1106916 - Bijlage 14 - Vormvrije mer Wimaplant
Tekst van het document
Vormvrije MER
Bijlage bij bestemmingsplan Glastuinbouw De Hoven Noord Project:’Wimaplant’ NL.IMRO.0301.bp0104Glastuinbouw-on01 Versie 1.0
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Kwekerij Wimaplant (onderdeel van de Heutermangroep) is een producent van en een groothandel in vele soorten eigentijdse perk- en potplanten. Wimaplant voert deze activiteiten uit op verschillende locaties aan en rondom de Hoveniersweg te Zutphen. Onderstaande figuur toont de productie- en verwerkingslocaties die het bedrijf momenteel in gebruik heeft. De laatste decennia heeft de schaalvergroting in de teelt van perk- en potplanten een enorme groei doorgemaakt. Deze schaalvergroting omvat verschillende aspecten, zoals de strategie van de ondernemer, de organisatie van de bedrijven en de toeleveringsketen, technologische ontwikkelingen en innovatie, en veranderingen in vraag en aanbod van producten en de marktkosten.
Figuur 1. Overzicht huidige teelt- en verwerkingslocaties van Wimaplant. Bron: Looije Agro Technics, op basis van luchtfoto Provincie Gelderland.
Van deze productielocaties worden er enkele locaties binnenkort gesloten, en wordt een van de productielocaties uitgebreid. Om dit mogelijk te maken, is er een bestemmingsplanwijziging opgemaakt. Bij deze bestemmingsplanwijziging hoort een vormvrije MER te worden opgemaakt, een document waarin de verschillende omgevingsfactoren op het project worden besproken, en waaruit kan worden afgeleid of er al dan niet een MER-procedure dient te worden gestart.
© Looije Agro Technics BV, 2025
2
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
1.2
Juridisch kader m.e.r.-besluit Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan (of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning) gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. In onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage staan de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten beschreven. De activiteiten die in het onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage staan beschreven, kunnen mogelijk worden gemaakt door het vaststellen van een plan (bijvoorbeeld een bestemmingsplan), of worden vastgelegd in een besluit (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning). In de Wet milieubeheer is bepaald dat de m.e.r.-beoordelingsplicht slechts geldt voor besluiten.
In onderdeel D, 9 is vastgelegd dat er in het kader van glastuinbouw een m.e.r.-beoordelingsplicht alleen aan de orde is wanneer er sprake is van de vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied met een oppervlakte van 50 ha, of meer. Hierbij dient een ‘besluit’ van toepassing te zijn zoals een wijzigings- of uitwerkingsplan, of een inpassingsplan als deze niet van aanwezig zijn. In onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage zijn activiteiten opgenomen waarvoor in principe altijd een m.e.r.-plicht geldt. De beoogde activiteit van onderhavig aanvraag (glastuinbouw) komt niet op de lijst voor. De beoogde ontwikkeling heeft dus geen m.e.r.-plicht. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets worden uitgevoerd waaruit blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Zoals hierboven is gebleken, valt het beoogde plan (D9 – glastuinbouw) onder de drempelwaarde (50 ha). in sommige gevallen, dient er echter nog altijd een vormvrij m.e.r. te worden uitgevoerd.
Dit is namelijk het geval als de activiteiten (ondanks dat deze onder de drempelwaarde ligt) mogelijk negatieve effecten heeft op gevoelige natuurgebieden. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een dergelijk gebied zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In het onderhavige document zal worden aangetoond dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden.
© Looije Agro Technics BV, 2025
3
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
1.3
Leeswijzer Parallel aan deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is er ten aanzien van de bestemmingsplanwijziging voor bovenstaande activiteit een toelichting geschreven. Hierin is het beoogde plan uitgebreid toegelicht. In deze toelichting wordt in hoofdstuk 4 de conclusie getrokken dat de beoogde activiteit geen negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige gevoelige gebieden. Dit document is een uitgebreide versie van de in de toelichting beschikbare hoofdstuk 4. In deze vormvrij m.e.r. worden dan ook de mogelijke effecten beschreven die de beoogde activiteit zou kunnen hebben op de aanwezige gevoelige gebieden. Het betreft hieronder de niet-aanwezige effecten op de omgevingsaspecten flora en fauna (par. 2.1), kabels en leidingen (par. 2.2), ontplofbare oorlogsresten (par. 2.3), spoorlijnen (par. 2.4), bodem-hygiëne (par. 2.5), milieuzonering (par. 2.6), mogelijke lichteffecten (par. 2.7), mogelijke geluidseffecten (par. 2.8), mogelijke geureffecten (par. 2.9), mogelijke effecten op de lucht (par. 2.10), de externe veiligheid (par. 2.11), de cultuurhistorie (par. 2.12), de archeologische situatie (par. 2.13), de effecten op het verkeer en de parkeersituatie (par. 2.14), en op het water (par. 2.15). Eind hoofdstuk 3 wordt een conclusie gegeven op basis van bovenstaande paragrafen.
© Looije Agro Technics BV, 2025
4
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2
Milieu en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle milieu- en omgevingsaspecten beschreven die bij de onderhavige bestemmingsplanwijziging van belang zijn. Het betreft hierin de omgevingsaspecten flora en fauna, kabels en leidingen, ontplofbare oorlogsresten, bodem-hygiëne, milieuzonering, mogelijk lichteffecten, mogelijke geluidseffecten, mogelijke geureffecten, mogelijke effecten op de lucht, de externe veiligheid, de cultuurhistorie, de archeologische situatie, de effecten op verkeer/ parkeren en de effecten op water.
2.1
Flora en fauna Elk ruimtelijk plan dient te worden getoetst aan de mogelijke effecten op de aanwezige flora en fauna die zich op een plangebied bevinden, maar ook op de natuur in brede zin. Hieronder wordt toegelicht waarom ervan uit kan worden gegaan dat het beoogde plan geen aanzienlijk negatieve effecten op de bestaande flora en fauna hebben.
2.1.1
Natura 2000-gebieden In 2017 verving de Wet natuurbescherming (vanaf nu ‘Wnb’) de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora-en faunawet.1 De Wnb is opgesteld om de bescherming van natuurgebieden, bossen en specifieke soorten flora en fauna beter mogelijk te maken. Deze bescherming wordt gefaciliteerd door een vergunningplicht te leggen op activiteiten en evenementen in, of nabij beschermde gebieden. Ook ligt er een verbod op het verstoren van specifieke soorten flora en fauna. Hierop kan eveneens een Wnb-ontheffing worden aangevraagd. De Wnb-vergunning wordt uitgegeven door de provincies.2 Het plangebied bevindt zich aan het bestaande bedrijf dat is gevestigd aan de Hoveniersweg in Zutphen. Het plangebied is direct toegankelijk vanaf de Sprabanenweg. Het plangebied bevindt zich op relatief korte afstand van enkele Natura 2000-gebieden: • Afstand van 1,50 km van de Rijntakken; • Afstand van 2,10 km van de Landgoederen Brummen; • Afstand van 8,75 km van de Veluwe. In onderstaande figuur wordt de afstand vanaf het initiatief tot de meest nabij gelegen Natura 2000gebieden weergegeven. De nationaal beschermde gebieden zijn de Natura 2000-gebieden, die kunnen worden onderverdeeld in de Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden.
Het plangebied in Zutphen ligt buiten een dergelijk Natura 2000-gebied, al bevindt het zich op slechts 1,5 km van het Natura 2000-gebied de Rijntakken. Indien dus blijkt dat de omgevingseffecten als gevolg van het plan impact heeft op dit gebied, of op een van de hierin aanwezige flora en/of fauna, dan moet hier een Wnb-ontheffing voor worden aangevraagd. Van alle mogelijke effecten die een activiteit of evenement op een Natura 2000-gebied kan hebben, zijn de meeste effecten slechts van toepassing als deze zich grenzend aan of in het Natura 2000-gebied bevinden. Deze verschillende effecten worden hieronder kort besproken. De uitzondering hierop is de impact van stikstofemissies van het initiatief. Deze kunnen een effect hebben tot wel 25 km vanaf de bron (lees: het initiatief). De gevolgen van de verwachte stikstofemissies worden in de volgende paragraaf besproken.
