CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2022

Raadsvergadering 14 november 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 202223.347 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening van de raad van de gemeente Zutphen houdende bepalingen over hulp aan jeugdigen (Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2022) Ons kenmerk: 352382

De raad van de gemeente Zutphen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 oktober 2022 met nummer 352382; overwegende, dat:  de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;  het uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;  het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: o de door het college te verlenen maatwerk voorzieningen en overige voorzieningen. o de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een maatwerk voorziening; o de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een maatwerk voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; o de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; o de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerk voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; o de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;  het verder ook wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp

kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; gelet op artikel(en) 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1. derde lid van de Jeugdwet; besluit: vast te stellen de: Verordening van de raad van de gemeente Zutphen houdende bepalingen over hulp aan jeugdigen (Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2022)

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Dit hoofdstuk vormt de inleiding tot de Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2022. Deze verordening bevat de regels van de gemeente ter uitvoering van de Jeugdwet en door de gemeenteraad vastgesteld gemeentelijk beleid voor Jeugdzorg.

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Deze verordening verstaat onder: a. aanvraag: een schriftelijk of digitaal ondertekend verzoek van de hulpvrager of gemachtigde van de hulpvrager om een maatwerkvoorziening op grond van deze verordening; b. algemene voorziening: voorziening op grond van de Jeugdwet die rechtstreeks toegankelijk is zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling; hieronder vallen in opdracht van de gemeente georganiseerde preventieve activiteiten, onderzoeksactiviteiten door professionals van het lokaal team alsook vormen van directe hulpverlening welke door de gemeente beschikbaar zijn gemaakt, zonder dat daarvoor een aanvraag zoals bedoeld onder a. nodig is; c. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, die niet onder de Jeugdwet valt; d. budgethouder: de jeugdige of zijn ouders aan wie een maatwerk voorziening is toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget; e. college: het college van burgemeester en wethouders; f. formele hulp: er is sprake van formele hulp als voldaan wordt aan een limitatief aantal criteria, zoals beschreven in artikel 4.2 van deze verordening; g.

gebruikelijke hulp: hulp die mensen elkaar normaal gesproken geven als zij een gezin vormen of samenleven; h. gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 van de Jeugdwet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert; i.

gemeente: de gemeente Zutphen en door de gemeente Zutphen gemandateerde of gevolmachtigde vertegenwoordigers;

j.

gesprek: gesprek tussen hulpvrager en de gemeente waarin de jeugdige en/ of zijn ouders zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt;

k. gezinsplan: het familiegroepsplan waarin de ondersteuningsbehoeften van de jeugdige en/ of zijn ouders zijn vastgelegd samen met de doelen en hoe deze te bereiken en waarin op verschillende levensgebieden de gezinssituatie in kaart

gebracht wordt om een effectieve ondersteuning van de jeugdige mogelijk te maken; l.

hulpverleningsplan: plan betreffende de verlening van jeugdhulp als bedoeld in artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6 van de wet;

m. hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning van een jeugdige of zijn ouders in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de wet; n. indicatiebesluit: een besluit van het gemeentebestuur op de schriftelijke of digitale aanvraag van een hulpvrager voor een maatwerkvoorziening na afronding van het daarvoor benodigde onderzoek; o. informele hulp: er is sprake van informele hulp, als de hulpverlener niet voldoet aan de criteria voor formele hulp zoals omschreven in artikel 5.2 van deze verordening; p. jeugdhulp: i.

ondersteuning, hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen;

ii. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en iii. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht; q. jeugdige: persoon die: i.

de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,

ii. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

iii. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze wet: 1. is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is, hetgeen in ieder geval geldt voor kinderen in pleeggezinnen en gezinshuizen tot hun 21e jaar; 2. vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of 3. is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is; r. lokaal team: team van professionals, zoals bedoeld in artikel 2.2, dat door het college is aangewezen om de behoefte aan en noodzaak voor jeugdhulp op te sporen, te beoordelen, direct beschikbare jeugdhulp te verlenen dan wel een indicatie voor een maatwerkvoorziening in natura of in PGB af te geven; s. maatwerkvoorziening: de op de jeugdige en/ of zijn ouders toegesneden individuele voorziening die door het college in natura of bij PGB wordt verstrekt op basis van een aanvraag en een daarop gebaseerd indicatiebesluit; t.

melding: registratie door de professional van het lokaal team van een jeugdhulpvraag van een jeugdige en/ of zijn ouders waarvoor toeleiding naar preventieve activiteiten en een algemeen advies onvoldoende is en nadere onderzoeksactiviteiten nodig zijn voor het bepalen en inzetten van passende hulp; u. onderwijszorgarrangement: een gecombineerde inzet van jeugdhulpvoorzieningen en onderwijsondersteuning die geboden wordt in een schoolse setting als aanvulling op het reguliere en speciaal (basis- en voortgezet) onderwijs; v. ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt; w. persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van het gezin die van belang zijn, inclusief de behoefte van de jeugdige en zijn ouders en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging; x. PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de maatwerk voorziening behoort van derden te betrekken;

y. PGB-plan: een plan van de budgethouder waarin hij de besteding van het PGB aangeeft inclusief de wijze waarop hiermee de gestelde doelen worden bereikt. Het PGB-plan bestaat uit een plan van aanpak, een begroting, de voorgenomen zorgovereenkomsten en de zorgbeschrijvingen per hulpverlener; z. professional: een hulpverlener die op grond van de Jeugdwet of Wet publieke gezondheid zorg verleent en in de regel geregistreerd staat in het Kwaliteitsregister Jeugd of het register Beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG); aa. specialistische jeugdhulp: maatwerk voorzieningen zoals bedoeld in hoofdstuk 3 zijnde voorzieningen voor jeugdhulp die een specifieke expertise vragen; bb. wet: Jeugdwet.

