186248RH 2021_BW_00434
Tekst van het document
65/768
21
Quickscan externe veiligheid Door Kragten is in april 2021 een quickscan externe veiligheid uitgevoerd4. Deze quickscan is als Bijlage 3 bijgevoegd. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de risicokaart Nederland. De globale ligging van het plangebied is aangeduid met een rode cirkel.
Uitsnede risicokaart Nederland Stationaire risicobronnen Op basis van de risicokaart is een risicobron aanwezig in de nabijheid van het plangebied. Het betreft hier echter een propaantank die tijdelijk geplaatst is ten behoeve van het verwarmen van bouwketen op de bouwplaats. Deze bron maakt deel uit van de herontwikkeling van het gebied Noorderhaven en vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn verder geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontour of het invloedsgebied reikt tot aan het plangebied. Mobiele risicobronnen
66/768
22
Transport over het water Het plangebied ligt op een afstand van circa 240 meter ten oosten van de IJssel, die deel uit maakt van de Corridor Rijn - Oost Nederland. Het invloedsgebied van deze route ter plaatse van het plangebied bedraagt 35 meter. Op grond van afstand vormt deze waterweg geen belemmering voor de planontwikkeling. Transport over de weg Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van wegen waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, waardoor transport van gevaarlijke stoffen over de weg geen aandachtspunt vormt voor de planontwikkeling. Transport over het spoor Op een afstond van circa 240 meter is de spoorlijn Velperpoort aansl. - Zutphen (route 62) gelegen. Over dit traject vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en het plasbrandaandachtsgebied (PAG) vormen geen belemmering voor de planvorming. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. De risico's (toxisch scenario en BLEVE) als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied grenst aan een hogedrukaardgasleiding. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de planvorming. Wel ligt het plangebied deels binnen zowel de 100% als de 1% letaliteitsgrens.
Hierdoor is het noodzakelijk dat de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk gemaakt wordt middels een CAROLA-berekening. Groepsrisicoberekening buisleidingen Vanwege de nabije ligging van een hogedrukaardgasleiding is door Kragten in mei 2021 het groepsrisico van de buisleiding berekend5. Dit onderzoek is als Bijlage 4 bijgevoegd. Uit de berekening blijkt dat de hoogte van het groepsrisico van de buisleiding, zowel in de huidige als toekomstige situatie lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde. In artikel 12, lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen, in samenhang met artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer het groepsrisico moet worden verantwoordt. In voorliggende situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio. Beperkte verantwoording groepsrisico Door Kragten is in mei 2021 een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld6. Hierin wordt voor de ontwikkeling ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid in relatie tot de relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied. De notitie van de verantwoording is als Bijlage 5 bijgevoegd. In de notitie worden maatregelen voorgesteld.
Deze maatregelen worden meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. 67/768
23
De verantwoording van het groepsrisico is voor advies aan de Veiligheidsregio voorgelegd. Advies Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland Bereikbaarheid en toegankelijkheid Bij de ontwikkeling is het ten behoeve van een adequate (geneeskundige) hulpverlening van belang dat er rekening wordt gehouden met de onderstaande bereikbaarheidsaspecten: Creëer voor ambulances een goede bereikbaarheid door minimaal twee toe- en uitgangswegen te realiseren. Voor ambulances is het namelijk niet alleen van belang om zo snel mogelijk bij de woningen te kunnen komen, maar ook om zo snel mogelijk weer weg te kunnen rijden zonder hinder te ondervinden van andere (hulpverlenings-)voertuigen. Ambulances dienen dichtbij objecten geparkeerd te kunnen worden. Obstakels op de weg, de stoep en het terrein dienen dus zodanig te worden ingericht dat ambulances snel en goed bij de woningen kunnen komen. Het beperken van trappen, paaltjes, drempels, grote bloembakken, e.d. draagt bij aan een goede bereikbaarheid voor ambulances en brancards. Zorg voor een eenduidige, duidelijke bewegwijzering, waarbij borden en nummers zodanig zijn geplaatst, dat bij een calamiteit duidelijk is waar de hulpverleners naar toe moeten. Begaanbaarheid Om objecten voor brancards goed begaanbaar te houden, is het van belang om met name de ingang begaanbaar te houden.
Grind voor de ingang vormt voor ambulancepersoneel en het slachtoffer op de brancard namelijk een obstakel. Zelfredzaamheid Ten aanzien van zelfredzaamheid adviseert de Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (GHOR) het volgende: Breng het project 'STAN' (Stan is de doorontwikkeling van HartveiligWonen) bij toekomstige bewoners/gebruikers onder de aandacht, dit i.v.m. de aanrijtijden van ambulances. Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan dit project kan levens redden. Plaats een AED op een strategische locatie (bijvoorbeeld de school). In geval van een circulatiestilstand wordt, door z.s.m. te defibrilleren, de overlevingskans van de betreffende persoon vergroot. Als deze AED aan een buitenmuur wordt bevestigd en beschikbaar wordt gesteld voor algemeen gebruik, kan deze AED ook gebruikt worden bij nood in de omgeving. Plaats een Stop de bloeding-set naast de AED. Dit is een pakketje met extra hulpmiddelen om bloedingen te stoppen. Omstanders en niet-medische hulpverleners kunnen de overlevingskansen van slachtoffers van (bom) aanslagen en grote ongelukken aanzienlijk verhogen. Door ernstig bloedverlies meteen adequaat te stelpen, worden levens gered.