1
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Onder de Natuurbeschermingswet werd een aanvraag bij de Provincie ingediend.
2
Hierop gelden enkele uitzonderingen, zoals ontheffingen of vergunningen die betrekking hebben op gebieden die het Rijk beheert, zoals projecten aan kustbescherming, werken aan hoofd(vaar)wegen, militaire terreinen, etc.
© Looije Agro Technics BV, 2025
5
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Figuur 2. Aanduiding locatie plangebied ten Bron: Looije Agro Technics op basis van PDOK Viewer.
opzichte
van
omliggende
Natura
2000-gebieden.
Oppervlakteverlies Het effect oppervlakteverlies binnen een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Het plangebied bevindt zich immers niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied, en dus is de mogelijkheid tot oppervlakteverlies van habitat-of vogelrichtlijngebieden binnen Natura 2000gebieden uitgesloten. Versnippering Het effect versnippering binnen een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Het plangebied bevindt zich immers niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied, en dus is de mogelijkheid tot versnippering van habitat-of vogelrichtlijngebieden binnen Natura 2000-gebieden uitgesloten. Verontreiniging Het effect verontreiniging van een Natura 2000-gebied is in de beoogde situatie uitgesloten. Bodemverontreiniging van een Natura 2000-gebied is in eerste instantie uitgesloten omdat het plangebied zich niet binnen een Natura 2000-gebied bevindt. Daarnaast worden er maatregelen genomen om bodemverontreiniging op het plangebied te voorkomen. Verontreiniging via het water lijkt eveneens uitgesloten. Hoewel er sprake is van een directe verbinding tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden in de omgeving via de aanwezige waterwegen, is verontreiniging via het water uitgesloten. Er wordt immers geen bedrijf(afval)water geloosd op het watersysteem. Daarom kan het water in Natura 2000-gebieden niet worden verontreinigd.
Verontreiniging via de lucht is eveneens uitgesloten. Met uitzondering van de emissie van stikstofoxiden zijn er geen stoffen die worden geëmitteerd die een negatief effect op de Natura 2000gebieden kunnen hebben. De evt. verontreiniging van N-depositie wordt hieronder besproken.
© Looije Agro Technics BV, 2025
6
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Verdroging Het effect verdroging op een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Het plangebied bevindt zich immers niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied, en dus is de mogelijkheid tot verdroging van habitat-of vogelrichtlijngebieden binnen Natura 2000-gebieden uitgesloten. Verstoring door geluid Het effect verstoring door geluid op een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Op het plangebied worden in de beoogde situatie wel geluid geproduceerd, maar deze bevinden zich op zodanige afstand van het Natura 2000-gebied, dat deze niet tot negatieve geluidseffecten zullen leiden. De geluidseffecten die worden gerealiseerd zijn bovendien zeer beperkt van aard. Verstoring door licht Het effect verstoring door licht op een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Op het plangebied worden in de beoogde situatie immers nauwelijks licht geproduceerd. Er zal in de beoogde situatie geen sprake zijn van assimilatiebelichting in de kas. Zodra deze wel zal worden toegepast, zal het gebruik ervan worden getoetst aan de mogelijke effecten die dit genereert. Bovendien zullen de noodzakelijke mitigerende maatregelen worden toegepast. Het te realiseren licht is van zodanig omvang dat deze geen negatieve effecten op een Natura 2000-gebied zal genereren dat zich 1,5 km verderop bevindt.
Bewuste verandering soortensamenstelling Het effect verandering soortensamenstelling binnen een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Het plangebied bevindt zich immers niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied, en dus is de mogelijkheid tot verandering soortensamenstelling op habitat-of vogelrichtlijngebieden binnen Natura 2000-gebieden uitgesloten. Vermesting en verzuring door N-depositie De ligging van het Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied leidt ertoe dat effecten van een van bovenstaande effecten is uit te sluiten. Met het oog op de afstand, is slechts verzuring of vermesting door N-depositie een mogelijk effect op omliggende Natura 2000-gebieden. Bovenstaande effecten zijn uit te sluiten, vanwege de afstand van het initiatief ten opzichte van de Natura 2000-gebieden. Zoals eerder aangehaald, kunnen effecten van stikstofemissies wel over grotere afstand significant zijn. In de volgende paragraaf worden deze verwachte effecten besproken. 2.1.1.1
Voortoets stikstof: Inleiding In het kader van de beoogde bestemmingsplanwijziging waarvan onderhavig document onderdeel uitmaakt, wordt aangetoond dat de beoogde plannen mogelijk een negatief kunnen hebben op omliggende Natura 2000-gebieden. In onderstaande paragraaf wordt toegelicht dat er in het geval van een worstcasescenario – mits de initiatiefnemer een aardgasgestookte verwarmingsinstallatie zou toepassen – er een toename aan stikstofemissies kan ontstaan op omliggende Natura 2000-gebieden. Om aan te tonen dat de toename aan stikstofemissies niet bijdraagt aan significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden, werd er een Passende Beoordeling opgemaakt. Hieronder worden de inputgegevens van de opgemaakt stikstofberekening toegelicht. Bij deze berekening worden de beleidsregels van de Provincie Gelderland toegepast, en wordt er gebruik gemaakt van de invoertoepassingen behorend bij de Aerius Calculator. De onderstaande voortoets wordt onderverdeeld in de bouwfase en de exploitatiefase. Uit de Aerius Calculator blijkt dat er sprake is van toename aan depositie.
© Looije Agro Technics BV, 2025
7
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.1.1.2
Stikstofemissies bouwfase De bestemmingsplanwijziging wordt aangevraagd met het oog op het realiseren van enkele stedenbouwkundige doelen. Deze doelen betreffen de volgende werkzaamheden: • De bouw van een glastuinbouwbedrijf; • De sloop van de kassen die zich op de deellocaties 2A, 2B, en 2C bevinden; • De aanleg van de landschappelijke inpassing (volgens het landschapsplan dat onderdeel uitmaakt van de bestemmingsplanwijziging). Het realiseren van deze doelen wordt gerealiseerd door het uitvoeren van werkzaamheden door gebruik te maken van (bouw)voertuigen die functioneren op verbrandingsmotoren, zoals graafmachines en kraanplatforms. De mogelijke stikstofemissies in de bouwfase zullen enerzijds worden veroorzaakt door het gebruik van deze bouwvoertuigen. Anderzijds zullen er emissies ontstaan als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar een bouwterrein. Dit betreft dan personenvervoer (bouwpersoneel), en vrachtvervoer (levering bouwmateriaal). Voor de verschillende werkzaamheden wordt rekening gehouden met deze beide mogelijke stikstofbronnen. De invoer in de Aerius Calculator ten opzichte van de hierboven weergegeven drie werkzaamheden (bouw, sloop en aanleg) wordt hieronder toegelicht.
Het realiseren van deze doelen wordt gerealiseerd door het uitvoeren van werkzaamheden door gebruik te maken van (bouw)voertuigen die functioneren op verbrandingsmotoren, zoals graafmachines en kraanplatforms. De mogelijke stikstofemissies in de bouwfase zullen enerzijds worden veroorzaakt door het gebruik van deze bouwvoertuigen. Anderzijds zullen er emissies ontstaan als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar een bouwterrein. Dit betreft dan personenvervoer (bouwpersoneel), en vrachtvervoer (levering bouwmateriaal). Voor de verschillende werkzaamheden wordt rekening gehouden met deze beide mogelijke stikstofbronnen. De invoer in de Aerius Calculator ten opzichte van de hierboven weergegeven drie werkzaamheden (bouw, sloop en aanleg) wordt hieronder toegelicht. Bouw van het glastuinbouwbedrijf Voor de bouw van het beoogde glastuinbouwbedrijf (20 ha kas, loodsen, aanleg waterbassin, verharding, etc.) wordt gebruik gemaakt van bouwmaterieel op basis van verbrandingsmotoren. Deze motoren kunnen zorgen voor stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Om een beeld te krijgen van de mogelijke emissies als gevolg van de bouwwerkzaamheden ten aanzien van de bouw van het glastuinbouwbedrijf, is door middel van een model een verwachtingspatroon opgesteld ten aanzien van het verwachte aantal draaiuren per voertuig.
