaal team en – bij specialistische jeugdhulp – de te betrekken jeugdhulpaanbieder te komen tot een besluit. Bij de totstandkoming van dit besluit zijn vaak ook het eigen netwerk van de jeugdige en zijn ouders betrokken, omdat ook zij een rol spelen. Op het moment dat de jeugdige en zijn ouders en het lokale team er niet uitkomen, kan er door de jeugdige en/ of zijn ouders een gezinsplan
worden ingediend dat dient als aanvraag. Op basis hiervan wordt dan door het lokaal team een besluit genomen en op schrift gesteld, met daarop vervolgens de mogelijkheid om gebruik te maken van de juridische instrumenten van bezwaar en beroep.
Artikel 4.6 Toegankelijkheid zorg bij ernstige dyslexie Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende (gecontracteerde) dyslexiebehandelaar. Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Hiervoor is dan geen tweede besluit nodig. Bij ernstige dyslexiezorg gaat het om hardnekkige problemen bij het leren lezen en/ of schrijven (spellen), die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kunnen worden. ‘Enkelvoudig’ slaat op het feit dat er geen sprake moet zijn van een algemene ontwikkelingsachterstand (verstandelijke beperking) of ernstige gedragsproblematiek, die de behandeling van de ernstige dyslexie onmogelijk maken. Het onderzoek en de behandeling moet plaatsvinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg. Hierover worden afspraken gemaakt in de contracten met de aanbieders. Het college kan nadere regels stellen voor de controle van het leesdossier.
Artikel 4.7 Toegankelijkheid overige maatwerkvoorzieningen jeugdhulp In dit artikel wordt de toegankelijkheid beschreven tot het aanbod van niet door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en de landelijke raamcontracten. Bij niet gecontracteerd aanbod neemt het college een besluit tot inzet van jeugdhulp door een niet gecontracteerde aanbieder op basis van een aanvraag van het lokale team of een andere bevoegde professional (bijvoorbeeld arts of gecertificeerde instelling). De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier en procedure opgesteld, die niet vastliggen in de verordening zelf. Bij het landelijke aanbod liggen afspraken over de toegankelijkheid vast in de landelijke raamcontracten. Deze afspraken komen erop neer dat de betreffende jeugdhulpaanbieder de cliënt accepteert op basis van een verwijzing (van arts of
andere bevoegde professional) en de aanbieder de gemeente na het opstellen van een hulpverleningsplan op de hoogte stelt van de start zorg. Deze jeugdhulpaanbieders hoeven dus niet te wachten met het starten van de zorg totdat het college een besluit heeft genomen. De route naar overige individuele voorzieningen verloopt over het algemeen hetzelfde als die voor specialistische jeugdhulp. Dit houdt onder meer in dat het in het geval van betrokkenheid van het lokale team er een gezinsplan wordt opgesteld.
Hoofdstuk 5 Aanvullende regels persoonsgebonden budget Artikel 5.1 Het PGB-plan Een PGB-financieringsaanvraag geschiedt door indiening van een PGB-plan. Het PGB-plan vormt een aanvulling op het gezinsplan, maar vervangt deze niet. Hulpvraag en doelen (beoogde resultaten) liggen vast in het gezinsplan. Alleen de details met betrekking tot de uitvoerder van de PGB-zorg liggen vast in het PGBplan. PGB-financieringsaanvragen op hulpvragen waarvoor een passende ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening beschikbaar is, worden uitgesloten van verstrekking van een persoonsgebonden budget.
Artikel 5.2 Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het PGB-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere PGB-tarief en voor informele hulp geldt een lager tarief (op basis van het wettelijk minimumloon). Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP’er). Van formele hulp is sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van de budgethouder wordt deze echter voor de berekening van het PGB-budget niet beschouwd als formele hulp. Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria
genoemd in het tweede lid van deze bepaling. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende PGB-tarief. Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociaal netwerk. Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, afstamming van dezelfde voorvader, erkenning, gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of adoptie. Bloedverwanten in de eerste graad zijn:
(adoptie)ouders;
(adoptie)kinderen.
Bloedverwanten in de tweede graad zijn:
grootouders;
kleinkinderen;
broers en zussen.
