GEWIJZIGD Bijlage 4 Bestemmingsplan ’s-Gravenweg 318-334 – toelichting A25.000216
Tekst van het document
bestemmingsplan
’s-Gravenweg 318-334 in Nieuwerkerk aan den IJssel Gemeente Zuidplas
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1892.BpsGravenwegNwk-Va01
Datum:
20 maart 2025
Kenmerk Buro SRO:
SR210396
Opdrachtgever:
Gemeente Zuidplas
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
2
Inhoudsopgave hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6
hoofdstuk 2 Planomschrijving ................................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 8
hoofdstuk 3 Beleidskader ........................................................................................................................ 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16
hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten ........................................................................................... 19 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.3 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 21 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 22 4.5 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 22 4.6 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
24 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 25 4.9 Waterparagraaf ................................................................................................................................................. 26 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 28 4.11 Niet gesprongen explosieven .......................................................................................................................... 31 4.12 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 31
hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................. 33 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 33 5.2 Toelichting op de planregels ............................................................................................................................. 33 5.3 Bestemmingen .................................................................................................................................................. 33
hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................ 34 hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................................... 35 7.1 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 35 7.2 Zienswijzeprocedure ......................................................................................................................................... 35
hoofdstuk 8 Handhaving .......................................................................................................................... 36
BIJLAGEN Bijlage 1. AERIUS-berekening 's-Gravenweg 318 tm 334 20-12-2024 Bijlage 2. Verkeerstoets bouwplan 's-Gravenweg 318-334 15-10-2023 Bijlage 3. Second opinion verkeersonderzoek 22-01-2025 Bijlage 4. Mogelijkheden directe ontsluiting bedrijventerrein Nieuwerkerk aan den IJssel op N219 Bijlage 5. M.e.r. beoordelingsbesluit Bijlage 6. Nota van beantwoording (en wijziging)
3
hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om op de gronden ten westen van de percelen aan de 's-Gravenweg 318 t/m 334 in Nieuwerkerk aan den IJssel opslagruimtes te realiseren in de vorm van 73 garageboxen met bijbehorende voorzieningen (1 toiletruimte en 1 technische ruimte). De gronden hebben een bedrijfsbestemming en zijn in de huidige situatie onbebouwd en in gebruik voor opslag. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan ''sGravenweg 2013', vastgesteld op 11 juni 2013 door de gemeente Zuidplas. In de huidige situatie hebben de gronden binnen het plangebied de bestemming 'Bedrijventerrein', zonder bouwmogelijkheden. Derhalve is een nieuw bestemmingsplan vereist. Initiatiefnemer heeft reeds een principeverzoek ingediend bij de gemeente Zuidplas voor het toekennen van een bouwvlak. Op 24 maart 2020 is middels een principebesluit (kenmerk: B20.000159) door het college van burgemeester en wethouders aangegeven dat ze positief staan tegenover het plan. Vervolgens is het initiatief meegenomen in het bestemmingsplan 'Verzamelplan Zuidplas 2021'.
