1106916 - Bijlage 14 - Vormvrije mer Wimaplant
Tekst van het document
2.6.2
Deelgebied 2A/2B/2C Dit bestemmingsplan voorziet in het wegbestemmen van de glastuinbouwfunctie in deelgebieden 2A/2B/2C. Het wegbestemmen van de glastuinbouwfunctie leidt per definitie tot een betere uitgangspositie qua milieuzonering. Er wordt immers vanuit gegaan dat de deelgebieden in de toekomstige situatie als agrarisch grasland worden ingevuld. Volgens de VNG geldt hiervoor geen afstandsnorm. Verder onderzoek van de milieuzonering in de deelgebieden 2A/2B/2C is derhalve niet noodzakelijk. Wel dient hier nog te worden herinnerd aan het feit dat de bestemming van de bestaande bedrijfswoning wordt gewijzigd naar een burgerwoning. Dit houdt in dat overlast in de woning van agrarische werkzaamheden dient te worden voorkomen. Dit wordt onder andere gegarandeerd doordat er rondom de woning een spuitzone bestaat van 50 meter. In de beoogde situatie is het dus niet toegestaan om binnen een straal van korter dan 50 meter op de woning te spuiten.
2.6.3
Conclusie: Milieuzonering Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
2.7
Licht In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden beschouwd of en in welke mate een herbestemming mogelijk kan leiden tot lichtoverlast op omliggende bebouwing. In onderstaande paragraaf wordt deze mogelijke vorm van overlast beschreven.
© Looije Agro Technics BV, 2025
27
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.7.1
Toepassing assimilatiebelichting deelgebied 1 Aangezien een deel van deelgebied 1 in de beoogde situatie de bestemming glastuinbouw krijgt toebedeeld, moet er worden beschreven of er op dit gebied assimilatiebelichting gaat worden toegepast in het glastuinbouwbedrijf. Assimilatiebelichting wordt in de glastuinbouw toegepast om de teelt van extra licht te voorzien. Dit heeft een positief effect op de groei van de planten/bloemen. Wimaplant is niet voornemens om op het toekomstige glastuinbouwbedrijf assimilatiebelichting in de kas toe te passen. Overigens blijft wimaplant wel assimilatiebelichting gebruiken in een deel van de bestaande kas aan Hoveniersweg 18. Wel zal er in en rondom het glastuinbouwbedrijf gebruik worden gemaakt van conventionele verlichting met het oog op veiligheid en inbraakpreventie. Dit betreft belichting van het teeltpad, loods en kantoorruimtes op basis van aanwezigheid (schakling of sensor). Ook zal het buitenterrein waar nodig worden belicht met het oog op veiligheid/inbraakbeveiliging. Hiervan wordt niet verwacht dat er enig overlast zal ontstaan, omdat deze terreinverlichting in bescheiden mate zal worden toegepast. Maar ook vanwege de relatief ruime afstand tot de eerste woningen vanaf het terrein.
Er zal worden geprobeerd om met het gebruik van conventionele verlichting een juiste balans te vinden tussen functionaliteit en mogelijke overlast die als gevolg hiervan zou kunnen ontstaan.
2.7.2
Lichteffecten deelgebieden 2A/2B/2C Op de deelgebieden 2A, 2B en 2C wordt momenteel een glastuinbouwbedrijf beheerd. In de beoogde situatie worden deze kassen gesloopt en zal er dus geen gebruik kunnen worden gemaakt van assimilatiebelichting. De toekomstige bestemming Agrarisch maakt impliceert dat er geen sprake kan zijn van overlast door licht door assimilatiebelichting of een andere vorm van lichthinder.
2.7.3
Conclusie: Licht Het aspect licht vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
2.8
Geluid In deze paragraaf wordt het aspect ‘geluid’ beschreven waarbij de Wet geluidhinder en het gemeentelijk beleid geluidshinder de uitgangspunten vormen.
2.8.1
Toepassing Wet geluidhinder Om mogelijke geluidseffecten als gevolg van een ruimtelijk plan in te schatten, en gevoelige functies te beperken, is de Wet geluidhinder (wgh) opgesteld. De Wgh geeft aan welke afstand dient te worden aangehouden voor evt. nieuwbouw, of de implementatie van nieuwe installaties die mogelijk kunnen zorgen voor geluidsoverlast. Van nieuwe technieken op basis van de te verwachte geluidseffecten ten aanzien van geluidsgevoelige objecten. In de Wgh zijn grenswaarden opgesteld. Deze afstandswaarden tot woningen of andere geluidsgevoelige objecten, is minimaal 30 meter. Zoals hierboven al is aangehaald (zie paragraaf milieuzonering) bevindt er zich een verblijfsobject binnen 30 meter vanaf de perceelsgrens waarop de nieuwe kas wordt gebouwd. Dit verblijfsobject fungeert echter niet als woning. Hier verblijven immers geen personen. Als er op het perceel personen verblijven, verblijven die personen zich in caravans aan de andere zijde van het perceel. Bovendien kan worden gesteld dat er binnen de 30 meter straal, er zich op het terrein geen geluidsbronnen bevinden. Binnen deze straal ligt namelijk het hemelwaterbassin. Er bevinden zich dus geen woningen binnen een straal van 30 meter ten opzichte van de uitbreiding van de inrichting Wimaplant.
Wel bevinden er zich woningen op relatief korte afstand van de Sprabanenweg, die onderdeel uitmaakt van deelgebied 1. De consequenties hiervan worden hieronder besproken.
© Looije Agro Technics BV, 2025
28
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.8.2
Wet geluidshinder reconstructie Als onderdeel van de bestemminsplanwijziging wordt er onder andere voorzien in de wijziging van de toegangsweg (Sprabanenweg). De Wgh bevat een instrument om te controleren of geluidsgevoelige objecten te maken zullen krijgen met geluidsoverlast. Dit betreft de reconstructie van een weg. Als onderdeel van het bestemmingsplan wordt de Sprabanenweg verbreed. Dit zorgt ervoor dat de Wgh reconstructie in werking treedt. De treedt namelijk in werking als er sprake is van een van de volgende voorwaarden: Een gemeentelijke weg wordt fysiek gewijzigd; Een gemeentelijke weg zorgt in de toekomst voor significant meer geluid (2dB toename) op geluidsgevoelige bestemmingen. Er wordt vanuit gegaan dat er hier sprake is van een fysieke wijziging. Daarom werd er een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de verbreding van de Sprabanenweg en worden de evt. geluidseffecten als gevolg hiervan berekend. Hoewel er zich namelijk geen woningen bevinden rondom de uitbreidingszone van de inrichting wimaplant, bevinden er zich wel woningen op een korte afstand van de Sprabanenweg waarover al het (vracht)verkeer wordt geleid richting het nieuwe bedrijf. Het akoestisch onderzoek omvat dus slechts de effecten van verkeersbewegingen over de Sprabanenweg. Evt.
geluidseffecten als gevolg van het gebruik van de kas zijn niet in het rapport opgenomen, vanwege de ruime afstand van het nieuwe bedrijf, tot bestaande woningen. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de maximale geluidsbelasting (afgerond) ten hoogste 42 dB bedraagt op de meest nabijgelegen woning aan de Hoveniersweg. Aangezien deze belasting lager is dan de norm (48 dB) is er geen toename met meer dan 2dB.
