CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

1097018 – bijlage 18 – bijl. mtv archeologisch onderzoek

Raadsvergadering 13 oktober 2025, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplanwijziging project Leesten Schouwbroek, Zutphen18.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Zutphense Archeologische Publicaties 169

(geanonimiseerd) Van zoepekolk tot rabat Proefsleuvenonderzoek Leesten-Schouwbroek

(gemeente Zutphen)

Zutphen 2024

Inhoud

Samenvatting 1 Administratieve gegevens 2 Inleiding 21 Aanleiding 2.2 Gespecificeerde archeologische verwachtingsmodel 2.3 Doel- en vraagstelling 2.3.1 Doelstelling 2.3.2 Vraagstelling 2.3.3 Onderzoeksvragen 2.4 Onderzoeksmethodiek en afwijkingen t.0.v. het PvE/PvA 3 Resultaten van het proefsleuvenonderzoek 3.1 Landschap en landgebruik 3.2 Sporen en structuren 3.3 Vondsten en monsters 3.3.1

Prehistorie

3.3.2 Late middeleeuwen

3.3.3 Nieuwe tijd

3.4 Catalogus van vindplaatsen 4Waardestelling 4.1 Algemeen 4.2 Waardering vindplaats 1 4.3 Waardering vindplaats 2 4.4Waardering vindplaats 3 4.5 Waardering vindplaats 4 4.6 Waardering vindplaats $ 4.7Waardering vindplaats 6 4.8 Waardering vindplaats 7 4.9 Waardering vindplaats 8 4.10 Waardering vindplaats 9 4.11 Waardering vindplaats 10 5 Selectieadvies Literatuur Veldwerk

Vondstdeterminaties

Metaalconservering Afbeeldingverantwoording Colofon

Bijlage 1 Alle-sporen-kaart Bijlage 2 Profiel- en coupetekeningen Bijlage 3 Sporenlijst Bijlage 4 Vondstdeterminatielijst 83 Bijlage 5 Afbeeldingenlijst Bijlage 6 Waarderend onderzoek palynologische resten en botani85 sche macroresten (vindplaats 4) Bijlage 7 Houtspecialistisch onderzoek aan twee houtvondsten 101 (vindplaats 6)

Bijlage 8 Resultaten van C-onderzoek

111

Zutphense Archeologische Publicaties

13

Samenvatting Ruim twintig jaar geleden werden de eerste nieuwbouwwoningen opgeleverd van de VINEX-wijk Leesten ten zuidoosten van de stad Zutphen. De vraag maar (betaalbare) woningen is echter onverminderd hoog, De gemeente Zutphen heeft daarom plannen voor een nieuwe woonwijk: Leesten Schouwbroek. Op het weiland waar nu nog schapen grazen en de aangrenzende maïsakker bij boerderij Schouwbroek moet een duurzame wijk met vierhonderd woningen komen. De nieuwe woonwijk zal cen groene overgang vormen tussen Leesten Oost en het buitengebied. In het huidige bestemmingsplan staat het plangebied van ruim 21 hectare nog aangemerkt als een agrarisch gebied met een archcologische dubbelbestemming. Eerder archcologisch onderzoek binnen plangebied Leesten Schouwbroek beperkte zich tot een bureauonderzoek, een veldkartering en een booronderzoek (1997-98) gevolgd door enkele proefsleuven (2002-2003). Bij dit kleinschalige onderzoek werden buiten postmiddeleeuwse bosbouwsporen en diverse (laat) middeleeuwse aardewerkvondsten weinig archeologische resten gevonden. In combinatie met de betrekkelijk lage landschappelijke ligging werd aangenomen dat oude bewoningssporen waarschijnlijk ontbraken.

Deze lage verwachting stond in schril contrast met de vele archcologische resten uit het mesolithicum (midden-steentijd), bronstijd, ijzertijd, middeleeuwen en nieuwe tiijd op de naastgelegen Looërenk die werden gevonden bij archeologisch onderzoek voorafgaand aan de bouw van de wijk Leesten Oost. Bevinden zich binnen het plangebied Leesten Schouwbroek ondanks de lage archeologische verwachting toch behoudenswaardige archeologische vindplaatsen en zo ja kunnen deze vindplaatsen planelogisch worden ingepast of moeten ze worden opgegraven? Dit was de belangrijkste vraag die archeologen van de gemeente Zutphen wilden beantwoorden toen zij eind september 2023 bij Schouwbroek begonnen met een grootschalig inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. Het veldwerk zou met tussenpozen een klein jaar n beslag nemen. In oktober 2023 moest het proefsleuvenonderzoek noodgedwongen voor langere tijd worden gestaakt doordat hevige regen en een hoge grondwaterstand het werk onmogelijk maakte. Pas in mei 2024 kon het onderzoek worden hervat, In overleg met de pachters is daarbij het onderzoek gefaseerd uitgevoerd. In september 2024 is het veldwerk afgerond en zijn de resultaten daarna verwerkt tot dit rapport. Verspreid over het plangebied zijn in totaal 87 proefsleuven aangelegd met een

gezamenlijke oppervlakte van 9643 m?, ofwel 5,1% van het plangebied dat voor onderzoek toegankelijk was. In het weiland in het noordelijke deel van het plangebied hebben de 2 meter brede proefsleuen een variabele lengte tot meer dan 250 (!) meter. Deze haaks op elkaar gelegen (zeer) lange sleuven geven een goede doorsnede van het landschap en de archeologische resten die zich hierin bevinden. De akker in het zuidelijke deel van het plangebied is onderzocht door proefsleuven van standaard 2 meter breed en 25 of 50 meter lang die in een re-

gelmatig hagelslagpatroon’ zijn aangelegd. Door de meer gelijkmatige verspreiding van de proefsleuven is daarbij de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen gemaximaliseerd. Landschappelijk gezien behoort het plangebied tot de relatief laaggelegen rivierterrasvlakte die zo’n 13.000 jaar geleden is ontstaan in het Laatglaciaal, aan heteinde van hetWeichselien (laatste istijd). De pleistocene afzettingen bestaan vooral uit fijn, zwak lemig zand met soms wat grind en keien. Zoals met het proefsleuvenonderzoek is ondervonden, wordt het gebied gekenmerkt door relatief hoge grondwaterstanden en daarbij behorende natte en vochtige bodems (beckeerdgronden en vlakvaaggronden). Plaatsclijk lijken de pleistocene rivierafzettingen te zijn afgedekt met jonge dekzanden. Het gaat hier waarschijnlijk om zandverstuivingen die hebben plaatsgevonden tijdens koude perioden in het Laatglaciaal. In deze koude perioden was de begroeiing schaars en had de wind vrij spel. Hoge dekzandruggen en koppen, zoals bij de naastgelegen Looërenk, ontbreken echter in het plangebied. De meeste sporen die tijdens het proefsleuvenonderzoek aan het licht kwamen, zijn aan postmiddeleeuwse bosbouw te relateren.

Het gaat hierbij om rabatgreppels en bosbouwkuilen uit 18° eeuw t/m de 20 ceuw In het plangebied zijn twee vindplaatsen met vermoedelijk laatmiddeleeuwse paalsporen van gebouwstructuren (bijgebouwen?). In het meest noordelijke deel van het plangebied zijn resten aangetroffen van cen weg, waarschijnlijk de laatmiddeleeuwse voorganger van de Vordensweg (N319). Verder is in een laag gelegen perceel met de toepasselijke naam ‘Lege Weie’ (Lage Weide) cen drenkkuil aangetroffen. Deze drenkkuil, of zoepekolk in goed Achterhoeks, kan op basis van *Conderzoek en pollen-/botanisch onderzoek worden gedateerd in de (late) 17° of 18° ceuw. De pollenmonsters en botanische monsters uit de drenkkuil geven een goed beeld van het landschap en vegetatie in deze periode en het advies is dan ook om deze monsters verder te laten analyseren. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn tien archeologische vindplaatsen aangetroffen. Hiervan zijn drie vindplaatsen als behoudenswaardig gewaardeerd (vindplaats 1, 4 en 9). Het selectieadvies is om deze vindplaatsen verder te onderzoeken door middel van cen aanvullend proefsleuvenonderzoek. Doel hiervan is om deze vindplaatsen beter te begrenzen en de waardering waar nodig aan te passen.

Als inderdaad sprake is van een behoudenswaardige vindplaats en deze niet in situ kan worden behouden, dan is het advies om het aanvullende proefsleuvenonderzoek door te starten met een opgraving als een vorm van behoud ex situ.

Het meest zuidelijke deel van het plangebied (nabij de Berghegelaan) is cen terreindeel momenteel in gebruik als gronddepot en daardoor niet toegankelijk voor onderzoek. Het advies is om hier alsnog een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om eventueel aanwezige vindplaatsen te kunnen waarderen. Op het perceel direct ten westen van het gronddepot zijn namelijk met opgravingen in 2000-2003 middeleeuwse nederzettingsresten gevonden. Mogelijk loopt deze vindplaats door in het plangebied van Leesten Schouwbroek.

