GEW Bijlage 4 Was-wordt lijst Integrale verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 A25.004343
Tekst van het document
Artikel 70. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets Toegevoegd aan dit artikel: 3. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Bedrag kilometervergoeding voor fiets is geactualiseerd. Artikel 71. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider
2.
2.
3.
Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor regulier voortgezet onderwijs of voortgezet special onderwijs cluster 4 bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het tweede lid, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets.
3.
Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.
Lid 2 is verwerkt in artikel 61 lid 2 (afwijzingsgronden) Lid 5 is lid 2 geworden Bedrag kilometervergoeding voor fiets is geactualiseerd
5.
Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. Artikel 62. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1. Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: a. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 53, eerste lid en de leerling onder de 9 jaar is; b. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 53, eerste lid, de leerling tussen 9 en 12 jaar is en clusteronderwijs bezoekt; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 61 en 62 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een basisschool of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is; d. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 61 en 62 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een speciale school voor basisonderwijs of terug, meer dan een uur onderweg; e. het een school voor voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3 betreft en de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; f.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 62, de leerling een school voor regulier voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs cluster 4 bezoekt en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan drie kwartier onderweg is; g. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 61 en 62 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; h. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 62 en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of i. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken.
Artikel 63. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer
Artikel 73. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1. Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: a. voldaan is aan de afstandsgrens en de leerling onder de 9 jaar is; b. voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling tussen 9 en 12 jaar is en clusteronderwijs bezoekt; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een basisschool of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer meer dan anderhalf uur onderweg is; d. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een speciale school voor basisonderwijs of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer meer dan een uur onderweg is; e. het een school voor voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3 betreft en de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; f.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 71, de leerling een school voor regulier voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs cluster 4 bezoekt en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan drie kwartier onderweg is; g. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; h. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 71 en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of i. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken. j. dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. Artikel 72. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer
1.
Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a. een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer. b. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of c. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Deze vergoeding bedraagt het belastingvrije kilometerbedrag (€ 0,23). d. een bedrag op basis van de werkelijk gemaakte reiskosten voor de leerling die gebruik maakt van een schoolbus van een school of een oudervereniging.
3 Als het college een kilometervergoeding toekent, zoals genoemd in het tweede lid sub c van dit artikel, bekostigt het college viermaal de afstand tussen woning en school per dag. 4. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, één bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, zijnde € 0,23 per kilometer, behoudens het bepaalde in lid 5. 5. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die reeds voor dit vervoer bekostiging van het college ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Artikel 65. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Met inachtneming van artikel 52 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
1.
2. 3.
4.
5.
6.
Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a. een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,11 per kilometer. b. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of c. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de eigen auto (kortste route), als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. Deze vergoeding is op basis van het belastingvrije bedrag per kilometer (€ 0,23), gebaseerd op twee retourreizen per dag. d.
een bedrag op basis van de werkelijk gemaakte reiskosten voor de leerling die gebruik maakt van een schoolbus van een school of een oudervereniging. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto per rit en niet per leerling. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die reeds voor dit vervoer vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt. Als ouders in samenwerking met andere oudere besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
Artikel 68. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat 1. Met inachtneming van de artikelen 55 en 57 kent het college op aanvraag een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of adres van het pleeggezin naar de woning van de ouders, eenmaal aan
4.
verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. Artikel 63, eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing.
het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. Toegevoegd aan dit artikel: 4. Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. 5. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken. 6. Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer: a. openbaar vervoer geheel ontbreekt; of b. het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijvend in een internaat of pleeggezin, wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig, ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
Artikel 66. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 28.800,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 53 bepaalde afstand te boven gaan. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 53 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 28.800,-, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 53 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan.
Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4. Het inkomensbedrag van € 28.800,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2024 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan
Artikel 75. Drempelbedrag 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 31.500,- , de op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel 56 bepaalde afstand van 6 kilometer zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de ouders in rekening gebracht. 2. Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag wordt met ingang van 1 januari 2026 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. 3. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd. In aansluiting op artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt onder de terugval in inkomen verstaan: een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar. 4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen, pleegouders en voogdijinstellingen.
ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 28.800,-. 5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen, pleegouders en voogdijinstellingen. Artikel 67. Financiële draagkracht 1. Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders.
Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s 0 – 36.900 Nihil 36.900 – 43.650 170 43.650 – 50.400 750 50.400 – 56.700 1390 56.700 – 64.800 2035 64.800 – 71.100 2730 71.100 en verder Voor elke extra € 5.000,-: € 655,- erbij 4.
5.
6.
De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2024 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2024 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
Artikel 76. Draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de ouders veder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 2. De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijke van de hoogte van het inkomen van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per inkomenscategorie bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s 0 – 42.000 Nihil 42.000 – 50.000 185 50.000 – 58.000 820 58.000 – 65.000 1.520 65.000 – 74.500 2.230 74.500 – 81.500 2.990 81.500 en verder 2.990 plus voor elke extra € 5.000,-: € 715,- erbij 3.
4.
5. 6.
7.
De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari 2026 aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd. Het drempelbedrag genoemd in artikel 75 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid, opgelegd worden aan het gezin. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
Artikel 70. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een besluit aangaande een voorziening of bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer herzien, dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt/ouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt/ouder niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging niet meer toereikend of passend is te achten; d. de cliënt niet (meer) voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, het pgb of bekostiging, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is; f. Sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in aangepast vervoer; g. Het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het vervoer. 4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer berust bij de ouders. 10. Ingeval een besluit tot verlening van een bekostiging leerlingenvervoer is ingetrokken, kan een reeds uitbetaalde bekostiging worden teruggevorderd.
Artikel 89. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Artikel 79. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een besluit aangaande een voorziening of vergoeding in het kader van het leerlingenvervoer herzien, dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt/ouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt/ouder niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of de vergoeding is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening, het pgb of de vergoeding niet meer toereikend of passend is te achten; d. de cliënt niet (meer) voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, het pgb of vergoeding, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is; f. ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 71 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan; g. ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 72 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan; h. Sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder gedurende het verblijf in aangepast vervoer; i.
Het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer. 9. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.
Lid 4 is opgenomen in artikel 60 lid 5 (algemene bepalingen). Hierdoor is de nummering van dit artikel veranderd en is lid 10 lid 9 geworden. Artikel 98. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Toegevoegd aan dit artikel: 4. Voor het toepassen van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp geldt een overgangsrecht van 3 maanden als: a. er sprake is van een gewijzigde situatie of verlengingsaanvraag, en b. er nog steeds recht is op huishoudelijke hulp, en
c.
5.
er door het toepassen van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 hulp bij huishouden sprake is van een verlaging van het aantal minuten hulp bij huishouden. Het genoemde overgangsrecht voor lid 4 geldt niet bij wijziging woonadres.
Nieuwe artikelen integrale verordening: Artikel 7. Tolkkosten 1. Indien bij de inzet van hulp sprake is van een onoverbrugbare taalbarrière, wordt van de client en/of het betrokken netwerk verwacht dat zij zelf zorgdragen voor adequate communicatie. Dit kan bijvoorbeeld door het inschakelen van personen uit het eigen netwerk, zoals familieleden, vrienden of andere bekenden die kunnen tolken. Minderjarigen worden hierbij niet geacht te tolken voor hun ouder(s). 2. Indien aantoonbaar geen tolk uit het eigen netwerk beschikbaar is én de inzet van een professionele tolk noodzakelijk is voor het kunnen verlenen van passende hulp, kan het college gemotiveerd besluiten af te wijken van het eerste lid. Vergoeding van de kosten voor een professionele tolk is uitsluitend mogelijk in de volgende situaties: a. bij intakegesprekken en diagnostiek; b. in crisissituaties waarin directe inzet van een tolk noodzakelijk is; c. in situaties waarin het ontbreken van een tolk leidt tot aantoonbare risico’s voor de veiligheid. 3. Indien de client verblijft in een opvanglocatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en beschikt over een geldig zorgnummer, worden de kosten voor inzet van een tolk niet door het college vergoed. In deze gevallen vindt vergoeding plaats via het COA. Artikel 8. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1.
Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en/of partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag. 2. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen, bekenden die van betekenis zijn voor en kunnen bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de inwoner. 3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ten aanzien van jeugdigen, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW, als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden, waar nodig met inzet van het eigen netwerk. 5.
Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleem oplossend vermogen van de inwoner en/of partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten tekortschiet, omdat sprake is van: a. Geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. Een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. Overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden geboden totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 6. Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de partner, ouder(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de partner/ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: a. De behoefte en mogelijkheden van de inwoner; b. De mate van hulp die de inwoner nodig heeft; c. De aard en de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;
d. e. f. g.
De planbaarheid van de hulp; De benodigde ondersteuningsintensiteit de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; de noodzaak van de partner/ouder(s)/inwonende kinderen om in een inkomen te voorzien en/of onderwijs te volgen.
Artikel 16. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet passend onderwijs is als volgt geregeld: 1. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. 2. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet. 3. Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt de ondersteuning onder de jeugdhulpplicht vanuit de Jeugdwet. 4. Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs een duidelijke analyse van het probleem met een daarbij passende oplossing te komen voor de hulpvraag. Artikel 17.
Afbakening Jeugdwet en de Wet langdurige zorg De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet langdurige zorg is als volgt geregeld: 1. Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft: a. Ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige of; b. Omdat jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen door fysieke problemen of door zware regieproblemen. 2. Ondersteuning die gezien voorgaande in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de jeugdwet valt, betreft: a. Logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; b. Verblijf in een instelling op basis van een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; c. Vervoer naar en van een locatie voor Wet langdurige zorg. 3.
Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg, terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet. 4. Als een jeugdige met een besluit op basis van de Wet langdurige zorg een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis, verleent het college een voorziening voor jeugdhulp, mits de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wet langdurige zorg. Artikel 18. Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Zorgverzekeringswet is als volgt geregeld: 1. Indien jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en is er in dat kader geen recht op een voorziening op basis van de Jeugdwet. Voorbeelden van zorg op basis van de Zorgverzekeringswet zijn: a. Hulpmiddelenzorg; b. Ziekenvervoer; c. Zintuiglijke gehandicaptenzorg. 2.
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een zorgverkering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, verleent het college een voorziening.
3.
4. 5.
Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de jeugdwet. Jeugdhulp met verblijf valt niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als het onderdeel is van een integraal behandelplan en het een bewezen effectieve methodiek betreft.
Artikel 19. Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning is als volgt geregeld: als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, dan is deze voorliggend op het verlenen van een voorziening op grond van de Jeugdwet. Artikel 20. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen De afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen is als volgt geregeld: 1. Het college ziet erop toe dat de gemeentelijke toegang, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële problematiek voor het slagen van preventie, jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering vroegtijdig signaleren. 2. Het college ziet er daarnaast op toe dat jeugdigen en hun ouder(s) waar nodig de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet. 3.
Het college ziet erop toe dat er voorzieningen beschikbaar zijn op het terrein van arbeidsparticipatie voor jonggehandicapten en draagt zorg voor voldoende mogelijkheden van loonkostensubsidies en beschut werk voor deze doelgroep op het moment dat zij 18 jaar worden. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet. Artikel 22a. Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vorm van jeugdhulp. 2. In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en/of psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet. Artikel 22b. Meerkosten zwemles Indien privézwemlessen onvoldoende zijn en de jeugdige extra begeleiding tijdens de zwemles nodig heeft, dan kan vanuit de gemeente jeugdhulp worden ingezet voor de extra begeleiding, niet voor de zwemles of zwemleskosten zelf. Artikel 22c. Huiswerkbegeleiding 1. Ouders zijn de eerst verantwoordelijke om de ontwikkeling van hun kind te stimuleren. Ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs valt dan ook onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders en het onderwijs. 2.
Jeugdhulp kan aanvullend zijn als er sprake is van opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen. 3. Huiswerkbegeleiding is primair gericht op het leerproces en valt onder de zorgplicht van scholen en ouders. Huiswerkbegeleiding valt daarom niet onder jeugdhulp. 4. Als ouders vastlopen in het begeleiden van hun kind bij het maken van huiswerk, is opvoedondersteuning mogelijk vanuit de jeugdwet. Artikel 23a. Dyslexie 1. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de jeugdwet.
2.
Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het samenwerkingsverband Primair Onderwijs op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van oordeel is dat diagnostiek, dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.
Artikel 23b. Vaktherapie 1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: a. Beeldende therapie; b. Dans en bewegingstherapie; c. Dramatherapie; d. Muziektherapie; e. Psychomotore therapie; f. Psychomotorische kindertherapie; g. Speltherapie 2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dit is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding. 3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 4. De behandelaar van de jeugdhulpaanbieder of een indicatiemedewerker van Stichting ZO! moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 5. Vaktherapeutische methodieken kunnen alleen worden geboden als zij onderdeel uitmaken van een bredere behandeling (bijvoorbeeld CGT) waarbij de lijn van de zorgverzekeraars wordt aangehouden.
Door de invoeging van deze artikelen verschuiven de daaropvolgende artikelen in nummering ten opzichte van de hiervoor geldende verordening.