2.8.3
Toepassing gemeentelijk geluidsbeleid De gemeente Zutphen heeft in 2015 het gemeente geluidsplan Zutphen 2015-2025 uitgegeven. Met het geluidsplan wil de gemeente Zutphen aanvullingen doen op de Wgh, en waar nodig maatwerk leveren om extra in te kunnen zetten op het beperken van (toekomstig) structureel geluidsoverlast. Het doel van de gemeente is dan ook om de huidige geluidskwaliteit waar deze naar wens is, te behouden. Maar daarnaast is het en doel om de geluidskwaliteit te verbeteren. Om de geluidssituatie te verbeteren past de gemeente de zg. MILO-systematiek toe (milieukwaliteiten in de leefomgeving). In de MILO worden de geluidseffecten van een specifieke zone vertaald naar geluidsklassen die worden weergegeven met een getal, een woord en een kleur. Deze verschillende zones worden eveneens onderverdeeld in de categorieën wegverkeer, railverkeer en industrie/bedrijven. Door dit systeem, is er een matrix opgemaakt, waarin de verschillende zones binnen de gemeente een geluidsklasse toebedeeld hebben gekregen. De matrix is in bijlage 1 weergegeven. Op basis van de uitkomst in deze matrix kan worden bepaald of er maatregelen dienen te worden genomen. In het geluidsplan wordt aangegeven dat er mogelijk maatregelen dienen te worden genomen, indien er sprake zal zijn van nieuwe situaties. Volgens het beleidsdocument wordt onder nieuwe situaties verstaan: 1.
De aanleg van een nieuwe weg of spoorlijn bij bestaande woningen; 2. De bouw van woningen bij een bestaande weg of spoorlijn; 3. Reconstructies en onderhoud aan wegen. Aangezien de beoogde ruimtelijke ontwikkeling geen van bovenstaande initiatieven behelst, kan er worden gesteld dat er op basis van de beoogde ontwikkeling geen maatregelen dienen te worden genomen. Althans, op basis van het gemeentelijk geluidsplan.
© Looije Agro Technics BV, 2025
29
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Naast het geluidsplan 2015-2025 kent de gemeente Zutphen nog diverse andere beleidsdocumenten ten aanzien van het aspect geluid. Zo zijn in 2014 de Beleidsregels evenementen gemeente Zutphen 2014 opgesteld. Dit beleid betreft geluidsnormen ten aanzien van (tijdelijke) evenementen, en is dus niet van toepassing op het beoogde initiatief. Daarnaast is er nog een speciaal geluidsbeheersplan voor de bedrijvenzone De Mars, en voor het spoorwegemplacement. Aangezien het plangebied geen onderdeel uitmaakt van de bedrijvenzone de Mars, en eveneens niet van het spoorwegemplacement, zijn Zonebeheerplan voor het industrieterrein de Mars (2011) en het geluibeleid spoorwegemplacement Zutphen (2010) niet op het plangebied van toepassing. 2.8.4
Toepassing geluidseffecten glastuinbouw Uit bovenstaande paragrafen is al gebleken dat het deelgebied 1 zich op voldoende afstand van woningen (en andere gevoelige functies) bevindt. Ook is al gebleken dat het plan niet aan specifiek gemeentelijk beleid en dient te voldoen dat maatwerk niet is vereist.
2.8.5
Conclusie: Geluidseffecten Het aspect geluid vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Dit wordt bevestigd door het akoestisch onderzoek dat werd uitgevoerd.
2.9
Geur Met het oog op de mogelijke geureffecten als gevolg van ruimtelijke plannen, kan er worden gekeken naar de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). In de Wgv (2007) staan de afstandsnormen met betrekking tot mogelijke geureffecten die een geureffecten-producerend bedrijf kan hebben op geurgevoelige objecten.
2.9.1
Toepassing Wgv op het plangebied: Deelgebied 1 Zoals gesteld is de Wgv opgesteld om geurgevoelige objecten te beschermen tegen geuroverlast die kan ontstaan bij het houden van landbouwdieren. Deze afstandsnormen staan in het Activiteitenbesluit Milieubeheer onder paragraaf 3.5.8. De afstandsnorm is afhankelijk van het feit of er sprake is van een geuremissiefactor. Maar over het algemeen kan worden gesteld dat de minimumnorm 100 meter binnen de bebouwde kom bedraagt. Buiten de bebouwde kom is de minimale afstand van een bedrijf dat vee houdt, tot een geurgevoelig object minimaal 50 meter. Met het oog op het ruimtelijk plan kan er worden gesteld dat er sprake is van een plantenproductiebedrijf. Er is hier geen sprake van het houden van dieren. Dit houdt in dat de daarbij behorende geuremissies of de afstandsnormen waaraan dient te worden getoetst, voor het glastuinbouwbedrijf niet van toepassing zijn. Er hoeft dus niet aan de geuremissienormen van het Wgv te worden getoetst. Gezien de aard van de activiteiten en het type teelt, is het sowieso aannemelijk dat er geen sprake zal zijn van geur of geuroverlast.
2.9.2
Toepassing Wgv op het plangebied: Deelgebied 2A/2B/2C Met het oog op de beoogde bestemmingswijziging voor deelgebieden 2A, 2B en 2C kan in de huidige situatie het bovenstaande argument worden toegepast voor de huidige situatie. In de toekomstige situatie echter, is er sprake van de bestemming Agrarisch. De beoogde bestemming staat echter het houden van dieren op deze locaties niet toe. De bestemming staat slechts toe dat er vollegrondsteelt wordt uitgevoerd. In dit geval kan dus worden gesteld dat deelgebied 2A, 2B en 2C geen geuroverlast als gevolg van het houden van dieren in de beoogde situatie zullen veroorzaken. De Wgv is dan ook in de beoogde situatie niet van toepassing.
© Looije Agro Technics BV, 2025
30
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Om te voorkomen dat het uitrijden van dierlijke mest op agrarische grond leidt tot geuroverlast bij burgerwoningen, is er naast de spuitvrije zone van 50 meter eveneens een bemestingsvrije zone van 30 meter in de bestemmingsplanregels opgenomen. Deze geldt voor burgerwoningen, maar niet voor agrarische bedrijfswoningen. 2.9.3
Conclusie: Geur Het aspect geur vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
2.10
Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer worden de regels ten aanzien van de luchtkwaliteit beschreven, waaronder grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen. De Wet luchtkwaliteit werkt door in twee besluiten: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen; • Besluit gevoelige bestemmingen. Deze twee besluiten worden hieronder toegelicht
2.10.1
Besluit en Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) geeft een handvat om te bepalen of een project dient te worden getoetst op mogelijke luchtverontreiniging als gevolg van het project. Uit het besluit NIBM kan worden berekend of er toetsing dient plaats te vinden. Deze toetsingsgrens van toename “niet in betekenende mate” wordt gesteld op 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het betreft dan een toename van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
2.10.2
Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen is in het leven geroepen om mensen die extra gevoelig zijn voor een afnemende luchtkwaliteit extra te beschermen. Dit wordt gedaan door de verblijfslocaties van deze extra gevoelige mensen te labelen als ‘gevoelige’ bestemming. Het betreft dan scholen, kinderdagverblijven, verzorgingstehuizen, verpleeghuizen en bejaardenhuizen. Bij plannen om provinciale of snelwegen aan te leggen in de nabijheid van deze gevoelige functies, wordt de toetsing afname luchtkwaliteit uitgevoerd volgens de Wet luchtkwaliteit, en dus niet volgende NIBM.
2.10.3
Toelichting verkeersbewegingen Deelgebied 1 In de huidige situatie leiden alle (vracht)bewegingen die zich naar het bedrijf van Wimaplant begeven naar verschillende locaties, namelijk naar productlocatie 1 (Voorste Overmarsweg 1), productlocatie 2 (Hoveniersweg 15), en productielocatie 3 (Hoveniersweg 18). Nadat de nieuw beoogde kas zal zijn gebouwd, zullen productielocatie 2 en 3 stapsgewijs buiten gebruik worden gesteld en gesaneerd en zal het verkeer van en naar die locatie dus volledig verdwijnen. In paragraaf 2.14 wordt hier verder op ingegaan. Toetsing luchtkwaliteit deelgebied 1 Op basis van het NIBM is er een tool ontwikkeld waarmee de toename kan worden gecontroleerd, en om te zien of er sprake moet zijn van een uitgebreide toetsing. In het kader van het ruimtelijke plan, is uit deze tool gebleken dat verder onderzoek niet noodzakelijk is.