1 Administratieve gegevens

Gemeente: Plaats:

Zutphen Leesten

Coördinaten:

West: 214.234 / 460.737

Toponiem:

Schouwbroek

Zuid: 214.309

/ 460.221

Noord: 214.480 / 461.037 Oost: 214.494

Projectcode: OM-Nummer: KNA-Protocol:

/ 460.576

LESB2023 5461436100 4003 Inventariserend Veldonderzoek - Proefsleuven (KNA versie 4.1/BRL 4000)

Opdrachtgever:

(geanonimiseerd) feam Programma’s, Projecten en

Uitvoerder:

Team Archeologie, Gemeente Zutphen.

ssen

emeente Zutphen

Bevoegde Overheid! (geanonimiseerd) Gemeente Zutphen Projectleiding: (geanonimiseerd) Periode van uitvoering per deelproces: Deelproces 1 - Voorbereiden IVO-P: juni-september 2023 Deelproces 2 - Uitvoeren veldwerk IVO-P (per fase) - fase 1: 26-9-2023 t/m

208000

710000

712000

20

16-10-2023

216000

1. Ligging van het plangebied Leesten-Schouwbroek geprojecteerd op de topografische kaart met blauw omlijnd de grens van de gemeente Zurphen. In de uitsnede de ligging binnen Nederland.

- fase -ase

9-10-2023

3:

t/m

14-5-2024 t/m

- fase 4: 2-9-2024 t/m

24-10-2023

21-5-2024

10-9-2024

Deelproces 3 - Uitwerken veldwerk IVO-P: september-november 2024 Deelproces 4 Deponeren IVO-P: november 2024 Aantal werkputten: 87 (fase 1 t/m 4) Aantal uitgegeven spoornummers: 1261 Aantal uitgegeven vondstnummers: 159 Documentatie bevindt zich per 10-12-2024 in het Regionaal Archief Zutphen, Spiegelstraat 13-17, 7201 KA Zutphen. Alle digitale projectdocumentatie Ginclusief GIS-data, veldfoto's, etc.) is verder te raadplegen in het e-depot voor de Nederlandse archeologie, https://doi.org/10.17026/AR/AXOZFD Vondstmateriaal bevindt zich per 10-12-2024 in het gemeentelijk depot voor ‘bodemvondsten, Dieserstraat 11, 7201 NA Zutphen Datum (verschijning rapport): 23-12-2024 Autorisatie Senior (geanonimiseerd) ‚p 23-12-2024 Goedkeuring bevoegd geza; (geanonimiseerd) p 23-12-2024 7700

ZT00

214600

2. Onderzoeksgebied (blauw=proefsleuren) en plangebied Leesten Schouwbroek (rood omlijnd) geprojecteerd op een luchtfòto uit 2023. In geel voor onderzoek niet toegankelijke terreindelen.

2 Inleiding 2.1 Aanleiding Begin jaren ‘90 werden plannen gemaakt voor de ontwikkeling van de VINEXwijk Leesten ten zuidoosten van de stad Zutphen. De wijk kwam in drie deelfasen tot stand: de Ooyerhoek, Leesten De Enk en Leesten Oost (Looërenk). Bij archeologisch onderzoek voorafgaand aan de bouw kwamen kwamen uiteenlopende archeologische resten aan het licht, daterende van het vroeg-mesolithicum tot en met de nieuwe tijd.' Vanaf circa 2003/2004 werden de eerste

nieuwbouwwoningen in de Vinexwijk Leesten opgeleverd en nu - twintig jaar later - is de wijk praktisch voltooid. n

{Congeptboorlopig ontwerp

-

3. Concept voorlopig ontwerp nieuwe woonwijk Leesten Schouwbroek (2024), gemeente Zutphen / BoschSlabbers Landschapsarchitecten. 1 Bouwmeester

e al. 2008.

De vraag naar nieuwe (betaalbare) woningen is echter onverminderd groot. Op 13 december 2021 heeft de Zutphense gemeenteraad daarom besloten om tussen de wijk Leesten Oost en de Leestense Rondweg N314 een nieuwe woonwijk te realiseren: Leesten Schouwbroek (afb. 1-2). Deze duurzame woonwijk

met vierhonderd woningen moet een mooie overgang gaan vormen tussen het buitengebied en Leesten Oost. In het door de gemeente Zutphen en BoschSlabbers Landschapsarchitecten samengestelde ‘concept voorlopig ontwerp Schouwbroek’ (2024) wordt op hoofdlijnen een beeld geschetst van hoe deze groene wijk eruit komt te zien (afb. 3). Momenteel heeft het plangebied in het bestemmingssplan nog een agrarische bestemming met archeologische dubbelbestemming (lage verwachtingswaarde). Voordat de nieuwe woonwijk kan worden gerealiseerd moet eerst het bestemmingsplan worden aangepast. Dit brengt 71400

Legenda

B L

verstoord ] laag, verwachte waarde

DT ] middelhoog, verwachte waarde i hoog, verwachte waarde

4. Onderzoeksgebied (blauw=proefsleuven) en plangebied Leesten-Schouwbroek (rood omlijnd) geprojecteerd op de archeologische waarden- en beleidskaart van de gemeente Zutphen (6-6-2023). 10

verschillende procedures met zich mee waaronder archeologisch onderzoek. Op de gemeentelijke archeologische waarden- en beleidskaart heeft het plan-

gebied Leesten Schouwbroek een lage verwachtingswaarde (afb. 4).’ Hiervoor geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 10.000 m? en dieper dan 0,5 meter vanaf het maaiveld (straat/terreinniveau). De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ruim 21,2 hectare, waarbij bij de voorgenomen bouw van vierhonderd woningen bodemingrepen dieper dan 0,5 meter nodig zullen zijn. Ook in de niet te bebouwen groene zones vinden mogelijk diverse graafwerkzaamheden plaats voor de aanleg van wadi’s, natuur en parkzone. Vanwege de oppervlakte en diepte van de te verwachten bodemingrepen bij de aanleg van de nieuwe wijk Leesten Schouwbroek is (verder) archeologisch onderzoek noodzakelijk. Binnen het plangebied Leesten Schouwbroek zijn in het verleden al diverse ar-

7000

714700

7400

714600

1610 0

E

16080

TRB

16060

o0sr

10 0 250m

214000

714200

714400

BEd

3. Plangebied Leesten-Schouwbroek (rood ormlijnd) geprojecteerd op kaartbijlage 2 bij RAAP-rapport 342 met de resultaten van het bureauonderzoek, eldkartering en booronderzoek in 1997-98

(Marinelli 1998). De hoogtekaart geeft het reliëf van het maaiveld in 1998 weer. 2Archeologische beleidskaart Zutphen, versie 6 juni 2023. 11

cheologische onderzoeken gedaan. In 1997-98 is in kader van van de bouwplannen voor Leesten Oost (Looërenk ) door RAAP een archeologisch bureauon-

derzoek, een veldkartering en een booronderzoek uitgevoerd.’ De focus bij dit onderzoek lag op de Looërenk, maar ook het oostelijk hiervan gelegen plangebied is meegenomen. Bij het booronderzoek zijn twee boorraaien gezet die overlappen met het zuidelijke deel van plangebied Schouwbroek (afb. 5).* Tussen 2000 en 2002 is als een vervolg op het bureau- en booronderzoek een archeologisch proefsleuvenonderzoek en opgraving uitgevoerd door BAAC/ gemeente Zutphen. Hierbij isin 2002 een klein deel van het plangebied Leesten Schouwbroek onderzocht waarbij het onderzoek zich beperkte zich tot vijf proefsleuven en een oppervlaktekartering in het zuidwestelijke deel van het plangebied (afb. 6-7).

6.Allesporenkaart van het tussen 2000 en 2002 uitgeroerde proefsleuwenonderzoek en opgraving op de Looërenk (Bouwmeester et al. 2008). Met rode lijn is plangebied Schouwbroek weergegeven. 3Marinelli 1998.

4Marinelli 1998, kaartbijlage 1-3 (boring 326-337). 5 Bouwmeester et al. 2008, 26: afb. 1.13 (project LOO’02, proefsleufnummers 203-206, 212). 12

7420 T

740

160180

n

085097

1040

50m n

714240

l

7214280

7. Detail allesporenkaart van het Looërenkonderzoek met de proefsleuven uit 2002 die overlappen me het plangebied Leesten Schouwbroek (rode lijn). De postmiddeleeuwse bosbouwgreppels/kuilen zijn donkergroen weergegeven (naar Bouwmeester et al. 2008).