Echter zijn tijdens de vaststelling van dat bestemmingsplan zienswijzen ingediend tegen voorliggend initiatief, waarna de programmacommissie Ruimte van de gemeente Zuidplas op 22 juni 2021 heeft geadviseerd het onderdeel ’s-Gravenweg 318-334 uit het 'Verzamelplan Zuidplas 2021' te verwijderen. Derhalve is dit onderdeel in dat kader toen niet vastgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt, waarbij tevens de eerder geuite bezwaren worden weggenomen.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de 's-Gravenweg 318-334 in Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas en maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein IJsselpoint. Aan de westzijde grenst de planlocatie aan de Schielandweg (N219) en aan de oost,- noord,- en zuidzijde grenst de planlocatie aan verschillende bedrijfspanden. Aan de overzijde van de N219 zijn woningen gelegen. Het plangebied maakt onderdeel uit van het kadastrale perceelnummer 6584 (kadastrale gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel), sectie B en heeft een omvang van ca. 5.500 m². Op de volgende afbeeldingen is de globale begrenzing en ligging van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
4
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan De planlocatie is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 's-Gravenweg 2013, vastgesteld op 11 juni 2013 door de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas. Binnen dit bestemmingsplan kent de planlocatie de bestemming 'Bedrijventerrein'. Het perceel is voorzien van de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2', op grond waarvan uitsluitend bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein zijn toegelaten. Ter plaatse zijn geen gebouwen en overkappingen toegelaten. Wel zijn bijvoorbeeld erf- en terreinafscheidingen met een hoogte van maximaal 2 meter toegestaan en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van maximaal 2,5 meter. De volgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding ter plaatse van het plangebied.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 's-Gravenweg 2013', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Voorts geldt voor het gehele plangebied het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie' (vastgesteld op 6 maart 2018), waarbinnen het plangebied niet is voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Ook geldt de 'Parapluherziening Parkeren' (vastgesteld op 24 april 2018). Dit bestemmingsplan biedt een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in de gemeente Zuidplas. Het vormt de juridische vertaling van het geactualiseerde parkeerbeleid. Tevens geldt de 'Parapluherziening Flitsbezorging' (vastgesteld op 27 juni 2023). Hierbij is bepaald dat het gebruik van gronden waar onder andere opslag/distributie is toegestaan, het gebruik voor flitsbezorging en darkstores aangemerkt wordt als strijdig gebruik. Deze bepaling is in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen, zonder afwijkingsmogelijkheid.
5
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het opnemen van een bouwvlak binnen de bestemming 'Bedrijventerrein'. Middels de functieaanduiding 'opslag' wordt vastgelegd dat het hier uitsluitend gaat om de opslag van goederen. Verder wordt middels de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' geregeld dat maximaal 50% van bouwvlak bebouwd mag worden en middels de aanduiding 'maximale bouwhoogte' wordt geregeld dat de bouwhoogte maximaal 3,5 m betreft. Om het groene karakter te waarborgen wordt aan de westzijde van de planlocatie een strook van 10 m breed als 'Groen' bestemd.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen alle voor het bestemmingsplan relevante milieu- en overige aspecten aan de orde, waarna het geheel wordt vertaald in een juridische bestemmingsregeling die in hoofdstuk 5 wordt toegelicht. Hoofdstuk 6 betreft de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7 bevat de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de participatie en overlegmomenten zijn opgenomen. Tot slot bevat hoofdstuk 8 een handhavingsparagraaf.
6
hoofdstuk 2 Planomschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt aan de ‘s-Gravenweg, tussen de kernen Nieuwerkerk aan den IJssel ten noordwesten en Capelle aan den IJssel ten zuidwesten. De omgeving kenmerkt zich als een stedelijk bebouwingslint waar een verscheidenheid aan functies (onder andere wonen, werken, sport en recreatie) voorkomen. De 'sGravenweg betreft een historisch landschappelijk lint met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde. De planlocatie maakt onderdeel uit van het Bedrijvenpark IJsselpoint. Er is sprake van een gevarieerd beeld aan de 's-Gravenweg met deels teruggeplaatste bedrijfsgebouwen met twee bouwlagen. Naast de ‘s-Gravenweg vormt de parallel lopende provincialeweg N219 (Schielandweg) een belangrijke ruimtelijke structuurdrager. De achterzijden van de bedrijfspercelen de 's-Gravenweg grenzen aan die weg, maar kennen geen eenduidig beeld. Zo heeft op de belendende percelen aan de zijde van de N219 veel buitenopslag plaats, met ook oude auto's en containers. Van een landschappelijke inpassing is op de belendende percelen in de huidige situatie veelal geen sprake. Deels ter hoogte van het onderhavige plangebied zijn knotwilgen aanwezig in de berm van de N219, wat een transparant scherm vormt.
De voorliggende planlocatie betreft de achtergelegen gronden behorende bij het bedrijfsgebouw 'sGravenweg 318-334, waar ook reeds opslagruimten verhuurd worden. Ook het onderhavige onbebouwde perceelsgedeelte is verhuurd (deels en voor een periode van 1 jaar). De gronden waren reeds lange tijd verhard door middel van een puinverharding (repac). In de huidige situatie is het terrein voorzien van stelconplaten en verhardingen ten behoeve van buitenopslag e.d., passend binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Het huidige gebruik betreft circa 3.000 m² opslag/stalling van nieuwe auto’s, circa 300 m² opslag van bestratingsmaterialen en tanks, circa 60 m² opslag van containers met installatiemateriaal en circa 400 m² voor keten en containers en een uitlaatdeel voor honden in de beveiliging. Een perceelsgedeelte met een omvang van circa 400 m² is thans (december 2024) niet verhuurd. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van het plangebied.
