CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Getekende Integrale Verordening Sociaal Domein A20.001412

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Te downloaden documenten:46.600 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Artikel 36. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

1.

2.

3.

4.

Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb op grond van de Wmo 2015, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. De bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of pgb’s zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo. of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. In afwijking van het eerste lid is cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. rolstoelen; b. woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige cliënt. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een cliënt tijdelijk worden uitgesloten voor het betalen van de eigen bijdrage als cliënt onvoldoende betaalcapaciteit heeft én voldoet aan één van de onderstaande voorwaarden: a. de cliënt zit in de eerste twaalf maanden na een scheiding. Bij een scheiding kan de eigen bijdrage op nul gezet worden tot maximaal 12 maanden na de scheiding. b. de cliënt zit in de eerste twaalf maanden na het verlies van betaald werk. Bij het verliezen van een betaalde baan kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 12 maanden. c. de cliënt heeft een budgetmaatje.

Bij het gebruikmaken van een budgetmaatje kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 6 maanden.

20

d.

5.

de cliënt zit in de schuldsanering via de GR IJsselgemeenten. Bij een schuldsaneringstraject wordt de eigen bijdrage tot einde traject op nul gezet. In afwijking van artikel 2.1,4a, vierde lid, van de Wmo 2015 is de hoogte van de reizigersbijdrage voor de maatwerkvoorziening collectief vraagafhankelijk vervoer afhankelijk van het aantal gereden zones en het tijdstip waarop gereisd wordt. Deze reizigersbijdrage is: 2021

Aantal Zones

6.

7.

Van deur naar deur Wmopashouder daluren

Van deur naar deur Wmopashouder op werkdagen tussen 07:00 en 09:00 uur en 14:00 en 16:00 uur

Geïndiceerde begeleider

OV-

Sociaal begeleider

reiziger

1

€

1,90

€

3,20

Nihil

€

1,90

€

5,90

2

€

2,70

€

4,50

Nihil

€

2,70

€

8,85

3

€

3,50

€

5,85

Nihil

€

3,50

€

11,80

4

€

4,35

€

7,25

Nihil

€

4,35

€

14,75

5

€

5,15

€

8,60

Nihil

€

5,15

€

17,70

6

€

6,00

€

10,00

Nihil

€

6,00

€

20,65

De genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2021 en worden ieder opvolgend jaar gewijzigd aan de hand van indexatie (NEA). De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wmo 2015. worden de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd.

Artikel 37. Blijk van waardering voor mantelzorgers

1. 2.

Mantelzorgers van ingezetenen van de gemeente Zuidplas kunnen door middel van een melding bij het college in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015, voor mantelzorgers van ingezetenen van Zuidplas in de vorm van: a. een jaarlijkse dag/activiteit voor mantelzorgers. Deelname hieraan is gratis; b. op maat geboden ondersteuning door het mantelzorgsteunpunt; c. het bieden van de mogelijkheid tot het inkopen van hulp bij het huishouden bij één van de daarvoor door de gemeente gecontracteerde aanbieders als bedoeld in artikel 25 van deze verordening.

21

Hoofdstuk 4: Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 38. Bepalingen om in aanmerking te komen vooreen pgb

1. 2.

3.

4.

5. 6.

Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeuqdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo. Als een cliënt in aanmerking komt voor een zorg gerelateerde dienst op basis van een pgb, dan is de cliënt verplicht om ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag een budgetplan in te dienen. De cliënt dient daarbij gebruik te maken van een door het college vastgesteld format. In het budgetplan dient gemotiveerd te worden: a. welke zorg er met het pgb wordt ingekocht; b. waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht; c. waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen terzake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp voldoende in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken; d. hoe de zorg wordt vormgegeven; e. hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is.

Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden; f. hoe hij de voorziening volgens een begroting dan wel een offerte wenst te financieren. Voor dienstverlening in het kader van de Wmo 2015 of Jeugdwet wordt het tarief voor professionele ondersteuning (instellingen en zzp’er) of het tarief voor niet-professionele ondersteuning binnen sociaal netwerk gehanteerd. Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb en: a. er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is; b. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen moet naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit zijn en in voldoende mate bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c. de budgethouder en het college in het ondersteuningsplan afspreken binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd. d.

Er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. Het college verlangt van de cliënt en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging en verklaring teneinde het beheer van het pgb op verantwoorde wijze uit te voeren. Het college kan een persoon niet in staat achten de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; 22

7.

8. 9.

10. 11.

12.

h. twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid. Het college verplicht de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het ondersteuningsplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden. Een pgb bestemd voor besteding in het buitenland, is alleen mogelijk als het college daar expliciet toestemming voor heeft gegeven. Een pgb is niet mogelijk: a. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4, dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 10, vierde lid; b. de kosten voor tussenpersonen, belangbehartigers, bemiddeling, administratie, lidmaatschappen, verlofdagen/feestdagenuitkering of reiskosten komen niet in aanmerking voor een pgb; c. voor de bekostiging van huisvesting / huur. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken. Bij het verlenen van een pgb geldt dat de voorziening moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente en, indien van toepassing, aan het Kwaliteiten Bruikbaarheids Onderzoek van Hulpmiddelen keurmerk en/of voorkomt op de lijsten van het TNO-keurmerk dan wel een gelijkwaardig keurmerk goedgekeurde hulpmiddelen. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 39. Regels voor pgb vertegenwoordiging

1. 2. 3. 4.

5. 6. 7. 8.

Een vertegenwoordiger wordt geacht de aan de pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te kunnen voeren. De vertegenwoordiger stelt het belang van de cliënt centraal en moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt. De vertegenwoordiger is niet tevens uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of heeft geen financiële relatie met de uitvoerder van de ondersteuning. In afwijking op lid 3 kan gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de verantwoordde besteding van het pgb, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden; De vertegenwoordiger van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit en rechtmatigheid, al dan niet steekproefsgewijs, controleren wie er als vertegenwoordiger staat geregistreerd bij de SVB. Indien de vertegenwoordiger iemand is uit het netwerk van cliënt dan dient er te worden aangeven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt. Kosten voor pgb vertegenwoordiging mogen niet worden voldaan uit het persoonsgebonden budget.

Artikel 40. Regels voor pgb professional

1.

2. 3.

Dit artikel heeft betrekking op de zorgaanbieder die middels een persoonsgebonden budget wordt gefinancierd en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht. De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. De professional die een dienst verleent in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet: a. dient een ingezetene van Nederland te zijn en te beschikken over een Burgerservicenummer.; b. heeft aantoonbare competenties om de dienstverlening te kunnen uitvoeren (opleiding, werkervaring). Hierbij wordt aangesloten bij de eisen zoals gesteld aan de leveranciers waar de gemeente zorg in natura contracten mee heeft afgesloten; 23

c.

4. 5.

overlegt een verklaring omtrent gedrag (VOG) waaruit blijkt dat het gedrag van de persoon in het verleden geen bezwaar vormt voor het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving; d. staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; e. hij dient in bezit te zijn van een geldige aansprakelijkheidsverzekering en een geldig lidmaatschap van een klachtencommissie. De professional die een dienst verleent in het kader van de Jeugdwet dient in het bezit te zijn van een SKJ registratie of voldoet aan de richtlijn verantwoorde werktoedeling. Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb.

Artikel 41. Regels voor pgb sociaal netwerk

1.

2.

3.

4.

Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc. De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Indien er sprake is van verlening van hulp door een persoon in het sociaal netwerk: a. dient uit het ondersteuningsplan en budgetplan blijken dat deze in staat is de gevraagde hulp gedurende de afgesproken periode te leveren, dat dit niet leidt tot overbelasting en hoe vervanging geregeld is bij vakantie of ziekte. b. zoekt de persoon uit het sociale netwerk afstemming met andere dienstverleners dan wel met de casusregisseur conform het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. c. als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben. d. overlegt de persoon uit het sociaal netwerk een verklaring omtrent gedrag (VOG) waaruit blijkt dat het gedrag van de persoon in het verleden geen bezwaar vormt voor het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving.

Indien er op basis van een pgb ondersteuning wordt geboden door het sociaal netwerk is dit alleen mogelijk voor de maatwerkvoorziening begeleiding, voor zover deze de gebruikelijke zorg en/of hulp overstijgt.

Artikel 42. Hoogte van het pgb

1. 2.

3.

4. 5. 6. 7. 8.

De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van de te verstrekken maatwerkvoorziening zoals bepaald in artikel 8. Een hulpmiddel of een woningaanpassing wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt. Het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; Uitbetaling van een pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vindt plaats op basis van zorgovereenkomsten of op declaratiebasis, door de SVB. In afwijking van lid 4 vindt uitbetaling van een pgb voor een (vervoer)hulpmiddel of een woningaanpassing achteraf plaats door het college, op basis van leveranciersfacturen. Bij de berekening van het tarief van een pgb wordt rekening gehouden met alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verlofdagen, feestdagen, verzekering(en) en reiskosten. Het tarief voor hulp uitgevoerd door een hulpverlener werkzaam bij een professionele instelling bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura.

Het tarief voor vervoer van en naar de dagbesteding of locatie waar jeugdhulp wordt geboden bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura en is alleen mogelijk voor een professionele instelling. 24

9. 10. 11.

12.

Het tarief van een zzp'er bedraagt ten hoogste 75% van het tarief van zorg in natura. Het tarief voor hulp in natura wordt indien het geen uurtarief is, omgerekend naar een tarief per uur. Het pgb voor hulp uitgevoerd door een persoon uit het sociale netwerk is gelijk aan het tarief hiervoor in de Wet langdurige zorg plus de kosten voor het aanvragen van een Verklaring omtrent het Gedrag. De gemeente volgt voor de indexering bij het tarief voor hulp uit het sociale netwerk de ontwikkeling van het tarief in de Wet langdurige zorg.

Artikel 43. Besteding en verantwoording van het pgb

1. 2. 3.

De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde budgetplan. De cliënt voldoet aan de eisen die door de wetgever en het college aan het pgb worden gesteld, ten aanzien van de verantwoording, de zorgovereenkomst en het trekkingsrecht. Het niet nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen kan leiden tot: a. terugvordering van het ten onrechte ontvangen pgb; en b. de weigering om de ondersteuning nog langer in de vorm van een pgb te verstrekken.

25

Hoofdstuk 5: Specifieke bepalingen leerlingenvervoer Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen Artikel 44. Begripsomschrijving

In deze verordening wordt verstaan onder: a. aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi; b. begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; c. begeleiding: fysieke begeleiding van de leerling tijdens het vervoer. d. commissie van onderzoek: commissie als bedoeld in artikel 41. tweede lid, van de Wet op de expertisecentra: e. commissie voor de begeleiding: commissie als bedoeld in artikel 40b van de Wet op de expertisecentra: f. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; g. handicap: structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap. De grens tussen tijdelijk en structureel is bepaald op 3 maanden. h. inkomen: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake riiksbelastinqen (het verzamelinkomen), in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; i. leerling: leerling van een school als bedoeld in dit artikel; j. ondersteuningsplan: 1°. voor het primair onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 18a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het primair onderwijs: of 2°. voor het voortgezet onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 17a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het voortqezet onderwijs: k.

opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 17a. lid 10a, van de Wet op het voortqezet onderwijs; l. openbaar vervoer: voor eenieder openstaand personenvervoer per bus, trein, metro, tram, veerdienst of auto; m. opvangadres: adres naast de woning van de leerling waar de leerling wordt opgevangen, zoals buitenschoolse opvang, gastouder of familielid. n. ouders: (pleeg)ouders, voogden of verzorgers van de leerling. Een aanvraag kan ook worden ingediend door een meerderjarige handelsbekwame leerling. Daar waar in de verordening gesproken wordt over ouders wordt ook deze leerling bedoeld; o. regionale verwijzingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 10q van de Wet op het voortqezet onderwijs; p. reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids (of rooster bij voortgezet onderwijs), minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; q. samenwerkingsverband: 1°.

voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs: of 2°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortqezet onderwijs: r. stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding; s. toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; t. vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de 26

u.

v.

schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft.

Artikel 45. De door het college noodzakelijk te achten voorziening leerlingenvervoer

1.

2. 3. 4.

Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een voorziening leerlingenvervoer toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de voorziening leerlingenvervoer op aanvraag verstrekt aan de leerling. De bepalingen in dit hoofdstuk laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. Bij het onderzoek worden de mogelijkheden van ouders in het kader van het vervoer, wellicht in gezamenlijkheid met andere ouders, meegenomen.

Artikel 46. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

1.

2. 3.

Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. De afstand tussen de woning en de school wordt door het college gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat niet eerder aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school dan dat ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld."Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan onderwijs, zoals dat is vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het college.

Artikel 47. Toekenning vervoersvoorziening

1.

2.

Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a, wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het een aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum.

Artikel 48. Aanvraagprocedure

1.

2.

Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders ondertekend formulier, dat door het college is vastgesteld, inclusief alle voor de aanvraag relevante verklaringen. Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.

27

3. 4.

Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken; dit termijn kan verlengd worden wanneer lid 2 van toepassing is. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

Artikel 49. Peildatum leeftijd leerling

Voor het toekennen van een vervoersvoorziening is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de voorziening betrekking heeft. Artikel 50. Andere vergoedingen

De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. Paragraaf 5.2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs Artikel 51. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs

1.

2.

3.

4.

In deze paragraaf wordt verstaan onder school: a. een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; of b. een school voor speciaal (basis)onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 46 wordt een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijk school voor primair onderwijs van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school b. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of c. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder b bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder b. In afwijking van het bepaalde in artikel 46 kan in het geval van een toekenning aangepast vervoer een vervoersvoorziening verstrekt worden voor vervoer naar één ander adres dan de woning van de leerling indien: a. dit een adres betreft waar kinderopvang wordt geboden, omdat beide ouders werken; b.

het adres van de opvanglocatie binnen een straal van 500 meter van de woning of de school van de leerling ligt, en c. er sprake is van een vast patroon, dat wil zeggen één vast opvangadres op vaste dag(en) per week, dat bij de aanvraag is opgegeven. d. Dit geen hulpverlening in het kader van de Jeugdwet betreft.” Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die voor de beoordeling van die aanvraag van belang kunnen zijn.

Artikel 52. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

1.

2.

Het college verstrekt aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar die regulier basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt. Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, zijnde € 0,09 per kilometer. 28

Artikel 53. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider

1.

2.

Het college verstrekt aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider indien: a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 52, de leerling jonger dan twaalf jaar is en een reguliere basisschool, zoals bedoeld in artikel 51, lid 1, sub a, bezoekt, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of b. de leerling jonger is dan twaalf jaar en een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in artikel 51, lid 1, sub a, bezoekt of c. de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of een psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.

Artikel 54. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

1.

2.

Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, indien: a. de leerling onder de 9 jaar is en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt; b. de leerling tussen 9 en 12 jaar is, clusteronderwijs bezoekt en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 52 en 53 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar regulier basisonderwijs, zoals bedoeld in artikel 51, lid 1, sub a of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is; d. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 52 en 53 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in artikel 51, lid 1, sub a of terug, meer dan een uur onderweg is; e. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 52 en 53 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; f.

aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 53 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of g. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of psychische handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding -van openbaar vervoer gebruik te maken. Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer.

