CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

1097018 – bijlage 18 – bijl. mtv archeologisch onderzoek

Raadsvergadering 13 oktober 2025, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplanwijziging project Leesten Schouwbroek, Zutphen18.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

69-2

r

40. Ontplofie ontstekers van Britse 25-ponder granaten uit de nadagen van de oorlog. 38

||||

#

41

1142

1143

TT

+

41 .Verschoten klein-kaliber-munitie: 0.50 BMG (vnr. 38) naast huls en kogels van 0.303-patronen.

TT a

e

o

42-43. Restant van een propellor van een Britse 20Lb vliegtuigbom en rechts technische tekening met specificaties.

munitie (KKM) bevinden zich ogcnschijnlijk uitsluitend Brits materiaal (afb. 41). Onder de kogels bevindt zich één .50 BMG (Browing Machine Gun) die blijkens de zwarte kleureodering pantserdoorborend was (vnr. 38). De overige kogels hebben een kaliber van 0.303 (7,7 x 56 R en zijn waarschijnlijk afgevuurd met het standaard Lec-Enfield geweer. Van dit kaliber patronen is één huls gevonden, tegenover zeven kogelpunten. De huls is duidelijk verschoten, hclaas is het bodemstempel niet meer leesbaar (vnr. 54). Onder de kogels bevinden zich één pantserdoorborende variant met zwarte punt (vnr. 27) en één holle kogel die als lichtspoormunitie is gebruikt (ynr. 114-3). Tot slot wordt nog een bijzondere vondst uit de Tweede Wereldoorlog vermeld: het restant van cen ontplofte ijzeren propellor die bevestigd heeft gezeten aan 39

de neusontsteker (No 873 nose fuze) van een Britse 20 Lb vliegtuigbom gebruikt in No. 17 MK II dlustercontainer (afb. 41-42). Het restant heeft een diameter van ca. 50 mm en een dikte van 7,5 mm.

3.4 Catalogus van vindplaatsen Bij het proefsleuvenonderzoek zijn tien vindplaatsen aangetroffen (afb. 44), De

214250

21450

714500

214750

214750

Legenda

Plangebied Leesten-Schouwbroek

B

vindplaats

B

Nict onderzocht

TT

Vindplaatsnummer

44 Overzicht van de bij het proefsleuwenonderzoek aangetrof}en archeologische vindplaatsen geprojecteerd op een luchtfoto uit 2023.

40

volledige catalogus van deze vindplaatsen met locatie, complextype, datering, diepteligging en bijbehorende kaarten en foto’s is te raadplegen in het e-depot van de Nederlandse Archeologie (DANS Data Station Archaeology):

(geanonimiseerd) 2024 “Van zoepekolk tot rabat”, https://doi.org/ 10.17026/ N AR/AXOZED

41

214250

214750

214250

214750

Legenda Plangebied Leesten-Schouwbroek Vindplaats (als behoudenswaardig gewaardeerd)

B

Vindplaats (als niet behoudenswaardig gewaardeerd)

B

Nicet onderzocht Vindplaatsaummer

45 Overzicht van de vindplaatsen en hun waardering.

42

4 Waardestelling 4.1 Algemeen Bij het proefsleuvenonderzoek zijn tien archeologische vindplaatsen aangetroffen die conform KNA-protocol 4003 (IVO-P) zijn gewaardeerd volgens speci-

ficatie VS06 ‘Waarderen’ en bijlage IV ‘Waarderen van vindplaatsen’ (afb. 45).’7 Het proces van waardestelling staat schematisch weergeven in het stroomdiagram van afb. 46. Er is daarbij bekeken welke waardestellende elementen op de vindplaatsen aanwezig zijn en wat de kwaliteit daarvan is. Vervolgens is dit afgezet tegen wat al bekend is over vergelijkbare sites n de regio en in de betreffende periode. De beoordeling van de fysieke kwaliteit is gerelateerd aan de archeoregio waarin de vindplaats zich bevindt, zodat de conserveringstoestand kan worden vergeleken met relevante sites binnen deze regio. In het geval van Leesten Schouwbroek vallen de vindplaatsen onder archcoregio 3: Overijssels Gelders zandgebied. 1

Ìr

n

Beleving

D .

2

Fysiëke kwaliteit 1age

7

e

3.

) bovengemiddekde

e Inhoudelijke kwaliteit

n e 2 a

bovengemiddelde l |e 2> Behoudenswaardig

Voorstel

Tot selectie

e

JE

[Bopressianen |> 4

ne ‘

a

n

Niet behoudens-

waardig m

N D

46. Stroomdiagram met het proces van waardestelling volgens specificatieVSO6 Waarderen binnen KNA-protocol

4003 (bijlage IVWaarderen van vindplaatsen, fig. 1).

4.2Waardering vindplaats 1 Vindplaats 1 omvat drie elementen (afb. 45). In het noordelijke deel bevinden zich de resten van cen oude westnoordwest-oostzuidoost georiënteerde weg met karrensporen en bermgreppels, waarschijnlijk de middeleeuwse voorganger van de Vordenseweg (N319) of wellicht een zuidelijk parallel hieraan lopende oprijrit naar de ten oosten van het plangebied gelegen boerderij Eijerkamp (alb. 8). In het oostelijke deel zijn eveneens karrensporen aangetroffen, maar dan noordwest-zuidoost georiënteerd en zonder bermgreppels. Mogelijk gaat het om een aftakking van de oude Vordenseweg, Op de gedetaileerde kaart van 37 Conform SIKB BRL 4000 en protocol 4003 (IVO-P) van de KNA, versie 4.1

43

Hottinger, Smedeken en Berken (1779-1801) staat op min of meer dezelfde plek in ieder geval met een stippellijn een slingerend pad door een bosperceel weergegeven (afb. 9). Verspreid over het terrein zijn verder diverse (paal)kuilen aangetroffen, mogelijk van middeleeuwse (bij)gebouwen behorende tot een onbekend erf ten zuiden van de oude Vordenseweg en mogelijk samenhangend met het pad dat mogelijk hiervan een aftakking is.

aarden

teria

Scores dden

eving

Wordt niet Wordt

ysicke kwaliteit

niet

aafheid 'onserve

udelijke kwaliteit

eldzaamheid formatiewaarde lewaarde epresentativiteit

Nit.

Tabel 2. Scoretabel waardestelling vindplaats 1 (Vordenseweg, pad, paalsporen).

Bij de waardering is eerst nagegaan of vindplaats 1 op basis van zijn belevingswaarde als behoudenswaardig kan worden aangemerkt. Dit is niet het geval: zowel de esthetisch-landschappelijke ‘schoonheidswaarde’ als de herinneringswaarde van de verder niet zichtbare vindplaats is gering, Vindplaats 1 is vervolgens op zijn fysicke kwaliteit beoordeeld. Een vindplaats wordt op basis van fysieke kwaliteit in principe als behoudenswaardig aangemerkt als de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. Gaafheid wordt bepaald door de mate waarin cen vindplaats niet verstoord is en de stabiliteit van de fysieke omgeving, Hierop scoort vindplaats 1 gemiddeld. De aanwezige sporen in de vorm van bermgreppels, karrensporen en paalsporen zijn weliswaar redelijk intact bewaard gebleven, maar van een intacte stratigrafie lijkt geen sprake doordat grote delen van het perceel door postmiddeleeuwse bosbouw is vergraven en het zuidelijke deel van de vindplaats in de periode 18441865 weer is geëgaliseerd om het terrein in te kunnen richten als weiland. Daarbij kon van de paalsporen niet met zekerheid worden vastgesteld of zij deeluitmaken van gebouwstructuren en wat hun datering is. Ook de conservering is gemiddeld. Bij de paalsporen zijn geen resten van de houten palen bewaard gebleven.

Voor het Gelders zandgebied is deze conservering normaal voor hout dat zich boven de grondwaterstand bevindt, De conservering van anorganische vondsten is redelijk tot goed, die van organische vondsten onbekend (vermoedelijk laag voor onverkoold materiaal). Qua zeldaamheid en informatiewaarde lijkt de vindplaats cen gemiddelde score te hebben, waarbij moet worden opgemerkt dat de waardering wordt bemoeilijkt door de onzekere datering van zowel de weg met bermsloten, de karrensporen, als de paalsporen. De ensemblewaarde (of contextwaarde) is in ieder geval hoog, Vooral door de aanwezigheid van een vermoedelijk (middelceuwse) voorganger van de Vordenseweg (N319) kan aan de vindplaats een hoge meerwaarde worden toegekend op grond van de mate waarin sprake is van een archeologische context en van een landschappelijke contex.

Op inhoudelijke kwaliteit (zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde) heeft de vindplaats een bovengemiddelde waardering (score van 7 punten) n is daarmee in principe behoudenswaardig, De hoge ensemblewaarde (3 punten) is nog wel onder voorbchoud: verder waarderend onderzoek zou moeten uitwijzen in hoeverre er (inderdaad) sprake is van een synchrone én diachrone archeologische context met in de microregio zowel vergelijkbare vindplaatsen uit dezelfde periode als opeenvolgende perioden, Wat betreft landschappelijke context scoort de vindplaats gemiddeld.

