CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

1097018 – bijlage 21 – bijl. mtv ecologische beoordeling stikstof

Raadsvergadering 13 oktober 2025, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplanwijziging project Leesten Schouwbroek, Zutphen27.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

‚;A( …L'J;:

Ecologische beoordeling stikstof Woningbouwproject Leesten Schouwbroek in Zutphen

rap ortnum er: 252152

ORE, /

NATUURTECHNI :'(\'4É‘!

INVENTARISATIE,

ADVISERING

& ONTWIKKELJNG

“

O Titel:

Ecologische beoordeling stikstof

Woningbouwproject Leesten Schouwbroek in Zutphen In opdracht van:

Gemeente Zutphen

(geanonimiseerd) e e ’s Gravenhof 2

7201 DN Zutphen Uitgevoerd door: Ecochore

Natuurtechniek

Ruiterweg 8 7152

DE EIBERGEN

T

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

M

E

(geanonimiseerd)

1

www.ecochore.nl

Auteur: _ Collegiale toetsing: N

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Datum:

april 2025

Status:

definitief

Foto voorzijde:

kruisbladwalstro, kattendoorn, goudhaver en Natura 2000-gebied Rijntakken

Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats

op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier.

INHOUD INHOUD..

1. AANLEIDING

2.

EN

BESCHRIJVING

DOEL

…

PLANGEBIED

EN

GEPLANDE

ACTIVITEITEN

…

2.1 GEBIEDSBESCHRIJVING.. GEGEVENS

PLANGEBIED

ALGEMENE

BESCHRIJVING

2.2 GEPLANDE

ACTIVITEITEN .

3. ECOLOGISCHE

3.1 METHODE

BEOORDELING

…

3.2 GEBIEDSBESCHRIJVING.. 3.2.1 PLANGEBIED. 3.3 GEVOLGEN

INSTANDHOUDINGSDOELEN

3.4 EFFECTBEOORDELING

.

…

3.4.1 INLEIDING 3.4.2 MEETBARE

EFFECTEN STIKSTOFDEPOSITIE

3.4.3 LANDGOEDEREN

BRUMMEN

…

3.4.4 RIJNTAKKEN 3.4.5 VELUWE

…

3.3.6 MITIGERENDE 3.3.7 CUMULATIE

4. CONCLUSIE

MAATREGELEN.

MET ANDERE PROJECTEN

ECOLOGISCHE

GERAADPLEEGDE

BEOORDELING..

BRONNEN

Literatuur.

Internetbronnen.. BIJLAGEN

BIJLAGE 1 INSTANDHOUDINGSDOELEN

RELEVANTE

HABITATTYPEN EN LEEFGEBIEDEN…

Landgoederen Brummen. Rijntakken Veluwe.. BIJLAGE 2 — NATUURWETGEVING

EN DOELEN

Natuurwetgeving Natura 2000 Doelen

Natura

2000

BIJLAGE 3 — AERIUS BEREKENINGEN

NATURA

2000..

chouwbroek

1. AANLEIDING

EN

in Zutphen

DOEL

De gemeente Zutphen wil een nieuwe woonwijk maken tussen het buitengebied en de wijk Leesten, genaamd Leesten Schouwbroek. Het plangebied ligt op geringe afstand van de Natura 2000-gebieden 'Rijntakken’, ‘Landgoederen Brummen’ en ‘Veluwe’, waardoor mogelijk sprake is van negatieve effecten door stikstofdepositie vanuit het project. In deze Natura 2000-gebieden liggen stikstofgevoelige habitats en komen stikstofgevoelige soorten voor. Om na te gaan ofer sprake s van extra depositie vanuit het project, zijn door SPA WNP ingenieurs AERIUSberekeningen uitgevoerd voor de aanlegfase (AERIUS kenmerk S1vND2waxvXQ, RWEjNeMAbdCw, Rai8VaahKSPE, RvnHDEupGNEE, Rr6eNrKprRU3 en Rs6rQw5eaQUA) en de gebruiksfase (AERIUS kenmerk RQ50CLoy9bM).

Hieruit is gebleken dat er tijdens de aanlegfase sprake is van extra

stikstofdepositie vanuit het project van maximaal 0,01 mol/ha/jaar in bovenstaande Natura 2000-

gebieden en maximaal 0,01 mol/ha/jaar tijdens de gebruiksfase. De bescherming van Natura 2000-gebieden is sinds 1 januari 2024 geborgd middels de Omgevingswet. Om na te gaan of de extra depositie van maximaal 0,01 mol/ha/jaar leidt tot (mogelijke) aantasting van de instandhoudingsdoelen van de beschermde natuurgebieden is een Ecologische beoordeling op het gebied van stikstof noodzakelijk. SPA WNP ingenieurs is betrokken bij het project en heeft Ecochore Natuurtechniek gevraagd voor het uitvoeren van de Ecologische beoordeling.

Ecochore

Natuurtechniek

2. BESCHRIJVING

PLANGEBIED

EN

GEPLANDE

ACTIVITEITEN

In dit hoofdstuk worden het plangebied en de geplande activiteiten beschreven.

2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING

GEGEVENS

PLANGEBIED

Locati.

Leesten Schouwbroek

Plaats:

Zutphen

Gemeente:

_ Zutphen

Provincie:

_

Gelderland

ALGEMENE

BESCHRIJVING

Het plangebied is gelegen in de gemeente Zutphen, aan de oostzijde van de gelijknamige woonkern en ten zuidoosten van de woonkern van Warnsveld (zie figuur 1). Het plangebied voor het woningbouwproject bestaat n de huidige situatie voor het grootste deel uit agrarische percelen (akker en grasland), met hiernaast enkele opgaande groenstructuren en een langgerekte waterpartij met plaatselijk rietland, langs de oostzijde van het plangebied.

Door het plangebied

loopt een hoogspanningstracé. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit de bestaande woonwijk Leesten, een begraafplaats, het GGNet terrein, agrarisch gebied en verspreid liggende bosschages. Het plangebied wordt aan de westzijde begrenst door de Kerkhofweg en Houtsingel, aan de noordzijde door de Vordenseweg, aan de oost- en zuidzijde door de provinciale weg N314.

Karenbeek

Vorrt

o

E

oo enpe

Rijntakken enpe

&

Zaaen

-

Ô 2

. Eetboek

bnenoevef ?.

e

E

Rijntakken

ii

Figuur 1: Ligging van het plangebied (rood) t.0.v. Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (groen/blauw). Bron: https://service.pdok.nl/rvo/natura2000/wms/v1_0.

Ecochore

weegn

Nat\

2.2

GEPLANDE

ACTIVITEITEN

De gemeente Zutphen heeft plannen voor de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk, genaamd Leesten Schouwbroek. In figuur 2 is een eerste concept van het voorlopige ontwerp weergegeven. Het plan wordt op dit moment verder uitgewerkt tot voorlopig ontwerp. Er komen verschillende type woningen. Het woonprogramma wordt gemengd op het niveau van een woningblok.

