1097018 – bijlage 21 – bijl. mtv ecologische beoordeling stikstof
Tekst van het document
als gevolg
van lichtconcurrentie. Daarnaast vermindert verruiging de beschikbaarheid van prooidieren voor vogelsoorten in voedselarme tot matig voedselrijke vochtige graslanden. Naar de effecten van stikstofdepositie op de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten is geen onderzoek gedaan, maar onderzoek naar effecten van (experimentele) bemesting en maaibeheer en autecologisch onderzoek aan weidevogels levert wel belangrijke gegevens op die effecten van verhoogde stikstofdepositie aannemelijk maken. Haddad et al. (2000) toonden aan dat bij aanhoudende stikstofgift (ook
bij een gift van
<50
kg/ha/ir) de diversiteit van
planten
en ongewervelden
in
graslanden afneemt. Tegelijkertijd neemt de dichtheid en biomassa van insecten per oppervlakte toe, maar doordat ook de dichtheid van de vegetatie toeneemt zijn deze potentiële prooidieren slechter bereikbaar voor vogels. Dit is aannemelijk gemaakt voor de grutto (Kleijn et al. 2007) en andere weide- en akkervogels in cultuurgraslanden (Atkinson et al. 2004, 2005). De dichtheid van insecten neemt toe en de prooigrootte blijft in sommige gevallen gelijk (0.3. Schekkerman & Beintema 2007), maar er kan ook een verschuiving optreden van grotere soorten naar kleinere soorten, waardoor met name de predatoren van grotere insecten in de problemen kunnen komen
(Siepel 1990). Graslanden met een gevarieerde vegetatiestructuur hebben een hoger prooiaanbod en lijken ook een betere prooibereikbaarheid te hebben dan dichte grasvegetaties. Gruttokuikens groeien daar dan ook het snelst. Graslanden die bestaan uit hergroei na maaien hebben een lager prooiaanbod (Teunissen & Wymenga 2011). Nestvliedende kuikens van weidevogels maken gebruik van graslanden om te foerageren. Anders dan voor de grutto (Schekkerman 2008) en wellicht ook kwartelkoning, wordt voor kemphaan en watersnip vanwege hun habitatvoorkeur verwacht dat zij beter zijn aangepast aan vochtige omstandigheden en daardoor weinig gevoelig zijn voor vochtiger worden van microklimaat als gevolg van verruiging. Het optreden van onderkoeling en voedseltekort — zowel
door een
koeler microklimaat,
kortere foerageertijd
als gevolg van een
frequente opwarmtijd bij de ouders en een lagere dichtheid en bereikbaarheid van prooien in een dichte vegetatie — i voor kuikens van de grutto aangetoond in productiegraslanden (Schekkerman
2008).
Het is aannemelijk dat deze effecten ook voor andere weidevogelsoorten
optreden
in
leefgebieden Lg6, Lg7 en Lg10, maar dit is nog niet aangetoond. Wanneer en voor welke andere weidevogels dit effect optreedt in de betreffende leefgebieden betreft daarom een kennislacune. Wellicht dat een hoge vegetatie in het voorjaar ook de nestgelegenheid voor weidevogels doet
chore
Nati
chouwbroek
afnemen,
zoals soms wordt
gesuggereerd
in Zutphen
voor productiegraslanden,
maar
hiervoor is in deze
voedselarmere leefgebieden nog geen aanwijzing gevonden. Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit leefgebied is vastgesteld op 1571 mol/ha/jaar. Stikstofgevoelige leefgebieden zijn als zodanig niet aangewezen middels het Natura 2000-aanwijzingsbesluit (BIJ12). De bescherming van deze leefgebieden loopt via de aangewezen soorten die hierin leven. In het geval van Lg08 zijn dat kruipend moerasscherm, blauwe kiekendief, bontbekplevier, bruine kiekendief, grutto, kemphaan, kievit, kwartelkoning, paapje, scholekster, tureluur, velduil, visdief en watersnip. Dit leefgebiedtype maakt onderdeel uit van het stikstofgevoelige leefgebied van de kwartelkoning en watersnip binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase
Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit leefgebied binnen de Riijntakken. Deze depositie treedt op in een beperkte oppervlakte van maximaal 0,2 hectare. Gebruiksfase
Tijdens de gebruiksfase is eveneens sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen de Rijntakken. Deze depositie treedt ook in de gebruiksfase op in een zeer geringe oppervlakte van 0,2 hectare. Beoordeling Lg08 Kwartelkoning en watersnip Deze vogelsoorten maken binnen de Rijntakken gebruik van het leefgebied Lg08. Voor deze broedvogelsoorten is beoordeeld dat er geen sprake meer van een potentieel effect van stikstofdepositie (bron: Natuurdoelanalyse Rijntakken). De belangrijkste sturende processen voor het ontstaan en het behoud van geschikt leefgebied voor kwartelkoning zijn de aanwezigheid van extensief beheerde graslanden met juist maaibeheer en een afwezigheid van verstoring tijdens de vestiging van de soort in het gebied (bron: Provincie Gelderland, 2023). Stikstofdepositie is voor de watersnip eveneens geen drukfactor van betekenis. Vestiging van de soort is sterk afhankelijk van goede inrichting en beheer van extensief gebruikte natte graslanden. Verdroging is het grootste knelpunt voor de soort (bron: Provincie Gelderland, 2023). In de huidige situatie is nergens binnen de Rijntakken sprake van (naderende) overschrijding van de KDW (bron: AERIUS
Monitor). Dat wil zeggen dat de totale belasting 70 mol of meer onder de KDW blijft. Er is sprake van een zeer geringe extra depositie vanuit het project van maximaal slechts 0,01 mol/ha/jaar op een zeer beperkte oppervlakte van 0,2 hectare. Zoals eerder aangegeven is er bij deposities lager
dan 70 mol N/ha/jaar geen aantoonbaar effect waarneembaar. Bovendien blijft de depositie ruim onder de KDW, ondanks de extra depositie vanuit het project. Deze geringe toename zal, gezien bovenstaande zaken, niet leiden tot waarneembaar effect in de kwaliteit van het leefgebied van de kwartelkoning en watersnip. De geplande activiteiten vormen geen belemmering voor de realisatie van de instandhoudingdoelstelling van deze doelsoorten. Negatieve effecten op de kwaliteit van dit leefgebied zijn op voorhand uit te sluiten.
Ecochore
Natuurtechniek
29
1911 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland Algemene beschrijving Dit leefgebied omvat kamgrasweide en bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied als leefgebied voor 11 soorten van de Vogelrichtlijn, zoals beschreven als subtypen c en d van het natuurdoeltype Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied (3.39) (Bal et al. 2001). Het leefgebied Kamgrasweide op klei kent geen overlap met bestaande Europese habitattypen, maar de subtypen a en b van Kamgrasweide op klei zijn de stroomdalgraslanden en Glanshaverhooilanden en vallen onder de habitattypen H6120 en H6510A. Dit type grasland komt vooral voor in het rivieren- en zeekleigebied, in mindere mate ook op de oeverlanden van de afgesloten zeearmen. In de eerste twee regio's komt het voor op de relatief droge gronden; op de oeverlanden is het te vinden op de voormalige kwelders. Een rijke levensgemeenschap is vooral te verwachten als er binnen een gebied een afwisseling is tussen lage, vochtige en hoge, droge delen en tussen begroelingen met een open structuur (waarbinnen de bodem beschadigd is), grazige begroeiingen en zoomachtige vegetaties. Het grote belang van dergelijke graslanden voor de fauna geldt in het bijzonder voor weidevogels, zowel in beweide als gehooide graslanden en zowel onder vochtige als drogere omstandigheden.
