GEW. Bijlage 3a Herijkte Nota van Uitgangspunten Middengebied Z25.002886
Tekst van het document
Grote modal shift: We zetten in op een modal shift gericht op tenminste 5%, met het streven naar tenminste 15% minder autoverplaatsingen. Dit betekent dat ten opzichte van een reguliere ontwikkeling van een
22
nieuwbouwwijk, het aantal autoverplaatsingen binnen, van en naar het Cortelande met 5% tot 15% wordt beperkt. De privéauto krijgt in Cortelande binnen het mobiliteitsconcept de laagste prioriteit (in lijn met STOMP- en THAMES-principe). De auto wordt op enige afstand van de woningen geparkeerd. Langzaam verkeer a. Ommetjes: Ommetjes zijn gekoppeld aan landschappelijke structuren, omliggende landschappen en groene plekken. Zo ontstaat een goede beleving van landschap en natuur. Het nieuwe dorp, en de omliggende landschappen worden zo vanzelfsprekend met elkaar verbonden en wordt wandelen en fietsen gestimuleerd. b. Excellente fietsroutes: i. Bestaande OV-knopen buiten Cortelande en de voorzieningencentra van Cortelande zijn goed bereikbaar met de fiets. Waar mogelijk middels ongelijkvloerse kruisingen (of anders geregelde kruisingen) van doorgaande fietsroutes50 met wegen voor auto’s met hoge autosnelheid (hoger dan 50 km/u). ii. In Cortelande komt een fijnmazige structuur van fietsroutes. iii. De voorzieningencentra van het Cortelande, Gouda en de omliggende dorpen zijn goed bereikbaar met de fiets en nieuwe actieve verkeersmodaliteiten (o.a. speed pedelec).
Openbaar vervoer c.
Openbaar Vervoer: Goed openbaar vervoer is essentieel voor het slagen van het beoogde mobiliteitsconcept voor de ontwikkeling van Cortelande. i. De OV-haltes zijn bereikbaar via aantrekkelijke routes voor wandelen en fietsen en bij de bushaltes zijn voldoende fietsparkeerplekken voorzien. De ambitie is dat haltes in ieder geval aan de Noordelijke Hartlijn en nabij het bedrijventerrein Doelwijk II en Gouwepark II liggen. We ambiëren ook mobiliteitshubs voor deel(bak)fietsen (last-mile). De haltes hebben uitstraling en zijn zichtbaar onderdeel van de hoofdstraten van het dorp. ii. We streven naar minimaal 3-5 haltes in het ontwikkelgebied (in het geval van HOV, bij OV zijn dat er meer). De loopafstand vanaf een woning naar een HOV-halte in het Cortelande is maximaal 500 meter (bij OV is die afstand kleiner). iii. Voorzieningen en andere belangrijke bestemmingen liggen zoveel mogelijk direct nabij een OV-halte. iv. De ambitie is OV dat vanuit Cortelande rijdt naar: a. Gouda; b. Rotterdam Alexander via Nieuwerkerk aan den IJssel en Capelle Centrum; c. Zoetermeer-Lansingerland; d. Rotterdam Alexander en Gouda, rechtstreeks over eigen businfrastructuur. v. Optimale doorstroming binnen en buiten het dorp voor het OV, zo mogelijk worden er aanpassingen gedaan aan de omliggende wegen om met de bus files te vermijden. vi. We ambiëren een bus die iedere 5 –15 minuten rijdt (HOV). vii.
Samen met gemeente Gouda zetten we in op realisatie van een nieuw station Gouda Zuidplas ter hoogte van de aansluiting Moordrecht A20. Wij onderzoeken de haalbaarheid van een station en zoeken daarin naar afstemming en draagvlak bij betrokken stakeholders.
Deelmobiliteit d. Deelmobiliteit: Deelmobiliteit vormt een aanvulling op de mobiliteitsopties die mensen al hebben, bijvoorbeeld in de vorm van deelbakfietsen en deelauto’s. De ambitie is om voor elke buurt in het Cortelande deelmobiliteit beschikbaar te hebben, tenminste gekoppeld aan mobiliteitshubs en/of OV-haltes. 50
Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief van het MER.
23
We ambiëren een gevarieerd deelmobiliteit-aanbod, dat wil zeggen dat meer deelmobiliteit beschikbaar is dan alleen de deelauto. Beschikbaarheid van deelmobiliteit is een private aangelegenheid en zal daarom privaat aangeboden moeten worden. Wij stimuleren en faciliteren deelmobiliteit door bijvoorbeeld informatie en ervaringen (elders) te delen, te zoeken naar cofinanciering en ruimte beschikbaar te stellen en in te richten voor het aanbieden van deelmobiliteit. Logistiek e. Logistiek en afval: i.
We beperken logistieke bewegingen in het Cortelande zoveel mogelijk en de logistieke bewegingen die er zijn worden slim en veilig ingericht om zo veel mogelijk verkeersoverlast te voorkomen.
ii.
Logistieke bewegingen in het Cortelande scheiden we zoveel mogelijk van de verkeersbewegingen van scholieren/kinderen om conflicten te voorkomen.
iii.
Bevoorrading van winkels en bedrijven geschiedt via slimme inprikkers in het centrumgebied.
iv.
Straten worden ingericht voor afhaalverzameling uit ondergrondse afvalcontainers en afvalverzamelingsplekken.
Gemotoriseerd verkeer f.
De Groene Slinger: De Groene Slinger is de ´ringweg´ van Cortelande. Vanaf De Groene Slinger wordt het dorp naar de omgeving ontsloten. Op De Groene Slinger is er ruimte voor ontsluiting van de automobiliteit en wordt de verkeersruimte niet gedeeld met langzaam verkeer. De Groene Slinger krijgt een snelheidsregime van 30 km/uur. g. Auto te gast, in het gebied buiten de Hartlijnen: In Cortelande is de auto te gast, zoveel mogelijk straten worden ingericht als verblijfsgebied (geen parkeren in de woonstraten, met enkele uitzonderingen voor mindervalide parkeren). Het gebied binnen de Hartlijnen wordt zoveel mogelijk autovrij ingericht (maar blijft toegankelijk voor hulpdiensten). In het dorp wordt autoverkeer op de Hartlijnen onmogelijk gemaakt (met uitzondering van (H)OV op de Noordelijke Hartlijn). h. Parkeren: Parkeren is het sluitstuk van het mobiliteitsconcept. De parkeernorm volgt uit de realisatie van beoogde ambities en uitgangspunten ten aanzien van alternatieven voor de auto, mobiliteitshubs en OV51. De parkeernorm is afhankelijk van de beschikbaarheid van duurzame alternatieven in het dorp ten opzichte van de privéauto. De ambitienorm daarbij is een gemiddelde parkeernorm van 1.1 (inclusief bezoekers en voorzieningenparkeren, uitgaande van dubbelgebruik). a.
Zo min mogelijk parkeren in de openbare ruimte aan de straat met uitzondering van mindervalide parkeren, deelmobiliteit en openbare parkeerplaatsen langs hoofdinfrastructuur zoals de carré bij het centrum en het Vierde Tochtpark. b. In 80% van de gevallen ligt de hub binnen een loopafstand van 200 meter (werkelijke loopafstand, niet hemelsbreed). c. De hubs zijn ontsloten vanaf hoofdstructuur van het dorp (bijvoorbeeld een deel van de Groene Slinger, Halverwegen, etc.), zodat de woonbuurten zoveel mogelijk autovrij blijven.
51 Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis het MER, op basis van het mobiliteitsconcept (bijlage 1). Vormt een afwijking op vigerend beleid. De Nota parkeernormen wordt conform uitgangspunten in deze NvU aangepast. Per fase in de ontwikkeling wordt een parkeerbalans opgesteld om de parkeerbehoefte te bepalen op basis van de uitgangspunten mobiliteitsconcept.
