Getekende Integrale Verordening Sociaal Domein A20.001412
Tekst van het document
Artikel 77. Overleg met de gemeente
1.
Er is een periodiek bestuurlijk overleg van de wethouders van Wmo 2015, Jeugdweten Participatiewet met een afvaardiging van de adviesraad. Dit overleg vindt driemaal per jaar plaats of zoveel vaker als nodig is. a. dit overleg heeft als doel om elkaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en om van gedachten te wisselen over de hoofdlijnen van beleid. In de vergadering vindt derhalve geen besluitvorming plaats; b. wanneer een onderwerp andere portefeuilles raakt dan kan de betreffende wethouder uitgenodigd worden om aan te sluiten;
38
c.
2.
de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging. Er is periodiek ambtelijk overleg met een afvaardiging van de adviesraad. a. een afvaardiging van de adviesraad overlegt zesmaal per jaar/ eenmaal in de zes weken met een ambteiijke vertegenwoordiging van de gemeente; b. in de vergadering worden relevante ontwikkelingen besproken op het gebied van het sociaal domein; c. in het overleg wordt afstemming gezocht op inhoud en procedure over de onderwerpen die voor advisering zullen worden aangeboden aan de adviesraad; d. de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging.
Artikel 78. Faciliteren en verantwoording
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Voor de activiteiten van de adviesraad wordt een budget beschikbaar gesteld. De regels voor de besteding van dit budget worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de adviesraad. In het huishoudelijk reglement wordt ook het declaratiebesluit voor de leden opgenomen. Voor kosten of verplichtingen die de adviesraad wil aangaan die buiten dit budget vallen is vooraf instemming van de gemeente nodig. De adviesraad stelt jaarlijks, uiterlijk 3 maanden voor de aanvang van het boekjaar, een begroting vast die wordt ingediend bij het college. Het college stelt het budget vast voor zover dat binnen het door de raad beschikbaar gesteld budget valt. De adviesraad stelt jaarlijks binnen drie maanden na afloop van het boekjaar een financieel en inhoudelijk jaarverslag op. Het financieel en inhoudelijk jaarverslag wordt aan het college gezonden voor de verantwoording van de werkzaamheden en afrekening van het boekjaar. Het college stuurt het financieel en inhoudelijk jaarverslag aan de gemeenteraad ter informatie.
Artikel 79. Samenstelling van de adviesraad
1. 2.
3.
4. 5. 6. 7.
8.
De adviesraad bestaat uit minimaal 7 en maximaal 15 leden inclusief de voorzitter. De leden worden geworven op basis van een profiel via een door de adviesraad in te stellen selectiecommissie. Daarbij wordt ernaar gestreefd dat de leden afkomstig zijn uit de combinatie van leden van representatieve organisaties, leden met een specifieke kennis of ervaring en leden vanuit doelgroepen dan wel ervaringsdeskundigen. De leden worden benoemd door het college op grond van een ambtelijk advies. Het ambtelijk advies wordt opgesteld op basis van de voordracht van de selectiecommissie van de adviesraad. De leden worden door het college geïnstalleerd waarbij de eed of belofte wordt afgelegd. Leden hebben aantoonbaar een binding met de gemeente Zuidplas. De leden benoemen uit de eigen geleding een dagelijks bestuur dat in ieder geval bestaat uit de voorzitter, een secretaris en penningmeester. De leden van de adviesraad zijn geen wethouder of gemeenteraadslid en bekleden geen functie die onverenigbaar is, vergelijkbaar met de onverenigbaarheid met het wethouderschap als genoemd in artikel 36 b van de Gemeentewet, noch bekleden zij een functie waarbij zij vanuit die functie een direct belang hebben bij de advisering van de adviesraad. De adviesraad is geen politiek orgaan noch een orgaan om zakelijke belangen te behartigen.
Artikel 80. Voorzitter
1. 2.
Het college benoemt de voorzitter die door een selectiecommissie van de adviesraad wordt geworven op basis van een profiel. De voorzitter representeert de adviesraad en onderhoudt de algemene externe contacten. 39
3. 4.
De voorzitter draagt zorg voor de naleving van deze verordening, het huishoudelijk reglement en ziet erop toe dat de adviesraad en de individuele leden hun taken naar behoren uitoefenen. De voorzitter heeft stemrecht.
Artikel 81. Secretaris/ Penningmeester
In het huishoudelijk reglement van de adviesraad worden de functies en taken van een secretaris en een penningmeester geregeld. Artikel 82. Beëindiging lidmaatschap
1.
2. 3.
4.
5.
Het lidmaatschap van de adviesraad eindigt: a. indien de representatieve organisatie schriftelijk aan het college aangeeft niet langer vertegenwoordigd te willen zijn in de adviesraad; b. op verzoek van het lid; c. bij overlijden van het lid. De zittingsduur van een lid bedraagt vier jaar met de mogelijkheid om het lidmaatschap met nog één zittingsduur van vier jaar te verlengen. Het college kan een lid ontslaan wanneer: a. een lid onzorgvuldig omgaat met de vertro uwe lijke gegevens of anderszins niet-integer handelt, niet naar behoren de adviestaken vervult of anderszins een goede werkwijze van de adviesraad belemmert; b. een lid door de adviesraad is geschorst. Voordat het college een lid ontslaat op grond van het derde lid wordt het lid gehoord door een vertegenwoordiger van het college en de voorzitter van de adviesraad. Van het horen wordt een verslag gemaakt dat met een advies aan het college wordt voorgelegd. Het college informeert het lid en de voorzitter van de adviesraad schriftelijk over het genomen besluit.
Artikel 83 Evaluatie
1. 2. 3.