Op basis van het eerdere archeologische onderzoek had het plangebied Leesten Schouwbroek een lage archeologische verwachtingswaarde. Het grootste deel van het plangebied was tot 2023 echter nog niet onderzocht door middel van een inventariserend veldonderzoek (boringen/ proefsleuven). De gemeente Zutphen had de wens om zoveel mogelijk aan het begin van de planontwikkdeling aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren om zo archeologische vindplaatsen vroegtijdig op te sporen en te waarderen. Er is hierbij gekozen voor een archeologisch proefsleuvenonderzoek. Eventuele behoudenswaardige archeologische vindplaatsen die bij dit proefsleuvenonderzoek aan het licht komen, worden geïntegreerd in de nieuwbouwplannen en de verdere inrichting van de woonwijk. Waar dit niet mogelijk is kunnen de resten door middel van een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving alsnog veiliggesteld worden als een vorm van behoud ex situ. Onderhavig onderzoek vormt hier de spil in: een proefsleuvenonderzoek waarbij zowel het landschap als de archeologische resten goed in beeld worden gebracht.

2.2 Gespecificeerde archeologische verwachtingsmodel In hoofdstuk 4 van het Programma van Eisen ‘Schouwbroek - Proefsleuvenonderzoek (IVO-P)’ (Van Dalfsen 2023) is een gespecificeerde archeologische

13

verwachting opgesteld die hieronder wordt besproken. Landschappelijk gezien behoort het plangebied tot de relatief laaggelegen rivierterrasvlakte die zo’n 13.000 jaar geleden is ontstaan in het Laatglaciaal, aan het einde van het Weichselien (laatste ijstijd). De pleistocene afzettingen bestaan vooral uit fijn, zwak lemig zand, Het gebied wordt gekenmerkt door relatief hoge grondwaterstanden en daarbij behorende natte en vochtige bodems (beekeerdgronden en vlakvaaggronden). Met eerder archeologisch onderzoek op de aangrenzende Looërenk zijn bewoningsresten uit uiteenlopende perioden vooral aangetroffen op de hoger gelegen dekzandruggen. De lage ligging van plangebied Leesten Schouwbroek, waarvan het maaiveld ten opzichte van de

214000

Legenda O Plangebied Leesten-Schouwbroek 1

Proefsleuven

&

Gebouw

CE Hooiberg

214400

1

Pad (1844/45)

COEf

T

Tuin

E E

Boomgaard Bos

TT Heide EE Kerkelijk

E C

Water Wegen

IE Nattegronden

CT Weiland

E Bouwland

8. Landgebruik en kadastrale situatie in 1832 met boerderij- en veldnamen. Naar Maas et al. 1991 en HisGIS Gelderland. 6Programma van Eisen ‘Schouwbroek - Proefsleuvenonderzoek (IVO-P) (Van Dalfsen 2023), op 7-6-2023 goedgekeurd door de bevoegde overheid. 14

Looërenk gemiddeld anderhalve meter lager ligt, deed daarom vermoeden dat zich hier weinig tot geen nederzettingsresten bevinden en heeft daarom op de archeologische waardenkaart een lage archeologische verwachting gekregen. De vrij lage ligging van het plangebied is ook af te leiden uit historische veldnamen zoals Lege Weie (lage weide), terwijl akkernamen juist ontbreken (afb. 8). De lage ligging blijkt ook duidelijk uit de naam Rouwbroek van de laatmiddeleeuwse boerderij even ten oosten van het plangebied. Deze boerderijnaam is een samentrekking van Rouw (met ruige begroeiing) en Broek (nat en drassig terrein).

Waarschijnlijk is het betrekkelijk laag gelegen terrein van Leesten Schouwbroek

9. Plangebied Leesten Schouwbroek (rood omlijnd) bij benadering geprojecteerd op de vrij nauwkeurige inundatiekaart wit 1779-1801 door Hottinger, Smedeken en Bercken. Met een ‘blauwe groene couleur’ zijn de gebieden aangeven die in december 1779 na de overstroming van de IJsel onder water tonden. Nationaal Archief, NL-HaNA_4.OSPV_Z3_DICHT.

15

u

dV

n

u

OePE«: aenEmoE8egeDesosntenos|«woEmaaen yoz

eovm EN 7

E3

o

eoEmIep aeEmop PZeazmop

TpeEAo

0 004703 oo

10. Boorprofielraai A-A’ van het onderzoek in 1998 door RAAP De boringen binnen het plangebied Leesten Schouwbroek zijn rood omcirkeld. Marinelli 1998, 20 (fig. 3). 16

pas n de late middeleeuwen ontgonnen. De middeleeuwse verkaveling lijkt in essentie te hebben

voortbestaan

tot in het derde

kwart

van de 20° eeuw.

Uit

historisch kaartmateriaal zoals de kaart van Hottinger, Smedeken en Berken (1779-1801) en de kadastrale minuutplan (1832) blijken vrijwel alle pereelen binnen het plangebied in de 18° en 19° eeuw in gebruik te zijn geweest als weiland en (aangeplant) bos (afb. 8-9). Bij het proefsleuvenonderzoek in 2002 bleek dat bij deze bospercelen eventuele oudere sporen bij de aanleg van de diepe bos-

bouwgreppels en -kuilen vrijwel volledig zijn vergraven (afb. 7).’ Bij de overige percelen zijn de conserveringsomstandigheden gunstiger. Aangezien een afdekkende esdeklaag ontbreekt kunnen recente bodemverstorende activiteiten zoals ploegen echter archeologische sporen- en vondstenniveaus hebben aangetast. De oudste archeologische resten zijn te verwachten in mogelijk aanwezige vennen en hebben betrekking op activiteiten van de jagers- verzamelaars uit het (midden-)mesolithicum. Tevens zijn ter hoogte van deze vennen sporen van waterkuilen en drenkkuilen te verwachten uit latere perioden. Vanaf de (late) middeleeuwen kunnen perceelstructuren verwacht worden, greppels en sloten waarmee percelen van elkaar werden gescheiden en waarmee de waterhuishouding werd gereguleerd. Deze structuren zijn eeuwen lang bewaard gebleven n ook nu nog op luchtfoto’s en als hoogteverschillen soms in het landschap te herkennen. Daarnaast kunnen sporen van infrastructuur en Jandgebruik aangetroffen worden, zoals het aanleggen van wegen, al dan niet met houten paaltjes, maar ook het aanleggen en inrichten van houthakbosjes (veelal op rillen om de bomen iets hoger en droger in het natte landschap te plaatsen). Voor de in het Programma van Eisen vooraf vastgelegde archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen zijn de boringen van RAAP uit 1998 geraadpleegd (afb. 5 en 10).

In de boringen was een geroerde toplaag te zien van 30 tot 40 cm dik bestaande uit zand. Deze is bestempeld als bouwvoor en in een enkel geval was deze ook humeus, maar hier is geen esdek of plaggendek herkent. Eronder lijkt bij twee boringen sprake van een dekzandrugje of heuveltje van enkele decimeters dik. Daaronder zijn de pleistocene rivierafzettingen aangetroffen. De vondstlagen werden verwacht direct onder de bouwvoor. Uitgaande van het vooronderzoek zou dit op een diepte van circa 50 em zijn.

al.

2008,

367-370

8 Marinelli 1998, 20 (fig. 3: boringen 326-331)en 24 (Îg. 6: boringen 332-337). 17

2.3 Doel- en vraagstelling In het door de bevoegde overheid goedgekeurde Programma van Eisen‘Schouwbroek - Proefsleuvenonderzoek (IVO-P)’ (Van Dalfsen 2023) staan onderstaan-

de doel- en vraagstellingen voor het proefsleuvenonderzoek beschreven.? 2.3.1 Doelstelling Het primaire doel van het proefsleuvenonderzoek is het opsporen en waarderen van archeologische vindplaatsen om op basis hiervan een onderbouwd selectieadvies te geven. Eventuele behoudenswaardige vindplaatsen kunnen hierbij in situ worden behouden door planaanpassing, of - als dit niet mogelijk is - worden opgegraven als een vorm van behoud ex situ. Een secundair doel van dit onderzoek is het begrijpen van het landschap. Hoe is dit gevormd en welke relatie heeft het door de eeuwen heen gehad met het naastgelegen Looërenk? 2.3.2Vraagstelling De vraagstelling is op te splitsen in twee onderwerpen: 1. Hoe is het landschap gevormd en welke Jandschapselementen zijn er in het plangebied aanwezig? 2. Welke archeologische vindplaatsen zijn er in het plangebied aanwezig en hoe verhouden deze zich tot bekende nederzettingsterreinen en boerderijen in de omgeving?

2.3.3 Onderzoeksvragen Landschap

1. Hoe is het landschap gevormd? 2. Welke elementen zijn e in het landschap te onderscheiden? 3. Hoe is het reliëf van het landschap, uitgaande van de top van de C-horizont? 4. Hoe verhoudt zich dit tot het reliëf van het oude landschap op de Looërenk? Integreer dit tot één kaartbeeld S. Zijn er vennen en andere natuurlijke laagtes in het plangebied aanwezig? Zo ja, wat is de vulling van deze vennen? Zijn hier meerdere fasen/periodes in te herkennen?

Hoe

dateren die?