24
i.
j.
k.
d. Bezoekers van het dorpshart kunnen parkeren in een gebouwde parkeerhub bij het dorpshart. e. Bij de stedenbouwkundige uitwerking wordt onderzocht of separate parkeerplaatsen- of hoven voor bedrijfsbussen gerealiseerd kunnen worden. Multifunctionele hubs: Parkeren gebeurt in multifunctionele hubs, waarin ook andere buurtfuncties zijn ondergebracht zoals een buurthuiskamer (sociaal programma), pakkettenwand, onderhoudspunt voor fietsen, flexwerkplek en buurtbatterij 52. Ook vindt de overstap van modaliteiten vaak plaats in een hub. De hubs zijn een veilige plek. Waar mogelijk werken we met gebouwde hubs om het grondgebruik zoveel mogelijk te beperken. Logistieke bewegingen (formaat bestelbus of groter): Toegankelijkheid voor verkeer voor afvalverzameling, logistiek en calamiteiten wordt zo ingepast dat het niet ten koste gaat van de leefkwaliteit in de openbare ruimte. Waar mogelijk worden deze functies gekoppeld aan hubs. Bereikbaarheid zittende bedrijven in het plangebied: Bedrijven in het plangebied kunnen hun huidige (transport)bewegingen voortzetten. Wel stimuleren we de vermindering van gemotoriseerde transportbewegingen en maken we bij nieuwe ruimtelijke initiatieven een zorgvuldige afweging om een uitbreiding van gemotoriseerde transportbewegingen te voorkomen.
Voorkomen extra knelpunten in de auto-infrastructuur: Samen met de bestuurlijke partners van de gemeente Zuidplas (Provincie Zuid-Holland en de leden van de Grondbank RZG) zijn er afspraken gemaakt53 om inframaatregelen te treffen ten behoeve van de autodoorstroming op de omliggende wegen, zodat ander autoverkeer zo min mogelijk extra verkeersoverlast ervaart als gevolg van de toename van autoverkeersbewegingen door de ontwikkeling van het ontwikkelgebied. Uitgangspunten Langzaam verkeer a. De Zuidelijke Dwarsweg fungeert als belangrijke fietsroute van en naar het Cortelande. b. Binnen de grenzen van het Middengebied verbeteren we de volgende fietsroutes: a. De Zuidelijke Dwarsweg wordt een doorgaande fietsroute tussen Rotterdam Nesselande, het dorpshart van Cortelande, Doelwijk II en Waddinxveen/Triangel. b. De Hartlijnen verbinden Nieuwerkerk aan den IJssel met het dorpshart van Cortelande en Gouda. c. De Middelweg-Bredeweg wordt een fietsroute tussen Moordrecht, het dorpshart van Cortelande en Moerkapelle. d. De Knibbelweg vormt de fietsroute naar Zevenhuizen. c. Fietsers kunnen de Groene Slinger gelijkvloers oversteken en hebben hierbij voorrang. Dit is mogelijk in verband met de lage maximum autosnelheid op De Groene Slinger54, waar fietsers oversteken. Openbaar vervoer c.
Een HOV-bus kan gebruik maken van een busroute binnen het ontwikkelgebied en zo vertraging binnen het ontwikkelgebied vermijden55. De Noordelijke Hartlijn en de Middelweg worden ingericht als drager voor toekomstige OV-structuur. De Noordelijke Hartlijn is de route voor het OV dóór het dorp56. Deze busroute binnen het dorp kan worden gecombineerd met langzaam verkeer.
52 Voortbordurend op het Masterplan, is het werken met multifunctionele hubs verankerd in het door het college van B&W voorkeursalternatief mede op basis van het MER, mede op basis van het concept mobiliteitsconcept (bijlage 1). 53 Bestuurlijke Overeenkomst en Deelovereenkomst Mobiliteit 54 Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER. 55 Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER 56 Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER.
25
d. De maximale snelheid voor busroutes in het ontwikkelgebied is 30 km/uur (binnen de bebouwde kom), om het oversteken voor de fietser en voetganger te vergemakkelijken. e. In de nabijheid van de busroute en de OV-haltes wordt een hogere woningdichtheid gerealiseerd en worden meer voorzieningen gerealiseerd dan op grotere afstand van het OV, dit bevordert de bezettingsgraad in het Openbaar Vervoer.
Gemotoriseerd verkeer a. Het dorp wordt autoluw ingericht. Op de hoofdontsluitingswegen, buiten de bebouwde kom van Cortelande, geldt een maximumsnelheid van 60 km/uur. De Groene Slinger en de ontsluitingswegen hebben een verkeersfunctie voor de auto, hier geldt binnen de bebouwde kom een snelheidsregime van 30 km/uur57. Voor het woongebied binnen De Groene Slinger en in de Watertuinen58 wordt maximaal 30 km/uur toegepast door de inrichting; de auto is hier te gast. b. Doorgaand autoverkeer over Polderlinten en Zuidelijke Dwarsweg wordt onmogelijk gemaakt door strategisch geplaatste knippen (zodra er alternatieven zijn gerealiseerd). Ook andere doorgaande (auto)routes door het Cortelande worden fysiek onmogelijk gemaakt om sluipverkeer door het Cortelande te voorkomen. c. Cortelande ontsluit met drie ontsluitingswegen op de (boven) regionale hoofdinfrastructuur, namelijk op de Moordrechtboog (N457) en op de N219 (op twee locaties). d. De bedrijventerreinen Doelwijk II en Gouwepark II worden voor gemotoriseerd verkeer ontsloten via de naastgelegen bedrijventerreinen Doelwijk I respectievelijk Gouwepark I. e. Goede bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten is een vereiste, zij moeten tot de deur kunnen komen. In het ontwerp van de woon- en leefstraten wordt hier rekening mee gehouden. f.
De ondergrondse infrastructuur voor laadvoorzieningen wordt volgens het Bouwbesluit bij de bouw al aangelegd bij alle parkeerplaatsen. g. In Fase 1A starten vanuit de Nota maatwerk parkeren Middengebied als formeel-juridisch kader, waarbij het gemiddeld aantal aan te leggen parkeerplaatsen in Fase 1A bij aanvang een eis kent van 1.3 inclusief bezoekers en voorzieningen. Landbouw- en loonwerkverkeer h. Binnen het Middengebied ligt een aantal belangrijke doorgaande routes voor landbouw- en loonwerkverkeer (waaronder bijvoorbeeld de Zuidelijke Dwarsweg, de Knibbelweg, de Zuidelijke en Noordelijke Parallelweg A20). In de uitwerking van de verkeerskundige ontsluiting is ten alle tijde een ontsluiting voor het landbouw- en loonwerkverkeer geborgd.
57 58
Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER. Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER.
26
“De ambitie voor mobiliteit is gebruik te maken van de strategische ligging van het Middengebied tussen steden, dorpen en OV-knooppunten.”
3.4. Thema: Gezonde leefomgeving, Ecologie en Landschap Masterplanambities: Tegengaan verrommeling en een gezonde leefomgeving met biodiversiteit. In het plangebied wordt een vernieuwd landschap gecreëerd met het realiseren van het Koning Willem 1 bos, de Groene Schakel en de Groene Waterparel, dat de basis is voor wonen, werken, recreëren, natuur, ecologie en biodiversiteit. Het Middengebied en het dorp krijgen stevige groene structuren die bijdragen aan een gezonde leefomgeving en de ecologische en landschappelijke waarde. Ambities a. Buitenleven en beweging: Cortelande nodigt uit tot het buitenleven. Nieuwe en bestaande ecologische en recreatieve routes verbinden het dorp met het landschap. Recreatieve routes/ ommetjes zijn gekoppeld aan polderlinten en tochten, omliggende landschappen en groene gebieden. Zo ontstaat een goede beleving van landschap en natuur en is het nieuwe dorp vanzelfsprekend verbonden met het omliggende landschap. b. Gezonde leefomgeving: Mensen worden in het plangebied verleid tot beweging en ontmoeting. De niet-woonfuncties worden zodanig gepositioneerd dat activiteiten, ontmoetingsplekken en het groen in de buurten elkaar versterken. De buitenruimte is laagdrempelig toegankelijk, zodat de beweegbaarheid voor iedereen bevorderd wordt. c.