Deze verordening en het functioneren van de adviesraad worden eenmaal in de twee jaar door de adviesraad en de gemeente gezamenlijk geëvalueerd. Bij de evaluatie wordt in ieder geval gelet op de wijze waarop de adviesraad haar taken invult. Indien op basis van de in het eerste lid genoemde evaluatie blijkt dat aanpassing van deze verordening noodzakelijk is, dan zal het college hiervoor in overleg met de adviesraad een voorstel doen aan de gemeenteraad.
Hoofdstuk 8: Slotbepalingen Artikel 84. Hardheidsclausule en gevallen waarin de verordening niet voorziet
1.
2.
3.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Het college kan in aanvulling op lid 1 in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager van het leerlingenvervoer afwijken van het afstandscriterium, wanneer schoolverzuim dreigt. De hieruit volgende toekenning kan slechts op tijdelijke basis worden verstrekt. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 85. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
1. 2.
Op de dag van inwerkingtreding van deze verordening wordt de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas ingetrokken. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in lid 1 genoemde verordening totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
40
3.
Aanvragen die zijn ingediend onder de onder lid 1 genoemde verordening maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening.
Artikel 86. Inwerkingtreding en citeertitel
1. 2.
Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. Deze verordening wordt aangehaald als “Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2021 ".
Aldus vastgesteid in de openbare digitale raadsvergadering van 23 maart 2021.
41
Toelichting op de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2021 Sinds 2015 is er veel veranderd in het sociaal domein. Taken die voorheen door het rijk en door provincies uitgevoerd werden, worden nu door de gemeenten uitgevoerd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdhulp, de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), het leerlingenvervoer en de Participatiewet. Deze verantwoordelijkheid biedt kansen voor de gemeente en voor onze inwoners: Kansen om verbindingen te leggen tussen de verschillende terreinen in het sociaal domein, een integrale benadering staat centraal; Kansen om maatwerk te bieden bij het zoeken naar oplossingen. Hierbij gaan we uit van de inwoner of het gezin en betrekken we deze in de oplossingen; Kansen voor: korte lijnen, kleinschalige dienstverlening, dichtbij de inwoners, duurzame oplossingen, snellere signalering en tijdig ingrijpen bij knelpunten of problemen; Kansen voor vergroting van kwaliteit- en doelmatigheid In deze toelichting wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht. Leeswijzer
De Integrale Verordening Sociaal Domein 2021 bestaat uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4: Hoofdstuk 5: Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8.
Algemene bepalingen Integrale benadering Voorzieningen Persoonsgebonden budget Leerlingenvervoer Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten Participatie in het Sociaal Domein Slotbepalingen
42
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen en afkortingen
In dit hoofdstuk zijn de begrippen die verdere toelichting behoeven opgenomen. a. algemeen gebruikelijke voorziening Een algemeen gebruikelijk voorziening voldoet aan vier criteria. De voorziening is: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking; algemeen verkrijgbaar, en; niet of niet veel duurder dan vergelijkbare producten; financiële haalbaar voor mensen met een inkomen op minimaniveau (ECLI:NL:CRVB:2019:3535). Hoewel een groot aantal voorzieningen als algemeen gebruikelijk wordt geacht, wordt per inwoner gekeken of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Er wordt dan ook geen opsomming gegeven van voorzieningen die voor elke inwoner algemeen gebruikelijk zijn. Bij het bepalen of een voorziening algemeen gebruikelijk is wordt gekeken naar de persoonlijke omstandigheden zoals leeftijd en gezinssamenstelling. b. algemene voorziening Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of opvang. Een algemene voorziening is in beginsel voor iedereen toegankelijk. Om gebruik te maken van een algemene voorziening is geen besluit of indicatie nodig.
Essentieel bij een algemene voorziening is dat een zorgaanbieder zich jegens het college verbindt om een algemene voorziening te leveren (ECLI:NL:CRVB:2016:1404, r.o. 4.5.7). Dit is ook het grote verschil met een algemeen gebruikelijke voorziening, bijvoorbeeld de boodschappendienst van een supermarkt, die geheel een aangelegenheid van de markt is en niet door het college wordt ingekocht. De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wmo 2015 (Wmo). In de Jeugdwet wordt van 'overige voorziening' gesproken, maar hiermee wordt hetzelfde bedoeld. In deze verordening zal daarom worden gesproken over algemene voorziening. In de regelgeving omtrent leerlingenvervoer komt een dergelijk begrip niet voor. Dat het begrip algemene voorziening alleen voorkomt in de Wmo en de Jeugdwet geeft aan dat met name bij een ondersteuningsvraag vanuit deze wetten een algemene voorziening ingezet kan worden. c. beperking In artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat de maatschappelijke ondersteuning zich onder andere richt op de ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen.
Aangezien het begrip "beperking” noch in de Wmo 2015 noch in de Jeugdwet verder is gedefinieerd of toegelicht, is hiervan een eigen definitie geformuleerd, om aan te geven dat het hier gaat om een objectief vastgestelde lichamelijke, zintuigelijke, psychische of verstandelijke stoornis of conditie. g. gebruikelijke hulp Volgens de regering is het in onze samenleving normaal dat partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het bieden van de normale, dagelijkse zorg en/of opvoeding, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Het gaat om hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. /'. inwoner In eerste instantie is een inwoner iemand die woont in de gemeente Zuidplas. Of een inwoner zijn of haar ondersteuningsvraag aan de gemeente Zuidplas of aan een andere gemeente moet stellen, verschilt per wettelijk kader. 43
Binnen de Wmo gaat het om de plaats waar het feitelijke hoofdverblijf is. In de regel betekent dit dat een inwoner ook daadwerkelijk ingeschreven staat in de Basisregistratie personen (Brp). In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel van toepassing. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is het begrip woonplaats gedefinieerd, met een verwijzing naar het Burgerlijk Wetboek Boek 1,Titel 3. In artikel 12 lid 1 staat: "Een minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent [...]. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven." Deze beschrijving geldt tot en met 31-12-2021, vanaf 1-1-2022 wordt het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet aangepast. De exacte formulering hiervan is nu nog niet bekend. Voor leerlingenvervoer is van belang waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Het is daarbij niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. I. maatwerkvoorziening In de Jeugdwet is de mogelijkheid opgenomen om een individuele voorziening aan te vragen, in de Wmo wordt gesproken over een maatwerkvoorziening.