Dat geldt natuurlijk ook voor meer alledaagse verwondingen waarbij levensbedreigend bloedverlies optreedt, bijvoorbeeld bij een val door een glazen deur of ernstige open botbreuken. Indien de toekomstige bewoners/gebruikers minder zelfredzaam zijn (bijvoorbeeld mensen met een beperking, ouderen of jeugdigen), is het van belang dat de vergunningverlener bij de burger aandacht besteedt aan de risico's, die wonen in de buurt van een spoorlijn en/of buisleiding met zich meebrengt. Daarnaast is het van belang dat de vergunningverlener aandacht besteedt aan de acties die een bewoner zelf kan ondernemen om zelfredzamer te worden.
68/768
24
Aanvullend advies Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland In maart 2021 is door de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) een aanvullend advies gegeven over de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied. Aanleiding van het advies is een notitie van ICS Adviseurs, waarin wordt aangegeven welke maatregelen worden gerealiseerd om voor de gebruikers van het schoolgebouw een veilige leefomgeving te creëren. De VNOG geeft in het advies aan om naar aanleiding van het eerder uitgebrachte advies en de notitie van ICS Adviseurs geen redenen te zien om nog verdere aanvullende maatregelen te adviseren. Het aanvullende advies van de VNOG is samen met de notitie van ICS Adviseurs als Bijlage 6 bijgevoegd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. 3.3.7
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd.
De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. Toetsing De nieuw te realiseren school wordt zowel als een hindergevoelige als hinderveroorzakende functie beschouwd. De ontwikkeling ligt op het (voormalige) bedrijventerrein De Mars. Dit bedrijventerrein wordt gedeeltelijk omgevormd. Rondom de ontwikkeling liggen diverse bedrijven, hierdoor is er sprake van een menging van gevoelige functies, zoals woningen en onderwijs, met bedrijven. De ontwikkeling ligt dan ook in een gebied dat kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Rondom het plangebied liggen de volgende typen bedrijven:
69/768
25
Bedrijvigheid in milieucategorie 2 en 3.1 (Coenensparkstraat 25, terrein voormalig in gebruik door Liander). Op het terrein staat tevens een gasontvangstation, categorie C. Dit gasontvangstation valt onder milieucategorie 2 blijkt uit de VNG-publicatie. Raab Karcher, groothandel in bouwmateriaal (Contrescarp 2). Op basis van de VNG-publicatie valt een groothandel in bouwmateriaal onder de milieucategorie 2. Bedrijvigheid met maximale milieucategorie 2 (Coenensparkstraat 36 en 38). Ness Köse Autoschade, autoschade reparatie (Dreef 18a). Op basis van de VNG-publicatie valt een autoschadebedrijf met autospuitactiviteiten onder de milieucategorie 3.1. Keukenland Design, showroom/verkoop keukens (Dreef 18d) Op basis van de VNG-publicatie valt een showroom van een keukenbedrijf onder de milieucategorie 1. Bedrijfsruimten op perceel Hermesweg 3. In deze bedrijfsruimten kunnen zich bedrijven vestigen met een maximale milieucategorie 2. Op grond van het bestemmingsplan 'Noorderhaven', vastgesteld in 2013 en het bestemmingplan 'De Mars midden en noord (veegplan)', vastgesteld in 2016, mogen zich rondom de ontwikkeling (nieuwe) bedrijven vestigen met een maximale milieucategorie 2.
In de navolgende tabel is een overzicht gegeven van de omliggende bedrijven, met de daarbij behorende bedrijfscategorie, de grootste richtafstand en de afstand tot aan de nieuwe gevoelige bestemming (schoolgebouw).
Uit de voorgaande tabel blijkt dat de afstand tussen het nieuwe schoolgebouw en de omliggende hinderveroorzakende functies voldoende groot zijn. Hinderveroorzakende functies in het plangebied De school wordt ook aangemerkt al een hinderveroorzakende functie ten opzichte van andere hindergevoelige functies (zoals woningen). Op basis van de VNG-publicatie valt een school voor voortgezet onderwijs onder de milieucategorie 2. De richtafstand tussen de school (schoolgebouw en schoolplein) bedraagt 30 m in geval van een rustige woonwijk en 10 m bij een gemengd gebied. De kortste afstand tussen de school en de nieuw te realiseren woningen ten westen van het plangebied (aan de overzijde van de Coenensparkstraat) bedraagt 22 m. De school voldoet daarmee aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. Akoestisch onderzoek Op basis van de voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de school voldoet aan de richtafstanden vanuit de VNG-publicatie. Om inzicht te geven in de geluidsbelastingen van de school (in verband met stemgeluid van leerlingen) ten opzichte van de nieuw te realiseren woningen ten westen
70/768
26
van het plangebied en de geluidsbelastingen van het bedrijf Raab Karcher (in verband met laden en lossen op het buitenterrein) ten opzichte van de school, is in juli 2021 aanvullend een akoestisch onderzoek uitgevoerd7. Dit onderzoek is als Bijlage 12 bijgevoegd. Geluidshinder afkomstig van de school Bij de omliggende woningen wordt er voldaan aan de grenswaarden voor de langtijdgemiddelde en de maximale geluidsbelastingen van uit het Activiteitenbesluit. Tevens wordt er voldaan aan de streefwaarde uit het gemeentelijke geluidbeleid. Hierdoor is er bij de omliggende woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geluidshinder afkomstig van de nieuwe school. Geluidshinder afkomstig van de Raab Karcher Bij de nieuwe school wordt er voldaan aan de grenswaarden voor de langtijdgemiddelde en de maximale geluidsbelastingen van uit het Activiteitenbesluit. Tevens wordt er voldaan aan de streefwaarde uit het gemeentelijke geluidbeleid. Hierdoor is er bij de nieuwe school sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geluidshinder afkomstig van Raab Karcher. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. 3.3.8
Water
Beleid Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning is vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor primaire taakgebieden van het waterschap: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. De gemeente Zutphen beschrijft in het Watertakenplan 2021-2025 hoe de aankomende jaren (2021-2025) invulling zal worden gegeven aan de gemeentelijke watertaken en hoe dit bijdraagt aan de ambities een groene, gezonde én klimaatbestendige gemeente te zijn.