De aanlegfase van de nieuwe woonwijk is verdeeld over 6 jaar. Hiervoor zijn dan ook 6 separate AERIUS-berekeningen gemaakt. Daarnaast is een berekening voor de realisatiefase gemaakt (zie bijlage 3). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (Rijntakken) bevindt zich ten westen van het plangebied, vanaf circa 4 kilometer afstand. Natura 2000-gebied ‘Landgoederen Brummen’

ligt op circa 7 kilometer afstand en Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ ligt op circa 12,5 kilometer (zie figuur 1). Overige Natura 2000-gebieden, zoals 'Stelkampsveld’, 'Borkeld’ en ‘Korenburgerveen’ liggen op ruimere afstand, vanaf circa 14 kilometer. De stikstofemissies tijdens de aanlegfase ontstaan door de inzet van dieselwerktuigen en de aanen afvoer van personeel en materieel. De activiteiten betreffen het bouwrijp maken, aanleg van ondergrondse en bovengrondse infrastructuur, de bouw van woningen en inrichting van de openbare ruimte. Tijdens de realisatiefase is sprake van stikstofemissies door verkeersbewegingen van bewoners, gemeentelijke diensten en beheer en onderhoud van de wijk.

chore

Nati

chouwbroek

3. ECOLOGISCHE

in Zutphen

BEOORDELING

In dit hoofdstuk wordt beoordeeld of de geplande activiteiten, bestaande uit het aanleggen van een kabeltracé, mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Landgoederen Brummen’, ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ door stikstofdepositie. Hiervoor zijn zes AERIUS-berekeningen uitgevoerd door SPA WNP ingenieurs voor de aanlegfase en één berekening voor de realisatiefase (zie bijlage 3). Overige mogelijke verstoringsbronnen als optische verstoring, geluid, licht, trillingen, verdroging etc. worden in deze Ecologische beoordeling niet behandeld.

3.1

METHODE

Als significant negatieve effecten door stikstofdepositie niet kunnen worden uitgesloten, moet er getoetst worden of de kans bestaat op aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Hierbij moet beoordeeld worden of de stikstofdeposities een risico vormen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen zoals deze voor elk Natura 2000-gebied zijn bepaald. De Ecologische beoordeling wordt uitgevoerd conform de eisen zoals gesteld in het online omgevingsloket. De Ecologische beoordeling bevat de volgende onderdelen: ©

Gebiedsbeschrijving

e

Gevolgen

°

Mitigerende maatregelen

e

Cumulatie met andere projecten

instandhoudingsdoelstellingen

Gebiedsbeschrijving Beschrijving van de instandhoudingsdoelstellingen van betreffende

Natura 2000-gebieden.

Gevolgen instandhoudingsdoelstellingen

Beschrijving van de instandhoudingsdoelstellingen welke mogelijk een negatief of positief effect ondervinden van de geplande activiteiten. Beschrijving van de specifieke instandhoudingsdoelstellingen waarvoor de geplande activiteiten geen gevolg hebben. Beschrijving van de gevolgen per instandhoudingsdoelstelling. Hierbij wordt gebruik gemaakt van informatie over de stikstofgevoeligheid en huidige kwaliteit van de relevante habitattypen, bekende onderzoeksgegevens, en verspreidingsgegevens van relevante soorten. Mitigerende maatregelen

Beschrijving van de concrete maatregelen die genomen kunnen worden om de negatieve gevolgen te verzachten of te voorkomen. Instandhoudings- en Ecologische maatregelen en autonome ontwikkelingen kunnen in de ecologische beoordeling worden betrokken bij het bepalen van de staat van instandhouding van de natuurwaarden. De hierboven genoemde maatregelen moeten zijn uitgevoerd ten tijde van het opstellen van de ecologische toets. Er mag dus in de effectbeoordeling géén rekening worden gehouden met nog te treffen beheermaatregelen. Er mag alleen rekening worden gehouden met het positieve effect van de maatregelen voor de instandhoudings-doelstelling als dat positieve effect ook vast staat. Cumulatie met andere projecten Beschrijving van de relatie van de geplande activiteiten met andere projecten of plannen die ook een negatief effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen.

Ecochore

Natuurtechniek

3.2

GEBIEDSBESCHRIJVING

Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De bescherming van Natura 2000-gebieden is sinds 1 januari 2024 geborgd middels de Omgevingswet. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

Landgoederen Brummen

Landgoederen Brummen bestaat uit de deelgebieden Leusveld, Landgoed Voorstonden en de Empesche en Tondensche Heide. Deze terreinen op de overgang van de Veluwe naar het IJsseldal danken hun bijzondere ecologische kwaliteit aan kwel- en bronwater. In het verleden is hier op uitgebreide schaal blauwgrasland aanwezig geweest. Hoewel de grondwaterinvloed sterk is verminderd, heeft de bijzondere geohydrologische gesteldheid, in combinatie met het gevoerde beheer, ervoor gezorgd dat schraalland- en veenrestanten nog steeds een refugium vormen voor eiders verdwenen planten en dieren. Deze kunnen bij de geplande regionale herstelmaatregelen een uitbreiding van hun geschikte leefgebied tegemoet zien. Eén van de belangrijke soorten hier is de kamsalamander, die op de hele reeks van landgoederen in de flanken van het IJsseldal een geschikt leefgebied vindt. Rijntakken

Het Natura 2000-gebied Rijntakken omvat 4 deelgebieden:

>WNL

Uiterwaarden

IJssel

Uiterwaarden

Neder-Rijn

Gelderse

Poort

Waal

Het plangebied ligt nabij het deelgebied 'Waal’. Het deelgebied Uiterwaarden Waal omvatten het winterbed van de Waal en daarmee alle uiterwaardgebieden aan de noord- en de zuidoever van de Waal van Nijmegen tot aan Zaltbommel. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. De Waal moet in perioden met hoge rivierafvoer twee-derde van de Riijnafvoer voor haar rekening nemen en is daarmee de grootste vrij-afstromende Riijntak. Het is ook de meest dynamische riviertak van het Rijnsysteem. In perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en 'vormt’ de rivier het landschap. Het rivierenlandschap bestaat uit een breed, voornamelijk laaggelegen, hoogdynamisch winterbed. De reliëfrijke uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, bosjes, bomenrijen, moerasgebiedjes en geïsoleerde oude riviertakken (strangen en geulen). Veel uiterwaarden zijn vergraven voor zand en/of kleiwinning. In het westelijk deel van het gebied liggen de Rijswaard en de Kil van Hurwenen met oude riviermeanders, aangrenzende oeverlanden en stroomruggen. Daarnaast liggen er enkele grote plassen, die ontstaan zijn door zand- en kleiwinning. Deze uiterwaarden bevatten soortenrijke glanshaverhooilanden, stroomdalgraslanden en open water, waar deels verlanding plaatsvindt.

Het gebied is aangewezen voor diverse instandhoudingsdoelen, bestaande uit habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijn-soorten.

chore

Nati

chouwbroek

in Zutphen

Veluwe

De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. In de voorlaatste ijstijd, zo'n 150.000 jaar geleden, duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1400 hectare stuifzand op de Veluwe. Bij Kootwijk is é&n van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden natte (0.a. Leemputten bij Staverden) of droge (0.a. Harskamp) heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen.

3.2.1

PLANGEBIED

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, maar ligt wel op geringe afstand van de Natura 2000-gebieden ‘Landgoederen Brummen’, ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ (zie figuur 1). Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand. Hier zijn geen meetbare deposities vanuit het project vastgesteld. In bijlage 1 worden de instandhoudingsdoelen voor de habitattypen beschreven waar sprake is van depositie vanuit het project. 3.3

GEVOLGEN

INSTANDHOUDINGSDOELEN

Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen is gebleken dat er sprake is van extra stikstofdepositie in drie Natura 2000-gebieden: ‘Landgoederen Brummen’, ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’. In deze Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige habitats en soorten aanwezig (zie figuur 3). De extra depositie van maximaal 0,01 mol/ha/jaar tijdens de aanlegfase en 0,01 mol/ha/jaar tijdens de gebruiksfase. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van extra depositie op de volgende habitattypen en leefgebieden: H2310

Stuifzandheiden

met

struikhei

H4030 Droge heiden H6120 Stroomdalgraslanden H6410 Blauwgraslanden H6S10A Glanshaver- en vossenstaarthooiland (glanshaver) H6S10A Glanshaver- en vossenstaarthooiland (grote vossenstaart) H9120

Beuken-eikenbossen

H9190

Oude

met

hulst

eikenbossen

H91E0B Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) H91EO0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

H91FO Droge hardhoutooibossen (zoekgebied) 1802 Geïsoleerde meander en petgat Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland e

Lg11 Kamgrasweide en bloemrijk weidevogelgrasland Lg13 Bos van arme zandgronden

e

Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

e

ZGH91FO Droge hardhoutooibossen (zoekgebied)

Ecochore

Natuurtechniek

\

In deze paragraaf wordt beoordeeld of de stikstofdepositie veroorzaakt door de geplande activiteiten leidt tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze Natura 2000-gebieden.