Bestaande situatie van het plangebied (bron: initiatiefnemer, 2 oktober 2024)
Bestaande situatie van het plangebied (bron: initiatiefnemer, 13 december 2024)
7
De navolgende afbeeldingen tonen allereerst het aanzicht vanaf de 's-Gravenweg in de richting van het bedrijventerrein IJsselpoint. De tweede afbeelding toont de eerdergenoemde buitenopslag op belendende percelen, gezien vanaf de N219.
Aanzicht bedrijventerrein IJsselpoint vanaf de 's-Gravenweg (bron: Google Earth, maart 2021)
Aanzicht vanaf de N219 met buitenopslag op belendende percelen (bron: Vlot Vastgoed, maart 2022)
2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfsgronden aan de 's-Gravenweg 318-334 te herontwikkelen. Het voorgenomen plan betreft de realisatie van ca. 73 garageboxen, 1 toiletruimte en 1 technische ruimte. De boxen hebben een wisselende omvang van minimaal 18 m² en maximaal 24 m² en een bouwhoogte van maximaal 3,5 m. De beoogde garageboxen worden gerealiseerd ten behoeve van particulieren die op zoek zijn naar (tijdelijke) hobbymatige opslagruimte of huisraad. Verder is er sprake van een toenemend aantal ZZP'ers en bedrijven die behoefte hebben aan kleine opslagruimte. De garageboxen grenzen niet aan een woonwijk, dus zullen niet gebruikt worden voor het stallen van auto’s voor dagelijks gebruik, maar wel Oldtimers, bootjes, motoren, racefietsen e.d.
8
Risicovolle activiteiten zijn niet passend bij de beoogde functie. Het verrichten van risicovolle activiteiten leidt tot verhoging van de risico’s op brandveiligheid en risico’s voor personen in de omgeving. Ook leidt het tot onvoorspelbare situaties voor de hulpdiensten bij brand. Om die reden wordt het verrichten van risicovolle activiteiten in de planregels uitgesloten. De toekomstige garageboxen komen in eigendom van de huidige eigenaar van het naastgelegen gebouw 1 en 2, die actief en intensief beheer zal voeren. Hierbij worden door de initiatiefnemer referenties opgevraagd van de potentiële huurders en heeft regelmatig een controle plaats op de activiteiten in de opslagruimtes. Daarnaast zullen er camera’s geplaats worden en is er buiten kantooruren toegangscontrole (hek te openen met persoonlijke chip) en er is permanente beveiliging. De ruimtes worden voorzien van 16 ampère aansluitingen (geen krachtstroom), waardoor er geen zware installaties kunnen functioneren. Bovendien hebben de ruimtes geen stromend water en geen verwarming, waardoor het ook aannemelijk is dat de ruimtes uitsluitend voor opslag gebruikt gaan worden. De ontwikkeling wordt gefaseerd uitgevoerd, in drie fasen, waarbij tussentijds beoordeeld wordt of er behoefte is aan nieuwe opslagruimtes. Onderstaande afbeeldingen tonen een plattegrond van de beoogde situatie en twee doorsnedes.
Beoogde situatie (bron: Bouwkundig Adviesburo Voorthuyzen, 25 mei 2023)
Doorsnedes beoogde situatie (bron: Bouwkundig Adviesburo Voorthuyzen, 25 mei 2023)
9
Landschappelijke inpassing Met het oog op de landschappelijke inpassing wordt voorzien in een groenstrook met een breedte van 10 m aan de westzijde langs de N219. In de groenstrook wordt een rij bomen geplant, waarmee wordt aangesloten bij de bestaande beplanting in de berm van de N219. Het vormt hiermee een kwalitatieve aanvulling van het beeld gezien vanaf de provinciale weg, zoals zichtbaar is op de onderstaande artist impressions. Om het groene karakter binnen het plangebied te waarborgen is het voornemen om een deel van de daken van de opslagruimten van sedum te voorzien. Verder wordt ook aan de noord- en zuidzijde een groenstrook voorzien en wordt de rooilijn van de bestaande bebouwing overgenomen.