Elke gemeente in Nederland heeft drie watertaken, ook wel zorgplichten genoemd, als het gaat om de (afval)waterketen in de gemeente: de afvalwaterzorgplicht, de hemelwaterzorgplicht en de grondwaterzorgplicht. In het Watertakenplan beschrijft Zutphen hoe zij als gemeente invulling geeft aan de zorgplichten. Situatie plangebied Door Buro Ontwerp & Omgeving is in juli 2020 een quickscan Water uitgevoerd8. Deze quick scan is als
71/768
27
Bijlage 7 bijgevoegd. Hierna wordt ingegaan op de conclusies uit dit advies. In de quickscan wordt tevens ingegaan op de ontwikkeling van woningen ten oosten van het plangebied. Dit deelgebied is momenteel braakliggend en wordt begrensd door de Hermesweg/Dreef aan de noordzijde. Ten oosten en ten zuiden bevinden zich enkele bedrijven. Aan de westzijde bevindt zich de Coenensparkstraat. Situatieschets medio 2012 In de navolgende tabel is de verhouding van verharde/onverharde oppervlakten medio 2012 voor voorliggend plangebied opgenomen. In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg geheel braakliggend.
Toekomstige situatie De school krijgt een gebruiksoppervlakte van ongeveer 7.000 m2 in meerdere bouwlagen hebben. In de quickscan is uitgegaan van het uitgangspunt dat het gehele terrein van de middelbare school verhard zal worden (worst-case scenario). Watertoets Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als erop een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord, is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord, dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. Als er alleen met 'nee' is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema's voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toetsvraag met 'ja' is beantwoord). Thema
Toetsvraag
Relevant
72/768
Intensiteit
28
Veiligheid
Riolering en Afvalwaterketen
Wateroverlast (oppervlaktewater)
Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast
Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer Volksgezondheid
Natte natuur
Verdroging Recreatie
Cultuurhistorie
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2.
Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee Nee
2 2
Ja Nee
2 1
Nee
1
Nee
2
Ja
1
Nee Nee
1 1
Nee
1
Nee Nee
1 1
Nee Nee
1 1
Nee
1
Nee Nee
1 2
Nee
1
Nee Nee Nee
1 2 2
Nee Nee Nee
1 1 1
Nee
2
Nee
1
Wateroverlast
73/768
29
Ten opzichte van de oorspronkelijke situatie is de verwachting dat het verhard oppervlak in het plangebied toeneemt met circa 1.000 m2. Bij de verdere uitwerking dient rekening gehouden te worden met de juiste aanlegniveaus zoals een verhoogd vloerpeil t.o.v. de weg om wateroverlast tegen te gaan. Omgang met hemelwater Ten behoeve van het geldende bestemmingsplan 'Noorderhaven' zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Er is onder andere een waterstructuur- en rioleringsplan opgesteld. In het rapport wordt inzicht gegeven in de huidige en gewenste rioleringssituatie op het industrieterrein en het daarvoor benodigde watersysteem. Uitgangspunten uit het bestemmingsplan 'Noorderhaven': Hemelwater dient bij voorkeur bovengronds aangeboden te worden; Binnen het bouwblok dient de opvang en verwerking van hemelwater maximaal te zijn, bij voorkeur zodanig dat geen hemelwater wordt afgevoerd naar openbaar gebied. Ondanks infiltratie kan noodoverloop bij hoge grondwaterstand en/of extreme neerslag incidenteel voorkomen; Binnen de openbare ruimte moet zelf worden voorzien in de eigen opvang en verwerking van hemelwater.