4.3 Waardering vindplaats 2 Vindplaats 2 omvat een smal perceel met akkermaalshout (eikenhakhout) of een meidoornhaag waarvan de oorsprong vermoedelijk teruggaat tot in de 18° eeuw. Het akkersmaalsbos of de meidoornhaag vormde tot begin jaren 70 van de 20° ceuw de begrenzing tussen de ‘Lege Weie’ (Lage Weide) en het ten noorden hiervan gelegen perceel dat aanvankelijk als bos en vanaf het midden van de 19°ceuw als weiland in gebruik is. De vindplaats kan op basis van zijn belevingswaarde (schoonheid en herinneingswaarde) niet als behoudenswaardig worden aangemerkt. Het s al meer dan een halve eeuw niet meer als landschapselement vanaf het maaiveld zichtbaar erder niet verbonden met een feitelijke historische gebeurtenis of andere associatie met toegeschreven kwaliteit of betekenis. De fysieke kwaliteit van de vindplaats is bovengemiddeld met een score van vijf punten (tabel 3). Dit komt vooral door de goede conservering van het hout. Toch is de vindplaats daarmee niet automatisch behoudenswaardig. Conform het stroomdiagram met het waarderingsproces is ook de inhoudelijke kwaliteit bepaald en deze is met een score van vijf punten slechts ondergemiddeld. Deze matige score wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de lage informatiewaarde: de jongste sporen zijn slecht s zo’n vijftig jaar oud en hebben vrijwel geen wetenschappelijke waarde.

Voor het inhoudelijke waardeoordeel is ook gekeken naar het criterium representativiteit. Dit is de mate waarin een bepaald type vindplaats karakteristiek is voor een periode, dan wel een gebied. Bij het uitvoeren van de waardering was echter al duidelijk dat duurzaam behoud van de vindplaats niet gerealiseerd kan worden. Hiermee is het criterium representavan de tviteit niet van belang voor het inhoudelijke waardeoordeel. Op ba verder gemiddelde inhoudelijke kwaliteit kan de vindplaats dan ook niet als behoudenswaardig worden aangemerkt.

'aarden

riteria

Scores lidden

leving ieke kwaliteit

delijke kwaliteit

‘hoonheid

Wordt niet gescoord

erinn

Wordt niet

gescoord

aafheid

Idzaamheid formatiewaarde emblewaarde epresentativiteit

Nst.

Tabel 3. Scoretabel waardestelling vindplaats 2 (akkermaalsbos/ meidoornhaag). 45

4.4Waardering vindplaats 3 Vindplaats 3 bestaat uit een perceel dat tussen ca. 1700 en 1931/35 in gebruik is geweest als bos en waarvan de rabatgreppels bewaard zijn gebleven. In de 19° ceuw staat het perceel te boek als akkermaalsbos (eikenhakhout). De vindplaats kan op basis van zijn belevingswaarde (schoonheid en herinneringswaarde) niet als behoudenswaardig worden aangemerkt. De rabatten zijn niet meer als landschapselement vanaf het maaiveld zichtbaar. De greppels die nog wel op de AHN en luchtfot: ’s vanaf 1945 zijn te zien, dateren waarschijnlijk van na 1931/1935 toen het bos is gerooid en het perceel gereed is gemaakt voor agrarisch gebruik (voornamelijk als weiland). De vindplaats is verder niet verbonden met een feitelijke historische gebeurtenis, buiten dat het perceel oorspronkelijk in bezit was van het in 1564 opgerichte Burgerweeshuis te Zutphen. Op basis van enkel fysieke kwaliteit komt de vindplaats met een bovengemiddelde score van vijf punten wel in aanmerking voor een bchoudenswaardige waarding. Dit komt vooral door de goede conservering van onverkoolde organische resten onderin de rabatgreppels. De inhoudelijke kwaliteit is daarentegen laag met een score van slechts vier punten voor de criteria zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde.

Dit komt vooral doordat vindplaatsen met postmiddeleeuwse bosbouwsporen in de regio niet zeldzaam zijn en door de geringe archeologische informatiewaarde ten opzichte van wat hierover historisch al bekend is. Het criterium representativiteit is n dit geval niet van belang voor het inhoudelijke waardeoordeel aangezien bij het uitvoeren van de waardering al duidelijk was dat duurzaam behoud van de vindplaats geen optie is, Op basis van de verder lage inhoudelijke kwaliteit kan de vindplaats dan ook niet als behoudenswaardig worden aangemerkt.

aarden

iteria

Scores idden

leving ysicke kwaliteit

hoonheid

Wordt niet

lerinneringswaarde

Wordt

niet

aafheid nser veri

udelijke kwaliteit

Zeldzaamheid formatiewaarde mblewaarde e

tativiteit

Tabel 4. Scoretabel waardestelling vindplaats 3.(bosperceel Burgerweeshuis)

4.5 Waardering vindplaats 4 Vindplaats 4 omvat een natuurlijke depressie waar in rond het midden van de 17° eeuw of later n de 18° eeuw een drenkkuil (S647) is uitgegraven. Vanaf het huidige maaiveld is ter plekke een ondiepe laagte herkenbaar, die op de AHN en luchtfoto’s als zodanig zichtbaar is. Niet voor niets stond het perceel vroeger bekend als Lege Weie (Lage Weide). Hoewel de laagte nog redelijk zichtbaar is als landschapselement, is de vindplaats op basis van alleen beleving (schoonheid

46

n herinneringswaarde) niet behoudenswaardig, Dit is wel het geval als gekeken wordt naar de f gemiddelde score van vijf punten. De drenkkuil i weliswaar in de 20° ecuw afgetopt, maar is verder redelijk gaaf overgeleverd. Daar staat tegenover dat tijdens het proefsleuvenonderzoek al een segment van de drenkkuil tot in de matuurlijke ondergrond is vergraven. De bovengemiddelde fysicke kwaliteit is vooral een gevolg van de hoge score voor conservering, Zo zijn organische (ook onverkoolde) vondsten uit de gytja-achtige vullingen uitzonderlijk goed geconserveerd, zowel wat betreft botanisch als archeozoölogisch materiaal. Ook de inhoudelijke kwaliteit (zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemble-

waarde) is met een score van zeven punten bovengemiddeld. Een door BIAX uitgevoerde waardering van diverse botanische en palynologische biedt zeer goede vooruitzichten voor verdere analyse, waarbij een beter beeld verkregen kan worden van landschap (vegetatie) en landgebruik in de late 17 of 18° eeuw Daarbij maakt de vindplaats deel uit van een diachrone archeologische context (voorkomen van drenkkuilen en vennen uit opeenvolgende perioden binnen de microregio). Ook is sprake van een landschappelijke context, waarbij de drenkkuil tot op de dag van vandaag als laagte samenhangt met het fysisch- en historisch-geografische landschap. Op basis van de bovengemiddelde Íysicke en inhoudelijke kwaliteit kan de vindplaats als behoudenswaardig worden aangemerkt. rden

riteria

Scores dden

eving sieke kwaliteit

‘hoonheid

Wordt niet gescoord

erinn

Wordt

niet

gescoord

aafheid rverinj

Inhoudelijke kwaliteit

Zeldzaamheid formatiewaarde

resentativiteit

Tabel S. Scoretabel waardestelling vindplaats 4 (drenkkuil).

4.6Waardering vindplaats 5 Vindplaats 3 omvat een perceel met postmiddeleeuwse rabatgreppels dat historisch bekend stond als het Slingerwaterbos. Evenals bij vindplaats 3 is dit perceel vanaf de 18e eeuw tot aan 1931/35 in gebruik geweest als bos om daarna plaats te maken voor een weiland, De laatste twintig jaar is het perceel in gebruik als akker (voornamelijk voor maïsteelt).Te oordelen naar een concentra-

tie laatmiddeleeuws aardewerk ter hoogte van WP17 heeft hier mogelijk cen nederzettingsterrein bevonden die vanaf de 18° eeuw echter is vergraven voor bosbouw.’*

De vindplaats kan op basis van zijn belevingswaarde (schoonheid en herinnelijk kaartjes met verspreiding middeleeuws aardewerk in: Bouwmeester et al. 2008, 291 (alb. 5.9), 294 (afb. 5.11) en 296 (alb. 5.12).

ringswaarde) niet als behoudenswaardig worden aangemerkt. De rabatten zijn niet meer als landschapselement vanaf het maaiveld zichtbaar. De vindplaats is verder niet verbonden met een feitelijke historische gebeurtenis buiten het indirecte feit dat het bosperceel begin 19° eeuw in bezit was van grootgrondbezitter Reinier Engelbert baron van Dorth tot Medler (1759-1847) die in 1814 als id van de Vergadering van Notabelen besliste over de Grondwet en koning Willem I als vorst inhuldigde. Op basis van enkel fysieke kwaliteit zou de vindplaats met een bovengemiddelde score van vijf punten wel als behoudenswaardig kunnen worden getypeerd, Dit komt vooral door de goede conservering van onverkoolde organische resten, waaronder diverse nog aanwezige boomstronken. De inhoudelijke kwaliteit (zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaar-

de) is met een score van slechts vier punten daarentegen laag. Dit komt vooral doordat vindplaatsen met postmiddeleeuwse bosbouwsporen in de regio niet zeldzaam zijn en door de geringe toegevoegd archeologische informatiewaarde. Het criterium representativiteit is in dit geval niet relevant aangezien bij het uitvoeren van de waardering al duidelijk was dat duurzaam behoud van de vindplaats geen optie is. Op ba: van de verder lage inhoudelijke kwaliteit kan de vindplaats dan ook niet als behoudenswaardig worden gewaardeerd.

iteria

Scores jdden

ving

heid erinneringswaarde

ysicke kwaliteit udelijke kwaliteit

Wordt niet Wordt

niet

aafheid dzaamheid formatiewaarde mblewaarde tativiteit

Tabel 6. Scoretabel waardestelling vindplaats 5 (Slingerwaterbos).