Grote dichtheden aan weidevogels ontstaan alleen als er voldoende rust en ruimte is (dus vooral n open landschappen) en als er voldoende bereikbaar voedsel is om de jongen mee groot te brengen. Instandhoudingsdoel Voor leefgebieden zijn geen
specifieke
instandhoudingsdoelen
geformuleerd.
De
doelen
zijn
gekoppeld aan de soorten, in dit geval blauwe kiekendief, bruine kiekendief, grauwe kiekendief, grutto, kemphaan, kievit, kwartelkoning, paapje, scholekster, tureluur, velduil en visdief (zie bijlage 1. Effecten van stikstofdepositie Naar de effecten van stikstofdepositie op de Vogelrichtlijnsoorten is geen direct onderzoek gedaan, maar onderzoek naar effecten van (experimentele) bemesting en maaibeheer in graslanden en autecologisch onderzoek aan weidevogels levert wel belangrijke gegevens op die effecten van verhoogde stikstofdepositie aannemelijk maken. Zeer aannemelijk is dat alle VHR-soorten hinder kunnen ondervinden van stikstofdepositie, vanwege het feit dat toevoer van stikstof n kamgrasweiden
leidt tot een verhoogde
productie
van vooral
hoge grassoorten.
De verruiging
vermindert de beschikbaarheid van prooidieren voor vogelsoorten. Haddad et al. (2000) toonden aan dat bij aanhoudende stikstofgift (ook bij een gift van <50 kg/ha/jaar) de diversiteit van planten en ongewervelden
in graslanden
afneemt.
Tegelijkertijd
neemt
de dichtheid en biomassa
van
insecten per oppervlakte toe, maar doordat ook de dichtheid van de vegetatie toeneemt zijn deze potentiële prooidieren slechter bereikbaar voor vogels. Dit is aannemelijk gemaakt voor de grutto (Kleijn et al. 2007) en andere weide- en akkervogels in cultuurgraslanden, waaronder VR-soorten
grauwe klauwier en paapje (Atkinson et al 2004, 2005). De dichtheid van insecten neemt toe en de prooigrootte blijft in sommige gevallen gelijk (0.a. Schekkerman & Beïntema 2007), maar er kan ook een verschuiving optreden van grotere soorten naar kleinere soorten, waardoor met name de grotere insecteneters in de problemen kunnen komen (Siepel 1990). Voor paapje s in Drenthe aangetoond dat het verdwijnen van de soort sterk gecorreleerd s met verruiging van de vegetatie
na achterwege blijven van verschralend beheer (Van Dijk & Goutbeek 2000). Graslanden met een gevarieerde vegetatiestructuur hebben een hoger prooiaanbod en liijken ook een betere prooibereikbaarheid te hebben dan dichte grasvegetaties. Gruttokuikens groeien daar dan ook het
I
GEN
echni\
chouwbroek
in Zutphen
snelst. Graslanden die bestaan uit hergroei na maaien hebben een lager prooiaanbod (Teunissen & Wymenga 2011). Het optreden van onderkoeling en voedseltekort — zowel door een koeler microklimaat, kortere foerageertijd als gevolg van een frequente opwarmtijd bij de ouders en een lagere dichtheid en bereikbaarheid van prooien in een dichte vegetatie — is voor kuikens van de Grutto aangetoond in productiegraslanden (Schekkerman 2008). Het is aannemelijk dat deze effecten ook voor andere weidevogelsoorten optreden in leefgebieden LG.6, LG.7 en LG.8, maar dit is nog niet aangetoond. Wanneer en voor welke andere weidevogels dit effect optreedt in de betreffende leefgebieden betreft daarom een kennislacune. Wellicht dat een hoge vegetatie in het voorjaar ook de nestgelegenheid voor weidevogels doet afnemen, zoals soms wordt gesuggereerd voorproductiegraslanden,
maar
hiervoor
is
in
deze
voedselarmere
leefgebieden
nog
geen
aanwijzing gevonden.
Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit leefgebied is vastgesteld op 1357 mol/ha/jaar. Stikstofgevoelige leefgebieden zijn als zodanig niet aangewezen middels het Natura 2000-aanwijzingsbesluit (BIJ12). De bescherming van deze leefgebieden loopt via de aangewezen soorten die hierin leven. In het geval van Lg11 is dat de kwartelkoning. De niet-broedvogels binnen de Riijntakken zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie
(ARCADIS
slaaplocaties, rustgebieden
2023).
Stikstof
heeft
geen
nadelige
en (voedselrijk) foerageergebied.
invloed
op
de
kwaliteit
van
De instandhoudingsdoelstellingen
voor niet-broedvogels van Lg11 zijn daarom niet nader toegelicht. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit leefgebied binnen de Riijntakken. Deze depositie treedt op in een beperkte opperviakte van maximaal 1,4 hectare.
Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is eveneens sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen de Rijntakken. Deze depositie treedt ook in de gebruiksfase op in een zeer geringe oppervlakte van 1,4 hectare. Beoordeling Lg11 Zoals bij de effectbeoordeling van Lg08 reeds is aangegeven vormt stikstof geen knelpunt voor de doelsoort kwartelkoning binnen de Rijntakken. De geringe toename vanuit het project van 0,01 mol/ha/jaar zal niet leiden tot waarneembaar effect in de kwaliteit van het leefgebied van de kwartelkoning. De geplande activiteiten vormen geen belemmering voor de realisatie van de instandhoudingdoelstelling van deze doelsoort. Negatieve effecten op de kwaliteit van dit leefgebied zijn op voorhand uit te sluiten.
Ecochore
Natuurtechniek
3.4.5 VELUWE
Vanuit het project is in dit Natura 2000-gebied sprake van extra depositie op de habitattypen H2310, H2330, H4030, H6230, H9120, H9190 en de leefgebieden Lg01, Lg09, Lg13 en Lg14. De depositie treedt uitsluitend tijdens de aanlegfase op. H2310 Stuifzandheiden met struikhei Algemene beschrijving Stuifzandheiden met struikhei omvat begroeiingen met dwergstruiken op droge zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Deze stuifzanden zijn gevormd door herverstuiving van dekzanden, met name na de |ate Middeleeuwen. De bodems zijn droog, zuur en zeer voedsel- en kalkarm. Ze behoren tot de zogenoemde duinvaaggronden en vlakvaaggronden1. Er hebben zich nog nauwelijks of geen podzolprofielen ontwikkeld en de bodem is nog niet of slechts oppervlakkig ontijzerd. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei. Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke ro! spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes of, op noordhellingen, rode bosbes. Zelfs plekken waar gewone dophei domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen (want dat is niet strijdig met de vegetatiekundige definiëring; de dominantie van gewone dopheide is op zich dus geen reden om zo’n plek H4010A te noemen). Door grassen (bochtige smele) of struwelen (brem, gaspeldoorn) gedomineerde begroeiingen kunnen afwisselen met de dwergstruikbegroeiingen en daarmee kleinschalige mozaïeken vormen.
Op steile noordhellingen met een vochtiger microklimaat kan een mosrijke heidevorm voorkomen, terwijl op geëxponeerde hellingen juist een korstmosrijke variant kan voorkomen. Instandhoudingsdoel Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdeposi Verzuring
De bodems onder Stuifzandheiden zijn van nature zuur van karakter. Maar verzuring door een overdaad aan stikstof kan wel een negatief effect hebben op de kwaliteit van dit habitattype. Ook vermesting kan optreden door teveel stikstof. Voor het leefgebied van Vogel- en
Habitatrichtlijnsoorten en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit voedselplanten, Afname kwaliteit voedselplanten en afname prooibeschikbaarheid.
Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 714 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase
Tijdens aanlegfase 1.1 is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen de Veluwe. Het betreft 1,32 hectare. In de overige jaren is geen sprake van depositie op dit habitattype. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van depositie op H2310. Beoordeling H2310 Van dit habitattype komt circa 1651 hectare (gekarteerd) voor op de Veluwe (bron:
Gebiedsrapportage Veluwe). In de huidige situatie is 100% overbelast door stikstofdepositie (bron: AERIUS Monitor). De kwaliteit van het habitattype is slecht en staat onder druk door met I
GEN
echni\
uwbroek
in Zutphen
name stikstofdepositie, successie en versnippering. Met de huidige maatregelen die zijn genomen in dit habitattype is verslechtering niet uitgesloten en zijn de instandhoudingsdoelstellingen niet in zicht (Provincie Gelderland 2023). In het verleden uitgevoerde herstelmaatregelen lijken niet overal het gewenste effect te hebben gehad om de kwaliteit van dit habitattype. Het feit dat stikstofdepositie een knelpunt vormt, betekent niet dat elke (tijdelijke) toename van een (significant) negatief effect heeft. Vanuit het project is er tijdelijk sprake van een zeer geringe
extra bijdrage van 0,01 mol/ha/jaar. Dergelijke zeer kleine (en in dit geval eenmalige) toenames van stikstofdepositie leiden niet tot meetbare effecten op de kwaliteit van het habitattype. Er is geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van H2310 vanuit het project.
H2330 Zandverstuivingen Algemene beschrijving Het habitattype betreft pionierbegroeiingen in afwisseling met onbegroeid zand op droge, zeer voedselarme zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Het habitattype kan op kleine schaal voorkomen in heidelandschappen, maar ook zo grootschalig zijn ontwikkeld dat van een zandverstuivingslandschap sprake is. In het eerste geval komt het meestal voor op plekken die zijn
omgeven
door het habitattype Stuifzandheiden met struikhei (H2310). Zonder periodiek actief
herstel van de pionieromstandigheden zullen deze kleine plekken dichtgroeien. In het tweede geval gaat het om een afwisseling van veelal geheel of gedeeltelijk begroeide duinen, waar vegetatie het zand invangt en vasthoudt, en vlakkere, onbegroeide of spaarzaam begroeide laagten waar het zand wegstuift. Van een uitgestoven laagte spreekt men als verdere uitstuiving niet mogelijk is omdat de verstuiving tot op het natte zand is gekomen (tot aan het grondwater) of een niet verstuifbare grindlaag of (keileemlaag bereikt heeft. In tot het grondwater uitgestoven
laagten
kunnen
bijdrage
zich
lokaal
ook vochtige
pioniervegetaties
ontwikkelen
die een
waardevolle
leveren aan de diversiteit in het gebied. Bij verdere uitstuiving en/of bij grondwaterstandstijging kunnen
zich
hier ook vennen
ontwikkelen.
De
vastlegging
van
het zand
vindt
gedurende
de
vegetatiesuccessie plaats door respectievelijk Buntgras en algen, mossen, korstmossen en ten slotte grassen (die met name op de overgang naar omringende heiden en bossen domineren). Duurzame instandhouding van het habitattype kan vooral plaatsvinden n grootschalige gebieden waar de wind vrij spel heeft en een voortdurend wisselend mozaïek van successiestadia kan voortbestaan. Naast winderosie kan watererosie op deels begroeide hellingen een grote invloed hebben op zowel bodem- als vegetatieontwikkeling en voor steilwandjes zorgen. Instandhoudingsdoel Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdepositie
Hoge stikstofdeposities leiden tot versnelde successie (Riksen et al. 2006) en hebben een nadelige invloed op korstmossoorten die karakteristiek zijn voor zandverstuivingen. Teveel stikstof kan leiden tot verzuring en vermesting. Naast het verhogen van de stikstofbeschikbaarheid, kan hoge ammoniumdepositie leiden tot ammoniumtoxiciteit (Gordon et al. 2001; Soudzilocskaia et al. 2005; Hasse & Daniels 2006), wat de groei van korstmossen kan belemmeren. Het kan daarnaast ook leiden tot het uitspoelen van basische kationen, lagere pH en aluminiumtoxiciteit (Zvereva et
al. 2007). Voor het leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwaliteit voedselplanten en afname prooibeschikbaarheid.
Ecochore
Natuurtechniek
Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 714 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase
Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen De Veluwe. Deze bijdrage is eenmalige en treedt alleen op in aanlegfase 1.1 Deze depositie treedt op in een zeer beperkte oppervlakte van maximaal 0,06 hectare. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van depositie op H2330. Beoordeling H2330 Van dit habitattype komt circa 2237 hectare voor op de Veluwe (bron: Beheerplan Veluwe). In de huidige situatie is 100% overbelast door stikstofdepositie (bron: AERIUS Monitor). De kwaliteit van het habitattype is slecht en staat onder druk door met name stikstofdepositie, successie en versnippering. In de huidige situatie i overal sprake van matige tot sterke overschrijding van de KDW (bron: AERIUS Monitor). Vanuit het project is er tijdelijk sprake van een zeer geringe extra
bijdrage van 0,01 mol/ha/jaar. Dergelijke zeer kleine (en in dit geval eenmalige) toenames van stikstofdepositie leiden niet tot meetbare effecten op de kwaliteit van het habitattype. Er is geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van H2330 vanuit het project.
H4030 Droge heiden
Algemene beschrijving Het habitattype betreft struikheibegroeiingen in het laagland en gebergte van Europa. Ze worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Droge heides komen in Nederland voor op matig droge tot droge, kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd. Het meest komt het type voor op —al dan niet lemige- dekzanden en op stuwwallen, maar ze strekken zich ook uit op stuwwallen, rivierterrassen en tertiaire (mariene) zandafzettingen. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei. Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld Blauwe bosbes of rode bosbes. Zelfs plekken waar gewone dophei domineert over Struikhei kunnen onder dit habitattype vallen (want dat is niet strijdig met de vegetatiekundige definiëring; de dominantie van Gewone dopheide is op zich dus geen reden om zo'n locatie H4010A Vochtige heide te noemen). Andere soorten die algemeen voorkomen zijn fijn schapegras en de mossen heideklauwtjesmos, gewoon gaffeltandmos en bronsmos. Struwelen met brem, solitaire jeneverbes of gaspeldoorn maken in veel gebieden deel uit van het heidelandschap en worden dan ook bij dit habitattype gerekend. Plaatselijk komen grasrijke delen voor met grassen zoals bochtige smele en pijpenstrootje.
Zolang de door grassen gedomineerde verarmde vegetaties niet domineren, worden ze als deel van het habitattype beschouwd (zie vegetatietabel). De subassociatie met tandjesgras komt voor op iets voedsel- en basenrijkere standplaatsen, bijvoorbeeld op plekken waar de bodem is omgewoeld of waar de bodem iets lemiger is. De mosrijke subassociatie komt voor op noordhellingen van stuwwallen, met een iets vochtiger microklimaat. Vormen met veel dophei komen vooral voor op de meer lemige zandgronden. Habitattype H4030 betreft struikheibegroeiingen van alle bodemtypen. Uitzonderingen zijn: (1) in de duinen, waar de struikheibegroeiingen vallen onder H2150 Duinheiden met struikhef, (2) op duinvaaggronden of vlakvaaggronden, waar ze vallen onder H2310 Binnenlandse stuifduinen en
(3) op verdroogd hoogveen waar ze gerekend worden tot het habitattype H7120 Herstellende Ecochore
Natuurtechnii
&
chouwbroek
in Zutphen
hoogvenen. Droge heiden met dominantie van kraaihei wordt beschouwd als een eigen habitattype (H2320). Instandhoudingsdoel Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdepositie Droge heiden kunnen als gevolg van te hoge stikstofdepositie te lijden hebben van zowel
verzuring als vermesting. Voor het leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwaliteit voedselplanten en afname prooibeschikbaarheid. Kritische depositiewaarde (KDW)
De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 714 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase
Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen de Veluwe. Deze depositie treedt op tijdens de aanlegfasen 1.1 en 1.5. Het gaat in fase 1.1 om een beperkte oppervlakte van maximaal 1,61 hectare. Tijdens aanlegfase 1.5 gaat het om 0,1 hectare. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van extra stikstofdepositie vanuit het project op dit habitattype binnen de Veluwe. Beoordeling H4030 In de huidige situatie is op de Veluwe sprake van een overbelaste situatie n de droge heiden. De belangrijkste knelpunten voor het behalen van de doelstellingen zijn stikstofdepositie, successie, versnippering en nutriëntenbeschikbaarheid. De kwaliteit van het habitattype is overwegend matig en staat onder druk door stikstofdepositie en versnippering. Ook in de hexagonen waar vanuit het project sprake is van extra depositie is sprake van overschrijding van de KDW. Een
tijdelijke en zeer geringe extra bijdrage van 0,01 mol/ha/jaar leidt echter niet tot meetbare effecten in dit habitattype, zoals veranderingen in de vegetatiestructuur en -samenstelling, abiotische condities of aanwezigheid van typische soorten. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Droge heide zijn niet aan de orde.