De samenhang met de bouwblokken dient slechts om overlast en calamiteiten te voorkomen; - Indien hemelwater vanaf een bouwblok naar het openbare gebied dient te worden afgevoerd (in uitzonderlijke situaties, ter voorkoming van overlast en calamiteiten) dan dient dit bij voorkeur via het oppervlak plaats te vinden; Het maaiveld dient zo te zijn ingericht dat tijdelijke berging van neerslag mogelijk is en niet leidt tot overlast. In het plan wordt voorzien in integratie van groen en waterberging. De waterberging staat derhalve niet op zichzelf, maar heeft een dubbel doel. Het gemeentelijke beleid voor het hemelwater stelt dat dit gescheiden moet worden gehouden van het huishoudelijk afvalwater. Daarnaast wordt het relatief schone hemelwater waar nodig vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Op basis van het Watertakenplan moet 60 mm neerslag op eigen terrein worden verwerkt en geïnfiltreerd. Deze 60 mm bestaat uit 40 mm berging, berekend over alle verharding binnen het plangebied en 20 mm aanvullende berging. Aan de zuidwestzijde van het plangebied zijn twee wadi's voorzien. Deze wadi's kunnen (mede) voorzien in de benodigde waterberging. Grondwater Gezien de grondwaterstand wordt geadviseerd om (eventuele) diepe ondergrondse parkeergelegenheden, waterdicht uit te voeren. Het onttrekken van grondwater wordt in verband met de aanwezige grondwaterverontreiniging afgeraden.
Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en er wordt geen oppervlaktewater aangelegd. Waterkering Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermingszone van een waterkering. Riolering Uitgangspunt voor de riolering in het ontwikkelingsgebied Noorderhaven is het afvoeren van afvalwater naar de rioolwaterzuivering via de verbeterd gescheiden riolering van het bedrijventerrein De Mars. Om de controle op lozing van afvalwater naar het rioolstelsel te waarborgen, dienen de bouwblokken op een beperkt aantal punten (1 tot maximaal 4) aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering. De
74/768
30
toename van het afvalwater is naar verwachting groter dan 1 m3 per uur. Binnen het plangebied ligt geen persleiding of rioolgemaal van het waterschap. Overleg Waterschap Rijn en IJssel Het ontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van de procedure aan het waterschap toegestuurd. De resultaten van dit overleg worden te zijner tijd in deze paragraaf opgenomen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.3.9
Archeologie en cultuurhistorie
Algemeen Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet in een toelichting van een bestemmingsplan bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Toetsing Archeologie Voor het plangebied zijn reeds meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat de op de archeologische waardenkaart aanwezige vestingwerken en gracht van de Lunetten van Coehoorn (ca. 1700-1710) in 1862/63 volledig blijkt te zijn vergraven voor de aanleg van nog modernere vestingwerken bij de komst van de spoorwegen. Daartoe werden de vestingwerken van Menno van Coehoorn ter plaatse volledig geslecht en afgegraven en won men tot grote diepte het zand voor de nieuwe vestingwerken en voor de spoordijk. Die afgravingen ten behoeve van de vestingwerken en het spoor zijn kort na 1875 omgevormd tot het Coenenspark. De locatie van het Kompaan College ligt geheel in het Coenenspark en voor het grootste deel in de voormalige waterpartijen (vijver) van dat park. Resten van vestingwerken zijn derhalve hier niet meer te verwachten.
De vijvers van het park zijn in diverse stadia tot 1917 gedempt met aangevoerd rivierzand. Er is dus geen aanleiding om in het plangebied archeologisch onderzoek te verrichten. Er worden geen archeologische relevante zaken bij de ontwikkeling van het plan geschaad. De archeologische waardenkaart zal worden aangepast met de vijvers van het Coenenspark als 'archeologische verstoord'. Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle lijnen of elementen aanwezig. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect cultuurhistorie. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.3.10 Ecologie Algemeen
75/768
31
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. Toetsing Quickscan natuurtoets Door Staring Advies is in juli 2019 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek worden hierna behandeld9. Het onderzoek is als Bijlage 8 bijgevoegd. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Grote delen van de nabijgelegen IJsseluiterwaarden vallen binnen het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit Natura 2000-gebied ligt op geringe afstand van het plangebied, vanaf circa 380 meter. Overige Natura 2000-gebieden, waaronder 'Landgoederen Brummen', 'Veluwe' en 'Stelkampsveld' liggen op ruimere afstand, vanaf 3,5 km. Uit een eerder uitgevoerd ecologisch onderzoek is gebleken dat de aanleg en de herontwikkeling van het plangebied niet zal leiden tot negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', mits wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden10 11 (zie Bijlage 9 en Bijlage 10). Wel dient een (nieuwe) effectbeoordeling naar stikstofdepositie te worden uitgevoerd. Hierop wordt verderop in deze paragraaf nader ingegaan. Het plangebied ligt niet in het GNN (Gelders Natuurnetwerk) of in een GO (Groene Ontwikkelingszone).
Het dichtstbijzijnde GNN natuurgebied is een oude meander van de IJssel 'De Overmarsch', ten westen van het plangebied. Dit gebied ligt op ruim 750 meter afstand van het plangebied. Directe negatieve effecten als oppervlakteverlies en versnippering op deze gebieden zijn daarmee uit te sluiten. Het GNN of de GO kent geen externe werking. Een toetsing van indirecte negatieve effecten van de ontwikkeling op het GNN of de GO is daarmee niet noodzakelijk. Soortenbescherming Voor de herontwikkeling van de Noorderhaven is reeds flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Op basis daarvan is ontheffing aangevraagd en verleend voor de soorten huismus, gierzwaluw en de vleermuissoorten gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Voor de quickscan natuurtoets is een actueel literatuur- en veldonderzoek verricht. Op basis van dit onderzoek, het reeds uitgevoerde onderzoek en de verleende ontheffing wordt het volgende geconcludeerd. Er dient bij de geplande ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met de huismus. In het plangebied zijn tijdelijke nestgelegenheden voor de huismus aangebracht, ter compensatie van de nesten in de reeds gesloopte bebouwing. Daarnaast zijn er nog groenstructuren in het plangebied aanwezig die het (tijdelijke) functioneel leefgebied van deze huismussen vormen.