Positieve gezondheid: Vanuit het gedachtegoed ‘Positieve Gezondheid’ wordt ingezet op het creëren van een gezond dorp waarbij groen, voorzieningen en de mentaliteit van de (maatschappelijke) instellingen bijdragen aan de gezondheid van de inwoners en de vitaliteit van het dorp59. d. Schone Lucht: In het nieuwe dorp wordt aandacht besteed aan het verminderen van luchtverontreiniging door middel van vernieuwende maatregelen, zoals schone landbouw, schone mobiele werktuigen, scherper vergunnen industrie en burgers betrekken bij het meten van de lokale luchtkwaliteit. e. Ecologisch netwerk: We ambiëren een robuust en fijnmazig ecologisch netwerk. Dat netwerk is gekoppeld aan het recreatieve netwerk en aan het waternetwerk. Grotere en kleinere ecologische
59
Ruimtelijke verkenning Voorzieningenprogramma Middengebied (bijlage 4)
27
routes voor insecten en kleine zoogdieren vormen een netwerk, waarmee verschillende waardevolle natuurgebieden worden verbonden in en om het dorp en de omgeving. f. Groen60: Groen wordt verweven met de dorpse omgeving, omdat dit bijdraagt aan gezondheidsbevordering, klimaatbestendigheid en ter voorkoming van hittestress. Openbaar groen is voor iedereen (ook voor mensen met een beperking) toegankelijk. We zetten in op een variatie aan groentypes. g. Sport en bewegen 61: In het dorp is plek gereserveerd voor zowel verenigingssport als ongebonden sport, voor iedereen. We willen dat iedereen – jong en oud, met of zonder beperking, ongeacht afkomst of inkomen – kan sporten en bewegen op zijn of haar eigen manier. Sport en bewegen zijn essentieel voor een gezonde, vitale en sociale samenleving. Ze dragen bij aan ontmoeting, zingeving, integratie en een actieve leefstijl. Daarom maken we sporten en bewegen vanzelfsprekend, zichtbaar en toegankelijk. h. Verbeteren waterkwaliteit: We streven een schoon oppervlaktesysteem na. We verhogen onder meer de waterpeilen en streven naar inrichtingsmaatregelen die de waterkwaliteit kunnen verbeteren, zoals natuurvriendelijke oevers. Een verbeterde waterkwaliteit is van groot belang voor de biodiversiteit.
In dit kader wordt samengewerkt met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard om kwaliteitsdoelen te formuleren en maatregelen te nemen. i. Maaibeheer: Ingezet wordt op ecologisch maaibeheer, waarmee de inrichtingsmaatregelen om de biodiversiteit te versterken ook wordt behouden. j.
Natuurinclusief: Het groene-blauwe casco legt ecologische verbindingen, verrijkt leefgebieden van belangrijke soorten en vormt een aantrekkelijke en gevarieerde openbare ruimte (biodiversiteit). Door natuurinclusief bouwen en inrichten van de (openbare) ruimte wordt hoogwaardig habitat (leefgebied) gecreëerd voor diverse soorten vogels, insecten, vlinders en vleermuizen. Ook de bebouwing draagt zo goed mogelijk bij aan lokale biodiversiteit en natuurwaarden, bijvoorbeeld door nest- en verblijfplaatsen op te nemen in de bouw van de woningen. Op deze manier wordt er bewust ruimte voor biodiversiteit gecreëerd in de openbare buitenruimte en bij alle gebouwen waarbij dit mogelijk is.
k. Vier groene structuren: We ambiëren vier groene structuren, met een eigen karakter om Cortelande heen. Hiermee ontstaat een dorp in het groen: i. Groene Schakel a. Transformatiegebied ten behoeve van kwaliteitsverbetering, minder verharding, meer biodiversiteit en meer ruimte voor groen, water, ecologie, recreatie en beleving van het open polderlandschap. b. Realisatie van een ecologische verbindingszone (EVZ). c. Toegroeien naar een toekomstbestendig waterpeil. ii. De Groene Waterparel a. Verhogen van de toegankelijkheid en recreatieve waarde, met behoud van de ecologische waarde van het gebied. iii. Het energielandschap a. Meervoudig ruimtegebruik in de vorm van energie-opwek, natuurontwikkeling, waterberging en behoud van kenmerkende structuren van het polderlandschap. iv. Het Koning Willem I-Bos a. Vormt de groene buffer voor ecologie en recreatie tussen de infrastructuur aan de oostzijde en het nieuwe dorp Cortelande. b. Bevat nieuwe woonvormen, gezondheid en bewegen (maximaal 125 woningen). c. Bevat sportvoorzieningen. d. Bevat een doorgaande fietsverbinding. e. Biedt ruimte aan groene initiatieven die openbaar toegankelijk zijn. f. Wordt ingericht met zo natuurlijk mogelijke, streekeigen/inheemse beplanting 60 61
Het door het college vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER Sport- en accommodatievisie 2020-2030
28
l.
Vierde Tochtpark: Het tochtpark wordt, in aanvulling op de EVZ, ingericht als groene natuurverbinding62 en recreatief uitloopgebied voor het dorp. m. Dorpspark: Het dorpspark staat in het teken van sport, beweging en ontmoeting. Naast een cluster maatschappelijke voorzieningen, zijn hier meerdere buitensportverenigingen gevestigd. Het park bevat brede wandel- en fietspaden, ook toegankelijk voor mindervaliden. n. Groen-blauwe kreekwerklandschap bedrijventerrein: Ten behoeve van de gezonde werkomgeving, toekomstbestendigheid en landschappelijke uitstraling heeft het bedrijventerrein Doelwijk II een groenblauw kreekwerklandschap waarin water, groen en recreatieve verbinding worden uitgewerkt. o. Zo veel mogelijk beperken van geluidshinder en andere overlast tijdens de ontwikkeling: Ten behoeve van een gezonde leefomgeving voor de huidige inwoners/ondernemers van het Middengebied, en de pioniers (eerste bewoners) van het nieuwe dorp wordt zoveel mogelijk ingezet op het beperken van geluidshinder en andere overlast in de realisatiefase.
Uitgangspunten
a. De identiteit van de polder is herkenbaar. Met het opnemen van de polderlinten en tochten in het
b.
c. d.
e. f.
g.
h.
62
langzaam verkeer netwerk en met het stedenbouwkundig anders behandelen van de polderlinten is het polderlandschap herkenbaar in het Middengebied. Het waterpeil zorgt ook in 2100 voor het beperken van kwel, waarbij we rekening houden met ca. 1 meter zeespiegelstijging: a. Peil –6,00m NAP (kreekrugdorp, watertuinen, Vierde Tochtpark, energielandschap), maximale peilfluctuatie = 40cm (-5.80 tot –6.20mNAP)63 b. Bestaand peil voor het Koning Willem I bos en bedrijventerrein Doelwijk II. De bedrijventerreinen hebben een ruime groene structuur waarin ruimte is voor water, groen en recreatie. Onze inwoners hebben vanuit huis zicht op 3 bomen 64, elke buurt is voorzien van minimaal 30% bladerdek en er is binnen 300 meter van elke woning een park of groene ruimte aanwezig, de zogenaamde 3-30-300 regel. Ook is een centrale groenvoorziening op max. 750 meter afstand bereikbaar (maximaal 20 minuten lopen).65 Ten opzichte van elke woning is er minimaal 75 m2 openbaar groen66 in het gebied tot 300 meter buiten de bebouwde kom. Natuurvriendelijke oevers67 hebben als doel een geleidelijke overgang van water naar land en daarmee het optimaliseren van de mogelijkheden voor biodiversiteit. De oevers hebben een toegangspad68. Een ecologische verbindingszone wordt zorgvuldig ingepast in het Middengebied.
De Ecologische Verbinding bestaat uit een minimaal 25m brede zone met een doorlopende waterloop met ecologische oeverzones, aangevuld met plas-draszone met moeras, ruigtezones, natte en droge graslandzones. De ecologische verbindingszone die door het Koning Willem I-bos loopt heeft een meer bosachtig karakter. De provincie Zuid-Holland is verantwoordelijk voor de realisatie; de gemeente maakt deze planologisch mogelijk 69. In het energielandschap:
Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER
63 Waterhuishoudingsplan 64
Beleidsuitgangspunten groen, collegeprogramma. Beleidsuitgangspunten groen, uitvoeringsprogramma dorpsgroen. Beleidsuitgangspunten Groen Zuidplas. 67 Het Masterplan Middengebied Zuidplaspolder en het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER. 68 Is verankerd in het bestemmingsplan.
65
66
69
Is verankerd in het bestemmingsplan.