H6230 Heischrale graslanden (droge, kalkarme variant) Algemene beschrijving Dit habitattype omvat in ons land min of meer gesloten, zogenoemde halfnatuurlijke graslanden op betrekkelijk zure zand- en grindbodems. Goed ontwikkelde heischrale graslanden zijn zeer rijk aan allerlei grassoorten, kruiden en paddenstoelen. Een deel van de soorten komt ook voor in heidebegroeiingen. Op de hogere zandgronden komen heischrale graslanden zowel op vochtige als op relatief droge standplaatsen voor. Het habitattype is n ons land aan te treffen in het heuvelland, de duinen en op de hogere zandgronden van het binnenland. De oorspronkelijke beschrijving van de habitatrichtlijn beperkte dit type tot ‘berggebieden’, maar in de latere interpretatie van de Europese handleiding is aangegeven dat ook soortenrijke heischrale graslanden in het laagland bij dit type horen. Heischrale graslanden komen in verschillende Ecochore
Natuurtechniek
variaties voor op uiteenlopende bodemtypen: Op de hogere zandgronden komen heischrale graslanden zowel op vochtige (de associatie van klokjesgentiaan en borstelgras) als op relatief droge standplaatsen (de associatie van liggend walstro en schapegras) voor. In de duinen komen heischrale graslanden ook op zowel relatief droge als op vochtige standplaatsen voor. Alleen de duingemeenschappen op vochtige standplaatsen (de associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras) worden tot habitattype H6230 gerekend. In het heuvelland wordt het habitattype vertegenwoordigd door de associatie van Betonie en Gevinde kortsteel. Ze is daar te vinden langs de bovenranden van kalkhellingen waar bodem is bedekt met een laag kalkarm materiaal afkomstig van hoger op de helling. In laag- en hoogveen is dt type zeer zeldzaam. Het is daar te vinden op licht verdroogd veen waar vroegere bemesting en bekalking nog zorgen voor een lichte buffering van de bodem. In hoogveengebieden is het alleen bekend van de bovenveengronden in het Bargerveen, niet afgegraven veengronden die vroeger werden gebruikt als landbouwgrond. In laagveengebieden kan het voorkomen in licht verzuurde en verdroogde (voormalige) blauwgraslanden.
Op vergelijkbare maar iets beter gebufferde standplaatsen komt ook de associatie van maanvaren en vleugeltjesbloem voor, die echter onderdeel uitmaakt van de heischrale variant van de grijze duinen (H2130C). Instandhoudingsdoel Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdepositie
Depositieniveaus boven de KDW kunnen leiden tot zowel verzuring (behalve meestal in het Heuvelland vanwege de buffering vanuit het nabije kalkgesteente) als vermesting. Beide abiotische processen leiden tot een sterke afname van karakteristieke soorten en een toename van soorten die horen bij een voedselrijker milieu. Kritische depositiewaarde (KDW)
De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 714 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen de Veluwe. Hiervan is eenmalig sprake in aanlegfase 1.1. Deze depositie treedt heeft betrekking op een zeer geringe oppervlakte van 0,07 hectare. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van extra stikstofdepositie vanuit het project op dit habitattype binnen de Veluwe. Beoordeling H6230 In dit habitattype is in de huidige situatie sprake van een overbelaste situatie. Overal op de Veluwe is sprake van matige tot sterke overschrijding van de KDW (bron: AERIUS Monitor). Ondanks de ongunstige situatie leidt de extra depositie vanuit het project niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van heischrale graslanden. De eenmalige, zeer geringe
depositie van 0,01 mol/ha/jaar op een zeer klein oppervlak van 0,07 hectare leidt niet tot meetbare effecten. Feitelijk komt dit neer op een eenmalige bijdrage van 0,0098 gram stikstof. Dit leidt niet tot negatieve effecten op H6230.
chore
Natuurtechni
@
chouwbroek
H9120
Beuken-eikenbossen
in Zutphen
met hulst
Algemene beschrijving Zie paragraaf 3.4.3. Instandhoudingsdoel Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdeposi Zie paragraaf 3.4.3. Kritische depositiewaarde (KDW)
De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1071 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen de Veluwe. Hiervan is alleen sprake in de aanlegfasen 1.1, 1.4, 1.5 en 1.6. Deze depositie treedt op in een beperkte oppervlakte van maximaal 95 hectare tijdens aanlegfase 1.1, in slechts 0,3 hectare in aanlegfasen 1.4 en 1.5. In de overige jaren is geen sprake van extra depositie op dit habitattype. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van extra stikstofdepositie vanuit het project op dit habitattype binnen de Veluwe. Beoordeling H9120 In de huidige situatie is in relevante hexagonen met H9120 waar
vanuit het project sprake is van
extra depositie grotendeels sprake van een matige overschrijding van de KDW. In enkele hexagonen is sprake van een sterke overschrijding (bron: AERIUS Monitor). Ook voor dit habitattype geldt dat de extra bijdrage vanuit het project zeer gering is: maximaal 0,01 mol
N/ha/jaar n de aanlegfase. Het betreft drie jaar. In de huidige situatie is 100% van het habitattype en het zoekgebied binnen de Veluwe overbelast door stikstofdepositie. De stikstofbijdrage van dit project op (naderend) overbelaste hexagonen beslaat eenmalig 95 hectare in aanlegfase 1.1. Dit betreft 1,4% van het areaal van het habitattype en het zoekgebied op de Veluwe. De kwaliteit van dit habitattype binnen de Veluwe is overwegend matig, en staat onder druk door stikstofdepositie, successie en versnippering. Het feit dat overmatige stikstofdepositie een
knelpunt vormt, betekent echter niet dat elke toename van stikstofdepositie een (significant) negatief effect heeft. Voor de tijdelijke, zeer geringe toename vanuit het project geldt dat deze geen meetbare veranderingen in de vegetatiesamenstelling of abiotische condities veroorzaakt. De tijdelijke stikstofdepositietoename vanuit het project vormt geen belemmering voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit) voor H9120. H9190
Oude
eikenbossen
Algemene beschrijving Het habitattype betreft eiken-berkenbossen op zeer voedselarme, zure, vochtige tot droge, meestal zandige, leemarme bodems, vaak met een duidelijk podzolprofiel. Het zijn stuif- en dekzanden die door de wind zijn afgezet of in het verre verleden door gletsjerijs opgestuwde en verspoelde zanden. De bodem wordt enkel gevoed door regenwater, waardoor uitspoeling van
Ecochore
Natuurtechniek
\
elementen naar de diepere ondergrond optreedt. In de boomlaag van Oude eikenbossen domineren zomereik en ruwe berk. In de ijle struiklaag vallen vooral wilde lijsterbes, sporkehout en Ratelpopulier op. De ondergroei is door de arme bodem doorgaans soortenarm en bestaat vooral uit zuurminnende dwergstruiken (struikhei, blauwe bosbes), grassen (bochtige smele), mossen en paddenstoelen. Daaronder zijn een aantal typische soorten die vooral op oude boslocaties groeien. De mantel- en zoomgemeenschappen van dit bostype zijn van wezenlijk belang voor de soortensamenstelling van het habitattype. Oude eikenbossen zijn beperkt tot
oude bosgroeiplaatsen (van vóór 1850) en tenminste 100 jarige opstanden. Ze zijn in het algemeen ontstaan in het heide- en stuifzandlandschap van de Hogere zandgronden en hebben nu vaak de vorm van strubbenbossen. Zij onderscheiden zich daarmee van de bossen op de wat rijkere zandgronden (Beuken-eikenbossen met hulst H9120), die overigens ook oud zijn en een boomlaag van eiken kunnen hebben. Oude eikenbossen in de duinen zijn onderdeel van het habitattype Duinbossen (H2180). Instandhoudingsdoel Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdepositie Teveel stikstofdepositie in oude eikenbossen leidt tot verzuring, vermesting en kan toxische effecten hebben. Voor het leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: veranderingen in de strooisel-, kruid- en struiklagen en daardoor een koeler en vochtiger microklimaat, afname van de kwaliteit en kwantiteit van voedselplanten en afname van de prooibeschikbaarheid en -kwaliteit. Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1071 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase
Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen de Veluwe. Hiervan is alleen sprake in de aanlegfasen 1.1, 1.4 en 1.5. Deze depositie treedt op in een beperkte oppervlakte van maximaal 5,77 hectare in fase 1.1, slechts 0,8 hectare in fase 1.4 en 1,5 hectare in fase 1.5. In de overige aanlegfasen is geen sprake van extra depositie op dit habitattype. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van extra stikstofdepositie vanuit het project op dit habitattype binnen de Veluwe. Beoordeling H9190 In de huidige situatie is binnen de invloedsfeer van het project sprake van matige overbelasting van de KDW van dit habitattype (1071 mol). De projectbijdrage betreft hier maximaal 0,01 mol
N/ha/jaar in de aanlegfase gedurende drie jaar. In de huidige situatie is 100 % van het habitattype overbelast door stikstofdepositie. De stikstofbijdrage vanuit het project op overbelaste hexagonen beslaat maximaal 5,77 ha in aanlegfase 1.1. Dit betreft 0,33% van de oppervlakte van dit habitattype op de Veluwe. De kwaliteit van het habitattype is matig en staat onder druk door stikstofdepositie en het versnipperd voorkomen. Voor de tijdelijke, zeer geringe toename van stikstofdepositie vanuit het project geldt dat deze geen meetbare verandering n de vegetatie of I
GEN
echni\
E
Leesten Schouwbroek
in Zutphen
abiotische condities veroorzaakt. De tijdelijke extra stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar leidt
niet tot vermindering van de kwaliteit van het habitattype Hoewel stikstofdepositie in de huidige situatie een knelpunt vorm voor dit habitattype, vormt de tijdelijke stikstofdepositietoename vanuit het project geen belemmering voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen: uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. De ontwikkeling van de stikstofdepositie in dit habitattype is gunstig (zie figuur 15). In 2030 is nergens meer sprake van sterke overbelasting en ook het oppervlakteaandeel met matige en lichte overbelasting neemt af. Deze
ontwikkeling wordt niet belemmerd door de tijdelijke, zeer geringe extra bijdrage vanuit het project. Er is geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van H9190 binnen de Veluwe.
KDW
- n 100%
-
50%
0%
Oppervlakte ten opzichte van KDW (®%6)
Figuur 15 Ontwikkeling stikstofdepositie in H9190, bron: AERIUS Monitor.
Lg01 Permanente bron & Langzaam stromende bovenloop
Algemene beschrijving Dit betreft het stikstofgevoelige deel van het leefgebied van de beekprik, voor zover deze niet
overlapt met habitattype H3260A Beken en rivieren met waterranonkels dat niet gevoelig is voor stikstofdepositie. Een permanente bron is een door permanent (of semi-permanent, dat wil
zeggen hooguit eens per twee
jaar gedurende
een korte periode droogvallend) uit de bodem
opwellend grondwater gevoede brongemeenschappen. Permanente bronnen vormen het begin van de langzaam stromende beken of zijn gelegen langs deze beken. Ze komen voor in bossen of open landschappen op hellingen, terrassen en breukranden in het reliëfrijke oostelijke en zuidoostelijk deel van de Hogere zandgronden (Bronnen van snelstromende beken behoren niet
tot dit leefgebied). Het bronwater kan op verschillende manieren uitstromen: als puntbron (akrokreen), als langzaam stromende bron op een groot oppervlak (helocreen) en in de vorm van een poel die op de bodem gevoed wordt door bronwater (limnocreen). Bronnen hebben vaak een Ecochore
Natuurtechniek
©
natuurlijke oorsprong. Uitzonderingen zijn achterwaarts verplaatste bronnen (in het geval van sprengen) en bronvijvers (die zijn ontstaan door het indammen van een bronplek). Het water van puntbronnen en langzaam stromende bronnen is matig zuur tot neutraal, afhankelijk van het aandeel van ondiep afstromend regenwater ten opzichte van het dieper toestromend grondwater en van de bodemsamenstelling. Bronvijvers en limnocrenen bezitten ook eigenschappen van stilstaande wateren. Afhankelijk van de vorm van de bron is er een grote verscheidenheid aan substraten, al f niet verdeeld in een mozaïek op kleine schaal. In de bron overheersen organische
substraten (met name in helocrenen), terwijl in bronloopjes die een brongebied doorsnijden, minerale substraten (zand of grind) overheersen. Een langzaam stromende bovenloop is de bovenloop van een beek met lage afvoer (waardoor het water langzaam stroomt) en een gedempte dynamiek. De Langzaam stromende bovenloop komt voor op plaatsen met een zwak reliëf op de Hogere zandgronden: n uitgestoven laagten, glaciale erosiedalen en ingesneden beekdalen. Vaak betreft het bosrijke landschappen. Het water is matig zuur tot neutraal en zeer voedselarm tot licht voedselrijk. Indien de bovenloop gevoed wordt vanuit hoogveen en ondiep, jong grondwater, leidt dit tot een regelmatige afvoer van mineralenarm, matig tot zwak zuur water. Indien de bovenloop gevoed wordt met dieper, ouder grondwater, leidt dit tot een meer fluctuerende afvoer van mineralenrijk, zwak zuur tot neutraal water. De beekloop meandert en kronkelt met korte bochten door het landschap en is tot 2 meter
breed (plaatselijk tot 3 meter). Het dwarsprofiel is asymmetrisch, met zandbanken, overhangende oevers, aangeslibde, rustig stromende tot stilstaande plekken en plaatselijk stroomversnellingen met bankjes van fijn grind Er is veel organisch materiaal aanwezig in de vorm van slibzones, detritusafzettingen, bladpakketten, takken en boomstammen. De vegetatie is niet bepalend voor de definitie van het leefgebied. In het algemeen kan wel gezegd worden dat in en rond de bron vooral vegetaties voorkomen van de Klasse der bronbeekgemeenschappen (7). In de bovenloop vindt vegetatieontwikkeling met name plaats in mineralenrijkere wateren en is beperkt tot het pleksgewijs voorkomen van stromingsminnende waterplanten behorend tot het Verbond van grote waterranonkel (5Ca) en de Klasse der bronbeekgemeenschappen (7). In het Lg01 komt één soort voor van de Habitatrichtlijn, waarvoor de stikstofgevoeligheid van het type een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied: de beekprik. Instandhoudingsdoel Voor leefgebieden zijn geen specifieke instandhoudingsdoelen geformuleerd. De doelen zijn
gekoppeld aan de soorten, n dit geval de beekprik (zie bijlage 1. Effecten van stikstofdepositie Verondersteld wordt dat in dit leefgebied stikstofdepositie een negatieve invloed kan hebben op populaties van de beekprik vanwege het vermestend effect ervan op de waterkwaliteit. Kritische depositiewaarde (KDW)
De
KDW
voor
dit habitattype
is vastgesteld
op <2400
mol/ha/jaar
(mogelijk
gevoelig
voor
stikstofdepositie). Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase
Tijdens aanlegfase 1.1 is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit
Ei]
ordeling
stikstof woningbouwproject Leesten Schouwbroek in Zutphen
leefgebied. Het betreft een geringe oppervlakte van 0,5 hectare. In de overige aanlegfasen is geen sprake van extra depositie in dit leefgebied. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van stikstofdepositie vanuit dit project op Lg01. Beoordeling Lg01 Beekprik Door vermesting kan de waterkwaliteit negatief beïnvloedt worden door stikstofdepositie. Er i vanuit het project echter sprake van een zeer geringe en eenmalige extra depositie van 0,01 mol/ha/jaar. Een dergelijke kleine en tijdelijke depositie leidt niet tot een meetbaar effect op de waterkwaliteit. In de huidige situatie is in nergens in dit leefgebied sprake van een (naderende)
overschrijding van de KDW (zie figuur 16). De achtergronddepositie blijft dus meer dan 70 mol onder de KDW. De eenmalige extra depositie van 0,01 mol leidt dan ook niet tot overschrijding van de KDW. De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de beekprik binnen het leefgebied L801.