In deze verordening is qua begrip aansluiting gezocht bij de Wmo, omdat het begrip maatwerkvoorziening aangeeft dat het gaat om een oplossing die recht doet aan de ondersteuningsvraag en geen standaardoplossing is. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak en indien een cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; algemene voorzieningen en/of voorliggende voorzieningen. Voorafgaand aan de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze voorziening. De voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar en beroep open. Het besluit op de aanvraag van deze voorziening is afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie. o. melding De melding is noch in de Wmo 2015, noch in de Jeugdwet gedefinieerd. Voor de Jeugdwet bestaat een melding in dusdanige niet, enige vorm van melding wordt gezien als aanvraag. Terwijl het in de Wmo 2015 een belangrijk moment markeert in de toegang. Met de melding maakt een persoon of zijn vertegenwoordiger de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar.
Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is naar zijn aard geen melding. De melding markeert het begin van een onderzoek op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. De Jeugdwet kent een dergelijke in de wet opgenomen onderzoeksfase niet, maar de melding en het onderzoek zijn wel in deze verordening opgenomen. q. ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Het plan geeft een compleet beeld van de ondersteuningsvraag en de oplossingsrichtingen. Het doel van het opstellen van een ondersteuningsplan is, samen met de inwoner, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Het ondersteuningsplan bestaat uit modules, die, afhankelijk van de situatie van de cliënt, wel of niet worden ingevuld. u. vertegenwoordiger(gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger): In de Wmo 2015 is in artikel 1.1.1 de vertegenwoordiger gedefinieerd als een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In de Jeugdwet is dit begrip meer gericht op cliënten die
44
vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden. Er zijn diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, bewindvoerder, mentor, ouders en de voogd. Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen. Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de hulp/zorgverlening.
Hoofdstuk 2, integrale benadering Artikel 2. Toegang tot ondersteuning
De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme en integrale, domeinbrede taakuitoefening met een uniforme en integrale, domeinbrede procedure. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om zo veel mogelijk integraal te werken is het college hier de zorgplicht opgelegd om te zorgen voor een integrale toegang en intake. Inwoners kunnen op een laagdrempelige wijze - en onafhankelijk van hun specifieke ondersteuningsbehoefte - bij de gemeente aankloppen. Zowel voor informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte. In lid 2 staat omschreven dat het in deze fase (nog) niet noodzakelijk is om persoonsgegevens te registeren. Dat wordt pas nodig als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein een oplossing gevonden kan worden. Het verzamelen van informatie en persoonsgegevens zal dan gebeuren in het kader van het onderzoek of ten behoeve van de beoordeling van een melding, zoals bedoeld in artikel 3. Omdat het als onnodig belastend kan worden gezien om betrokkene te verplichten meermaals hetzelfde verhaal te vertellen in de verschillende fases aan verschillende vertegenwoordigers van de gemeente, kunnen de relevante bevindingen van de integrale intake op verzoek van de betrokkene ter beschikking worden gesteld.
Artikel 3. Melding hulpvraag
In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan melden bij de gemeente. De melding is een verzoek van een cliënt of diens vertegenwoordiger om hulp of toekenning van een voorziening in het kader van de Wmo en het leerlingenvervoer. De melding kan niet worden gezien als een aanvraag voor een voorziening. De melding kan wel resulteren in een aanvraag voor een voorziening. Voor de Jeugdwet geld dat een melding gelijk staat aan een aanvraag. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan. In artikel 2.15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. In lid 1 staat dat de melding ‘door of namens een inwoner’ kan worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan met toestemming van de inwoner bijvoorbeeld diens ouders/verzorgers, vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, of andere betrokkene de melding doen. In lid 2 is opgenomen dat het college met de inwoner een afspraak maakt voor een gesprek en dat deze afspraak schriftelijk bevestigd wordt. Dit kan een ander persoon zijn dan de melder.