Artist impression toekomstige situatie richting het noorden (bron: Vlot Vastgoed, februari 2022)
10
Artist impression toekomstige situatie richting het oosten (bron: Vlot Vastgoed, februari 2022)
Verkeer en parkeren Het plangebied zal ontsloten worden middels de bestaande ontsluitingsweg op de 's-Gravenweg. Uit onderzoek is gebleken dat een dergelijke ontsluiting verkeerskundig aanvaardbaar is. Dit wordt nader toegelicht in toelichting paragraaf 4.10. De benodigde parkeerplaatsen worden binnen het plangebied op eigen terrein gerealiseerd. Met het voorgenomen plan worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd en worden 5 oplaadpunten voor elektrische voertuigen gerealiseerd. Ook hierop wordt in toelichting paragraaf 4.10 nader ingegaan.
11
hoofdstuk 3 Beleidskader
3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van nieuwe woningen wat bijdraagt aan sterke en gezonde regio's.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
12
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
•
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
•
Indien in een bestemmingsplan, als bedoeld in het tweede lid, toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
•
Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)) blijkt dat een ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Wanneer een ontwikkeling voorziet in één van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Het beoogde plan voorziet in de herinrichting van gronden ten westen van de percelen aan de 's-Gravenweg 318 t/m 334 ten behoeve van 73 garageboxen, 1 toiletruimte en 1 technische ruimte. Het plan betreft het toevoegen van een bedrijf met een ruimtebeslag groter dan 500 m² en wordt derhalve als een nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Onderstaand zal worden ingegaan op de ligging van het plangebied en de behoefte aan de beoogde ontwikkeling.
Behoefte De initiatiefnemer heeft aangeven dat er vanuit verschillende kanalen binnen de gemeente Zuidplas sprake is van aantoonbare behoefte naar kleinschalige opslagruimten. De initiatiefnemer verhuurt ter plaatse reeds 18 garageboxen. Voor deze bestaande garageboxen bestaat op dit moment een wachtlijst. De behoefte die blijkt uit deze wachtlijst zal volledig worden opgevangen door de realisatie van de nieuwe garageboxen. Er is dus sprake van voldoende behoefte aan garageboxen. Het is overigens de bedoeling om de opslagruimten gefaseerd (in drie fasen) te realiseren, waarbij tussentijds steeds beoordeeld wordt of er behoefte is aan nieuwe opslagruimten. Stedelijk gebied Het plangebied aan de 's-Gravenweg is gelegen in bestaand stedelijk gebied. Door de ligging van het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied hoeft de locatie niet nader gemotiveerd te worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte voorzien kan worden. In dit geval wordt de behoefte binnen bestaande stedelijk gebied opgelost. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
13
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 7 augustus 2021. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
2.
Ambities en sturing
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
14
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. De voor onderhavig plan relevante beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie worden hierna behandeld. Planspecifiek De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: 'Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Met deze beleidskeuze geeft de provincie richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van het bestaande bouwvlak op de achterzijde van het perceel aan de 'sGravenweg 318 t/m 334. Tevens zal de beoogde ontwikkeling voorzien in een groenstrook met een breedte van 10 m waarmee wordt bijgedragen aan het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor past de beoogde ontwikkeling binnen de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie.
De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast. De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 7 augustus 2021 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de
15
stedenbouwkundige invulling van de beoogde ontwikkelingen is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
Uit raadpleging van de Klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat in het plangebied sprake kan zijn van wateroverlast bij extreme neerslag. Het gaat hier grotendeels om een maximale waterdiepte tot 20 cm. Bij de beoogde ontwikkeling wordt het perceel naar verwachting geëgaliseerd, waardoor deze wateroverlast zal verdwijnen. Met betrekking tot overstroming blijkt dat er een zeer kleine kans (1/3.000 tot 1/30.000) op overstroming bestaat. Aanvullende maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. In het plangebied is het warmer als gevolg van hittestress. Door de nieuwe bebouwing te voorzien van sedumdaken en een bomenrij te planten kan dit gemitigeerd worden. De grondwaterstand in het plangebied is dicht onder het maaiveld, vergelijkbaar met de omgeving. risico's ten aanzien van droogte zijn niet te verwachten. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Zuidplas De gemeenteraad van de gemeente Zuidplas heeft op 13 juli 2021 de 'Omgevingsvisie Zuidplas' vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de ambities voor de lange termijn, tot 2040. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De fysieke leefomgeving gaat over bijna alles buiten, dus: gebouwen, bodem, water, natuur, lucht, maar ook wegen en duurzame opwek van energie.