De tijdelijke nestgelegenheden en bijbehorende groenstructuren mogen pas verwijderd worden als er voldoende permanente voorzieningen gerealiseerd zijn, conform het mitigatieplan dat in het kader van de ontheffing is opgesteld. Het verwijderen van de tijdelijke nestgelegenheden mag bovendien alleen als er geen actuele broedgevallen zijn. Naast het voorgaande zijn ook de de voorwaarden uit de reeds verstrekte ontheffing van toepassing.
76/768
32
Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een (nieuwe) ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde soort(groep)en is niet noodzakelijk. Stikstofberekening Door Buro Ontwerp & Omgeving is in mei 2021 een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd12. Het onderzoek is als Bijlage 11 bijgevoegd. In het onderzoek is een verschilberekening gemaakt, waarbij voor de referentiesituatie is uitgegaan van de mogelijkheid die het geldend bestemmingsplan biedt om op de locatie een bedrijf te vestigen. Uit het onderzoek komt naar voren dat bij de voorgenomen ontwikkeling van de middelbare school zowel in de realisatiefase (de bouw) als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr plaatsvindt ten opzichte van de referentiesituatie. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.3.11 Verkeer en parkeren Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. Toetsing Verkeer Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een nieuw schoolgebouw ten behoeve van een middelbare school. De school zal ruimte bieden aan circa 800 leerlingen. Voor wat betreft het te verwachten aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van de kengetallen van CROW13. Voor de school wordt uitgegaan van 'Middelbare school'.
Daarnaast wordt uitgegaan van de verstedelijkingsgraad 'sterk stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Functie
Aantal leerlingen
Categorie (op basis van kengetallen CROW)
Middelbare school
800
Middelbare school
Verkeersgeneratie per 100 leerlingen (gemiddeld) 14,3
Totaal
114,4
Het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie bedraagt op basis van de voorgaande uitgangspunten 114 per dag. Ten opzichte van de situatie in het verleden, toen het plangebied een bedrijfsfunctie had, zal het aantal verkeersbewegingen naar verwachting afnemen. Het plangebied wordt aan de noordoostzijde worden ontsloten op de Dreef.
77/768
33
Als gevolg van het initiatief zal het aantal fietsbewegingen van en naar het plangebied toenemen. De school is via de bestaande wegen en fietspaden te bereiken. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Voor de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van de gemeentelijke parkeernormen voor Noorderhaven (zie tevens Bijlage 1 bij de regels). Functie
Aantal leslokalen
Middelbare school
34
Categorie (op basis van parkeernorm) voortgezet onderwijs
Parkeernorm per leslokaal 0,5
Totaal 17
Het aantal benodigde parkeerplaatsen op basis van de parkeernorm bedraagt zeventien parkeerplaatsen. Het parkeren ten behoeve van de school vindt plaats aan de zuidoostzijde van het perceel. Hier zijn zeventien parkeerplaatsen beoogd (zie paragraaf 2.4). Daarnaast zijn aan de noordoostzijde vijf langsparkeerplaatsen voorzien. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de ontwikkeling. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 3.3.12 Economische uitvoerbaarheid Algemeen Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een bestemmingsplan onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In verband daarmee is eerst onderzocht of voor het onderhavige bestemmingsplan op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro de verplichting bestaat om één of meer exploitatieplannen vast te stellen. Op grond van artikel 6.12, lid 1 van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een in het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen.
Dit zijn de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer gebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro kan van deze verplichting worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren:
78/768
34
het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is, en; het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen niet noodzakelijk is. Voor de beoordeling van de vraag of het kostenverhaal anderszins verzekerd is, is de eigendomsituatie van belang. In het geval dat alle gronden binnen een exploitatiegebied eigendom zijn van de gemeente, kan de gemeente de kosten van de grondexploitatie verrekenen in de prijs van de uit te geven bouwrijpe kavels. In dat geval is het kostenverhaal afdoende anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Een andere mogelijkheid is dat de gemeente in een overeenkomst met de ontwikkelaar heeft vastgelegd hoe de kosten van de grondexploitatie worden verrekend. Ook in dat geval is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Toetsing De ontwikkeling van voorliggend plan betreft een gezamenlijk initiatief van de gemeente Zutphen en Stichting Achterhoek VO (stichting waartoe het Kompaan College behoort). Bekostiging vindt plaats conform de middelen die zijn opgenomen in het Masterplan Onderwijshuisvesting en komen ten laste van de 'reserve onderwijshuisvesting'. De gemeente heeft in de begroting budget voor de bouw van het schoolgebouw opgenomen. Daarnaast is in de begroting een bedrag opgenomen voor voorbereidingskosten voor het opstellen van het bestemmingsplan.