4.7 Waardering vindplaats 6 Vindplaats 6 omvat de smalle zone ter hoogte van de noordelijke en oostelijke perceelsgrens van de Scheurweide (scheuren is het omploegen van grasland, diepploegen). Vanaf de 18e ceuw tot een jaar of twintig geleden is dit perceel onafgebroken als weiland in gebruik; tegenwoordig als (maïs)akker. Op de kaart van Hottinger, Smedeken en Berken (1779-1801) staat de noordelijke en 00stelijke perceelsgrens als cen strakke lijn met aangrenzende bomenrij aangegeven. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn precies op deze perceelsgrenzen sloten aangetroffen. In de loop van de late 18° of 19° ceuw zijn deze sloten gedempt en is de perceelsgrens gemarkeerd met een houten hekwerk waarvan diverse (voornamelijk aangepunte) palen zijn aangetroffen. De vindplaats is niet behoudenswaardig op basis van zijn belevingswaarde, Zo is dit landschapselement vanaf het maaiveld als zodanig niet meer zichtbaar (schoonheid) en is het verder niet verbonden met een feitelijke historische ge-

48

beurtenis of andere associatie met toegeschreven kwaliteit of betekenis (belevingswaarde). De fysicke kwaliteit van de vindplaats heeft daarentegen een bovengemiddelde score van vijf punten. De gaafheid is gemiddeld op basis van de aanwezigheid van redelijk intacte sporen in een stabiele fysieke omgeving. De conservering is hoog, vooral wat betreft de organisch botanisch materiaal (ook onverkoold) in zowel de slootvulling als de houten palen van het hekwerk. Op basis van de bovengemiddelde fysieke kwaliteit zou de vindplaats in principe als behoudenswaardig kunnen worden bestempeld. Als ook de criteria zeldzaamheid, inhoudelijke kwaliteit en ensemblewaarde

worden meegenomen dan scoort de vindplaats echter gemiddeld (zes punten). Postmiddelecuwse sloten en en paalresten van hekken die als perceelsgrens hebben gefungeerd zijn verre van zeldzaam. De informatiewaarde scoort gemiddeld: hoewel we op basis van historisch (kaart)materiaal een goed beeld hebben van de postmiddeleeuwse verkaveling, biedt houtspecialistisch onderzoek naar de houten palen van het hekwerk wel gedetailleerde kennis van de gebruikte houtsoorten en de bewerking hiervan in de late 18° tot 19° ceuw De ensemblewaarde (contextwaarde) is gemiddeld: de vindplaats heeft enkel meerwaarde op grond van de synchrone archeologische context (voorkomen van vergelijkbare vindplaatsen uit dezelfde periode binnen de microregio). Van een landschappelijke context is geen sprake in de zin van een fys ch- en historisch-geografische gaafheid van het contemporaine landschap. Representativiteit speelt bij de bepaling van inhoudelijke kwaliteit geen rol aangezien duurzaam bchoud van de vindplaats praktisch onhaalbaar is, zeker gezien de verwachting dat de goede conservering van organische resten vrijwel zeker achteruit zal gaan.

rden

riteria

Scores idden

eving

eid erinne

ysieke kwaliteit

‘Wordt niet gescoord Wordt

niet

gescoord

Gaafheid rve

Inhoudelijke kwaliteit

Zeldzaamheid formatiewaarde :nsemblewaarde resentativiteit

Tabel 7. Scoretabel waardestelling vindplaats 6 (Scheurweide).

4.8 Waardering vindplaats 7 Vindplaats 7 omvat een postmiddeleeuws bosperceel waarvan met het proefsleuvenonderzoek dicht op elkaar aangelegde rabatgreppels zijn aangetroffen. Het gaat om een smal perceel met akkermaalsbos (eikenhakhout) dat de perceelsgrens vormde tussen de direct ten zuiden ervan gelegen akker en het ten an historisch kaartmateriaal noorden ervan gelegen Eierkampsbosch. Op ba: gaat dit akkersmaalbos in oorsprong in ieder geval terug tot in de 18° eeuw. De bomen zijn pas rond 1976 gerooid vooruitlopend op cen aan te leggen snelweg Gin het tracé van de huidige Leestense Rondweg N314). De vindplaats kan op basis van belevingswaarde (schoonheid en herinnerings-

waarde) niet als behoudenswaardig worden getypeerd. De rabatten zijn niet meer als landschapselement vanaf het maaiveld zichtbaar en zijn ook niet aan cen specificke historische gebeurtenis verbonden. De fysicke kwaliteit van de vindplaat onder het gemiddelde. Van de fysicke criteria scoort de vindplaats vooral slecht bij gaafheid. Van het oorspronkelijke bosperceel resteren alleen nog de rabatgreppels in het meest westelijke deel; de rest ten oosten van plangebied Leesten Schouwbroek is volledig vergraven bij de aanleg van de Leestense Rondweg (N314) en eerder bij de aanleg van manege/hoeve ‘t Nijkamp. Ook op basis van inhoudelijk kwaliteit komt de vindplaats niet in aanmerking om als behoudenswaardig te worden gewaardeerd. Voor zowel de inhoudelijke criteria zeldzaamheid als informatiewaarde scoort de vindplaats laag (ieder één punt). De ensemblewaarde is daarentegen gemiddeld: de vindplaats maakt daarbij deel uit van een synchrone context (voorkomen van vergelijkbare vindplaatsen uit dezelfde periode binnen de microregio). Daarentegen is geen sprake van een landschappelijke context in de zin van een fjsisch- en historisch-geografische gaafheid van het hedendaagse landschap. De vindplaats i verder niet representatiefen kan ook niet op basis daarvan als behoudenswaardig worden aangemerkt. teria

Scores idden

ving

Wordt niet Wordt

ysicke kwaliteit udelijke kwaliteit

niet

aafheid eldzaamheid formatiewaarde lewaarde epresentativiteit

Tabel 8. Scoretabel waardestelling vindplaats 7 (akkermaalsbos)

4.9 Waardering vindplaats 8 Vindplaats 8 omvat een ruim vier hectare groot perceel dat in de 18° en 19° ceuw als bos is gebruikt. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn hiervan resten gevonden in de vorm van rabatgreppels en bosbouwkuilen. Het noordelijke deel van dit bosperceel werd in de volksmond aangeduid als ‘t Boombos. Dit deel van de vindplaats is tot ca. 1912/1915 in gebruik gebleven als bos, waarna het werd omgevormd tot een weiland, Het zuidelijke deel van de vindplaats werd vroeger de Bongerd (boomgaard) genoemd en werd gescheiden met ‘t Boombos door een pad dat op kaartmateriaal vanaf 1844/45 zichtbaar is. Het zuidelijke deel van de vindplaats is n ieder geval tot ca. 1955 bos gebleven. Het zuidoostelijke deel staat op topograische kaarten zelfs tot 1963 een bosperceel weergegeven. De laatste bomen zijn hier waarschijnlijk pas begin jaren 1970 gerooid waarna ook dit deel van de vindplaats als weiland in gebruik werd genomen, De afgelopen twintig jaar is de vindplaats als (maïs)akker in gebruik. Een deel van de

50

vindplaats is in 1970-71 met de aanleg van de gasleidingen verstoord. De vindplaats kan op basis van zijn belevingswaarde nict als behoudenswaardig worden aangemerkt. De rabatten en andere bosbouwsporen zijn niet meer als landschapselement vanaf het maaiveld zichtbaar (schoonheid). De vindplaats is verder niet verbonden met een feitelijke historische gebeurtenis (herinneringswaarde).