Artikel 1.2 Doelgroep 1. De algemene en maatwerkvoorzieningen die worden geregeld in deze verordening zijn toegankelijk voor jeugdigen die conform de wet hun woonplaats in de gemeente hebben en hun ouders. 2. Het college kan bij nadere regeling besluiten dat de algemene voorzieningen zoals geregeld in artikel 2.1 tot en met 2.3 ook toegankelijk zijn voor jeugdigen die woonachtig zijn in bij nadere regeling aan te wijzen buurgemeenten voor zover deze jeugdigen staan ingeschreven bij een onderwijsinstelling in de gemeente Zutphen, en hun ouders.

Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Artikel 2.1 Sociale basis en preventieaanbod Jeugd 1. Vragen over opvoeden en opgroeien worden door ouders samen met school, kinderopvang en partners in de wijk opgelost. 2. Er is een goed afgestemd preventieaanbod waarmee we de zelfredzaamheid van kinderen, jongeren en ouders versterken en we voorkomen dat een onveilige omgeving voor de jeugdige, psychische, psychosociale en gedragsproblemen van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders ontstaat. 3. De preventieve activiteiten jeugd zijn gericht op: a. het vergroten van de zelfredzaamheid, veerkracht en veiligheid van kinderen, jongeren en ouders; b. het versterken van een gezonde relatie tussen ouder en kind bij echtscheiding;

c. een doorlopende ketensamenwerking voor de eerste 1000 dagen van een kind; d. een sluitende aanpak in voor- en vroegschoolse educatie (VVE) om taalen onderwijsachterstanden te voorkomen; e. professionele samenwerking met schoolbesturen en Samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs om ondersteuning van kinderen in en buiten de scholen integraal op te pakken; f. een integrale aanpak om thuiszitten, schooluitval en jeugdwerkloosheid te voorkomen; g. extra ondersteuning van kwetsbare kinderen binnen het speciaal onderwijs en buitenschoolse opvang met een Plus; h. adequate en toegankelijke informatie voor inwoners én professionals over waar men met welke hulpvragen terecht kan (Hulpwijzer).

Artikel 2.2 Lokaal team 1. Het college draagt zorg voor een dekkend aanbod van professionals in de gemeente, werkzaam als lokaal team waar jeugdigen en/ of ouders met hun hulpvragen terecht kunnen. 2. Het college kan een of meer rechtspersonen aanwijzen aan wie de opdracht wordt verleend om professionals voor het lokaal team te organiseren, gericht op het opsporen, beoordelen en directe ondersteuning bij enkelvoudige problematiek waarvoor passende hulp laagdrempelig en zonder indicatie beschikbaar is. 3. Het college kan bepaalde taken en bevoegdheden van het lokaal team voorbehouden aan professionals in dienst van de gemeente of in dienst van gemeenschappelijke regelingen waarin de gemeente deelneemt. 4. Het college stelt bij nadere regeling de taakverdeling en bevoegdheden vast voor de verschillende professionals van het lokaal team en de daarbij passende bevoegdheden aan aangewezen rechtspersonen die professionals voor het lokaal team organiseren.

Artikel 2.3 Opvoed- en opgroeiondersteuning 1. In aanvulling op het aanbod zoals bedoeld in artikel 2.1 en 2.2, kan het college voor veel voorkomende specifieke hulpvragen een laagdrempelig aanbod aan opvoed- en opgroeiondersteuning in de gemeente organiseren voor jeugdigen en hun ouders, in groepsverband en individueel.

2. Wanneer het aanbod zoals bedoeld in het eerste lid zich richt op specifieke doelgroepen, stelt het college bij nadere regeling vast onder welke voorwaarden jeugdigen en hun ouders zich rechtstreeks tot de hiervoor gecontracteerde zorgaanbieder kunnen wenden zonder tussenkomst van een professional van het lokaal team. 3. Het college kan voor de in lid 2 bedoelde zorgaanbieder nadere regels vaststellen met betrekking tot de toegangsbeoordeling met het oogmerk de beschikbaarheid te garanderen voor hulpvragen met een hoge urgentie en beheer van eventuele wachtlijsten.

Artikel 2.4 Op veiligheid en spoedeisende zorg gerichte algemene voorzieningen 1. Er is een dekkend aanbod van intensieve vrijwillige zorg voor gezinnen waarvan de ouders onvoldoende zorgdragen voor een veilige opvoedingssituatie of meewerken aan de noodzakelijke hulpverlening. Het college stelt hiervoor nadere regels vast. 2. De toegankelijkheid tot het aanbod als bedoeld in het eerste lid kan worden opgedragen aan: a. Veilig Thuis: advies- en meldpunt met brede kennis op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling; b. Meldpunt Spoedeisende zorg: 24 uur per dag 7 dagen per week beschikbaarheid van een professional die interventiehulp biedt in het gezin; c. daartoe aangewezen professionals van het lokaal team in de gemeente.

Hoofdstuk 3 Maatwerk voorzieningen Artikel 3.1 specialistische jeugdhulp 1. In aanvulling op de algemene voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1 tot en met 2.4 draagt het college zorg voor de beschikbaarheid van specialistische jeugdhulp in de vorm van een maatwerkvoorziening. 2. De specialistische jeugdhulp als bedoeld in het eerste lid kan bestaan uit: a. Begeleiding individueel: activiteiten waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven; b. Begeleiding groep: een structurele tijdsbesteding binnen een agogisch klimaat met meetbare, duidelijk omschreven doelen, waarbij de begeleiding is

gericht op een zinvolle dagbesteding of het in groepsverband aanleren van vaardigheden of leren omgang met een beperking; c. Verblijf: opname en verblijf met een vorm van jeugdhulp in een instelling; d. Zorgcoördinatie: coördinatie van de ondersteuning en zorg als meerdere professionals en informele ondersteuners betrokken zijn en de jeugdige en zijn ouders naar het oordeel van het college niet in staat zijn de zorg en ondersteuning zelf te coördineren; e. Ondertoezichtstelling: een rechterlijke maatregel gericht op het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging en de bedreiging van de fysieke en psychische veiligheid met als doel het realiseren van stabiliteit en continuïteit in de opvoedingssituatie; f. Landelijke Transitiearrangement: vormen van hoog specialistische jeugdhulp die landelijk worden gecontracteerd; g. Crisishulp: vormen van jeugdhulp in situaties waar sprake is van een niet uitstelbare hulpvraag en acute problematiek; h. Behandeling individueel: individuele behandeling gericht op het opheffen dan wel verminderen van of leren omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen die de ontwikkeling van de jeugdige stagneren of leiden tot disfunctioneren; i.