Artikel 5.3 Vaststellen hoogte van persoonsgebonden budget Met jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten zijn afspraken gemaakt over de tarieven voor de te leveren zorg. Voor jeugdhulpverleners die in het kader van een persoonsgebonden budget door ouders zelf betaald worden gelden deze afspraken niet. De jeugdige en zijn ouders wordt gevraagd in goed overleg met het lokaal team een inschatting te maken van de benodigde inzet, uitgedrukt in aantal uren, dagdelen of etmalen (afhankelijk van de aard van de zorg). Het lokaal team maakt vervolgens een inschatting of het door de PGB-zorgverlener gevraagde aantal uren, dagdelen of etmalen en tarief reëel is en neemt hierover een besluit. Voor het berekenen van de hoogte van het budget wordt uitgegaan van maximaal het tarief van vergelijkbare gecontracteerde zorg. In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2017 heeft de rechter in een zaak van de gemeente Emmen bepaald dat de essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening moeten worden vastgelegd. Hieronder valt ook de tariefdifferentiatie van het PGB. De rekentarieven worden op basis van de regels in deze verordening vastgesteld in een nadere regeling zodat deze kunnen
worden aangepast zodra veranderingen optreden in tariefafspraken met gecontracteerde jeugdhulpverleners en wijziging van het wettelijk minimumloon. De in een nadere regeling vast te leggen tarieven zijn rekentarieven die gebruikt worden om de hoogte van het PGB te berekenen. Het staat budgethouders vrij om een zorgverlener te contracteren die een hoger of lager tarief hanteert. Bij een hoger tarief dan het rekentarief moet de budgethouder zelf de extra kosten voor zijn/ haar rekening nemen (of genoegen te nemen met minder uren, dagdelen of etmalen inzet). Wanneer het tarief lager is dan het rekentarief heeft de budgethouder de vrijheid om meer uren zorg in te zetten.
Artikel 5.4 Verstrekken persoonsgebonden budget formele en informele hulp De formele zorgverlener moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Deze kwaliteitseisen gelden ook voor de formele zorgverleners die door middel van een PGB worden ingezet. In het jeugddomein komt het veelvuldig voor dat een persoonsgebonden budget gebruikt wordt om informele zorg, bijvoorbeeld geleverd door de ouder zelf, te bekostigen. Gemeenten mogen op grond van de Jeugdwet (artikel 8.1.1, derde lid) hieraan beperkingen stellen. De informele zorgverlener moet ook aan een aantal minimale kwaliteitscriteria voldoen die horen bij de aard van de geboden ondersteuning. Dit betekent dat niet alle kwaliteitseisen die in de Jeugdwet gesteld worden aan jeugdhulpaanbieders onverkort voor de informele zorgverlener gelden, maar er wel basisvereisten zijn. Zo wordt geen registratie in een beroepsregister (SKJ of BIG) verwacht, maar kan de informele zorgverlener wel gevraagd worden aan te tonen over de juiste kennis en expertise te beschikken en/ of ondersteuning door een professionele zorgverlener richting de informele zorgverlener goed geregeld te hebben. Verder is in dit artikel opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG).
Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het lokaal team. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden. Ook is in dit artikel de verplichting opgenomen dat de informele hulpverlener calamiteiten direct meldt aan het lokaal team. Meer informatie hierover is te vinden in de meldplicht calamiteiten, de richtlijn van de Inspectie voor de Gezondheidzorg en Jeugd.
Tot slot is in het tweede lid van dit artikel een bepaling opgenomen ter voorkoming van overbelasting van de informele hulp. De overbelasting wordt getoetst aan de Arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal gemiddeld 48 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het PGB kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen. In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat als uit de toepassing van het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling blijkt dat hulp geboden moet worden door een geregistreerde professional, dit de inzet van iemand uit het sociaal netwerk uitsluit. In het vierde lid van dit artikel is opgenomen dat er geen mogelijkheid is tot het opnemen van een verantwoordingsvrij bedrag. Artikel 8.1.1, tweede lid, aanhef en onder a. van de Jeugdwet stelt – voor zover van belang – als voorwaarde voor het verstrekken van een PGB dat de cliënt naar het oordeel van het college met hulp van zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een PGB verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het betreft onder andere taken als het aangaan van een overeenkomst, het aansturen van de hulpverleners en het bijhouden van een administratie.