Het model waaruit de draaiuren van de verschillende bouwmachines en aantallen verkeersbewegingen zijn afgeleid, is opgemaakt door Looije Agro Technics. Looije Agro Technics is een adviesbureau in de (glas)tuinbouw dat al ruim 25 jaar bouwprojecten in deze sector ontwikkelt en begeleidt. Als bouwmanagementbureau in de glastuinbouw is Looije Agro Technics dan ook een geschikte partij om een volledige indicatie te geven van het verwachte aantal draaiuren per machine, en het aantal verkeersbewegingen dat op een dergelijk bouwproject kan worden verwacht. Tabel 1 geeft het aantal draaiuren weer per te gebruiken machine dat functioneert op basis van een verbrandingsmotor. Tabel 2 geeft per machines weer onder welke stageklassen de verschillende machines vallen, en welk vermogen hierbij hoort.
© Looije Agro Technics BV, 2025
8
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Type machines Heimachine
Vermogen (kW) 100
Draaiuren 384
Brandstof (l) 3.855
Adblue (l) 154
Tractor
50
2.160
11.425
0
Dumper op rups
75
174
1.334
53
Graafmachine Kraanplatform
45 48
344 2.536
1.656 12.932
0 0
Verreiker
60
793
4.951
198
Betonstorter
200
56
1.094
44
Mobiele hijskraan Hoogwerker
100 40
136 195
1.365 844
55 0
6.777
39.457
5.404
Totaal
Tabel 1: Weergave aantal draaiuren per type bouwvoertuig voor beoogde bouw glastuinbouwbedrijf. Bron: Looije Agro Technics.
Zie tabel 1 voor het aantal draaiuren per machine. De stageklassen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Type machines Heimachine Tractor
Stageklasse IIIB, 2011-2013, 75-560 kW, diesel, SCR: Ja IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee
Dumper op rups
IIIB, 2011-2013, 56-75k W, diesel, SCR: Nee
Graafmachine Kraanplatform
IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee
Verreiker Betonstorter Mobiele hijskraan Hoogwerker
IIIA, 2006-2010, 56-75 kW, diesel, SCR: Nee IIIB, 2011-2013, 75-560 kW, diesel, SCR: Nee IIIB, 2011-2013, 75-560 kW, diesel, SCR: Nee IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee
Tabel 2: Weergave stageklassen voor beoogde sloop. Bron: Looije Agro Technics
Zoals hierboven toegelicht, bestaat de invoer van gegevens in de Aerius Calculator naast de hierboven aangeduide draaiuren van bouwmaterieel ook uit de invoer van transportbewegingen ten behoeve van de bouw van het glastuinbouwbedrijf. Het aantal transportbewegingen is gegenereerd uit een model van Looije Agro Technics, op basis van kennis en ervaring in de (glas)tuinbouwsector. Het aantal verkeersbewegingen betreft het aantal (vracht)auto’s, vermenigvuldigd met de factor 2. Deze betreft dus zowel aanrijdend- als afrijdende (vracht)auto’s. Transporttype Vrachtauto’s
Aantal auto’s 643
Aantal Verkeersbewegingen 1.286
Personenauto’s/ busjes
2.811
5.622
Tabel 3: Weergave transportbewegingen voor beoogde bouw glastuinbouwbedrijf. Bron: Looije Agro Technics.
In de stikstofberekening is de koude start van (vracht)wagens waar nodig meegenomen.
© Looije Agro Technics BV, 2025
9
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Sloop van de kassen Naast de bouw van het glastuinbouwbedrijf en de bijbehorende bedrijfsgebouwen, worden er in de beoogde situatie ook kassen gesloopt. Het slopen van deze kassen gebeurt eveneens door middel van het gebruik van voertuigen, o.a. op basis van een verbrandingsmotor. Het aantal draaiuren ten behoeve van de sloop van de teeltlocatie aan de Hoveniersweg 11A wordt in onderstaande tabel weergegeven. Het bijbehorend aantal verkeersbewegingen wordt in de daaronder staande tabel opgesomd. Het aantal draaiuren per machine en het aantal transportbewegingen zijn gegenereerd uit een model op basis van kennis en ervaring in de (glas)tuinbouwsector. De stageklassen zijn in een aparte tabel weergegeven.
Tractor Graafmachine Kraanplatform Verreiker Totaal
Vermogen (kW) 50 45 48
Draaiuren 2.160 344 2.536
Brandstof (l) 11.425 1.656 12.932
Adblue (l) 0 0 0
60
793 6.777
4.951 39.457
198 5.404
Tabel 4: Weergave gebruik voertuigen beoogde sloopwerkzaamheden Hoveniersweg 11A. Bron: Looije Agro Technics.
Tractor Graafmachine Kraanplatform Verreiker
Stageklasse IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee IIIB, 2011-2013, 56-75 kW, diesel, SCR: Nee
Tabel 5: Weergave stageklassen gebruik voertuigen beoogde sloopwerkzaamheden. Bron: Looije Agro Technics.
Vrachtauto’s Personenauto’s/busjes
Auto’s 63 123
Verkeersbewegingen 126 246
Tabel 6: Weergave transportbewegingen sloopwerkzaamheden Hoveniersweg 11A. Bron: Looije Agro Technics.
Net als de bestaande kas aan de Hoveniersweg 11A wordt de kas aan de Voorste Overmarsweg gesloopt. Ook hiervoor is het aantal draaiuren met verschillende machines gegenereerd. Het aantal draaiuren per machine en het aantal transportbewegingen zijn gegenereerd uit een model op basis van kennis en ervaring in de (glas)tuinbouwsector. De stageklassen zijn in een aparte tabel weergegeven.
Tractor
Vermogen (kW) 50
Draaiuren 2.160
Brandstof (l) 11.425
Adblue (l) 0
Graafmachine
45
344
1.656
0
Kraanplatform Verreiker
48 60
2.536 793
12.932 4.951
0 198
6.777
39.457
5.404
Totaal
Tabel 7: Weergave draaiuren sloopwerkzaamheden Voorste Overmarsweg 3T. Bron: Looije Agro Technics.
© Looije Agro Technics BV, 2025
10
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Tractor
Stageklasse IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee
Graafmachine
IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee
Kraanplatform
IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee
Verreiker
IIIB, 2010-2013, 56-75 kW, diesel, SCR: Nee
Tabel 8: Weergave stageklassen sloopwerkzaamheden Voorste Overmarsweg 3T. Bron: Looije Agro Technics.
Vrachtauto’s
Auto’s 63
Verkeersbewegingen 126
Personenauto’s/busjes
123
246
Tabel 9: Weergave verkeersbewegingen sloopwerkzaamheden kassen voorste Overmarsweg 3T. Bron: Looije Agro Technics.