Bij de schriftelijke bevestiging worden in ieder de volgende bijlagen gevoegd: De mogelijkheden van gratis cliëntondersteuning; Informatie over privacy (conform de AVG); De gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure; 45
-
De mogelijkheid voor een inwoner om een eigen plan op te stellen; infographic over het proces en de besluitvorming van de hulpvraag;
In lid 3 is een specifieke bepaling opgenomen als de hulpvraag een minderjarige betreft. In dat geval informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. Lid 4 is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4, lid 1, sub a) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet. In lid 5 is de mogelijkheid opgenomen voor de cliënt om een eigen plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Deze verplichting is in de Wmo 2015 en Jeugdwet opgenomen. Het eigen plan is vormvrij. In lid 6 staat omschreven dat de aanvraagprocedure voor het leerlingenvervoer niet gelijk is aan de Jeugdwet en de Wmo 2015. Artikel 4. Spoedeisende ondersteuning
In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kan treffen. De Jeugdwet noemt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8. Dit is bijvoorbeeld het geval als er een spoedmachtiging door de rechter (of andere instantie) is afgegeven, omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet afgewacht kan worden. De Wmo 2015 noemt de inzet van maatschappelijke ondersteuning in spoedeisende gevallen in artikel 2.3.3. In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en de aanvraag van de cliënt. Als er sprake is van een tijdelijke maatregel, wordt tegelijkertijd met de inzet van deze maatregel het gesprek gevoerd om te werken aan een duurzame oplossing van de hulpvraag. Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
Het bieden van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning is een wettelijke verplichting van het college aan inwoners met een hulpvraag. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4, lid 1, sub a) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet. De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering, alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente 46
heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het sociaal netwerk. Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van de melding
In lid 1 wordt aangegeven dat, in het kader van zorgvuldig onderzoek, het onderzoek start met een gesprek. Dit staat ook zo expliciet benoemd in de Wmo 2015, maar is ook mogelijk voor Jeugd. Daar waar cliënt of diens vertegenwoordiger zich tot het college wendt met een melding, kan in eerste instantie een gesprek gevoerd worden met een consulent of een medewerker van het sociaal team. Samen met cliënt (eventueel met aanwezige mantelzorger(s)) wordt geïnventariseerd waar cliënt en zijn mantelzorger(s) beperkingen ondervinden in de zelfredzaamheid en/of participatie. Ook wordt onderzocht welke oplossingen de effecten van de beperkingen weg kunnen nemen en in hoeverre cliënt zelf of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien. Lid 2 gaat in op de identificatieplicht. In het kader van rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wmo 2015 in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. In lid 3 wordt weergegeven welke aspecten het college, daar waar noodzakelijk, onderzoekt.
De Centrale Raad van Beroep heeft twee duidelijke uitspraken gedaan, waarin vermeld staat hoe het college onderzoek moet doen: ECLI:NL:CRVB:2018:819 (Jeugdwet, r.o. 4.4.2) en ECLI:NL:CRVB:2017:1477 (Wmo). De essentie van het onderzoek is te achterhalen: - Wat de vraag/behoefte van de cliënt is en hoe de vraag/behoefte ontstaan is. In hoeverre de cliënt zelf, of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien. Hierbij wordt de draagkracht en steunbehoefte van de eventuele mantelzorger, meegenomen. - Welke oplossingen passend zijn, hoe deze oplossingen afgestemd kunnen worden op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, en/of werk en inkomen, en wie de oplossingen inzet. De onderdelen die in lid 3 staan genoemd zijn niet uitputtend. Daar waar het college van mening is dat er aanvullende aspecten van belang zijn voor het onderzoek, worden aanvullende onderdelen in het onderzoek meegenomen. Welke aspecten onderwerp van onderzoek zijn of in het onderzoek worden uitgediept, hangt af van de vraag van cliënt en zijn/haar persoonlijke situatie. Het betreft altijd maatwerk. Indien de cliënt al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal onderdelen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn.
Komt de cliënt voor het eerst bij de gemeente, dan zal het onderzoek dienen om een totaalbeeld van de cliënt en zijn situatie te krijgen. Lid 4 gaat in op de onderzoeksmethoden van het college om de in het vorige lid van dit artikel genoemde aspecten te onderzoeken. De onderzoeksmethodieken worden in samenspraak met cliënt gehanteerd. De onderzoeksmethoden kunnen in combinatie met elkaar worden ingezet. Daarnaast kunnen er andere wettelijk toegestane onderzoeksmethodieken worden gebruikt. Hierbij geldt dat de grenzen van de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) in acht worden genomen. In lid 5 is bepaald, dat de cliënt, indien hij dit wenst, binnen tien werkdagen een gespreksverslag toegestuurd kan krijgen. Hierin wordt weergegeven wat besproken is tijdens het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid. De cliënt kan opmerkingen of latere aanvullingen op het verslag aan leveren. Dit is een bovenwettelijke termijn die de gemeente zichzelf oplegt. De termijn is verruimd van 5 naar 10 werkdagen om in het geval van een eenvoudige hulpvraag binnen tien werkdagen het totale ondersteuningsplan toe te kunnen sturen (incl. het gespreksverslag). Dit scheelt een processtap en is daarmee sneller en efficiënter. De totale doorlooptijd wordt hier korter van. Voor de volledigheid een schematische weergave van de wettelijke doorlooptijden. 47
Procedure W m o 2015: van melding to t beschikking
r@ i
melding
I # [J fl I L fe J J '
* . persoonlijk plan . • diêntoodersteuning
.f | Q
ONDERZOEK
Spoedprocedure: lijdelijke maatwerkvoomening maatwerkvoorziening TijtMijke directverstrekken verstrekken direct
-
I
•
«(leukentafengesprek • (medisch) advies
> KEUZEMOMENT De cOént kan altijd een aanvraag Indienen
Ë «D •£ )■
•
‘
^ f $ V i* *
/
RAPPORTAGC UITKOMST!N; • srtuatieschet s • conclusie (medisch advies) • pw5£0fEkenm«ften * passende oplossingen behoeften • bijdrage In de kosten
^ ^
Geen aanvraag Indienen bv_ eigen oplossing o f algemene voorziening. De procedure stopt hier,
Aanvraag Indienen
BEOORDELENAANVRAAG
^
BESCHIKKING
Wolters Kluwer
AfWlJZlng
' ^
Toekenning
N iet M m met het besluit: mogelijkheid tot bewaar en beroep
Schulinck Actuele kennis. Helder inzicht.