De fysicke kwaliteit (gaafheid en conservering) van de vindplaats is met een score van vier punten gemiddeld. De inhoudelijke kwaliteit (zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde) is met een score van slechts vier punten zelfs laag, De aangetroffen postmiddeleeuwse bosbouwsporen (waarvan de jongste van na het midden van de 20° eeuw) zijn n de regio niet zeldzaam en hebben verder een geringe informatiewaarde. Ook het criterium representativiteit is in dit geval niet relevant aangezien bij het uitvoeren van de waardering al duidelijk was dat duurzaam behoud van de vindplaats geen optie is. Op basis van de verder lage inhoudelijke kwaliteit kan de vindplaats dan ook niet als behoudenswaardig worden bestempeld.

rden

riteria

Scores idden

eving

‘hoonheid

sieke kwaliteit

Gaafheid

erinne

Wordt niet gescoord

Wordt niet gescoord

rverin

Inhoudelijke kwaliteit

Zeldzaamheid formatiewaarde

resentativiteit

Tabel 9. Scoretabel waardestelling vindplaats 8 ('t Boombos en Bongerd)

4.10 Waardering vindplaats 9 Vindplaats 9 omvat een zone met twee paalspoorclusters op een perceel dat vanaf de 18° ecuw tot zo’n twintig jaar terug onafgebroken als weiland in gebruik is geweest. De paalsporen zijn mogelijk afkomstig van gebouwstructuren (bijgebouwen). De datering van deze sporen is onzeker, maar waarschijnlijk laatmiddeleeuws (ate 13°-14° eeuw). Ter hoogte van het westelijke palencluster is in ieder geval een laatmiddeleeuwse scherf bijna-steengoed als oppervlaktevondst gedaan. Ook bij het eerdere proefsleuvenonderzoek in 2003 zijn in dit deel van het plangebied betrekkelijk veel laatmiddeleeuwse aardewerkscherven

gevonden.” Op basis van de vondstverspreiding is aannemelijk dat de vindplaats oorspronkelijk heeft doorgelopen in noordelijke richting, maar daar vanaf de 18° ceuw is vergraven ten behoeve van bosbouw. Op basis van alleen belevingswaarde (schoonheid en herinneringswaarde) is de vindplaats niet behoudenswaardig. De nederzettingssporen zijn niet meer als landschapselement zichtbaar vanaf het maaiveld en zijn verder ook niet aan een lijk kaartjes met verspreiding middeleeuws aardewerk in: Bouwmeester et al. 2008, 291 (alb. 5.9), 294 (afb. 5.11) en 296 (alb. 5.12)

specifieke storische gebeurte: s verbonden. De gaafheid van de vindplaats is gemiddeld. Er zijn twee palenclusters aangetroffen die redelijk gaaf zijn overgeleverd. Of sprake is van een intact nederzettingsterrein valt echter te bezien, aangezien de vindplaats oorspronkelijk in noordelijke richting lijkt te hebben doorgelopen maar door later landgebruik is verstoord. De conservering van archeologisch vondstmateriaal is gemiddeld. Het ter plekke aangetroffen laatmiddeleeuwse aardewerk is vrij gefragmenteerd, maar kan nog wel worden gedetermineerd op het niveau van bakselgroep en potvorm. De conservering van organisch materiaal is eveneens gemiddeld. Bot is redelijk goed bewaard gebleven en voor botanische vondsten geldt hetzelfde voor verkoold materiaal. De fysicke kwaliteit van de vindplaats heeft daarmee met een gemiddelde score van in totaal vier punten. Om te bepalen of ondanks de gemiddelde fysieke kwaliteit toch sprake is van een behoudenswaardige vindplaats, is ook de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats gewaardeerd, Deze s met in totaal zeven punten bovengemiddeld en kan daarmee als behoudenswaardig worden betiteld, Van de inhoudelijke criteria scoren zeldzaamheid en informatiewaarde gemiddeld (ieder twee punten) terwijl ensemblewaarde hoog (score van drie punten) moet worden gewaardeerd.

De hoge ensemblewaarde komt voort uit de aangenomen laatmiddeleeuwse datering van de sporen. Hiermee lijkt sprake van zowel een synchrone als een diachrone archeologische context, dat wil zeggen dat binnen de microregio vindplaatsen voorkomen uit dezelfde periode én uit opeenvolgende perioden. Aanvullend waardestellend onderzoek is gewenst om de bovengemiddelde inhoudelijke kwaliteit te toetsen, aangezien deze nu gebaseerd is op de aangenomen laatmiddeleeuwse datering van de sporen.

aarden

riteria

Scores idden

leving

kwaliteit

Schoonheid

Wordt niet

erinneringswaarde

Wordt niet

Gaafheid Conserve

houdelijke kwaliteit

Zeldzaamheid formatiewaarde blewaarde

resentativiteit

Nxt:

Tabel 1O. Scoretabel waardestelling vindplaats 9 (laatmiddeleeuwse nederzetting).

4.11 Waardering vindplaats 10 Vindplaats 10 omvat een van oorsprong ruim 2 hectare groot bosperceel waarvan bij het proefsleuvenonderzoek resten zijn teruggevonden in de vorm van rabatgreppels. Op de kaart van Hottinger, Smedeken en Berken (1779-1801) staat het perceel nog als bosperceel weergeven. Op de kadastrale kaart uit 1832 wordt het perceel echter als weiland aangeduid: blijkbaar is het bos gerooid ergens begin 19° eeuw. Daarna is het terrein onafgebroken als weiland is gebruikt tot ca. 1997; momenteel is het als (maïs)akker in gebruik.

52

De vindplaats kan op basis van zijn belevingswaarde nict als behoudenswaardig worden aangemerkt. De rabatten zijn niet meer als landschapselement vanaf het maaiveld zichtbaar (schoonheid). Verder is de vindplaats verder niet verbonden met een feitelijke historische gebeurtenis (herinneringswaarde). De fysicke kwaliteit (gaafheid en conservering) van de vindplaats is met een score van drie punten onder het gemiddelde. Deze vrij lage waardering komt vooral door de geringe gaafheid van de vindplaats (score van één punt). Het oorspronkelijke bosperceel is namelijk voor een vrij groot deel verstoord bij de aanleg van de gasleidingen (1970-71) en rond 1996 bij de aanleg van de Leestense Rondweg (N314). De inhoudelijke kwaliteit (zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaar-

de) is met een score van zes punten gemiddeld. De aangetroffen postmiddeleeuwse rabatgreppels zijn in de regio op zich niet zeldzaam. In dit geval hebben de sporen toch een gemiddelde informatiewaarde. Waar de meeste rabatbossen tot ver in de 19° en 20°ceuw in gebruik zijn gebleven, dateren de rabatgreppels van vindplaats 10 op zijn laatst in de late 18° eeuw en vertegenwoordigen daarmee cen vrij goed gedateerd en vroeg voorbeeld van het gebruik van bosrabatten in Gelderland en de Achterhoek in het bijzonder.‘ Bij het bepalen van de inhoudelijke kwaliteit was het criterium representativiteit niet relevant aangezien bij het uitvoeren van de waardering al duidelijk was dat duurzaam behoud van de vindplaats geen optie is, Op basis van de verder gemiddelde inhoudelijke kwaliteit kan de vindplaats niet als behoudenswaardig worden bestempeld.

aarden

riteria

Scores dden

eleving

‘Wordt niet gescoord erinn

ysieke kwaliteit

Wordt niet

aafheid

gescoord

IJ

veri

udelijke kwaliteit

eldzaamheid formatiewaarde blewaarde resentativiteit

Tabel 1 1. Scoretabel waardestelling vindplaats 10 (rabatbos).

40Vgl. Mulder 2020. 53

7350

50

750

T

L

=

ZTE

£

9

ËS :

!

/ / _

ET

n J o orsr ES

e

Ù

oszo9r

3

i g

;

7 $

#

£

>

‘&

*Ì 0 5097

57

7

J

1

ij

0sz097

3

N

KD

m

S 414250

7450

Legenda

IL Plangebied Leesten-Schouwbroek E inventariserend Veldonderzoek - Proefsleuven (IVO-P met doorstart Opgraven) _

Vrijgeven

B M LI

Niet onderzocht (vrijgeven) Niet onderzocht (vrijgeven, te behouden groenzone) Deelgebied

47. Seleetieadries voor plangebied Leesten Schouwbroek.

54

EE

5 Selectieadvies

In overeenstemming met de waardering van de bij Leesten Schouwbroek aangetroffen vindplaatsen (hoofdstuk 4), het heersende archeologiebeleid en de vigerende selectiecriteria van de gemeente Zutphen, is cen selectieadvies opgesteld voor het vervolgtraject (afb. 47). In dit hoofdstuk wordt dit selectieadvies - dat uitsluitend op inhoudelijke archeologische gronden is gebaseerd - verder toegelicht, Dit selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid (gemeente Zutphen), die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. Bij het archeologische onderzoek zijn tien vindplaatsen aangetroffen, waarvan r drie op basis van hun fysieke en/of inhoudelijke kwaliteit zijn gewaardeerd als in principe behoudenswaardig (vindplaats 1, 4 en 9). Het selecticadvies is om deze drie behoudenswaardige vindplaatsen verder te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek met mogelijkheid tot doorstart als opgraven.*! Doel van dit (aanvullende) proefsleuvenonderzoek is om deze vindplaatsen beter te begrenzen en de huidige waardering waar nodig bij te stellen, In afb, 47 zijn de verder te onderzoeken vindplaatsen aangeduid als deelgebied T (vindplaats 1), deelgebied IT (vindplaats # en deelgebied II (vindplaats 9).