6. Hoe is het landschap begroeid geweest door de eeuwen heen? Wat is de ontwikkeling van de natuurlijke begroeiing? Vanaf welk moment komen cultuurgewassen in beeld? Hoe

ontwikkelen

deze zich?

7. Hoe is het landschap door de eeuwen heen gebruikt? Welke ontwikkelingen zijn hierin te herleiden? Welke sporen heeft dit gebruik in het landschap achter gelaten? 8. Wat is de grondwaterstand door de eeuwen heen geweest? s het terrein altijd laag en nat geweest of zijn er fluctuaties waar te nemen? Wat zijn de nattere en drogere perioden geweest? Hoe dateren die? Menselijke sporen

1. Zijn er archeologische resten in het plangebied aanwezig? Zo ja, hoe dateren 9 Programma van Eisen ‘Schouwbroek - Proefsleuvenonderzoek (IVO-P)’

op 7-6-2023 goedgekeurd door de bevoegde overheid. 18

(Van Dalfsen 2023),

deze?

2. Wat is de aard, omvang, datering, gaafheid en conservering van de vindplaatsen?

3. Hoe is het landschap door de eeuwen heen gebruikt? Welke ontwikkelingen zijn hierin te herleiden? Welke sporen heeft dit gebruik in het landschap achter gelaten? 4. Zijn er bewoningsporen in het plangebied aanwezig? Zo ja, waar bestaan deze uit?

5. Zijn er (rituele) deposities in het plangebied aanwezig? Zo ja, waar bestaan deze uit? Hoe

dateren deze?

6. Hoe sluiten de archeologische sporen aan op de naastgelegen vindplaatsen? 7. Welke sporen zijn er in vennen zichtbaar? Hoe verhouden die zich tot de stratigrafie van de vennen? 8. Hoe passen de resultaten van dit onderzoek binnen de onderzoeksresultaten van de afgelopen 30 jaar onderzoek in Leesten en Eme? 9. Zijn er sporen uit de WOIL periode aanwezig (defensiestructuren, mobiele vondsten) en wat zeggen de structuren en/of vondsten over de aard van de defensie en strijd? Overig

1. Zijn er naast de hierboven beschreven archeologische resten nog andere archeologische resten in het onderzoeksgebied aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang, datering, conservering en kwaliteit van deze resten?

2.4 Onderzoeksmethodiek en afwijkingen t.o.v. het PvE/PvA Het archeologisch proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd door Team Archeologie van de gemeente Zutphen conform protocol 4003 (Inventariserend Veldonderzoek - Proefsleuven) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA,

versie 4.1).'° Gedurende het onderzoek moest op twee momenten worden afgeweken van het Programma van Eisen en het daaruit voortkomende Plan van Aanpak. Deze wijzigingen zijn vastgelegd in mutatieformuleren en goedgekeurd door het bevoegd gezag,' Verspreid over het plangebied zijn in totaal 87 proefsleuven aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van 9643 m’, ofwel 5,1% van het plangebied dat voor onderzoek toegankelijk was (afb, 11). Het veldwerk zou met tussenpozen een klein jaar in beslag nemen. In oktober 2023 moest het proefsleuvenonderzoek noodgedwongen voor langere tijd worden gestaakt doordat hevige regen en een hoge grondwaterstand het werk onmogelijk maakte Pas in mei 2024 kon het onderzoek worden hervat. In overleg met de pachters is daarbij het onderzoek gefaseerd uitgevoerd. In september 2024 is het veldwerk afgerond en zijn de resultaten daarna verwerkt tot dit rapport. De aanleg van de sleuven is uitgevoerd volgens de bij Team Archeologie gebruikelijke werkwijze (afb. 12). Hierbij is de sleuf onder begeleiding van een 10G

te Zutphen (Team Archeologie)

is gecertificeerd op basis van de BRL SIKB 4000

voor KNA protocol 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems) - onderdeel Proefsleuven en KNÀ protocol 4004 Opgraven (landbodems) d door het bev 11 Mutatieformulier Afwijking PvE/PvA (protocol #003 - IVO-P) goedge

oegd g

ag op respectievelijk 19 oktober 2023 en $ april 2024 19

214600

Legenda E B

Plangebied Leesten-Schouwbroek

B

Proefsleuf (fase 1:26-9-2023 t/m 16-10-2023) Procfsleuf (fase 2: 19-10-2023 t/m 24-10-2023)

B Proefsleuf (fase 4: 2-9-2024 /m TE Putnummer

Proefsleul (fase 3: 14-5-2024 /m 21-5-2024) 10-9-2024)

11 Plangebied Leesten Schouwbroek en aangelegde proefsleuven per onderzoeksfase geprojecteerd op een luchtfoto uit voorjaar 2023 (Slagboom en Peeters Luchtfotografie).

20

senior KNA Archcoloog tot het sporenniveau laagsgewijs verdiept met behulp van een (rups)kraan met gladde bak (afb. 12). Het vlak is daarbij waar nodig handmatig opgeschaafd en aangekrast en daarna gefotografeerd, ingemeten met 06-GPS (afb. 13) en beschreven in de Odile projectdatabase. Een representatieve selectie van de sporen is gecoupeerd, gefotografeerd, getekend (schaal 1:20), beschreven en soms ook verder afgewerkt. Eventuele vondsten zijn zoveel mogelijk stratigrafisch verzameld en daarbij toegekend aan lagen of sporen. Bij het onderzoek heeft intensieve metaaldetectie plaatsgevonden, ook buiten de proefsleuven, waarbij veel (metaal)vondsten met 06-GPS als puntvondst zijn ingemeten.

Om inzicht te krijgen in de bodemopbouw zijn van iedere proefsleuf meerdere profielkolommen afgestoken en/of een lengteprofiel (afb. 14-15). Het uitgangs-

12-15. Foro's van een deel de werkzaamheden in het veld: machinale aanleg van het vlak (linksboven), inmeten sporen met O6-GPS (rechtsboven), afsteken van profielkolom (linksonder) en tekenen van putprofiel (echtsonder).

21

punt was om deze profielkolommen in te meten met 06-GPS en daarna te fotograferen, te tekenen (schaal 1:20) en beschrijven in de Odile-projectdatabase. In veel gevallen bleek de bodemopbouw echter beperkt tot een AC-horizont bestaande uit de recente bouwvoor en direct daaronder de natuurlijke pleistocene ondergrond. In die gevallen is meestal alleen met 06-GPS de top van de C-horizont ingemeten ten behoeve het reconstrueren van het natuurlijke reliëf. Bij het onderzoek zijn 1261 spoornummers uitgedeeld. De sporen hadden daarbij een doorlopende spoornummering. Bij natuurlijke lagen is voor het spoornummer daarentegen steeds gebruik gemaakt van het putnummer gevolgd door een duizendtal. Zo heeft de natuurlijke ondergrond in bijvoorbeeld werkput 17 het spoornummer $17000 gekregen. De recente bouwvoor kreeg het spoornummer 999 voorafgegaan aan het putnummer, bijvoorbeeld $17999 voor werkput 17. De eerste fase van het proefsleuvenonderzoek richtte zich op het weiland in het noordelijke deel van het plangebied. Tussen 26 september en 16 oktober 2023 zijn hier 15 proefsleuven aangelegd. Deze proefsleuwen zijn ongeveer de 2 meter breed en hebben een variabele lengte tot meer dan 250 (!) meter. Deze haaks op elkaar gelegen lange sleuven vormen letterlijk een doorsnede van het landschap en de archeologische resten die zich hierin bevinden.

In oktober werden de werkzaamheden echter bemoeilijkt door hevige regen en een hoge grondwaterstand. Doordat de proefsleuven elkaar doorsneden had het water de ‘neiging naar het laagste punt te lopen. Hierdoor zijn werkput 12 en 15 onder water komen te staan nog voordat zij helemaal waren ingemeten met GPS (afb. 16). Voor deze proefsleuven zijn de sporen achteraf op basis van de vlakfoto’s bij benadering toegevoegd aan de alle-sporen-kaart (bijlage 1).

16. Proefsleuven in het weiland (fase 1) die na heftige regen tor de rand zijn volgelopen met water. Op de achtergrond de Leestense Rondweg (N314) en aan de andere zijde van de weg manege/ hoere ‘t Nijkamp.

22

De tweede fase van het onderzoek ging 19 oktober 2023 van start en richtte zich op de maïsakker in het zuidelijke deel van het plangebied. In afwijking van het oorspronkelijke puttenplan is hier gebruik gemaakt van proefsleuven van standaard 25 tot 50 meter lang en 2 meter breed die in een regelmatig ‘hagelslagpatroon’ zijn aangelegd. Door de meer gelijkmatige verspreiding van de proefsleuven is met dezelfde dekkingsgraad de kans op het aantreffen van

archeologische vindplaatsen gemaximaliseerd.'” Bijkomend voordeel van deze kortere sleuven was dat zij - met stevig doorwerken - nog net gedocumenteerd konden worden, voordat zij door regenval en opkomend grondwater onder water liepen. Desondanks moest het veldwerk al na vijf dagen worden gestaakt, omdat het terrein in de tussentijd zo drassig was geworden dat het zelfs voor de

17. De drassige maïsakker bij aanvang van fase 2 van het proefsleuvenonderzoek. Op achtergrond de Leestense Rondweg (N314) de hoogspanningsmast op een iets hoger deel van de akker.

