Bijlage 8 Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026 A25.003710
Tekst van het document
Paragraaf 2.7 Aanlegactiviteiten Artikel 2.23 Omgevingsplanactiviteit: opbreken en graven
Pagina 31 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het opbreken van de verharding in openbaar gebied of het graven in openbaar gebied, anders dan voor het aanleggen, in stand houden of verwijderen van een kabel of leiding, als bedoeld in het omgevingsplan bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
2.23.1
2.23.2
a.
b.
c.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het aanleggen, in stand houden of verwijderen van een kabel of leiding in openbaar gebied, als bedoeld in het omgevingsplan, niet zijnde kabels als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet, OF Als een aanvraag om een vergunning betrekking heeft op een activiteit zoals bedoeld in de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Zuidplas (AVOI), niet zijnde kabels als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten: als het betreft werkzaamheden in tegel-, klinker- en sierbestratingen, alsmede gesloten verhardingen, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in of op openbare gemeentegrond, per strekkende meter sleuf verhoogd met: als het betreft werkzaamheden in bermen, groenstroken en dergelijke, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in of op openbare gemeentegrond, per strekkende meter sleuf verhoogd met:
€ 507,65
€ 521,35
€ 507,65
€ 521,35
€ 2,20
€ 2,25
€ 2,20
€ 2,25
Pagina 32 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
2.23.3
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet bestaande uit het graven in het gebied met archeologische verwachtingen, als bedoeld in het omgevingsplan, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
€ 507,65
€ 521,35
2.23.4
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het graven in het beperkingengebied leidingen, als bedoeld in het omgevingsplan, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
€ 507,65
€ 521,35
2.23.5
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het graven in een bijzonder landschapselement of gebied met aardkundige waarde of agrarisch gebied. als bedoeld in het omgevingsplan, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
€ 507,65
€ 521,35
2.23.6
De in het eerste tot en met vijfde lid genoemde tarieven zijn van toepassing als de aanvraag een binnenplanse omgevingsplanactiviteit betreft. Deze zijn van overeenkomstige toepassing als de aanvraag een buitenplanse omgevingsplanactiviteit betreft en worden in dat geval verhoogd met:
€ 507,65
€ 521,35
Artikel 2.24 Gereserveerd Artikel 2.25 Omgevingsplanactiviteit: geluid weg
Pagina 33 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het aanleggen of wijzigen van een weg als op grond van het omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg, als bedoeld in artikel 22.272 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zoals opgenomen in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
€ 571,35
€ 586,75
€ 413,55
€ 424,70
€ 321,70
€ 330,35
Artikel 2.26 Omgevingsplanactiviteit: aanleggen of veranderen weg Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het aanleggen van een weg of verandering brengen in de wijze van aanleg van een weg, bedoeld in artikel 3.22 van de Verordening Fysieke Leefomgeving in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten: Artikel 2.27 Omgevingsplanactiviteit: uitweg/uitrit Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het maken, hebben, veranderen of veranderen van het gebruik van een uitweg, bedoeld artikel 3.23 van de Verordening Fysieke Leefomgeving in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten::
Paragraaf 2.8 Overige activiteiten
Pagina 34 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Artikel 2.28 Omgevingsplanactiviteit: kappen van bomen of vellen van houtopstanden Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 3.25 van de Verordening Fysieke Leefomgeving in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
€ 183,85
€ 188,80
Artikel 2.29 Omgevingsplanactiviteit: reclame Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, als bedoeld in artikel 3.43 en 3.43 van de Verordening Fysieke Leefomgeving in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit, en als niet tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in paragraaf 2.3, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
2.29
a.
als de activiteit bestaat uit het op of aan een onroerende zaak maken of voeren van die handelsreclame:
€ 50,75
€ 52,10
b.
als de activiteit bestaat uit het als eigenaar, beperkt gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toestaan of gedogen dat die handelsreclame op of aan die onroerende zaak wordt gemaakt of gevoerd:
€ 50,75
€ 52,10
Artikel 2.30 Omgevingsplanactiviteit: het plaatsen van voorwerpen
Pagina 35 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit de opslag van roerende zaken in een aangewezen gedeelte van de gemeente, bedoeld in artikel 3.14 van de Verordening Fysieke Leefomgeving in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
2.30
a.
als de activiteit bestaat uit het daar opslaan van roerende zaken,:
€ 229,80
€ 236,00
b.
als de activiteit bestaat uit het als eigenaar, beperkt gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toestaan of gedogen dat daar roerende zaken worden opgeslagen:
€ 220,95
€ 226,90
€ 183,75
€ 188,70
€ 129,50
€ 132,95
Artikel 2.31 Omgevingsplanactiviteit: standplaatsen Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het innemen of hebben van een standplaats, bedoeld in artikel 3.44 en 3.70 van de Verordening Fysieke Leefomgeving in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
2.31
Artikel 2.32 Andere activiteiten Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het verrichten van een andere activiteit dan in deze paragraaf en voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk bedoeld en die activiteit:
2.32
a.
betreft een bij of krachtens artikel 5.1 van de Omgevingswet aangewezen vergunningplichtige activiteit, uitgezonderd de activiteit bedoeld in onderdeel b, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:
Pagina 36 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
b.
1. 2.
3.
betreft een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten: voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit: voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit:
€ 129,50
€ 132,95
€ 466,20
€ 478,75
€ 129,50
€ 132,95
per maatwerkvoorschrift:
€ 518,00
€ 531,95
in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel a, per maatwerkvoorschrift:
€ 518,00
€ 531,95
voor een in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 22.8 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit aangewezen vergunningplichtige activiteit:
Paragraaf 2.9 Maatwerkvoorschriften
2.33
a.