Landgoederen”

en ontwikkelopgaven

*.

Brummen

0

ë

Zeesistofgevoelig KOW < 1400 mo{aaa) Ststofgevolig KOW ussen 1400 n 2950 mel/Mafear)

Beperkskstogeroeig KOW > 2450 molmafas)

Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van stikstafgevoelige natuur in de Natura 2000-gebied en ‘Landgoederen Brummen’, ‘Rijntakken’en Veluwe’, bron: AERIUS Monitor (maart 2024).

Voor de drie Natura 2000-gebieden is op basis van gegevens uit de AERIUS Monitor gekeken naar de aanwezigheid van stikstofgevoelige habitats en de huidige depositiewaarden. In figuur 3 is de aanwezigheid en ligging van stikstofgevoelige habitats in de omgeving van het plangebied weergegeven. De globale ligging van het plangebied is met rood aangegeven. Hoe hoger de stikstofgevoeligheid, hoe kwetsbaarder het gebied is voor stikstofdepositie. De

gevoeligheid wordt bepaald door de kritische depositiewaarde (KDW). Voor ieder habitattype is een KDW vastgesteld. Hoe lager deze waarde is, hoe stikstofgevoeliger het betreffende habitattype is. De KDW is namelijk gedefinieerd als ‘de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van een habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende

invloed van atmosferische stikstofdepositie’ (bron: AERIUS Monitor). Als op één hectare (hexagoon) meerdere relevante habitattypen voorkomen, dan wordt de laagste (meest strenge) KDW aangehouden om de stikstofgevoeligheid van die hectare te bepalen.

chouwbroek

3.4

in Zutphen

EFFECTBEOORDELING

3.4.1

INLEIDING

Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening is gebleken dat er sprake s van extra stikstofdepositie in de Natura

2000-gebieden

‘Landgoederen

Brummen’,

‘Rijntakken’

en ‘Veluwe’.

De extra depositie

tijdens de aanlegfase is maximaal 0,01 mol/ha/jaar. De maximale depositie tijdens de gebruiksfase is 0,01 mol/ha/jaar. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van extra depositie op de verschillende habitattypen en leefgebieden in bovenstaande Natura 2000-gebieden (zie paragraaf 3.3.1).

Voor betreffende beschermde natuurtypen moet beoordeeld worden of de extra depositie vanuit het project leidt tot aantasting van de natuurkwaliteit. Voor tijdelijke depositie geldt geen vrijstelling van vergunningsplicht meer, waardoor ook voor de aanlegfase beoordeeld moet worden of

er

sprake

is van

negatieve

effecten

op

beschermde

natuurwaarden

en

daarmee

een

vergunningplicht. Voor relevante habitattypen en leefgebieden wordt in dit hoofdstuk beoordeeld of de extra depositie vanuit het project leidt tot aantasting van de natuurkwaliteit. Indien van toepassing worden ook de zoekgebieden voor habitattypen meegenomen in de effectbeoordeling van betreffende habitattype. Voor leefgebieden worden de effecten beoordeeld voor relevante doelsoorten. 3.4.2

De

MEETBARE

EFFECTEN

onderzoeksvraag

STIKSTOFDEPOSITIE

is in hoeverre

de berekende

depositiewaarden

meetbaar

effect kunnen

hebben op de relevante habitattypen. Hiervoor gelden kritische depositiewaarden (KDW). Deze zijn wetenschappelijk vastgesteld met een nauwkeurigheid van 1 kg N/ha/jaar, ofwel circa 70 mol. Op basis hiervan kan een toename van de depositie vanuit een project met minder dan 1 mol per hectare worden beschouwd als een veilige grenswaarde, waaronder geen significant effect op de natuurkwaliteit optreedt. 1 mol stikstof bedraagt 14 gram per hectare, oftewel 0,00014 gram per

m?, per jaar. Op basis van wetenschappelijk onderzoek zijn er geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat aangetoond veroorzaakt door depositie kleiner dan 1 kilogram stikstof per hectare per jaar (van Dobben et al. 2012). Deze hoeveelheid staat ongeveer gelijk aan een depositie van 70 mol/N/ha per jaar. Onderzoek geeft dan ook aan dat de KOW met een onzekerheidsmarge van 70 mol N/ha/jaar moeten worden gehanteerd (van Dobben et al. 2012). In de praktijk varieert de stikstofdepositie

op

habitattypen

van

nature

binnen

een jaar en

tussen

verschillende jaren,

waardoor een exacte relatie tussen de hoogte van de depositie en de kwaliteit van een habitat niet is te leggen, Door meteorologische omstandigheden treden van jaar tot jaar variaties in de depositie op in de orde van grootte van 10% (Velders et al. 2018). Effecten

door stikstofdepositie op

een

habitat worden

veroorzaakt

door deposities over een

langere periode. Gelet op de natuurlijke variatie in depositie kan stikstofdepositie op een bepaalde

locatie niet met een grotere nauwkeurigheid dan op honderden molen N/ha/jaar of hele kilogrammen N/ha/jaar vastgesteld worden. Bovendien zijn er n experimentele studies zelden negatieve effecten aangetoond na experimentele deposities van minder dan 5 kg N/ha/jaar (350 mol N/ha/jaar) en in het geheel niet bij stikstofgiften van minder dan 1 kg N/ha/jaar (70 mol N/ha/iaar) (Cunha et al. 2002). In de wetenschappelijke literatuur is het dan ook gebruikelijk om stikstofdepositie uit te drukken in kg/ha/jaar, waarbij de auteurs afronden op 1 kg (Krupa 2003; van

Ecochore

Natuurtechniek

Dobben et al. 2012; Cunha et al. 2002; Lilleskov et al. 2019). Uit onderzoek blijkt dat pas bij een toevoeging van 122,5 mol N/ha/jaar (bij een achtergronddepositie van 2.100 - 2.450 mol N/ha/jaar) een effect is aangetoond op jonge heide (Heil and Diemont 1983). In een heidegebied in Nederland,

waar 0, 1.75, 7 en 28 kg N/ha/jaar experimenteel aan plots werd toegevoegd werd als resultaat daarvan een toename in Festuca ovina (schapengras sp.) onderzocht die de struikhei verving. De leeftijd van de heide speelde hierbij een belangrijke rol, waarbij in de jongere plots van 1 jaar oud toevoeging van stikstof in alle concentraties leidde tot een toename in Festuca ovina, met sterkere effecten naarmate de experimenteel toegevoegde hoeveelheid stikstof toenam. Geen effect werd gevonden voor de lage dosis stikstof in oude heide (Heil and Diemont, 1983). De

achtergronddepositie voor deze studie is geschat op 30 35 kg N/ha/jr2 en hiermee ruim boven de KDW. Experimentele toevoeging van 25 kg N/ha/jaar over een periode van vijf jaar had geen effect op de soortensamenstelling in een grasland in een Nederlands duingebied (Meijendel) (ten Harkel Matthijs

and

van

der

fosfaatlimitatie

en

begrazing.

begrazing

maaien

en

Meulen, Ook

dominantie

1996).