Het zesde lid bepaalt dat het college met een door de cliënt overhandigd persoonlijk plan rekening moet houden. Jeugdige cliënten hebben dit reeds met ouders, bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, in de zin van artikel 1.1 van de Jeugdwet opgesteld, een zogenoemd ‘familiegroepsplan’. Artikel 7. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek
Nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden worden de uitkomsten vastgelegd in een ondersteuningsplan. Het gespreksverslag (zoals bedoeld in artikel 6 lid 5) maakt hier onderdeel van uit. Het ondersteuningsplan is geen vaste invuloefening waarbij elk onderdeel ingevuld moet worden, dit is maatwerk en afhankelijk van de ondersteuningsvraag. Zo bevat het ondersteuningsplan niet altijd een volledig afgeronde diagnose. Het stellen van de diagnose kan onderdeel uitmaken van de totale behandeling/ondersteuningsvraag. Het eerste lid geeft aan dat de gemeente Zuidplas zoveel als mogelijk werkt vanuit de gedachte één gezin, één plan, één regisseur. In lid 2 is bepaald, dat het gespreksverslag onderdeel uit maakt van het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan is opgebouwd aan de hand van het de door de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2018:819) vastgestelde stappenplan. Daar waar cliënt het ondersteuningsplan ontvangt en feitelijke onjuistheden ontdekt, dan kan cliënt of diens vertegenwoordiger deze onjuistheden corrigeren (lid 3). De correcties worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Wanneer cliënt of diens vertegenwoordiger opmerkingen heeft bij het verslag, dan kan hij/zij dit kenbaar maken en worden de opmerkingen aan het ondersteuningsplan toegevoegd, zie ook de mogelijkheid die lid 4 biedt.
Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de inhoud van het ondersteuningsverslag, wordt de cliënt gevraagd om dit document te tekenen voor: akkoord zoals voorgesteld en aanvragen, akkoord
48
maar anders dan voorgesteld aanvragen, geen aanvraag en aan het college te verstrekken. Het vijfde lid regelt dit. Artikel 8. Verstrekken van een maatwerkvoorziening
In lid 1 is bepaald, dat het college een maatwerkvoorziening toekent wanneer er sprake is van een compensatienoodzaak. Op basis van onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van cliënt, moet worden vastgesteld of er sprake is van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, die door middel van maatwerkvoorzieningen gecompenseerd moeten worden. Maatwerkvoorzieningen worden ingezet wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; b. algemene voorzieningen; c. zelfredzaamheid en participatie d. algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen. Eigen kracht Lid 1 onder a bepaalt dat het college alleen maatwerkvoorzieningen treft wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is om, eventueel samen met het sociale netwerk, in eigen oplossingen te voorzien. Hieronder wordt ook de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen verstaan. De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan ECLI:NL:CRVB:2019:772 over de eigen kracht van een cliënt.
In deze uitspraak wordt verwezen naar de memorie van toelichting waarin wordt vermeld dat onder eigen kracht wordt verstaan dat de betrokkene zich in hoge mate moet inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Verder heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de nota naar aanleiding van het verslag in reactie op de vraag of de financiële kracht onderdeel is van de eigen kracht meegedeeld dat de regering van mening is dat maatschappelijke ondersteuning voor eenieder toegankelijk moet zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. Het is van belang dat ook financieel daadkrachtige cliënten een beroep op maatschappelijke ondersteuning kunnen doen, bijvoorbeeld als zij niet in staat zijn maatschappelijke ondersteuning te (doen) organiseren, maar deze wel kunnen betalen. De financiële mogelijkheden van een cliënt kunnen op grond van dit wetsvoorstel wel worden betrokken door een eigen bijdrage te vragen binnen de grenzen die door de regering worden bepaald in een algemene maatregel van bestuur (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 24).
Ten slotte volgt uit de memorie van toelichting dat een aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de eigen bijdrage, niet op die grond mag afwijzen. Gebruikelijke hulp In de Wmo 2015 is bepaald dat de aanwezigheid van gebruikelijke hulp een reden is om geen maatwerkvoorziening te verstrekken (artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015). Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, zo is bepaald in artikel 1.1.1 Wmo 2015. Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorziening treft wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. Dit is het geval als er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar kunnen ook inwonende ouders zijn. Of iemand inwonend is, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld.
Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, met een eigen huisnummer, eigen nutsvoorzieningen, een eigen voordeur e.d. Alle huisgenoten die ouder zijn dan 18 jaar worden geacht om huishoudelijke hulp te bieden. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door hun eigen 49
kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen de niet-uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om taken die kunnen worden uitgesteld. Voor die situaties kan het zijn dat, ondanks het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, de gemeente compenserende maatregelen treft om het resultaat te bereiken. Onder gebruikelijke hulp bij begeleiding wordt enige ondersteuning door partner, ouders, inwonende kinderen vanaf 18 jaar of andere huisgenoten in het sociale verkeer verstaan. Gebruikelijke ondersteuning door partner kan verschillen van gebruikelijke ondersteuning door inwonende kinderen of van andere huisgenoten. Uitgangspunt is, dat partners samen activiteiten ondernemen zoals: - samen naar een verjaardag gaan; - familie bezoeken; - samen koken; - samen eten; - afspraken maken; het voeren van een administratie; het regelen van de bankzaken; - het onderhouden van contacten met en het bezoeken van instanties; - het verschijnen op afspraken; - het openen van post; - wandelingetje maken; Deze lijst is niet limitatief.
Hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als belanghebbende met hulp van mantelzorg en/of hulp van andere personen uit het sociale netwerk zelf in eigen oplossingen kan voorzien. Algemene, algemeen gebruikelijke en voorliqqende voorzieningen Lid 1 onder b en c bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als algemene, algemeen gebruikelijke en/of voorliggende voorzieningen voldoende ondersteuning bieden en leiden tot het te bereiken resultaat. De aanspraak op maatwerkvoorzieningen vervalt bij de aanwezigheid van passende algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen. Algemene voorzieningen Dit zijn voorzieningen die niet voor iedereen bedoeld zijn, maar door degene voor wie ze wél bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te gebruiken zijn. Voorbeelden kunnen zijn: - Dagrecreatie; - Boodschappenbus, de vrijwillige boodschappenhulp; - Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice; - Een glazenwasser. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben.
Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.
50
Algemeen gebruikelijke voorzieningen hoeven niet vanuit de Wmo 2015 te worden verstrekt. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die: - niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking én; - in de reguliere handel verkrijgbaar is, én; - in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten. Heel duidelijk zijn deze criteria niet. De jurisprudentie verwoordt het zo: ‘een voorziening waarvan aannemelijk is te achten dat belanghebbende daarover ook zou hebben beschikt als hij niet gehandicapt was’ (onder andere CRvB 14-07-2010, nr 09/562). Bovendien blijkt uit jurisprudentie dat een voorziening voor de ene persoon wel algemeen gebruikelijk kan zijn en voor de ander niet. Zo kunnen beugels in het toilet voor een persoon van boven de 70 jaar algemeen gebruikelijk zijn, maar voor een jongere persoon die na een ongeluk gehandicapt is geraakt, niet (ECLI:NL:CRVB:2017:148 in combinatie met ECLI:NL:CRVB:2016:614 geeft meer richting aan deze beoordeling). Uitzonderingen op deze criteria kunnen zijn situaties waarin: - de handicap plotseling ontstaat, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal aangeschaft of vervangen moeten worden; de aanvrager een inkomen heeft, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem geldende bijstandsnorm dreigt te komen.
Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn: - tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem); - fiets met lage instap, ligfiets; - spartamet/tandemmet; - rollator - elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder; - bakfiets, fietskar, aanhangfiets; - personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; - autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak; - eenhendelmengkranen; - thermostatische kranen; - keramische- of inductiekookplaat; - verhoogd toilet of toiletverhoger; - tweede toilet of sanibroyeur; - renovatie van badkamer of keuken; - antislipvloer/coating; - wandbeugels; - zonwering (inclusief elektrische bediening); - ophogen tuin/bestrating bij verzakking. Tijdens het keukentafelgesprek, het onderzoek en de beoordeling van de aanvraag zal het begrip algemeen gebruikelijk worden meegenomen. Voorliggende voorzieningen Onder voorliggende voorzieningen kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gebruik maken van mogelijkheden van behandeling/therapie (Zorgverzekeringswet). Wanneer door behandeling resultaten ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie behaald kunnen en daarmee hulpmiddelen, aanpassingen of inzet van professionele zorg niet nodig zijn, dan wordt de cliënt geacht zich te laten behandelen.
Zich laten opereren wordt niet als voorliggend op maatwerkvoorzieningen beschouwd. Tijdens de behandeling c.q. revalidatie-periode kan, in overleg met de behandelaar, zo nodig tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekt worden.
51
Zelfredzaamheid en participatie Daarnaast moet de maatwerkvoorziening er volgens het college voor zorgen dat de cliënt zelfredzaam wordt of kan participeren. Ook dit zal moeten worden vastgesteld op basis van het onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van de cliënt. Lid 2 bepaalt dat het college bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening moet houden met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van de inwoner. Dit is tenslotte de kern van het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het college gebruikt voor deze bepaling het onderzoek dat is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt en dit zal worden vastgelegd in het ondersteuningsplan. Lid 3 bepaalt dat wanneer meerdere oplossingen voldoende compensatie bieden voor de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, die voorziening wordt ingezet die als goedkoopst adequaat aan te merken is. Voorzieningen, die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat, als de meest goedkope voorziening te zijn. Eigenschappen, die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Lid 4 bevat een verwijzing naar andere hoofdstukken van deze verordening.
In de hoofdstukken 3 staan aanvullende criteria van de Jeugdwet en van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Lid 5 bepaalt, dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt als een voorziening in natura of als een persoonsgebonden budget. Artikel 9. Weigeringsgronden
In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Lid 1, sub a en b betreffen de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat (artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 en artikel 6 en 7 van deze verordening). Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Met lid 1, sub c wordt bepaald dat het niet de bedoeling is dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001. nr. 00/764 WVG. CRvB 16-04-2008. nr. 06/4668 WVG. CRvB 14-07-2010. nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO).
De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voorde cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: • is de voorziening gewoon te koop? • is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? • • is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Lid 1, sub d geeft aan dat alvorens de noodzakelijkheid van een maatwerkvoorziening vast te kunnen stellen er zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden. Wanneer de cliënt niet meewerkt en daardoor
52
de noodzakelijkheid van een passende maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld, dat wordt de gevraagde voorziening afgewezen. Lid 1, sub e betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 2.3.5, zesde lid en artikel 2.3.6, vijfde lid van de Wmo 2015. Door het hier te herhalen wordt een volledig beeld geschetst van de afwijzingsgronden. Het betreft hier de weigeringsgronden op grond van een Wlz indicatie en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura. Lid 1, sub f betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid en artikel 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet. Door het hier te herhalen wordt een volledig beeld geschetst van de afwijzingsgronden. Het betreft hier de weigeringsgronden op grond van een Wlz indicatie, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura.