Behandeling groep: behandeling op locatie van de aanbieder en in een groep gericht op het opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen die de ontwikkeling van de jeugdige stagneren of leiden tot disfunctioneren;

j.

Pleegzorg: opvang van jeugdigen, waarbij jeugdigen niet door hun eigen (biologische) ouders, maar door vervangende ouders verzorgd en opgevoed worden;

k. Gezinshuis: opvang van een jeugdige in een stabiele gezinssituatie met professionele begeleiding en behandeling van de jeugdige met een ernstige opvoed- of behandelvraag; l.

Specialistische Geestelijke gezondheidszorg: diagnostiek, behandeling en/ of verblijf van jeugdigen met psychische en psychiatrische basale stoornissen, ernstige psychische aandoeningen en in crisissituaties;

m. Respijtopvang Jeugd: opvang voor de jeugdige die permanent toezicht nodig heeft, waarbij de zorgtaken van ouders tijdelijk door anderen wordt overgenomen. 3. Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de keuzevrijheid van jeugdigen en hun ouders voor een zorgaanbieder op bovenstaande categorieën.

Artikel 3.2 Jeugdbescherming Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van jeugdhulp bij een maatregel die de rechter dwingend oplegt wanneer een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige (ernstig) wordt bedreigd en vrijwillige hulp niet (voldoende) helpt.

Artikel 3.3 Jeugdreclassering Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van hulp voor jongeren tussen 12 en 23 jaar, die met politie en/ of justitie in aanraking zijn gekomen. De begeleiding kan doorlopen tot de jongere 23 jaar is, als de jongere minderjarig was bij het plegen van het strafbare feit.

Artikel 3.4 Zorg voor ernstige dyslexie 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van ernstige dyslexiezorg, bestaande uit: a. diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie; b. behandeling van ernstige dyslexie. 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de afbakening van de in het eerste lid bedoelde dyslexiezorg en de doelgroep.

Artikel 3.5 Vervoer 1. Het college draagt zorg voor beschikbaarheid van vervoer van jeugdigen naar de locatie waar jeugdhulp wordt verleend, voor zover na onderzoek blijkt dat ouders en het sociaal netwerk hierin niet kunnen voorzien. 2. Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden een beroep kan worden gedaan op een vorm van vervoersvoorziening.

Artikel 3.6 Overige maatwerk voorzieningen jeugdhulp 1. In aanvulling op de maatwerkvoorzieningen genoemd in artikel 3.1 draagt het college in bijzondere gevallen zorg voor een alternatief aanbod van jeugdhulp

wanneer geen passende zorg kan worden geboden door zorgaanbieders die door de gemeente voor de in artikel 3.1 genoemde zorg gecontracteerd zijn. 2. De in het eerste lid vermelde jeugdhulp betreft: a.

jeugdhulp voor jeugdigen die buiten de regio Zutphen verblijven maar volgens het woonplaatsbeginsel onder de verantwoordelijkheid van het college vallen, en voor wie de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders geen passende hulp kunnen organiseren of hulp die voldoende in de nabijheid van de jeugdige geboden kan worden;

b. jeugdhulp die geboden wordt door jeugdhulpaanbieders met een specialistische functie binnen de kaders van de door de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten afgesloten landelijke raamcontracten; c.

jeugdigen die hun woonplaatsbeginsel krijgen in Zutphen en waarvan de continuering van de jeugdhulp door een niet door de gemeente gecontracteerde aanbieder wordt voortgezet;

d. jeugdhulp die de rechter heeft opgenomen als verplichting in het vonnis; e.

jeugdhulp aan jeugdigen in buitengewone omstandigheden waarvoor geen passend aanbod beschikbaar is binnen het gecontracteerde aanbod.

3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de in dit artikel bedoelde jeugdhulp.

Hoofdstuk 4 Toegankelijkheid tot voorzieningen Artikel 4.1 Toegankelijkheid van algemene en maatwerkvoorzieningen 1. Een jeugdige of zijn ouders met een hulpvraag kunnen deze rechtstreeks voorleggen aan door het college georganiseerde ondersteuningspunten voor algemene voorzieningen als bedoeld in artikel 2.1 tot en met 2.4. 2. Hulpvragers kunnen verzoeken om een gesprek met professionals van het lokaal team bij het verkennen en verhelderen van de hulpvraag. 3. De professional van het lokaal team geeft de hulpvrager informatie en advies over eigen mogelijkheden om oplossingen te vinden, zo nodig met ondersteuning vanuit beschikbare algemene voorzieningen en andere voorzieningen. 4. De professional van het lokaal team kan bij lichte hulpvragen direct laagdrempelige hulp inzetten of bij complexere hulpvragen ondersteunen bij het indienen van een schriftelijke aanvraag voor een maatwerk voorziening bij de gemeente.

5. Het college neemt het besluit op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening uiterlijk binnen acht weken, waarbij als startdatum geldt de ontvangstdatum van het aanvraagformulier door de gemeente. 6. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een maatwerk voorziening vast in een beschikking. 7. Een aangewezen professional van het lokaal team draagt zorg voor de inzet van de goedkoopst passende voorziening voor jeugdhulp na verwijzing door: a. de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat de inzet van jeugdhulp nodig is; b. de rechter of gecertificeerde instelling, als hij dit nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel; c. de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële instelling als dit nodig is bij de uitvoering van de opgelegde maatregel jeugdreclassering. 8. Spoedeisende zorg kan zowel het college als de gecertificeerde instelling inzetten. In spoedeisende situaties kan het college of de gecertificeerde instelling ook een spoedmachtiging tot opname in een gesloten instelling aanvragen conform artikel 6.1.3 van de wet. 9.