Artikel 2.33 Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten Als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften betrekking heeft op een bouw- of sloopactiviteit, bedraagt het tarief: voor een maatwerkvoorschrift dat betrekking heeft op:
1.
het in stand houden van een bestaand bouwwerk, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
2.
bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen als bedoeld in artikel 4.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
3.
het gebruik van een bouwwerk, bedoeld in artikel 6.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of
4.
het verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
b.
Artikel 2.34 Maatwerkvoorschriften bij milieubelastende activiteiten
2.34
Als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) betrekking heeft op:
Pagina 37 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
a.
één milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief:
€ 2.279,20
€ 2.340,70
b.
twee tot vijf milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief per milieubelastende activiteit:
€ 1.595,45
€ 1.638,50
c.
vijf of meer milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief per milieubelastende activiteit:
€ 1.367,50
€ 1.404,40
2.
de activiteit lozingsvoorschriften bij het bereiden van gietwater behorende bij afdeling 3.6 van het Bal
3.
Als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften betrekking heeft op een andere milieubelastende activiteit dan bedoeld in het eerste lid, bedraagt het tarief per maatwerkvoorschrift:
€ 1.735,95
€ 2.279,20
€ 2.340,70
€ 259,00
€ 265,95
Artikel 2.35 Maatwerkvoorschriften bij overige activiteiten Als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften betrekking heeft op een andere activiteit dan genoemd in de artikelen 2.33 en 2.34, bedraagt het tarief per maatwerkvoorschrift:
2.35
Paragraaf 2.10 Gelijkwaardigheid Artikel 2.36 Gelijkwaardige maatregel 2.36
1.
Als de aanvraag om toestemming voor een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet betrekking heeft op:
a.
een bouwactiviteit, bedraagt het tarief, per uur:
€ 113,95
€ 117,00
b.
een activiteit met betrekking tot cultureel erfgoed, bedraagt het tarief, per uur:
€ 113,95
€ 117,00
een milieubelastende activiteit, bedraagt het tarief, per uur: een andere activiteit dan bedoeld in de onderdelen a, b of c, bedraagt het tarief, per uur:
€ 113,95
€ 117,00
€ 113,95
€ 117,00
c. d.
Pagina 38 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
2.
Het op grond van het eerste lid verschuldigde bedrag wordt voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager meegedeeld. De aanvraag wordt dan in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop het verschuldigde bedrag aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.
Paragraaf 2.11 Overige tarieven
2.37
2.38
Artikel 2.37 Verlengen tijdelijke omgevingsvergunning bouwactiviteit Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om verlenging van de in een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit gestelde termijn, bedoeld in artikel 10.23, tweede lid, van het Omgevingsbesluit: Artikel 2.38 Wijzigen omgevingsvergunning
€ 259,00
€ 265,95
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning is hetzelfde tarief verschuldigd als op grond van dit hoofdstuk verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit of activiteiten waarop de aanvraag tot wijziging betrekking heeft.
€ 229,85
€ 236,05
€ 229,85
€ 236,05
€ 183,85
€ 188,80
€ 88,05
€ 90,40
Artikel 2.39 Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning 2.39
2.40
2.41
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning: Artikel 2.40 Intrekken omgevingsvergunning Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning, tenzij artikel 2.58 van toepassing is: Artikel 2.41 Beoordeling aanvullende gegevens Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van aanvullende gegevens die worden ingediend nadat de aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 2.2, aanhef en onderdeel b, in behandeling is genomen:
Pagina 39 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Artikel 2.42 Beoordeling onderzoeksrapporten
2.42
2.43
2.44
De in artikel 2.47 opgenomen tarieven zijn van overeenkomstige toepassing op het in behandeling nemen van een aanvraag tot het beoordelen van een onderzoeksrapport, zonder dat sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ander besluit. Artikel 2.43 Wijzigen van het omgevingsplan Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van het omgevingsplan, indien de ontwikkeling niet onder de kostenverhaalsplicht valt en daarmee een kleiner ontwikkeling is dan het bepaalde in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit
0,6% van de bouwkosten
0,6% van de bouwkosten
met een minimum van
€ 2.590,00
€ 2.659,90
En een maximum van Artikel 2.44 Niet genoemd besluit op aanvraag
€ 31.069,65
€ 31.908,50
€ 191,65
€ 196,80
10%
10%
€ 10.360,00
€ 10.639,70
€ 12.432,00
€ 12.767,65
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een ander, in dit hoofdstuk niet benoemd besluit op grond van de Omgevingswet, de op die wet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur of het omgevingsplan:
Paragraaf 2.12 Modaliteiten
2.45
2.46
Artikel 2.45 Achteraf ingediende aanvraag Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit wordt ingediend na aanvang of gereedkomen van de activiteit, worden de op grond van de paragrafen 2.3 tot en met 2.8 verschuldigde leges verhoogd met: met een maximum van: Artikel 2.46 Uitgebreide voorbereidingsprocedure Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit: Artikel 2.47 Beoordeling onderzoeksrapporten
Pagina 40 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als krachtens wettelijk voorschrift voor de betreffende aanvraag een rapport moet worden beoordeeld: voor de beoordeling van een milieukundig bodemrapport:
€ 571,55
€ 586,95
b.
voor de beoordeling van een archeologisch bodemrapport:
€ 457,25
€ 469,55
c.
voor de beoordeling van een geluidrapport betreffende de geluidbelasting:
€ 571,55
€ 586,95
d.
voor de beoordeling van een luchtrapport betreffende de luchtbelasting:
€ 228,60
€ 234,75
e.
voor de beoordeling van een akoestisch rapport betreffende de interne en externe geluidwering of nagalm van een bouwwerk:
€ 518,00
€ 531,95
f.
voor de beoordeling van een ecologisch onderzoeksrapport:
€ 571,55
€ 586,95
g.