Artikel 55. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

1. 2.

Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren ofte laten vervoeren. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a. een bedrag op basis van de goedkoopste manier van reizen voor de betreffende leerling. Dit kan zijn op basis van kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in

29

3 4.

5.

6.

het vijfde lid, of een kilometervergoeding voorde auto, zijnde € 0,19 per kilometer, behoudens het bepaalde in het vierde lid; of b. een bedrag op basis van de werkelijk gemaakte reiskosten voor de leerling die gebruik maakt van een schoolbus van een school of een oudervereniging. Indien het college een kilometervergoeding verleent, zoals genoemd in het tweede lid sub a van dit artikel, bekostigt het college viermaal de afstand tussen woning en school per dag. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, één bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, zijnde € 0,19 per kilometer. Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, zijnde € 0,09 per kilometer.

Artikel 56. Drempelbedrag

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 27.000,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 52 bepaalde afstand te boven gaan. Indien het college toepassing geeft aan artikel 45, eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 52 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.000,-.

De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, worden vastgesteld op € 502,-. Dit bedrag wordt jaarlijks op 1 april aangepast met de wijziging die het indexcijfer voor de gezinsconsumptie heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar. Het bedrag van € 27.000,- genoemd in het eerste en derde lid, wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en derde lid genoemde bedrag van € 27.000,-. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Deze bepaling is niet van toepassing op pleegouders en voogdijinstellingen.

Artikel 57. Financiële draagkracht

1.

Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs (zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs) meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 30

2.

3.

In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van e ouders. Zij bedragen (schooi aar 2020-2021): Inkomen in euro’s

4.

5.

6.

Eigen bijdragen in euro’s

Nihil 0-35.500 150 35.500-42.000 42.000-48.500 630 48.500-55.000 1180 1725 55.000-62.500 2270 62.500-69.000 Voor elke extra € 5.500,-: € 560,- erbij 69.000 en verder De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Paragraaf 5.3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs Artikel 58. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs

1.

2.

In deze paragraaf wordt verstaan onder school: a. een school voor voortgezet onderwijs ais bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; of b. een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die voor de beoordeling van die aanvraag van belang kunnen zijn.

Artikel 59. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets

1.

2. 3.

Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor regulier voortgezet onderwijs of voortgezet special onderwijs cluster 4 bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten

31

van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Artikel 60. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

1.

2.

Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 58 bezoekt, indien: a. het een school voor voortgezet special onderwijs cluster 1, 2 of 3 betreft; b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 59 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan drie kwartier onderweg is; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 59 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; d. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 59 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of e. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te maken. Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer.

Artikel 61. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

1. 2.

3.

4.

5.

Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren een bedrag op basis van de goedkoopste manier van reizen voor de betreffende leerling. Dit kan zijn op basis van kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid, of een kilometervergoeding voorde auto, zijnde € 0,19 per kilometer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, zijnde € 0,19 per kilometer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.

Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, zijnde € 0,09 per kilometer.

Paragraaf 5.4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer Artikel 62. Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders

Met inachtneming van artikel 46 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze paragraaf.

32

Artikel 63. Voorziening leerlingenvervoer voor weekeinde en vakantie

1.

2.

3.

Het college kent aan de ouders een voorziening leerlingenvervoer toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. Het college kent aan de ouders een voorziening leerlingenvervoer toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. Paragraaf 5.2 en 5.3 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c en d, en artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b.

Hoofdstuk 6: Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten Artikel 64. Kwaliteitseisen

1. 2.

3.

4. 5.

6. 7.

Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de aanbieders. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. De aanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.

Artikel 65. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder

1.

2.

Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 2.1, van de Jeuqdwet en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst, stelt het college vast: a. een vaste prijs of tarief, toegepast bij een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedinqswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of b. een reële prijs of tarief, geldend als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijs of het tarief, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5. tweede lid, van de Wmo 2015 en 12.4, eerste lid, onder a, van de Jeuqdwet, tussen degenen aan wie de dienst of jeugdhulp wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 33

3.

4.

Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs ten minste op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis en opleidingskosten; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen waaronder kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onder b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs of tarief voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op wat gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 66. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7. 8. 9.

Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura, pgb of bekostiging leerlingenvervoer zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeuqdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo doet een cliënt of ouder van een leerling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een voorziening. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeuqdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een besluit aangaande een voorziening of bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer herzien, dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt/ouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt/ouder niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, het pgb of bekostiging, of e.

de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is. Indien het college een besluit op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, het ten onrechte genoten pgb of de ten onrechte genoten bekostiging. Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Indien een besluit tot verlening van een voorziening is ingetrokken, kan op grond van artikel 8.1.4 van de Jeuqdwet en artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald. Ingeval een besluit tot verlening van een bekostiging leerlingenvervoer is ingetrokken, kan een reeds uitbetaalde bekostiging worden teruggevorderd.

34

10.

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen (waaronder pgb’s) met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 67. Klachtenregeling

1. 2.

3.

Het college handelt klachten af overeenkomstig de in de gemeente geldende klachtenregeling. Het college neemt in de contracten met aanbieders op dat de aanbieders een effectieve en laagdrempelige klachtregeling moeten hebben voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 68. Medezeggenschap bij aanbieders

1.

2.

3. 4.

De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4, van de Jeuqdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeuqdwet. De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap voldoende kenbaar is voor de cliënten van zijn organisatie. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan een cliëntenraad moet voldoen.

Artikel 69. Incidenten, calamiteiten en geweld

1.

2. 3.

4.

Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een toezichthouder aan als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo. Aanbieders melden calamiteiten en geweld dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthouder. De toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 70. Doel- en rechtmatigheid

1. 2.

3.

Het college wijst een toezichthouder rechtmatigheid aan belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en Wmo 2015. Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid.

35

Hoofdstuk 7: Participatie in het Sociaal Domein Artikel 71. Begripsbepalingen participatie sociaal domein

In deze verordening wordt verstaan onder: a. adviesraad: het door het college ingestelde orgaan dat het college adviseert over beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein van de gemeente Zuidplas; b. representatieve organisatie: organisatie die de belangen van een of meerdere specifieke cliëntgroepen/ doelgroepen behartigt zoals deze omschreven worden binnen de Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet; c. belanghebbenden: inwoners die aanspraak kunnen maken op ondersteuning door de gemeente binnen het sociaal domein en hun mantelzorgers of vertegenwoordigers; d. lid: een lid van de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas; e. achterban: het bestuur en/of de leden van de representatieve organisaties en inwoners van de gemeente Zuidplas; f. cliëntparticipatie: de wijze waarop cliënten van zorg- en ondersteuningsvoorzieningen en hun mantelzorgers en/of vertegenwoordigers op het terrein van de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet geraadpleegd worden over de uitvoering van het (gemeentelijk) beleid en over de ervaren kwaliteit van zorg en ondersteuning op deze terreinen; g. beleidsparticipatie: de gestructureerde wijze waarop de gemeente belanghebbende inwoners van de gemeente Zuidplas betrekt bij de voorbereiding, ontwikkeling en evaluatie van het gemeentelijk beleid op het sociaal domein; h.

sociaal domein: het integrale gemeentelijke beleid voortvloeiend uit Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet; i. vergadering: een vergadering van de leden van de adviesraad; j. ambtelijk vertegenwoordiger: ambtenaar die namens de gemeente als contactpersoon optreedt naar de adviesraad; k. voorzitter: de voorzitter van de adviesraad; secretaris: de secretaris van de adviesraad; l. m. penningmeester: de penningmeester van de adviesraad. Artikel 72. Doelstelling