29
a. Zorgvuldige groene en bij voorkeur openbaar toegankelijke inpassing van het
i.
j. k. l.
energielandschap, door middel van een groene zoom van minimaal 40 meter en een 80 meter landschappelijke buffer naar de Watertuinen. b. Landschappelijke inpassing van de EVZ-verbindingszone langs de N219 tussen de 3e Tocht en het spoor. Het Koning Willem I-bos: a. Een robuust bos raamwerk (minimaal 30-40 meter brede boszones). b. Bevat maximaal 125 woningen met een maximale bouwhoogte van 13 meter (4 bouwlagen) 70 c. Heeft een deel van de ecologische verbindingszone tussen de groene Waterparel en het visje. We creëren een omgeving die uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en ontspannen. We bouwen een inclusief dorp waarin ruimte is voor ontmoeting, zingeving en meedoen." We bieden ruimte aan sport- en beweegvoorzieningen die aansluiten bij het dagelijkse gebruik door bewoners van het dorp (denk hierbij aan: beweegvriendelijke routes, speel- en sportplekken in de openbare ruimte).
“De ambitie is de ontwikkeling van een circulair polderlandschap waarin natuurlijke systemen de basis zijn voor het herstel van ecologische- en landschappelijke waarden. Het gebruik door de mens draagt bij aan deze ambitie.”
3.5. Thema: Duurzaamheid Masterplanambities: Energieneutraal, Circulair en lage CO2. Waar het thema Klimaat en Toekomstbestendigheid gaat over het aanpassen en veerkrachtig maken van de ontwikkeling voor toekomstige (klimaat)verandering, gaat het thema duurzaamheid over het minimaliseren van de bijdrage aan klimaatverandering door deze ontwikkeling. Dit doen we door in te zetten op energieneutraliteit, circulariteit en een lage CO2-uitstoot. Ambities a. Energie-neutraliteit op gebiedsniveau71: Er wordt in een jaar minimaal evenveel elektriciteit opgewekt in het gebied als gebruikt (álle gebruikte elektriciteit, inclusief laden voor grootschalige elektrificatie van mobiliteit in de nabije toekomst, lantaarnpalen etc.) 72.
70
Is verankerd in het bestemmingsplan. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de afname in rendement van zonnepanelen door maatregelen ten behoeve van hittestress en dienen de kansen voor opwek op (gebouwde) hubs nog te worden verkend. 72 Masterplan Middengebied Zuidplaspolder en het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER. 71
30
b. Geen kale daken: De daken van de bebouwing (inclusief de bedrijventerreinen) in het ontwikkelgebied worden optimaal ingezet voor het opwekken van energie. Waar mogelijk groene daken realiseren (in combinatie met zon-op-dak) om waterberging, water vasthouden, koelte, biodiversiteit en de efficiëntie van PV-panelen te bevorderen. Bij de opwekking van energie zetten we in op meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld door zonnepanelen bij de hubs. c. Slim elektriciteitnetwerk73: Het streven is om de energieopwekking, -verbruik en -opslag middels een ‘slim netwerk’ met elkaar in balans te brengen, ook voor de bedrijventerreinen. Hiermee borgen we betaalbare en betrouwbare elektriciteitsinfrastructuur. d. Een duurzame warmtevoorziening74: Duurzame, betrouwbare en betaalbare warmte- en koude voorziening voor ruimteverwarming van woningen en gebouwen. e. Natte teelt: In de Groene Schakel wordt ingezet op natte teelten en biobased bouwmaterialen (bijvoorbeeld lisdodde of bouwcomposiet) die in de (lokale) bouw van nieuwe woningen gebruikt kunnen worden. f. Circulair bedrijventerrein: Voor de bedrijventerreinen wordt ingezet op een circulaire economie, waarin stromen van materialen, energie en water zoveel mogelijk gesloten worden (industrial symbiosis). g. Circulair materiaalgebruik: i. Materiaalgebruik zoveel als mogelijk minimaliseren; ii.
Waar mogelijk duurzame en circulaire materialen toepassen (materialen met een lage milieubelasting, die bij voorkeur meer dan eenmalig bruikbaar zijn); iii. Er wordt gestreefd naar zo min mogelijk bouwafval tijdens de bouw; iv. Optimaliseren van bouwstromen en het beperken van onnodige transportbewegingen; v. Er wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk gebruiken van hergebruikte, biobased materialen. Bij gebruik van hout moet het hout uit duurzaam beheerde bossen komen en een FSC- of gelijkwaardig certificaat hebben; vi. Er wordt maximaal ingezet op biobased bouwen 75. h. Lage MilieuPrestatie Gebouwen (MPG): We streven naar een lage MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) voor de woongebouwen en hanteren een initiële MPG-waarde van 0,5 als streefwaarde. Deze waarde dient als maatstaf voor onze inzet om de milieu-impact van gebouwen te minimaliseren. Met de jaren streven we ernaar deze waarde, waar en wanneer mogelijk, nog scherper aan te stellen, om zo de duurzaamheid van onze woongebouwen te verbeteren. i. Gescheiden waterstromen76: Het is een ambitie om vernieuwende technieken voor waterinzameling, zuivering en/of hergebruik van vrijkomende stromen nader te onderzoeken en, indien haalbaar, te implementeren. Dit onderzoek wordt nader uitgewerkt samen met Hoogheemraadschap en drinkwaterbedrijven. j.
Circulaire sloop: Waar sloop nodig is voor de ontwikkeling, geschiedt dit zoveel mogelijk circulair zodat grondstoffen zo goed mogelijk herbruikbaar zijn. k. Lage CO2-uitstoot: Tijdens bouw en sloop zetten we in op het gebruik van werkvoertuigen die op duurzame energiebronnen werken, zoals elektrische hijskranen. l. Lokale productie: In het plangebied wordt ingezet op het toevoegen van een herenboerderij, voedselbos of andere voorzieningen die de bewoners van Zuidplas kunnen gebruiken om lokaal te consumeren. m. Waterdoorlatende verharding op parkeerplekken: Daar waar mogelijk worden waterdoorlatende parkeerplekken gerealiseerd, op locaties waar dit bijdraagt aan het beoogde doel van waterbeheer (en vermeden op kleigronden waar dit geen positief effect heeft). n. Duurzame sportaccommodaties, ontwerp en realisatie op basis van de uitgangspunten voor een energieneutrale en klimaatadaptieve leefomgeving. Nieuwbouw voldoet minimaal aan BENG-
73
Masterplan Middengebied Zuidplaspolder. Het Masterplan Middengebied Zuidplaspolder en het Collegeprogramma 2022-2026 en overgenomen als all-electric warmtevoorziening in het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER. De mogelijkheid van aquathermie wordt parallel onderzocht. 75 Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER. 76 Dit wordt nader uitgezocht en uitgewerkt in het sanitatieplan en waterplan. 74
31
normen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) en wordt waar mogelijk aangesloten op lokale duurzame energiebronnen zoals zon, warmte-koudeopslag of restwarmte. Bij sportaccommodaties wordt expliciet gestuurd op circulair materiaalgebruik, natuurinclusief bouwen en waterbesparende installaties (zoals bij douches en zwembadfilters). o. Zo veel mogelijk biobased bouwen/ houtbouw (grondgebonden woningen naar schatting 50% houtbouw, voor appartementencomplexen waarschijnlijk wel een betonnen kern) en funderen op betonnen palen)77. p. Ontwerpprincipes netbewuste nieuwbouw: We verkennen de mogelijkheden om woningen te ontwikkelingen conform de ontwerpprincipes voor netbewuste nieuwbouw.
Uitgangspunten a. Realisatie van voldoende opwek op land78 met een maximum van 57 hectare79, om energieneutraliteit op gebiedsniveau te bewerkstelligen. Bij energie-opwek op land is multifunctioneel ruimtegebruik een vereiste 80. b. Energielandschappen: In het ontwikkelgebied worden energielandschappen aangewezen die worden gerealiseerd met een optimaal rendement, met inachtneming van een goede landschappelijke inpassing. c. De materialen die gebruikt worden voor de bouw zijn verwerkt in een materialenpaspoort of een soortgelijke registratie voor toekomstig hergebruik van materialen. d. Gebruik van de milieukostenindicator en duurzaamheidspuntensysteem voor aanbestedingen om tot een keuze te komen voor materialen voor infrastructuur en inrichting. 81 e. Per fase van de ontwikkeling wordt voldoende energielandschap aangelegd om in de energievraag tijdens de bouw en het gebruik van die fase te voorzien. f. In het ontwikkelgebied wordt uitgegaan van een traditionele inzameling van waterstromen via een gescheiden stelsel, waarbij hemelwaterafvoer (HWA) en droogweerafvoer (DWA) afzonderlijk worden afgevoerd en richting een zuiveringsvoorziening worden getransporteerd. Als de uitwerking van ambities zicht geeft op het invoegen van een vernieuwende behandeling van waterstromen dan wordt dit overwogen op basis van financiële en ruimtelijke haalbaarheid. g.