Als een hulpverlener het PGB beheert waaruit hij tevens bekostigd wordt, kan dit leiden tot belangenverstrengeling. Dit is ongewenst, omdat het belang van de hulpverlener niet boven dat van de cliënt mag gaan. Opgemerkt wordt dat het in gevallen denkbaar is dat de dubbelrol onvermijdelijk is. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen van bijvoorbeeld een eenoudergezin waarin er niemand anders is die het PGB kan beheren. In deze uitzonderlijke gevallen kan het college (het lokaal team) op grond van het vijfde lid van dit artikel toestemming voor de dubbelrol geven.
Hoofdstuk 6 Feiten en omstandigheden Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Op grond van artikel 2.9, onderdeel d. van de Jeugdwet is de gemeenteraad verplicht bij verordening regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget. De tekst van hoofdstuk 6 is grotendeels ontleend aan de bepalingen rond bestrijding van misbruik die de wet stelt in het kader van het verstrekken van persoonsgebonden
budgetten (artikel 8.1.2 tot en met 8.1.4). We herhalen in de verordening de wet om de leesbaarheid te vergroten. Bovendien wordt de toepassing van deze regels verbreed naar voorzieningen in natura. Ten slotte, het intrekken of herzien van een besluit kan natuurlijk ook relevant zijn als in gevallen waar geen sprake is van misbruik, maar gewoon van een gewijzigde (inschatting van de) situatie.
Artikel 6.2 Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 6.3 Opschorting betaling uit het PGB Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Hoofdstuk 7 Afstemming andere voorzieningen Artikel 7.1 Overgang naar volwassenheid Jeugdhulp stopt in principe bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Maar in bepaalde gevallen kan de jeugdhulp ook nog doorlopen na de leeftijd van 18 jaar. Op deze plaats is het nog wel van belang te melden dat kinderbeschermingsmaatregelen stoppen met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Dit komt omdat deze maatregelen in het Burgerlijk Wetboek zijn gekoppeld aan het begrip ‘minderjarige’. En een minderjarige is iemand die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. De uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering door een gecertificeerde instelling valt overigens niet onder de definitie van jeugdhulp. Voor jeugdreclassering geldt geen leeftijdsgrens. De leeftijdsgrens ligt dus in beginsel bij 18 jaar. Maar deze leeftijdsgrens geldt niet voor jeugdhulp in het kader van het jeugdstrafrecht. In dat geval is er zelfs geen leeftijdsgrens bepaald en kunnen zelfs jongvolwassenen van 24 jaar of ouder nog tot de doelgroep behoren. In dat geval kan elke vorm van jeugdhulp dan nog doorlopen. Het jeugdstrafrecht rekt in feite ook de definitie van jeugdhulp op. Er kan immers ook sprake zijn van begeleiding die pas aanvangt na het 18e levensjaar, waarbij dat dan aangemerkt wordt als jeugdhulp en niet als een voorziening op grond van de Wmo 2015.
In de definitie van jeugdige is nog een andere verruiming van de doelgroep geregeld. In dat geval en onder die voorwaarden geldt een leeftijdsgrens van 23 jaar. Om welke jeugdhulp gaat het dan en om welke voorwaarden? Het gaat in dit geval alleen om de jeugdhulp die is gedefinieerd in artikel 1.1, onderdeel p., onder 1o: “ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen”. Het gaat dan in ieder geval om hulp die voorheen op grond van de Wet op de jeugdzorg werd geboden (zoals pedagogische begeleiding of vaardigheidstraining). Er is namelijk geen ander wettelijk kader dat in deze hulp voorziet na het 18e jaar. In het kort geldt eigenlijk dat het alle jeugdhulp betreft waar geen ander wettelijk systeem in voorziet na het 18e naar. Het gaat dus niet meer om jeugdhulp in de definitie van artikel 1.1, onderdeel p., onder 2o en 3o, dus het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren, maar ook ondersteuning bij het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid is vanaf het 18 jaar geen jeugdhulp meer.