Met het hoofdstuk Participatie Sociaal Domein Zuidplas geeft de gemeente Zuidplas invulling aan de wettelijke verplichtingen op grond van: A

De Wmo, Participatiewet en Jeugdwet waarbij het college inwoners dient te betrekken bij het opstellen van beleid voordat zij dat beleid ter besluitvorming voorlegt aan de gemeenteraad;

B

De Wmo, Jeugdwet en Participatiewet waarbij cliënten of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van het gemeentelijk beleid Sociaal Domein, op basis van de genoemde wetgeving.

A._____Beleidsparticipatie Via beleidsparticipatie betrekt de gemeente inwoners bij het opstellen en evalueren van beleid. De gemeente Zuidplas geeft invulling aan de beleidsparticipatie door: 1. Het betrekken van inwoners en belanghebbenden (cliënten, hun mantelzorgers of andere vertegenwoordigers, Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas, zorgaanbieders en andere partijen) bij de start van nieuw op te stellen beleid of projecten. 2. Het laten adviseren over beleidsvoorstellen en de evaluatie van beleid binnen het sociaal domein via de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Wmo, Participatiewet en Jeugdwet indien het deze drie wetten uit het sociaal domein wel raakt. B.____ Cliëntenparticipatie De gemeente geeft invulling aan cliëntenparticipatie en biedt daarmee cliënten (degenen die zorg- en ondersteuning ontvangen) en hun vertegenwoordigers de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de uitvoering van het beleid op de volgende manieren: 36

1.

2.

3. 4.

Via de cliëntenraad van de GR IJsselgemeenten voor klanten en hun vertegenwoordigers van de Participatiewet. De GR IJsselgemeenten kan periodiek cliënttevredenheidsonderzoek onder hun klanten (laten) uitvoeren. Via de medezeggenschap bij zorgaanbieders van Wmo en Jeugdwet: a. de gemeente legt via de inkoop van zorgvoorzieningen van de Wmo en de Jeugdwet vast dat de zorgaanbieders een regeling voor medezeggenschap hanteren; b. de gemeente monitort de uitvoering van deze medezeggenschap binnen zorgaanbieders via de accountgesprekken en de jaarlijkse verantwoording van zorgaanbieders; c. Zorgvoorzieningen Wmo 2015 die een regeling voor medezeggenschap dienen te hanteren zijn: i. Voorzieningen voor Dagbesteding ii. Voorzieningen voor Begeleiding iii. Voorzieningen Beschermd wonen iv. Voorzieningen Respijtzorg en Kort verblijf v. Voorzieningen Maatschappelijke opvang en vrouwenopvang Via het raadplegen van cliënten bij het monitoren van beleid via in te richten cliëntenpanels Via jaarlijks uit te voeren cliënttevredenheidsonderzoek onder cliënten en hun mantelzorgers/ vertegenwoordigers van de Wmo en Jeugdwet. De gemeente kan dit onderzoek zelf uitvoeren en/of zorgaanbieders en/of een derde partij opdragen deze onderzoeken uit te voeren.

Artikel 73. Taken van de adviesraad

1.

2.

3. 4. 5.

De adviesraad adviseert het college gevraagd of ongevraagd over: a. de voorbereiding, ontwikkeling, en evaluatie van beleid binnen het sociaal domein, bestaande uit de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015 indien het deze drie wetten uit het sociaal domein wel raakt; b. beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein die door de gemeente in regionaal verband ontwikkeld zijn. Daartoe onderhoudt de adviesraad contacten met de adviesraden uit de regio om de advisering hierover af te stemmen. De adviesraad adviseert via vertegenwoordiging in de cliëntenraad van de GR IJsselgemeenten over de (door klanten ervaren kwaliteit van de) uitvoering van het beleid van de Participatiewet. De adviesraad is een van de partijen die door de gemeente betrokken worden bij het opstellen van nieuw beleid binnen het sociaal domein. De adviesraad signaleert relevante trends en ontwikkelingen en/of knelpunten op het gebied van het beleid binnen het sociaal domein. • De adviesraad houdt zich niet bezig met en is niet bevoegd om te adviseren of te handelen naar aanleiding van individuele klachten of problemen tenzij er duidelijke gevolgen zijn voor het algemeen beleid.