Het college legt de beslissing als bedoeld in het achtste lid over de inzet van de hulp in de vorm van een maatwerkvoorziening zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 10. Een jeugdige en/ of zijn ouders die menen een beroep te kunnen doen op een andere voorziening, kunnen zich rechtstreeks hiertoe wenden. 11. Het college wijst de jeugdige of zijn ouders bij melding van een hulpvraag waarmee een beroep wordt gedaan op de inzet van jeugdhulp, op de mogelijkheid om gebruik te maken van ondersteuning door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 4.2 Beoordelingsregels naar aard en complexiteit van hulpvragen 1. De professional van het lokaal team bepaalt op grond van de ontvangen informatie bij melding van de hulpvraag met de jeugdige en/ of zijn ouders of sprake is van een lichte of complexe hulpvraag en informeert de hulpvrager over de beoordelingsprocedure. Op basis van de beschikbare informatie bij het optekenen van een hulpvraag wordt bepaald welke professional met de hulpvrager in gesprek gaat en deze initiële beoordelingstaak uitvoert. 2. In afwijking van het gestelde in het vorige lid, kan het gesprek, zoals bedoeld in artikel 4.3, achterwege gelaten worden, wanneer:

a. de huisarts, gecertificeerde instelling, jeugdarts of medisch specialist – niet zijnde een professional van een lokaal team– conform artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g. van de wet verwezen heeft naar specialistische jeugdhulp; b. in crisissituaties waar de onmiddellijke uitvoering van specialistische jeugdhulp geen uitstel duldt. 3. In de in het tweede lid, onderdeel a. vermelde gevallen neemt de professional van het lokaal team het beoordelingsbesluit als bedoeld in het eerste en tweede lid op grond van het verzoek om een zorgtoewijzing van de betrokken jeugdhulpaanbieder van specialistische jeugdhulp. 4. Wanneer de huisarts, gecertificeerde instelling, jeugdarts of medisch specialist – niet zijnde een professional van het lokale team - conform artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g. van de wet verwezen heeft naar specialistische jeugdhulp als bedoeld in artikel 3.2, neemt het college het besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid op grond van het bericht van de betrokken jeugdhulpaanbieder dat er een hulpverleningsplan is opgesteld en hierin de ondersteuningsbehoeften op de verschillende levensgebieden voldoende in kaart zijn gebracht om een effectieve uitvoering van de specialistische jeugdhulp mogelijk te maken. 5. Het college kan nadere regels vaststellen voor de beoordeling van hulpvragen voor jeugdhulp door professionals van het lokaal team. 6.

Het college legt in nadere regels vast welke gecontracteerde zorgvormen beschikbaar zijn voor de in hoofdstukken 2 en 3 vermelde algemene en maatwerkvoorzieningen. Daarbij kan het college verwijzen naar catalogi en contractvoorwaarden die in samenwerking met andere gemeenten zijn gecontracteerd voor bepaalde voorzieningen.

Artikel 4.3 Het gesprek en het gezinsplan 1. De bevoegde professional van het lokaal team stelt namens het college in een of meer gesprek(ken) samen met de jeugdige en/ of zijn ouders vast: a.

wat de hulpvraag is en met welke beperkingen en kwaliteiten van de jeugdige en het gezin, op de verschillende leefgebieden, rekening gehouden moet worden om de hulpvraag te beantwoorden;

b. wat de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk zelf kunnen doen om de hulpvraag te beantwoorden (eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen); c.

wat de mogelijkheden zijn om gebruik te maken van een andere voorziening;

d. of en welke ondersteuning nodig is vanuit de algemene voorzieningen; e.

of en welke extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerk voorziening;

f.

op welke wijze de ondersteuning bedoeld onder b., c., d. en e. wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

g. wat de doelen (beoogde resultaten) zijn van de ondersteuning. 2. Wanneer uit het gesprek blijkt dat de inzet van specialistische jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 3.2 nodig is, wordt met de te betrekken jeugdhulpaanbieder overleg gevoerd over de in te zetten jeugdhulp door de professional die bevoegd is tot beoordeling van de inzet van deze jeugdhulp. 3. Wanneer de jeugdige en/ of zijn ouders al een voorstel voor een gezinsplan opgesteld hebben, vormt dit het uitgangspunt voor het gesprek zoals beschreven in het eerste lid. 4. De bevoegde professional van het lokale team en de jeugdige en/ of zijn ouders leggen de zaken vermeld in het eerste lid vast in een gezinsplan. Bij het ontbreken van overeenstemming worden de zaken vermeld in het eerste lid vastgelegd in een door de professional van het lokaal team opgesteld gespreksverslag. Het gezinsplan en/ of gespreksverslag wordt aan de jeugdige en/ of zijn ouders voor akkoord toegezonden. 5. In het gezinsplan worden afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van dit plan met de jeugdige en/ of zijn ouders, het lokaal team en de jeugdhulpaanbieder besproken worden. 6. Het gezinsplan, dan wel de weergave ervan in een gespreksverslag, wordt door de professional van het lokaal team opgeslagen in de eigen administratie. 7.

Het gezinsplan wordt, voor zover van toepassing voor een effectieve uitvoering van de specialistische jeugdhulp, door de jeugdige en/ of zijn ouders, of in voorkomende gevallen door de professional van het lokaal team, gedeeld met de betrokken jeugdhulpaanbieder met inachtneming van de geldende privacyregelgeving. 8. Het college kan in overleg met de jeugdige en/ of zijn ouders afzien van een gesprek. 9. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het gesprek zoals bedoeld in dit artikel gevoerd wordt.

Artikel 4.4 Algemene criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning van jeugdhulp 1. De bevoegde professional van het lokaal team kent jeugdhulp toe als en voor zover vastgesteld is dat: a. de jeugdige zelf, of met gebruikelijke hulp van zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen afdoende oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; b. een beroep op een algemene voorziening als bedoeld in artikel 2.1 tot en met 2.4 niet adequaat is voor oplossing van de hulpvraag; c. de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag afdoende te beantwoorden; d. indicatiestelling voor een maatwerk voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag. 2. De bevoegde professional van het lokaal team kan een door het college daartoe aangewezen adviesinstantie of gecontracteerde professionele zorgaanbieder om advies vragen als dit van belang wordt geacht voor het maken van een zorgvuldige afweging over een passende voorziening. 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria zoals vermeld in het eerste lid of ter aanvulling met specifieke criteria voor afzonderlijke maatwerk voorzieningen voor jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 3.