Als

mogelijke

reden

hiervoor

studies

is bekend

dat

beheermaatregelen

verdwijnen

van

kritische

in andere van

grassen

en

noemen

de

soorten

auteurs zoals kunnen

voorkomen ondanks overschrijding van de KDW. In het buitenland is vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd naar effecten van atmosferische stikstofdepositie op habitattypen. In verschillende studies in Zweden (Kellner and Redbo Torstensson, 1995; REDBO-TORSTENSSON, 1994) en Engeland (Payne et al. 2013) werden pas ecologische effecten gevonden bij relatief hoge stikstofgiften, meestal meer dan 5 Kg N/ha/jaar. Er zijn geen experimenten bekend waarbij effecten

werden gevonden bij een stikstofgift van minder dan 1 Kg N/ha/jaar. Hoewel de precieze relatie tussen concentratie van experimenteel toegevoegde stikstof en waarneembare effecten sterk samenhangt met de experimentele opzet en duur en met lokale effecten als bodemsamenstelling en achtergronddepositie, geven de bovenstaande en andere vergelijkbare studies aan dat waarneembare effecten pas verwacht kunnen worden bij toevoeging van tenminste 70 mol N/ha/jaar over meerdere jaren. Hoewel de effecten van stikstofdepositie sterk zullen afhangen van het habitattype, de uitgangssituatie en de duur van de depositie is uit geen van de onderzoeken gebleken dat toenames van een enkele kg stikstof per jaar heeft geleid tot meetbare veranderingen in de kwaliteit van habitattypen. Dit s in ljn met de nauwkeurigheid, waarmee de KDW dienen te worden gehanteerd. In omringende landen worden in dit kader drempelwaarden voor vergunningverlening gehanteerd van 7,14 mol (Duitsland) en 3% van de KOW (Vlaanderen) in het toetsingskader ten aanzien van stikstofdepositie (3% van de laagste KDW van

het meest gevoelige habitattype (400 mol N/ha/jaar) bedraagt 12 mol N/ha/jaar) (Sweco, 2019). De aanwezige habitattypen in Nederland produceren afhankelijk van de productiviteit jaarlijks 2.000 — 6.000 kg droge stof per hectare. Voor deze biomassaproductie is gemiddeld 30 — 90 kg N/ha/iaar nodig, ca. 2.150 - 6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie, zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit

de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). Een eenmalige depositie van 1 mol N/ha/jaar komt overeen met0,02 0,05% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Een deel hiervan zal uitsoelen naar het grondwater of uit de bodem verdwijnen door denitrificatie. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, zullen toenames van enkele molen stikstof per hectare niet leiden tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele

planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie tussen soorten onderling (Kleijberg 2020). Om daadwerkelijk tot een significant kwaliteitsverlies, verbonden aan een plan/projecteffect I

GEN

echni\

10

chouwbroek

in Zutphen

te komen, is voor een langere aaneengesloten periode een overschrijding van de KDW nodig. Van een

meetbaar

kwaliteitsverlies

is sprake

indien

een

habitat

lokaal een

kwaliteitsklasse

daalt,

bijvoorbeeld van ‘goed’ naar ‘matig’. Deze kwaliteitsklassen zijn gedefinieerd in de Natura 2000profielen aan de hand van de vegetatietypen, abiotische randvoorwaarden, typische soorten en overige kenmerken van goede structuur en functie. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk oppervlakteverlies op het volledige areaal met een overschrijding van de KDW duurt jaren en speelt zich af in 10 tot 20 jaar (Goderie & Vertegaal, 2020). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype. Samengevat overschrijding

kan

op

van

basis van de

KDW

het voorgaande aantoonbare

worden

negatieve

geconcludeerd

gevolgen

kan

dat grotere

hebben

voor

langdurige kwaliteit

en

oppervlakte van habitattypen, maar dat dit niet aantoonbaar is bij kleine stikstofdepositietoenames van enkele molen, laat staan bij enkele tienden of honderdsten van molen N/ha/jaar. Omdat dergelijke effecten niet aantoonbaar zijn, is er ook geen sprake van kwaliteitsverlies op het niveau, waarop dit gedefinieerd is of kan worden. In dit kader zijn ecologische effecten van kleine toenames

voor Natura 2000-gebieden (in het geval van dit project maximaal 0,01 mol/ha/jaar in de aanlegfase en 0,01 mol/ha/jaar in de gebruiksfase) feitelijk op voorhand uit te sluiten. Desalniettemin wordt uit zorgvuldigheid

in deze ecologische

beoordeling alsnog bekeken

of de project gerelateerde

depositie een negatief effect kan hebben op relevante habitattypen. Hierbij s gekeken ofer sprake

is van

gebiedsspecifieke

omstandigheden

en/of ontwikkelingen

waarbij

een

dergelijke

kleine

toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een verandering in de kwaliteit van een habitat. 3.4.3

LANDGOEDEREN

BRUMMEN

Vanuit het project is in dit Natura 2000-gebied sprake van extra depositie op de habitattypen H4010A, H91E0 en H9120. De depositie treedt zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase op. H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Algemene beschrijving Vochtige heiden komen voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden en in het heuvelland en het laagveengebied. Kenmerkend is de hoge bedekking van Gewone dophei. Vochtige heide komt n ons land zowel op zandgronden voor als in het laagveen. Kwalitatief goede vochtige heiden kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met Pijpenstrootje en Veenmos. Deze grazige delen mogen echter niet overheersen en komen alleen in een mozaïekvorm voor. De begroeiingen van het subtype Vochtige heiden op zandgronden (H4010A) variëren afhankelijk van de waterhuishouding, de ouderdom en het leemgehalte van de bodem. Landschappelijk gezien komen natte heiden op zandgrond 0.a. voor op de oevers van vennen, op beekdalflanken, in laagten met een ondoorlaatbare ondergrond en in tot op het zand afgegraven voormalige hoogveengebieden. Subtype H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Dit type vochtige heiden komt voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden en in het heuvelland.

De meest zure en natte heiden tenderen naar hoogveen. Open begroeiingen zijn vaak rijk aan korstmossen. Op Ieemhoudende standplaatsen bevatten de natte heidebegroeiingen veelal soorten van blauwgraslanden en heischraal grasland. In gedegradeerde vochtige heiden gaan grassen zoals pijpenstrootje domineren of treden struiken zoals wilde gagel op de voorgrond. Begroeiingen met

Ecochore

Natuurtechniek

1

wilde gagel (L1RG3) worden tot het habitattype gerekend, indien deze met de bovengenoemde plantengemeenschappen kleinschalige mozaïeken vormen, maar niet domineren. De subassociatie met gevlekte orchís is gebonden aan bodems met een wat hogere pH, die wordt gebufferd door basenrijk water, afkomstig uit kalkhoudende leem of door lokale kwel vanuit omliggende hogere zandruggen. De subassociatie met korstmos wordt gekenmerkt door de open dwergstruiklaag, waartussen de korstmossen groeien. Vaak ontstaan de open plekken door afstervende en uiteenvallende oude struikheiplanten. De subassociatie met rode en blauwe bosbes komt voor bij een relatief vochtig microklimaat, zoals noordhellingen en beschaduwde heiden.