© Looije Agro Technics BV, 2025
31
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Door in de tool de verwachte toename in verkeersbewegingen in te voeren, met een verduidelijking van het percentage wat hiervan vrachtverkeer zal zijn, wordt berekend welke effect dit zal hebben op de luchtkwaliteit. Er is ingevoerd dat er wordt verwacht het plan in 2024 te realiseren, en dat er sprake zal zijn van een toename van 204 stuks (weekdaggemiddelde). Het hierbij horende percentage vrachtverkeer is verwacht op 30%. Dit leidt tot en toename die onder de gestelde norm ligt. Hieruit blijkt dat verder onderzoek naar de verwachte luchtkwaliteit in de beoogde situatie niet vereist is. De resultaten en invoer zijn in bijlage 2 terug te vinden. 2.10.4
Toelichting verkeersbewegingen deelgebied 2A/2B/2C In de huidige situatie waarin op deelgebieden 2A, 2B en 2C sprake is van glastuinbouw, is er sprake van dagelijkse verkeersbewegingen. Hetzij met personenvervoer, hetzij met vrachtvervoer. In de toekomstige situatie zullen deze kassen zijn gesloopt en zal er slechts incidenteel sprake zijn van verkeer naar en van de deelgebieden in de vorm van agrarische voertuigen. Deze hoeveelheden zijn aanzienlijk minder dan de hoeveelheden die zich in de huidige situatie manifesteren. Er hoeft om deze reden geen NIBM toetsing voor deelgebieden 2A, 2B en 2C te worden uitgevoerd. In paragraaf 2.14 wordt hier verder op ingegaan.
2.10.5
Conclusie: Luchtkwaliteit Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
2.11
Externe veiligheid In bovenstaande paragrafen is ingegaan op de effecten die het ruimtelijk plan kan hebben op de omgeving, inclusief gevoelige objecten en de zich hierin bevindende bewoners/ gebruikers. Maar een ruimtelijk plan heeft niet alleen invloed op de omgeving zelf. De bestaande omgeving kan ook een effect hebben op het beoogde plan, en de hier geplande bebouwing, activiteiten en medewerkers. Door middel van een toetsing externe veiligheid worden de mogelijke gevaarlijke effecten vanuit de omgeving op het plangebied zelf in kaart gebracht. De noodzaak om inzicht te krijgen in de mogelijke risico’s op het plangebied vloeien voort uit: • Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • Het Besluit buisleiding externe veiligheid (Bevb). Bovenstaande wetgeving omtrent veiligheidsrisico’s dient te worden beoordeeld voor twee risiconormen, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor deze risiconormen geldt dat de mate van impact op het plangebied wordt bepaald aan de hand van de afstand tussen het plangebied en de risicobron,
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de mate van het risico dat een willekeurige persoon loopt als hij/zij zich onafgebroken en onbeschermd op een specifieke plaats loopt om te overlijden op deze locatie. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom een risicobron. De grensnorm hierbij is het risico 10−6/jaar. Dit houdt in dat de kans op overlijden voor een persoon niet groter mag zijn dan 1 op de 1 miljoen per jaar.
© Looije Agro Technics BV, 2025
32
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Groepsrisico Waar bij het PR de norm wordt gesteld op de verwachting dat een enkel persoon komt te overlijden als gevolg van een specifiek risico, is bij het groepsrisico (GR) de cumulatieve overlijdenskans voor 10 of meer personen leidend. Het betreft hier de kans dat 10, 100 of 1.000 personen per jaar overlijden als gevolg van hun aanwezigheid op een specifieke locatie. Deze locatie valt dan binnen een invloedssfeer van een bepaalde inrichting waarbinnen gevaarlijke stoffen of afvalstoffen worden gebruikt of worden opgeslagen. Het GR wordt niet gedefinieerd door een grensnorm zoals bij het PR. Maar het GR wordt weergegeven in een grafiek, waarbij het aantal potentiële slachtoffers tegenover de jaarlijkse kans op een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen wordt gezet. Aangezien er geen grensnorm geldt, maar omdat het overlijdensrisico wordt aangegeven in een grafiek is de verantwoordingsplicht minder goed te kwantificeren. De verantwoording voor een betreffende instelling wordt dan ook niet kwantitatief, maar kwalitatief bepaald, met een zogenaamde verantwoordingsplicht. 2.11.1
Toepassing externe veiligheid: deelgebied 1 Om de risico’s voor het plangebied te bepalen, moet worden gekeken naar een risicokaart. De risicokaart geeft een beeld van de in de omgeving aanwezige risicovolle inrichtingen en infrastructuur. De risicokaart is beschikbaar via de Atlas Leefomgeving.
Figuur 10. Weergave plangebied op de risicokaart. Bron: Looije Agro Technics, op basis van www.atlasleefomgeving.nl
Kijkend naar het plangebied – deelgebied 1 op de risicokaart (oranje kader – indicatief) vallen er een aantal zaken op. In onderstaande tabel worden de risico’s op het plangebied aangeduid. Nr. 1
Risicobron Hogedruk (Bevb)
2
Inrichtingen (Bevi)
aardgasleidingen
© Looije Agro Technics BV, 2025
Invloed op het plangebied Er bevinden zich op het plangebied geen hogedruk aardgasleidingen. Er bevindt er zich wel één op ca. 300 meter afstand van het deelgebied 1. Er bevinden zich ten aanzien van deelgebied 1 geen inrichtingen onder het Bevi waarvan het invloedsgebied zich uitstrekt tot deelgebied 1.
33
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
3
Transport gevaarlijke stoffen over het water (Bevt)
4
Transport gevaarlijke stoffen per spoor (Bevt)
5
Transport van gevaarlijke stoffen per wegvervoer (Bevt)
Er bevinden zich rondom deelgebied 1 geen vaarwegen met gevaarlijke stoffen waarvan het invloedsgebied zich uitstrekt tot het plangebied. Er bevindt zich een vaarweg die onderdeel uitmaakt van het Bevt op ca. 500 meter afstand van het plangebied. Er bevinden zich rondom het plangebied geen spoorwegen die vallen onder het Bevt. Het direct ten westen van het plangebied gelegen traject ApeldoornZutphen valt hier niet onder. Er bevinden zich op of rondom het plangebied geen wegen die vallen onder het Bevt.
Tabel 18: Weergave risico's op het plangebied op basis van de risicokaart.
Aangezien er uit de risicokaart blijkt dat er geen sprake is van GR of PR, dient het risico ten aanzien van de beoogde plannen uitgebreid te worden verantwoord. De afstand tussen deelgebied 1 en de aanwezige risicobronnen is dusdanig groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Hieronder volgt de e verdere motivering van het aspect externe veiligheid beperkt tot een beschrijving van de aspecten ‘bestrijdbaarheid’ en ‘zelfredzaamheid’ (zie hieronder). Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwingsen alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende. 2.11.2
Toetsing externe veiligheid: deelgebied 2A/2B/2C De sanering van de kassen in de deelgebieden 2A, 2B en 2C leidt niet tot aanvullende bebouwing. Sterker nog, de bestaande bebouwing zal worden gesloopt, en daarmee zullen er zich standaard geen personen op de deelgebieden aanwezig zijn. Hiermee bestaat er geen verder aanleiding om deze deelgebieden op externe veiligheid te toetsen.