Artikel 4.5 Inhoud en geldigheidsduur van besluit toekenning maatwerk voorziening 1. In het besluit tot toekenning van een maatwerk voorziening wordt vastgelegd: a.

of sprake is van specialistische jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 3.1 tot en met 3.4;

b. als het gaat om een maatwerk voorziening de zorgvorm, frequentie en duur; c.

in geval van een persoonsgebonden budget de hoogte van het budget en hoe deze is berekend.

2. Het besluit tot toekennen van een maatwerk voorziening wordt afgegeven: a.

als het gaat om zorg in natura, met een in het besluit vastgestelde geldigheidsduur of tot een moment waarop de betrokken jeugdhulpaanbieder zoveel eerder de jeugdhulp heeft beëindigd en het college hiervan op de hoogte heeft gesteld;

b. als het gaat om een persoonsgebonden budget, met een in het besluit vastgestelde geldigheidsduur.

3. In aanvulling op het gestelde in het tweede lid, onderdeel a. kan de in het besluit voor een maatwerk voorziening vastgestelde geldigheidsduur, verlengd worden op verzoek van de jeugdige en/ of zijn ouders - ofwel de door hen gemachtigde jeugdhulpaanbieder – als een aanvraag tot herindicatie met dezelfde hulpvraag binnen drie maanden na een volgens plan beëindigd jeugdhulptraject, dat gericht was op herstel, bij de bevoegde professional van het lokaal team is ingediend. 4. Het besluit kan ingetrokken worden, wanneer de jeugdhulpaanbieder niet binnen drie maanden na het afgeven van het besluit gestart is met de zorg. Wanneer wachtlijsten ontstaan kan de jeugdhulpaanbieder of PGB-houder het college verzoeken om verlenging van deze termijn. 5. Het besluit wordt genomen: a.

als er overeenstemming is tussen het lokaal team en de jeugdige en/ of zijn ouders over de in te zetten maatwerk voorziening, direct na toezending van het definitieve gezinsplan;

b. als er geen overeenstemming is tussen het lokaal team en de jeugdige en/ of zijn ouders over de in te zetten jeugdhulpvoorziening, binnen vijf werkdagen na toezending van het gespreksverslag; c.

als een gesprek en gezinsplan op grond van artikel 4.2, tweede lid niet nodig is, binnen vijf werkdagen na het verzoek om toewijzing van de jeugdhulpaanbieder;

d. met vermelding of de maatwerking voorziening in natura of als PGB wordt verstrekt. 6. Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en stelt hieromtrent nadere regels.

Artikel 4.6 Toegankelijkheid zorg bij ernstige dyslexie 1. Het college kent een maatwerk voorziening voor ernstige dyslexiezorg toe door middel van een besluit dat toegang geeft tot diagnostiek, om vast te stellen of sprake is van ernstige dyslexie, en behandeling, als uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige dyslexie. 2. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van het verzoek tot een zorgtoewijzing van de dyslexieaanbieder na een controle van het leesdossier van de jeugdige op de basisschool. 3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de controle van het leesdossier moet worden uitgevoerd en de eisen waaraan het leesdossier moet voldoen.

Artikel 4.7 Toegankelijkheid overige maatwerk voorzieningen jeugdhulp 1. Het college kan in bijzondere omstandigheden besluiten tot inzet van een overige maatwerk voorziening jeugdhulp: a. op grond van een aanvraag van het lokaal team of een andere op grond van de wet daartoe bevoegde professional, als het gaat om jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a., c. en d.; b. op grond van het verzoek tot zorgtoewijzing van een landelijke jeugdhulpaanbieder, als het gaat om jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel b.. 2. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over de inhoud en de wijze van indienen van de aanvraag zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a..

Hoofdstuk 5 Aanvullende regels persoonsgebonden budget Artikel 5.1 Het PGB-plan 1. Als de jeugdige en/ of zijn ouders zich in het gesprek zoals bedoeld in artikel 4.3 gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de geïndiceerde maatwerk voorziening die wordt geleverd door de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders niet passend achten, kunnen zij financiering in de vorm van een persoonsgebonden budget aanvragen. 2. De jeugdige en/ of zijn ouders moeten hiertoe in aanvulling op het gezinsplan en de aanvraag voor een maatwerk voorziening een financieringsaanvraag in de vorm van een PGB-plan indienen waarin is opgenomen: a. de motivering waarom zorg in natura niet passend en een persoonsgebonden budget gewenst is; b. het voorgenomen hulpverleningsplan en de naam van de uitvoerder van de maatwerkvoorziening; c. de kosten, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief, van de uitvoering; d. de kwalificaties van de uitvoerder van de maatwerkvoorziening.

Artikel 5.2 Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de soort hulp die benodigd is, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a.

personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/ werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of

b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/ werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of c.

personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/ of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet (SKJ-register), voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele hulp. 4. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het tweede lid, onder a., b. of c., is sprake van informele hulp.

Artikel 5.3 Vaststellen hoogte van persoonsgebonden budget 1. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt berekend aan de hand van het aantal uren, dagdelen of etmalen dat de maatwerk voorziening nodig is vermenigvuldigt met een vast tarief per zorgvorm. 2. Voor de berekening van het persoonsgebonden budget stelt het college bij nadere regeling afzonderlijke tijdseenheidstarieven vast voor formele en informele hulp op basis van de geïndiceerde zorgvorm. Voor formele zorg geldt een maximum van de gemeentelijk geldende inkooptarieven voor vergelijkbare zorg in natura. Voor informele hulp bedraagt het tarief maximaal € 20,00 per uur, tenzij in nadere regels anders is vermeld. Is de informele hulp jonger dan 21 jaar dan is het tarief gelijk aan het wettelijk minimumjeugdloon inclusief vakantietoeslag. 3. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een PGB: a.

kosten voor bemiddeling;

b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

c.

kosten voor het voeren van een PGB administratie;

d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een PGB; e.

kosten voor feestdagenuitkering en eenmalige uitkering;

f.

reiskosten van de PGB hulpverlener van en naar de locatie waar de hulp wordt verleend.