Behalve als er dus sprake is van toepassing van het jeugdstrafrecht zoals hiervoor is beschreven. Hoewel de redactie van de definitie van jeugdige in de Jeugdwet daarover niet heel duidelijk is, blijkt uit de Memorie van Toelichting dat deze beperking geldt voor alle voorwaarden waaronder de verlengde jeugdhulp kan worden verleend. Dus voor alle drie de voorwaarden geldt dat het alleen nog kan gaan om de hierboven beschreven jeugdhulp onder 1o. De drie voorwaarden voor verlengde jeugdhulp zijn opgenomen in de definitie van jeugdige onder 3o Het gaat hier om het volgende: 1. er is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is; 2. er is vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of
3. er is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is. Belangrijk is dat het hiervoor vermelde stappenplan van de Centrale Raad van Beroep ook bij het bepalen van de noodzaak voor verlengde jeugdhulp blijft gelden. Dit betekent ook dat wettelijk voorliggende voorzieningen als de Wmo 2015 bij de beoordeling eerst aan bod komen. Hierdoor zal uiteindelijk ook alleen nog sprake kunnen zijn van hulp die niet onder een ander wet valt. Er moet wel daadwerkelijk een aanspraak of een recht op zorg zijn. De overgang van 18-min naar 18-plus verloopt momenteel nog niet altijd even soepel voor jeugdigen. Ze kunnen vanaf hun 18e jaar te maken krijgen met verschillende wettelijke kaders, die niet altijd goed op elkaar aansluiten. Hierdoor kunnen hun problemen verergeren, terwijl eerder anticiperen en samenwerken dit had kunnen voorkomen. Met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar valt de jeugdige niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo of Zvw. Het is dus van belang om jeugdigen in de overgang van minderjarigheid naar het bereiken van de meerderjarige leeftijd zo goed mogelijk te begeleiden, als zij ook na het 18e levensjaar nog ondersteuning nodig hebben.
Om de geboden jeugdhulp niet te abrupt te beëindigen, kan er in overleg met de gemeente voor worden gekozen om de hulp bij een jeugdhulpaanbieder door te laten lopen, maar deze te financieren vanuit de Wmo. Het is aan de gemeenten om dit te bepalen en goed te regelen.
Pleegzorg Bijzondere aandacht verdient nog de pleegzorg. Pleegzorg valt niet onder een andere wettelijke regeling. Ook pleegzorg kan ook na 18 jaar nog nodig zijn. Het is immers niet altijd zo dat een pleegkind bij 18 jaar al aan toe is om het pleeggezin te verlaten en op eigen benen te staan. Het is daarom mogelijk pleegzorg te verlengen tot de jeugdige 23 jaar is. Tot 1 juli 2018 liep dit via de verlengde jeugdhulp. Sinds 1 juli 2018 geldt er een bestuurlijke afspraak tussen VNG, Jeugdzorg Nederland en het Ministerie van VWS die regelt dat pleegzorg voortaan standaard tot 21 jaar ingezet zal worden, tenzij het pleegkind heeft aangegeven geen gebruik meer te willen maken van pleegzorg. Het blijft ook mogelijk dat de pleegzorg nog na de 21e verjaardag nodig is. Het college kan de pleegzorg dan ‘verlengen’ uiterlijk tot de jeugdige 23 jaar is. Dit loopt dan via de criteria van de verlengde jeugdhulp. Er moet in elk geval sprake zijn van lopende pleegzorg en een noodzaak tot voortzetting daarvan.
Samenloop pleegzorg en begeleiding Valt begeleiding voor een jeugdige van 19 jaar onder de Jeugdwet als de jeugdige voor pleegzorg verlengde jeugdhulp ontvangt? Nee, begeleiding valt vanaf 18e jaar altijd onder de Wmo (artikel 1.2.1, onder a. Wmo 2015), tenzij er sprake is van het jeugdstrafrecht. Het is dus niet mogelijk dat een jeugdige van 19 jaar begeleiding krijgt vanuit de Jeugdwet. Ook niet als de jeugdige voor een andere hulpvraag wel nog jeugdhulp vanuit de Jeugdwet ontvangt. Pleegzorg wordt alleen vanuit de Jeugdwet geboden. Er is geen andere wet die deze specifieke vorm van jeugdhulp na het bereiken van de 18-jarige leeftijd biedt. Daarom kan pleegzorg wel (in de vorm van verlengde jeugdhulp) doorlopen op grond van de Jeugdwet nadat de jeugdige 18 jaar is geworden.
Verblijf in gezinshuis Per 30 januari 2020 is een bestuurlijke afspraak tussen het ministerie van VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland, VGN, Gezinshuis.com en Driestroom van kracht die regelt dat het verblijf in een gezinshuis voortaan standaard tot 21 jaar ingezet zal worden. Deze afspraak geldt met ingang van 1 februari 2020. De voorwaarden voor deze verlenging zijn de volgende. Als voorwaarde wordt gesteld dat in overleg tussen gemeente, jongere, gezinshuisouder(s) en, indien betrokken, de behandelverantwoordelijke, een perspectief voor de toekomst is vastgesteld. Het verblijf in het gezinshuis wordt verlengd tot de leeftijdsgrens van 21 jaar, tenzij:
de jongere dat zelf niet wil;
en/ of de gezinshuisouder(s) niet instemmen;
en/ of voor alle partijen (inclusief de jongere) duidelijk is dat de jongere andere passende hulp nodig heeft, en die hulp ook beschikbaar is;
en/ of de jongere voldoet aan de criteria van de Wlz.