Instandhoudingsdoel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A). Effecten van stikstofdepositie Teveel stikstofdepositie in vochtige heide kan leiden tot verzuring en vermesting. Voor het

leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijn- en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger microklimaat, afname voortplantingshabitat, afname kwantiteit voedselplanten en afname prooibeschikbaarheid (Nijssen et al. 2017). In tegenstelling tot de effecten van stikstofdepositie op veranderingen in habitatstructuur, microklimaat en reproductiehabitat (Stuijfzand et al. 2004) is het effect van stikstofdepositie op voedselkwaliteit en -kwantiteit van planten voor herbivoren relatief nieuw en weinig onderzocht. Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1071 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit het project Aanlegfase De aanlegfase is gefaseerd over zes jaar. Binnen Landgoederen Brummen is in dit habitattype

sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op dit habitattype in aanlegfase. Deze depositie treedt op in 0,06 hectare H4010A. In de overige aanlegfasen is geen sprake van meetbare depositie vanuit het project in dit habitattype. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van extra stikstofdepositie op dit habitattypen binnen Landgoederen Brummen. Beoordeling HAO10A In de huidige situatie komt het habitattype voor in voldoende kwaliteit (bron: Natuurdoelanalyse Landgoederen Brummen (58). Het habitattype is wel gevoelig voor stikstofdepositie. In de huidige situatie is in dit habitattype sprake van matige overschrijding van de KDW. Bij matige overschrijding is deze meer dan 70 mol/ha/jaar boven de KDW, maar minder dan twee keer de

KDW. Vanuit het project is tijdelijk sprake van zeer geringe extra depositie van 0,01 mol/ha/jaar. Dit treedt op in een zeer klein oppervlak van 0,06 hectare. Een depositie van 0,01 mol is vergelijkbaar met minder dan een halve ganzenkeutel verspreid over één hectare. Gezien de zeer beperkte omvang en tijdelijke aard van de stikstofdepositie, die optreedt in een zeer klein oppervlakte is geen meetbaar effect aan de orde.

chore

Nati

Leesten Schouwbroek

in Zutphen

Depositie van stikstof heeft geen onmiddellijk effect op de vegetatie. Als gevolg van depositie treedt accumulatie van stikstof in het standplaatsmilieu op. De stikstof komt geleidelijk ter beschikking

aan de vegetatie. Dit zijn processen die meerdere (tot tientallen) jaren kunnen duren. In ecologisch opzicht zijn de jaarlijkse geringe variaties in depositietoename daarom niet relevant. De duur en de totale dosis stikstof die gedurende langere perioden in een natuurgebied terecht komen zijn

maatgevend

voor de ecologische effecten.

Depositietoenames van 0,01 mol

N/ha/jaar

leiden

daarom niet tot verschillen in ecologische effecten die aan het project gerelateerd kunnen worden.

De KDW voor habitattypen is vastgesteld met een nauwkeurigheid van 70 mol N/ha/jaar. Dit is de wetenschappelijke betrouwbaarheidsgrens waarmee bij individuele beoordelingen stikstofdepositie verschillen in ecologische effecten kunnen worden vastgesteld. Ook om

van deze

reden kan geen aantoonbaar effect van geringe stikstofdepositie door plaatsing en ingebruikname van de 8 verblijfseenheden op het bestaande recreatieterrein worden benoemd. Door de geringe omvang van de depositiewaarden is geen meetbaar effect op de natuurkwaliteit te verwachten. Ten opzichte van de hoge achtergrondwaarden en de jaarlijkse fluctuaties in depositie heeft deze toename ecologisch gezien geen betekenis. Gezien bovenstaande zaken leidt de zeer geringe toename

van

stikstofdepositie

depositie

is geen

niet tot

relatie tussen

de

meetbare

emissie

en

negatieve een

effecten.

eventueel

effect

Bij een

dergelijke

op

natuurkwaliteit

de

lage

aantoonbaar.

De ontwikkeling van de achtergronddepositie n dit habitattype is bovendien licht positief. Het oppervlakteaandeel met matige overbelasting neemt af van 100% in 2025 tot 74% in 2030 (zie figuur 4), bron: AERIUS Monitor. Deze data is afkomstig uit de monitoring stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. De toename van maximaal 0,01 mol vanuit het project zal deze trend niet negatief beïnvloeden. Er is geen sprake van afname van kwaliteit of oppervlakte H4010A.

KDW

2020

0,0%

2021

0,0%

2025

00%

2030

0,0%

100%

50%

0%

50%

100%

Oppervlakte ten opzichte van KOW (%)

Figuur 4. Ontwikkeling stikstafdepositie in H4O10A, bron: AERIUS Monitor.

Ecochore

Natuurtechniek

E]

De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van H4O10A. H6410 Blauwgraslanden Algemene beschrijving Blauwgraslanden zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter, blauwe zegge en tandjesgras. De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie n soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Zo kunnen n het laagveengebied plaatselijk riet en melkeppe talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig zijn. In sommige geografische regio's zijn bepaalde soorten kenmerkend, zoals grote pimpernel in noordelijk Noord-Brabant, veldrus in beekdalen, en karwijselie in Willinks Weust. Schrale hooilanden met veel veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond Junco-

Molinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig). Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals parnassia. Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden echter gerekend tot het habitattype ‘Alkalisch laagveen’ (habitattype H7230; zie aldaar voor de verschillen met type H6410). Instandhoudingsdoel Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdepositie Te hoge stikstofdepositie in blauwgraslanden kan leiden tot verzuring en vermesting. Dat stikstofdepositie ook kan leiden tot toxische effecten op blauwgraslandsoorten is tot nu toe alleen aangetoond in laboratoriumexperimenten. Voor het leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit voedselplanten + bloemdichtheid, afname kwaliteit voedselplanten en afname beschikbaarheid gastheer en prooibeschikbaarheid. Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 786 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit het project Aanlegfase De aanlegfase is gefaseerd over zes jaar. Binnen Landgoederen Brummen is in dit habitattype sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op dit habitattype in aanlegfase.

Deze depositie treedt op in 0,15 hectare H6410. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van extra stikstofdepositie op dit habitattypen binnen Landgoederen Brummen. Beoordeling H6410 Momenteel komt het habitattype blauwgraslanden op een klein oppervlakte en in matige kwaliteit voor. (bron: Beheerplan Landgoederen Brummen). Het habitattype is gevoelig voor I

GEN

echni\

14

stikstofdepositie. In de huidige situatie is in dit habitattype sprake van matige tot sterke overschrijding van de KDW. Vanuit het project is tijdelijk sprake van zeer

geringe extra depositie

van 0,01 mol/ha/jaar. Dit treedt op in een zeer klein oppervlak van 0,15 hectare. Gezien de zeer beperkte omvang en tijdelijke aard van de stikstofdepositie, die optreedt in een zeer klein oppervlakte is geen meetbaar effect aan de orde. De ontwikkeling van de achtergronddepositie

in dit habitattype is bovendien

licht positief. Het

oppervlakteaandeel met sterke overbelasting neemt af van 52% in 2025 tot 0% n 2030 (zie figuur S). De tijdelijke toename van maximaal 0,01 mol vanuit het project zal deze trend niet negatief beïnvloeden. Er is geen sprake van afname van kwaliteit of oppervlakte H6410. KDW

100 %

50%

0%

50%

100 %

Oppervlakte ten opzichte van KDW (%) Figuur 5. Ontwikkeling stikstofdepositie in H6410, bron: AERIUS Monitor.

De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van 6410.

H91E0C - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Algemene beschrijving Dit habitattype omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen (van het zogenoemde alluvium of alluviaal) en die direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwater. De verschijningsvorm loopt sterk uiteen. Ze kunnen zeer soortenrijk zijn en zeldzame typische soorten bevatten. De grote variatie aan bostypen wordt binnen het habitattype verdeeld over drie subtypen, twee subtypen voor het rivierengebied en één voor de beken en kleine riviertjes van de hogere zandgronden en het heuvelland.