© Looije Agro Technics BV, 2025
34
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.11.3
Gemeentelijk beleid externe veiligheid In 2015 nam de gemeente Zutphen een beleidsvisie externe veiligheid aan. In deze beleidsvisie werd uiteengezet hoe de gemeente het woon- en leefklimaat veiliger wil maken, en welke knelpunten bestaan die hierin belemmerend zijn. Dit betrof in 2015 twee tankstations (een aan de Harenbergweg, en een aan de Industrieweg. Verder wordt er in het beleidsdocument gesteld dat risicogebonden activiteiten dienen plaats te vinden in de bedrijventerreinen, met name de noordzone van De Mars. Ten aanzien van het buitengebied wordt gesteld dat de relatief grote afstand tussen de bebouwing enige risico (er wordt hierbij genoemd de aanwezigheid van propaantanks) aanvaardbaar wordt geacht. Het gemeentelijk beleid geeft geen breder beeld van hoe de gemeente aankijkt tegen de risico’s die een glastuinbouwbedrijf op de Hoven Noord zou hebben, of dat er ten aanzien van aanwezige risico’s nog zaken zullen worden verwijderd.
2.11.4
Conclusie: Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
2.12
Cultuurhistorische waarden De gemeente Zutphen kent tal van monumenten en cultuurhistorische sites. Om te waarborgen dat de cultuurhistorische waarde van een plangebied niet wordt geschonden, is er ten aanzien van nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau beleid geïmplementeerd om de cultuurhistorische waarde van deze sites te waarborgen. Hieronder wordt besproken op welke wijze de wet- en regelgeving op de diverse niveaus impact heeft op de (mogelijk) aanwezige cultuurhistorische sites die aanwezig kunnen zijn op het plangebied, en op welke wijze dit beleid de bestaande waarde van deze evt. aanwezige sites waarborgt.
2.12.1
Nationale wetgeving cultuurhistorisch behoud Vanaf 1 juli 2016 geldt in Nederland de Erfgoedwet,7 waarin wordt bepaald op welke wijze erfgoed van nationaal belang dient te worden beschermd, en welke instantie(s) hierin de verantwoordelijkheid heeft/ hebben. Ook wordt in deze Erfgoedwet aangeduid hoe het toezicht op deze verantwoordelijke instantie(s) is geregeld. Dit varieert naar gelang het historische belang van het erfgoed in kwestie, de locatie ervan, en het historisch beheer/ bezit van dit specifieke erfgoed. Zo heeft het Rijk de taak om diverse sets erfgoed te beheren en/of op juist particulier beheer toe te zien. In veel instanties echter, heeft het Rijk deze taak doorgegeven aan de Provincie. Met het oog op het plangebied is het overduidelijk dat er op locatie geen sprake is van (onderdelen van) Rijkserfgoed.8 Er hoeft hier dan ook geen rekening mee te worden gehouden, maar dit betekent niet dat er geen provinciaal of gemeentelijk erfgoed op locatie is te bekennen.
2.12.2
Provinciale wetgeving cultuurhistorisch behoud De Provincie Gelderland heeft om de cultuurhistorische waarden juist te duiden, een erfgoedkaart opgemaakt, waarin alle 6.300 rijksmonumenten en alle 12.500 gemeentelijk cultuurhistorische monumenten staan weergegeven. Uit deze kaart blijkt dat er zich op het plangebied volgens de Provincie geen historisch landschap of – stedenbouw bevindt.
7
Voluit genoemd: de Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultuur erfgoed.
8
Zie de Erfgoedmonitor, op Swing Viewer - Archeologische - Nederland (cultureelerfgoed.nl)
© Looije Agro Technics BV, 2025
35
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Toetsing provinciale cultuurhistorische sites: deelgebied 1 In figuur 1 worden de meest nabijgelegen cultuurhistorische en archeologische elementen rondom het deelgebied 1 (aangeduid met het rode kader) weergegeven. Zoals uit de kaart blijkt, is de hoeveelheid hiervan beperkt. De paars aangeduide polygonen betreffen archeologische verwachtingszones (zie paragraaf 1.2). Op iets grotere afstand bevindt zich de archeologische site van het voormalige kasteel De Marsch. Dit bevindt zich echter op dusdanig grote afstand van het plangebied dat er volgens de Provinciale kaart geen cultuurhistorisch landschap of bebouwing op het plangebied aanwezig is. Toetsing provinciale cultuurhistorische sites: deelgebied 2A/2B/2C Aangezien deelgebieden 2A, 2B en 2C momenteel vrijwel geheel bebouwd zijn en in gebruik worden genomen door de bestaande glastuinbouwsites is uitgesloten dat zich hier cultuurhistorische sites bevinden.
Figuur 11. Weergave Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie - kaart van de Provincie Gelderland. Het deel van plangebied 1 waar de glastuinbouwbestemming is voorzien is met het rode kader aangeduid. Bron: Looije Agro Technics, op basis van historische landschap, historische stedenbouw en archeologiekaart, Provincie Gelderland. 2.12.3
Gemeentelijk beleid cultuurhistorische waarden Als onderdeel van de verplichting voor gemeenten onder het Bro dat gemeenten per 1 januari 2012 bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening dienen te houden met cultuurhistorische waarden, werd vanaf september 2013 door de gemeente Zutphen de Werkwijze bouwhistorie vastgesteld, waarin werd toegewerkt naar een gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart (CHWK). Met deze CHKW kunnen de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen de gemeente duidelijk worden herkend en is het gemakkelijker om de effecten van ruimtelijke plannen beter te schalen. Er dient te worden aangetoond hoe er bij de implementatie hiervan rekening wordt gehouden met deze cultuurhistorische waarden. De CHWK werd in 2014 gepresenteerd en vastgesteld.
© Looije Agro Technics BV, 2025
36
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
De CHWK Zutphen echter, omvat niet de gehele gemeente, maar is slechts gericht op die zones die van oudsher als cultuurhistorisch interessant worden verwacht. Dit betreft de stadskern en andere historische zones, maar het plangebied zoals hierboven werd aangeduid, valt hierbuiten. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er volgens de gemeente geen cultuurhistorische waarden binnen het plangebied vallen. 2.12.4
Conclusie: Cultuurhistorische waarden Omdat er geen significante vormen van cultuurhistorische waarden op het plangebied aanwezig zijn, hebben de beoogde plannen geen impact op de nationale, provinciale of gemeentelijke bekende cultuurhistorisch erfgoed. Het aspect cultuurhistorische waarden vormt dan ook geen belemmering met het oog op de beoogde ontwikkeling.
2.13
Archeologie Naast de mogelijke cultuurhistorische waarden binnen een plangebied, kan een plangebied ook een archeologische waarde bevatten. In deze paragraaf wordt de (mogelijke) impact besproken die het ruimtelijke plan zou hebben op de evt. aanwezige archeologische waarden op het plangebied.
2.13.1
Nationaal beleid Middels het verdrag van Malta van 1992 heeft Nederland zich verbonden aan de verplichting om cultuurhistorisch erfgoed in de bodem (beter bekend als archeologie) te beschermen. De relevante uitgangspunten hierin zijn o.a. dat archeologisch materiaal zo lang en goed mogelijk in de bodem behouden blijft, en dat er in het kader van evt. ruimtelijke plannen, rekening wordt gehouden met de mogelijke archeologie in de bodem. Met betrekking tot ruimtelijke plannen bestaat dus soms de kans dat er een beroep kan worden gedaan op initiatiefnemers om rekening te houden met archeologisch materiaal in de bodem, door een plan aan te passen zodat de archeologische waarde in de bodem niet wordt aangetast. Het Verdrag van Malta werd wettelijk in een Nederlands nationaal kader gegoten. Deze Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden en delegeert de verschillende bevoegdheden naar de provincies en de gemeenten. Zo dienen provincies de zg. archeologische attentiegebieden aan te wijzen, en dienen de gemeenten in hun omgevingsplannen en streekplannen (i.e. bestemminsplannen) deze attentiegebieden verder uit te werken. De uitwerking hiervan ten aanzien van het plangebied wordt hieronder verder toegelicht.