Jeugdhulp voor ouders? Verlengde jeugdhulp is in de Jeugdwet geregeld in de definitie van jeugdige, in de zin van jeugdhulp aan een jeugdige van 18 jaar of ouder. Strikt genomen valt jeugdhulp aan ouders van jeugdigen van 18 jaar en ouder dus niet onder de
verlengde jeugdhulp. Ouders vallen wel onder de doelgroep van de Jeugdwet. Dat blijkt uit de definitie van jeugdhulp: ‘(…) aan jeugdigen en hun ouders’. Maar in de definitie van jeugdhulp staat de hulp aan ouders bij opvoedingsproblemen genoemd onder onderdeel 1o. Ondersteuning van de ouders bij de opvoeding van hun kind, wordt niet gezien als begeleiding (in de zin van artikel 1.1 Jeugdwet, onderdeel 3o van het begrip). Deze ondersteuning valt wel onder de Jeugdwet. Dit wordt ook wel opvoedondersteuning of opvoedhulp genoemd. Het is een vorm van hulp om ouders te ondersteunen bij opvoedingsproblemen (artikel 1.1 Jw, onderdeel 1o van begrip jeugdhulp). Nu de wet voor het eerste deel van de definitie geen leeftijdsgrens heeft bepaald, kan worden aangenomen dat die vormen van jeugdhulp aan ouders onder omstandigheden ook nog na 18 jaar kunnen doorlopen. Daar komt bij dat de definitie van ‘ouder’ in de Jeugdwet geen leeftijdsgrens kent. Maar de definitie heeft het wel over de gezaghebbende ouder. En het gezag van de ouder stopt met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Maar hoe strikt moeten we hiermee omgaan? Ook ondersteuning aan ouders van jongeren van 18-23 jaar kan vallen onder de Jeugdwet, als er sprake is van multi-problematiek (artikel 2.1, onder f. Jeugdwet).
De jeugdhulp voor de volwassenen richt zich dan specifiek op het verbeteren van de opvoed- en opgroeisituatie. Als het gaat om hulp aan de ouder speelt de verlengde jeugdhulp (in de zin van jeugdhulp aan een jeugdige van 18 jaar of ouder), eigenlijk niet. Een ouder heeft vanaf het moment dat de jeugdige 18 jaar wordt, geen gezag meer. Kan hij, ondanks het ontbreken van die gezag relatie, dan nog wel opvoedingsondersteuning krijgen? Ja, dat zou nog wel kunnen. Als de ouder nog steeds de verzorger/ opvoeder is, voldoet hij aan het begrip ‘ouder’ in de zin van de Jeugdwet. En opvoeden houdt niet op bij het 18e jaar. Het zou kortzichtig zijn hier geen hulp aan de ouder te geven als dat op latere termijn mogelijk problemen gaat opleveren; juist bij die overgang naar volwassenheid. Maar hier kun je anders (strikter) over denken. Het gaat hier niet om de zogenoemde respijtzorg. Dit is geregeld in artikel 2.3, derde lid van de Jeugdwet. Deze respijtzorg stopt bij 18 jaar. Als er sprake is van een jeugdige met een Wlz-indicatie dan komt de respijtzorg (logeeropvang om de mantelzorg te ontlasten) ten laste van de Wlz. De mantelzorger kan in dat geval dus geen beroep doen op respijtzorg vanuit de Jeugdwet of de Wmo 2015.