Subtype H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) De beekbegeleidende essenbossen in beekdalen en langs kleinere rivieren van de hogere zandgronden en het heuvelland vertonen veel overeenkomst met het vochtige hardhoutooibos.

uurtechniek

Ze bezitten echter een typische ondergroei met een bijzonder uitbundig voorjaarsaspect. In het rivierengebied komt dit subtype (ondanks wat de verkorte naam kan suggereren) soms ook voor, in de vorm van Vogelkers-Essenbos. In brongebieden van beekdalen wisselen deze bossen af met natte bossen waarin zwarte els op de voorgrond treedt. Ook deze zogenoemde elzenbroekbossen worden tot dit habitattype H91E0 gerekend. Instandhoudingsdoel Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (subtype C. Effecten van stikstofdepositie Teveel stikstof in beekbegeleidende bossen kan leiden tot verzuring en vermesting. Voor het

leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijn- en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factor doorwerkt: afname kwantiteit voedselplanten.

Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1857 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen Landgoederen Brummen. Deze depositie treedt op in een beperkte oppervlakte van maximaal 5 hectare. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is eveneens sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen Landgoederen Brummen. Deze depositie treedt op in een zeer geringe oppervlakte van 0,1 hectare. Beoordeling H9LEOC De kwaliteit van dit habitattype binnen Landgoederen Brummen is als voldoende tot goed beoordeeld (bron: Natuurdoelanalyse Landgoederen Brummen (58). Het habitattype is wel gevoelig voor stikstofdepositie. In de huidige situatie is in dit habitattype echter nauwelijks nog

sprake van (naderende) overschrijding van de KWD (zie figuur 6).

chore

Nati

16

Figuur 6. Hexagonen met H91E0C in Landgoederen Brummen, bron: AERIUS Monitor.

Vanuit het project istijdens de aanlegfase tijdelijk sprake van zeer geringe extra depositie van 0,01

mol/ha/jaar en tijdens de realisatiefase ook sprake van een zeer geringe extra depositie van 0,01 mol/ha/jaar. Gezien de zeer beperkte omvang van de stikstofdepositie is geen meetbaar effect aan de orde. Voor de zeer geringe toename van stikstofdepositie vanuit het project geldt dat deze geen meetbare of herkenbare verandering in de bosvegetatie teweegbrengt, en daarmee niet leidt tot vermindering van de kwaliteit van het habitattype. In de meeste hexagonen is in de huidige situatie bovendien geen sprake van overschrijding van de KDW. Bovendien is de ontwikkeling gunstig (zie

figuur 7).

KDW

100 %

50%

0%

50%

100%

Oppervlakte ten opzichte van KOW (%) Figuur 7. Ontwikkeling stikstofdepositie n H91E0C, bron:

AERIUS Monitor.

De geplande activiteiten leiden niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen voor H91E0C op de Veluwe.

H9120

Beuken-eikenbossen

met hulst

Algemene beschrijving Het habitattype betreft bossen met meestal beuk in de boomlaag en hulst en/of taxus in de struiklaag, voorkomend op zeer voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden. Het habitattype komt voor op de hogere zandgronden en in het heuvelland. Het type neemt een

tussenpositie in tussen enerzijds de Oude eikenbossen (H9190) en anderzijds de Eiken Haagbeukenbossen (H9160). Ten opzichte van de ‘Oude eikenbossen’ komen de ‘Beuken eikenbossen met hulst’ voor op plekken met een moder- in plaats van een humuspodzolbodem of een leemhoudende in plaats van een leemarme bodem. Op deze gronden is de beuk concurrentiekrachtig en zal in de loop van de successie gaan domineren ten koste van de zomereik. Ten opzichte van de ‘Eiken-haagbeukenbossen’ komen de ‘Beuken-Eikenbossen met hulst’ voor op plekken zonder grondwaterinvloed. Tot het habitattype worden alleen gerekend:

bossen op bosgroeiplaatsen van vóór 1850 en bosopstanden van minstens 100 jaar oud die daaraan grenzen. Een belangrijk deel van de biodiversiteit van dit habitattype komt voor in de zomen en mantels van het bos zelf. Daarom zijn deze (gewenste) mozaïekvegetaties opgenomen in de definitie. Hoewel beuk en hulst in de Europese definitie een duidelijke rol spelen, wordt daarin ook melding gemaakt van de invloed van bosbeheer op het voorkomen van deze

naamgevende soorten. In de Nederlandse situatie zijn door intensief bosbeheer beuk, hulst en taxus uit veel bossen op de genoemde bodems verdwenen, maar ze komen ook weer vanzelf terug bij extensivering van het beheer. Het actuele voorkomen van beuk, taxus of hulst is dus geen goed onderscheidingscriterium.

[deelsle]

chouwbroek

in Zutphen

Instandhoudingsdoel Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdepositie Bij een teveel aan stikstofdepositie in beuken-eikenbossen

kan er sprake zijn van verzuring en

vermesting. Voor het leefgebied van VHR- en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit voedselplanten en afname prooibeschikbaarheid. Kritische depositiewaarde (KDW)

De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1071 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase Tijdens de aanlegfase is sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen Landgoederen Brummen. Gebruiksfase

Tijdens de gebruiksfase is eveneens sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen Landgoederen Brummen. Deze depositie treedt op in een oppervlakte van 4,14 hectare. Beoordeling H9120 In de huidige situatie is in relevante hexagonen met H9120 echter nagenoeg overal sprake van matige overschrijding van de KDW. Matige overbelasting betreft een overschrijding van de KDW van meer dan 70 mol/ha/jaar, maar minder dan 2 keer de KDW (bron: AERIUS Monitor). De maximale extra depositie vanuit het project bedraagt 0,01 mol/ha/jaar. In het gebied is het habitattype goed ontwikkeld over een relatief kleine oppervlakte aanwezig op een oude bosgroeiplaats.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de aanlegfase en

realisatiefase sprake van een zeer geringe toename van 0,01 mol N/ha/jaar op een deel van H9120 binnen Landgoederen Brummen. Dergelijke zeer kleine toenames van stikstofdepositie leiden niet tot meetbare effecten op de kwaliteit van het habitattype. Dergelijke kleine toenames resulteren niet in verruiging, vergrassing, slechtere strooiselvertering of andere effecten waardoor de kwaliteit van het bostype aangetast wordt. Ondanks dat de KDW wordt overschreden in alle relevante hexagonen, is de kwaliteit van het habitattype goed. Dit laat zien dat stikstof niet het belangrijkste knelpunt vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Mede door het reguliere bosbeheer wordt de kwaliteit van het habitattype behouden en neemt het oppervlak zelfs toe, ondanks de overschrijding van de KOW. Effecten door stikstofdepositie in dit habitattype zullen met name zichtbaar zijn in de soortenrijkdom in planten en kenmerkende mossen. De zeer geringe toenames vanuit het project leiden niet tot verandering in de soortensamenstelling van planten en mossen. De ontwikkeling van de achtergronddepositie

in dit habitattype is bovendien

licht positief. Het

oppervlakteaandeel met matige overbelasting neemt langzaam af van 99,8% in 2025 tot 98,5% in

2030

(zie figuur 8). De toename

van maximaal

0,01 mol vanuit het project in een beperkte

oppervlakte H9120 zal deze trend niet negatief beïnvloeden.

Er is geen sprake van afname van

kwaliteit of oppervlakte H9120.

Ecochore

Natuurtechniek

19

2020

E —

o9%

2025

00%

e —

05%

100%

50%

0%

50%

100%

Oppervlakte ten opzichte van KDW (%) Figuur 8. Ontwikkeling stikstofdepositie in H9120, bron: AERIUS Monitor.

De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van H9120 binnen Landgoederen Brummen.