2.13.2
Provinciaal beleid Naast bovenstaande taak tot het uitwerken van attentiegebieden, is de Provincie Gelderland aan archeologie verbonden doordat het eigenaar wordt van de meeste archeologische vondsten binnen de provincie in het kader van opgravingen. Daarnaast hanteert de provincie hetzelfde beleid als het Rijk, ten aanzien van verwacht archeologisch erfgoed in de bodem: • Duurzaam behoud en beheer van archeologisch erfgoed in situ; • Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed ex situ wanneer behoud in situ onmogelijk blijkt; • Vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor archeologie in Gelderland. Gezien de doorwerking van het nationale beleid op het projectplan, kan worden gesteld dat zicht op de attentiegebieden minder relevant is, en er evengoed direct kan worden gekeken naar de (gemeentelijke) archeologische bestemmingen die meer gedetailleerd zijn, en ook daadwerkelijk als doel hebben om de mogelijke effecten van ruimtelijke plannen op de archeologische waarde in te schatten.
© Looije Agro Technics BV, 2025
37
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.13.3
Gemeentelijk beleid Zoals hierboven werd gesteld, dienen de gemeenten de archeologische attentiegebieden uit te werken door de archeologisch verwachting in bestemmingsplannen te integreren, en hier bijbehorende normen bij op te stellen die ervoor zorgen dat er geen sprake kan/mag zijn op mogelijke aanwezige archeologisch materiaal. Toetsing archeologie: deelgebied 1 Het gemeentelijk bestemmingsplan ter hoogte van het besproken deelgebied 1 is eveneens voorzien van dergelijke archeologische verwachtingswaarden. Een blik op het plan maakt duidelijk dat het plangebied is gecategoriseerd met de dubbelbestemming Archeologie Waarden – 3. Dit houdt in dat het bouwen van gebouwen (zoals een kas, of loods) niet is toegestaan met het oog op de archeologische verwachtingskaart, zonder het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek. Ook is het aanleggen van bassin(s) of bedrijfsverharding niet toegestaan zonder archeologisch onderzoek. Een dergelijk archeologisch onderzoek werd in 2019 uitgevoerd door het erkende archeologische bureau RAAP. Uit dit (bureau)onderzoek bleek dat ondanks de bouwplannen van Wimaplant er geen rekening dient te worden gehouden met een hoge kans van archeologische waarden in de bodem.
Zo wordt in het rapport het volgende geconcludeerd: “Op basis van het bureauonderzoek kan de lage archeologische verwachtingswaarde ter hoogte van het plangebied worden gehandhaafd. Aangezien de strook in de zuidoostelijke hoek van het plangebied, waar wel een middelhoge verwachting geldt, hoogstwaarschijnlijk is vergraven, worden ook hier geen intacte vindplaatsen meer verwacht. Binnen het plangebied geldt een lage verwachting voor resten van bewoning vanaf de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd.”9 Op basis van het archeologisch onderzoek kan worden gesteld dat er geen verder archeologisch onderzoek nodig is, en dat de beoogde bouwwerkzaamheden met het oog op de huidige archeologische situatie niet zullen leiden tot een verwacht verlies in archeologisch erfgoed. Uiteraard is tijdens de werkzaamheden altijd de wetgeving van kracht dat als er archeologisch materiaal wordt ontdekt, dit moet worden gemeld. Toetsing archeologie: deelgebied 2A/2B/2C Aangezien er op het deelgebied 2A, 2B en 2C er in de toekomstige situatie geen sprake zal zijn van bebouwing of aanlegwerkzaamheden, dient er op dit deelgebied geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
2.13.4
Conclusie: Archeologische waarden Aangezien er geen significante vormen van archeologische waarden op het plangebied aanwezig zijn, zullen de beoogde plannen geen impact te hebben op de nationale, provinciale of gemeentelijke bekende archeologische waarden. Het thema archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde plannen.
9
RAAP Rapport 2909, Plangebied Hoveniersweg te Zutphen, 2019, Archeologisch vooronderzoek, p. 29 (Conclusie),
© Looije Agro Technics BV, 2025
38
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.14
Verkeer en parkeren Met het oog op de bestemmingswijziging ter hoogte van deelgebied 1 en de bouw van de beoogde kas, dient een beeld te worden gegeven van het aantal te verwachte verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Om dit duidelijk in beeld te kunnen brengen, dient eerst de huidige situatie in kaart te worden gebracht. De bestemmingswijziging van de deelgebieden 2A, 2B en 2C en de toekomstige sloop van de hier aanwezige kassen zullen immers zorgen voor een wijziging van de verschillende verkeersbewegingen.
2.14.1
Huidige situatie verkeersbewegingen Zoals inmiddels duidelijk is, beheert de aanvrager diverse teeltlocaties in het gebied De Hoven. Dit zijn het huidige bedrijf aan de Hoveniersweg 18, de locatie aan de Hoveniersweg 11A (hierboven aangeduid als deelgebied 2A) en de locaties aan de Voorste Overmarsweg 3T (hierboven aangeduid als deelgebieden 2B en 2C). Hierbij dient te worden opgemerkt dat Hoveniersweg 15 en Hoveniersweg 18 organisatorisch/logistiek als een enkel bedrijf kunnen worden beschouwd. Naast deze locatie (vanaf nu ‘Hoveniersweg 18’), heeft de aanvrager de beschikking over de productielocatie aan de Hoveniersweg 11A, en de productielocatie aan de Voorste Overmarsweg 3T. Het aantal verkeersbewegingen van en naar deze verschillende productielocaties wordt hieronder in tabel 2 weergegeven. Het aantal bewegingen is onderverdeeld in licht verkeer, middelzwaar verkeer en zwaar verkeer. Licht verkeer betreft personenvervoer van met name medewerkers per auto. Hierin wordt ervan uitgegaan dat er onder het personeel een hoge mate van carpooling bestaat, zoals dit onder arbeidsmigranten (werkzaam in de glastuinbouw) vaak het geval is. Naast het verkeer van medewerkers valt onder het lichte verkeer ook de verkeersbewegingen van bezoekers zoals adviseurs, vertegenwoordigers, en onderhoudsmonteurs.
Het middelzware verkeer betreft middelgrote wagens die soms worden ingezet voor levering van pakketten, of de afhaal van huishoudelijk afval en karton. Hier kan ook onder vallen het transport van materiaal in busjes met aanhangwagens. Onder zwaar verkeer wordt de levering – en met name afhaal – van materiaal met conventionele vrachtwagens verstaan. Deze worden met name ingezet voor het transport van de oogst, maar ook voor levering van (inpak)materiaal. Het totaal aantal verkeersbewegingen omvat zowel het aan- als het wegrijden. Met andere woorden, het totaal aantal van de bijna 11.000 verkeersbewegingen op jaarbasis betreft dus heen- als terugrijdend verkeer. Op basis van tabel 2 kan dus worden gesteld dat er op jaarbasis in totaal ca. 5.500 vrachtwagens het bedrijf aandoen, en hiermee in totaal ca. 11.000 verkeersbewegingen realiseren.
Locatie
Licht verkeer
Zwaar verkeer
Totaal
13.730 8.737
Middelzwaar verkeer 319 203
Hoveniersweg 18 Voorste Overmarsweg Hoveniersweg 11A Totaal
6.026 3.835
20.075 12.775
2.496 24.963
58 580
1.096 10.957
3.650
Tabel 19: Weergave verkeersbewegingen huidige situatie. Bron: Wimaplant
Uit de tabel blijkt dat het leeuwendeel van de huidige verkeersbewegingen de teeltlocatie zich van en naar de Hoveniersweg 18 begeeft. De locatie is van de drie teeltlocaties ook de grootste in netto glasoppervlak. Maar bovenal kent deze teeltlocatie ook de beste laad- en losfaciliteiten. Er is op deze locatie een laadkade aanwezig, die op de andere twee locaties ontbreekt. Daarnaast bevindt deze laadkade zich op meer afstand van de openbare weg dan de laadlocaties op de andere teeltlocaties. Daardoor zorgt deze laadkade ervoor dat hier relatief gemakkelijk en veilig kan worden geladen. © Looije Agro Technics BV, 2025
39
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Figuur 12: Verkeersbewegingen bestaande situatie. Bron: Looije Agro Technics.