Jeugdstrafrecht en jeugdreclassering “De grens van 18 jaar geldt niet als de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing. In dat geval kan de hulp doorlopen na het 18e jaar. Maar de jeugdhulp kan dan zelfs starten als iemand al ouder is dan 18 jaar. Dat geldt voor alle vormen van jeugdhulp (zie artikel 1.1 Jeugdwet, evenals artikel 1.2, derde lid in samenhang met artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b. Jeugdwet). Dit betekent overigens niet dat er naast jeugdhulp ook nog hulp op basis van een andere wet mogelijk is. Niet alle hulp aan iemand die valt onder het adolescentenstrafrecht valt automatisch onder de Jeugdwet. Dit hangt af van welke hulp er bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing nodig is. Voor deze hulp geldt dat het moment waarop de hulp start en eindigt voortvloeit uit het Wetboek van Strafrecht (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 122). Het gaat dan om de jeugdige die 18 jaar oud is en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat hierbij in het kort om het jeugdstrafrecht. Dat wordt toegepast voor jeugdigen die op het moment van het begaan van het delict jonger zijn dan 23 jaar. Op het moment van berechting of gedurende de tenuitvoerlegging van de straf, kunnen ze echter ouder zijn dan 23 jaar.
De jeugdhulp loopt in dat geval dus ook door na het 23e jaar. Dus wanneer de Gecertificeerde Instelling (GI) bij de uitvoering van een jeugdreclasseringsmaatregel bepaalt dat hulp nodig is, dan zal dit altijd op grond van de Jeugdwet gefinancierd moeten worden. Alle hulp die in het kader van jeugdreclassering nodig wordt geacht moet daarom op grond van de Jeugdwet worden ingezet. Dit geldt zowel voor de Wmo als voor Ggz bij 18+. Dit geldt ook bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing voor de jeugdhulp die daarbij nodig is naar het oordeel van de rechter, het OM, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 lid 2 aanhef en onder b. Jeugdwet: “alsmede de jeugdhulp inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.”
Jeugdbescherming Jeugdbescherming stopt altijd met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Dat komt omdat dergelijke maatregelen (zoals OTS) gekoppeld zijn aan het gezag over minderjarigen. En de minderjarigheid loopt op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot de leeftijd van 18 jaar. Dit betekent dat een GI bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel niet meer bevoegd is jeugdhulp te bepalen voor de periode nadat de jeugdige 18 jaar is geworden. Een GI kan dus in zo’n geval geen verlengde jeugdhulp bepalen. De door hen uitgevoerde voogdij is dan immers al gestopt.
Artikel 7.2 Afstemming gezondheidszorg De Zorgverzekeringswet is dus een (wettelijk) voorliggende voorziening ten opzichte van de Jeugdwet. Het gaat hier alleen om de basisverzekering en niet om een eventueel aanvullende verzekering. Die kan onder de ‘eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen’ vallen. Als een jeugdige of ouders zich melden met een hulpvraag, moet de het lokaal team die altijd onderzoeken. Ook als bij de melding al verzocht wordt om bepaalde jeugdhulp waarvoor de jeugdige of ouders aanvullend verzekerd zijn. Na onderzoek kan immers blijken dat andere, of aanvullende hulp nodig is. Een aanvullende verzekering vergoedt niet altijd de volledige kosten. Als vaststaat dat de hulp noodzakelijk is en meer behandelingen nodig zijn of slechts een gedeelte wordt vergoed, moet het college hiervoor in het kader van de Jeugdwet aanvullend een voorziening treffen. De jeugdige of zijn ouders kunnen niet verplicht worden om een aanvullende verzekering af te sluiten. Het is namelijk een privaatrechtelijke verbintenis. Een ieder is vrij om zo'n overeenkomst te sluiten. Beschikken de ouders/ jeugdige niet over een aanvullende verzekering, dan is het college dus aan zet om de noodzakelijke hulp in te zetten.
Verschil met basisverzekering Zorgverzekeringswet Een aanvullende verzekering is iets anders dan de basisverzekering. Het college hoeft namelijk geen voorziening voor jeugdhulp te verstrekken als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (artikel 1.2, eerste lid,
onderdeel a. Jeugdwet). Hiermee wordt de basisverzekering bedoeld. Wie in Nederland woont of werkt, moet een basisverzekering afsluiten. Dat is een wettelijke plicht. Dit betekent dan ook dat iedereen aanspraak kan maken op de zorg die onder de basisverzekering valt. Als de benodigde hulp verzekerd is via de basisverzekering mag het college de aanvraag afwijzen op grond van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a. Jeugdwet.
Verpleging en verzorging (Zvw of Jeugdwet) Verpleging en verzorging aan verzekerden valt onder de Zvw. Meer specifiek gaat het om de 'zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden' (artikel 2.10 Besluit zorgverzekering). Onder deze zorg valt bijvoorbeeld wijkverpleging, maar ook palliatief terminale zorg (PTZ). De 'zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden' omvat de verpleging én de verzorgende handelingen als onderdeel van die verpleging.