Voor de beoordeling van externe veiligheid
€ 685,85
€ 704,35
h
Voor de beoordeling van een ROM aanvraag
€ 1.257,10
€ 1.291,00
i
voor de beoordeling van een milieueffectrapportage (MER):
€ 2.590,00
€ 2.659,90
j
voor de beoordeling van een niet in de voorgaande onderdelen genoemd rapport:
€ 777,00
€ 797,95
€ 155,40
€ 159,55
€ 100,00
€ 102,70
0,20%
0,20%
2.47
a.
Artikel 2.48 Advies
2.48
1.
Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als een daartoe aangewezen bestuursorgaan of andere instantie advies moet uitbrengen over de aanvraag om een omgevingsvergunning of een ander besluit op grond van de Omgevingswet: voor een advies van de gemeenteraad:
2.
voor een advies van de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas dat uitsluitend betrekking heeft op redelijke eisen van welstand, als bedoeld in de gemeentelijke beleidsregels bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet:
a.
bouwkosten tot € 50.000 per aanvraag, max 3 behandelingen
b.
bouwkosten van € 50.000 tot € 2.000.000 per aanvraag, max 3 behandelingen
Pagina 41 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
c.
(bouwkosten / € 2.000.000) x 0,05% + €4.000
(bouwkosten / € 2.000.000) x 0,05% + €4.000
bouwkosten vanaf € 6.000.000
€ 6.000,00
€ 6.162,00
vanaf 4e behandeling aanvraag omgevingsvergunning
25% van het legestarief voor de beoordeling door de gemeentelijke advies commissie
25% van het legestarief voor de beoordeling door de gemeentelijke advies commissie
€ 259,00
€ 265,95
bouwkosten van € 2.000.000 tot € 6.000.000 per aanvraag, max 3 behandelingen
d.
e.
f.
3.
4.
5.
6.
a. b. c.
Indien binnen één jaar na afronding conceptverzoek een vergunningaanvraag wordt ingediend, wordt maximaal 2 keer conceptverzoek in mindering gebracht op de legeskosten, met een minimaal factuurbedrag van voor een advies van de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel 2.: voor een advies in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 3: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. Als een begroting als bedoeld in het vierde lid, is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. Indien krachtens wettelijk voorschrift voor de in dat onderdeel bedoelde aanvraag een advies van de agrarische beoordelingscommissie wordt beoordeeld, bedraagt het tarief: Standaardadvies bestaande bedrijven Inzake nieuwe vestigingen en/of beoordeling van een bedrijfsplan Waarbij de ABC wordt verzocht uitspraken van een commissie voor bezwaar en beroep en/of gerechtelijke uitspraken te betrekken
€ 1.240,25 € 1.452,00 € 1.694,00
Pagina 42 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
d. e.
7.
8.
Nadere adviezen op eerder uitgebrachte adviezen Second opinion Op basis van nacalculatie kan elk van de in onderdeel 6 genoemde bedragen bij facturering verhoogd worden vanwege extra uren in verband met de omvangrijkheid en/of complexiteit van het dossier, met een uurtarief van: Voor een spoedadvies geldt een toeslag op de in onderdeel 6 genoemde bedragen van:
€ 774,40 € 1,905,75
€ 108,90
€ 447,70
Artikel 2.49 Instemming
2.49
1.
Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als een aanvraag om een omgevingsvergunning of een ander besluit op grond van de Omgevingswet betrekking heeft op een activiteit waarvoor de beslissing op de aanvraag op grond van artikel 16.16 van de Omgevingswet instemming behoeft van een bestuursorgaan: het bedrag dat dit bestuursorgaan aan rechten zou heffen als het voor de activiteit waarvoor instemming wordt verzocht zelf bevoegd gezag zou zijn.
2.
-
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager meegedeeld. De aanvraag wordt dan in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop het verschuldigde bedrag aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.
Paragraaf 2.13 Vermindering Artikel 2.50 Vermindering na beoordeling conceptverzoek
Pagina 43 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
2.50
1.
2.
3. a. b.
c.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 2.2, aanhef en onderdeel b, en zoals nader omschreven in de paragrafen 2.3 tot en met 2.8, is voorafgegaan door een conceptverzoek als bedoeld in artikel 2.2, aanhef en onderdeel a, en zoals nader omschreven in artikel 2.4.2 en 2.4, waarop de aanvraag om de omgevingsvergunning betrekking heeft, bestaat onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden aanspraak op vermindering van de voor het in behandeling nemen van de aanvraag om de omgevingsvergunning verschuldigde leges. De vermindering van de voor de beoordeling van het conceptverzoek geheven leges, bedraagt Bij de toepassing van het eerste lid blijft voor het in behandeling nemen van de aanvraag om de omgevingsvergunning in ieder geval verschuldigd: Voor de toepassing van het eerste lid wordt de aanvraag om een omgevingsvergunning gedaan: voor dezelfde activiteit of activiteiten als waarop het conceptverzoek betrekking had;
50%
50%
€ 51,80
€ 53,15
2%
2%
3%
3%
5%
5%
in overeenstemming met de uitkomsten van de beoordeling van het conceptverzoek; en binnen 12 maanden na de afrondingsbrief bam het conceptverzoek of, als de beoordeling van het conceptverzoek volgens afspraak leidt tot een kennisgeving aan de aanvrager, na de dagtekening van de kennisgeving. Artikel 2.51 Vermindering bij meervoudige aanvraag Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op vijf of meer activiteiten, bestaat aanspraak op vermindering van leges, met uitzondering van leges voor de milieubelastende activiteiten als bedoeld in paragraaf 2.5 en het legesdeel dat betrekking heeft op de modaliteiten genoemd in paragraaf 2.12. De vermindering bedraagt:
2.51
a.
b.
c.
bij 5 tot 10 activiteiten: van de voor die activiteiten verschuldigde leges; bij 10 tot 15 activiteiten: van de voor die activiteiten verschuldigde leges; bij 15 of meer activiteiten:
Pagina 44 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
van de voor die activiteiten verschuldigde leges. Paragraaf 2.14 Teruggaaf Artikel 2.52 Teruggaaf bij aanvraag en oordeel geen omgevingsvergunning nodig
2.52
Als het college van burgemeester en wethouders op grond van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning oordeelt dat voor de voorgenomen activiteit geen omgevingsvergunning is vereist, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf, met in achtneming van artikel 2.60, bedraagt:
85%
85%
100%
100%
85%
85%
€ 2.020,20
€ 2.074,70
van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is gedaan verschuldigde leges.