Artikel 74. Werkwijze van de adviesraad

1. 2. 3. 4. 5.

De adviesraad ontvangt de adviesvraag van de gemeente en heeft dan zes weken de tijd om een advies te geven aan het college. De adviesraad adviseert schriftelijk en gemotiveerd aan het college en de adviezen zijn ondertekend door de voorzitter en/of secretaris van de adviesraad. De adviestermijn kan bij uitzondering in overleg worden aangepast wanneer het college of de adviesraad dit noodzakelijk acht. Ongevraagde adviezen worden ook aan het college gericht. De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ter informatie aan het college wordt voorgelegd. In het huishoudelijk reglement wordt in ieder geval opgenomen:

37

a.

6.

een regeling voor aan- en aftreden van leden; er wordt een rooster van aftreden opgesteld waarbij de continuïteit van kennis en ervaring zoveel mogelijk wordt gewaarborgd; b. wanneer een lid door de adviesraad geschorst kan worden; c. de werkwijze van de adviesraad; d. de afvaardiging van vertegenwoordigers in het kader van de Participatiewet in de cliëntenraad van de regionale sociale dienst GR IJsselgemeenten; e. regels voor declaratie van onkosten door leden; f. de afvaardiging naar het ambtelijk en het bestuurlijke overleg met de gemeente Zuidplas. Leden van de adviesraad zijn verplicht tot geheimhouding van alle informatie die zij in de hoedanigheid van lid van de adviesraad vernemen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs kunnen vermoeden. De geheimhoudingplicht blijft bestaan na het einde van het lidmaatschap van de adviesraad.

Artikel 75. Werkwijze van het college

1. 2. 3. 4. 5.

6.

Het college vraagt tijdig advies aan de adviesraad bij beleidsvoorstellen betrekking hebbend op het sociaal domein. Dit geldt zowel voor voorstellen die lokaal zijn opgesteld als bij regionaal voorbereide voorstellen waar lokale besluitvorming voor nodig is. Het college stuurt met de adviesvraag de noodzakelijke stukken mee. Het college reageert schriftelijk en gemotiveerd naar de adviesraad op het advies van de adviesraad. Het advies van de adviesraad en de reactie van het college op het advies worden met het raadsvoorstel waarop het advies betrekking heeft meegezonden naar de raadscommissie en de gemeenteraad. Het derde en vierde lid gelden voor gevraagd en ongevraagd advies.

Artikel 76. Overlegstructuur van de adviesraad

1. 2. 3.

4.

De adviesraad neemt in haar huishoudelijk reglement haar wijze van vergaderen op. De adviesraad draagt zorg voor verslaglegging van haar vergaderingen en doet jaarlijks verslag naar inwoners van haar werkzaamheden en uitgebrachte adviezen. De vergaderingen zijn openbaar tenzij door het college is verzocht om een onderwerp vertrouwelijk te behandelen of wanneer dit door een meerderheid van de adviesraad wenselijk wordt geacht. Ten aanzien van de besluitvorming in de adviesraad geldt het volgende: a. alle aanwezige leden van de adviesraad hebben stemrecht tijdens de vergadering; b. indien de besluitvorming niet unaniem is, wordt hiervan melding gemaakt in de advisering aan het college; c. besluitvorming vindt plaats op basis van meerderheid van stemmen van de op de vergadering aanwezige leden; d. wanneer er bij stemming evenveel voor- als tegenstanders zijn, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9925590/1