In de realisatiefase worden grondstromen zoveel als mogelijk getransporteerd via buisleidingen 82 of via transportband. h. Het visje (gelegen tussen de infrastructuur in het oosten van het plangebied) wordt als ruimtelijke reservering energie opwek83. i. Buiten de Groene Schakel stimuleren van ondernemers om maatregelen te nemen in het kader van Slim elektriciteitnetwerk zoals batterij-opslaginstallaties.
77
Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief van het MER, daarin wordt geadviseerd om maximaal biobased te bouwen. 78 Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER. 79 Dit is verankerd in het bestemmingsplan. 80 Dit is verankerd in het bestemmingsplan. 81 Zoals voorgesteld in het alternatief circulair/duurzame energie van het MER. 82 Het door het college van B&W vastgestelde voorkeursalternatief mede op basis van het MER. 83 De invulling van het visje betreft een afwijking ten opzichte van het Masterplan Middengebied Zuidplaspolder.
32
“De ambitie voor energie is een zo effectief mogelijke vorm van opwekking te realiseren met een geringe ruimtelijke impact.”
4. Gebiedsgerichte inrichtingsprincipes Het Middengebied, zoals vastgelegd in het Masterplan Middengebied Zuidplaspolder, bestaat uit een casco-structuur (een groenblauw raamwerk) en de velden daartussen. Het casco is een abstractie van het Masterplan Middengebied op structuurniveau en vormt het ruimtelijke raamwerk voor de stedenbouwkundige uitwerking van de deelgebieden. Het casco borgt ook de recreatieve en ecologische verbindingen met de omgeving (o.a. Rottemeren en Krimpenerwaard). Het casco is opgebouwd uit structuren en gebieden. De structuren zijn de tochten, sloten, linten en polderwegen, aangevuld met nieuwe landschappelijke lijnen. Zoals de halverwegen en de hartlijn en de slinger. Zij geven oriëntatie, maken de ontstaansgeschiedenis zichtbaar en zorgen voor eenheid en herkenbaarheid langs de lange lijnen in het dorp. De gebieden zijn de ruimtes tussen de structuren in. Afhankelijk van de ligging wordt er gewoond, gewerkt, gerecreëerd of is er ruimte voor natuur en landschap. Elk gebied en elke structuur, heeft een eigen identiteit die in dit hoofdstuk nader is uitgewerkt. Het raamwerk ligt vast en bepaalt voor een belangrijk deel de identiteit en beleving van het Middengebied met het Cortelande. Hierbinnen is een flexibele invulling mogelijk die afhankelijk van wensen en eisen, tijd en veranderende omstandigheden kan verkleuren.
Voor fase 1a is een stedenbouwkundig casco uitgewerkt dat ter toetsing is voorgelegd aan de gemeenteraad bij deze herijking van de NvU in 2025. In dit casco voor fase 1a wordt de onderverdeling in segmenten, de voorgestelde globale invulling qua hoog-en laagbouw, de invulling van de wegenstructuur, groenstructuur, voorzieningen en bouwdichtheid zichtbaar gemaakt.
33
Stedenbouwkundig casco- of raamwerkkaart84
Leeswijzer In paragraaf 5.1 worden de structuren voor de ontwikkeling beschreven. Er wordt aangegeven wat het beoogde karakter is voor een structuur door middel een omschrijving en er worden inrichtingsprincipes voor de verdere uitwerking meegegeven. Deze inrichtingsprincipes zijn richtinggevend voor de verdere uitwerking, met name de stedenbouwkundige deelplanuitwerkingen, bijbehorende beeldkwaliteitsplannen en het stedenbouwkundig casco voor fase 1A. In paragraaf 5.2 worden gebieden aan de hand van een omschrijving en inrichtingsprincipes op eenzelfde wijze behandeld. De gemeenteraad zal worden gevraagd de omschrijving en inrichtingsprincipes vast te stellen en daar als gemeente een inspanningsverplichting voor aan te gaan, in de verder uitwerking. Dus voor dit hoofdstuk geldt geen resultaatverplichting zoals geldt voor de uitgangspunten uit het vorige hoofdstuk. Het hoofdstuk kan gezien worden als een tekstuele beschrijving van het voorlopig ontwerp stedenbouw. Het voorlopig ontwerp voor fase 1A is uitgewerkt tot een stedenbouwkundig casco en is aan de gemeenteraad voorgelegd in samenhang met deze herijking van de NvU.
4.1. Specifieke kenmerken voor de structuren De structuren binnen het groenblauwe raamwerk van het Middengebied zijn bestaande en nieuwe landschappelijke elementen. Ze bieden zowel visuele kwaliteit als functionele voordelen, zoals waterbeheer, ecologische verbindingen en verkeersroutes. Deze structuren dragen bij aan de identiteit en functionaliteit van het gebied. Voor de onderstaande structuren wordt hieronder een omschrijving gegeven en worden inrichtingsprincipes benoemd: 4.1.1 Polderlinten en tochten; 4.1.2 Hartlijnen; 4.1.3 Groene Slinger: groene omlijsting Kreekrugdorp; 4.1.4 4e Tocht met Landschapspark; 4.1.5 Halverwegen. 84
Het casco van structuren en gebieden staan in de bestemmingsplankaart (de omschrijvingen en inrichtingsprincipes komen niet als zodanig terug in het bestemmingsplan). Een stedenbouwkundig casco voor fase 1A zal tevens ter toetsing worden voorgelegd aan de gemeenteraad.
34
4.1.1 Polderlinten en tochten
Principe Polderlinten
De bestaande lange lijnen in de polder, zoals tochten, polderlinten en de Zuidelijke Dwarsweg, vormen het ruimtelijke raamwerk van het Middengebied. Ze hebben een historische, functionele en landschappelijke waarde. Er is ruimte voor het toevoegen van een aantal erven (zie (concept-) Spelregels Groene Schakel, bijlage 5) met behoud van het zicht op het open landschap en het Koning Willem 1 bos. De polderlinten worden omgevormd tot aantrekkelijke fietsroutes en woonstraten. Andere functies zoals kleinschalig werken en recreatie blijven mogelijk. Omschrijving Bredeweg – Middelweg De Bredeweg/Middelweg wordt beschouwd als een zogenaamd polderlint. Het was in het verleden een provinciale weg tussen de kernen Moordrecht en Moerkapelle. Door het wegprofiel, de grote bomen en het parallelle vrijliggende fietspad is een weg’ ontstaan, met meer grootschalige erven en bouwvolumes. Nieuwe bebouwing in dit polderlint dient dan ook aan te sluiten op de hier aanwezige maat en schaal. Deze weg transformeert binnen de bebouwde kom naar een groene en schaduwrijke ontsluitingsweg voor Cortelande. Uitzondering hierop vormt het wegvak gelegen binnen de Groene Slinger, dit wegvak wordt ingericht als bovenstaand met alleen een ontsluitingsfunctie voor aanliggende erven en langzaam verkeer. De lintwoningen, oude bomen en het ruimtelijk beeld van het wegprofiel geven het een gebiedseigen waarde.
De woningen aan weerszijden van dit polderlint worden over het algemeen gekenmerkt door een rijkere architectuur. Geleidelijk groeit het Koning Willem 1 bos en wordt het polderlint aan een zijde geflankeerd door nieuw bos. In het polderlint is ruimte voor het verrijken van de route met kleinschalige recreatieve voorzieningen op de erven.
Principeprofiel Middelweg
35
Omschrijving Zuidelijke Dwarsweg De Zuidelijke Dwarsweg is een zogenaamd dwarslint van de polder. In tegenstelling tot de overige polderlinten (noord-zuid) loopt deze in oost-westelijke richting. Het wordt gekenmerkt door een smal profiel met aan weerzijden sloten met gebiedseigen en historische waarde. De Zuidelijke Dwarsweg wordt getransformeerd naar een hoofdfietsroute en behoudt het landelijk profiel. In de Groene Schakel worden er geen nieuwe erven toegestaan aan de Zuidelijke Dwarsweg om de openheid van het polderlandschap te borgen. Binnen het dorp wordt de Zuidelijke Dwarsweg aan weerszijden begeleid door voorkanten van woningen van verschillende buurten, die over het algemeen gekenmerkt worden door een ingetogen en eigentijdse dorpsarchitectuur. Waar ruimte is in het profiel wordt langs het lint streekeigen opgaand groen toegevoegd.