4. Een PGB is niet mogelijk en mag niet worden gebruikt voor: a. kosten die de jeugdige en/ of zijn ouders voorafgaand aan de indiening van de aanvraag hebben gemaakt; b. als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder b. van de wet (crisishulp, crisisopvang, spoedhulp, spoedopvang); c. voor besteding tijdens een verblijf in het buitenland langer dan 13 weken per jaar of een aaneengesloten periode langer dan zes weken, tenzij het college vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven; d. voor het inkopen van andere en algemeen gebruikelijke goederen en diensten; e. voor besteding aan voorzieningen die zijn uitgesloten op grond van een door het college vastgestelde PGB vergoedingenlijst.

Artikel 5.4 Verstrekken persoonsgebonden budget formele hulp en informele hulp 1. Het college kent een persoonsgebonden budget voor formele hulp enkel toe als de zorgverlener: a.

voldoet aan het Kwaliteitskader Jeugd, wat onder andere een registratie bij het SKJ (Stichting Kwaliteitszorg Jeugd) of een inschrijving in het BIGregister inhoudt;

b. werkt op basis van een hulpverleningsplan; c.

werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

d. de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp hanteert; e.

een vertrouwenspersoon in staat stelt zijn taak uit te voeren.

2. Het college kent een persoonsgebonden budget voor informele hulp die wordt geleverd vanuit het sociale netwerk enkel toe: a.

voor geïndiceerde zorg zoals vermeld in artikel 3.1, tweede lid, onder a.;

b. als wordt gemotiveerd waarom de inzet van informele hulp leidt tot een gelijk of beter resultaat dan de inzet van formele hulp;

c.

als de persoon die de informele hulp verleent voldoet aan de volgende minimale kwaliteitscriteria: I.

de zorgverlener beschikt over de voor de hulpvraag benodigde competenties, kennis en vaardigheden en middelen om verantwoorde hulp te bieden;

II.

de zorgverlener beschikt over een VOG (behalve als de zorgverlener een ouder is, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de wet);

III.

de zorgverlener neemt bij (een vermoeden van) huiselijk geweld en kindermishandeling contact op met Veilig Thuis voor advies of het doen van een melding en maakt hierbij gebruik van de Meldcode Huiselijk geweld;

IV.

de zorgverlener meldt calamiteiten die de opdrachtuitvoering van jeugdhulp verhinderen direct aan de voor het gezin verantwoordelijke professional van het lokaal team;

V.

de zorgverlener werkt op basis van een plan;

d. als de ondersteuning aan de jeugdige of zijn ouders niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze informele hulp verleent. 3. Ondersteuning kan niet worden geboden door iemand vanuit het sociaal netwerk als die, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, geboden moet worden door een geregistreerde professional. 4. Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag toe vanuit het persoonsgebonden budget. 5. Beheer van het PGB is niet toegestaan door de persoon of organisatie die ook de ondersteuning levert aan de PGB-houder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend.

Hoofdstuk 6 Feiten en omstandigheden Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerk voorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een maatwerk voorziening. 2. In aanvulling op artikel 4.5, vierde lid kan het college een besluit aangaande een maatwerk voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

a.

de jeugdige en/ of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

b. de jeugdige en/ of zijn ouders niet langer op de maatwerk voorziening of op het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget zijn aangewezen; c.

de maatwerk voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten;

d. de jeugdige en/ of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de maatwerk voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget, of e.

de jeugdige en/ of zijn ouders de maatwerk voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onder a. of e. heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerk voorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. 4. Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 6.2 Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik 1. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerk voorziening of persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij de wet dan wel deze verordening, ten aanzien van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerk voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van het bepaalde bij de wet dan wel deze verordening. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

4. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerk voorzieningen in natura en PGB met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 6.3 Opschorting betaling uit het PGB 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken, als er ten aanzien van de persoon aan wie het PGB is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a., d. of e. van de wet. 2. Als de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling, als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, kan het college de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname. 3. Het college stelt de PGB-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 7 Afstemming andere voorzieningen Artikel 7.1 Overgang naar volwassenheid 1. Het college draagt zorg dat voor jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar bereiken en ook na hun 18e jaar een ondersteuningsvraag hebben tijdig afstemming plaatsvindt welke andere voorzieningen benodigd zijn. 2. In het geval er sprake is van verlengde jeugdhulp vindt de afstemming op latere leeftijd, maar altijd tijdig plaats. 3. Het college draagt zorg dat het lokaal team zich in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders wijst op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, en zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

Artikel 7.2 Afstemming gezondheidszorg 1. Het college draagt zorg dat wanneer het lokaal team een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e

verjaardag van de jeugdige door zal lopen, het indicatiebesluit omwille van de continuïteit van zorg voldoet aan de normen die daaraan gesteld worden op grond van de Zorgverzekeringswet. 2. Het college draagt zorg dat het lokaal team zich in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders wijst op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, en het gezin zich tijdig dient in te spannen voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

Artikel 7.3 Afstemming langdurige zorg 1. Het college draagt zorg dat het lokaal team de jeugdige en/ of zijn ouders ondersteunt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 2. Als de jeugdige en/ of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een maatwerk voorziening toe te kennen op grond van deze verordening.

Artikel 7.4 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1. Het college draagt zorg dat locaties voor kinderopvang, peuterspeelzaalwerk, primair en voortgezet onderwijs, en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het lokaal team. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het eerste lid genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren. 3. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het gezinsplan van de jeugdige en zijn ouders.

Artikel 7.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen het lokaal team en in de gemeente werkzame organisaties voor maatschappelijke ondersteuning, als een jeugdige en/ of zijn ouders naast jeugdhulpvoorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

2. Het college draagt zorg dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd wordt en het lokaal team een besluit hiertoe zo nodig (mede) voorbereidt.