3.4.4 RIJNTAKKEN

Vanuit het project is in dit Natura 2000-gebied sprake van extra depositie op de habitattypen H6120, H6510A, H91E0B en H9120 en de leefgebieden Lg08 en Lg11. De depositie treedt zowel

tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase op. H6120 Stroomdalgraslanden

Algemene beschrijving stroomdalgraslanden zijn soortenrijke, relatief open tot tamelijk gesloten, grazige begroeiingen op droge, relatief voedselarme, zandige tot zavelige en meestal kalkhoudende standplaatsen langs de grote en kleine rivieren. Zij komen voor op stroomruggen, oeverwallen, rivierduinen en op dijken en soms op erosie-steilrandjes, terrasranden op langs de winterbedrand.

Instandhoudingsdoel Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdepo

Verzuring en vermesting zijn effecten die op kunnen treden door teveel stikstofdepositie in stroomdalgraslanden. Voor het leefgebied van de Vogel- en Habitatrichtlijn- en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerkt: afname voedselaanbod en verandering microklimaat. Omdat de typische soorten graspieper en het geelsprietdikkopje juist gebruik maken van de ruigere delen van dit habitattype, wordt verwacht dat ze niet gevoelig zijn voor verhoogde stikstofdepositie. Herstelmaatregelen die leiden I

GEN

echni\

20

Leesten Schouwbroek

in Zutphen

tot het verdwijnen van in de winter overstaand gras (waardplanten) of het verdwijnen van nectarplanten, zijn echter wel schadelijk voor het geelsprietdikkopje. Kritische depositiewaarde (KDW)

De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1286 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase Tijdens de aanlegfase is tijdelijke extra depositie in habitattype H6120 binnen de Rijntakken. Deze

depositie is zeer gering en bedraagt maximaal 0,01 mol/ha/jaar. Het betreft een geringe oppervlakte van maximaal 0,42 ha. Gebruiksfase

Ook tijdens de gebruiksfase is sprake van een zeer geringe depositie van 0,01 mol/ha/jaar. Het betreft ook hier 0,42 ha stroomdalgrasland binnen de Rijntakken. Beoordeling H6120 Er is vanuit het project sprake van een zeer geringe extra depositie van 0,01 mol/ha/jaar. Het betreft een geringe oppervlakte van maximaal 0,42 hectare binnen de Rijntakken. In de betreffende gebieden is in de huidige situatie sprake van een gunstige situatie. Er is geen sprake van een (naderende) overschrijding van de KDW (zie figuur 9). Dat wil zeggen dat de huidige achtergronddepositie meer dan 70 mol onder de KDW ligt. Met dat gegeven leidt de extra ijdrage van 0,01 mol/ha/jaar niet tot een belemmering voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor stroomdalgraslanden binnen de Rijntakken. Mede ook omdat de ontwikkeling van stikstofdepositie in dit habitattype gunstig is (zie figuur 10). In de huidige situatie is binnen de Rijntakken slechts 7,6% van de oppervlakte overbelast. Het betreft een lichte tot matige overschrijding van de KDW. In 2030 is dit nog slechts 1,4%. Bovendien zijn aan dergelijke zeer geringe deposities geen meetbare effecten op de kwaliteit van het habitattype te koppelen.

Ecochore

Natuurtechniek

21

gà«\

à

Isaweg

* Vierakker

Conenoever

Figuur 9. Hexagonen met H6120 binnen de invloedsfeer van het project, bron: AERIUS Moritor.

=

-

_e

--

:

n

-

: 100%

s0%

n

--

o%

100%

Opperviakte ten opzichte van KOW (%)

s0%

Figuur 10. Ontwikkeling stikstofdepositie in H6120 in de Rijntakken, bron: AERIUS Monitor.

H6510A

Glanshaver- en vossenstaarthooilanden

Algemene beschrijving Het habitattype betreft soortenrijke, bloemrijke hooilanden op tamelijk voedselrijke, doorgaans kleihoudende gronden. Deze hooilanden liggen met name in de uiterwaarden en komgronden van

het rivierengebied, in polders met een klei-op-veen-grond of op zavelige oeverwallen in beekdalen en op hellingen en droogdalen in het heuvelland. De begroeiingen van het habitattype komen ook op de kunstmatig opgebrachte kleihoudende grond van dijken voor. Daar vormen ze

Leesten Schouwbroek

in Zutphen

linten en liggen ze relatief hoog en droog. De lager gelegen hooilanden van dit habitattype worden af en toe overstroomd. Ook de laaggelegen hooilanden van de vloeiweiden van de Kempen horen bij dit habitattype. Daar zijn relatief schrale hooilanden met een bijzondere soortensamenstelling ontstaan onder invloed van bevloeiing met Maaswater. Subtype H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) Glanshaverhooiland (verbond Arrhenatherion elatioris). Dit type is aanwezig n hoge delen van de uiterwaarden, op dijken, op oeverwallen langs beken en op hellingen en droogdalen in het hewvelland.

Instandhoudingsdoel Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdeposi In glanshaver- en vossenstaarthooilanden kan sprake zijn van verzuring en vermesting. Voor het

leefgebied van de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerkt: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit voedselplanten, verandering kwaliteit voedselplanten, afname beschikbaarheid gastheer en afname prooibeschikbaarheid.

Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dt habitattype is vastgesteld op 1357 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase Tijdens de aanlegfase is tijdelijke extra depositie in Habitattype H6510A binnen de Rijntakken.

Deze depositie s zeer gering en bedraagt maximaal 0,01 mol/ha/jaar. Het betreft een geringe oppervlakte van maximaal 0,12 ha. Gebruiksfase Ook tijdens de gebruiksfase is sprake van een zeer geringe depositie van 0,01 mol/ha/jaar. Het betreft ook hier 0,12 ha stroomdalgrasland binnen de Rijntakken. Beoordeling H6S10A Habitattype H6510A waar

vanuit het project sprake is van extra depositie, komt in zeer geringe

oppervlakte voor: 0,12 hectare.

Hier is geen sprake van overschrijding van de KDW (zie figuur 11).

De kwaliteit van dit habitattype is als goed beoordeeld (bron: provincie Gelderland). Uit de resultaten van de calculatie per hexagoon blijkt dat er sprake is van zeer geringe extra depositie van maximaal 0,01 mol/ha/jaar tijdens de aanlegfase en gebruiksfase. De gebiedsanalyse voor Rijntakken noemt atmosferische stikstof als één van de knelpunten voor de kwaliteit van de glanshaverhooilanden in het gebied. In de huidige situatie kent een deel van het

areaal H6510A (ca. 4%) lichte tot matige overbelasting door stikstofdepositie. De depositie in dit habitattype neemt echter af en de prognose is dat deze in de toekomst ook verder afneemt (zie figuur 12).

Ecochore

Natuurtechniek

PE)

\

IJsewed

Cortenoever

Figuur 11. Hexagonen met H6510A binnen de invloedsfeer van het project, bron: AERIUS Monitor.

Vanuit het project is er op een minimale oppervlakte H6510A sprake van een zeer geringe extra depositie van 0,01 mol/ha/jaar. Ondanks de extra stikstofdepositie wordt geen negatief effect op H26510A verwacht, aangezien dergelijke lage deposities niet leiden tot meetbare effecten. Bovendien is er geen sprake van een overbelaste situatie in relevante hexagonen. Ook met de extra

bijdrage van 0,01 mol/ha/jaar vanuit het project blijft de totale depositie ruim onder de KDW. Bovendien is de prognose gunstig (zie figuur 12). vou

“

—

“E

n

—

“

e

—

d

“

—

5

ox

1008

100

m

Opperviakte ten opzichte van KDW (%)

Figuur 12. Ontwikkeling stikstofdepositie in H6510A, bron: AERIUS Monitor.

s

Leesten Schouwbroek

in Zutphen

Gezien bovenstaande zaken leidt de zeer geringe toename van stikstofdepositie niet tot meetbare negatieve

effecten.