Verpleging Verpleging valt volledig onder de Zvw. Ook als het gaat om verzekerden tot 18 jaar.
Verzorging en geneeskundige zorg Met ingang van 1 januari 2018 valt de zorg, zoals verpleegkundigen die plegen en die verband houdt met de behoefte aan de geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop, en de verzorging van deze jeugdigen tot 18 jaar, onder de aanspraak van de Zorgverzekeringswet (Zvw) in plaats van de Jeugdwet. Verzorging aan verzekerden tot 18 jaar valt deels onder de Zvw en deels onder de Jeugdwet. De Jeugdwet spreekt dan van persoonlijke verzorging. Onder de Zvw valt de persoonlijke verzorging die nodig is in verband met een 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Bedoeld wordt de verpleging en verzorging die verpleegkundigen bieden. Dit wordt ook wel wijkverpleging genoemd. Voor jeugdigen tot 18 jaar beoordeelt een kinderverpleegkundige of er sprake is van 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Als dat zo is, geeft de kinderverpleegkundige een indicatie af voor persoonlijke verzorging op grond van de Zvw. Voorbeelden van deze zorg zijn:
schoonhouden en verzorgen van stoma, toedienen medicijnen, toedienen van sondevoeding. Onder de Jeugdwet valt de persoonlijke verzorging bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Bedoeld wordt de zorg die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Voor jeugdigen tot 18 jaar beoordeelt een medewerker van het jeugdteam of de persoonlijke verzorging onder de Jeugdwet valt. Bijvoorbeeld zorg bij: wassen, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, reguliere huidverzorging, mond- en gebitsverzorging en hand- en voetverzorging. De afbakening Zvw-Jeugdwet voor persoonlijke verzorging voor jeugdigen tot 18 jaar is dezelfde als die voor persoonlijke verzorging voor volwassenen (Zvw-Wmo 2015). Zorginstituut NL duidt de term ‘zorg’ zoals verpleegkundigen dat plegen te bieden als volgt: ‘Op basis van een lijst met handelingen of activiteiten kan het onderscheid tussen Zvw en Jeugdwet niet gemaakt worden. Het onderscheid moet gezien worden meer in de context waarin de ‘verzorging’ plaatsvindt. Bij de ‘verzorging’ die de verpleegkundige tot zijn verantwoording rekent, is er sprake van onderliggend medisch lijden. De ‘verzorging’ vindt plaats in een geneeskundige context. De weging van de context vindt plaats bij de indicatiestelling door de (kinder)verpleegkundige.’ Uitgangspunt is het bepalen van de aanspraak ‘Verzorging’:
vindt de geboden verzorging plaats binnen een geneeskundige context dan valt dit onder de Zvw;
is de verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) dan valt het onder de Jeugdwet.
De aanspraak verzorging kan bepaald worden bij de indicatiestelling door de kinderverpleegkundige.
Artikel 7.3 Afstemming langdurige zorg De Wet langdurige zorg (Wlz) heeft in beginsel voorrang boven de Jeugdwet. Dus als een jeugdige aanspraak kan maken op de Wlz, dan wordt van hem verwacht dat hij een Wlz-aanvraag doet. Voor zover de hulp uit de Wlz wordt bekostigd, hoeft het college geen jeugdhulp in te zetten. Sommige vormen van hulp biedt de Wlz echter niet en vallen dus altijd onder het bereik van de Jeugdwet (bijv. jeugd-ggz of pleegzorg). Een Wlz-indicatie en jeugdhulp kunnen dus naast elkaar bestaan.
Wanneer kan een jeugdige een Wlz-indicatie krijgen? Jeugdigen kunnen een Wlz-indicatie krijgen als ze een blijvende behoefte hebben aan 'permanent toezicht' of '24 uur per dag zorg in de nabijheid' vanwege één of meer van de volgende beperkingen (artikel 3.2.1 Wlz):
een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking;
een verstandelijke beperking;
een lichamelijke beperking;
een zintuiglijke beperking;
meervoudige beperkingen.