Artikel 7.6 Afstemming werk en inkomen Het college draagt zorg dat het lokaal team en de gecertificeerde instellingen, in afstemming met de organisatie voor maatschappelijke ondersteuning, financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig de jeugdige en/of zijn ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.

Artikel 7.7 Afstemming wonen Wanneer de woonsituatie de juiste jeugdhulp voor de jeugdige en/ of zijn ouders in de weg staat of wanneer het gezin in die mate overlast veroorzaakt of schulden heeft dat een gedwongen verhuizing noodzakelijk is, kan de professional van het lokaal team namens de cliënt(en) een aanvraag doen voor een urgentieverklaring. Het college draagt zorg voor de begeleiding wanneer een in het eerste lid bedoelde gezin een woning toegewezen krijgt op basis van een met het gezin overeengekomen gezinsplan.

Hoofdstuk 8 Kwaliteit en beleidsparticipatie Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp, intensieve vrijwillige zorg of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor zorg toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functies; c. een redelijke toeslag voor overheadskosten; d. een reële mate van non-productiviteit door verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel.

Artikel 8.2 Kwaliteitsborging 1. De jeugdhulp die de formele hulp biedt, in natura of op basis van een PGB, voldoet kwalitatief aan wat daarover in de wet en in de meest recente door het college vastgestelde versie van de Algemene Voorwaarden Sociaal Domein is bepaald. 2. De jeugdhulp die door een informele hulp wordt geboden is veilig, adequaat, cliëntgericht en doeltreffend. 3. Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en externe opdrachtnemers voor de uitvoering van taken van het lokaal team voldoen aan het naleven van de bij wet voorgeschreven klachtenregeling. Dit gebeurt onder andere door periodieke overleggen met de gecontracteerde dienstverleners en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 8.3 Inspraak 1. Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval jeugdigen en hun ouders, bij de voorbereiding van het beleid over jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid over jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen over jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan bij nadere regeling regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Hardheidsclausule Het college kan één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van het verlenen van jeugdhulp aan een jeugdige en/ of zijn ouders, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 9.2 Intrekking oude regeling De Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2018, zoals vastgesteld bij besluit van 17 december 2018, wordt ingetrokken.

Artikel 9.3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023.

Artikel 9.4 Overgangsrecht De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening gelden met betrekking tot een maatwerk voorziening waarvoor op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2018 een besluit is afgegeven, blijven gelden gedurende de geldigheidsduur van het besluit, dan wel tot het moment dat er op basis van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte tussentijds een nieuw besluit wordt genomen op grond van deze verordening.

Artikel 9.5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2022.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zutphen, gehouden op: datum

De voorzitter,

de griffier,

Toelichting Algemene toelichting 1.

Jeugdhulpvoorzieningen als uitwerking van het Beleidsplan Jeugd 2021-2024

In deze verordening wordt afgebakend welke ondersteunende activiteiten de gemeente Zutphen organiseert om kinderen in een gezonde, veilige en kansrijke omgeving te laten opgroeien. Daarbij wordt ingezet op: I.

Versterken pedagogische samenleving: ouders, school en gemeenschap

II.

Focus op preventie: versterken van ouders en kinderen

III.

Stevige eerste lijn: zorg zo licht mogelijk en zo intensief als nodig

IV.

Intensieve hulpverlening: tijdige en passende zorg en ondersteuning

Gelukkig groeien de meeste kinderen gezond op door de goede zorg van hun ouders in combinatie met algemene overheidszorg. Buurt- en sport- en culturele verenigingen bieden in dit ontwikkelingsproces waar nodig maatschappelijke ondersteuning. Voor veel voorkomende probleemsituaties in de opvoeding zorgt de gemeente (in samenwerking met maatschappelijke organisaties) voor preventieve hulp en ondersteuning (doelgroep- en themagericht). In de eerste lijn kunnen jeugdigen en ouders met al hun hulpvragen terecht bij professionals van het lokaal team. Het streven is om op enkelvoudige of veel voorkomende hulpvragen meer directe en laagdrempelige hulp te verlenen. Zonder beschikking. Direct uitvoerbaar door een deel van de professionals van het lokaal team. Waar nodig kortdurend ondersteund door specialisten voor jeugdhulp. De professionals van het lokaal team worden ingezet vanuit ondersteuningspunten dicht bij het gezin in lokale netwerken (op scholen, huisartsposten, consultatiebureaus, buurtwerk, sport- en culturele organisaties). Een deel van de professionals van het lokaal team richt zich in het bijzonder op de beoordeling van meer complexe hulpvragen, onderzoek en indicatie van maatwerkvoorzieningen (inclusief beoordeling van een PGB-financieringsaanvraag).

Door samenwerking met lokale partners in preventienetwerken wordt ingezet op vroegtijdige signalering van jeugdhulpvragen en sneller contact met de juiste professional om passende hulp te bieden. Dat is bij voorkeur gericht op de inzet van laagdrempelige algemene voorzieningen en zo nodig inzet van intensieve jeugdhulp (na gericht onderzoek, indicatiestelling en contact met de juiste hulpverlener).

Voor alle professionals van het lokaal team geldt dat de noodzaak voor inzet van professionele jeugdhulp en ondersteuning (met of zonder beschikking) beoordeeld wordt vanuit: a. de mogelijkheden die het gezin heeft vanuit eigen kracht (inclusief eigen netwerk); b. ondersteuningsmogelijkheden vanuit collectieve lokale voorzieningen en andere wettelijke voorzieningen (zoals onderwijs, zorg, maatschappelijk werk); c. mogelijk beroep op voor de hulpvraag passende, algemeen toegankelijke voorzieningen; d. het resultaat van eerder ingezette jeugdhulpvoorzieningen. Voor zowel jeugdige en zijn ouders als iedereen die beroepsmatig in contact staat met gezinnen zal met behulp van een actuele hulpwijzer duidelijk moeten zijn waar men met zijn hulpvraag het beste kan aankloppen om zo snel mogelijk geholpen te worden. Op basis van de regels in deze verordening worden hulpvragen voor jeugdhulp langs de volgende routes beantwoord:

2.