2.53
2.54
Artikel 2.53 Teruggaaf als de aanvraag omgevingsvergunning op verzoek van het bevoegd gezag wordt omgezet in een beoordeling conceptverzoek Als het college van burgemeester en wethouders op grond van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning oordeelt dat de aanvraag omgevingsvergunning kan worden omgezet in een beoordeling conceptverzoek, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf , met in achtneming van artikel 2.60, bedraagt: Artikel 2.54 Teruggaaf als aanvraag verder buiten behandeling wordt gelaten Als na toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten, bestaat aanspraak op teruggaaf. De teruggaaf bedraagt: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is gedaan verschuldigde leges, met een maximum van: Artikel 2.55 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij reguliere procedure
Pagina 45 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning of aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is geheel of gedeeltelijk intrekt terwijl het college van burgemeester en wethouders daarover nog geen besluit heeft genomen, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf, met in achtneming van artikel 2.60, bedraagt:
2.55
a.
bij gehele of gedeeltelijke intrekking binnen vier weken na de indiening van de aanvraag:
75%
75%
bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf vier weken tot en met zes weken na de indiening van de aanvraag:
50%
50%
van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf zes weken na de indiening van de aanvraag: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges.
25%
25%
75%
75%
50%
50%
van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; b.
b c.
Artikel 2.56 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij uitgebreide voorbereidingsprocedure Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning of aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is geheel of gedeeltelijk intrekt terwijl het college van burgemeester en wethouders daarover nog geen besluit heeft genomen, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf, met in achtneming van artikel 2.60, bedraagt:
2.56
a.
bij gehele of gedeeltelijke intrekking binnen 6 maanden na de indiening van de aanvraag: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges;
a.
bij gehele of gedeeltelijke intrekking binnen 6 weken na de indiening van de aanvraag:
Pagina 46 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; c.
bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf achttien weken na de indiening van de aanvraag:
25%
25%
25%
25%
25%
25%
van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges. Artikel 2.57 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten Als het college van burgemeester en wethouders een verleende omgevingsvergunning voor een bouw- of milieubelastende activiteit intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges, mits deze aanvraag is ingediend binnen 12 maanden na verlening van de vergunning en van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf, met in achtneming van artikel 2.60, bedraagt:
2.57
van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges. Artikel 2.58 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten Als het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor een bouw- of milieubelastende activiteit weigert, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf, met in achtneming van artikel 2.60, bedraagt:
2.58
a.
van de voor de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is geweigerd verschuldigde leges. Onder een weigering bedoeld in onderdeel a wordt mede verstaan een vernietiging van de beschikking waarbij de vergunning is verleend bij rechterlijke uitspraak. Artikel 2.59 Geen teruggaaf legesdeel modaliteiten
2.59
In afwijking van de voorgaande artikelen van deze paragraaf wordt geen teruggaaf verleend van het legesdeel dat betrekking heeft op de modaliteiten genoemd in paragraaf 2.12. Artikel 2.60 Minimumbedrag voor teruggaaf
Pagina 47 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Een bedrag minder dan € 120,20 wordt niet teruggegeven.
2.60
HOOFDSTUK 3 DIENSTVERLENING VALLEND ONDER DE DIENSTENRICHTLIJN EN NIET VALLEND ONDER HOOFDSTUK 2 Paragraaf 3.1 Horeca Artikel 3.1 Exploitatie openbare inrichting Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van: een aanvraag om een vergunning tot het exploiteren van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening: een aanvraag om een ontheffing van de sluitingstijd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:29 van de Algemene plaatselijke verordening: Artikel 3.2 Uitoefenen horeca- of slijtersbedrijf Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van:
3.1.1
3.1.2
3.2
€ 355,05
€ 365,00
€ 118,45
€ 121,00
3.2.1
een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet:
€ 355,45
€ 365,00
3.2.2
een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet:
€ 355,45
€ 365,00
3.2.3
een melding als bedoeld in artikel 30 van de Alcoholwet:
€ 118,45
€ 121,00
3.2.4
een aanvraag om wijziging van het aanhangsel als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Alcoholwet:
€ 118,45
€ 121,00
3.2.5
een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet:
€ 118,45
€ 121,00
Paragraaf 3.2 Seksbedrijven Artikel 3.3 Vergunning seksbedrijf Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene plaatselijke verordening:
3.3
3.3.1
a.
voor een escortbedrijf:
€ 1.947,60
€ 2.001,20
3.3.1.1
b.
voor andere prostitutiebedrijven dan bedoeld in onderdeel a:
€ 1.948,60
€ 2.001,20
voor andere seksbedrijven dan bedoeld in de onderdelen a en b:
€ 1.948,60
€ 2.001,20
3.3.1.2
Pagina 48 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Paragraaf 3.3 Winkeltijdenwet Artikel 3.5 Ontheffing winkeltijden 3.3.5 3.3.5.1
a.
3.3.5.2
b.