Het CIZ beoordeelt of een jeugdige aan deze criteria voldoet en dus een Wlzindicatie kan krijgen. Bij jeugdigen is het vanwege de leeftijd soms lastig te beoordelen in hoeverre sprake zal zijn van een 'blijvende' behoefte aan 24-uurs zorg. Om die reden kan het CIZ besluiten een Wlz-indicatie te weigeren. Ook is het bij meervoudige problematiek soms lastig te beoordelen of de 24-uurs zorg vooral voortvloeit uit verstandelijke/ lichamelijke beperkingen of mogelijk uit psychische beperkingen. Psychische zorg valt namelijk niet onder de Wlz.
Zorg die onder de Wlz valt De Wlz biedt een uitgebreid pakket aan zorg, waaronder verblijf en alle met dat verblijf gepaard gaande behandeling. Ook begeleiding, persoonlijke verzorging en verpleging valt bij een Wlz-indicatie onder de Wlz. Logeeropvang valt voor jeugdigen met een Wlz-indicatie onder de Wlz. Verder kunnen jeugdigen van 18 jaar en ouder met een licht verstandelijke beperking in een specifiek geregelde situatie tijdelijk aanspraak hebben op Wlz-zorg. Zorg vanwege psychische beperkingen Psychische zorg (ggz) valt niet onder de Wlz. Voor jeugdigen (tot 18 jaar) valt dit altijd onder de Jeugdwet. Als een jeugdige met een Wlz-indicatie psychische zorg nodig heeft, moet het college hiervoor dus jeugdhulp inzetten. De Wlz kent een hele specifieke uitzondering hierop, namelijk als de behandeling van de psychische stoornis integraal onderdeel uitmaakt van de behandeling die vanuit de Wlz geboden wordt (vanwege bijvoorbeeld de verstandelijke of somatische beperking). In dat geval valt de behandeling van de psychische stoornis toch onder de Wlz. Voorbeelden hiervan zijn gedragsstoornissen bij verstandelijk gehandicapten met een autisme spectrum stoornis, een depressie samenhangend
met dementie en een posttraumatische stressstoornis bij een verstandelijk gehandicapte waarvoor integrale behandeling nodig is; Als de behandeling van de psychische stoornis los van de Wlz-behandeling kan worden geleverd en integrale behandeling dus niet nodig is, dan wordt de zorg voor de psychische stoornis voor jeugdigen onder de 18 jaar dus geleverd en betaald uit de Jeugdwet.
Voorrang Wlz “Voor zover de jeugdige de benodigde zorg vanuit de Wlz kan krijgen, hoeft het college hiervoor geen jeugdhulp in te zetten. De Wlz heeft dus voorrang boven de Jeugdwet (zie artikel 1.2, eerste lid Jeugdwet). Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een indicatie voor Wlz-zorg zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (artikel 1.2, eerste lid, onder c. Jeugdwet). Ook in dat geval mag het college een voorziening op grond van de Jeugdwet weigeren. Als het college jeugdhulp wil beëindigen omdat het op grond van de Wlz geboden kan worden, ligt de bewijslast bij het college. Het college moet dus beoordelen of een jeugdige de zorg inderdaad op grond van de Wlz kan ontvangen. Als dat niet het geval is, moet de jeugdhulp op grond van de Jeugdwet worden voortgezet.
Jeugdhulp naast Wlz-indicatie Een jeugdige kan een Wlz-indicatie hebben, maar daarnaast ook nog jeugdhulp op grond van de Jeugdwet ontvangen. Sommige zorg, zoals bijvoorbeeld psychische zorg of pleegzorg, biedt de Wlz namelijk niet. Als de jeugdige vervoer naar de jeugdhulp-locatie nodig heeft, valt dat in dat geval ook onder de Jeugdwet. De Wlz vergoedt namelijk enkel vervoer van en naar de locatie waar Wlz-begeleiding of behandeling wordt ontvangen. Bij de zorgvraag van kinderen met een beperking kan aanspraak bestaan op zorg uit de Jeugdwet en de Zvw of op basis van de Wlz. Bij kinderen met meervoudige complexe of ernstige meervoudige beperkingen (MCG/EMB) valt de behoefte aan 24 uur zorg in de nabijheid veelal niet meer onder de gebruikelijke zorg zoals in de Wlz bedoeld. Jonge kinderen onder de 8 jaar worden veelal vergoed uit de Jeugdwet aangezien deze kinderen veelal nog in ontwikkeling zijn. Daar waar de 24 uurs behoefte aan zorg en nabijheid levenslang en levensbreed wordt, wordt voor kinderen uit de Jeugdwet een aanvraag ingediend