genhove
*
Figuur 16. Hexagonen met Lg01 binnen de invloedsfeer van het project, bron:
AERIUS Monitor.
Ecochore
Natuurtechniek
41
L909 Droog struisgrasland Algemene beschrijving Dit leefgebied omvat droog struisgrasland als leefgebied voor roodborsttapuit, boomleeuwerik, tapuit, grauwe klauwier, korhoen en nachtzwaluw, zoals beschreven als subtype a van natuurdoeltype 3.33 (Droog schraalgrasland van de hogere gronden; Bal et al. 2001), voor zover
dit natuurdoel(sub]type niet overeenkomt met het habitattype Stroomdalgraslanden (H6120). Het leefgebied betreft laagblijvend, al of niet kruidenrijk grasland met een vrij open, pollige structuur, gelegen op vooral droge, zure tot zwak zure, meestal oligotrofe tot mesotrofe zand- en lössgronden. Het leefgebied komt voor op zonnige of enigszins beschaduwde plekken op de hogere zandgronden. Als leefgebied is Droog struisgrasland nauw verwant met subtype b van natuurdoeltype 3.33 (Droog heischraal grasland), maar dit overlapt vrijwel geheel met het beschermde habitattype Heischrale graslanden (H6230). Het gaat daarbij om situaties die leem- en humusrijker zijn en vooral voorkomen op plaatsen waar keileem net onder de oppervlakte voorkomt. Het leefgebied behoort van oudsher tot het heide- en stuifzandlandschap en onderscheidt zich doordat het minder voedsel- en humusarm is en een dichtere vegetatiestructuur heeft dan de Zandverstuiving
(natuurdoeltype 3.47). Het kan door successie daaruit ontstaan. Ook kan het door betreding en erosie ontstaan uit Droge heide (natuurdoeltype 3.45). Daarnaast kwam het leefgebied vroeger vooral in schrale weilanden voor. Tegenwoordig is het droog struisgrasland vaker te vinden langs zandpaden, in recreatiegebieden en in vergraven terreinen (zandgroeven, vliegvelden). Het kan zich echter ook (na verschraling) ontwikkelen uit verlaten akkers op arme zandgronden. In Droog Struisgrasland komen zes soorten voor van de Vogelrichtlijn waarvoor de stikstofgevoeligheid van het type een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied: boomleeuwerik, grauwe klauwier, korhoen, nachtzwaluw, roodborsttapuit en tapuit. Instandhoudingsdoel Voor leefgebieden zijn geen specifieke instandhoudingsdoelen geformuleerd. De doelen zijn gekoppeld aan de soorten, in dit geval boomleeuwerik, grauwe klauwier, korhoen, nachtzwaluw, roodborsttapuit en tapuit (zie bijlage 1). Effecten van stikstofdepositie Droog struisgrasland is door het oligotrofe karakter zeer gevoelig voor vermesting als gevolg van
stikstofdepositie. Dit heeft een sterke toename van vegetatiegroei en (daarmee) de vorming van een vervilte strooisellaag tot gevolg. Voor de genoemde soorten van de Vogelrichtlijn kan verruiging als gevolg van stikstofdepositie een lager aanbod of een lagere bereikbaarheid van voedsel tot gevolg hebben. Daarnaast kan de insectenfauna nadeel ondervinden van een sterk veranderde mineralensamenstelling in de vegetatie, enerzijds vanwege de toegenomen beschikbaarheid van stikstofen anderzijds door de afgenomen beschikbaarheid van andere mineralen zoals ijzer en fosfor (door verzuring gevolgd door uitspoeling). In heideterreinen is onlangs gebleken dat dit leidt tot een afname in dichtheid en diversiteit van herbivore insecten (Vogels et al. 2011). Kritische depositiewaarde (KDW)
De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1000 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase
Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit Ecochore
Nat\
echni
chouwbroek
in Zutphen
leefgebied. Het betreft een zeer geringe oppervlakte van 0,02 hectare. Hiervan is alleen eenmalige sprake in de aanlegfase 1. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van extra depositie vanuit het project op dit leefgebied. Beoordeling Lg09 Boomleeuwerik, grauwe klauwier, korhoen, nachtzwaluw, roodborsttapuit en tapuit Droog struisgrasland is op de Veluwe onderdeel van het leefgebied van boomleeuwerik, grauwe klauwier, korhoen, nachtzwaluw, roodborsttapuit en tapuit. De korhoen komt niet voor op de Veluwe. In de huidige situatie is 69% van het leefgebied overbelast door stikstofdepositie (bron: AERIUS Monitor). De stikstofbijdrage van dit project op overbelaste hexagonen beslaat 0,02 ha. Dit betreft slechts 0,0008% van het areaal van dit leefgebied op de Veluwe. Een eenmalige stikstofbijdrage van 0,01 mol per hectare komt in deze oppervlakte neer op een eenmalige bijdrage van 0,0002 mol, oftewel 0,0028 gram. Deze bijdrage leidt niet tot aantasting van de instandhoudingsdoelen van de boomleeuwerik, grauwe klauwier, nachtzwaluw, roodborsttapuit en tapuit binnen het leefgebied.