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: een ontheffing in het kader van de Winkeltijdenwet en de Verordening winkeltijden Zuidplas: wijziging van een in onderdeel a bedoelde ontheffing:
€ 213,25
€ 219,00
€ 213,25
€ 219,00
€ 116,15
€ 119,25
€ 116,15
€ 119,25
Paragraaf 3.4 Organiseren evenement of markt Artikel 3.6 Organiseren evenement Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning voor het organiseren van een evenement als bedoeld in artikel 2.25 van de Algemene plaatselijke verordening.
Paragraaf 3.6 Huisvestingswet 2014 [en Wet goed verhuurderschap] Artikel 3.11 Vergunning [of ontheffing] onttrekken woonruimte
3.11
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning [of ontheffing van het verbod] om woonruimte aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, [respectievelijk tweede lid,] van de Huisvestingswet 2014: Artikel 3.12 Vergunning [of ontheffing] samenvoegen woonruimte
3.12
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning [of ontheffing van het verbod] om woonruimte met andere woonruimte samen te voegen of samengevoegd te houden, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, [respectievelijk tweede lid,] van de Huisvestingswet 2014: Artikel 3.13 Vergunning [of ontheffing] omzetten zelfstandige in onzelfstandige woonruimte
Pagina 49 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
3.13
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning [of ontheffing van het verbod] om zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, [respectievelijk tweede lid,] van de Huisvestingswet 2014:
€ 116,15
€ 119,25
€ 116,15
€ 119,25
Artikel 3.14 Vergunning [of ontheffing] verbouwen woonruimte tot meer woonruimten
3.14
3.15
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning [of ontheffing van het verbod] om woonruimte tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder d, [respectievelijk tweede lid,] van de Huisvestingswet 2014: Artikel 3.15 Splitsingsvergunning [of ontheffing] Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning [of ontheffing van het verbod] om een recht op een gebouw te splitsen in appartementsrechten, als bedoeld in artikel 22, eerste[, respectievelijk tweede lid,] van de Huisvestingswet 2014: Artikel 3.16 Vergunning of ontheffing toeristische verhuur
3.16
3.17
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning of ontheffing van het verbod om woonruimte voor toeristische verhuur in gebruik te geven als bedoeld in artikel 23c, eerste, respectievelijk tweede lid, van de Huisvestingswet 2014: Artikel 3.17 Verhuurvergunning opkoopbescherming Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning om een woonruimte in gebruik te geven binnen een periode van vier jaar na de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van die woonruimte aan de nieuwe eigenaar, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014: Artikel 3.18 Verhuurvergunning woon- of verblijfsruimte
Pagina 50 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet goed verhuurderschap: 3.18.1
a.
voor een verhuurvergunning woonruimte:
3.18.2
b.
voor een verhuurvergunning verblijfsruimte: Paragraaf 3.7 In dit hoofdstuk niet benoemd besluit Artikel 3.19 Niet benoemd besluit op aanvraag
3.19
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een andere, in dit hoofdstuk niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking:
€ 189,55
€ 194,65
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de tarieventabel voorkomende begrippen is daarvan een definitie opgenomen in artikel 1. Uiteraard kan een gemeente andere begrippen hanteren dan die in artikel 1 of die begrippen anders omschrijven. Artikel 2 Belastbaar feit Bij het belastbaar feit voor de legesheffing gaat het altijd om een aanvraag. Er zijn bij de leges drie categorieën belastbare feiten te onderkennen, die wij in artikel 2 (geobjectiveerd) hebben opgenomen en verder zijn uitgewerkt in de tarieventabel, namelijk: a. het in behandeling nemen van een aanvraag tot … het verlenen van een dienst Voorbeelden: het in behandeling nemen van een aanvraag om eenmalig een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand te benoemen, om een rijbewijs, om een vergunning, om het verstrekken van kopieën en dergelijke, om omgevingsoverleg, om een of meer maatwerkvoorschriften, om toestemming voor een gelijkwaardige maatregel. … of het nemen van een besluit
b.
Voorbeelden: het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, om wijziging van omgevingsvergunningvoorschriften, om intrekking van een omgevingsvergunning. het verlenen van een dienst op aanvraag
c.
Voorbeelden: huwelijksvoltrekking (de Wet rechten burgerlijke stand noemt ‘voor de huwelijksvoltrekking’, beschikbaar stellen van een getuige. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een document
Voorbeelden: reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart. De onderverdeling houdt verband met de wettelijke grondslagen, genoemd in onderdeel A, onder 1 (Wettelijke basis) van deze toelichting. Zoals uit bovenstaande voorbeelden al blijkt, kent de verordening zeer uiteenlopende belastbare feiten waarvoor leges worden geheven. Daarom is naast de in artikel 2 opgenomen algemene omschrijving van het belastbare feit een verdere omschrijving van het belastbare feit in de tarieventabel opgenomen.
Pagina 51 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Dat is dan ook de reden dat in artikel 2 wordt gesproken van ‘een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel’. Omdat artikel 217 van de Gemeentewet bepaalt dat het voorwerp van de belasting en het tarief moeten zijn vermeld in de belastingverordening, mag er geen twijfel over bestaan dat de tarieventabel deel uitmaakt van de verordening. Vandaar dat de woorden ‘daarbij behorende’ zijn gebruikt. In de tarieventabel en in de bij de verordening en de tarieventabel behorende bijlagen wordt dit eveneens uitdrukkelijk aangegeven. De omschrijving van het belastbare feit is van belang voor de vraag of de materiële belastingschuld ontstaat en het tijdstip waarop die belastingschuld ontstaat. Het belastbare feit kan op verschillende manieren worden omschreven. Zo kan bijvoorbeeld worden gekozen voor ‘het verlenen van een vergunning’ maar ook kan worden gekozen voor ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’. In de tarieventabel is in de meeste gevallen gekozen voor ‘het in behandeling nemen van een aanvraag’. Dit heeft als voordeel dat leges al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag en dat niet bepalend is het moment waarop de vergunning wordt verleend. Ook is niet van belang of de vergunning wordt verleend of geweigerd.