Naast de verkeersbewegingen van en naar de teeltlocaties door derden, zijn er uiteraard ook onderlinge verkeersbewegingen. Zo worden er wel eens materialen van de ene naar de andere locatie gebracht, of rijden medewerkers soms van de ene naar de andere teeltlocatie. Dit gebeurt echter uitsluitend door gebruik te maken van elektrische voertuigen zoals heftrucks of elektrische palletwagens. Aangezien deze onderlinge verkeersbewegingen niet structureel gepland plaatsvinden, maar op basis van ad hoc-beslissingen, kunnen er geen duidelijke cijfers over deze bewegingen worden aangeleverd. Grootschalige onderlinge transportbewegingen (middelzwaar of zwaar vrachtverkeer dat zich via deellocatie 2A, 2B of 2C naar deellocatie C begeeft) komt niet tot nauwelijks voor. 2.14.2
Toekomstige situatie verkeersbewegingen Waar in de huidige situatie het aantal verkeersbewegingen dient te worden onderverdeeld over de drie verschillende bestaande teeltlocaties, is hier in de toekomstige situatie geen sprake van. In de toekomstige situatie worden de teeltlocaties aan de Voorste Overmarsweg en de Hoveniersweg 11A immers gesloopt, zodat er geen verkeersbewegingen in het kader van de teelt(werkzaamheden) meer naar deze locaties zullen plaatsvinden. In de bijlagen is een toelichting opgenomen van het aantal verkeersbewegingen dat wordt verwacht als gevolg van het project.
Locatie
Licht verkeer
Zwaar verkeer
Totaal
13.726
Middelzwaar verkeer 320
Hoveniersweg 18 Bestaande kassen Hoveniersweg 18A (nieuwbouw)
6.026
20.072
54.230
1.262
23.800
79.292
© Looije Agro Technics BV, 2025
40
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Totaal
67.956
1.582
29.826
Tabel 20: Weergave toekomstige verkeersbewegingen. Bron: Wimaplant.
Bovenstaande tabel geeft een beeld van de verwachte verkeersbewegingen ten aanzien van de toekomstige situatie, op basis van de sloop van teeltlocaties ter hoogte van deelgebied 2A, 2B, en 2C. Daarnaast wordt er uitgegaan van 20 ha gebouwde kas.
Figuur 13: Verkeersbewegingen nieuwe situatie. Bron: Looije Agro Technics.
In de toekomstige situatie worden alle verkeersbewegingen geconcentreerd op de teeltlocatie Hoveniersweg 18 waar een nieuwe kas zal worden gebouwd. Deze bedrijfsuitbreiding zal naast bouw van nieuw teeltoppervlak ook voorzien in de bouw van een nieuwe loods en laadkades met ruime laaden losfaciliteiten. Ondanks deze toekomstige faciliteiten voor het vrachtverkeer, en de toekomstige parkeerplaatsen die op het nieuwe voorterrein zullen worden aangelegd, wordt er in de toekomstige situatie nog wel gebruik gemaakt van de huidige laad en parkeerfaciliteiten op de zone die zich tussen Hoveniersweg 15 en Hoveniersweg 18 bevindt. Deze teeltlocatie blijft immers functioneren. En dus zal de teelt van deze twee kassen via deze bestaande laadkade worden geladen. Deze verschillende verkeersbewegingen worden in tabel 3 onderscheiden. 2.14.3
Parkeervoorzieningen Met het oog op de toekomstige situatie, dient er te worden aangetoond dat het bedrijf voldoende parkeerplaatsen voorziet. Parkeren dient immer op eigen terrein te gebeuren. Het bedrijf dient in de beoogde situatie te worden voorzien van ca. 60 parkeerplaatsen voor licht vervoer. Daarnaast is er voorzien in ruimte voor parkeerplaatsen voor vrachtwagens. Hieronder is een uitsnede van het plan opgenomen. Hieruit blijkt dat er ruim voldoende ruimte is voor het aantal benodigde parkeervoorzieningen.
© Looije Agro Technics BV, 2025
41
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Figuur 14: Weergave uitsnede kadastrale tekening bouwplan fase 1. Bron: Looije Agro Technics.
Voor zover bekend hanteert de gemeente Zutphen geen specifiek parkeerbeleid waaruit kan worden afgeleid hoeveel parkeerplaatsen er exact dienen te worden gerealiseerd bij nieuwbouwprojecten. Wat slechts wordt gesteld in de parkeernota uit 2012, is dat “afhankelijk van de aard van de bebouwing […] van de bouwende partij [wordt] geëist dat op eigen terrein tenminste de hiervoor benodigde parkeerplaatsen worden aangelegd.” Zoals hierboven is toegelicht, is hiervan bij dit bouwproject sprake. Er wordt daarmee aan het gemeentelijk parkeerbeleid voldaan.10 Ter hoogte van de locatie Hoveniersweg 18 zal het aantal medewerkers gelijk blijven. Hier zal er dus geen sprake zijn van meer parkeerbehoefte dan in de huidige situatie. Ten aanzien van de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf wordt er voorzien in 39 parkeerplaatsen voor de medewerkers. Zoals hierboven aangeduid, is het in de glastuinbouw zeer gebruikelijk dat medewerkers (zeker arbeidsmigranten die vaak gezamenlijk zijn gehuisvest) met meerdere personen per auto naar het werk rijden. Nota bene: De feitelijke beoordeling of het aantal daadwerkelijk te realiseren parkeerplaatsen in overeenstemming is met de parkeernormen van de gemeente Zutphen vindt plaats als onderdeel van de beoordeling van de omgevingsvergunningen die op basis van dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden.
10
Gemeente Zutphen, parkeernota 2012, Par. 2.9, p. 9
© Looije Agro Technics BV, 2025
42
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Parkeerplaatsen vrachtauto’s Ten aanzien van de vrachtauto’s voor het laden van de oogst, is er eveneens voorzien in parkeervoorzieningen. De aanvrager heeft de ervaring dat er tijdens de piekmomenten ter hoogte van de teeltlocaties er veel vrachtwagens in korte termijn arriveren. Om de omgeving te ontzien is er gepland om naast voldoende laadkades te voorzien in parkeervoorzieningen. Op deze manier kan worden voorkomen dat vrachtwagens op/langs de weg staan te wachten. Ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen voor vrachtwagens, is een onderbouwing opgenomen in de bijlagen van dit document. In dit document wordt het aantal verkeersbewegingen onderbouwd, en vervolgens inzage gegeven in de doorstroom van de laadvoorziening, met bijbehorende noodzaak voor parkeerplaatsen. Er worden op de teeltlocatie 20 officiële parkeerplaatsen voorzien voor vrachtwagens, met nog eens ruimte voor een extra 10 wagens onofficiële parkeerplaatsen. Vervolgens blijft er voldoende ruimte over als draaien manoeuvreerruimte. 2.14.4
Verkeer – verbreding Sprabanenweg De Sprabanenweg is op dit moment al de hoofdontsluitingsweg voor de bestaande locaties van Wimaplant aan de Hoveniersweg. Als onderdeel van het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant is voorzien dat de ontsluiting van de uitbreidingslocatie eveneens plaatsvindt via de Sprabanenweg.