12Vgl. Borsboom en Verhagen 2009 23

rupskraan niet meer begaanbaar was (afb. 17). De wateroverlast was dermate ernstig dat enkele proefsleuven die nog open lagen bijna tot aan de rand waren volgelopen met water en daardoor niet meer konden worden dichtgedraaid. In afwijking van de oorspronkelijke planning moest het veldwerk uiteindelijk enkele maanden worden stil gelegd. In overleg met de opdrachtgever (gemeente Zutphen) en de pachters is het vervolg gefaseerd uitgevoerd. Pas op 14 mei 2024 konden de werkzaamheden worden hervat (fase 3). In deze fase van het onderzoek is de westelijke helft van de maïsakker onderzocht. De-

len van het terrein waren nog steeds drassig, Bij werkput 48 kon daardoor alleen een zuidelijk deel worden aangelegd. Om hier toch een indruk te krijgen van de bodemopbouw is nog wel cen boring gezet (bijlage 2). De verwachting was dat in ter plekke een vennetje zat, maar uit de boring bleck dat dit niet geval was. In werkput 56 werd wel depressie met een venig gyttja-vulling aangetrof-

fen’° Aanvankelijk werd aangenomen dat het een natuurlijk ven betrof, mogelijk uit de late prchistorie. Om dit mogelijke ven te kunnen begrenzen zijn haaks op werkput 56 twee extra proefsleuven aangelegd (WP86-87). Om inzicht te krijgen in de doorsnede van dit mogelijke ven is van werkput 56 het volledige oostprofiel afgestoken, gefotografeerd, getekend en bemonsterd voor botanisch onderzoek in combinatie met daterend '*C-onderzoek (afb. 15). Uiteindelijk

bleek het niet te gaan om een natuurlijk ven, maar om een uitgegraven drenkkuil (zoepekolk) uit de late 17° of 18° ecuw Tussen 2 en 10 september 2024 is tot slot de oostelijke helft van de maïsakker verder onderzocht (fase #). Voor dit deel van het terrein golden beperkingen in verband met de aanwezigheid van een hoogspanningsmast en twee hoofdgasleidingen (hogedruk). Vooraf is het gasleidingstracé door de Gasunie uitgezet met piketten. In deze zone mocht absoluut niet gegraven worden: met de aanleg van de sleuwen is hierbij cen ruime buffer aangchouden. Gelukkig waren de werkomstandigheden in september goed: vrijwel geen neerslag en een betrekkelijk lage grondwaterstand. De werkwijze in het veld was gelijk aan eerdere fasen van het onderzoek, behalve dat nu met een mobiele bandenkraan in plaats van cen rupskraan kon worden gewerkt.

13 Gyttja is

een organische afzetting bestaande uit resten van micro-organismen die leven in

stilstaand, voedselrijk water. Huisman 2023, 222

24

3 Resultaten van het proefsleuvenonderzoek De vooraf geformuleerde onderzoeksvragen (par. 2.3) worden in de lopende tekst met resultaten van het proefsleuvenonderzoek besproken. Hierbij wordt primair ingegaan op twee zaken. Enerzijds hoe het landschap is gevormd en welke landschapselementen er in het plangebied aanwezig zijn en anderzijds welke archeologische vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn en hoe deze zich verhouden tot bekende nederzettingsterreinen en boerderijen in de omgeving Van de tien vindplaatsen die bij het proefsleuvenonderzoek aan het licht zijn gekomen wordt conform specificatie VS05 Opstellen standaardrapport IVO - O/P een catalogus gegeven met een beschrijving van locatie, complextype, datering en diepteligging. De door BIAX uitgevoerde specialistische deelrapporten zijn integraal opgenomen als bijlage 6 (pollen en macroresten) en bijlage 7 (hout). De waardestelling van de vindplaatsen wordt in hoofdstuk 4 behandeld. Het hieruit voortkomende selectieadvies staat in hoofdstuk 5 toegelicht.

3.1 Landschap en landgebruik Landschappelijk gezien behoort het plangebied tot de relatief laaggelegen rivierterrasvlakte die zo’n 13.000 jaar geleden is ontstaan in het Laatglaciaal, aan het einde van het Weichselien (laatste ijstijd). '* In deze periode verlegde de Rijn zich naar het westen, maar bleef een voorloper van de IJssel als vlechtende rivier door het gebied lopen.'*

95

al uit fijn, zwak lemig zand met soms wat grind. In het oostelijke deel van het plangebied zijn circa 20 centimeter onder de top van de pleistocene rivierafzettingen enkele platte stenen waargenomen en als puntvondst ingemeten (afb. 18).' Zoals met het proefsleuvenonderzoek is ondervonden, wordt het gebied gekenmerkt door relatief hoge grondwaterstanden en daarbij behorende natte en vochtige bodems (beekeerdgronden en vlakvaaggronden), ALleen lichte verhogingen in het noordelijke

109 e

deel van het plangebied - en dan met name in de westelijke randzone - lijken de pleisto-

4

cene rivierafzettingen plaatselijk te zijn afge-

18- Twee platte zwerfkeien uit pleistocene rivierafzertingen (Laat- dekt met jonge dekzanden. Het gaat waarglaciaal}: kwartsiet met pyrietgaatjes (vr. 95) en zandsteen (vnr. 109)

schijnlijk om zandverstuivingen die hebben plaatsgevonden tijdens koude perioden

14 Marinelli 1998, 12.

15 Langeveld & Fermin 2008, 31. 16Vnr. 95 (WP23: 7,58 m +NAP), var. 109 (WP40: +NAP), vnr. 111 (WP40: 7,57 m_NAP).

7,59 m +NAP), var, 110 (WP40: 7,73 m

25

713900

OLIsF

o sosr

0 5095

o zosr 213900

214500

19. Plangebied Leesten-Schouwbroek (rood omlijnd) en proefsleuven (zwart omlijnd) geprojecteerd op paleoreliëfkaart op basis van de waargenomen hoogtes van de top van de C-horizont.

in het Laatglaciaal. In deze koude perioden was de begroeiing schaars en had de wind vrij spel. Hoge dekzandruggen en -koppen, zoals bij de naastgelegen

Looërenk,’ ontbreken echter in het plangebied. Bij het booronderzoek in 1998 is in het zuidelijke deel van het plangebied een lichte verhoging in het landschap geïnterpreteerd als een kleine dekzandrug. In de twee boringen ter hoogte van deze verhoging (boring 328 en 329) ontbreekt pleistoceen rivierzand en zou de ‘natuurlijke C-horizont bestaan uit dekzand (afb. 5 en afb. 10).'* Deze interpretatie is waarschijnlijk onjuist: beide boringen zitten precies in het tracé van de in 1970-71 aangelegde gasleidingen. Het als dekzand geïnterpreteerde pakket is waarschijnlijk geel zand uit de Jeidingensleuf, waarbij met de boringen de gasleidingen nét niet geraakt zijn… Bij het proefsleuvenonderzoek in 2023-24 is de waargenomen top van de C-horizont systematisch ingemeten met 06-GPS en een enkele keer achteraf bepaald aan de hand van profielen en/of vlakken. In totaal zijn op deze manier gelijkmatig verspreid over het plangebied 530 hoogtemetingen verricht die tezamen met eerdere metingen een indruk geven van het reliëf van het pleistocene landschap dat hier verder wordt aangeduid als het ‘paleoreli ’. Van de eerdere hoogtemetingen ontbraken overigens de gegevens van het grootschalige Looërenkonderzoek (1998-2003). Eerder zijn reconstructiekaarten gepubliceerd van 17Langeveld & Fermin 2008, 31.