Als uit het aanvullende proefsleuvenonderzoek blijkt dat inderdaad sprake is van behoudenswaardige vindplaatsen en behoud in situ niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd het aanvullende proefsleuvenonderzoek te laten doorstarten als Opgraven. Hierbij kan de vindplaats volledig kan worden onderzocht als een vorm van behoud ex situ.

Het aanvullende proefsleuvenonderzoek in deelgebied I geeft naar verwachting waardevolle informatie over een oud wegtract (vermoedelijk de laatmiddeleeuwse voorganger van de huidige Vordenseweg), een mogelijke (middeleeuwse) nederzetting en een pad uit de vroegmoderne tijd (vindplaats 1). In deelgebied I bevindt zich een natuurlijke Jaagte met daarin een drenkkuil uit de 17° of 18° ceuw (vindplaats 4). Met het aanvullende proefsleuvenonderzoek kan deze drenkkuil beter worden begrensd en kan tevens de relatie met (afwaterings)greppels worden onderzocht. Reeds verzamelde botanische en palynologische monsters uit diverse vullingen van de drenkkuil zijn door specialisten van BIAX Consult gewaardeerd en mede op basis van hun (zeer) goede conservering en soortenrijkdom veelbelovend (bijlage 6). Het advies is om deze reeds gewaardeerde monsters conform het selectieadvies van BIAX Consult verder te laten analyseren om zodoende een beter beeld te krijgen van de voorkomende vegetatie en landgebruik in de 17° en/of 18° ceuw. In deelgebied IT zijn twee dlusters met paalsporen gevonden (vindplaats 9).

Waarschijnlijk gaat het om gebouwstructuren (bijgebouwen) die te oordelen aan de laatmiddecuwse oppervlaktevondsten vermoedelijk uit de late 13° of 14° eeuw dateren, Met aanvullend proefsleuvenonderzoek kan deze verwachting 41 Conform protocol 4003: Inventariserend Veldonderzoek - Proefsleuven (IVO-P) en dan met

mogelijkheid tot doorstart Opgraven (protocol 4004) volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 55

worden getoetst en de vindplaats beter worden begrensd en gewaardeerd. Het meest zuidelijke deel van het plangebied nabij de Berghegelaan is nog in gebruik als gronddepot en kon dan ook niet worden onderzocht (deelgebied IV). Bij eerder archeologisch onderzoek op de Looërenk zijn op het aangrenzende terrein onder meer middeleeuwse sporen gevonden. Het selectieadvies is om ook deelgebied IV te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek (met mogelijkheid van doorstart Opgraven), Doel van dit onderzoek is om vast te stellen of zich in deelgebied IV wellicht een behoudenswaardige vindplaats bevindt en zo ja of deze planelogisch kan worden ingepast (behoud in situ) of moet worden opgegraven (behoud ex sieu), Buiten deelgebieden I t/m IV is het selectieadvies om het plangebied Leesten Schouwbroek vrij te geven. Het gaat hierbij om een terrein met een oppervlakte van ruim 15 hectare waarvan géén archeologische beperkingen meer gelden (alb. 47). Binnen het vrij te geven gebied zijn met het proefsleuvenonderzoek zeven archeologische vindplaatsen aangetroffen die op basis van hun waardering echter als niet behoudenswaardig zijn aangemerkt (hoofdstuk #).

Binnen het plangebied bevinden zich verder nog twee terreindelen die bij het proefsleuvenonderzoek niet konden worden onderzocht: het erf met de rond 1970 gebouwde boerderij Schouwbroe(c)k en een groenzone (houtwal en bomenrij langs verhard pad). Deze eerder niet onderzochte terreindelen kunnen worden vrijgegeven op basis van aangrenzende terreinen die wel zijn onderzocht/ gewaardeerd.

56

Literatuur

Borsboom, A.. & J. W‚P. Verhagen 2009: KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P), Amsterdam (geactualiseerde versie A. Tol, 4 december 2012).

Bouwmeester, H.M.P,, H.A.C. ermin & M. Groothedde (red.), Geschapen landschap Tienduizend jaar bewoning en ontwikkeling van het cultuurlandschap op de Looërenk in Zutphen; Archeologisch onderzoek, ‘s-Hertogenbosch/Zutphen, BAAC rapport 00.068. Duco, D.H., 2003: Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam.

Fermin, H.A.C., 2008: ‘Greppels in noorddeel Looërenk’, in: H.M.P. Bouwmeester, H.A.C. Fermin & M. Groothedde (red.), Geschapen landschap. Tienduizend jaar bewoning en ontwikkeling van het cultuurlandschap op de Looërenk in Zutphen; Archeologisch onderzoek, ‘s-Hertogenbosch/ Zutphen, B44C zapport 00.068, 367-370.

Habermehl, K.H., 1975: Die Altersbestimmung bei Haus- und Labortieren, Berlin. Huisman, H., 2023:‘Micromorfologisch onderzoek: karakterisering van terplagen en de effecten van bioturbatie op hun conservering’, in: . Nicolay & G. de Langen (red.), Friese terpen in doorsnede. Landschap, bewoning en exploitatie, Groningen, Jaarverslagen van deVereniging voor Terpenonderzoek 103, 217-257.

Kleij, G. van der 2003: Prehistorische grafvelden en tumuli rondom Zutphen, Zutphense Archeologische Publicaties 3.

Langeveld, M. & H.A.C. Fermin, 2008: ‘Landschappelijke context’ in: H.M.P. Bouwmeester, H.A.C. Fermin & M. Groothedde (red.), Geschapen landschap. Tienduizend jaar bewoning en ontwikkeling van het cultuurlandschap op de Looërenk in Zutphen; Archeologisch onderzoek, ‘s-Hertogenbos / Zutphen, BAAC rapport 00.068, 31-42.

Maas, L.H., A.H.G. Schaars & S. Grit (red.), 1991: Boerderij- en veldnamen in Warnsveld.Verzameld door J. Boschloo # en G.J. Regelink +, Doetinchem. Marinelli, M.G., 1998: Gemeente Zutphen; archeologisch onderzoek ten behoeve van de bouwlocatie Leesten-oost, Zutphen, RAAP-rapport 342. Mulder, A., 2020: Van dijken en sloten. Een verkenning van de geschiedenis van rabattenbossen in de Graafschap, Masterscriptie Landschapsgeschiedenis Rijksuniversiteit Groningen. Schaars, A.H.G.,

1974: De bosbouw van het “Entel” in de tweede helft van de

57

achttiende eeuw, Zutphen, Gelderse historische reeks 5. Verbruggen, F., 2024: Voorstel voor selectieadvies Leesten-Schouwbroek: waarderend onderzoek palynologische resten en botanische macroresten, Zaandam (Selectieadvies BIAX Consult).

48. Boerderij Schouwbroe(c)k in mei 2024

49. Groepsfoto van een deel van veldteam net nadat de laatste proefsleufis dichtgedraaid. 58

Veldwerk

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) Vondstdeterminaties

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Metaalconserverini Afbeeldingverantwoordin

(geanonimiseerd) Colofon

Dit is een uitgave van de gemeente Zutphen, Team Archeologie (geanonimiseerd) N EOE E E T E e Titel: Van zoepekolk tot rabat. Proefsleuvenonderzoek Leesten-Schouwbroek (gemeente Zutphen) 120 pagina’s 49 afbeeldingen (exclusief bijlagen) Trefwoorden: Zutphen, Archeologie, Leesten, Schouwbroek, Proefsleuvenonderzoek, bosbouw, rabat

Copyright: Gemeente Zutphen 2024 Alles uit deze uitgave mag vermenigvuldigd / openbaar worden gemaakt, maar alleen met voorafgaande toestemming van de uitgever. NUR:

682

ISBN: 9789083443256

59

214500

214300

214400

714500

214600

Bijlage 1a. Alle-sporen-kaart: noorddee! plangebied Leesten-Schouwbroek (met putnummers) geprojecteerd op luchtfoto uit 2023

60

Bijlage 1 Alle-sporen-kaart 214300

214400

214500 J

214600 TE

E

46070

46060

46050 _

5E

e

46040

E

9)

-/

n

O

l

H

51

| S

46030 214400

5

214600

Bijlage b Alle-sporen-kaart: zuiddeel plangebied Leesten-Schouwbroek (met putnummers) geprojecteerd op luchtfoto uit 2023.