Principeprofiel Zuidelijke Dwarsweg
Omschrijving Knibbelweg - Derde Tochtweg De Derde Tochtweg wordt gezien als een polderlint en vormt in de toekomst de rand van het nieuwe dorp en de Groene Schakel. Het polderlint heeft een kenmerkend asymmetrisch wegprofiel waar ruimte is komt er een “brede” watergang aan de ene zijde en een smalle watergang aan de andere zijde. Agrarische erven worden getransformeerd tot woonerven. Ook is er ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe erven aan de oostzijde van het polderlint, grenzend aan het nieuwe dorp. Bij de Groene Waterparel moet de openheid en weidsheid van de polder worden behouden en versterkt. Nieuwe erven zijn daar niet toegestaan. Langs de Derde Tochtweg is er ook ruimte voor kleinschalige recreatieve voorzieningen om de route te verrijken.
36
Principeprofiel Derde Tochtweg
Omschrijving Bierhoogtweg - 2e Tochtweg De Bierhoogtweg - 2e Tochtweg is een recreatief polderlint in de Groene Schakel. Het kenmerkende smalle wegprofiel bestaat uit een smalle polderweg, weerszijde beschoeiingen, met passeerstroken met, waar ruimte is, brede en smalle watergangen aan beide zijden, omringd door “groene” erven. Het polderlint heeft een mix van wonen, werken en recreatie. Het biedt afwisselende uitzichten op de open polder en beschutte plekken tussen groene erven. Bestaande bedrijven kunnen worden ingepast en de route kan worden verrijkt met bijvoorbeeld een polderrestaurant, een bloemenstalletje of een landwinkel. Groene coulissen zorgen voor de landschappelijke inpassing van bedrijven die in de Groene Schakel liggen. Ook is er ruimte voor nieuwe erven onder voorwaarde zoals geschetst in het toetsingskader Groene Schakel (bijlage 5).
Inrichtingsprincipes polderlinten en tochten Publieke ruimte • • •
• • • •
Behoud en ontwikkeling van het karakteristieke lineaire, smalle wegprofiel en de landelijke inrichting van de openbare ruimte. Polderlinten met aan weerszijde smalle bermen en eenzijdig ruimte voor waar mogelijk natuurvriendelijke oevers en waar mogelijk bomen. De Tochten en poldersloten naast de polderwegen horen bij het historisch wegprofiel. Deze worden behouden of versterkt en blijven in het zicht. De kavels worden van de openbare weg daarom ontsloten door één vlakke brug aan de Tochtzijde. Aan de slootzijde is ook een duikerbrug mogelijk. De polderlinten worden geschikt gemaakt voor fietsverkeer en lokaal verkeer en er blijft door het Middengebied (via polderlinten of elders) een goede route voor landbouwverkeer. Groene inrichting erven door karakteristieke en streekeigen erfbeplanting, windsingels en watergangen. Tussen de polderlinten zijn op een aantal kansrijke plekken dwarsverbindingen en doorsteekjes met informele polder- en laarzenpaden wenselijk. Maatwerk in het afstemmen van de waterpeilen rond bestaande kavels in de polderlinten op de nieuwe waterpeilen in het dorp. Voorkomen overlast voor bestaande bewoners en gebruikers is het doel.
Private ruimte • • • • •
Landelijk wonen op bestaande en nieuwe erven, passend in de schaal en maat van de polder, met erfbeplanting. Erfensemble: karakteristieke opbouw erf met een hiërarchie tussen het hoofdgebouw dat georiënteerd is op het polderlint en de grotere schuurvolume(s) en bijgebouwen achter op het erf. Bebouwing overwegend 1- 1,5/2 lagen + kap, passend bij architectuur van de linten in typologie en materialisering. Ruimte voor zelfbouwkavels voor de pioniers van het nieuwe dorp. Nieuwe erven zijn 40 meter breed en max. 50 meter diep, met uitzondering van erven aan de Bredeweg - Middelweg.
37
4.1.2 Hartlijnen
Principe Hartlijnen
De Hartlijnen zijn levendige groene dorpsstraten binnen het Cortelande. Ze lopen via de Groene Slinger dwars door het dorp en verbinden gebieden buiten het plangebied met elkaar. De Hartlijnen dienen als dragers van de dorpse identiteit en gemeenschap, met een mix van wonen, werken en voorzieningen. Langzaam verkeer en het dorpsleven versterken elkaar langs deze routes. De Hartlijnen vormen ook de groene verbinding tussen de Groene Schakel, parken en het Koning Willem 1 bos. De Noordelijke- en Zuidelijke Hartlijn hebben elk een eigen karakter. De Noordelijke Hartlijn is ingericht op zowel de fiets als de bus, terwijl de Zuidelijke Hartlijn alleen voor de fiets is. Beide lijnen zijn niet bedoeld voor autoverkeer. Bij de overgang van het dorp naar de N219 komen de Hartlijnen samen en vormen ze een landelijke bomenlaan. Er zijn kavels beschikbaar voor wonen en werken aan huis, evenals kleinschalige maatschappelijke voorzieningen. Algemene inrichtingsprincipes Hartlijnen Publieke ruimte •
Aantrekkelijke doorgaande route voor voetgangers en fietsers naar het dorpshart. Een continu slingerend profiel begeleid met bomen, hoogteaccenten, bijzondere hoeken en een steeds hogere dichtheid richting het centrum. Door dat laatste worden voetgangers en fietsers vanzelfsprekend naar het dorpsplein, dorpspark en naar het buitengebied getrokken.
•
Het profiel is iets verbreed ter plaatse van bijzondere functies zoals horeca of een terras, bushalte of groene plek. Hierdoor ontstaat een reeks van aantrekkelijke, kleinschalige ontmoetingsplekken met een dorps karakter.
•
De profielen worden dorps en ontspannen ingericht met een duidelijke focus op ruimte voor lopen en fietsen.
•
Op belangrijke accentplekken staan verschillende beeldbepalende bomen in een bloem- en kruidenrijk plantvak, met soms een wadi, of een klein park. Dit draagt bij aan biodiversiteit, een hoge belevingswaarde en klimaatadaptiviteit. De bomen geven schaduw, sfeer en zijn mogelijke foerageerroutes voor vogels en vleermuizen. De overgang van openbare ruimte naar de woning wordt gevormd door klimaatadaptieve geveltuinen/groene voorstoepen.
•
38
Private ruimte •
Dorpse verdichting in het centrum.
•
Actieve en hoge plint (horeca, detailhandel, werkplek, woonruimte of keuken aan de Hartlijn), geen blinde gevels richting de openbare ruimte.
•
Divers programma, woontypologieën, centrumvoorzieningen, kinderopvang, school, werkplekken, etc.
•
Ruimte voor vrije kavels, zelfbouwers/pioniers in allerlei vormen en maten.
•
Ruimte voor nieuwe woonvormen die gemeenschap stimuleren (woonhofjes, meergeneratiewoningen, etc.).
•
Een compacte bebouwingsstructuur met een duidelijke wandvorming met overwegend een aaneenschakeling van individuele panden.
•
Grote mate van afwisseling in gevelbeeld, kapvormen/richtingen, kleur- en materiaalgebruik;
•
Variatie in rooilijn, hoogte en breedte.
•
Verticale geleding van de gevel.
•
Korte rijtjes (maximaal 3 woningen) óf rijtjes van maximaal 7 met duidelijke rooilijnverspringing (1m).
•
Klimaatadaptieve geveltuinen/groene Delftse stoepen van minimaal 1 meter.
Specifieke inrichtingsprincipes Noordelijke Hartlijn Publieke ruimte • • •
•
Doorgaande busverbinding naar relevante OV-knooppunten85 over de Hartlijn met daaraan gekoppelde bushaltes; Beeldbepalende bomen, waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende boomsoorten en boomgrootte; De bomen (die goed tegen vochtige omgeving bestand zijn) worden geplaatst in groene bloem- en kruidenrijke bermen (van minimaal 2 meter) aan weerszijden van de busbaan; Een duidelijke markering en begeleiding van de busbaan in het profiel van de openbare ruimte; Veilige oversteekplekken; Aanleg rijloper met een minimale breedte van 7 meter voor OV en fiets.