L913 Bos van arme zandgronden Algemene beschrijving Het leefgebied is afgeleid van de subtypen a en b van het natuurdoeltype 3.64 (Bos van arme
zandgronden; Bal et al. 2001). Dit leefgebied betreft bos van arme zandgronden voor zover die bossen niet overlappen met het sterk verwante habitattype Oude eikenbossen (H9190). Het betreft bos van arme zandgronden als leefgebied voor korhoen, nachtzwaluw, draaihals en zwarte specht, zoals dat is beschreven als subtype a en subtype b van het natuurdoeltype Bos van arme zandgronden (3.64). Het gaat hierbij om naaldbos van arme zandgronden (subtype a), en loofbos van arme zandgronden, dat wordt gedomineerd door loofbomen, vooral zomereik en ruwe berk
(subtype b). Het eerste subtype heeft geen overlap met habitattypen. Het tweede subtype komt deels overeen met habitattype Oude eikenbossen (H9190), namelijk voor zover het loofbos van
arme zandgronden bestaat uit een tenminste honderdjarige bosopstand en/of voor zover het voorkomt op een oude bosgroeiplaats (1850 of ouder). Het leefgebied bestaat uit vrij laag tot matig hoog opgaand bos met een vrij open structuur, voorkomend op leemarme, oligo- tot mesotrofe, meestal (matig) droge, zure zandgrond. De
boomlaag bestaat uit grove den (subtype a) en/of hoofdzakelijk uit zomereiken en berken (subtype b). De struiklaag is weinig tot niet ontwikkeld, met eventueel sporkehout en wilde lijsterbes of Amerikaanse vogelkers. Dit bos is kenmerkend voor het stuifzandlandschap en de Ieemarme delen van het dekzandlandschap op de Hogere zandgronden. Het door grove den gedomineerde bos komt van nature alleen voor als pionierbos op stuifzand; de ondergroei bestaat uit korstmossen en wolfsklauwen en later uit bladmossen. Na maximaal vijftig jaar gaat zich humus ontwikkelen in de bodem en ontstaan fasen met schrale grassen, gevolgd door bosbessen, struikhei of kraaihei. Het door zomereik en ruwe berk gedomineerde bos ontstaat uit naaldbos (als gevolg van successie) of ontwikkelt zich rechtstreeks vanuit bosopslag op bijvoorbeeld heidevelden. De ondergroei is vergelijkbaar met die van het dennenbos. Uiteraard kan zowel naaldbos als loofbos van arme zandgronden ook ontstaan door aanplant van de genoemde boomsoorten op de betreffende gronden.
Ecochore
Natuurtechniek
43
In het leefgebied Lg013 komen vier soorten voor van de Vogelrichtlijn waarvoorde stikstofgevoeligheid van het type een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied: draaihals, korhoen, nachtzwaluw en zwarte specht. Instandhoudingsdoel Voor leefgebieden zijn geen specifieke instandhoudingsdoelen geformuleerd. De doelen zijn gekoppeld aan de soorten, n dit geval draaihals, korhoen en zwarte specht (zie bijlage 1). Effecten van stikstofdepositie Bewezen effecten van stikstofdepositie op de vegetatie van bossen die door kunnen spelen op de fauna (zijn een verhoogde productie van biomassa in de ondergroei en in de boomlaag (Falkengren-Grerup & Eriksson 1990) en voor de ondergroei een hogere en homogenere vegetatiestructuur en een afname van kruiden en lage grassen (Ohlson et al. 1995; Magill et al. 1997). Ook kan teveel stikstof leiden tot verzuring en vermesting. Kritische depositiewaarde (KDW)
De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1071 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase
Tijdens aanlegfase 1.1 is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit leefgebied binnen de Veluwe. Deze depositie treedt op in 660 hectare. Hiervan is alleen sprake in de aanlegfase 1.1. In aanlegfase 1.4 is sprake van extra depositie op 18 hectare, in aanlegfase 1.5
op 27 hectare. In beide situaties gaat het om maximaal 0,01 mol/ha/jaar. In de aanlegfasen 1.2, 1.3 en 1.6 is geen sprake van depositie op dit leefgebied. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van extra depositie vanuit het project op dit leefgebied. Beoordeling Lg13 Draaihals
Bossen van arme zandgronden zijn onderdeel van het leefgebied van de draaihals en wespendief op de Veluwe. In de huidige situatie is 99,8% van Lg13 overbelast door stikstofdepositie. Er is in de meeste hexagonen sprake van matige overbelasting (bron: AERIUS Monitor). De stikstofbijdrage van dit project beslaat eenmalig 660 hectare en vervolgens eenmalig 18 hectare en 27 hectare tijdens de aanlegfase. Het betreft maximaal 2,5% van het areaal van het leefgebied en het zoekgebied samen in Veluwe. De kwaliteit van het leefgebied van draaïhals is onvoldoende voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De voedselbeschikbaarheid en de beschikbaarheid van nestplaatsen zijn de belangrijkste knelpunten. Stikstofdepositie kan in het leefgebied van draaïhals leiden tot verzuring van de bodem en kan daarmee bijdragen aan de beschikbaarheid van voedsel (bron: Provincie Gelderland, 2023). Voor de tijdelijke, zeer geringe
toename van stikstofdepositie vanuit het project (max. 0,01 mol/ha/jaar) geldt dat deze geen meetbare of herkenbare verandering in de vegetatie of abiotische condities veroorzaakt en daarmee niet leidt tot vermindering van de kwaliteit van het leefgebied van de draaïhals. Hoewel overmatige stikstofdepositie een knelpunt vorm voor het leefgebied van draaïhals en in de huidige situatie sprake is van een overbelaste situatie, staat de tijdelijke stikstofdepositietoename vanuit het project het behalen van de instandhoudingsdoelen niet in de weg.
chore
Nati
44
chouwbroek
in Zutphen
Zwarte specht Het geschatte aantal broedparen op de Veluwe in 2019 was 430. Hiermee wordt momenteel voldaan aan de instandhoudingsdoelstelling voor populatie. Maatregelen die gericht zijn op het herstel van bossen van de Veluwe komen ook de kwaliteit van het leefgebied van zwarte specht ten goede. Echter staan de bossen op de Veluw blijvend onder druk door hoge stikstofdeposities, wat mogelijk van invloed is op het voedselaanbod voor zwarte specht. Er is onvoldoende zekerheid dat met de geplande beheer- en herstelmaatregelen de instandhoudingsdoelstellingen voor de zwarte specht worden gehaald. Het potentiële stikstofgevoelige leefgebied voor de zwarte specht op de Veluwe bestaat uit de habitattypen H9120 Beuken- en eikenbossen met hulst
en H9190 Oude eikenbossen.
Daarnaast zijn de volgende stikstofgevoelige leefgebieden L813 Bos
van arme zandgronden en Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden van belang voor de soort. Stikstof vormt niet het sturend knelpunt voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen voor de zwarte specht. In het soortenherstelprogramma zijn daarom met name maatregelen opgenomen die gericht zijn op het vergroten van het aandeel afstervend en dood naaldhout, het aanplanten van naaldhout op andere plekken en beheermaatregelen om staand dood hout te laten toenemen, met als doel de voedselbeschikbaarheid te optimaliseren. De herstelstrategie geeft ook aan dat stikstof niet het belangrijkste knelpunt ljkt te zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de zwarte specht. Aangezien stikstofdepositie niet de beperkende factor is en er bovendien slechts sprake is van zeer geringe en tijdelijke deposities vanuit het project op een klein deel van het leefgebied van de soort is er met zekerheid geen sprake van een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de zwarte specht. De ontwikkeling van de achtergronddepositie in dit leefgebied is bovendien positief. Het oppervlakteaandeel met sterke overbelasting neemt af van 2,9% in 2020 tot 0,1% in 2030 (zie figuur 17). De toename van maximaal 0,01 mol vanuit het project zal deze trend niet negatief beïnvloeden. Zoals eerder aangegeven is er bij deposities lager dan 70 mol N/ha/jaar geen aantoonbaar effect waarneembaar.
Er is geen sprake van afname van kwaliteit of oppervlakte
3. KOW
-
o3%
o8%
100%
s0%
o%
50%
100%
Oppervakte ten opzichte van KOW (%)
Figuur17. Ontwikkeling stikstofdepositie in 1913, bron: AERIUS Monitor.