De achterliggende GIS-data van de sporenkaart zijn digitaal is te raadplegen in het e-depot voor de Nederlandse archeologie (DANS Data Station Archacology): Braven, den, |.A 2024 “Van zoepekolk tot rabat”, https://doi.org/10.17026/ AR/AXOZFD

61

62

Bijlage 2 Profiel- en coupetekeningen

63

aevnawtOorws!ors

ND

owe]e

toEZNzmo. oer5|

1EN

65

avwewos

twos 66

67

, ï

00

68

!

tam

69

3094 p202 WI

oom

3204

2

P2203 KH

S 70

i

Ji9

S

s00m

G o

AP 874

L250001

n

jJ

W

60m

m

70

ED o

inar

5330

VL7,52+

ISL

avntworg

awvoNrts

71

8,20 m +NAP

S16001

7501 h

{

St6000|

l |

820m

sNAP

720

751

40 m +NAP

1U

L S16000 |

e 720

sto71

zm

sieo0 0

ì

720

KTe

m

“

73

S814

|—v—'|

L

n o _ n

838000

74

_ _ _ 1838000

8,10m+NAP

WP48 boring

—

x 214328,975

L |

y 460558,526 27,978

|48999

7,70 m +NAP 70m

S48000-0

H-

NAB

WP86

S86999

S48000-1 S48000-2

S48000-3

75

s069\\\\\\z7

o a v w e w e o s w o s aw!voawnsLe wost 76

s

WP68

WP68

P6800

P6810

h| Î

|

T |

í

|

—

LS68999 | i

| S68000

WP69

|1

i ì

SE t s

SS

P6900

|

n

|

; 69999 |l _ e

|

77

WP67 P6700

WP67 P6710

WP66 P6610

78

Lantemos r1

amcaoemos o

s

7

dUVON+SwNo's$'g+ 0'27] U8'

80

aivowes

avntworg avntuors

!awvoses

r

avntworg 81

awvoNr+'g

awvoNr+ o

82

Bijlage 3 Sporenlijst Bij het proefsleuvenonderzoek zijn 1261 spoornummers uitgedeeld. De sporen- en vullinglijst is digitaal is te raadplegen in het e-depot voor de Nederlandse archeologie (DANS Data Station Archaèulugy):

(geanonimiseerd) … e

e /doiorg/10.170267

AR/AXOZFD

Bijlage 4 Vondstdeterminatielijst Bij het proefsleuvenonderzoek zijn 159 vondstnummers uitgedeeld. De vondstdeterminatielijst is digitaal s te raadplegen in het e-depot voor de Nederlandse archcologie (DANS Data Station Archacology): (geanonimiseerd) ‘Van zoepekolk tot rabat”, https: / /doi.org/ 10.17026/ AR/AXOZFD

Bijlage 5 Afbeeldingenlijst De afbeeldingenlijst is digitaal is te raadplegen in het e-depot voor de Neders S Data Station Archacology): Van zoepekolk tot rabat”, https://doi.org/10.17026/

(geanonimiseerd)

83

84

Bijlage 6 Waarderend onderzoek palynologische resten en botanische macroresten (vindplaats 4) Bijdrage door EVerbruggen (BIAX Consult)

(geanonimiseerd) Wv»….d

ialistenbijdrage is integraal overgenomen uit:

voor selectieadvies Leesten-Schouwbroek: waarderend

onderzoek palynologische resten en botanische macroresten, Zaandam (Selectieadvies BIAX Consult). Nota bene: het ‘ven’ (S647) bleek achteraf een drenkkuil.

BIAX CONSULT biologische archeologie & landschapsreconsirudie

Voorstel voor selectieadvies Leesten-

Schouwbroek: waarderend onderzoek palynologische resten en botanische macroresten

Selectieadvies JUL2024

(geanonimiseerd)

85

K

N

4

)

o

a

YE

Dbehee

Colofon

Titel: Voorstel voor selectieadvies Leesten-Schouwbroek:

waarderend

palynologische resten en botanische macroresten

(geanonimiseerd) KNA specialist archeobotanie) Ankeur_5enior Projectcode BIAX: LEESCH Opdrachtgever: Gemeente Zutphen Projectcode opdrachtgever: LESB2023 Gemeente: Zutphen Plaats: Zutphen Toponiem: Schouwbroek Archis Zaakidentificatie: 5461436100

Centrumcoördinaten vindplaats: ISSN: 1568-2285

© BIAX Consult, Zaandam,

2024

Correspondentieadres: BIAX

Symon Spiersweg 7 D2 1506 RZ Zaandam

tel:

(geanonimiseerd)

emai

86

(geanonimiseerd)

214.424 / 460.632

A

x

onderzoek

Voorstel

voor selectieadvies

Leesten-Schouwbroek

1

Inleiding De gemeente Zutphen wil de duurzame wijk Leesten Schouwbroek realiseren. Deze wijk zal een overgang vormen tussen de bestaande bebouwing van de wijk Leesten Oost en het groene buitengebied. In het kader van de ontwikkeling van

de nieuwe wijk hebben archeologen van de gemeente Zutphen een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied, dat zich situeert n een laag gelegen zone direct naast de hogere Looërenk.! Tijdens dit onderzoek is een ven (S647) aangetroffen (zie figuur 1), dat is

‘bemonsterd voor paleoecologisch onderzoek. Aan de hand hiervan kan bepaald worden wat de ouderdom is van het ven, hoe het landschap eruit zag en door de mens gebruikt werd ten tijde van de opvulling ervan.

Figuur1

_ Leesten-Schouwbroek, tjdens het proefsleuvenonderzoek i een ven aangetroffen (©

Gemeente Zutphen).

Voor het paleoecologisch onderzoek zijn in het veld vijf macrorestenmonsters genomen en is een pollenbak geslagen door de venvulling. De opdrachtgever heeft alle monsters geselecteerd voor een waarderend onderzoek. Het doel van de waardering is om de aanwezigheid van palynologische resten (pollen, sporen en niet-pollen palynomorfen zoals resten van schimmels, algen en parasieten) en botanische macroresten (zaden en vruchten) te duiden en om de geschiktheid voor vervolgonderzoek (analyse) te bepalen.2 Op basis van de concentratie,

conserveringstoestand en informatiewaarde van de plantenresten zal worden bepaald of de monsters bijdragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen, zoals gesteld in het Programma van Eisen (PvE). De

resultaten van het waarderend onderzoek zijn in dit rapport beschreven en vormen

de basis voor het voorstel

voor selectieadvies van de monsters.

1 Van Dalfsen 2024, 9.

? Het hout zal direct geanalyseerd worden.

De resultaten van het houtspecialisti

zullen in het uiteindelijke analyserapport behandeld worden.

87

Voorstel

voor

selectieadvies

Leesten-Schouwbroek

2

Onderzoeksvragen Eén van de doelen van het proefsleuvenonderzoek is het begrijpen van het

vroegere landschap. In dat kader zijn diverse onderzoeksvragen opgesteld in het PvE, die mogelijk aan de hand van het paleoecologisch onderzoek beantwoord kunnen

21

worden?

ONDERZOEKSVRAGEN

MET BETREKKING

TOT HET LANDSCHAP:

5. Zijn er vennen en andere natuurlijke laagtes in het plangebied aanwezig? Zo ja, wat is de vulling van deze vennen? Zijn hier meerdere fasen/periodes in te herkennen?

Hoe dateren die?

6. Hoe is het landschap begroeid geweest door de eeuwen heen? Wat is de ontwikkeling van de natuurlijke begroeiing? Vanaf welk moment komen cultuurgewassen in beeld? Hoe ontwikkelen deze zich?

7. Hoe is het landschap door de eeuwen heen gebruikt? Welke ontwikkelingen zijn hierin te herleiden? Welke sporen heeft dit gebruik in het landschap achter gelaten? 8. Wat is de grondwaterstand door de eeuwen heen geweest? Is het terrein altijd laag en nat geweest of zijn er fluctuaties waar te nemen? Wat zijn de nattere en drogere perioden geweest? Hoe dateren die? 22

(ONDERZOEKSVRAGEN MET BETREKKING TOT MENSELIJKE SPOREN:

3. Hoe is het landschap door de eeuwen heen gebruikt? Welke ontwikkelingen zijn hierin te herleiden? Welke sporen heeft dit gebruik in het landschap achter gelaten? 3. Zijn er (rituele) deposities in het plangebied aanwezig? Zo ja, waar bestaan deze uit? Hoe

dateren deze?

8. Hoe passen de resultaten van dit onderzoek binnen de onderzoeksresultaten van de afgelopen 30 jaar onderzoek in Leesten en Eme?