In de stikstofberekening is de koude start van (vracht)wagens waar nodig meegenomen Aanleg landschapsinpassing Naast de beoogde bouw van het nieuwe glastuinbouwbedrijf en de sloopwerkzaamheden heeft deze bestemmingsplanwijziging betrekking op de rondom het nieuwe glastuinbouw gelegen groene zone. In deze zone wordt de landschapsinpassing uitgevoerd. Deze omvat o.a. het planten van bomen, struiken, etc. Maar ook het aanleggen van een ruime vijver. Hiervoor is op basis van hetzelfde model een berekening gemaakt van het aantal draaiuren per voertuigtype. Dit aantal draaiuren met bijbehorende verkeersbewegingen wordt weergegeven in onderstaande tabellen. Het aantal draaiuren per machine en het aantal transportbewegingen zijn gegenereerd uit een model op basis van kennis en ervaring in de (glas)tuinbouwsector. De stageklassen zijn in een aparte tabel weergegeven.
Tractor
Vermogen (kW) 50
Draaiuren 4.160
Brandstof (l) 22.006
Adblue (l) 0
Graafmachine
45
2.080
10.015
0
6.240
32.021
0
Totaal
Tabel 10: Weergave aantal draaiuren aanleg landschapsinpassingen. Bron: Looije Agro Technics.
Tractor Graafmachine
Stageklasse IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee
Tabel 11: Weergave stageklassen gebruikt bouwvoertuigen aanleg landschapsinpassing. Bron: Looije Agro Technics.
Vrachtauto’s Personenauto’s/busjes Totaal
Auto’s 50
Verkeersbewegingen 100
780
1.560
Tabel 12: Weergave aantal verkeersbewegingen landschapsinpassingen. Bron: Looije Agro Technics.
In de stikstofberekening is de koude start van (vracht)wagens waar nodig meegenomen
© Looije Agro Technics BV, 2025
11
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Aanleg Sprabanenweg Naast de sloop-en bouwwerkzaamheden met betrekking tot het nieuwe glastuinbouwbedrijf, en de aanleg van de landschappelijke inpassingszone, dient ook de aanleg van de Sprabanenweg in de bouwfase te worden meegenomen. De bijbehorende draaiuren en specificaties m.b.t. de machines zijn in onderstaande tabellen opgenomen.
Asfaltmachine
Vermogen (kW) 75
Draaiuren 80
Brandstof (l) 803
Adblue (l) 0
Graaflaadcombinatie
125
1.042
240
0
Tractor
56
240
1.270
1.362
2.313
Totaal
0
Tabel 13: Weergave stageklasen gebruikt bouwvoortuigen aanleg Sprabanenweg. Bron: Looije Agro Technics
Asfaltmachine
Stageklasse IIIB, 2011-2013, 75 – 560 KW, diesel, SCR: Nee
Graaflaadcombinatie Tractor
IIIB, 2011-2013, 75 – 560 KW, diesel, SCR: Nee IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: Nee
Tabel 14: Weergave stageklasen gebruikt bouwvoortuigen aanleg Sprabanenweg. Bron: Looije Agro Technics
Vrachtauto’s
Auto’s 143
Verkeersbewegingen 286
Personenauto’s/busjes
350
700
Tabel 15: Weergave aantal verkeersbewegingen aanleg Sprabanenweg. Bron: Looije Agro Technics
Conclusie bouwfase Bovenstaande invoergegevens leiden tot een specifieke depositie. Uit de Aerius calculator blijkt dat er hier op papier sprake is van een toename van stikstofdepositie. 2.1.1.3
Emissies exploitatiefase Om een beeld te krijgen of er in de beoogde situatie een toename zal zijn in de stikstof- en ammoniakemissies ten opzichte van de referentiesituatie, dient de referentiesituatie te worden vergeleken met die van de beoogde situatie. Dit is dus de situatie waarin Wimaplant het glastuinbouwbedrijf heeft uitgebouwd en in gebruik heeft genomen. Daarnaast is er in de exploitatiefase sprake van twee gesloopte kassen, waarop de nieuwe bestemming Agrarisch van toepassing wordt. De verschillende deelgebieden met bijbehorende uitstoot worden hieronder toegelicht. Deelgebied 1: Het glastuinbouwbedrijf Het deelgebied 1 is in de beoogde situatie ten aanzien van stikstofemissies onder te verdelen in twee zones, namelijk het glastuinbouwbedrijf en de groene zone. Ten aanzien van het glastuinbouwgebied dient er rekening te worden gehouden met verschillende mogelijke emissiebronnen, namelijk externeen interne transportbewegingen, en het evt. gebruik van stookinstallaties. Deze worden hieronder toegelicht.
© Looije Agro Technics BV, 2025
12
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Externe transportbewegingen Van en naar het glastuinbouwbedrijf vinden voertuigbewegingen plaats: Enerzijds door licht verkeer van (dagelijks) transport door werknemers, bezoekers, en andere bewegingen. Deze verkeersbewegingen vallen onder de categorie ‘licht verkeer’. Anderzijds vinden er verkeersbewegingen plaats door het leveren (gebruiksmaterialen) en afhalen (productie) van goederen. Deze bewegingen kunnen worden onderverdeel in ‘middelzwaar verkeer’ (busjes met aanhangers, bakwagens, etc.), en ‘zwaar verkeer’ (vrachtauto’s en vergelijkbare voertuigen). Het totale aantal te verwachte verkeersverwachtingen van en naar het bedrijf op jaarbasis wordt in hieronder weergegeven. Locatie
Licht verkeer
Zwaar verkeer
Totaal
13.726 54.230
Middelzwaar verkeer 320 1.262
Hoveniersweg 18 Hoveniersweg 18A (nieuwbouw) Totaal
6.026 23.800
20.072 79.292
67.956
1.582
29.826
Tabel 16: Weergave verkeersbewegingen beoogde situatie. Bron: Heuterman Vastgoed bv.
Het aantal transportbewegingen kan mogelijk zorgen voor stikstofdepositie. Dit is mede afhankelijk van de lengte die per transportbeweging wordt ingevoerd in de Aerius Calculator. De afstand van deze transportbewegingen wordt bepaald door de afstand vanaf het plangebied (oprit/inrit glastuinbouwbedrijf) naar de meest dichtbij gelegen weg waarin het verkeer zich in het algemene verkeersbeeld integreert. Voor het plangebied betreft dit het moment dat het verkeer de N-345 opdraait of afdraait. De afstand per verkeersbeweging is daarom ca. 400 m. Interne transportbewegingen Naast het gebruik van transportbewegingen van en naar het bedrijf, kunnen transportbewegingen op het bedrijf mogelijk zorgen voor stikstofemissies. In het geval van Wimaplant echter, is hier geen sprake van. In de beoogde situatie wordt er voor het intern transport voornamelijk gebruik gemaakt van handmatige werkzaamheden. Het laden en lossen en het klaarzetten van de ladingen wordt met name met elektrische karren en handmatig gedaan. Overige intern transport vindt plaats door middel van elektrische heftrucks of – palletwagens. Ten aanzien van interne transportbewegingen wordt er dan ook niets in de Aerius Calculator ingevoerd. Ook wordt er in de beoogde situatie geen rekening gehouden met stationair draaiende vrachtwagens als intern transport.
Het bedrijf van Wimaplant heeft immers het beleid ten aanzien van laden en lossen, waarbij er wordt verzocht de motor geheel af te zetten. Dit zorgt dus niet voor emissies. Stookinstallatie(s) In de beoogde situatie beoogt Wimaplant voor de nieuwe kas gebruik te maken van een elektrische ketel om het bedrijf te verwarmen. Deze elektrische ketel dient te worden voorzien van zelf opgewekte elektriciteit door de zonnepanelen die op het bassin en op het dak van de loods te komen liggen. In het geval deze niet beschikbaar is, wordt er gebruik gemaakt van opgeslagen warmte, of een alternatieve warmte- of elektriciteitsbron. Kortom, het is niet aannemelijk dat er in de beoogde situatie veel zal worden gestookt. In het kader van een worstcasescenario echter, wordt er hieronder een scenario weergegeven waarin er wel gebruik wordt gemaakt van een conventionele stookinstallatie (dus met een verbrandingsketel op aardgas). Mocht Wimaplant dus een verwarmingsinstallatie op basis van aardgasverbranding toepassen, dan zijn onderstaande zaken van toepassing.