16
In de omgevingsvisie staan de volgende ambities centraal:
•
Aantrekkelijk Zuidplas: Ingezet wordt op het bouwen van inbreidingslocaties binnen de dorpen. Daarnaast wordt ingezet op aanpassingen van de bestaande woningvoorraad. Als dorpen in Zuidplas uit willen breiden kan dat, maar alleen als een bijdrage wordt geleverd aan hogere doelen.
•
Duurzaam Zuidplas: Nieuwe ontwikkelingen zijn zoveel mogelijk energieneutraal. Voor bestaande gebouwen wordt ook hierop ingezet, hoewel dit niet overal haalbaar zal zijn. Naast de energiedoelstellingen wordt gewerkt aan een klimaatbestendige omgeving. Klimaatadaptatie, onder andere het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast, heeft daarbij nadrukkelijk aandacht.
•
Ondernemend Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een aantrekkelijk gemeente zijn voor ondernemers en ervoor zorgen dat er voldoende eigen werkgelegenheid is. Een gemeente met een aantrekkelijk vestigingsklimaat en belangrijke speler in de regio.
•
Gezond Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn. Een gemeente met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van onze inwoners.
De omgevingsvisie is uitgewerkt in een visie per dorp. Hierin is aangegeven hoe een aantrekkelijk, duurzaam, ondernemend en gezond Zuidplas eruitziet per dorp. De omgevingsvisie geeft per thema, voor heel Zuidplas en per deelgebied en per dorp ambities, opgaven, kansen en te maken keuzes weer. Planspecifiek De planlocatie betreft een inbreidingslocatie langs de 's-Gravenweg en is passend in de omgeving omdat de planlocatie onderdeel uitmaakt van een bestaand bedrijventerrein.
3.3.2 Programma Duurzaamheid en Klimaatadaptatie De gemeente Zuidplas heeft in het programma Duurzaamheid & Klimaatadaptatie 2019 – 2025 het doel gesteld om in 2050 een duurzame en toekomstbestendige gemeente te zijn. De gemeente Zuidplas wil echter verder kijken dan de energietransitie. Er wordt ook gekeken naar het veranderende klimaat en hoe gemeente Zuidplas een aantrekkelijke leefomgeving kan ontwikkelen en behouden. Het programma Duurzaamheid & Klimaatadaptatie 2019 – 2025 bestaat uit de volgende thema’s:
•
Energie en warmte: het besparen van energie, het opwekken van hernieuwbare energie en de bebouwde omgeving loskoppelen van aardgas.
•
Klimaatadaptatie: inrichten van de openbare ruimte om de gevolgen van klimaatverandering te beperken.
• •
Circulaire economie: Het bestaande lineaire systeem omzetten naar een nieuw circulair systeem. Leefomgeving: De leefomgeving wordt vooral vorm gegeven in de inrichting van de fysieke (openbare) buitenruimte door beplanting en gebruik van materialen. Voor een gezonde leefomgeving is een goede kwaliteit van bodem, lucht en water van belang.
Planspecifiek De gemeente Zuidplas streeft naar duurzame ontwikkelingen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal worden aangesloten bij dit streven. Zo wordt een groenzone gerealiseerd, waarin ook watercompensatie plaats heeft. Tevens worden de mogelijkheden onderzocht om de hoeveelheid verhard oppervlak te verminderen door het toepassen van een sedumdaken en zo mogelijk ook grastegels. Daarnaast kan mogelijk een deel van de daken uitgerust worden met bijv. 30 zonnepanelen. De toiletruimtes, technische ruimtes en eerste verbruik van de boxen kan dan door eigen opgewekte stroom in een kort circuit gebruikt worden, wat het net ontlast. De garageboxen zullen voldoen aan de BENG-normen en er zal gebruik gemaakt worden van duurzame materialen. De garageboxen worden niet voorzien van een gasaansluiting. Voorts worden 5 oplaadpunten voor elektrische voertuigen toegevoegd. Bij de bouw wordt uitgegaan van prefab elementen die later opnieuw gebruikt kunnen worden, wat de circulariteit ten goede komt. Het een en ander wordt nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning. Gesteld kan worden dat het plan in lijn is met de ambities op het gebied van duurzaamheid van de gemeente Zuidplas.