Het rivierduin van de Looërenk is gevormd in het jonge

Dryas een koude periode in het Laatglaciaal 18 Marinelli 1998, 20, 21 (fguur 3) en kaartbijlage 2 26

o sToF

o0orsF

0 s0oF

0 0 9F 25

.… 213500

214000

214500

e

215000

20. Paleoreliëfkaart op basis van top-C hoogte geprojecteerd op kaart van Hottinger, Smedeken en Bercken uit 1779-1801. Het plangebied Leesten-Schouwbroek is met een rode lijn aangeduid.

het paleoreliëf op basis van de boringen van RAAP (1998) en aan de hand van waarnemingen van de schone ondergrond in de proefsleuven en opgravingsput-

ten van BAAC/ gemeente Zutphen (2000-2003).'° Helaas zijn de achterliggende data niet overgeleverd. Om toch een meer compleet en betrouwbaar beeld te 19 Marinelli 1998, kaartbijlage 3; Langeveld & Fermin 2008, 36 (afb. 2.3). 27

krijgen van het paleoreliëf zijn 507 waarnemingen van het Looërenk-onderzoek achterhaald aan de hand van een selectie van de originele vlaktekeningen die

zich in het Regionaal Archief Zutphen bevinden.” In QGIS is vervolgens het puntenbestand met top-C waarnemingen aangevuld met die van Schouwbroek en de Looërenk en met behulp van ‘Nearest Neighbor Interpolation’ verwerkt tot een ‘Digital Elevation Model’ (DEM) dat de basis vormt van het nieuwe kaartbeelden van het paleoreliëf (afb. 19-20). In het plangebied heeft de top van de C-horizont een gemiddelde hoogte van 7,75 m +NAP. Bij de naastgelegen Looërenk zit de pleistocene ondergrond zo’n 1,5 meter hoger. De Looërenk wordt gekenmerkt door een geaceidenteerd paleoreliëf met hoge dekzandkoppen en enkele diepe laagtes met vennetjes, waarbij de hoogte varieert tu: 6,20 m en 9,89 m +NAP. Bij Schouwbroek zijn de onderlinge hoogteverschil-

n

len een stuk minder en schommelen voornamelijk tussen de 7,50 en 8,00 m

+NAP. (afb, 19). Op de paleoreliëfkaart is goed te zien dat plangebied Schouwbroek onderdeel uitmaakt van een relatief laaggelegen rivierterrasvlakte. Als historisch kaartmateriaal wordt gecombineerd met de paleoreliëfkaart dan is duidelijk zichtbaar dat met de inrichting van het landschap (verkaveling, wegen, landgebruik) rekening is gehouden met de hoogteverschillen die grotendeels dus nog teruggaan tot de laatste ijstijd (afb. 20). De Looërenk met zijn hoger gelegen dekzandruggen is vanaf de volle middeleeuwen onafgebroken gebruikt als akkergrond en door plaggenbemesting geleidelijk opgehoogd met een es-

dek waarbij lokale hoogteverschillen teniet werden gedaan.”! Het plangebied Schouwbroek lijkt te behoren tot de relatief laaggelegen weides en bospercelen bij de gelijknamige boerderij ‘t Rouwbroek. Deze boerderijnaam is een samentrekking van Rouw (met ruige begroeiing) en Broek (nat en drassig terrein). De grote laagte ten zuiden van de Looërenk staat vanaf de late middeleeuwen bekend als de Leestense Broek en is als drassig heideveld niet in cultuur gebracht. Op de paleoreliëfkaart is verder het beekdal van de Ooyerhoekse Laak en de Werkense Beek duidelijk zichtbaar.

Binnen plangebied Schouwbroek bevindt het hoogtste punt (8,46 m +NAP) zich in het meeste westelijke deel van WP15, even ten noorden van boerderij

Schouwbroek, Hier i nog net de steilrand van de hoger gelegen dekzandrug aangesneden die naar het oosten toe zo’n halve meter naar beneden duikt. Enkele lichte verhogingen tot ca. 8,15 m+NAP blijven beperkt tot het noordelijke deel van het plangebied. Mogelijk gaat het hier om lage dekzandkopjes, hoewel in het veld het onderscheid tussen dekzand en ondergelegen pleistocene rivierafzettingen niet goed kon worden gemaakt. Het Jaagste punt bevindt zich in WPS6 op het perceel dat vroeger bekend stond als ‘Lege Weie’, ofwel Lage Weide (alb 8). Hier ligt een betrekkelijk diepe depressie waarvan de top van de pleistocene ondergrond op 1,29 meter onder het gemiddelde zit. Aanvankelijk werd aangenomen dat het een prchistorisch vennetje (S647) betrof, mede ook ingegeven door een nabijgelegen oppervlaktevondst van een stuk bewerkt vuursteen uit vermoedelijk het midden-mesolithicum (afb. 21).?? Pas in een later on20 Het verdient aanbeveling om dit beeld verder aan te vullen met de overige waarnemingen

van de C-horizont in de proefsleuven en opgravingsputten van het Looërenk-onderzoek (20002003)

21 Langeveld & Fermin 2008, 6

28

22Vnr: 92

(S18999), oppervlaktevondst ten zuidoosten van WP18, ca. 2

S647

WPS6

in

ter

ten zuiden

van

:

=

21. Fragment van een vuurstenen _ 22. Actiefoto van het afsteken van het lengteprofiel over de postmiddel-

Kling direct na ontdekking, opper- _ eeuwse drenkkuil (S647). Aanvankelijk werd aangenomen dat dit een prevlaktevondst ten zuidoosten van _ historisch vennetje betrof. WPIS (vnr. 92).

derzoeksstadium werd duidelijk dat deze laagte door mensen (verder) moet zijn uitgegraven om te gebruiken als drenkkuil, of ‘zoepekolk’ in goed Achterhoeks (afb. 22) (vindplaats 4). Op basis van de '*C-dateringen blijkt dat deze drenkkuil (647) waarschijnlijk pas n rond het midden van de 17° of in de 18° ceuw is uitgegraven (bijlage 8).2° Waarschijnlijk is de drenkkuil al begin 19e eeuw gedempt. Op luchtfoto’s vanaf 1945 is de drenkkuil in ieder geval niet meer zichtbaar. De venige gyttjavullingen zijn bemonsterd voor specialistisch onderzoek naar pollen en botanische macroresten. Gyttja is een organische afzetting bestaande uit resten van micro-organismen die leven in stilstaand, voedselrijk water.?* Op basis van een eerste inventarisatie en waardering van deze monsters door specialisten van BIAX Consult kunnen al de eerste uitspraken worden gedaan over de begroeiing van het landschap in de 17° en/of 18° ecuw (bijlage 6). De onderste vulling van de drenkkuil (vulling 4 is zeer rijk aan goed tot uitstekend geconserveerde pollen, sporen en botanische macroresten. Onder de pollen gaat het voornamelijk om graslandplanten waaronder een niet alledaagse vondst van gewone vleugeltjesbloem. Ook pollen van cultuurgewassen zijn duidelijk aanwezig. Het gaat hierbij om granen - en dan met name rogge en gerst/ tarwe - naast pollen van boekweit en vlas.

Onder de botanische macroresten bevinden zich verder gierst en braam die mogelijk als gebruiksgewassen mogen worden opgevat. Alleen al op basis van de aangetroffen pollen van rogge, boekweit en korenbloem is duidelijk dat de drenkkuil niet voor de (late) mid-

deleeuwen kan dateren”* In de jongere vullingen van de drenkkuil (vulling 3 en 2 domineren pollen van graslantplanten naast graan en dan met name rogge dat vermoedelijk op nabijgelegen akkers op de Loöerenk en bij boerderijen Groot Graffel, ‘t Rouwbroek en Eijerkamp is verbouwd. Opvallend is het lage percentage boompollen (ca. 10%), dat daarmee lijkt te wijzen op een einddatering in het laatste kwart van de 18° eeuw. Op historisch kaartmateriaal vanaf 1779-

1801 is het weideperceel met de drenkkuil namelijk omgeven door uitgestrekte percelen met aangeplant bos, naast smalle percelen met akkermaalsbos (afb. 23 C-datering:

215 + 30 BP, 1641-1688 (33,8%),

Een 20°-eeuwse dateringis op basis van archeolo,

1730-1807

(52,3' 96 of 1925-heden (9,4%).

che gronden echter vrijwel

uitgesloten.

24 Huisman 2023, 222

25Verbruggen 2024 $ 29

8-9). Laatstgenoemde bossen vormden heggen met eikenhakhout en werden gebruikt als afscheiding van percelen. Het eikenhout werd om de 7 à 12 jaar gekapt, vooral voor de barst die vooral werd gebruikt om run te vervaardi-

gen dat door leerlooiers werd gebruikt bij het looien van huiden.’® De overige bospercelen zijn aanvankelijk waarschijnlijk ook beplant met eik (als eikenhakhout en wellicht ook voor timmerhout) naast boomsoorten als els en wilg die het beter op deze natte gronden doen. Het planten van naaldhout zal op basis van historisch onderzoek

niet voor het laatste kwart

van de

18° eeuw

hebben

plaatsgevonden.” De jongste vulling van de drenkkuil bevat zeer veel resten van mestschimmels ongetwijfeld afkomstig van het vee dat uit deze drenkkuil dronk en waarvan de aanwezigheid is waargenomen in de vorm van een vertrapte randzone van de drenkkuil. Verder opvallend aan de jongste fase is de toename van pollen van het gerst/tarwe-type ten opzichte van rogge zoals bij de oudere vullingen. Verder lijkt het aandeel boompollen (eik) in de laatste fase wat hoger en is wellicht verbonden aan de aanplant van (akkermaals)bos in de 17° of (vroege) 18° eeuw.

Het plangebied Schouwbroek is al vanaf het Laatglaciaal een betrekkelijk laag en vrij nat terrein geweest. Toch zijn er door de eeuwen heen waarschijnlijk wel fluctuaties geweest in de grondwaterstand. Vanaf de late middeleeuwen zijn meerdere pogingen - met wisselend succes - ondernomen om het gebied beter af te wateren en als cultuurgrond in gebruik te nemen. Diverse met het proefsleuvenonderzoek aangetroffen sloten gaan in oorsprong waarschijnlijk terug tot de laatmiddeleeuwse verkaveling Waar het gebied aanvankelijk nog voornamelijk drassig heidegebied, naast grasweiden en enkel hoger gelegen akkers bestond, gaat vanaf de 18° eeuw houtproductie een steeds grotere rol spelen. Voor sommige boomsoorten was het gebied echter te nat. Voor de aanplant van ‘bomen werden daarom zogenoemde rabatten aangelegd: langwerpige ophogin-

gen die gelegen zijn tussen afwateringsgreppels (afb. 23).’*

(geanonimiseerd) 23. Rabattenbos langs de N345 bij Gietelo (gemeente Voorst. r.u-(zmz;. hteps:// commons.wikimedia.org

26 https://nl.wikipedia.org/wiki/ Akkermaalshout 27Schaars 1974 63.

28 https://nl.wikipedia.org/wiki/ Rabat_(bosbouw); Mulder 2020 30

24-25. Reeks aaneengesloten 19e-eeuwse bosbouwkuilen op de Looërenk met schuin gelaagde vulling in het vlak (boven) en in het putprofiel (onder). Fermin 2008, 368 (afb. 5.89 en 5.91).

De oudste van deze rabbatbossen gaan terug tot in de 18° ecuw: In Schouwbroek zijn waarschijnlijk uiteenlopende bomen geteelt op de rabatten waaronder eikenhakhout, populieren en later ook naaldbomen. Dat rabatten soms ook werden gebruikt als boomgaard suggereert de naam ‘de Bongerd’ voor cen bosperceel met rabatgreppels. In de late 19° en 20° eeuw zijn de rabatten bij de overgebleven productiebossen van Schouwbroek geleidelijk verlaten. In deze periode zien we bij de bossen vrijwel over het hele perceel bijna aaneengesloten rechthoekige kuilen die in de proefsleuven vaak als ‘greppel’ zijn gezien. De kuilen zijn gemiddeld een kleine anderhalve meter diep en worden gekenmerkt door een schuin gelaagde vulling bestaande uit schoon zand afgewisseld met donkere humeuze grond. Losse spitsporen onderin de kuilen bewijzen dat ze met de hand zijn gegraven. Deze dakpansgewijs aangelegde bosbouwkuilen lijken niet lang te hebben opengelegen, maar na het graven direct weer dichtgegooid. Het is de vraag wat men met het graven van de kuilen heeft beoogt. Voor afwatering zijn rabatgreppels veel effectiever. Daarbij heeft men in veel gevallen niet door de meer lemige, ijzerhoudende oerlaag heen gegraven.

Dit type bosbouwkuilen is waarschijnlijk vaker aangetroffen bij opgravingen, maar tot aan de publicatie van dergelijke sporen bij bospercelen op de Loöerenk en bij Schouwbroek niet als zodanig herkend (afb. 24-25).+*Voor een hogergelegen bosperceel op de Looërenk i wel geopperd dat de kuilen niet gegraven zijn voor afwatering, maar juist zodat boomwortels op de hogere gronden gemak29 Fermin

2008, 367-370.

31

kelijk bij het grondwaterniveau rond de oerlaag konden komen.” Vermoedelijk zijn de productiebossen in de late 19° en 20° eeuw vooral gebruikt voor naaldhout. Hier was van 1880 tot 1900 in Zutphen veel vraag naar doordat veel huizen werden gebouwd na de sloop van de vestingwerken. In dit licht is een vermelding van Pleyte uit 1885 interessant. Hij beschrijft een vergelijkbare grondomzetting in het bos Op ten Noort in Vorden ten behoeve van de aanplant van dennen. *!

3.2 Sporen en structuren Bij het proefsleuvenonderzoek zijn 1261 spoornummers uitgegeven. Het overgrote deel van de sporen bestaat uit postmiddeleeuwse landbewerkingssporen in de vorm van rabatgreppels en bosbouwkuilen (bijlage 3). De oudste sporen dateren vermoedelijk pas uit de late middeleeuwen en omvatten enkele verkavelingssloten en diverse met paalkuilen van vermoedelijk gebouwen op een boerenerf. De relatief laaggelegen bewoningslocatie is voor de late middeleeuwen geen belemmering: ook de erven Berghege, ‘t Loo en ‘t Hummel liggen op de grens van hoger gelegen enk en het laaggelegen broekland (afb, 8).’? De sporen en structuren worden in dit rapport slechts kort besproken in de catalogus met vindplaatsen (par. 3.4). 3.3 Vondsten

en monsters

In totaal zijn bij het proefsleuvenonderzoek inclusief monsters 159 vondstnumlewerk, steengoed en

porselein

uwkeramiek las

etaal (ferro) etaal (non-ferro) fuursteen

atuursteen (overij teenkoolsintel unststof

Dierlijk bot (onverbrand)

[Monster: hout

1d

25

Monster: pollen

E

25

[Monster: botanisch (macroresten)

d

25

Monster: zeef

E

Monster: C

4

Monster: dendmchmnoloi…-h

1

)

Tabel 1. Overzichtslijst van vondstcategoriën en monsters en eerder verwachte aantallen. 31Van der Kleij 2003, S. 32 Fermin 2008,

32

370.

mers uitgedeeld. De hoeveelheid vondsten is zeer laag, zeker in vergelijking met de verwachte aantallen waar in het Programma van Eisen rekening mee was

gehouden (tabel 1).’* Het lage aantal vondsten kan deels worden verklaard door het ontbreken van een oude akkerlaag, De door plaggenbemesting ophoogde esdekken, zoals bij de naastgelegen Looërenk, bevatten doorgaans vrij veel vondsten, zeker als vanaf de late middeleeuwen ook de inhoud van Zutphense beerputten over de akker zijn verspreid. Verder zijn er weliswaar (aatmiddelvse?) nederzettin poren gevonden in de vorm van paalsporen, maar ontbreken vondstrijke contexten zoals afvalkuilen, water- en beerputten. De conservering van het vondstmateriaal i over het algemeen redeljk tot goed, waarbij wel moet worden opgemerkt dat het aardewerk sterk gefragmenteerd en vrij verweerd is, Van het metaal is de conserving van non-ferro metaal gemiddeld. Voor voorwerpen van ijzer geldt een slechte tot matige conservering, De conservering van organisch materiaal is daarentegen opvallend goed tot uitstekend. Dit geldt zowel voor de twee enige stukken dierlijk bot (afb. 26-27) als voor de houten palen, pollen, botanische macroresten en schelpen/insecten waarvan monsters zijn gewaardeerd door specialisten van BIAX Consult (bijlage 6 en 7). Deze goede conservering van organisch materiaal heeft te maken met de hoge grondwaterspiegel en de betrekkelijk jonge (postmiddeleeuwse) datering,

ponerie

O

v

lateraal

26 Fragment runderrib uit drenkkuil

27 Fragment van niet volgroeide epifjse van een radius-ulna van een rund afkomstig uit sloot

8647 (vnr. 125).

937 (vnr. 155). Op basis van Habermehl (1975, 104 gaat het om een dier van naar schatting jonger dan 15-20 maanden

Voor een volledig overzicht van de vondstdeterminaties wordt verwezen naar bijlage 4 in dit rapport. Hier wordt slechts een selectie van het vondstmateriaal n chronologische volgorde beschreven. 3.3.1 Prehistorie

In tegenstelling tot wat vooraf werd verwacht (of gehoopt), zijn er met het proefsleuvenonderzoek vrijwel geen prehistorische vondsten gedaan. De verwachtingen waren hoog gespannen, zeker toen in oktober 2023 al tijdens het uitzetten van werkputten twee stukken vuursteen aan het maaiveld werden ge33Van Dalfsen 2023, bijlage 8 33

vonden.** Helaas bleef het hier bij. Van de in totaal vier gevonden stukken vuursteen, blijkt er slechts één met zekerheid door mensenhanden bewerkt.