Private ruimte •
De maximale bouwhoogte is 4 lagen en in het centrum 6 lagen met een icoon van 8 lagen, en daarnaast hogere accenten van 8 lagen bij de Vierde Tochtpark. De hogere accenten dragen bij aan de begeleiding van de openbare ruimte en vormen de oriëntatiepunten in het dorp;
85
Locaties in de omgeving waar meerdere waardevolle overstappunten op andere OV-verbindingen zijn zoals NS-stations of busknooppunten met één of meerdere (R-net) routes.
39
Principeprofiel Noordelijke Hartlijn met OV
Specifieke inrichtingsprincipes Zuidelijke Hartlijn
Publieke ruimte •
•
Doorgaande fietsverbinding door Cortelande die delen van Cortelande met elkaar verbindt en de relatie legt met de fietsverbindingen vanuit Cortelande richting voorzieningen, werklocaties en OV-locaties in de omgeving. De Zuidelijke Hartlijn heeft een intiemer profiel dan de Noordelijke Hartlijn en geeft ruimte aan fietsers en voetganger;
•
Enkele gevarieerde, veelkleurige bomen in een groene kruidenrijke berm aan de zonzijde voor schaduw op de route;
•
Variatie op het profiel aan de randen om ruimte te maken voor programmering van functies, voor een terras, ontmoetingsruimte, groen of water(berging);
•
Vormt de corridor om Groene Schakel, parken en Koning Willem 1 bos met elkaar te verbinden; Bomen, beplanting, verharding, lichtmasten en inrichtingselementen versterken zowel de verblijfsfunctie als het fietskarakter van de Hartlijn;
• •
Maatvoering fietspad afstemmen op verwachte intensiteit en gebruik voor nood- en hulpdiensten;
•
Voetpaden separaat van het fietspad voor comfort en veiligheid;
•
Gevarieerde aanplant van bomen van verschillenden grootte, conform het handboek bomen, in de 1e of 2e orde grootte.
•
Verlaagde groenvakken dienen als wadi/ regentuin ten behoeve van klimaatadaptatie.
Private ruimte • •
Actieve en hoge plint voor functiemenging. De maximale bouwhoogte is 4 lagen en in het centrum 6 lagen met een icoon van 8 lagen, en daarnaast hogere accenten van 8 lagen bij de Vierde Tochtpark. De hogere accenten dragen bij aan de begeleiding van de openbare ruimte en vormen de oriëntatiepunten in het dorp.
40
Principeprofiel Zuidelijke Hartlijn-fietsstraat
5.1.3 Groene Slinger: groene omlijsting Kreekrugdorp
Principe Groene Slinger
De Groene Slinger is een nieuwe stedenbouwkundige structuur die de contour van de hoger gelegen kreekrug volgt en dient als hoofdontsluitingsweg (ring) van het dorp. Er geldt een maximumsnelheid van 30km/uur. Het is een stevige groene omlijsting van het Kreekrugdorp met een groene en schaduwrijke laan, een soort slingerpark om het kreekrugdorp. De Groene Slinger vormt de overgang tussen een compact en dorps woonmilieu op de kreekrug naar het wonen in lagere dichtheden in het groen- en waterrijke landschap van de Watertuinen. Langs de route van de Groene Slinger kunnen de verschillende gebieden met elk een eigen sfeer ervaren worden.
Inrichtingsprincipes Groene Slinger
Publieke ruimte •
Stevige groene rand rondom het Kreekrugdorp, die smaller wordt en weer verbreedt, met een robuuste bomenlaan met gemengde laanbeplanting en een informele wandelroute;
41
• • • • •
De bomen geven schaduw, sfeer en zijn mogelijke foerageerroutes voor vogels en vleermuizen, bermen worden ecologisch en klimaatadaptief ingericht en beheerd; Groene rand loopt duidelijk over van hoog en droog in het Kreekrugdorp, naar drassig en natuurlijk in de Watertuinen.; Aan de Kreekrug-zijde begeleid door een voetpad, daardoor sluit de bebouwing direct aan op de laan; Aan de Watertuinen-zijde een natuurlijk ingerichte singel met natuurvriendelijke oevers met een informele, slingerende wandelroute onder de bomen; De Groene Slinger is in het landschappelijke raamwerk ondergeschikt aan het 4e Tochtpark en de polderlinten. Waar de Slinger een polderlint of 4e Tochtpark kruist, stopt de laanbeplanting en gaat het landschap van de kruisende polderlijnen voor.
Private ruimte • • •
•
Bouwhoogte van 2 tot 3 lagen met een kap met daarnaast enkele hogere accenten. De hogere accenten dragen bij aan de begeleiding van de openbare ruimte en zijn de oriëntatiepunten; Voorzijden woningen georiënteerd op de Groene Slinger; De rooilijnen van de bebouwing in de Watertuinen volgen juist niet de Groene Slinger maar de bestaande richting van de poldersloten, waardoor aan deze zijde her en der meer afstand ontstaat en water het beeld gaan bepalen. De bebouwing in de Watertuinen is ook losser, kleinschaliger en gevoelsmatig te gast in het nattere polderlandschap; Bebouwingszijde Kreekrugdorp: korte rijtjes (maximaal 5). Afgewisseld met samengestelde rijtjes met een diversiteit van typologieën en architectuur en duidelijke rooilijnverspringing (>1m) met maximaal 9 woningen;
•
Maximale bouwhoogte is 3 lagen met een kap met accenten van max 5 lagen;
•
Iedere woning heeft een groene voortuin.
Principeprofiel Groene Slinger
42
5.1.4 Vierde Tochtzone
Principetekening Vierde Tochtzone
Omschrijving Vierde Tochtzone De Vierde Tocht is een belangrijke waterafvoerlijn in de polder. Langs de tocht bevindt zich een 70 meter brede strook die vrij moet blijven van bebouwing en dichte begroeiing vanwege ondergrondse leidingen. Dit ruimtelijke geheel vormt samen een ecologisch, polderlandschap: Het 4e Tochtpark in het hart van het dorp, met ruimte voor groen, water, spelen, wandelen en natuur. Wonen en recreëren aan het water komen hier samen. Karakteristieke bruggen en avontuurlijke recreatieve routes zorgen voor verbindingen. Het gebied is toegankelijk voor wandelaars en fietsers en wordt zo min mogelijk doorkruist door autoverkeer. Dit creëert een ecologische en recreatieve verbinding tussen dorp en het omringende landschap.
Inrichtingsprincipes Vierde Tochtzone
Publieke ruimte •
De Vierde Tochtzone heeft een groene, avontuurlijke en klimaatadaptieve inrichting;
•
Inrichting gericht op de natuurlijke habitat van oever- en watergebonden beplanting en amfibische diersoorten;
•
Middelhoge (struiken en heesters) en lage vegetatie (grassen en kruiden) om de biodiversiteit te bevorderen;
•
Natuurpark voor waterberging en waterzuivering. Vertraagd afvoeren en zuiveren met natuurvriendelijke oevers;
•
Asymmetrisch profiel: De lineaire ruimte van de 4e Tochtzone krijgt bomen langs de bestaande Vierde Tocht en aan de andere zijde, die op bepaalde plekken zijn aangezet of weggelaten om bijzondere plekken (zoals het dorpshart) te accentueren;
43
•
Natuurlijk groenzone die bestaat uit diversiteit aan waterlandschappen (broekbos, rietlanden). Ruimte voor experimenteren met veen-en bodemgroei, in combinatie met extensieve recreatie;
•
Bestaande slotenpatroon en maaiveld als onderlegger voor toekomstig gebruik;
•
Ophoging t.b.v. toegankelijkheid en gebruik voor o.a. spelen, paden, en onderhoud etc.
Private ruimte •
De brede landschappelijke zone (totaal ca. 125m) met water (Vierde Tocht) geeft aanleiding tot verdichting langs de randen met ruimte voor gestapeld programma;
•
Grondgebonden woningen en appartementen met optimaal uitzicht op het landschapspark.