Materiaal en methoden 31

MONSTERNAME

De vulling van ven S647 is rond het diepste punt in het oostprofiel bemonsterd door middel van een lange pollenbak (100 x 10 cm, V124, zie figuur 2). De top van deze pollenbak bevindt zich op 7,30 m +NAP. In het laboratorium van BIAX zijn

vullingen 1 t/m 4 in pollenbak V124 bemonsterd voor palynologisch onderzoek (zie bijlage 1). Tevens zijn de basis en de top van de venvulling bemonsterd voor daterend #C-onderzoek teneinde de ouderdom van het ven te bepalen. 3Van Dalfsen 2024, 11-12.

88

Voorstel

voor selectieadvies

Leesten-Schouwbroek

Tevens zijn diverse macrorestenmonsters genomen.

3

Aan de noordelijke zijde van

het ven zijn de basis en de top van vulling 4 daartoe bemonsterd (V122 en V121, zie figuur 3). Aan de zuidelijke zijde is eveneens een monster uit vulling 4 genomen (V128). De laag erboven, vulling 5, snijdt vulling 4 in en is ook ‘bemonsterd (V127). Ten slotte is aan de zuidelijke zijde van het oostprofiel een monster genomen uit de bovenste venvulling, vulling 1 (V126). In deze vulling zijn veel takken geobserveerd in het veld.

193 1ES82023

Figuur2

Leesten-Schouwbroek, door de vulling van ven S647 is een lange pollenbak (V124) geslagen (© Gemeente Zutphen).

Figuur3

Leesten-Schouwbroek,

profieltekening van ven S647 met daarin de genomen

monsters

(© Gemeente Zutphen)

32

PALYNOLOGISCHE

RESTEN

De palynologische monsters uit de vier venvullingen (zie fabel 1) zijn opgewerkt tot pollenpreparaten volgens de standaardmethode van Erdtman, waarbij een bekende hoeveelheid sporen van een zeer zeldzame wolfsklauwsoort

(Lycopodium clavatum) is toegevoegd om de concentratie palynologische resten

89

Voorstel

voor selectieadvies

Leesten-Schouwbroek

(pollen, sporen en niet-pollen palynomorfen) te bepalen.' De bereiding is uitgevoerd onder leiding van M. Hagen van het Laboratorium voor

Sedimentanalyse van de Vrije Universiteit te Amsterdam. De pollenpreparaten zijn vervolgens bekeken met behulp van een doorvallend-lichtmicroscoop met een vergroting van maximaal 1000 maal. Hierbij is gekeken naar de aanwezigheid en conserveringstoestand van de aanwezige palynologische resten. Het inventariserend palynologisch onderzoek is uitgevoerd door de auteur. Tabelt

vnr. put vlak

spoor laag context ‘:f‚:’::‚::k

labcode volume

124

56

56100

647

124 124

56 56

58100 58100

124

33

_ Leesten-Schouwbroek, overzicht van de geïnventariseerde palynologische monsters.

56

58100

BOTANISCHE

697

1

2

ven

21-22cm

BX10984

5ml

647 647

3 4

ven ven

42-43 cm 82-83 cm

BX10986 BX10987

6ml _5ml

ven

3353450m

BX10985

Sm

MACRORESTEN

De botanische macrorestenmonsters uit vullingen 4, 5 en 1 (zie tabel 2) zijn n het

laboratorium van BIAX met leidingwater gezeefd over een serie zeven met ‘maaswijdten van 4, 2, 1, 0,5 en 0,25 mm. De zeefresiduen zijn steekproefsgewijs onderzocht met behulp van een opvallend-lichtmicroscoop met een vergroting van maximaal

50 maal.

Het inventariserend

onderzoek

aan botanische

macroresten is uitgevoerd door de auteur.

34

Tabel2

_ Leesten-Schouwbroek, overzicht van de geïnventariseerde macrorestenmonsters.

vnr.

put

vlak

spoor

laag

context

121 122

56 56

58100 58100

647 647

4 4

ven ven

351 451

126

56

58100

647

1

ven

31

127 128

56 56

58100 58100

647 647

5 4

ven ven

1,251 0,751

DATEREND

__ volume

!*C-ONDERZOEK

Uit de basis van vulling 4 en de top van vulling 1 zijn monsters genomen ten behoeve van daterend “'C-onderzoek (zie tabel 3). Deze zijn gezeefd over een

serie zeven met een maaswijdte van 0,5 en 0,25 em. Uit elk monster is materiaal geselecteerd voor een #'C-datering. Dit materiaal is aangeleverd aan het Radiocarbon Laboratory te Poznan, dat onder leiding staat van Prof. hab. T. Goslar.

* Aan elk monster zijn twee tabletten met elk 17.197 sporen toegevoegd.

90

Voorstel

voor selectieadvies

Leesten-Schouwbroek

5

Tabel3

_ Leesten-Schouwbroek, overzicht van de monsters ten behoeve van daterend *1Conderzoek.

vnr.

put

vlak

spoor

laag

context

124

56

58100

647

1

ven

diepte in pollenbak 18cm

124

56

58100

647

4

ven

80-83,5 cm

Kwaliteitsborging Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van de vergelijkingscollecties en de bibliotheek met determinatieliteratuur van BIAX. De werkzaamheden zijn uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen in de vigerende KNA, het protocol Specialistisch onderzoek (BRL 4006) en het interne kwaliteitshandboek van BIAX.

Resultaten

De resultaten van de pollen- en macrorestenwaardering worden hieronder besproken per materiaalgroep, in volgorde van ouderdom. De informatie die aan de hand

van de inventarisatie naar voren komt

is slechts indicatief.

Betrouwbare

uitspraken kunnen pas worden gedaan aan de hand van een volledige analyse en (bij pollenonderzoek) berekening van de onderlinge verhoudingen tussen de diverse aanwezige resten. 51

PALYNOLOGISCHE

RESTEN

De resultaten van het waarderend palynologisch onderzoek zijn weergegeven in bijlage 2. 511

Vulling 4 De onderste venvulling (vulling 4) is zeer rijk aan pollen en sporen. De conservering van deze resten is goed tot uitstekend. Opvallend talrijk is het pollen van graslandplanten, met name grassen en weegbree zijn hierin goed vertegenwoordigd. Een leuke, niet alledaagse vondst is die van pollen dat ‘waarschijnlijk toebehoort aan gewone vleugeltjesbloem, tevens een

graslandplant. Ook is pollen van cultuurgewassen overduidelijk aanwezig in dit monster. Niet alleen granen, waarbij rogge en pollen van het gerst/tarwe-type het meest voorkomend is, maar ook pollen van boekweit en vlas zijn in vulling 4 waargenomen. Al met al kan op basis van de vondst van pollen van rogge, boekweit en korenbloem worden gesteld dat de vulling niet prehistorisch is, ‘maar — indien er geen sprake is van sterke verstoring - middeleeuws of nieuwetijds is. Een analyse van monster BX10987 is mogelijk.

91

Voorstel voor selectieadvies

512

Leesten-Schouwbroek

Vulling 3 Vulling 3 van het ven is rijk aan pollen en sporen. Hoewel de conservering iets minder lijkt dan in vulling 4, zijn de aanwezige resten over het algemeen goed geconserveerd. Ook in deze vulling domineren graslandplanten het pollenspectrum. Daarnaast zijn oeverplanten talrijk, wat waarschijnlijk het

gevolg is van het lokaal voorkomen van een oevervegetatie. Antropogene indicatoren zijn alom vertegenwoordigd. Het pollen van granen is daarbij het talrijkst; met name dat van rogge. Ook in vulling 3 is pollen van boekweit aanwezig, evenals dat van duivenboon. Tijdens de waardering zijn diverse soorten mestschimmels waargenomen tijdens. Een analyse van monster BX10986 is mogelijk. 513

Vulling 2 Wat direct opvalt aan de palynologische inhoud van vulling 2 is de grote ‘hoeveelheid pollen van rogge erin. Tezamen met grassen voert dit graan de boventoon van het aanwezige pollen, veel meer dan in de onderliggende lagen. Het aandeel boompollen i met ca. 10% dan ook zeer laag in deze vulling. Ascosporen van mestschimmels zijn tevens opvallend veel aanwezig. De conservering van het pollen en de sporen, die zeer talrijk aanwezig zijn in vulling

2, is over het algemeen goed. Een analyse van monster BX10985 is mogelijk. 514

Vulling 1 De toename in het aandeel ascosporen van (mest)schimmels zet zich sterk door in vulling 1. In dit monster zijn meer ascosporen aanwezig dan pollen! Dit duidt vermoedelijk op de aanwezigheid van mest. Desalniettemin is vulling 1 zeer rijk aan pollen en sporen, die goed geconserveerd zijn. Het aandeel granen en andere grassen — granen zijn ook grassen, maar zijn pollen-morfologisch goed te onderscheiden van wilde grassen — is net zoals vulling 2 zeer hoog. Hierbij valt

op dat het graanpollen niet vrijwel uitsluitend bestaat uit pollen van rogge, zoals in vulling 2, maar dat er meer pollen van het gerst/tarwe-type aanwezig is. Wat eveneens opvalt is dat het aandeel pollen van eik hoger lijkt te zijn in vulling T dan in de onderliggende vullingen. Een analyse van monster BX10984 is mogelijk. 52