Zou het belastbare feit zijn ‘het verlenen van de vergunning’ dan heeft op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag het belastbare feit zich nog niet voorgedaan en is dus de materiële belastingschuld nog niet ontstaan. Vooruitbetaling voor het moment van het ontstaan van de materiële belastingschuld is niet mogelijk. Ook kan dan niet worden geheven als de vergunning wordt geweigerd, hoewel de gemeente wel de kosten van behandeling heeft gemaakt. Overigens kan op grond van wettelijke bepalingen niet in alle gevallen het belastbare feit worden omschreven als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag’. Zo kunnen alleen voor het voltrekken van een huwelijk, en niet voor het in behandeling nemen van de aanvraag daarvan, leges geheven worden, dit op grond van de Wet rechten burgerlijke stand. En bij de reisdocumenten en de Nederlandse identiteitskaart heeft de Paspoortwet het over het heffen van rechten ‘voor het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag’. Wij merken nog op dat de Hoge Raad de uitdrukking 'in behandeling nemen' uitlegt tegen de achtergrond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder letter b, Gemeentewet. In dat artikel is de bevoegdheid gegeven rechten te heffen ter zake van het genot van door de gemeente verstrekte diensten.
Als een besluit wordt genomen om een aanvraag niet verder te behandelen (artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht), kunnen er volgens de Hoge Raad al diensten zijn verstrekt die de heffing van leges rechtvaardigen (HR 21 december 2007, nr. 41303, LJN: BC0652). Artikel 3 Belastingplicht De belastingverordening moet vermelden wie de belastingplichtige is (artikel 217 van de Gemeentewet). Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende diensten is gekozen voor een ruime omschrijving van de belastingplicht, om te voorkomen dat in bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou kunnen worden. Vanuit de systematiek van de modelverordening ligt het voor de hand in eerste instantie de aanvrager in de heffing te betrekken. Als het niet mogelijk is een aanvrager als belastingplichtige aan te wijzen, bijvoorbeeld als de aanvrager duidelijk niet de belanghebbende is, dan kan degene voor wie de aanvraag is gedaan als belastingplichtige aangemerkt worden. Dit laatste zal zich niet snel voordoen omdat de aanvrager per definitie een belang heeft bij de dienstverlening of de handelingen. Wij zijn van mening dat zich bij het aanwijzen van de belastingplichtige geen keuzesituatie kan voordoen. In verband hiermee is het stellen van beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig.
Zie ook de modelbeleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie.
Artikel 4 Vrijstellingen Onderdeel a
Pagina 52 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
In onderdeel a hebben wij een (verplichte) vrijstelling opgenomen voor diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 13.6 van de Omgevingswet zijn of worden verhaald. Afdeling 13.6 bevat een regeling over kostenverhaal bij bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in het kader van gebiedsontwikkeling. Het kan gaan om kosten voor het bouwrijp maken van gronden, de aanleg van wegen, riolering, straatverlichting, maar ook de zogenoemde plankosten voor het maken en uitvoeren van een omgevingsplan. Het verhaal van deze kosten is verplicht en gaat voor op het publiekrechtelijk afdwingen van een financiële bijdrage. Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Kostenverhaal bij gebiedsontwikkeling in de Omgevingswet is de opvolger van grondexploitatie in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hierover is de Handreiking kostenverhaal en financiële bijdragen Omgevingswet door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gesteld op het Informatiepunt Leefomgeving (www.iplo.nl). Een gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde anterieure overeenkomst. Als er geen anterieure overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden.
Dat kan in het omgevingsplan van de gemeente of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan) of een projectbesluit (voor het projectbesluit is de gemeente geen bevoegd gezag). Een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit kan dus geen aanleiding vormen voor toepassing van de regeling over kostenverhaal. Ook nadat in het omgevingsplan een grondslag is gelegd voor het verhalen van de kosten kunnen de gemeente en de initiatiefnemer een overeenkomst sluiten over kostenverhaal (posterieure overeenkomst). In dat geval moet de gemeente de regels over kostenverhaal in het omgevingsplan wel in acht nemen. De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten worden verhaald dan er opbrengsten zijn. De verhaalbare kostensoorten zijn limitatief opgesomd in het Omgevingsbesluit. In artikel 8.15 van het Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten.
Volgens A1 van deze bijlage behoren de kosten van het vaststellen van een omgevingsplan of een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek, tot de verhaalbare kosten. In de toelichting op de Aanvullingsregeling grondeigendom Omgevingswet staat echter over de relatie tussen plankosten en leges (Stcrt. 2021, 34646): “Kosten die verband houden met het afgeven van (…) een omgevingsvergunning voor de planologische aspecten van een bouwactiviteit worden niet tot de plankosten gerekend. Dat zijn kosten van diensten aan initiatiefnemers van bouwactiviteiten afzonderlijk en geen algemene kosten die door alle initiatiefnemers van bouwactiviteiten gezamenlijk worden gedragen. Die kosten worden daarom via de leges doorberekend, waarbij rekening wordt gehouden met de werkzaamheden die al in het kader van het kostenverhaal hebben plaatsgevonden, vooral het bepalen van inbrengwaarden.” (pag. 106). “De afgifte van een omgevingsvergunning is een individuele dienst waarvan de kosten via de leges behoren te worden verrekend. Langs die weg kunnen gemeenten de kosten van het begeleiden van initiatiefnemers en het beoordelen van bouwplannen volledig verhalen.” (pag.