•
Recreatieve voorzieningen die profiteren van de ligging aan het water Stevige bebouwing in hogere dichtheden en ruimte voor een aantal accenten met grotere bouwhoogten (maximaal 8 bouwlagen86) met een diversiteit van woontypologieën;
•
Speelse bebouwingswand met een wisselende gevellijn, korte rijen, openingen naar het water;
•
Aan de zone gelegen buurtjes geven een samenhangend beeld, seriematigheid voorkomen door afwisseling per buurtje;
•
Voorzijden woningen georiënteerd op het landschapspark met groene voorstoepen/tuinen;
•
Buitenruimtes (loggia, balkon, stoep, tuin, dakterras) zorgen voor interactie met het 4e Tochtpark
Principeprofiel Vierde Tochtzone
86
Nadat hierover afstemming heeft plaatsgevonden met de gemeenteraad
44
5.1.5 Halverwegen
Principe tekening Halverwegen
Omschrijving Tussen bestaande polderlinten en tochten worden twee structuren toegevoegd: de ‘Halverwegen’. Deze dienen als belangrijke ontsluitingswegen voor auto’s en fietsen van het dorp zodat bestaande polderlinten zo veel mogelijk worden ontzien van autoverkeer. De ‘Halverwegen’ verkleinen de maat van het slagenlandschap van 800 naar 400 meter. Zo ontstaat samen met de Hartlijn(en) en Zuidelijke Dwarsweg in oostwestelijke richting een raster van circa 400 bij 400 meter, dat een helder patroon vormt voor buurten met een dorps karakter. Dit heeft als bijkomend voordeel dat loopafstanden kunnen worden verkleind. Het ruimtelijke beeld van de Halverwegen wordt bepaald door bomen, water en rietoevers aan weerszijden. Aan de Halverwegen liggen de buurten van het Kreekrugdorp en de Watertuinen, de buurten en de hubs worden zo direct mogelijk ontsloten. Publieke ruimte • •
• • •
Uitgangspunt is een symmetrisch en lineair profiel met bomen en watergangen met natuurvriendelijke oevers aan weerszijden; Diverse bomen van verschillende grootte, die tot volwassenheid kunnen uitgroeien, elk met hun eigen kenmerken en groottes; Afwisseling van hoge (bomen), middel (bijv. struiken) en lage vegetatie (bijv. grassen/kruiden) om de biodiversiteit te bevorderen; De bomen geven schaduw, sfeer en zijn mogelijke foerageerroutes voor vogels en vleermuizen; De bermen worden waar dit ruimtelijk inpasbaar is zo veel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd;
45
• • • • • •
Geschikt voor langzaam verkeer (voet/fiets) en als ontsluiting voor de auto (door de Watertuinen vanaf N219 ook hoofdontsluitingsweg (30 km/uur) van het dorp); Openbare toegankelijke oevers met een informele wandelroute onder de bomen, langs het water; Variatie in profiel bij veranderende woonmilieu Kreekrugdorp – dorpscentrum - Watertuinen; Dorpsplein en diverse verblijfsplekken aan het water; Toegangsbruggen/ duikerbruggen voor ontsluiting van de diverse buurtjes; Vrijliggend fietspad ter plaatse van de hoofdontsluiting (N219).
Private ruimte •
Bebouwing met een dorpse schaal en maat, samenhangend in architectuur per bouwblok. Ruimte voor samengestelde bouwblokken, langere rijtjes (maximaal 7 woningen) en grotere bouwvolumes. Maximaal 4 lagen of 2 lagen met een kap;
•
Voorgevel aan de Halverwegen, met stoep of voortuin als overgang naar de openbare ruimte;
•
Woonruimte of keuken aan de voorzijde, geen blinde gevel;
•
Buitenruimtes (loggia, balkon, stoep, tuin, dakterras) zorgen voor interactie met de openbare ruimte;
•
Minder individualiteit, meer samenhang door langere rijtjes en grotere bouwvolumes.
Principeprofiel Halverwegen
4.2. Specifieke kenmerken voor de gebieden Voor de ontwikkeling van het Cortelande zijn een aantal deelgebieden gedefinieerd. Elk deelgebied heeft zijn eigen focus, zoals wonen in het Kreekrugdorp en de Watertuinen, recreëren en wonen in het Koning Willem I-bos, werken op het bedrijventerrein Doelwijk II en Gouwepark II en duurzame energieopwekking in het energielandschap. Deze deelgebieden worden verbonden door het groenblauwe raamwerk van lange lijnen die de identiteit en oriëntatie bepalen. De omschrijvingen en inrichtingsprincipes voor gebieden zijn in dit hoofdstuk opgenomen, met ruimte voor mogelijke aanpassingen gezien de lange termijn van het project.
46
Overzicht deelgebieden
Voor onderstaande deelgebieden zijn de specifieke kenmerken benoemd: 4.2.1 Kreekrugdorp 4.2.2 Watertuinen 4.2.3 Koning Willem 1- bos 4.2.4 Bedrijventerreinen Doelwijk II en Gouwepark II 4.2.5 Energielandschap 4.2.6 Groene Schakel 4.2.7 Agrarische Zone 4.2.1 Kreekrugdorp Het Kreekrugdorp is het hart van het Cortelande. Hier ligt het dorpscentrum en er wordt gewoond in hogere dichtheden in de nabijheid van voorzieningen. De gebiedsomschrijving is het resultaat van de uitwerking van de eerste fase van het Kreekrugdorp en wordt in dit hoofdstuk uitgewerkt naar inrichtingsprincipes.
47
Ligging Kreekrugdorp
Omschrijving Het Kreekrugdorp ligt op de kreekrug, een hoger gelegen deel van de Zuidplaspolder waarvan de ondergrond stevig is en voornamelijk bestaat uit klei. Het Kreekrugdorp bestaat uit een dorpscentrum, dorpspark en omliggende woonbuurten met elk een herkenbaar buurthart. Het centrale dorpsplein is – naast het dorpspark in het westelijk deel van het kreekrugdorp - één van de grotere ontmoetingsplekken van het dorp en is levendig geaccentueerd met groen. Diverse functies komen hier bijeen. De buurtjes in het Kreekrugdorp zijn ontworpen om aan te sluiten op de lange lijnen van de Hartlijnen en de Groene Slinger. De buurtjes hebben besloten straatjes en hofjes die zorgen voor oriëntatie, herkenning en sociale cohesie en elk buurtje heeft een gemeenschappelijk buurthart. In het Kreekrugdorp wordt in hogere dichtheden gewoond dan in de Watertuinen. Parkeren vindt plaats in hubs, in straten zijn auto’s hooguit te gast. Wandelen en fietsen vindt plaats middels een dwaalnetwerk met speel- en ontmoetingsplekken. Eerste fase Kreekrugdorp (1a) Voor de eerste fase van het Kreekrugdorp (fase 1a) is een stedenbouwkundige uitwerking gemaakt. De bevindingen die hieruit voortkomen zijn vertaald naar specifieke kenmerken en maatregelen die van toepassing zijn op het Kreekrugdorp als geheel.
Inrichtingsprincipes Kreekrugdorp Publieke ruimte •
In het dorpscentrum vormen dorpse straten en stegen een fijnmazig publiekstoegankeljjk netwerk. De straatjes worden afgewisseld met pleintjes en groene plekken (op bijvoorbeeld kruisingen) waar mensen elkaar kunnen ontmoeten;
•
Het dorpsplein in het centrum is het hart van het dorp en vormt de grootste openbare ruimte. Het plein heeft groene accenten en biedt ruimte aan ontmoeting, terrassen, activiteiten en evenementen;
48
•
•
• • • • • •
De openbare ruimte in de buurten wordt gekenmerkt door de auto te gast (of de auto is geheel afwezig) waardoor er groene woon- en leefstraten ontstaan die ingericht zijn op wandelen, fietsen en verblijven; De auto’s zijn zoveel mogelijk uit het straatbeeld verdwenen en parkeren gebeurt in hubs of parkeerkoffers. Via de Groene Slinger, halverwege en inprikkers zijn de hubs voor de auto ontsloten. Hubs zijn gecreëerd binnen samengestelde bouwblokken en hebben een capaciteit van maximaal 150 auto’s. Iedere buurt heeft een centrale groene plek (buurtparkje of openbare buurttuin waar speelplekken liggen voor de doelgroepen 4-12 jaar); Netwerk van openbare ruimtes geeft ruimte voor waterberging (wadi’s, open water, regentuinen); De beplanting is klimaatrobuust en divers, geeft schaduw en beschutting en is een habitat voor insecten en kleine dieren; Elke buurt, blok en straat heeft een afgewogen mix van functies, woonprogramma en typologieën; In het dorpshart kruisen de Hartlijnen niet met autoverkeer, behalve langs het 4 e Tochtpark. Supermarktfuncties moeten omringd worden door aanvullende functies, ter voorkoming van blinde gevels en een levendig dorpshart.