De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. Op grond van artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening behoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Conclusie Het aspect economische uitvoerbaarheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
79/768
35
Hoofdstuk 4
Juridische planaspecten
4.1
Algemeen
4.1.1
Wat is een bestemmingsplan
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid. 4.1.2
Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een dubbelbestemming Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
80/768
36
4.1.3
Hoofdstukindeling van de regels
De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. 4. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
4.2
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
81/768
37
4.2.1
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan
In dit bestemmingsplan is de bestemming 'Maatschappelijk' opgenomen. Hieronder volgt een korte toelichting op de genoemde bestemmingen. Maatschappelijk De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, groen- en speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, wegen en paden, geluidsafschermende voorzieningen, watergangen, waterpartijen en -infiltratievoorzieningen alsmede schouwpaden en andere voorzieningen voor de watervoorziening waaronder bodempassages en duikers. Binnen deze bestemming is één bouwvlak opgenomen. Het gebouw ten behoeve van de school moet binnen het bouwvlak worden gebouwd. Voor de maximale bouwhoogte is een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding opgenomen. Aan de zuidwestzijde van het gebouw is een overkraging voorzien. Deze overkraging bevindt zich buiten het bouwvlak. Ter plaatse van de overkraging is een specifieke bouwaanduiding opgenomen. In de regels is opgenomen dat ter plaatse van deze aanduiding ('specifieke bouwaanduiding – overkraging’) een overkraging buiten het bouwvlak toegestaan. Naast het schoolgebouw zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. In de bouwregels van deze bestemming zijn de maatvoeringseisen voor de bouw van deze bouwwerken opgenomen. 4.2.2
Algemene regels
Algemene aanduidingsregels Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 2 en Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 4 De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 2' en 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 4' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een adequaat grondgebruik ten behoeve van een bodemenergiesysteem voor energievoorziening middels 'koude-/warmteopslag' in de bodem. Ter bescherming van dit systeem omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.
is
voor
beide
beschermingsgebieden
een
Overige algemene regels Naast de bestemmingen en de hiervoor genoemde algemene aanduidingsregels, bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
82/768
38
Hoofdstuk 5 5.1
Procedure
Inspraak
Met de inwerkingtreding van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is de verplichte inspraak, alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen, komen te vervallen. Ook de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening verplicht gemeenten niet meer tot het bieden van de mogelijkheid tot inspraak. De gemeente Zutphen heeft een inspraakverordening. Het bevoegde orgaan, in dit geval burgemeester en wethouders, bepaalt of er gebruik wordt gemaakt van inspraak. Tevens bepaalt zij voor welke termijn er inspraak mogelijk is. Omdat er voor een ieder nog de gelegenheid bestaat zienswijzen naar voren te brengen wordt in dit geval geen gebruik gemaakt van inspraak.
5.2
Overleg
Conform artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van en bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De uitkomsten van dit overleg wordt te zijner tijd in deze of een andere paragraaf van het bestemmingsplan opgenomen.
5.3
Ontwerp
5.3.1
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 17 juni 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 5.3.2
Ambtshalve wijzigingen
Ambtshalve is het plan op een aantal onderdelen gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn doorgevoerd. Verbeelding Ter plaatse van een beoogde overkraging van het schoolgebouw is de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – overkraging’ opgenomen. Regels In artikel 1 is het begrip 'overkraging' toegevoegd. In artikel 3.2.1 is sub d toegevoegd. Deze bepaling regelt dat de overkraging onder voorwaarden is toegestaan. Toelichting Het akoestisch onderzoek verkeerslawaai is aangepast en als nieuwe Bijlage 2 bijgevoegd. Om die reden is paragraaf 3.3.4 ook aangepast. Het betreffen ondergeschikte aanpassingen die niet hebben geleid tot een inhoudelijke aanpassing aan het plan. De rapporten in het kader van het aspect externe veiligheid zijn aangepast en als nieuwe bijlagen 3, 4 en 5 bijgevoegd. Om die reden is paragraaf 3.3.6 ook aangepast. Het betreffen ondergeschikte
83/768
39
aanpassingen die niet hebben geleid tot een inhoudelijke aanpassing aan het plan. Er is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 12 bijgevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in paragraaf 3.3.7. In paragraaf 4.2.1 is de regeling ten behoeve van de overkraging nader toegelicht.
84/768
40
Eindnoten
1. Het gaat globaal om het stedelijk netwerk Stedendriehoek, bestaande uit delen van de gemeenten Apeldoorn, Deventer en Zutphen, met de daarbinnen gelegen kernen van de gemeenten Brummen, Lochem en Voorst. 2. Buro Ontwerp & Omgeving, 31 augustus 2021, Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai Noorderhaven, middelbare school, Zutphen, projectnummer 2920.01 3. https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/ 4. Kragten, 15 april 2021, Quickscan Externe Veiligheid, Noorderhaven te Zutphen, projectnummer WND662-0001 5. Kragten, 20 mei 2021, Externe veiligheid buisleidingen, Noorderhaven Zutphen, projectnummer WND663-0001 6. Kragten, 20 mei 2021, Verantwoording hoogte groepsrisico, Noorderhaven Zutphen, projectnummer WND662-0001 7. Buro Ontwerp & Omgeving, 27 juli 2021, Akoestisch onderzoek industrielawaai, Noorderhaven, middelbare school, Zutphen, projectnummer 2920.01 8. Buro Ontwerp & Omgeving, 30 juli 2020, Quickscan Water, Middelbare school en woningbouw Noorderhaven te Zutphen, projectnummer 2920.01 9. Staring Advies, 15 juli 2019, Quickscan natuurtoets, Noorderhaven in Zutphen, rapportnummer 1968 10. Arcadis, 5 juli 2010, Nader ecologisch onderzoek, Noorderhaven Zutphen, documentnummer 074897562:0.4!/AM 11. SAB, 19 september 2013, Activiteitenplan Flora en fauna, Zutphen, Noorderhaven, projectnummer 130314 12.