Bij een

dergelijke

lage depositie

is geen

relatie tussen

de emissie en een

eventueel effect op de natuurkwaliteit aantoonbaar. De totale depositie in H6510A daalt (zie figuur 12). De prognose is dat deze verder daalt. De bijdrage van 0,01 mol zal deze trend niet negatief beïnvloeden. Er is geen sprake van afname van kwaliteit of oppervlakte H6510A. De geplande activiteiten vormen geen belemmering voor de realisatie van de instandhoudingdoelstelling.

H91E0B - Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) Algemene beschrijving Zie paragraaf 3.4.3. Subtype H91E0B Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) De kleiige, hoge delen van de uiterwaarden zijn van nature de standplaatsen van het hardhoutooibos, waarin gewone es domineert. In de uiterwaarden is dit bos momenteel alleen nog in gedegradeerde vorm aanwezig, als populierenaanplant. Dit tweede type van alluviaal bos, het vochtige hardhoutooibos, komt in ons land ook voor op landgoederen en als essenhakhout (0.a. langs de Waal, Kromme Rijn en Vecht). Die bossen staan echter alleen nog indirect onder invloed van de rivier (door stijging van grondwater

tijdens rivierhoogwater).

Instandhoudingsdoel Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte bossen, essen-iepenbossen (subtype B).

en

verbetering

kwaliteit

vochtige

alluviale

Effecten van stikstofdeposi Verzuring

Het is niet bekend of de KDW voor essen-iepenbossen is gebaseerd op verzuring dan wel vermesting. In de literatuur worden geen verzurende effecten van stikstofdepositie op het habitattype gemeld. De voedselrijkdom van de bodem in Essen-lepenbossen is van nature vrij hoog. Runhaar et al. (2009) vermelden de voedselrijkdom klassen ‘matig voedselrijk! tot ‘zeer voedselrijk!. Dit betekent waarschijnlijk dat het habitattype weinig gevoelig is voor stikstofdepositie, zeker als het gaat om vaatplanten in zeer voedserijke situaties. Er zijn geen typische diersoorten, waarvoor effecten van stikstofdepositie zijn te verwachten. Verder komen er geen soorten voor van de Vogel- of Habitatrichtlijn waarvoor de stikstofgevoeligheid van het type een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 2000 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase

Tijdens de aanlegfase is sprake van een zeer geringe toename van 0,01 mol/ha/jaar. Deze extra depositie treedt op in een zeer klein oppervlak van 0,09 hectare. Gebruiksfase

Tijdens de gebruiksfase is eveneens sprake van een zeer geringe toename van 0,01 mol/ha/jaar. Deze extra depositie treedt ook op in 0,09 hectare. Beoordeling H91E0B In de huidige situatie is binnen de invloedsfeer van het project geen sprake van een overbelaste Ecochore

Natuurtechniek

situatie in dit habitattype. In relevante hexagonen is geen sprake van een (naderende) overschrijding van de KDW (zie figuur 13). Dat wil zeggen dat de achtergronddepositie meer dan 70 mol onder de KDW blijft. In de huidige situatie is nergens binnen de Rijntakken sprake van overschrijding van de KDW van dit habitattype (bron: AERIUS Monitor). Bovendien is de ontwikkeling gunstig. In 2025 is nergens meer sprake van overschrijding van de KDW binnen de Rijntakken.

Figuur 13. Hexagonen met H91EOB binnen de invloedsfeer van het project, bron: AERIUS Monitor.

De stikstofbijdrage vanuit het project beslaat 0,09 ha. Een jaarlijkse stikstofbijdrage van 0,01 mol per hectare komt in deze oppervlakte neer op een eenmalige bijdrage van 0,0009 mol, oftewel 0,012 gram. Dergelijke lage deposities leiden niet tot meetbare effecten in het habitattype. Deze bijdrage leidt niet tot aantasting van de instandhoudingsdoelen van H91E0B.

H9120

Beuken-eikenbossen

met hulst

Algemene beschrijving Zie paragraaf 3.4.3. Instandhoudingsdoel Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdeposi

Zie paragraaf 3.4.3. Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1071 mol/ha/jaar. Effecten stikstof vanuit project Aanlegfase Tijdens de aanlegfase is sprake van een zeer geringe toename vanuit het project van 0,01 mol/ha/jaar. Deze depositie treedt op in maximaal 3,37 hectare Beuken-eikenbos met hulst.

re

Natuurt

chouwbroek

in Zutphen

Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van extra depositie in dit habitattype binnen de Veluwe. Beoordeling H9120 In de huidige situatie is sprake van matige overbelasting van dit habitattype waar vanuit het project sprake is van tijdelijke extra depositie. Het habitattype is niet opgenomen in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse. Er is weinig bekend van de habitatkwaliteit en de mate

waarin drukfactoren daarop van invloed zijn. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de aanlegfase sprake van een tijdelijke zeer kleine toename van 0,01 mol N/ha/jaar op een klein deel van H9120 (3,37 ha). Dergelijke zeer kleine toenames van stikstofdepositie eiden niet tot meetbare effecten op de kwaliteit van het habitattype. Dergelijke kleine toenames resulteren niet in verruiging, vergrassing, slechtere strooiselvertering of andere effecten waardoor de kwaliteit van het bostype aangetast wordt. Het habitattype komt langs de IJssel voor op verschillende locaties. Behoud is voldoende, omdat de kwaliteit goed genoeg is. Ondanks dat de KDW wordt overschreden in relevante hexagonen, is de kwaliteit van het habitattype goed. Dit laat zien dat stikstof niet het belangrijkste knelpunt vormt. Effecten door stikstofdepositie in dit habitattype zullen met name zichtbaar zijn in de soortenrijkdom in planten en kenmerkende mossen. De zeer geringe en tijdelijke bijdrage vanuit het project leidt niet tot verandering in de soortensamenstelling van planten en mossen. De ontwikkeling van de achtergronddepositie in dit habitattype is bovendien licht positief. Het oppervlakteaandeel met sterke overbelasting neemt af

van 1,9% in 2025 tot 0% in 2030 (zie figuur 14). De tijdelijke toename van maximaal 0,01 mol vanuit het project zal deze trend niet negatief beïnvloeden. Er is geen sprake van afname van kwaliteit of oppervlakte H9120. von

- —

°o

n —

oo

e —

oo

- —

°o

1004

m

ox

opperdae n opzcht a KOW 6}

o

2004

Figuur 14. Ontwikkeling stikstafdepositie in H9120, bron: AERIUS Monitor.

De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van H9120 binnen de Rijntakken.

Ecochore

Natuurtechniek

27

L908 Nat, matig voedselrijk grasland Algemene beschrijving Het leefgebied is afgeleid van het natuurdoeltype 3.32 (Nat, matig voedselrijk grasland, subtype a enc; Balt al. 2001). Dit leefgebied betreft nat, matig voedserijk grasland voor zover die graslanden niet overlappen met het sterk verwante habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden, grote vossenstaart (H6510B). Instandhoudingsdoel Voor leefgebieden zijn geen specifieke instandhoudingsdoelen geformuleerd. De doelen zijn gekoppeld aan de soorten, n dit geval kruipend moerasscherm, blauwe kiekendief, bontbekplevier, bruine kiekendief, grutto, kemphaan, kievit, kwartelkoning, paapje, scholekster, tureluur, velduil, visdief en watersnip (zie bijlage 1). Effecten van stikstofdepositie Stikstofdepositie resulteert in vermesting en daarmee tot verruiging van de vegetatie. Vermoed wordt dat alle doelsoorten hinder kunnen ondervinden van stikstofdepositie, vanwege het feit dat toevoer van stikstof in natte graslanden leidt tot een verhoogde productie van vooral hoge grassoorten. Wanneer de vegetatie te hoog wordt, verdwijnt kruipend moerasscherm

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=521401e0-35d0-4eb9-b4ee-d7674e88a9ff