117) Legesheffing voor de aanvraag om de omgevingsvergunning is dus mogelijk, maar mag er vanzelfsprekend niet toe leiden dat kosten die via het kostenverhaal van afdeling 13.6 van de Omgevingswet in rekening zijn of worden gebracht, niet nog eens via de leges worden verhaald. Het bevoegd gezag kan in drie gevallen afzien van het toepassen van de wettelijke regeling voor het verhalen van kosten via de afdeling kostenverhaal (artikel 8.14 Omgevingsbesluit): 1. De verhaalbare kosten bedragen minder dan € 10.000. Dit is aan de orde als de kosten die met het kostenverhaal zijn gemoeid niet opwegen tegen de te verhalen kosten. Het gaat om de totale te verwachten netto opbrengsten van alle kostenverhaalsbijdragen in het potentiële kostenverhaalsgebied.
2.
Er zijn geen verhaalbare kosten voor openbare werken (als bedoeld in A5 tot en met A9 van bijlage IV van het Omgevingsbesluit).
Pagina 53 van 64
3.
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Er zijn alleen kosten voor de aansluiting op de openbare ruimte of nutsvoorzieningen, bijvoorbeeld het maken van een inrit naar de openbare weg of een aansluiting op het rioolstelsel.
De gevallen zijn inhoudelijk overgenomen uit de Wro en het Bro. Wel is de terminologie aangepast. Het bevoegd gezag mag in deze gevallen besluiten om af te zien van kostenverhaal. Dat is echter niet verplicht. Zijn deze gevallen binnen de gemeente aangewezen, dan geldt de vrijstelling dus niet en vindt gewoon legesheffing plaats. Onderdeel b In hogere wettelijke regelingen komen legesvrijstellingen voor. De legesverordening kan geen inbreuk maken op of bepaalde beperkingen opnemen met betrekking tot de bij wet verleende vrijstellingen. Wij hebben daarom in onderdeel b een algemene formulering opgenomen die verwijst naar ‘wettelijke vrijstellingen’. Die vrijstellingen zijn onder meer: De diplomatieke en internationale vrijstellingen. Op grond van artikel 243 van de Gemeentewet kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën vrijstelling van gemeentelijke belastingen verlenen indien het volkenrecht dan wel het internationale gebruik daartoe noopt. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt, althans voor zover voor de leges van belang, in de ‘Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997’ (Regeling van 20 december 1996, FO96/ U2383, Stcrt. 1996, 249, Belastingblad 1997, blz. 91, nadien gewijzigd).
-
De vrijstelling voor het doen van naspeuringen (door de aanvrager zelf) in de gemeentearchieven bedoeld in de Archiefwet 1995, dit vanwege het openbare karakter van archiefbewaarplaatsen (artikel 14 van de Archiefwet 1995).
-
De vrijstelling opgenomen in artikel 4 van de Wet rechten burgerlijke stand 1879, Stb. 72, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 27 november 2008, Stb. 500 (inwerkingtreding 1 maart 2009).
-
De ‘vrijstelling’ met betrekking tot de verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing krachtens de Wet milieubeheer (artikel 15.34a Wet milieubeheer).
-
De vrijstellingen (‘kosteloze verstrekkingen’), genoemd in onder andere:
-
artikel 55 van de AWR;
-
artikel 32a van de Wet waardering onroerende zaken;
-
artikel 93 van de Pensioenwet;
-
artikel 111 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers;
-
artikelen 2.55 tot en met 2.59, 2.79, 3.17 en 3.22 van de Wet basisregistratie personen;
-
artikel 41 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945;
-
artikel 52 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
-
artikel 9.1.3, zesde lid, van de Wet langdurige zorg.
Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven Voor een toelichting verwijzen wij naar Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Maatstaf van heffing en Belastingtarief. Meer specifiek merken wij met betrekking tot de
Pagina 54 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
leges nog het volgende op. In de memorie van toelichting van de Wet materiële belastingbepalingen wordt als voorbeeld van tariefdifferentiatie genoemd dat de huwelijksleges voor mensen van buiten de gemeente hoger mogen zijn dan voor inwoners van de gemeente. Eerste lid Voor de maatstaven van heffing en tarieven wordt in dit artikel verwezen naar de bij de verordening behorende tarieventabel die, zoals in de toelichting op artikel 2 reeds is opgemerkt, deel uitmaakt van de verordening. Tweede lid In het tweede lid van dit artikel is een regeling opgenomen voor die diensten, waarbij als maatstaf van heffing het aantal uren, bladzijden en dergelijke is gehanteerd. Door deze bepaling behoeft in de tarieventabel niet steeds te worden vermeld dat gedeelten van bijvoorbeeld uren of bladzijden voor een geheel uur of een gehele bladzijde zullen worden gerekend. Tariefstelling en kostendekkendheid; kruissubsidiëring Het is constante jurisprudentie dat de hoogte van de tarieven niet ter beoordeling van de belastingrechter staat, tenzij de verordening zou leiden tot strijd met wettelijke regels of tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, waarop de wetgever met het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad.
Tussen de hoogte van de leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de voor de dienst door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is geen rechtstreeks verband vereist (zie onder meer: HR 18 september 1991, nr. 27457, BNB 1991/351; HR 24 december 1997, nr. 32569, LJN AA3345, BNB 1998/70). Op grond van artikel 229b van de Gemeentewet mag de legesverordening als geheel bezien maximaal kostendekkend zijn. Ook de belastingrechter heeft zich op dit standpunt gesteld (zie onder meer: HR 4 februari 2005, nr. 38860; LJN:AP1951; HR 14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943). Niet elke post zal dus afzonderlijk op zijn kostendekkendheid worden beoordeeld. Dit laatste zou ook moeilijk realiseerbaar zijn gezien het feit dat de kosten voor de individuele diensten moeilijk zijn te bepalen. Op grond van het bovenstaande is het mogelijk om kruissubsidiëring toe te passen. Onder kruissubsidiëring wordt verstaan: het hoger stellen van tarieven van leges voor sommige diensten om daarmee de tarieven voor andere diensten laag te kunnen houden. Bij het toepassen van kruissubsidiëring moet de gemeente rekening houden met de Europese Dienstenrichtlijn (zie hierna). Onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten zijn niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel.