Lid 1, sub g geeft aan dat alleen voorzieningen worden toegekend die een passende bijdrage leveren aan een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Wanneer uit onderzoek is gebleken, dat de cliënt een voorziening wenst die hieraan niet voldoet, dat wordt deze niet verstrekt. Bijvoorbeeld: Een cliënt heeft een vervoersprobleem en wenst alleen in aanmerking te komen voor een scootmobiel. Wanneer uit onderzoek blijkt, dat het rijden op een scootmobiel niet veilig is, dan wordt geconcludeerd dat een scootmobiel voor deze cliënt niet passend is. Een scootmobiel kan dan om deze reden afgewezen worden. Met lid 1, sub h wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een melding doet, maar de voorziening zelf al realiseert of heeft aangekocht. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening, waar vroegtijdig mee is begonnen, uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt.
In de situatie waarin een cliënt de voorziening heeft aangeschaft of gerealiseerd voordat een melding is gedaan, dient de noodzakelijkheid achteraf vastgesteld kunnen worden. Is dit niet het geval, dan wordt de gevraagde voorziening afgewezen. Lid 1, sub i geeft aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment een aanvraag voor een vervangende maatwerkvoorziening worden geweigerd. Door lid 2 zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat voorzieningen standaard aanwezig zijn.
Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in lid 2, sub c zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereikbaar is. Een voorbeeld ter illustratie: een cliënt heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een 53
woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken. Lid 2, sub d en e geven aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als de cliënt verhuist terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een - gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning. Is de verhuizing geen gevolg van de beperkingen in het normale gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om te verhuizen, dan weigert het college een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de cliënt kunnen worden gevergd. Lid 3 bepaalt dat de maatwerkvoorzieningen beschermd- en beschut wonen niet geschikt zijn voor personen die uitsluitend (feitelijk) dak- of thuisloos zijn.
De persoon in kwestie dient zich in deze gevallen te melden bij de maatschappelijke opvang in de centrumgemeente Gouda. Lid 4 geeft aan dat de toegang tot maatschappelijke opvang geweigerd kan worden als de cliënt zich niet aan de (huis)regels houdt, onveiligheid of overlast veroorzaakt, niet bereid is om mee te werken aan het een passend ondersteuningstraject, er sprake is van een contra-indicatie waardoor een opvangtraject ongeschikt is, ernstig misdraagt jegens andere, de eigen bijdrage niet betaalt, of wanneer er in het geval van de vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. In lid 5 is bepaald dat het college kan beoordelen of een cliënt die pgb wenst voldoet aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 38 t/m 43 van deze verordening. Het college heeft daartoe informatie van de cliënt nodig. Het door de cliënt ingediende budgetplan dient als basis voor de beoordeling. Zonder een volledig budgetplan kan het college niet beoordelen of de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig is. Lid 6 en 7 geven weer waarvoor het gebruik van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CW ) niet is bedoeld. Artikel 10. Aanvraag van een maatwerkvoorziening
In de Wmo (artikel 2.3.2, lid 9) is bepaald dat een aanvraag kan worden gedaan nadat er onderzoek is ingesteld naar de melding. Dit geldt alleen wanneer het onderzoek binnen de termijn van zes weken is uitgevoerd en tenzij er sprake is van spoedeisende gevallen. In lid 1 is geregeld dat de aanvraag van een voorziening altijd schriftelijk moet worden gedaan. De verplichting van een schriftelijke aanvraag is een verplichting op grond van artikel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is bepaald dat, tenzij een wettelijk voorschrift anders bepaalt, een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden ingediend. De aanvraag mag, naast door de cliënt alleen, ook worden ingediend door een door hem gemachtigd persoon of vertegenwoordiger. In de Awb is de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. In lid 2 is geregeld, dat een aanvraag kan worden ingediend door het opsturen van een ondertekend ondersteuningsplan. Voorwaarde hierbij is wel dat het aanmerken van het ondertekende ondersteuningsplan als aanvraag door de cliënt in het betreffende ondersteuningsplan aangegeven moet zijn.
54
In de Jeugdwet wordt er niet gesproken van een melding en wordt enige vorm van melding direct aangeschreven als een aanvraag en in dusdanige behandeld. Dit houdt in dat een melding binnen 8 weken moet worden afgehandeld. In lid 3 wordt er uitwerking gegeven over het door de gemeente aangeboden aanvraagformulier. Een cliënt kan ook een aanvraag indienen via een door de gemeente beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Een dergelijk formulier kan bijvoorbeeld door de cliënt benut worden om voor hem een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking te genereren in de situatie dat hij geen ondersteuningsverslag ter ondertekening krijgt aangeboden omdat in de gespreksfase geen noodzaak tot of recht op een maatwerkvoorziening of individuele voorziening is gebleken. In het vierde lid is opgenomen dat een maatwerkvoorziening in bijzondere gevallen ook ambtshalve kan worden verstrekt in het dringende belang van de cliënt. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn bij cliënten met psychiatrische of psychosociale (multi)problematiek, waarbij door middel van zogenaamde bemoeizorg stap voor stap naar een reguliere ondersteuningssituatie toe wordt gewerkt. Artikel 11. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp
In lid 1 wordt er gesproken over de directe verwijzing van jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts. In artikel 2.3, lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of (pleeg)ouders die jeugdhulp vragen. In lid 1 wordt directe verwijzer naar jeugdhulp beschreven. In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de (maatwerkvoorzieningen) jeugdhulp blijft bestaan. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Het tweede lid gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgelegd is door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregelen, als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen volgens artikel 3.5 van de Jeugdwet in het kader van de maatregel besluiten tot inzet van jeugdhulp. In het artikel wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of andere instantie) uitgevoerd kan worden. Artikel 12.