Wat kan op basis van deze verordening worden gerekend tot jeugdhulp

De grenzen van de Jeugdwet en daarmee ook de afbakening van de gemeentelijke jeugdhulpplicht worden bepaald door de Jeugdwet zelf, andere wetten, door de doelgroep, door de leeftijd van de jeugdige, maar ook door een aantal bijzondere bepalingen. Zo is het bereik van de Jeugdwet voor jeugdigen die zijn veroordeeld op grond van het adolescentenstrafrecht veel ruimer dan voor andere jeugdigen. Een belangrijke afbakening is ook gelegen in de definitie van jeugdhulp en in de resultaten die met de jeugdhulp moeten worden bereikt. Het doel van jeugdhulp moet namelijk zijn:

a. gezond, veilig en kansrijk op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid; c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Naast de resultaten die met jeugdhulp moeten kunnen worden bereikt noemt de Jeugdwet een aantal problemen waarvoor de jeugdhulpplicht geldt. Dit betreft: 

opgroei- en opvoedingsproblemen;

psychische problemen en stoornissen.

De Jeugdwet (Jw) is een van de zogenoemde zorgwetten uit het maatschappelijk domein. In de Jeugdwet zijn bepalingen opgenomen die de afbakening regelen met andere wetten. Kort gezegd komt dit erop neer dat de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de onderwijswetten voorgaan op de Jeugdwet. Ten aanzien van de Zorgverzekeringswet geldt dat alleen als er een recht op zorg op grond van de basisverzekering bestaat. Een aanvullende verzekering valt niet onder de Zorgverzekeringswet, maar moet worden aangemerkt als een vorm van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (artikel 2.3, eerste lid Jeugdwet). De vraag naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen komt namelijk eerder aan bod, dan de vraag of er sprake is van een wettelijk voorliggende voorziening. Het stappenplan1 luidt als volgt: 1. Vaststellen van de hulpvraag 2. Onderzoeken of deze gemeente verantwoordelijk is (woonplaats)

1 Centrale Raad Van Beroep

3. Onderzoeken of de Jeugdwet van toepassing is (doelgroep) 4. In kaart brengen van beperkingen/ problematiek 5. Bepalen welke hulp nodig is 6. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) 7. Aanspraak op een andere (wettelijke) voorziening 8. Aanspraak op een algemene voorziening 9. Aanspraak op een individuele maatwerkvoorziening 10. Informeren over de mogelijkheid van financiering in de vorm van een PGB 11. Als aangevraagd: beoordelen of aan voorwaarden voor een PGB voldaan wordt

3.

Algemene of maatwerkvoorzieningen op grond van deze verordening

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om jeugdhulpvragen in een zo vroegtijdig mogelijk stadium te signaleren en gezinnen te ondersteunen. Daarvoor worden algemene voorzieningen ingezet die vrij of met een lichte drempel (zoals doelgroep criteria) toegankelijk zijn. Vanuit beleidsprioriteiten financiert of organiseert de gemeente ondersteunende activiteiten gericht op specifieke thema’s, doelgroepen, netwerken en projecten in het kader van samenlevingsopbouw (sociale basis). Het streven is om de jeugdige en zijn ouders te ondersteunen bij het zo snel mogelijk zelf aanpakken van problemen bij het opgroeien en opvoeden van kinderen, waar nodig ondersteunt vanuit de inclusieve samenleving (school, gemeenschap) en preventieaanbod. Jeugdigen en ouders kunnen daarnaast een beroep doen op ondersteuning van het lokaal team. Wanneer gebruikelijke zorg vanuit het gezin tekortschiet en andere voorzieningen ontoereikend zijn wordt door professionals van het lokaal team hulp en ondersteuning ingezet, bij voorkeur vanuit laagdrempelige algemene voorzieningen. Voor lichte jeugdhulpvragen kunnen professionals van het lokaal team direct zelf hulp en ondersteuning inzetten zonder beschikking. Zo nodig kan daarbij kortstondige specialistische ondersteuning worden ingezet.

De beschikbare capaciteit daarvoor wordt vanuit de gemeente bepaald en periodiek op basis van de ontwikkelingen in de hulpvraag bijgesteld. De beoordeling van meer complexe jeugdhulpvragen en inzet van specialistische jeugdhulp in de vorm van maatwerkvoorzieningen en verzoeken om PGBfinanciering is voorbehouden aan speciaal daartoe opgeleide professionals van het lokaal team. Door professionals van het lokaal team wordt zorggedragen voor een

gestructureerde afstemming met alle betrokken partijen in de omgeving van het gezin.

4. Wie is waarvoor verantwoordelijk in de uitvoering van jeugdhulp De gemeente Zutphen is verantwoordelijk voor de inrichting van het stelsel aan voorzieningen, de beschikbaarheid van jeugdhulpvoorzieningen en draagt zorg voor een doelmatige en effectieve taakverdeling. De operationele regie in het oppikken en routeren van hulpvragen ligt bij de samenwerkende professionals van het lokaal team op basis van afstemming met partner in het preventieaanbod en lokale organisaties die beroepsmatig in contact staan met gezinnen. Met de vaststelling van een nieuwe Verordening jeugdhulp wordt een juridische basis gelegd voor de zorg die de gemeente in samenwerking met externe partners organiseert voor jeugdigen en hun ouders. Door middel van een partnerschapsovereenkomsten en bevoegdhedenbesluiten worden professionals voor het lokaal team georganiseerd aan wie vooral de taak en verantwoordelijkheid wordt opgedragen voor het vroegtijdig opsporen van jeugdhulpvragen en inzet van laagdrempelige jeugdhulp en ondersteuning zonder beschikking. De professionals van het lokaal team in dienst van de gemeente blijven verantwoordelijk voor het beoordelen van aanvragen voor een maatwerkvoorziening (in natura of PGB). Binnen gemeentelijk vastgestelde kaders en budgetten werken de externe en interne professionals nauw samen in een doelmatige routering en adequate beoordeling van jeugdhulpvragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=e30792c2-1177-4800-b01d-fb7e0db6611d