BOTANISCHE

MACRORESTEN

De resultaten van het waarderend macrorestenonderzoek zijn weergegeven in

bijlage 3. 521

Vulling 4 Monster V128 uit vulling 4 aan de zuidelijke zijde van het oostprofiel, is rijk aan botanische macroresten die goed bewaard zijn gebleven. Het overgrote deel van de zaden is afkomstig van de Jokale vegetatie in en om het ven, waarbij water- en oeverplanten goed zijn vertegenwoordigd. Ook aquatische fauna is duidelijk aanwezig Zo zijn resten gevonden van slakken, insecten, waterjufferlarven,

92

6

Voorstel voor selectieadvies

Leesten-Schouwbroek

7

mosselkreeftjes, watervlooien en eenoogkreeftjes. Van gewone braam en mogelijk ook gierst weerspiegelen mogelijke gebruiksgewassen. Een analyse van monster V128 is mogelijk. Monster V122 uit de basis van vulling 4 aan de noordelijke zijde van het

oostprofiel is zeer rijk aan botanische macroresten, die net zoals monster V128 goed geconserveerd zijn. Ook monster V122 bevat voornamelijk zaden van plantengemeenschappen in en nabij het ven. De soortensamenstelling komt in grote lijnen overeen met die van monster V128, maar kent zeker ook verschillen die kunnen duiden op Iokale verschillen in bijvoorbeeld de aanwezigheid van bomen zoals els en wilg. Noemenswaardig is de aanwezigheid van takken en slakken in dit monster. Een interessante vondst is die van een kersenpit in dit monster. Een analyse van monster V122 is mogelijk.

Monster V121 uit de top van vulling 4 aan de noordelijke zijde van het oostprofiel is eveneens zeer rijk aan botanische macroresten die goed geconserveerd zijn. De soortenrijkdom van dit monster valt op. Tijdens de waardering zijn al 43 taxa geobserveerd! In de top van vulling 4 bevond zich een kersenpit, twee pruimenpitten van de kleinere variant kroosjes. Van korenbloem is een zaadje aangetroffen. Deze plant wordt met name vanaf de middeleeuwen veel gevonden op akkers op matig voedselrijke zandgrond. Wat tevens opvalt

aan dit monster is de grote hoeveelheid eizakken van regenwormen, wat op bioturbatie kan duiden. Over het algemeen zijn zaden van oever- en

waterplanten talrijk in dit monster, maar ook graslandplanten lijken hierin goed vertegenwoordigd. Een analyse van monster V121 is mogelijk. 522

Vulling 5 Monster V127 uit vulling 5, die insnijdt in vulling 4, is matig rijk aan botanische

macroresten en bevat tevens diverse dierlijke resten, waaronder die van watervlooien, waterjufferlarven, dansmuglarven, eenoogkreeftjes, mosselkreeftjes, schelpen van tweekleppigen en van posthoornslak, zoetwatersponzen, aquatische mijten en insecten. Tevens zijn sclerotia van de ‘bodemschimmel Glomms aanwezig. Het gros van alle macroresten is afkomstig van flora en fauna uit of nabij het ven. De samenstelling komt sterk overeen met die van vulling 4. Aangezien monster V127 minder rijk is, zowel in aantallen resten als in aantal soorten, wordt een analyse van dit monster niet zinvol geacht indien er monsters uit de rijkere vulling 4 worden geanalyseerd. 5.2.3

Vulling 1 Monster V126 uit de bovenste vulling 1 is zeer rijk aan botanische macroresten.

Het aantal takfragmenten valt hierbij op. Voorgesteld wordt om een representatief deel van deze takken nader houtspecialistisch te onderzoeken. Ook is het aandeel zaden van planten van antropogene vegetaties is veel hoger in vulling 1 dan in de onderliggende vullingen. Het betreft soorten zoals korenbloem, eenjarige hardbloem, akkerviooltje en verschillende duizendknopen, die waarschijnlijk op akkers te vinden waren. Van rogge zijn

93

Voorstel

voor selectieadvies

Leesten-Schouwbroek

8

diverse kafresten in de vorm van aarspilfragmenten gevonden in dit monster. Een analyse van monster 126 is mogelijk. 53

DATEREND De

ONDERZOEK

resultaten van de selectie van materiaal

ten behoeve

van daterend

onderzoek

zijn weergegeven in bijlage 4.

531

Vulling 4 Uit de basis van de venvulling is op een diepte van 80-83,5 cm in pollenbak V124 (6,50-6,465 m +NAP) een fragment van een takje van eik geselecteerd. Het takje is gedroogd, waarna het gewicht 64 mg bedroeg.

532

Vulling 1 Voor de datering van de top van de venvulling is eveneens een eikentakje geselecteerd. Dit takje bevond zich op een diepte van 18 cm vanaf de top van pollenbak V124 (7,12 m +NAP) en woog na drogen 162 mg.

6.

Voorstel voor selectieadvies

Op basis van het inventariserend onderzoek wordt het volgende selectieadvies voorgesteld (zie fabel 4 voor pollen en tabel 5 voor macroresten). 61

PALYNOLOGISCHE

RESTEN

Vullingen 4, 3, 2 en 1 van ven S647 zijn alle (zeer) rijk aan goed geconserveerde

palynologische resten, wat de monsters geschikt maakt voor palynologisch onderzoek. De palynologische samenstelling varieert door de venvullingen. Daarom wordt geadviseerd om alle vullingen te laten onderzoeken op pollen, sporen en niet-pollen palynomorfen, zoals resten van schimmels Een analyse aan de vier venvullingen zal naar verwachting

bijdragen aan de beantwoording

van de relevante onderzoeksvragen met betrekking tot het landschap en menselijke sporen.* Tabel4

_ Leesten-Schouwbroek, voorstel voor selectieadvies voor palynologisch onderzoek.

vnr.

put

vlak

spoor

laag

context

labcode

analyse

124 124 124 124

56 56 56 58

56100 56100 56100 56100

647 647 647 647

1 2 3 4

ven ven ven ven

BX10984 BX10985 BX10986 BX10987

ja ja ja ja

° Schimmels spelen met name n de top van de venvulling een grote rol. © Van Dalfsen 2024, 11-12

94

Voorstel

62

voor selectieadvies

Leesten-Schouwbroek

9

BOTANISCHE MACRORESTEN

In principe bevatten alle macrorestenmonsters voldoende zaden om een analyse toe te Jaten. Eén monster, namelijk V127 uit vulling 5, is echter minder rijk qua ‘hoeveelheid macroresten en aanwezige soorten en bovendien is er een grote

overlap met de soortensamenstelling van V121. Om deze reden heeft een analyse van V127 geen meerwaarde als V121 wordt geanalyseerd. Een analyse van de overige monsters levert meer informatie op over lokale plantengemeenschappen in en om het ven, en het gebruik van het landschap in het verleden (met name V126). Indien er en prioritering van de monsters gemaakt moet worden, dan zouden V121 en V126 de eerste voorkeur hebben, gevolgd door V128 en V122. Door gecombineerd pollen- en macrorestenonderzoek uit te voeren aan dezelfde vullingen, zal een goed beeld verkregen worden van het vroegere

landschap en het gebruik ervan door de vroegere bewoners van Zutphen. Aan de ‘hand van macrorestenonderzoek kan bepaald worden welke soorten lokaal voorkwamen en om deze reden wellicht zijn oververtegenwoordigd in het pollenspectrum. Dit komt de interpretatie ten goede. Een macrorestenonderzoek ‘van de voorgestelde monsters zal dan ook bijdragen aan de beantwoording van

de relevante onderzoeksvragen met betrekking tot het landschap en menselijke sporen”

6.3

Tabel&

_ Leesten-Schouwbroek, voorstel voor selectieadvies voor macrorestenonderzoek.

vnr.

put

vlak

spoor

laag

_context

121 122 128

56 56 56

56100 56100 56100

647 647 647

4,top 4,basis 1

ven ven ven

127

56

56100

647

5

ven

nee

128

56

56100

647

4

ven

ja

DATEREND

_

__ analyse ja ja ja

ONDERZOEK

Op basis van de aanwezige plantaardige resten kan voorlopig geconcludeerd worden dat ven S647 haar oorsprong vindt in de (late) middeleeuwen of Nieuwe Tijd. Deze verwachte ouderdom zal gestaafd worden met een onafhankelijke dateringsmethode. De resultaten van het daterend '#C-onderzoek, dat thans wordt uitgevoerd in Poznan, zullen naar verwachting half oktober 2024 bekend

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=dd99caca-8cc4-40d9-abdf-1c79d9b4b38d