Buro Ontwerp & Omgeving, 17 mei 2021, Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Ontwikkeling middelbare school Noorderhaven te Zutphen, projectnummer 2920.01 13. CROW, december 2018, Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381
85/768
41
87/768
88/768
Ruimtelijke Onderbouwing
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Pierikstraat 11 te Gaanderen Kompaan College Noorderhaven te Zutphen Gemeente Doetinchem
Gemeente Zutphen
Projectnummer: 2920.01 Datum: 20 mei 2021
89/768
Inhoudsopgave Algemeen ............................................................................................................... 3 Toetsing ................................................................................................................. 4 2.1
Algemeen ................................................................................................................................................... 4
2.2
De kenmerken van het project ................................................................................................................... 4
2.3
De plaats waar de activiteit wordt verricht ............................................................................................... 5
2.4
De kenmerken van het potentiële effect .................................................................................................... 5
Conclusie ................................................................................................................ 7 Bijlage 1 Ecologisch onderzoek Bijlage 2 Stikstofberekening
90/768
2
Algemeen Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat in bijlage C er direct sprake is van een m.e.r.-plicht voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden en besluiten onder de drempelwaarden zijn niet m.e.r.-plichtig. Onderdeel D geeft aan of er voor besluiten beoordeeld moet worden of er m.e.r. noodzakelijk is. Voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Pas na het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r-beoordeling is duidelijk of er een M.E.R. moet worden opgesteld.
91/768
3
Toetsing 2.1
Algemeen Het initiatief ziet toe op het mogelijk maken van een nieuwe middelbare school ten behoeve van circa 800 leerlingen met bijbehorende buitenruimte en parkeerplaatsen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, wordt een bestemmingsplan in procedure gebracht. Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). De realisatie van een middelbare school met bijbehorende buitenruimte en parkeerplaatsen kan worden gekwalificeerd als "de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De activiteit valt ruim beneden de gestelde drempelwaarde, waardoor geen sprake is van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of de activiteit, wanneer deze onder de drempelwaarden zit, daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, waarbij het in het bijzonder moet worden nagegaan of sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij het bepalen van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wordt, conform de Bijlage III van de Europese Richtlijn, ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats waar de activiteit wordt verricht; • de kenmerken van het potentiële effect.
2.2
De kenmerken van het project Ten noorden van de spoorlijn Arnhem-Deventer ligt het transformatiegebied 'Noorderhaven'. In het verleden maakte dit gebied deel uit van bedrijventerrein 'De Mars'. Het onderzoeksgebied maakt deel uit van het transformatiegebied. In het onderzoeksgebied is een middelbare school ten behoeve van circa 800 leerlingen beoogd. Naast het schoolgebouw zal het onderzoeksgebied tevens ruimte bieden aan buitenruimte behorende bij de school en parkeerplaatsen. Met het plan is sprake van herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied.
92/768
4
2.3
De plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Zutphen ten noorden van de spoorlijn ArnhemDeventer en ten westen van de IJssel. De locatie kan omschreven worden als een stedelijk gebied. Op enige afstand van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (circa 400 m). Overige Natura 2000-gebieden, waaronder ‘Landgoederen Brummen’, ‘Veluwe’ en ‘Stelkampsveld’ liggen op ruimere afstand, vanaf 3,7 km. Navolgend is het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000gebied ‘Rijntakken’ weergegeven.
Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’
2.4
De kenmerken van het potentiële effect De omvang van het project ligt ver beneden de voor de m.e.r.-beoordeling gedefinieerde drempelwaarden. In de navolgende paragrafen van dit hoofdstuk is aangetoond dat voor deze ontwikkeling geen sprake is van negatieve effecten op het milieu. Op grond van de kenmerken van het plan en de ligging, kan de realisatie van de nieuwe middelbare school ten behoeve van circa 800 leerlingen met bijbehorende buitenruimte en parkeerplaatsen in potentie de volgende milieueffecten hebben: • verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving; • invloed op omliggende beschermde natuurgebieden.
2.4.1
Luchtkwaliteit Verkeer zorgt voor uitstoot van stikstofdioxide en fijn stof. Ten opzichte van de situatie in het verleden, toen het plangebied een bedrijfsfunctie had, zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Daarom zal het plan niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse.