Figuur 15: Sprabanenweg, plangrens deelgebied 1 en vigerende bestemmingen Bestemmingsplan Zuid- en West. Bron: Looije Agro Technics op basis van ruimtelijkeplannen.nl
© Looije Agro Technics BV, 2025
43
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
In overleg met de gemeente Zutphen is besloten dat het concentratie- en schaalvergrotingsplan gebaat is bij een goede en veilige ontsluiting. Aan de noordzijde van de Sprabanenweg ligt nu een locatie die eigendom is van de gemeente Zutphen die in gebruik is als (tijdelijke) opslag. Om de goede en veilige ontsluiting mogelijk te maken is besproken11 dat een deel van de perceel E2227 wordt aangewezen ten behoeve van de bestemming verkeer. Het dwarsprofiel van een weg is gedefinieerd als de verticale doorsnede loodrecht op de as van weg (CROW, 2002). De benodigde ruimte in het dwarsprofiel wordt bepaald door de verhardingsbreedte (het aantal rijstroken, rijbanen, redresseerruimte, rijrichtingscheiding); de breedte van de buitenbermen, eventuele parallelvoorzieningen (fietspad of parallelweg) en de taluds/bermsloten en dergelijke. Volgens Duurzaam Veilig (DV) zijn de volgende uitgangspunten van belang: • voorkomen van ontmoetingen tussen langzaam en snel verkeer; • voorkomen van ontmoetingen met grote richtings- en snelheidsverschillen; • indien voertuigen van de weg raken, de gevolgen hiervan beperken. Om in de nieuwe situatie te voorzien in voldoende ruimte in het dwarsprofiel heeft de gemeente Zutphen aangegeven dat zij een reconstructie van de Sprabanenweg wil uitvoeren.
In deze bestemmingsplanwijziging is daarom voorzien dat de bestemming ‘Verkeer’ uit het vigerende ‘Bestemmingsplan Zuid- en West’ aan de oostelijke zijde iets wordt verbreed om het dwarsprofiel van de reconstructie mogelijk te maken:
Figuur 16:. Dwarsprofiel reconstructie. Bron: ‘2020-0641-20200421-Profielen en details’, Kragten – project Herinrichting de Hoven, projectnummer ZUT001-0001.
Bij de reconstructie van de Sprabanenweg is voorzien dat de verbreding plaatsvindt aan de oostelijke zijde, waardoor de reeds aanwezige hogedruk gasleiding bij de reconstructie maximaal wordt ontzien.
11
Projectgesprek Looije Agro Technisch – Gemeente Zutphen, 19 juli 2023.
© Looije Agro Technics BV, 2025
44
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Figuur 17: Bestemming Verkeer, reconstructie Sprabanenweg Bron: Looije Agro Technics op basis van ruimtelijkeplannen.nl.
en
hogedruk
gasleiding.
Figuur 18: Indicatieve weergave van de verbreding van de sprabanweng met rode kader. Bron: Looije Agro Technics op basis van PDOKViewer. 2.14.5
Conclusie: Verkeer en parkeren Op basis van bovenstaande kan worden gesteld dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
© Looije Agro Technics BV, 2025
45
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.15
Water Het is op basis van het Bro sinds 1 november 2003 verplicht om in het kader van een ruimtelijk plan een watertoets uit te voeren. Uit deze toets dient te blijken dat het initiatief geen negatieve effecten heeft op de waterhuishouding van de omgeving. Dit houdt in dat het plan zorgt voor een juiste opvang, afvoer en berging van water. Hieronder worden de vigerende regels toegelicht.
2.15.1
Europees en nationaal beleid De Europese kaderrichtlijnen (2000/60/EG) is in 2000 in werking getreden. De kaderrichtlijn heeft als doel om de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater te waarborgen. De richtlijnen omvatten regels die waterkwaliteit chemisch en ecologisch moeten garanderen. Dit gebeurt door het stellen van doelstellingen binnen specifieke deelstroomgebieden. De Europese Kaderrichtlijn Water leidt ertoe dat EU-lidstaten een eigen beleid dienen uit te stippelen met betrekking tot grondwater, oppervlaktewater, etc.
2.15.2
Nationaal beleid Als gevolg van de Europese Kaderrichtlijn water werd in Nederland nationaal beleid gemaakt m.b.t. het vraagstuk omtrent de beoogde verbetering van waterkwaliteit. Dit leidde ten aanzien van de drinkwatervoorziening tot de Waterwet, die in werking trad op 22 december 2009. Deze waterwet had als doel om het waterbeleid ten aanzien van kwalitatief drinkwater en het waterbeleid vanuit ruimtelijk perspectief te conformeren. Verder werden de Waterschappen voorzien van extra bevoegdheden in zowel het maken van regels, als het toezichthouden hierop. De verdere ontwikkeling van beleid ten aanzien van water vanuit ruimtelijk perspectief en leefomgeving, leidde in Nederland onder meer tot het Nationaal Waterplan 2022-2027 (NWP). Het NWP 2022-2027 omvat onder andere verschillende stroomgebiedsbeheerplannen, maar omvat ook overstromingsrisicobeheerplannen en het Programma Noordzee. Het NWP bespreekt veel relevante vraagstukken omtrent waterkwaliteit, en de dynamiek tussen mens en water binnen Nederland. Het nationale beleid echter, geeft onvoldoende handvaten om een project met beperkte omvang als dat op de gepresenteerde deelgebieden aan te toetsen. Hiervoor wordt toch beter gekeken naar het waterbeleid van de lagere overheden.
2.15.3
Provinciaal beleid De provinciale doelstellingen ten aanzien van waterbeheer en overstromingspreventie worden opgesomd in het Regionaal waterprogramma 2021-2027. De waterplannen worden opgesteld in onderlinge samenwerking met het Rijk (NWP) en de waterschappen. De waterplannen omvatten doelen met betrekking tot waterbeheer, de benodigde maatregelen, en geven aan welke instantie(s) hiervoor verantwoordelijk zijn. Sommige doelstellingen worden provincie-breed geformuleerd. Sommige doelstellingen zijn specifiek ten aanzien van specifieke gebieden binnen de provincie. Vanuit het provinciaal beleid wordt gedestilleerd dat in termen van praktische toetsing, toch het beste wordt gekeken naar het beleid van het Waterschap.
2.15.4
Waterschap Vallei en Veluwe Het waterschap Vallei en Veluwe is de wetgevende, uitvoerende en controlerende (evenals vergunningverlenende) instantie ten aanzien van de publieke waterlichamen binnen haar gebied. Het waterschap heeft dan ook als taak om toe te zien op juiste toepassing van de waterbeheerplannen. Het waterschap Vallei en Veluwe heeft hiervoor het Waterbeheerprogramma 2022-2027 opgesteld om de handvaten te creëren.
© Looije Agro Technics BV, 2025
46
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Blauwe Omgevingsvisie Het waterbeheerprogramma 2022-2027 wordt aangeduid als het Blauw Omgevingsprogramma (BOP). Het BOP maakt onderdeel uit van de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI 2050) van het Waterschap Vallei en Veluwe. Hierin geeft het waterschap handvaten in het kader van nieuw te ontwikkelen ruimtelijke plannen. Binnen het BOVI staan 4 thema’s centraal, te weten: Waardevolle leefomgeving; Klimaatverandering; Circulaire economie; Energietransitie. Door deze 4 thema’s centraal te zetten, beoogt het Waterschap in het BOVI een duidelijke langetermijnvisie te houden, waarin een strategisich plan kan worden uiteengezet ten aanzien van belangrijke langetermijnvragen en -doelstellingen voor de toekomst. Op basis hiervan kan het waterschap toekomstbestendig functioneren. Waar het BOVI een richtinggevende functie vervult, vult het BOP de specifieke thema’s op meer concrete locaties in. Zo worden er in het BOP per gebied verschillende programma’s geïntroduceerd die gekoppeld zijn aan een van de hierboven aangeduide thema’s. Deze programma’s zijn wederom ingedeeld op een van de BOP-doelen, die te maken hebben met het watersysteem, waterveiligheid, of wonen en zuiveren. Geen van deze programma’s bevindt zich op/rondom het in dit document besproken ruimtelijke plan. Het meest nabij gelegen programma betreft IJ7, de KRW-maatregelen Voorstebeek, Weteringen, Fliert en oude IJssel. 2.15.5
Algemene toepassing waterbeleid Het plan is ontworpen om rekening te houden met de vigerende regels omtrent de lokale publieke waterhuishouding.
2.15.6
Waterschapsverordening Vanaf 1 januari 2024 is de Waterschapsverordening van toepassing. Hierin zijn de beleidsregels van het Waterschap Vallei en Veluwe van toepassing. Hierin staat welke activiteiten rondom watergangen en waterstromen zijn toegestaan. Het doel hiervan is de bescherming van waterlopen en het bewaken van de waterkwaliteit.
2.15.7
Watertoets In artikel 3.1.6 van het Bro is aangegeven dat bij een toelichting behorend bij een ruimtelijk plan een toelichting moet worden gegeven van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De relevante thema’s ten aanzien van het onderwerp water worden in de Watertoets gegenereerd. Zoals blijkt uit de watertoets, zorgt het beoogde project ervoor dat er op meerdere terreinen met het waterschap moet worden overlegd. Dit overleg betreft de volgende thema’s: Art. 4.5.1 Beleidsregels graven in, dempen en aanleg van een oppervlaktewaterlichaam; Art. 4.5.6 Beleidsregel Dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam; Art. 4.5.12 Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard oppervlak (nieuw oppervlak) Art. 4.5.12 Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard oppervlak (afkoppelen). Er is inmiddels met het Waterschap contact geweest over bovenstaande zaken. De benodigde vergunningen/meldingen worden bij het waterschap aangevraagd/ingediend. De watertoetsen ten aanzien van de vier deelgebieden (verdeeld over drie watertoetsen) worden als bijlagen toegevoegd. Dempen oppervlaktewaterlichamen © Looije Agro Technics BV, 2025
47
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Volgens artikel 4.5.1 van het waterschap is het verboden om zonder vergunning een watergang te wijzigen of aan te leggen. Om het plan te kunnen realiseren, worden er verschillende C-watergangen gedempt. Daarnaast wordt er een nieuwe watergang aangelegd. Hiervoor wordt een vergunning aangevraagd bij het waterschap. De totale inhoud van de te dempen watergangen wordt gecompenseerd in hetzelfde peilgebied. De watergangen op het plangebied omvatten een gezamenlijke oppervlakte van 11.271 m³. De te dempen watergangen worden hieronder weergegeven. De samenstelling van de te dempen gracht wordt in onderstaande tabel weergegeven.
Figuur 19: Weergave te dempen watergangen op het plangebied uitbreidingszone. Bron: Looije Agro Technics
De totale oppervlakte van 11.271 m² aan te dempen grachten dient volgens de keur 1-op-1 te worden gecompenseerd. Hiervoor wordt beoogd om nieuw water te graven. Er wordt nieuw water afgegraven in de volgende vormen: Een nieuwe watergang langs de toekomstige kas; Een nieuw waterlichaam ten behoeve van landschappelijke inpassing. De totale oppervlakte van deze twee nieuwe oppervlaktewaterlichamen bij elkaar betreft ca. 1,6 ha aan wateroppervlak. De aanvrager zorgt hiermee voor ruim voldoende compensatie oppervlaktewater ten aanzien van de te dempen 11.221 m². Nr. 1 2 3 4 5 6
Code WL-2255 WL-69320 WL-69323 WL 69330 WL-69346 WL-69347
Status C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang
© Looije Agro Technics BV, 2025
Oppervlakte te dempen watergang (m²) 1.386 78 715 437 371 595 48
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
7 WL-69348 8 WL-69349 9 WL-69350 10 WL-69351 11 WL-72057 12 WL-75418 13 WL-103473 14 WL-106960 Totaal
C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang
294 711 998 201 2.173 1.854 90 1.368 11.271 m²
Tabel 21: Weergave te depmen watergangen met een totaal te dempen (en dus te compenseren) oppervlakte. Bron: Looije Agro Technics.
Naast het feit dat de te dempen sloten ruimschoots worden gecompenseerd, dient er ook voor te worden gezorgd dat dit nieuwe wateroppervlaktewater aan het bestaande watersysteem wordt gekoppeld. Hierin wordt ook voorzien. Zoals gesteld bestaat het compensatiewater uit twee oppervlaktewaterlichamen, namelijk het waterlichaam ten behoeve van landschappelijke inpassing, en een nieuw aan te leggen sloot. De nieuwe ‘vijver’ ten behoeve van landschappelijke inpassing (#1 op onderstaande figuur), en de nieuw aan te leggen sloot (#2 op onderstaande figuur) staan in de beoogde situatie met elkaar in contact. De beide oppervlaktewaterlichamen worden via een aansluiting op een bestaande sloot (#3 op onderstaande figuur), met code OWL-31-45. Deze mondt vervolgens uit in de Marssloot (#4 op onderstaande figuur). Dit systeem voorziet in zowel afdoende compensatie in te dempen watergangen, en voor een goede en permanente aansluiting op het bestaande systeem. De vijver als aangeduid in 1 kent volgens het huidige landschapsintegratieplan een oppervlakte van ruim 1,5 ha. Tel hierbij op de nieuw aan te leggen sloot, dan komt de totale oppervlakte voor compensatie op ca. 1,6 ha.
Figuur 20: Weergave aansluiting compensatie-oppervlakte aan bestaande watersysteem. Bron: Looije Agro Technics, op basis van leggerkaart Waterschap Vallei en Veluwe.
Dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam © Looije Agro Technics BV, 2025
49
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Volgens art. 4.5.6 van het waterschap is het verboden om zonder vergunning een dam met duiker aan te leggen. Hiervoor is een melding gedaan, waarvan akte is genomen door het waterschap. 12 Water lozen vanaf nieuw verhard oppervlak Volgens artikel 4.5.12 van het waterschap is het verboden om zonder vergunning water te brengen in een oppervlaktewater. Als gevolg van de toename verhard oppervlak wordt er water in de nieuw te graven watergang geloosd. Aangezien de hemelwaterbassins alle hemelwater van de toename verhard oppervlakte opvangen, dient er geen retentieleiding te worden voorzien. Er is immers sprake van statische retentie. Wel wordt er een noodoverstort gerealiseerd die voorkomt dat het bassin, in het uitzonderlijke geval van een langdurige stortbui, niet overstroomt. Deze noodoverstort loost het overtollige water in de nieuw te graven vijver, die in directe verbinding staat met de nieuw te graven watergang en het water vervolgens kan afvoeren. Voor deze lozing wordt een vergunning aangevraagd. Toename verhard oppervlak Volgens artikel 4.5.12 van het waterschap is het verbodem on zonder vergunning water te brengen in een oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard oppervlak. Het beoogde ruimtelijke plan zorgt voor een toename in verhard oppervlak >1.500 m². Dit houdt in dat er rekening moet worden gehouden met de normen die in de keur (art. 4.5.12) worden gesteld.
Herin staat dat er per m² toename verhard oppervlak een berging moet worden gerealiseerd van 60 mm. Dit leidt tot een berging van 600 m³ per hectare toename verhard oppervlak. Volgens de keur mag deze berging statisch zijn (i.e. geen knijpleiding). Hierin wordt voorzien. In de onderstaande tabel een overzicht van de beoogde verharding(en). Het totaal aan verhardingen betreft ca. 22,5 ha. Dit zou leiden tot de noodzaak van (22,5 * 600=) 13.500 m³ waterberging. De aanvrager beoogt op locatie drie bassins te plaatsen met een totaal van ca. 56.000 m³. Deze berging overschrijdt de norm ruimschoots. De geplande statische berging voldoet daarmee aan de norm. De toename kan hiermee worden toegestaan. Nr. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10