Beschikking maatwerkvoorziening
Artikel 12 geeft de bepalingen weer betreffende de beschikking die de cliënt ontvangt bij een maatwerkvoorziening. Lid 1 stelt daarbij dat het college haar besluit altijd kenbaar maakt aan de cliënt door middel van een beschikking. Het besluit is een toekenning of afwijzing van de aanvraag. Ook een gedeeltelijke toekenning is hierbij mogelijk. Dit is bepaald in artikel 1.3 van de Awb, dat stelt dat een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan (in dit geval het college) is, waarbij een beschikking een besluit van niet algemene strekking is, ongeacht of dit een afwijzing of een toekenning is. Met ‘van niet algemene strekking’ wordt bedoeld dat het een besluit betreft dat toegespitst is op de cliënt en de aanvraag. Lid 2 en 3 geven aan welke aspecten in ieder geval in een beschikking moeten worden opgenomen wanneer een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen een maatwerkvoorziening in natura en een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget. Kern van lid 2 en 3 is dat de cliënt die de beschikking ontvangt, helder heeft wat er precies is toegekend en welke rechten en plichten daarbij horen. Wat er precies moet worden opgenomen in een beschikking als deze een afwijzing van de aanvraag bevat, is niet opgenomen in de verordening. Dit, omdat dit geregeld is artikel 3.46 en 3.47 van de
55
Awb, waarin gesteld wordt dat een besluit moet berusten op deugdelijke motivering en dat deze motivering vermeld moet worden bij de bekendmaking van het besluit, in dit geval de beschikking. Lid 4 sluit aan bij lid 2 en 3 met de bepaling dat het ook in de beschikking moet worden vermeld als een cliënt een eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 moet betalen. De Jeugdwet kent geen eigen bijdrage.
Hoofdstuk 3: Paragraaf 3.1 Jeugd
De in deze paragraaf genoemde artikelen vallen onder de jeugdwet, gericht op hulpverlening voor jeugdigen tot 18 jaar, met uitzonderingen zoals beschreven in artikel 21 van deze verordening. Artikel 13 Algemene voorzieningen Jeugd
Artikel 13 en 14 zijn een nadere uitwerking van artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet, waarin bepaald is dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. Uit de memorie van toelichting bij artikel 2.9 komt naar voren dat de inwoner recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders. Artikel 13 regelt de algemene voorzieningen jeugd. Deze zijn vrij toegankelijk. Dit betekent dat een jeugdige en/of de ouders hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een beschikking van de gemeente of verwijzing van een (jeugd)arts of specialist (verwijzer) noodzakelijk is. Lid 4 geeft aan dat het college nadere regels kan vaststellen over welke aanvullende algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikel 14 Maatwerkvoorzieningen Jeugd
De maatwerkvoorzieningen jeugd zijn de voorzieningen die onder de specialistische hulp vallen en die alleen beschikbaar zijn als de algemene voorzieningen geen oplossing bieden. Dit artikel biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan maatwerkvoorzieningen dat het college als zorg in natura ter beschikking staat. Deze voorzieningen zijn regionaal ingekocht, maar worden lokaal ingezet. Hierbij schaart het college de voorzieningen in de vorm van ‘specialistische tweedelijns jeugdhulp’. Met de aanbieders van deze ‘zorg in natura’ heeft het college regionaal contracten afgesloten om de cliënten de mogelijkheid te bieden om hun recht op toegekende jeugdhulp te verzilveren. Bij het aanbieden van JeugdzorgPlus is een voorafgaande machtiging gesloten jeugdzorg van de kinderrechter vereist. Artikel 15 t/m artikel 18 spreken voor zich en behoeven geen extra uitleg in de toelichting. Artikel 19 Vervoer bij jeugdhulp
Werkwijze vergoeding bestaande cliënten: Daar waar in 2014 naast een behandeling in de GGZ ook vervoer werd vergoed door de zorgverzekeraar wordt dit vanaf 1 januari 2015 ook vergoed door de gemeente. Hiertoe dient er een melding gedaan te worden bij het Sociaal Team, onderbouwd met de aanvraag die is gedaan bij de zorgverzekeraar en het besluit hierop van de zorgverzekeraar. Het Sociaal Team geeft een beschikking af waarbij een inschatting wordt gemaakt van de totale kosten. Waar mogelijk kan het Sociaal Team inzetten op een nieuwe oplossing indien een passend aanbod gedaan kan worden op basis van reeds bestaande vervoersafspraken die door de gemeente(n) zijn gemaakt. Hierbij wordt voor eigen vervoer een tarief van € 0,19 per kilometer gehanteerd, voor de kilometers dat de jeugdige inzittende is van de auto. Een vervoersvoorziening kan worden toegekend indien een dergelijke voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid .Werkwijze vergoeding nieuwe cliënten: Cliënten moeten een onderbouwde aanvraag indienen voor vervoer bij het Sociaal Team Zuidplas. Daarbij dient te worden aangetoond dat binnen een periode van 12 maanden gereisd moet worden 56
van en naar een locatie waar jeugdhulp geboden wordt. . Ook dient aangetoond te worden dat er niet een behandellocatie dichter in de buurt aanwezig is. Daarbij kan de gemeente het vervoer vergoeden tot een vastgesteld maximum als de cliënt bewust kiest voor een zorgaanbieder die verder weg is gevestigd waar er wel een vergelijkbaar zorgaanbod dichterbij beschikbaar is. Dit maximum wordt per casuïstiek vastgesteld door het Sociaal Team Zuidplas. Er wordt voor eigen vervoer een tarief van € 0,19 per kilometer gehanteerd. Artikel 20 Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf/logeren