93/768
5
2.4.2
Beschermde natuurgebieden Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Grote delen van de nabijgelegen IJsseluiterwaarden vallen binnen het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit Natura 2000-gebied ligt op enige afstand van het plangebied, vanaf circa 400 meter. Overige Natura 2000-gebieden, waaronder 'Landgoederen Brummen', 'Veluwe' en 'Stelkampsveld' liggen op ruimere afstand, vanaf 3,7 km. Uit ecologisch onderzoek van Arcadis uit 2010 is gebleken dat de aanleg en de herontwikkeling van het gebied Noorderhaven niet zal leiden tot negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', mits wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden 1. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het onderzoek. Het onderzoek is als bijlage 1 bijgevoegd. In het onderzoek werd niet ingegaan op de effecten van mogelijke stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van de ontwikkeling. Om die reden is door Buro Ontwerp & Omgeving in mei 2021 een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd2. Het onderzoek is als bijlage 2 bijgevoegd. In het onderzoek is een verschilberekening gemaakt, waarbij voor de referentiesituatie is uitgegaan van de mogelijkheid die het geldend bestemmingsplan biedt om op de locatie een bedrijf te vestigen.
Uit het onderzoek komt naar voren dat bij de voorgenomen ontwikkeling van de middelbare school zowel in de realisatiefase (de bouw) als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr plaatsvindt ten opzichte van de referentiesituatie. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of in een Groene Ontwikkelingszone (GO). Het dichtstbijzijnde GNN natuurgebied is een oude meander van de IJssel 'De Overmarsch', ten westen van het plangebied. Dit gebied ligt op circa 750 meter afstand van het plangebied. Directe negatieve effecten als oppervlakteverlies en versnippering op deze gebieden zijn daarmee uit te sluiten. Het GNN of de GO kent geen externe werking.
1 2
Arcadis, 5 juli 2010, Nader ecologisch onderzoek, Noorderhaven Zutphen, documentnummer 074897562:0.4!/AM Buro Ontwerp & Omgeving, 17 mei 2021, Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Ontwikkeling middelbare school Noorderhaven te Zutphen, projectnummer 2920.01
6 94/768
Conclusie Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten. Het bestemmingsplan voor de realisatie van de school in het onderzoeksgebied kunnen zonder m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.
95/768
7
Bijlage 1 Ecologisch onderzoek
96/768
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
GEMEENTE ZUTPHEN DEFINITIEF
5 juli 2010 074897562:0.4!/AM B02041.100001
97/768
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
Inhoud 1
Inleiding ____________________________________________________________________ 4 1.1 Aanleiding _______________________________________________________________ 4 1.2 Doel ____________________________________________________________________ 4 1.3 Werkwijze _______________________________________________________________ 4 1.4 Leeswijzer _______________________________________________________________ 5
2
Wettelijk kader ______________________________________________________________ 6 2.1 Inleiding_________________________________________________________________ 6 2.2 Gebiedsbescherming ______________________________________________________ 6 2.2.1 Natuurbeschermingswet 1998 ________________________________________ 6 2.2.2 Ecologische Hoofdstructuur (EHS) _____________________________________ 9 2.3 Soortenbescherming _____________________________________________________ 11 2.3.1 Flora- en faunawet ________________________________________________ 11
3
Projectgebied_______________________________________________________________ 16 3.1 Plannen ________________________________________________________________ 16 3.2 Aanwezige natuurwaarden ________________________________________________ 16
4
Toetsing Flora- en faunawet _________________________________________________ 18 4.1 Inleiding________________________________________________________________ 18 4.2 Resultaten inventarisaties _________________________________________________ 18 4.2.1 Vaatplanten ______________________________________________________ 18 4.2.2 Broedvogels ______________________________________________________ 19 4.2.3 Steenmarter ______________________________________________________ 19 4.2.4 Vleermuizen ______________________________________________________ 20 4.3 Conclusies ______________________________________________________________ 22
5
Toetsing Natuurbeschermingswet ____________________________________________ 24 5.1 Inleiding________________________________________________________________ 24 5.2 Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel _____________________________________ 24 5.2.1 Aanwezige beschermde natuurwaarden_______________________________ 26 5.3 Effecten ________________________________________________________________ 27 5.3.1 Effecten tijdens de aanlegfase _______________________________________ 27 5.3.2 Effecten gebruikersfase_____________________________________________ 28 5.3.3 Effecten op soorten ________________________________________________ 29 5.3.4 Cumulatieve effecten ______________________________________________ 31 5.4 Inrichting en activiteiten in de uiterwaarden __________________________________ 31 5.4.1 Huidig gebruik van de uiterwaarden __________________________________ 32 5.4.2 Beoordeling Plannen _______________________________________________ 32 5.4.3 Randvoorwaarden _________________________________________________ 33 5.5 Conclusie_______________________________________________________________ 33
074897562:0.4!
98/768
ARCADIS
2
NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK NOORDERHAVEN ZUTPHEN
6
Toetsing Ecologische Hoofdstructuur _________________________________________ 34 6.1 Kenmerken en waarde van de EHS _________________________________________ 34 6.2 Toetsing________________________________________________________________ 34
7
Conclusies en aanbevelingen ________________________________________________ 35 7.1 Flora- en faunawet_______________________________________________________ 35 7.2 Natuurbeschermingswet __________________________________________________ 35 7.3 Ecologische Hoofdstructuur _______________________________________________ 35