17
3.3.3 Omgevingskwaliteit De Welstandsnota was (ten tijde van het ontwerp) het beleidsdocument dat voorzag in de criteria die burgemeester en wethouders hanteerden bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning op welstandsvereisten. Met de invoering van de Omgevingswet is de term 'welstand' verdwenen. De gemeente Zuidplas heeft als opvolger van de Welstandsnota de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas vastgesteld. Hierin wordt aangegeven hoe de gemeente Zuidplas met omgevingskwaliteit om wil gaan. Er worden vier regieniveaus onderscheiden: minimaal (ca. gelijk aan welstandsvrij), basisregie, maatwerkregie (ca. gelijk aan zwaar regime) en eigen regie (ca. gelijk aan beeldkwaliteitplan). Planspecifiek Onder het regime van de Welstandsnota blijkt dat de planlocatie in een gebied ligt met het welstandsniveau 'vrij'. In de basis is het gebied dus welstandsvrij en worden er dus geen nadere eisen gesteld. In Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas (NOZ) valt de onderhavige locatie onder het regieniveau ‘basis’. De regie is hierbij gericht op behouden of versterken van de basiskwaliteit om verrommeling te voorkomen. Bij veranderingen of ontwikkelingen is de regie erop gericht dat een ingreep moet ‘passen’ in de omgeving. Het is dus van belang dat een ontwerp past bij de bestaande gebiedskwaliteiten.
Ontwerp In reactie hierop kan gesteld worden dat de voorgestelde bebouwing van één laag lager is dan de rondom gelegen gebouwen en daarmee ondergeschikt is aan de bebouwing aan de 's-Gravenweg. Daarbij is het plangebied nauwelijks waarneembaar vanaf de 's-Gravenweg. Wel is er zichtbaarheid vanaf de provinciale weg N219. Met het oog daarop wordt het terrein voorzien in een passende landschappelijke inpassing, zoals beschreven en verbeeld in toelichting paragraaf 2.2. Zo is er sprake van een groenstrook van 10 m breed met streekeigen beplanting en wordt gebruik gemaakt van sedumdaken. Door deze maatregelen zal het geheel landschappelijk goed ingepast worden en past het initiatief in de omgeving. Daarmee is het initiatief in lijn met het kwaliteitsbeleid van de gemeente. 3.3.4 Mobiliteitsvisie Zuidplas Op 12 mei 2015 is door de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas de 'Mobiliteitsvisie Zuidplas; Zuidplas nu en in de toekomst bereikbaar' vastgesteld. Omdat de gemeente Zuidplas voor een aantal grote ruimtelijke opgaven staat, zijn keuzes in de structuur van de gemeente nodig waarbij o.a. leefbaarheid en bereikbaarheid niet uit het oog verloren mogen worden. Er wordt een visie geschetst voor de periode tot 2030. Er wordt ingezet op alle thema's van het mobiliteitsbeleid zodat dit zorgt voor een betere bereikbaarheid met alle vervoerswijzen.
Als startpunt voor de beleidsopgave is een inventarisatie gedaan. In de visie wordt in gegaan op de thema's:
• • • • • • • •
verkeersveiligheid duurzaamheid autobereikbaarheid langzaam verkeer openbaar vervoer parkeren vrachtverkeer vervoer over water
Planspecifiek In toelichting paragraaf 4.10 wordt ingegaan op het aspect verkeer en parkeren. Met de beoogde ontwikkeling vindt een verandering van de verkeersgeneratie plaats. Er is door Goudappel onderzocht wat de verwachte toename is aan verkeersbewegingen vanwege de beoogde ontwikkeling en in hoeverre er sprake is van een acceptabele verkeersdruk op de 's-Gravenweg in de toekomstige situatie. Tevens is door Mobycon een second opinion uitgevoerd. De conclusies uit deze onderzoeken kunnen worden geraadpleegd in paragraaf 4.10.1. Het parkeren vindt volledig op eigen terrein plaats. Duurzame mobiliteit wordt o.a. gefaciliteerd door het aanbrengen van laadpalen voor elektrische voertuigen. Daarmee is de ontwikkeling, voor de relevante aspecten in lijn met de Mobiliteitsvisie Zuidplas.