(vnr. 92, $18999). Het gaat om een fragment van een kling van licht(bruin)grijze ietwat vlekkerige vuursteen met wat retouche op het bredere gedeelte (afb. 28). Het fragment is 27 mm lang en 12 mm breed, Aanvankelijk werd gedacht aan een datering in het midden-mesolithicum (zo’n 9000 jaar geleden), maar een jongere datering in het neolithicum is zeker niet uitgesloten. Het enige andere prehistorische artefact is vlakbij de vuursteenkling gevonden, eveneens als oppervlakte vondst (vnr. 129, S56999). Het betreft een klein wandfragment handgevormd aardewerk, mogelijk uit de (vroege tot midden-) 28.Voor- en achterzijde van een fragment van

| . . en vurstenkling met wat retouche (vnr. 92) ijzertijd. 3.3.2 Late middeleeuwen

Onder de keramiek bevinden zich zes scherven die uit de late middeleeuwen da-

teren. Deze scherven zijn afkomstig uit de recente bouwvoor en als oppervlaktevondst gedaan in het zuidelijke deel van het plangebied ter hoogte van WP17, WP37 en WPS6. Een wandfragment van reducerend gebakken handgevormd aardwerk met een zandmagering is gerekend tot kogelpotaardewerk (afb. 29). Binnen het Deventersysteem wordt dit baksel aangeduid met kp-. Het stuk kan nog uit de volle middeleeuwen dateren, hoewel een jongere datering in de 13° eeuw meer voor de hand ligt. Drie fragmenten hebben een bijna-steengoed baksel (s4-) (vnr. 115, 130 en 132). Het gaat om kannen die eind 13° of begin 14° eeuw in Siegburg (Duitsland) zijn gemaakt (afb. 29-30). Eveneens uit Siegburg afkomstig is een wandfragment van een steengoed-kan zonder glazuur/engobe 34 https://erfgoedeentrumeutphen.nl/ ontdekken/ontdek/erfgoed-van-de-week/972-veelbelovend-vuursteen

kp-

s4-kan-

sl-kan-

ovo $ _

e

29 Middeeeuwse keramiekuitde(ate) 13et/m 30 Bijna-seengoed (e&-kan-) (enr. 130 Ie ceuw. Kogelpor (p-) bjnersteengoed (64- 37999} Jndplaats 9

kan-} en steengoed (s1-kan- (vnr. 115, S17999). Vindplaats . 34

(s1-kan-) dat op basis van het baksel waarschijnlijk uit de 14° eeuw dateert (afb. 29).Tot slot is er nog een klein scherfje grijsbakkend gedraaid aardewerk gevonden uit de 14° t/m 16° eeuw (vnr. 130, S56999).

De enige andere middeleeuwse vondst betreft een fragment van een breed type ijzeren hoefijzer (vnr. 10, $2999). Twee andere hoefijzers met kalkoen dateren waarschijnlijkietslater(vnr. 36,S2999;vnr.47,S1999):ca. 15et/m 17eeeuw (afb.

31). Alle drie hoefijzerfragmenten zijn gevonden in het noordelijke deel van het plangebied in de directe nabijheid van een oude weg met karrensporen en berm-

(\ 10

D

m

»

31 Direrse ijzeren hoefijzerfragmenten uit de middeleeuwen en vroeg-moderene tijd-Vindplaats 1.

32 Ijzeren paardenbit (rnr. 46, S1999).Vindplaats I

greppels 35

(vindplaats 1), mogelijk de Jaatmiddeleeuwse voorganger van de huidige Vordenseweg, Niet geheel toevallig is langs deze in het verleden belangrijke verkeersroute ook een ijzeren paardenbit gevonden (ab. 32). 3.3.3 Nieuwe tijd Veruit de meeste vondsten dateren uit de nieuwe tijd en dan met name uit

de 18°en 19° eeuw. Onder de keramiek (n=20) bevindt zich het gebruikelijke materiaal: roodbakkend en witbakkend aardewerk, tingeglazuurde wandtegels, industrieel wit aardewerk, Europees porselein, steengoed mineraalwaterflessen en steengoed voorraadpotten. In die laatste categorie behoort een randfragment met een kobaltblauwe versiering dat op basis van baksel waarschijnlijk vlak over de grens is gemaakt is in Vreden/Stadlohn (afb. 33). Het is gevonden in bosbouwkuil 445 en geeft het spoor een terminus post quem in de Jate 18°/ 19° ceuw Ook de zes pijpfragmenten dateren uit de 18° en 19° eeuw. Twee pijpenkoppen laten zich wat nauwkeuriger dateren in de periode ca. 1750-1830 (afb. 34). De pijp met het ovale (ovoïde) ketelmodel is vervaardigd in Gouda en is op de hiel gemerkt met het populaire merk ‘90 gekroond’ dat van 1731 tot 1925 in

prodcutie is geweest (vnr. 154, S954).”* De pijp behoort tot de zogenoemde

0

5 —

.

33. Randfragment van voorraadpor uit Vreden /Stadtlohn, late 18°/19 eeuw uit bosbouwkuil S445 (vnr. 116).Vind-

plaars 8.

34. Pijpenkoppen uit periode ca. 1750-1830 (enr. 154, S954, vindplaats 8; var. 159, S78999, vindplaats 10). n

100

17

35. Complete IJselsteen uit sloot S1062 (var. 158), vermoedelijk 18° eeuw. Vindplaats 10

n

L

4

Len

ì

T7

36. Koperen knoop, 18° eeuw (var. 149, kuil S956).Vindplaats 8.

37. Leeuwencent uit 1881 (vr. 69, S8999). Vindplaats 3.

35 Duco 2003, 197 (merk 1032)

‘fijne kwalitei’ met aan weerszijden van de hiel een bijmerk in de vorm van

een Gouds wapenschildje en de toevoeging van de letter $ (van slegte) ter onderscheid van pijpen van de beste, ‘porceleine’ kwaliteit waarbij ook de steel zorgvuldige is geglaasd. De rondbodempijp is cen typisch product uit het Duitse Westerwald (Höhr/Grenzhausen), De pijp is aan de voorzijde van de ketel gemerkt met ‘W' en heeft op de steel een in de persmal aangebrachte versiering van stippen en strepen.

Onder de bakstenen die bij het proefsleuvenonderzoek zijn gevonden, lijken laatmiddeleeuwse exemplaren vrijwel te ontbreken. Uitzondering is mogelijk een fragment van een roodbruine baksteen met cen dikte van 5,8 cm (Vr. 155, $937). Het gaat hier om ouder sloopmateriaal. Naast rode bakstenen zijn er twee gele IJsselsteentjes gevonden. Een compleet exemplaar (15,4 x 6,8 x 3,7 em) dateert waarschijnlijk uit de 18e eeuw. Het is gevonden in de vulling van sloot S1062 die de zuidelijke begrenzing vormt van een 18e-ceuws rabatbos (vindplaats 10). Onder

de metaalvondsten

overheerst materiaal

uit de

19° en

20° ecuw.

Een

bolle, holle knoop uit kuil $956 is één van de weinige metaalvondsten uit de 18e ceuw (vindplaats 8). Ondanks de systematische inzet van de metaaldetector zijn maar drie munten aan het licht gekomen. Het gaat om cen leeuwencent uit 1881 gevonden ter hoogte van cen bosperceel (afb. 37), naast een dubbeltje uit 1951 (vnr. 25) en een Oostenrijkse euro uit 2002 (vnr. 15).

Ook uit het meer recente verleden zijn de resten van prikkeldraad uit cen grote ‘machinaal aangelegde kuil 939 (afb. 38). Vermoedelijk is dit prikkeldraad rond 1975 in de kuil gedumpt nadat een oudere afrastering moest wijken voor de

38. Resten van prikkeldraad (vnr. 150, 939).

37

toen gegraven sloot langs het tracé van de huidige Leestense Rondweg. Het prikkeldraad zal niet ouder dan 150 jaar zijn. De uitvinding van het prikkeldraad staat namelijk op naam van de Amerikaan Joseph F. Glidden die er op 27 okto-

ber 1873 een patent op aanvroeg * Onder de metaalvondsten bevinden zich opvallend veel Britse munitieresten uit de Tweede Wereldoorlog, terwijl er bij het proefsleuvenonderzoek geen enkel spoor uit deze periode is gevonden. Ook op luchtfoto’s van de RAF uit 1945 en op militair kaartmateriaal zoals de Defence Overprint van 19 maart 1945 staat niets van militaire structuren. Waarschijnlijk kijken we hier naar relicten uit de

nadagen van de oorlog toen Canadese troepen beschietingen hebben uitgevoerd op Duitse posities zoals bij Groot Gaffel en/of de Vordensweg, De resten zijn vrijwel zonder uitzondering gevonden in het noordelijke deel van het plangebied en dan met name bij WP2. Het is de vraag in hoeverre het verspreidingspatroon iets zegt over vroegere gevechtshandelingen: in dit geval i in fase 1 van het onderzoek (noordelijk weiland) ook simpelweg intensiever gezocht met de metaaldetector.

Het merendeel van de munitieresten bestaat uit fragmenten van ontplofte granaatonstekers en koperen geleidebanden van granaten (afb. 39). Onder de wat grotere ontstekerfragmenten bevinden zich de goed te herkennen Fuze No 117 en 119 van Britse 25-pondergranaten (afb. 40). Ook onder het klein-kaliber36 htips: / /nl.wikipedia.org/ wiki/ Prikkeldraad

2 I 35 2%

20

58

39. Geleidebandfragmenten van granaten uit de Treede Wereldoorlog.

aa 69-1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=dd99caca-8cc4-40d9-abdf-1c79d9b4b38d