Ecochore
Natuurtechniek
45
De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de draaihals en zwarte specht binnen het leefgebied Lg13. 1914 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden Algemene beschrijving Het betreft eiken-en beukenbos van lemige zandgronden als leefgebied voor korhoen, draaihalsen zwarte specht, zoals dt is beschreven als natuurdoeltype (3.65 en een deel van de als middenbos beheerde vorm 3.56; Bal et al. 2001), voor zover het gaat om Beuken-Eikenbos en Bochtige smeleBeukenbos, met bijbehorende bosrandvegetaties, dat niet groeit op bosgroeiplaatsen van vóór 1850 en het geen bosopstanden betreft van minimaal honderd jaar die daar aan grenzen (want die vallen onder Beuken-Eikenbossen met hulst (H9120). Het leefgebied wordt gekenmerkt door vrij hoog tot hoog opgaand of als hakhout- of middenbos beheerd bos op oligo- tot mesotrofe, meestal (matig) droge, zure, lemige zandgronden en leemgronden. De boomlaag bestaat uit vooral beuk en in wisselende mate wintereik en zomereik, daarnaast (onder vochtige omstandigheden) eventueel ook ruwe berk en zachte berk en zwarte els. De struiklaag is weinig ontwikkeld en bestaat vooral uit wilde lijsterbes, soms ook uit hulst, framboos en braam.
In het eindstadium van de successie in bossen met een min of meer gelijkjarige boomlaag is de beuk de enige boomsoort en door de sterke beschaduwing en oppervlakkige wortellaag is de struiklaag dan afwezig (‘hallenbos"). Als leefgebied voor de hieronder genoemde Vogelrichtlijn-soorten zijn deze bossen beperkt tot de hogere zandgronden (op de stuwwallen en de drogere delen van het dekzandlandschap). Het
bostype
optimaal
ontwikkelt
beheer
zich op
is meestal
vele
plaatsen
uit voormalige
nog geen
sprake.
Verbinden
productiebossen
van oude
boskernen
maar
van
en een
een
(door
omvorming begeleide) ontwikkeling van jong naar oud bos zal naar verwachting tot uitbreiding van het areaal leiden. De algemene betekenis van dit bos is vooral groot wanneer het bos oud en uitgestrekt is. Alleen dan kan een rijke bosstructuur ontstaan met jonge tot zeer oude bomen, met zowel staand als liggend dood hout en met een afwisseling tussen open plekken (waarin een warm, droog microklimaat heerst) en sterk beschaduwde plekken (waarin een koel, vochtig microklimaat
heerst.
In Eiken-
en
beukenbos
van
lemige zandgronden
komen
drie soorten
Vogelrichtlijn waarvoor de stikstofgevoeligheid van het type een probleem
voor van
de
kan vormen voor de
kwaliteit van het leefgebied: draaihals, korhoen en zwarte specht. Afhankelijk van het belang en de functie van dit habitattype voor de soorten, kunnen ook andere habitats noodzakelijke onderdelen van het leefgebied vormen. Instandhoudingsdoel Voor leefgebieden zijn geen specifieke instandhoudingsdoelen geformuleerd. De doelen zijn gekoppeld aan de soorten, n dit geval draaihals, korhoen en zwarte specht (zie bijlage 1). Effecten van stikstofdepositie Bewezen effecten van stikstofdepositie op de vegetatie van bossen die door kunnen spelen op de fauna zijn een verhoogde productie van biomassa in de ondergroei en in de boomlaag (in ieder
geval voor naaldbomen en beuk: Falkengren-Grerup & Eriksson 1990) en voor de ondergroei een hogere en homogenere vegetatiestructuur en een afname van kruiden en lage grassen (Ohlsen et al. 1995, Magill et al. 1997). Daarnaast stelt Gilliam (2006) vast dat een overschot aan stikstof als gevolg van verhoogde depositie via verschillende processen
(competitie tussen plantensoorten,
herbivorie, aantasting van mycorrhiza, ziekten en verhoogde kans op dominantie door exoten) leidt tot grote verschuivingen en een drastische vermindering van plantendiversiteit n de ondergroei van bossen. Vergrassing en het versneld dichtgroeien met struweel- en boomopslag speelt in dit van nature vrij gesloten bostype waarschijnlijk echter een veel minder grote rol dan in de armere, j
chouwbroek
in Zutphen
halfopen bossen op arme zandgronden (H9190 en Lg13: Bos van arme zandgronden). Alhoewel de effecten op bossen van leemrijke bodems waarschijnlijk kleiner zijn dan die op arme zandbodems, speelt er waarschijnlijk ook hier een achteruitgang van voedselkwaliteit van planten voor herbivoren met effecten die doorspelen in het gehele ecosysteem. Een deel van deze problemen is waarschijnlijk veroorzaakt door de lange geschiedenis van verzuring (mede door zwaveldepositie) die hiermee niet |os te zien is van de effecten van de (huidige) stikstofdepositie. Een studie aan de voedselketen eik-wintervlinder-koolmees-sperwer in voedselarmere en iets rijkere bossen toont echter aan dat verzuring en vermesting n bossen van arme zandgrond kunnen leiden tot gebrek
aan specifieke aminozuren en vitamine 82 tot bovenin de voedselketen (Van den Burg 2000). Op dit moment zijn effecten van stikstofdepositie op de diergemeenschappen van Bossen op arme en lemige zandgronden nog onderbelicht, maar duidelijk is dat hoge stikstofdepositie de voedselkwaliteit van bladeren van zomereik beïnvloed. Stikstofdepositie draagt in leemrijkere bossen bij aan het optreden van rupsenplagen in zomereiken, doordat het eikenblad stikstofrijker wordt. Op van nature mineralenarme bodems of bodems die onder invloed van verzuring door zwavel- en stikstofverbindingen mineraalarm zijn geworden, leidt hoge stikstofdepositie tot de
ophoping van Non-Protein Nitrogen (NPN): stikstof dat niet in eiwitten wordt ingebouwd. Rupsen kunnen geen gebruik maken van het hogere stikstofaanbod wanneer de bomen door minerale nutriëntengebreken (zoals mangaan) stikstof niet tot aminozuren en eiwitten kunnen verwerken {Van den Burg et al. 2014). Naar de effecten van stikstofdepositie op de genoemde Vogelrichtlijn-soorten is geen onderzoek uitgevoerd. Het is aannemelijk dat verruiging met grassen en struweel tot een afname in beschikbaarheid van dierlijk en plantaardig voedsel heeft geleid voor draaihals, korhoen en zwarte specht (effect 3 en 6). In agrarisch gebied is aangetoond dat draaihals in het broedseizoen vegetaties met meer dan 50% open bodem sterk prefereert, terwijl de hoogte van de vegetatie verder niet van invloed is (Weisshaupt et al. 2011). Het is aannemelijk (maar niet bewezen door middel van onderzoek of monitoring) dat dichtheid van de mierenfauna
in halfopen
zandgronden
(Peeters et al. 2004).
Daarnaast
de laatste decennia
zijn
gespecialiseerde
mieren
als
insectivoren
gevolg
door vergrassing
achteruit
van
minder
goed
bereikbaar
2002)
en
mindere
verruiging
als draaïhals
(Biijlsma
is gegaan in
bossen van
geworden
mate
de
meer
voor op
houtmieren foeragerende zwarte specht (Van Maanen 2002). De korhoen foerageert als adult voornamelijk op bosbessen en knoppen en bladeren van kruiden en dwergstruiken, waarbij de dieetkeuze verandert gedurende het seizoen (Starling-Westerberg 2001). Jonge kuikens (tot 14 a 15 dagen) zijn voor een snelle eerste groeifase afhankelijk van dierlijk voedsel, vooral (larven van)