18
hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
19
a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van de potentiële effecten. De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. De planlocatie is gelegen aan de 's-Gravenweg en maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein IJsselpoint. In toelichting hoofdstuk 4 worden de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
Het bevoegd gezag heeft op basis van deze plantoelichting een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Het ondertekende m.e.r.-beoordelingsbesluit is toegevoegd als bijlagen bij toelichting, bijlage 5. Geconcludeerd wordt dat uitgesloten kan worden dat de activiteit nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapport is daarom niet nodig.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet niet in een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik. Het betreft namelijk slechts een uitbreiding van de bouwmogelijkheden binnen de bestemming 'Bedrijventerrein'. De wijziging heeft geen gevolgen voor de eisen die gesteld worden aan de bodemkwaliteit. Een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het plangebied betreft een bodemsaneringslocatie. De locatie is bekend als Wbb-locatie ZH056709032.
Voor de locatie gelden nazorgmaatregelen: het in stand houden van de aanwezige gesloten verhardingen, gebouwen en leeflaag. De huidige puin verharding blijft in stand en er zullen enkel een aantal funderingssleuven worden aangebracht voor de fundering van de garageboxen, dit zal in overleg met bevoegd gezag worden uitgevoerd. De overige verharding blijft intact. Boven op de puin verharding zullen de betonnen vloeren en bestrating worden aangebracht. Daarmee blijven de aanwezige gesloten verhardingen, gebouwen en leeflaag intact. Hiermee vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
20
4.3 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Planspecifiek Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de realisatie van maximaal 73 garageboxen. In de VNGpublicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' vallen garageboxen onder milieucategorie 2 (opslaggebouwen: SBI2008: 52109). Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 m. De dichtstbijzijnde gevoelig objecten, de woningen aan het Veldewater aan de overzijde van de N219, bevinden zich op een afstand van ca. 65 m. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object of van risicovolle activiteiten. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
21
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Het beschermen van geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Het beoogde initiatief voorziet in het vergroten van het bouwvlak ten behoeve van de realisatie van garageboxen. Een dergelijke voorziening is niet aan te merken als een geluidsgevoelig object. Er worden derhalve geen geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Daarmee vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van het plan. Hiermee vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Externe veiligheid Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.
De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. In de ‘Visie Externe Veiligheid’ van de gemeente Zuidplas (maart 2011) is per gebiedstype aangegeven hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicobronnen. Omgevingsveiligheid onder de Omgevingswet (anticiperen op) Met de komst van de Omgevingswet (op 01-01-2024) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Belangrijk element hierin is de introductie van zogenaamde aandachtsgebieden. Het uitgangspunt is dat mensen, zonder aanvullende maatregelen, binnen deze aandachtsgebieden onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan de gemeente om de kernvraag te beantwoorden: Is de veiligheid voldoende gewaarborgd en zijn milieu en gezondheid voldoende beschermd? Om deze vraag te beantwoorden moet de gemeente de volgende punten overwegen:
• •
afstand houden tot de risicobron; risicocommunicatie;
22
• • • •
beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (verplicht voor nieuwe ‘zeer kwetsbare gebouwen’, zoals basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, enz..).
De kern is dat het bevoegd gezag veiligheid, veel meer dan nu het geval is, meeneemt als ontwerpvariabele in de planvorming. Planspecifiek Uit raadpleging van de risicokaart Nederland blijkt dat vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen er geen beperkingen gelden voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg. Anderzijds maakt het initiatief geen risicovolle activiteiten of opslag van consumentenvuurwerk mogelijk; dit is als strijdig gebruik aangemerkt in de planregels. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
23
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: