CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

GEW Bijlage 4 Was-wordt lijst Integrale verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 A25.004343

Gemeenteraad 4 februari 2026, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Integrale Verordening Sociaal Domein 202614.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

WAS Artikel 1. Begrippen en afkortingen g. gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

WORDT Artikel 1. Begrippen en afkortingen g. gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse zorg, toezicht, begeleiding en stimulering die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar te bieden, omdat zij samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar.

Artikel 3. Melding hulpvraag 1. Een ieder kan zich met een hulpvraag voor zichzelf of voor een ander richten tot het college, mits de hulpvraag een inwoner van Zuidplas betreft. 4. Het college informeert de inwoner, en/of diens mantelzorger(s) of diens vertegenwoordiger voorafgaand aan het gesprek over de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke clientondersteuning. 5. Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een eigen plan / familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet op te stellen.

Artikel 3. Melding hulpvraag 2. Een ieder kan zich met een hulpvraag voor zichzelf of voor een ander, telefonisch of met een schriftelijke aanmelding/verwijzing richten tot het college, mits de hulpvraag een inwoner van Zuidplas betreft. 4. Komt te vervallen (komt terug in artikel 2 en 5). 4. Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een eigen plan / familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet op te stellen en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.

Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 3. Het college of de andere organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 3. Het college of de uitvoerende organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van een melding/aanvraag 1. Het onderzoek start met het voeren van een gesprek met cliënt, en/of diens vertegenwoordiger/gemachtigde, mantelzorger en indien gewenst familie. 3c. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk, zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; 3e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een voorliggende-, algemene- of algemeen gebruikelijke voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; 7. Binnen 10 dagen na het gesprek verstrekt het college de cliënt een bondig gespreksverslag met daarin een weergave van de zorgvraag en gemaakte afspraken.

Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van een melding/aanvraag 1. Het onderzoek start met het voeren van een gesprek met cliënt, en/of diens vertegenwoordiger/gemachtigde, mantelzorger en indien gewenst familie of iemand uit het eigen netwerk van de cliënt. 3b. in het kader van de jeugdhulp: welke hulp naar aard en omvang nodig is om rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. 3c. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk, zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan hulp en ondersteuning, beschermd wonen of opvang; 3e. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn: de mogelijkheden om met gebruikmaking van een voorliggende-, algemene- of algemeen gebruikelijke voorzieningen te voorzien in de nodige

7.

Artikel 7. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek 5.

Cliënt ondertekent het ondersteuningsplan door aan te geven dat hij/zij: a. akkoord is zoals voorgesteld en dient een aanvraag in; of b. akkoord is maar anders dan voorgesteld en dient een aanvraag c. geen aanvraag indient.

in; of

Artikel 8. Verstrekken van een maatwerkvoorziening 3. Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 9 Weigeringsgronden 1b. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; 7. In aanvulling op lid zes wordt het CVV tevens niet verstrekt voor reizen van en naar zorgverlener/specialist, tenzij afgewezen door zorgverzekeraar.

ondersteuning en hulp of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; Binnen 10 dagen na het gesprek verstrekt het college de cliënt een bondig gespreksverslag met daarin een weergave van de zorgvraag en gemaakte afspraken. Feitelijke onjuistheden in het verslag worden op verzoek van de inwoner gecorrigeerd.

Artikel 9. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek 2c in het kader van jeugdhulp: welke hulp naar aard en omvang nodig is om rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Indien een client op basis van het opgestelde ondersteuningsplan daadwerkelijk 5. een aanvraag wil indienen, dan dient het ondersteuningsplan ondertekend te worden teruggestuurd. Client kan daarbij kiezen om: a. akkoord te gaan met hetgeen in het ondersteuningsplan wordt geconcludeerd en daarvoor een aanvraag in te dienen, of b. niet akkoord te gaan met hetgeen in het ondersteuningsplan wordt geconcludeerd en een daarvan afwijkende aanvraag in te dienen. Hetgeen client wenst aan te vragen dient dan in het teruggestuurde ondersteuningsplan concreet te worden omschreven. Artikel 10. Verstrekken van een maatwerkvoorziening 3. Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. Toegevoegd aan dit artikel: 4. Een maatwerkvoorziening wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden.

De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en (waar beschikbaar) wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Artikel 11 Weigeringsgronden 1b. de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; 1c. hulp of ondersteuning aan een jeugdige niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan gelden de uitgangspunten uit hoofdstuk 4 van de beleidsregels indicatiestelling Wlz (zie toelichting bij de verordening)

1l.

7.

Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg, terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit. In aanvulling op lid zes wordt het CVV tevens niet verstrekt voor reizen van en naar zorgverlener/specialist, tenzij de aanvraag voor een vergoeding van ziekenvervoer vanuit de Zvw wordt afgewezen door zorgverzekeraar.

Artikel 11. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp

Artikel 13. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp Toegevoegd aan dit artikel: 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. Het college kan in geval van een aanvraag in het kader van de jeugdwet afwijken van bovengenoemd artikel, in situaties waarin het reguliere regionaal gecontracteerde zorgaanbod niet toereikend en/of passend is, of de toepassing van de inkoopkaders leidt tot onredelijke of niet-beoogde gevolgen voor de inwoner of diens huisgenoten, naaste familieleden en directe naaste omgeving. Deze afwijking is slechts mogelijk indien sprake is van een aantoonbaar noodzakelijke ondersteuning die binnen het regionaal gecontracteerde aanbod onvoldoende beschikbaar of passend is. Afwijking is slechts toegestaan wanneer de inzet van zorg voldoet aan de volgende inhoudelijke vereisten: a.

Perspectief: De duur van de geboden hulp is afgestemd op de individuele ondersteuningsbehoefte van de inwoner en diens directe omgeving/netwerk en is afhankelijk van de voortgang richting de gestelde doelen. De doorlooptijd is proportioneel en doelgericht. De ondersteuning draagt aantoonbaar bij aan het perspectief van de inwoner. Dit perspectief is duidelijk omschreven. b. Kwaliteit: De aanbieder voldoet ten minste aan de regionale kwaliteitseisen zoals gesteld aan gecontracteerde aanbieders. De aanbieder toont dit aan met relevante documentatie, zoals geldige certificeringen (bijvoorbeeld HKZ of ISO), resultaten uit regionale contractmonitoring of inspectierapporten van de IGJ.

Artikel 13. Algemene voorzieningen jeugd 3. In ieder geval zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: Informatie/advies voor jeugdige en ouder Opvoedondersteuning Algemeen Jeugd- en Jongerenwerk Algemeen maatschappelijk werk

Artikel 15. Algemene voorzieningen jeugd 3. In ieder geval zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: Informatie/advies voor jeugdige en ouder Opvoedondersteuning Algemeen Jeugd- en Jongerenwerk Jeugdgezondheidszorg

-

Jeugdgezondheidszorg Veilig Thuis Integrale crisisdienst Vertrouwenspersoon Kindertelefoon Schoolmaatschappelijk werk

-

Veilig Thuis Integrale crisisdienst Vertrouwenspersoon Kindertelefoon Schoolmaatschappelijk werk Kinderombudsman

Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen jeugd 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht;

Artikel 21. Maatwerkvoorzieningen jeugd 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht/eigen mogelijkheden;

2.

2.

3.

1

De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Jeugdzorg plus; b. Jeugdbescherming; c. Jeugdreclassering; d. Jeugd en opvoedhulp, waaronder: ambulante jeugdhulp, dagbehandeling, verblijf pleegzorg, gezinshuis, verblijf beschut wonen, verblijf 24-uurs zorg, spoedeisende zorg (ambulant en verblijf), ernstige enkelvoudige dyslexie zorg; e. Voor jeugd met een beperking: individuele begeleiding zonder verblijf, dagbesteding zonder verblijf, kortdurend verblijf/logeren, langdurend verblijf; Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van de maatwerkvoorzieningen op grond van de Jeugdwet.

De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Jeugdzorg plus; b. Jeugdbescherming; c. Jeugdreclassering; d. Forensische GGZ; e. Crisisdienst Jeugd; f. Hoogspecialistische jeugdhulp g. Verblijf h. Ambulante hulp jeugd i. Dagbesteding jeugd

Toegevoegd aan dit artikel: 3. De volgende individuele voorzieningen worden zo kort als mogelijk ingezet en hebben in beginsel de volgende maximale duur en/of frequentie1: a. Crisis verblijf: maximaal 3 maanden b. Jeugd-GGZ verblijf licht: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week c. Jeugd-GGZ verblijf zwaar: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week d. Jeugd-GGZ verblijf zonder overnachting: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week e. Groepsbehandeling plus: maximaal 12 maanden f. Logeeropvang regulier jeugd: maximaal 3 etmalen per week g. Logeeropvang intensief jeugd: maximaal 3 etmalen per week h. Deeltijd pleegzorg: maximaal 156 etmalen per jaar

Maximale duur en/of frequentie volgen uit het handboek inzet zorg en ondersteuning van de GR&JW. Deze kan gewijzigd worden.

i.

4.

5.

6.

Individuele behandeling regulier: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week j. Individuele behandeling specialistisch: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week k. Onderwijs Opvang Voorziening: maximaal 6 maanden l. Multi-dimensionele Familie Therapie (MDFT): maximaal 18 maanden m. Groepsbehandeling regulier: maximaal 9 maanden n. Groepsbehandeling specialistisch: maximaal 9 maanden o. Specialistische GGZ: maximaal 24 maanden en maximaal 16.200 minuten p. Jeugd GGZ diagnostiek Ernstige Dyslexie: maximaal 15 sessies van 50 minuten q. Jeugd GGZ behandeling Ernstige Dyslexie: maximaal 60 sessies van 50 minuten r. Dagbesteding doorlopend-Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is. s. Dagbesteding doorlopend specialistisch-Jeugd: maximaal 1 jaar en maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is t. Dagbesteding ontwikkelgericht-Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is. u. Onderwijsarrangement stage en dagbesteding jeugd: maximaal voor 2 jaar en maximaal 4 dagdelen, waarvan de gemeente Zuidplas maximaal 2 dagdelen per week bekostigt. De overige 2 dagdelen worden bekostigd door het samenwerkingsverband.

Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het derde lid met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: a. Doelgroepen; b. Activiteiten; c. Perspectief; d. Intensiteit; e. Kwaliteit; f. Beoogd resultaat; en g. Vermelding productcode iJw. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in het kader van de jeugdwet, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening in het kader van de jeugdwet. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin

Lid 3 is vervallen Artikel 15. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke zorg door de ouders hier niet in kan voorzien: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van praktische vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; f. het leren omgaan met zijn beperkingen.

Artikel 22. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke zorg door de ouders en/of het sociale netwerk hier niet in kan voorzien: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van praktische vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; f. het leren omgaan met zijn beperkingen.

Artikel 16. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening behandeling c. het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de jeugdige in een of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd. Artikel 17. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: a. de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; b. de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; c. de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; d. vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op.

Artikel 23. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening behandeling c. het aanleren van vaardigheden en het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de jeugdige of binnen het systeem van de jeugdige. Artikel 24. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: a. de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; b. de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; c. de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; d. vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op.

Artikel 18. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding

Artikel 25. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding Toegevoegd aan dit artikel: d. Om de jeugdige beter te kunnen begeleiden is het noodzakelijk om de vaardigheden van ouders/verzorgers en/of netwerk uit te breiden en versterken.

Artikel 19. Vervoer bij jeugdhulp 1. Vervoer bij jeugdhulp kan worden toegekend aan een jeugdige die een indicatie heeft voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp (zorg in natura of persoonsgebonden budget voor behandeling, kort verblijf of begeleiding).

Artikel 26. Vervoer bij jeugdhulp 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

4.

8.

Vervoer bij jeugdhulp is vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Beperkingen in de zelfredzaamheid kunnen te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte en kunnen tijdelijk of chronisch van aard zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp.

2.

Wanneer de noodzaak als bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld, wordt een vervoersvoorziening toegekend wanneer de afstand en de frequentie van vervoer naar de jeugdhulplocatie dermate groot is dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Om te beoordelen of dit van toepassing is maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (afstand enkele reis) x 0,25. Indien de uitkomst 250 of hoger is, kan een vervoersvoorziening worden toegekend.

4.

Wanneer de noodzaak, zoals bedoeld in het derde lid, is vastgesteld, wordt een vervoersvoorziening toegekend wanneer de afstand en de frequentie van vervoer naar de jeugdhulplocatie dermate groot is dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Om te beoordelen of dit van toepassing is maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (afstand enkele reis) x 0,25. Indien de uitkomst 250 of hoger is, kan een vervoersvoorziening worden toegekend.

Artikel 20. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Kortdurend logeerverblijf bij een instelling kan ingezet worden gedurende maximaal drie etmalen per week. Dit is gepaard gaande met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding door een persoon met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die is aangewezen op permanent toezicht, indien dat noodzakelijk is ter ontlasting van de persoon die hem gebruikelijke zorg of mantelzorg levert. Artikel 21. Zestienjarige en voortzetting jeugdhulp na achttien jaar Artikel 22. Algemene voorzieningen Wmo

3.

5.

8.

Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. Dit kan gaan om een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Beperkingen in de zelfredzaamheid kunnen te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte en kunnen tijdelijk of chronisch van aard zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om het vervoer zelf te regelen. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. Wanneer de noodzaak, zoals bedoeld in het derde lid, is vastgesteld, wordt een vervoersvoorziening toegekend wanneer de afstand en de frequentie van vervoer naar de jeugdhulplocatie dermate groot is dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt.

Om te beoordelen of dit van toepassing is maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (afstand enkele reis) x 0,25. Indien de uitkomst 250 of hoger is, kan een vervoersvoorziening worden toegekend, uitgaande van een afstand van meer dan 6 km.

De leden 1 tot en met 5 vervangen lid 1 Lid 2 wordt lid 6 Lid 3 wordt lid 7 Lid 4 wordt lid 8 Lid 5 wordt lid 9 Lid 6 wordt lid 10 Lid 7 wordt lid 11 Artikel 27. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Logeren is een vorm van respijtzorg. De zorg wordt tijdelijk overgenomen waardoor de mantelzorger ontlast wordt van de zorgtaak. Het is aanvullend op noodzakelijke zorg en ondersteuning die al in de thuissituatie wordt geboden, het vervangt deze zorg en ondersteuning niet. Logeeropvang wordt alleen toegewezen als het noodzakelijk is dat degene die mantelzorg of gebruikelijke zorg levert tijdelijk wordt ontzien en logeren in het sociale netwerk niet mogelijk is. Artikel 28. Zestienjarige en voortzetting hulp na achttien jaar Artikel 29. Algemene voorzieningen Wmo Toegevoegd aan dit artikel:

3. 4.

g.

de inwoner beschikt over schone en draagbare kleding h de inwoner heeft een veilige thuissituatie Om het resultaat zoals beschreven in artikel 29 lid 3 onder g te bereiken is er wasservice beschikbaar a. de eigen bijdrage voor inwoners met een indicatie huishoudelijke hulp is b. € 6,00 euro per waszak van maximaal 8 kg. c. de eigen bijdrage voor inwoners die geen indicatie huishoudelijke hulp hebben, is € 25,00 per waszak van maximaal 8 kg .

Artikel 23. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 1. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer van de volgende diensten of productcategorieën: h. woonvoorzieningen;

Artikel 30. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 1. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer van de volgende diensten of productcategorieën: h. woonvoorzieningen en woningaanpassingen; Toegevoegd aan dit artikel: 4. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening hulp bij huishouden wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 ontwikkeld door Bureau HHM. 5. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening begeleiding en dagbesteding wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Begeleiding versie 2.0 ontwikkeld door Bureau HHM en Factum Advies.

Artikel 38. Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen 3. Wanneer uit onderzoek blijkt dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is voor de hulpvraag, dan wordt het primaat van verhuizen toegepast en een verhuiskostenvergoeding toegekend, tenzij er argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten. 4. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor de kosten van een verhuizing, voor zover de verhuizing het gevolg is van belemmeringen in het normale gebruik van de woning en een verhuizing de meest adequate oplossing is voor cliënt.

Artikel 39. Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen 3. Wanneer uit onderzoek blijkt dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is voor de hulpvraag, dan wordt het primaat van verhuizen toegepast. Het college kan daarbij een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor de kosten van een verhuizing, tenzij er argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten.

Artikel 33. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen, vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen 3d. de cliënt in het geval van een open gehandicaptenvoertuig beschikt over een geschikte en overdekte stallingsruimte, die voor voorzieningen met een accu is voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt, of gecreëerd kan worden.

Artikel 40. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen, vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen Lid 3d de cliënt in het geval van een open gehandicaptenvoertuig beschikt over een geschikte, brandveilige en overdekte stallingsruimte, die voor voorzieningen met een accu is voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt, of gecreëerd kan worden.

Artikel 36 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Artikel 43 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Lid 9 is verwijderd

9.

10.

Voor de kosten van was- en strijk bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 65,83 per maand. De toegekende tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 3 t/m 9 worden op declaratiebasis achteraf uitgekeerd aan de aanvrager.

Artikel 37. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb op grond van de Wmo 2015, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 4. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een cliënt tijdelijk worden uitgesloten voor het betalen van de eigen bijdrage als cliënt onvoldoende betaalcapaciteit heeft én voldoet aan één van de onderstaande voorwaarden: a. de cliënt zit in de eerste twaalf maanden na een scheiding. Bij een scheiding kan de eigen bijdrage op nul gezet worden tot maximaal 12 maanden na de scheiding. b. de cliënt zit in de eerste twaalf maanden na het verlies van betaald werk. Bij het verliezen van een betaalde baan kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 12 maanden. c. de cliënt heeft een budgetmaatje. Bij het gebruikmaken van een budgetmaatje kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 6 maanden. d. de cliënt zit in de schuldsanering via de GR IJsselgemeenten. Bij een schuldsaneringstraject wordt de eigen bijdrage tot einde traject op nul gezet. 7.

Bedragen tegemoetkomingen geactualiseerd 9.

De toegekende tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 3 t/m 9 worden op declaratiebasis achteraf uitgekeerd aan de aanvrager; de toegekende tegemoetkoming uit lid 2 wordt uitbetaald op basis van de beschikking

Artikel 44. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb op grond van de Wmo 2015, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt of tot wanneer de kostprijs van de maatwerkvoorziening is bereikt. Lid 4 is verwijderd Bedragen reizigersbijdrage CVV/GroeneHartHopper geactualiseerd 6.

De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura

De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

Artikel 40. Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb 11. Bij het verlenen van een pgb geldt dat de voorziening moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente en, indien van toepassing, aan het Kwaliteiten Bruikbaarheids Onderzoek van Hulpmiddelen keurmerk en/of voorkomt op de lijsten van het TNO-keurmerk dan wel een gelijkwaardig keurmerk goedgekeurde hulpmiddelen.

Artikel 46. Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb 11. Bij het verlenen van een pgb geldt dat de voorziening moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente voor de dan geldende aanbesteding hulpmiddelen en, indien van toepassing, moet worden aangeschaft bij een leverancier die is aangesloten bij het Nationaal keurmerk hulpmiddelen.

Artikel 42. Regels voor pgb sociaal netwerk (informele hulp)

Artikel 49. Regels voor pgb sociaal netwerk (informele hulp)

4.

Indien er op basis van een pgb ondersteuning wordt geboden door het sociaal netwerk is dit alleen mogelijk voor de maatwerkvoorziening begeleiding, voor zover deze de gebruikelijke zorg en/of hulp overstijgt.

Lid 4 is verwijderd

Artikel 44. Besteding en verantwoording van het pgb

Artikel 51. Besteding en verantwoording van het pgb Toegevoegd aan dit artikel: 4. Het is de cliënt niet toegestaan om met de dienstverlener een vast maandloon overeen te komen, dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door de SVB aan dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van cliënt tot overlegging aan SVB van een door cliënt geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette ondersteuning.

Artikel 45. Begripsomschrijving (alleen de gewijzigde begrippen zijn hieronder opgenomen) In deze verordening wordt verstaan onder: a. aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi; b. afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; f. deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige of de in het Op Overeenstemming Gericht Overleg (zie L) bepaalde onafhankelijke deskundige; g. eigen vervoer: vervoer per motorvoertuig of fiets, dat door ouders zelf wordt vormgegeven; h. gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; j. leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel onder r. l. OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 3.42 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; m. openbaar vervoer: voor eenieder openstaand personenvervoer n. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer.

De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider; p. ouders: (pleeg)ouders, voogden of verzorgers van de leerling; r. samenwerkingsverband: 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of

Artikel 52. Definities (alleen de gewijzigde begrippen zijn hieronder opgenomen) In deze verordening wordt verstaan onder: a. aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer (vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi) b. afstand: afstand tussen de woning en de school, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, gemeten met ANWB routeplanner langs de kortste, voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; f. deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige; g. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets, dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt; h. gehandicapte leerling: een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; j. leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school; m. openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken; n. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; p.

ouders: met gezag over de leerling belaste ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling; r. samenwerkingsverband: 1°. samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of

s.

u. w.

2°. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2022; school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt: Dit is 1°. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4°. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3°.

gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider;

s.

v.

x.

3°. samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt: Dit is 1°. basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 3°. school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt; vervoersvoorziening: 1°. vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider; 2°. vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van dienst begeleider; 3°. aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of 4°. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider;

Begrip OOGO (l) is verwijderd. Toegevoegd aan dit artikel: t. schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids Artikel 47. Aanvraagprocedure 4. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 5. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 6. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend, dan geldt deze: a. wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het een aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum.

Artikel 54. Aanvraag Lid 4 en 5 zijn een apart artikel geworden (artikel 57, beslistermijn) Lid 6 is een apart artikel geworden (artikel 58, ingangsdatum voorziening) Artikel 57. Beslistermijn 1. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

Artikel 58. Ingangsdatum voorziening Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum. Artikel 48. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, zijn de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin het uitgangspunt. 2. Het college kan bij een eerste aanvraag in een gesprek met de ouders, en desgewenst met de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken (als bedoeld in paragraaf 5.4). 4. Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoel in artikel 52. 5. Het college kan in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. 6.

In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen.

Artikel 55. Onderzoek 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 2. Het college kan in een gesprek met de ouders, en desgewenst met de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, ook een medewerker uit een ander domein of een deskundige aansluiten. 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 4. Het college kan in overleg met de ouders en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. Lid 6 is verwijderd

Artikel 49. OOGO met het samenwerkingsverband 1. Het college neemt het leerlingenvervoer op als periodiek agendapunt in het OOGO. 2. Het college spant zich in om in het OOGO afspraken te maken over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt. De deskundige betrekt in zijn advies de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling als bedoeld in artikel 49. c. de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door het college wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun

Dit artikel is verwijderd.

3.

informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid. Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: a. de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; b. het maken van afspraken over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het vervoersontwikkelingsplan genoemd in artikel 49, vijfde lid.

Artikel 50. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2. Als het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het college van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 3. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 4. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. 5. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 6. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. 7.

Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. 8. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.

Artikel 60. Algemene bepalingen 1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 2. Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt. 3. De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. 4. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. 5. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. 6. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is: a. per fiets; b. per openbaar vervoer; c. met eigen vervoer; d. met aangepast vervoer; 7.

Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen. Lid 1 is gehandhaafd, is nu lid 2 Lid 2 is opgenomen in artikel 75, drempelbedrag en artikel 79, nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering Lid 3 is verplaatst naar boven

Lid 4 is verwerkt in artikel 54, aanvraag Lid 5 en 6 zijn een apart artikel geworden (59, besluit) Lid 7 is opgenomen in artikel 53, doelstelling Lid 8 is gehandhaafd, is nu lid 7 Artikel 59. Besluit 1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 2. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. Artikel 51. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ontstaat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening dan dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld. 3. Met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden wordt een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: a.

de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a.

Artikel 64. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt. 2. Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of b.

een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen. 3. Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en b. aan het college is door de ouders of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de

onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Artikel 52. Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer; b. speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dat 6 kilometer; of c. speciaal onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer. 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kan het college hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. 3. De afstand tussen de woning en de school wordt door het college gemeten langs de kortste voor de leerling per fiets voldoende begaanbare en veilige weg.

Artikel is vervallen: Lid 1 is opgenomen in artikel 61, lid 1 (afwijzingsgronden) Lid 2 is opgenomen in artikel 61, lid 1 (afwijzingsgronden) en artikel 56 (inzet deskundige) Lid 3 is opgenomen in artikel 52, lid b (definities)

Artikel 53. Aanwijzing opstapplaats Het college kan overgaan tot het instellen van opstapplaatsen, waarbij geldt dat: a. het college bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats kan aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. b. de ouders er zorg voor dragen dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. c. het college geen opstapplaats aanwijst als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.

Artikel 63. Aanwijzing opstapplaats Het college kan overgaan tot het instellen van opstapplaatsen, waarbij geldt dat: a. het college bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats kan aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. b. De opstapplaats zich bevindt op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider; c. de ouders er zorg voor dragen dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. d. het college geen opstapplaats aanwijst als naar oordeel van het college door de ouders voldoende wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door

Artikel 56. Inzet deskundige 1. Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht. 2. De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige. Artikel 61. Afwijzingsgronden 1. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner dan of gelijk is aan 6 kilometer. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen. 2. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij: a. er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of b. de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

henzelf of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

Artikel 55. Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.

Artikel is vervallen. Is opgenomen in artikel 62 (andere oplossing)

Artikel 56. Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op de standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

Artikel 66. Schooltijden en wachttijden 1. Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd van één of meerdere (les)uren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

Artikel 57. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

Artikel 67. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente Lid 3 toegevoegd Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert.

Artikel 58. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

Artikel 69. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts

Artikel 62. Andere oplossing 1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet aanmerking voor een vervoersvoorziening op basis van deze verordening. 2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt bij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.

2.

De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school en wordt aangetoond in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door college te bepalen maximale straal van de woning of de school.

Artikel 59. Verstrekking van de vervoersvoorziening 1. Het college betrekt bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoeksfase van belang zijn. 2. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. Artikel 60. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

3.

toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school en wordt aangetoond in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. De in het tweede lid, onder d, genoemde voorwaarde is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat dit niet mogelijk is. In dat geval kan het stageadres gelegen zijn binnen een door college te bepalen maximale aantal kilometers van de woning dan wel opstapplaats of de school.

Artikel is vervallen. Lid 1 is opgenomen in artikel 55 (onderzoek) Lid 2 is opgenomen in artikel 60 lid 4 (algemene bepalingen)

Artikel 61. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16551750/1