© Looije Agro Technics BV, 2025
13
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Met een stookregime van 15 m³ aardgas per m² op jaarbasis, zou er in totaal voor 1.890 kg NOx op jaarbasis worden geëmitteerd. Er wordt dan uitgegaan van 20 ha teeltoppervlakte. Stook installatie Ketel 1
M³ gas/ m² teelt 15
Totaal
Brandstofverbruik (Nm³ gas) totaal 3.000.000
Mg/Nm3 bij 3% O2 70
3.000.000
NOx emissie/jaar 1.890 1.890
Tabel 17: Weergave gebruik stookinstallatie(s). Bron: Looije Agro Technics.
Deelgebied 1: Groenzone Ten aanzien van de nieuw aan te leggen groenzone zijn er geen toekomstige emissies te verwachten, buiten de aanlegfase die hierboven al werd toegelicht. Er hoeven daarom geen emissies meer in de Aerius Calculator te worden ingevoerd. Deelgebieden 2A/2B/2C Zoals eerder werd toegelicht, worden de glastuinbouwbedrijven op deelgebieden 2A, 2B en 2C in de referentiesituatie nog in gebruik genomen als glastuinbouwbedrijf. Hier was dus sprake van emissies als gevolg van aardgasgestookte verwarmingsinstallaties. In de beoogde situatie echter, nadat al deze drie kassen zijn gesloopt, zullen deze stookinstallaties niet langer zorgen voor emissies. Aangezien er in de beoogde situatie sprake is van de bestemming Agrarisch, mag ervan uit worden gegaan dat deze bestemming zal worden toegepast. Zowel de locatie aan de Hoveniersweg 11A, als aan de Voorste Overmarsweg 3T zal in de toekomst mogelijk worden gebruikt als grasland (klei), en zijn als zodanig in de Aerius Calculator ingevoerd. De implicaties met betrekking tot deze nieuwe bestemming en de bijbehorende emissies zijn in onderstaande tabel weergegeven. Locatie Voorste Overmarsweg Hoveniersweg Totaal
Opp. (ha) 6
Toepassing nieuw Grasland klei
Kg NH3 in Dierlijke mest 101,1
Kg NH3 kunstmest 42,5
1
Grasland klei
16,8
7,1
in
Totaal NH3 in kg/ jaar 144 24 167
Tabel 18: Weergave toepassing landbouwgrond (klei). Bron: Looije Agro Technics. 2.1.1.4
Resultaten en conclusie voortoets Door bovenstaande parameters in de Aerius Calculator in te voeren, blijkt dat de te verwachte uitstoot van NOx emissies in zowel de bouw- als de exploitatiefase zorgen voor een toename aan stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit houdt in dat er door middel van een Passende Beoordeling dient te worden bepaald of de emissies afkomstig van het glastuinbouwbedrijf zorgen voor significante negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden, of niet. De bijbehorende stikstofberekeningen zijn als bijlagen bij dit document toegevoegd.
2.1.1.5
Resultaten en conclusie voortoets Door bovenstaande parameters in de Aerius Calculator in te voeren, blijkt dat de te verwachte uitstoot van NOx emissies in zowel de bouw- als de exploitatiefase zorgen voor een beperkte toename aan stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit houdt in dat er door middel van een Passende Beoordeling dient te worden bepaald of de emissies afkomstig van het glastuinbouwbedrijf zorgen voor significante negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden, of niet. De bijbehorende stikstofberekeningen zijn als bijlagen bij dit document toegevoegd.
© Looije Agro Technics BV, 2025
14
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.1.1.6
Passende Beoordeling In navolging op het feit dat de bouw- en exploitatiefase naar verwachting leiden tot een toename aan stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden, werd er een Passende Beoordeling opgemaakt, waarin werd beoordeeld of de te verwachte depositie ook zal leiden tot significant negatieve effecten op deze Natura 2000-gebieden. In de Passende Beoordeling van Fueco wordt gesteld dat op de verschillende Natura 2000-gebieden waarop het initiatief een toename aan depositie op veroorzaakt, er sprake is van een autonome daling in de achtergronddepositie van stikstof tot en met minimaal 2030. Er wordt gesteld dat deze verwachte daling veel groter is dan de te verwachte depositie die als gevolg van het project op de gebieden zou ontstaan. Hierdoor zal het effect van de stikstofdepositie als gevolg van het project en de stikstofgevoelige habitattypen slechts minimaal zijn. De rapportage besluit door te stellen dat de toename in stikstofdepositie als gevolg van het initiatief geen meetbare (n)directe gevolgen zal hebben op de aanwezige vegetatie- en faunasoorten, leefgebieden, landschapsstructuren, de hydrologische gesteldheid en ecosysteemdiensten van de stikstofgevoelige gebieden.
Bovendien wordt er een algemene beoordeling gemaakt, waarin op basis van wetenschappelijk onderzoek geconcludeerd wordt dat de significante effecten niet op kunnen treden bij een geringe toename in stikstofdepositie. De autonome daling zou volgens het rapport ontstaan als gevolg van de ingezette systeemherstel – en overlevingsmaatregelen die zijn ingezet ter reductie van de verslechtering. Deze maatregelen worden als gevolg van het project niet aangetast, en kunnen daarom worden meegenomen. De Passende Beoordeling stelt dus dat negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden, ondanks de toename aan depositie, kunnen worden uitgesloten, en dat er voor het project op basis van de Omgevingswet geen natuurvergunning dient te worden aangevraagd. Wel kan de aanvrager ervoor kiezen om een natuurvergunning aan te vragen, en de Provincie kan hierop een positieve weigering afgeven.
2.1.1.7
Conclusie Natura 2000-gebieden Ondanks dat het project an sich in een worstcasescenario mogelijk kan zorgen voor een toename aan stikstofdepositie, is het uit te sluiten dat er significant negatieve effecten zullen worden veroorzaakt als gevolg van het project als gevolg van stikstofdepositie. In paragraaf 2.1.1.1 werd al toegelicht dat negatieve effecten in andere vorm zijn uit te sluiten, vanwege de afstand van het project tot de Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten als gevolg van het project in brede zin zijn dan ook uit te sluiten.
2.1.2
NNN-gebieden en GNN-gebieden Naast de effecten op de Natura 2000-gebieden, dienen de effecten op andere natuurgebieden te worden onderzocht. Naast de verantwoordelijkheid voor het beheer/behoud van Natura 2000gebieden, is de provincie Gelderland ook verantwoordelijk voor het beheer en behoud van de NNNgebieden die zich binnen haar provinciegrenzen bevinden. De NNN-gebieden (Natuurnetwerk Nederland) zijn een netwerk van bestaande en toekomstig aan te leggen natuurgebieden die niet binnen het Natura 2000-kader vallen. Deze gebieden moeten zorgen voor een permanente verbindingsstructuur tussen de natuurgebieden in Nederland. Vanwege deze doelstelling werd het NNN voorheen ook wel aangeduid als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het uiteindelijke doel is om de NNN samen met de nationale natuurnetwerken in andere landen binnen de EU te laten verenigen in een pan-Europees ecologisch netwerk (PEEN). Als onderdeel van het NNN bevinden er zich binnen de provincie Gelderland diverse NNN-gebieden die binnen de provincie Gelderland worden aangeduid als ‘Gelders NatuurNetwerk’ (GNN). © Looije Agro Technics BV, 2025
15
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
In Gelderland omvat dit netwerk ruim 130.000 ha. Als verantwoordelijke instantie van deze GNNgebieden, stelt de provincie Gelderland via de provinciale omgevingsvisie dat er binnen de grenzen van een GNN-gebied er geen nieuwe initiatieven plaats mogen vinden. Dit zou betekenen dat de beoogde bouw van de kas niet door zou gaan indien het plangebied binnen de GNN-grenzen zou vallen. Zoals blijkt uit de bovenstaande afbeelding, bevinden zich geen van de deelgebieden 1/2A/2B/2C zich binnen de grenzen van het GNN. Omdat dit het geval is kan van verder onderzoek worden afgezien.
Figuur 3: Weergave plangebied ten opzichte van de bestaande GNN-gebieden.
Naast de GNN-gebieden, dient er bij nieuwbouw ook rekening te worden gehouden met GO-gebieden. Dit betreft de groene ontwikkelingsgebieden. Ook binnen deze zones zijn beperkingen opgelegd ten aanzien van (nieuw)bouwprojecten. Het beoogde plangebied bevindt zich niet binnen de contouren van een GO-gebied. Zie onderstaande afbeelding.
© Looije Agro Technics BV, 2025
16
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Figuur 4: Weergave plangebied ten opzichte van GO-gebieden. Bron: Looije Agro Technics, op basis van Provinciale kaart. 2.1.3
Mogelijke effecten op de lokale natuur Uit de vorige paragrafen is gebleken dat de bestemmingsplanwijziging geen effecten heeft op omliggende Natura 2000-, en NNN/GNN-gebieden. In deze paragraaf wordt ingegaan op de flora en fauna-situatie op het plangebied zelf. De effecten van de beoogde plannen kunnen doorgaans worden afgeleid door een quick-scan flora en fauna uit te laten voeren op het plangebied. Hieruit kan worden opgemaakt of er op het plangebied beschermde diersoorten voorkomen. Deelgebied 1 Op het plangebied deelgebied 1 werd er een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek dat er op het plangebied diverse beschermde soorten kunnen worden aangetroffen. Er zijn tijdens de inventarisatie aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 en 2); Dassen; Boombewonende vleermuizen; Kleine marterachtigen; Teunisbloempijlstaart. Uit deze quick-scan is gebleken dat er een ontheffing dient te worden aangevraagd bij de Provincie Gelderland, voor mogelijke effecten op het leefgebied van kleine marterachtigen en de teunisbloempijlstaart. Mogelijk wordt er voor de boombewonende vleermuizen, vogelsoorten met jaarronde beschermde nesten, en de das ook een ontheffing aangevraagd.
Of dit daadwerkelijk (dient) te gebeuren, hangt af van de lopende verdiepende onderzoeken, waarvan de resultaten pas in december worden verwacht. Het uitvoerende adviesbureau ecologie heeft een memo opgesteld waarin de huidige situatie (ten aanzien van verdiepende onderzoeken) wordt verduidelijkt. © Looije Agro Technics BV, 2025
17
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Het ecologisch onderzoek (quick scan) is als bijlage bij de aanvraag toegevoegd. In 2019 werd er een eerste quick scan uitgevoerd. Hieruit is een vergelijkbaar resultaat ontstaan, namelijk de mogelijke impact op vleermuizen en specifieke soorten vogels. De verwachte impact op dassen, marterachtigen en de teunisbloempijlstaart is niet uit het onderzoek uit 2019 naar voren gekomen. Het verdiepend onderzoek uit 2020 is eveneens als bijlage opgenomen bij dit document. Daarnaast werd er een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen door een bomenanalyse. Hieruit is gebleken dat er zich geen vleermuizennesten in deze bomen bevinden. Deze bomenanalyse is eveneens als bijlage toegevoegd. Ondanks dat de onderzoeken hiervoor nog niet zijn afgerond, lijkt het er dus op dat er zich geen vleermuizen op het plangebied begeven, maar dat het plangebied mogelijk wel voor vleermuizen wordt gebruikt als foerageergebied. Ondanks dat er waarschijnlijk geen sprake is van vleermuizennesten op het plangebied, worden de mitigerende maatregelen die in het landschappelijk inpassingsplan zijn voorgesteld, doorgezet.
Tabel 2: Weergave mogelijke aanwezige beschermde diersoorten. Bron: Staring Advies
Kortom, zoals het er nu naar uitziet wordt er ten aanzien van de op het plangebied aanwezige soorten, ontheffing aangevraagd voor de soorten kleine marterachtigen, de steenmarter3, teunisbloempijlstaart, en mogelijk voor (roof)vogels, boombewonende vleermuizen en de das, afhankelijk van het resultaat van de verdiepende onderzoeken. Een memo vanuit het adviserende ecologisch bureau is bij de aanvraag toegevoegd. De uiteindelijke resultaten worden in december verwacht, en kunnen in een later stadium met het bevoegd gezag worden gedeeld.
3
Deze is op de camerabeelden waargenomen, en hiervoor dient dus ook een ontheffing te worden aangevraagd.
© Looije Agro Technics BV, 2025
18
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Het ecologisch onderzoek (quick scan) is als bijlage bij de aanvraag toegevoegd. De verdiepende onderzoeken zijn nog niet beschikbaar, maar een update ten aanzien van deze lopende onderzoeken, is in de bijlagen eveneens te zien. Deelgebieden 2A/2B/2C Ter hoogte van de deelgebieden 2A, 2B, en 2C is er geen flora en fauna-onderzoek uitgevoerd. De reden hiervoor is dat het leeuwendeel van deze plangebieden in gebruik is als kas, en er daarom vanuit kan worden gegaan dat er geen sprake is van aanwezige beschermde biodiversiteit in hun natuurlijke habitat. Ook op de gebieden waarop er geen kassen staan, maar er sprake is van loze zones op het bedrijf, is er geen noodzaak tot het uitvoeren van een flora- en faunaonderzoek, vanwege de beperkte omvang van deze loze zones. Bovendien wordt de toekomstige situatie op deze gebieden gunstiger met het oog op evt. leefgebied voor flora en fauna. De kassen en bijbehorende gebouwen worden immers gesloopt. In de toekomstige situatie zal het terrein als agrarisch worden gebruikt, zodat er meer ruimte ontstaat voor flora en fauna als de kassen zijn gesloopt. Ten aanzien van sloopwerkzaamheden worden normaliter vleermuis- of vogelonderzoek uitgevoerd. Dit is echter in deze situatie ook niet noodzakelijk. Vleermuizen of vogels kunnen immers worden aangetroffen in oude gebouwen of woningen, maar niet in kassen.
Kassen zijn namelijk geen gunstige verblijfsplaatsen vanwege de hoeveelheid licht die heir zich bevindt. Vandaar dat deze niet zijn onderzocht op aanwezigheid van deze diersoorten. 2.1.4
Conclusie flora en fauna Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen dient te worden geïnventariseerd wat de mogelijke effecten van een plan kunnen zijn op de omliggende en aanwezige ecologische waarden. Hierboven is aangetoond dat er als gevolg van het plan geen sprake kan zijn van negatieve effecten op de beschermde natuurgebieden in de Natura 2000, of GNN-zones. Daarnaast is gebleken dat de habitats van verschillende beschermde diersoorten wordt aangetast, maar dat er eveneens rekening wordt gehouden met de aanwezigheid hiervan in het landschappelijk inpassingsplan. Hiervoor wordt (los van deze bestemmingsplanwijziging) een ontheffing aangevraagd.
2.2
Kabels en leidingen Op basis van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) levert het Kadaster informatie over bestaande ondergrondse kabels en leidingen. Op basis van een oriëntatie-KLICmelding kan worden bepaald of zich ondergrondse kabels en leidingen bevinden binnen het plangebied. Voor deelgebied 1 en de omliggende percelen is een KLIC-melding uitgevoerd.
© Looije Agro Technics BV, 2025
19
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Figuur 5: Weergave oriëntatie-KLIC melding ten opzichte van uitbreiding glastuinbouw in deelgebied 1. 2.2.1
Deelgebied 1 - Aanwezige infrastructuur Voor deelgebied 1 en de omliggende percelen is een KLIC-melding uitgevoerd.4 De oriëntatie-KLICmelding heeft uitgewezen dat er zich binnen deelgebied 1 direct naast de Sprabanenweg een hogedruk gasleiding bevindt. Deze hogedrukgasleiding buigt naar het oosten af. In het kader van de verbreding van de Sprabanenweg wordt er rekening gehouden met de veiligheidseisen en -normen die door de netbeheerder worden opgelegd, met betrekking tot de bouwwerkzaamheden in de nabijheid van een gasleiding. De verbreding is echter niet gepland in de richting van de gasleiding. Daarnaast bevindt zich langs de Sprabanenweg een middenspanningsleiding (elektriciteit) die het bestaande bedrijf van Wimaplant aan de Hoveniersweg 18 van elektriciteit voorziet. Aan de westzijde van deelgebied 1 bevindt zich een waterleiding. Bij het ontwerp van het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant is rekening gehouden met de ligging van deze waterleiding waardoor deze de leiding zich niet (langer) binnen de begrenzing van deelgebied 1 bevindt.
4
Voor de deelgebieden 2A, 2B en 2C zijn geen bouwactiviteiten voorzien en derhalve geen oriëntatie KLIC meldingen gedaan.
© Looije Agro Technics BV, 2025
20
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.2.2
Deelgebied 2A/2B/2C Voor de deelgebieden 2A, 2B en 2C werd geen oriënterende KLIC-melding gedaan. Het is zonder meer klaar dat er zich op deze gebieden bestaande kabels en leidingen in de grond bevinden. Vanwege het voornemen van Wimaplant echter, is het niet relevant om deze kabels en leidingen weer te geven. De aanwezige kabels en leidingen bestaan immers in functie van de bestaande glasopstanden. Deze zullen normaliter bij de sloopwerkzaamheden worden verwijderd. Aangezien er geen bouwwerkzaamheden op deze deelgebieden zijn gepland, dient er in dit kader geen rekening te worden gehouden met deze bestaande kabels en leidingen.
2.2.3
Conclusie: Kabels en leidingen Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
2.3
Ontplofbare oorlogsresten Op verschillende plaatsen in Nederland is het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem een risico vanwege nog aanwezige Ontplofbare oorlogsresten (OO). Voordat werkzaamheden worden uitgevoerd is het zeer bruikbaar om te zien of er sprake is van (mogelijke) aanwezigheid van OO op/rondom het plangebied.
2.3.1
Ontplofbare oorlogsresten: deelgebied 1 Wimaplant heeft onderzoek laten uitvoeren in de 26 hectare binnen deelgebied 1 die wordt bestemd ten behoeve van het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant5. Conclusie is dat binnen de toekomstige bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ enkele zones liggen die mogelijk Ontplofbare Oorlogsresten kunnen bevatten. Wimaplant zal uiteraard bij de verdere ontwikkeling van de toekomstige glastuinbouwfunctie die maatregelen treffen die passen bij de uitkomsten van het Ontplofbare Oorlogsresten onderzoek (zoals aanvullende benadering- en ruimingswerkzaamheden).
2.3.2
Ontplofbare oorlogsresten: deelgebied 2A/2B/2C Voor de deelgebieden 2A, 2B en 2C werd geen oriënterend onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Aangezien deze zones momenteel als kassen in gebruik zijn genomen, en vanwege het feit dat hier in de beoogde situatie niet zal worden gebouwd, is een dergelijk onderzoek niet nodig geweest.
5
Binnen de bestemmingen Groen en de bestaande bestemming Water zijn geen bouw of graafwerkzaamheden gepland. Mede hierom concentreert het onderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten zich op de 26 hectare die bij de onderhavige bestemmingsplanwijziging als Agrarisch Glastuinbouw is bestemd.
© Looije Agro Technics BV, 2025
21
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Figuur 6. Weergave zones die op het plangebied uitbreidingszone worden aangeduid als 'verdacht' op mogelijk aanwezige OO. Bron: T&A Survey.
Wimaplant zal uiteraard bij de verdere ontwikkeling van de toekomstige glastuinbouwfunctie die maatregelen treffen die passen bij de uitkomsten van het Ontplofbare Oorlogsresten onderzoek (zoals aanvullende benadering- en ruimingswerkzaamheden). 2.3.3
Conclusie: Ontplofbare oorlogsresten Met het oog op het uitgevoerde onderzoek voor ontplofbare oorlogsresten dat voor deelgebied 1 werd uitgevoerd, is duidelijk gemaakt dat er enkele zones als verdacht kunnen worden aangeduid. Hier zal in de verdere uitwerking van het plan rekening mee worden gehouden. Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
2.4
Spoorlijnen De aanwezigheid van spoorlijnen in de nabijheid van een plangebied kan in sommige situaties leiden tot verder op te leggen voorwaarden op een ruimtelijk plan. In onderstaande paragraaf wordt toegelicht dat in het besproken plan er geen rekening dient te worden gehouden met verdere voorwaarden, ondanks de nabijheid van een spoorlijn. Spoorlijnen: deelgebied 1 Aan de zuidwestzijde van deelgebied 1 bevindt zich de spoorlijn een onderdeel van de spoorlijn van het traject Apeldoorn – Zutphen. De spoorlijn bevindt zich op een dijk van ca. 3 meter hoog. Deze spoordijk fungeert daarmee als het ware als een natuurlijke visuele afsluiting ten opzichte van de oostelijk gelegen gronden naast deelgebied 1.
© Looije Agro Technics BV, 2025
22
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
De glastuinbouw die op basis van dit onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt bevindt zich tenminste op dezelfde afstand als de huidige glasopstanden van Wimaplant, en voor een groot deel zelfs op grotere afstanden dan de huidige afstanden. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening zijn er geen contra-indicaties dat de aanwezige spoorlijn een belemmering zou vormen voor dit bestemmingsplan. De beoogde plannen zijn in het kader van vooroverleg gedeeld met de spoorlijnbeheerder ProRail. Zij heeft geen aanleiding gevonden om extra voorwaarden te leggen ten aanzien van de uitvoering van het plan.
Figuur 7: De spoorbaan en dijk ten oosten van deelgebied 1. Bron: Looije Agro Technics. 2.4.1
Spoorlijnen: deelgebied 2A/2B/2C Voor de deelgebieden 2A kan eveneens worden gesteld dat deze zich in de nabijheid van hetzelfde spoortraject bevindt. Aangezien hier echter sprake is van een beoogde sloop en niet van bouwwerkzaamheden, is deze nabijheid geen thema met het oog op herbestemming. De deelgebieden 2B en 2C bevinden zich op grotere afstand van de spoorlijn. Het aspect spoorlijnen vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
2.4.2
Conclusie: Spoorlijnen Het aspect spoorlijnen vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
© Looije Agro Technics BV, 2025
23
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Figuur 8: Weergave spoorlijn ten opzichte van deelgebied 1. Bron: Looije Agro Technics, op basis van PDOKViewer.
2.5
Bodemsituatie Als onderdeel van een ruimtelijk plan moet volgens het Bro (art. 3.1.6) een paragraaf van een toelichting worden besteed aan de bodemsituatie. In onderstaande paragraaf wordt dan ook ingegaan op het aspect bodemkwaliteit. Er zal worden aangetoond dat de bestaande bodemkwaliteit aansluit bij de beoogde bestemming.
2.5.1
Verantwoording bodemonderzoek deelgebied 1 Om een beeld te krijgen van de huidige bodemkwaliteit in deelgebied 1, werd er een bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek werd uitgevoerd door een hiertoe bevoegde organisatie De klinker milieu. Het onderzoek werd uitgevoerd conform NEN 5740/NEN 5725 richtlijnen. Het onderzoek omvatte 133 boringen en 33 peilbuizen. Uit de monsters van de bovengrond werden er op enkele locaties licht verhoogde concentraties nikkel, kwik, lood en kobalt aangetroffen. In de ondergrond werd plaatselijk licht verhoogde concentraties nikkel, cadmium en kobalt aangetroffen in zowel de zand- als kleilagen. In het grondwater werd een verhoogd niveau aan barium aangetroffen. Alle verhoogde concentraties zijn volgens het onderzoeksbureau een gevolg van de natuurlijke samenstelling.
© Looije Agro Technics BV, 2025
24
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Ter hoogte van de bestaande verharding dwars op het plangebied werden 12 boringen gedaan om te onderzoeken of er sprake is van asbestresten. Uit de boringen is gebleken dat er geen asbest in de verharding aanwezig is. Hetzelfde geldt voor de locatie waarop puin in de bodem is aangetroffen ter hoogte van de oostzijde van het plangebied. Ook werden de bestaande watergangen gecontroleerd op de huidige bodemsamenstelling. Ook hier werden iets hogere waarden aangetroffen dan gebruikelijk. Deze waarden zijn waarschijnlijk eveneens een gevolg van de natuurlijke samenstelling van de bodem. Er werd ten aanzien van het water/baggerspecie aanbevolen om deze eerst uit de watergangen te verwijderen voordat de watergangen worden gedempt. Volgens de bodemrapportage (K182881 van De klinker milieu) is de huidige bodem-hygiënische situatie van het plangebied geschikt voor de beoogde bestemming en toepassing. De toepassing van glastuinbouw is volgens het rapport dan ook geen probleem. Het terrein/plangebied wordt aangeduid als onverdacht. 2.5.2
Verantwoording ontbreken bodemonderzoek deelgebieden 2A/2B/2C Ter hoogte van de deelgebieden 2A, 2B en 2C werd er geen oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. Aangezien deze zones momenteel als kassen in gebruik zijn genomen, en vanwege het feit dat hier in de beoogde situatie niet zal worden gebouwd, wordt een dergelijk onderzoek niet nodig geacht.
2.5.3
Conclusie: Bodemsituatie Het is bij ruimtelijke plannen verplicht om inzage te geven in de huidige bodemsituatie. Door het uitgevoerde bodemonderzoek is er inzage gekregen in de bodemsituatie van de gronden die binnen deelgebied 1 worden bestemd ten behoeve van glastuinbouw. Uit het rapport is gebleken dat de huidige bodemsituatie geen belemmering hoeft te zijn voor het boogde gebruik van die gronden ten behoeve van glastuinbouw. Op gronden die bestemd worden als ‘Groen’ binnen deelgebied wordt niet gebouwd. Derhalve is afgezien van bodemonderzoek van die gronden. Op de gronden in de deelgebieden 2A, 2B en 2C wordt in het geheel niet gebouwd en in deze deelgebieden kon derhalve worden afgezien van het uitvoeren van bodemonderzoek. Het aspect bodem-hygiëne vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
© Looije Agro Technics BV, 2025
25
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
2.6
Milieuzonering Om aannemelijk te maken dat (bedrijfs)activiteiten geen negatieve impact hebben op omliggende gevoelige objecten, moet de beperkte impact van deze activiteiten worden aangetoond. Een hulpmiddel dat kan worden gebruikt kan worden is het begrip milieuzonering. Milieuzonering zorgt voor een benodigde afstand tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies. Als uitgangspunt kan de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden gebruikt. In de VNG-handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn per bedrijfssector. Per sector wordt een richtafstand gegeven voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid.
2.6.1
Milieuzonering deelgebied 1 Met het oog op het plangebied waarop het beoogde glastuinbouwbedrijf wordt gebouwd, is in deze toelichting op de bestemmingsplanwijziging gekozen voor de activiteit kassen met gasverwarming. Onderstaande figuur bevat een uitsnede van de richtafstandenlijst. Hieruit blijkt dat ten aanzien van kassen met gasverwarming er rekening dient te worden gehouden met max. 10 meter afstand voor de aspecten geur en stof. Met het oog op de aspecten geluid en gevaar moet er 30 meter afstand tot gevoelige objecten worden aangehouden.6
Figuur 9: Weergave richtafstandenlijst met aanduiding voor 'kassen met gasverwarming'. Bron: VNG
Rondom het plangebied voor de nieuwe kas bevinden zich nauwelijks woningen. De meest nabijgelegen woningen ten westen, noorden en oosten bevinden zich op zeer ruime afstand van enkele honderden meters vanaf het deelgebied. De uitzondering hierop is een verblijfsobject opca. 18 meter vanaf de perceelsgrens. Het verblijfsobject is echter geen woning, en dus dient er hier niet aan de 30 meter regel te worden voldaan. Het betreft hier namelijk een ruimte ten behoeve van de opslaglocatie voor circusmateriaal. Rondom de Sprabanenweg bevinden zich wel enkele woningen. Ten oosten van de Sprabanenweg bevindt er zich een woning op 70 meter afstand (Hoveniersweg 14). Ten westen van de Sprabanenweg bevindt er zich een woning op 20 meter van de weg. De Sprabanenweg maakt wellicht onderdeel uit van deelgebied 1, maar maakt geen onderdeel uit van de inrichting die door de aanvrager wordt geëxploiteerd. Er dient ter hoogte van de Sprabanenweg dan ook niet aan de richtafstanden te worden voldaan.
6
De richtafstandenlijst kent voor kassen slechts twee ‘smaken’: kassen zonder verwarming en kassen met verwarming. De richtafstanden voor beide typen kassen in de daarop volgende kolommen zijn voor alle hinderaspecten gelijk.
© Looije Agro Technics BV, 2025
26
Wimaplant – vormvrije MER bestemmingsplanwijziging
Ten oosten van het deelgebied bevinden er zich wel enkele bouwwerken. Deze bouwwerken lijken geen woningen te zijn, maar staan volgens het BAG wel geregistreerd als verblijfsobject. Deze locatie is geregistreerd onder het adres Hoveniersweg 14. De afstand vanaf deelgebied 1 tot de perceelsgrens is minder dan de richtlijnafststand van 30 meter, namelijk ca. 10 meter. De afstand vanaf de perceelsgrens tot het permanente verblijfsobject dat op dit perceel aanwezig is, betreft ca. 19,50 meter. Hier dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat het meest nabijgelegen element op de inrichting van de aanvrager het waterbassin betreft. Het waterbassin zorgt normaliter niet voor geluid, aangezien hier geen menselijk en robotische werkzaamheden worden uitgevoerd. De meest nabijgelegen gevel van een bedrijfsgebouw vanaf het verblijfsobject bevindt zich op ruim 40 meter afstand vanaf het verblijfsobject. Dit betreft de waterbehandelingsruimte waarin eveneens niet tot nauwelijks menselijke handelingen worden uitgevoerd. Bovendien wordt deze ruimte gebouwd met sandwichpanelen. Daarbij dient in acht te worden genomen dat het verblijfsobject op Hoveniersweg 14 waarover wordt gesproken, geen echter ‘verblijfsobject’ lijkt te zijn. Dit gebouw lijkt eerder te fungeren als opslagruimte dan als verzamel- of verblijfsruimte.
De personen die zich op dit perceel soms begeven, zijn namelijk kermisexploitanten die hier af en toe in hun eigen caravans verblijven. De exploitanten staan doorgaans aan de andere zijde van het perceel dat tegenover het perceel van de aanvrager ligt. De afstand ten opzichte van de betreffende perceelsgrens is ruim 50 meter. Ondanks dat de afstand ten opzichte van het terrein van de aanvrager en het verblijfsobject aan Hoveniersweg 14 minder dan de richtlijnafstand bedraagt, is er hier gemotiveerd dat er geen reden is om deze afstand als problematisch te beschouwen met het oog op mogelijk geluidsoverlast. Dit omdat het verblijfsobject niet als zodanig wordt gebruikt, omdat het daadwerkelijk verblijf van personen zich alsnog op ruime afstand bevindt, en omdat het meest nabijgelegen elementen van het uit te breiden glastuinbouwbedrijf het bassin betreft. Deze kan niet worden beschouwd als geluidsbron.