Een motivering voor die verschillen is niet vereist (HR 14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943). Europese Dienstenrichtlijn en Omgevingswet in relatie tot artikel 229b Gemeentewet De mogelijkheden tot kruissubsidiëring zijn door de komst van de Europese Dienstenrichtlijn (EDR) beperkter geworden. De EDR maakt kruissubsidiëring binnen een cluster van samenhangende vergunningstelsels mogelijk, kruissubsidiëring tussen vergunningsstelsels is niet toegestaan. Dit betreft alleen de diensten aan dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. De wetgever heeft hierin geen aanleiding gezien om artikel 229b van de Gemeentewet te wijzigen. De EDR doorkruist daarmee de wettelijke regeling van artikel 229b Gemeentewet. Omdat artikel 229b van de Gemeentewet niet is aangepast, telt een eventuele onderdekking bij de EDR-vergunningsstelsels wel mee in de beoordeling van de totale kostendekkendheid van de legesverordening. Bij de introductie van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning) ging de wetgever ervan uit dat kruissubsidiëring tussen het cluster omgevingsvergunning en andere in de legesverordening opgenomen dienstverleningen niet mogelijk is (Kamerstukken II 2005/2006, 29515, nr. 140, pag. 26; Kabinetsplan aanpak administratieve lasten).
De wens van de wetgever is echter niet in een wettelijke bepaling vastgelegd, zodat artikel 229b van de Gemeentewet onverkort geldt. Zie HR 13 februari 2015, nr. 14/00655, ECLI:NL:HR:2015:282. De Omgevingswet brengt hierin geen verandering. Artikel 13.1a van de Omgevingswet verklaart artikel 229b van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
Pagina 55 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
Daarmee wordt bedoeld dat voor het berekenen van de opbrengstlimiet de ‘leges Omgevingswet’ en de overige leges tezamen mogen worden genomen. Alleen bij de vergunningstelsels genoemd in hoofdstuk 3 van de tarieventabel kan door werking van de Europese dienstenrichtlijn geen kruissubsidiëring plaatsvinden in die zin dat de tarieven in hoofdstuk 3 per paragraaf meer dan kostendekkend worden vastgesteld ter compensatie van andere, niet-kostendekkende tarieven in de verordening. Overigens is in sommige gevallen de Dienstenrichtlijn ook van toepassing op omgevingsvergunningen. De memorie van toelichting bij de Omgevingswet vermeldt: ‘In de omgevingsvergunningen worden toestemmingen geïntegreerd die voor een deel zijn aan te merken als een vergunning die valt onder de dienstenrichtlijn. De omgevingsvergunning is daarom voor een deel van de activiteiten geheel of gedeeltelijk aan te merken als een dienstenrichtlijnvergunning.
Het betreft de omgevingsvergunning voor de afwijkactiviteit, de stortingsactiviteit op zee, de brandveilig gebruiksactiviteit, de milieubelastende activiteit, de lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, de wateronttrekkingsactiviteit, de mijnbouwactiviteit, de beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, de Natura 2000-activiteit en de omgevingsvergunning voor activiteiten waarvoor in de waterschapsverordening of in de omgevingsverordening een verbod is opgenomen om zonder een omgevingsvergunning een activiteit te verrichten.’ (Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, pag. 228/229). Voor de toets aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet blijven de op basis van alle vastgestelde tarieven totaal geraamde baten en lasten van belang (toets op verordeningenniveau). De EDR en bovengenoemde wens van de wetgever zijn de reden dat wij de tarieventabel in drie hoofdstukken hebben verdeeld. Wij merken hierbij nog op dat de Hoge Raad prejudiciële vragen heeft gesteld over de toepassing van de Europese Dienstenrichtlijn op legesheffing (HR 5 juni 2015, nr. 13/03931, ECLI:NL:HR:2015:1467). Het Europese Hof van Justitie heeft die vraag echter onbeantwoord gelaten (HvJEU 30 januari 2018, C-360/15 (Amersfoort), ECLI:EU:C:2018:44).
Soms alleen kopieerkosten of marginale verstrekkingskosten door te berekenen Soms mogen slechts bepaalde kosten voor een dienst worden doorberekend. Zie bijvoorbeeld de artikelen 2:11, tweede lid, 3:11, derde lid, en 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 19.1b van de Wet milieubeheer. Een aantal van deze artikelen is aan de orde geweest in de uitspraken van Hof Amsterdam 21 december 2001, nr. 00/2665, Belastingblad 2002, blz. 959, LJN: AD9760, en van Hof Arnhem 27 augustus 2002, nr. 01/01610, LJN: AE8932. Een redelijke uitleg van deze wettelijke bepalingen leidt naar het oordeel van de hoven tot de conclusie dat voor het verstrekken van kopieën als de onderhavige uitsluitend de kosten van het vervaardigen van kopieën, afschriften etc. in enge zin door middel van het heffen van leges in rekening mogen worden gebracht. Tot de kosten die in dat geval in rekening mogen worden gebracht behoren onder meer wel de arbeidskosten van het kopiëren zelf, maar niet de kosten van het opzoeken en weer opbergen van de desbetreffende originelen. Het kosteloos ter inzage leggen c.q. geven, zoals de wet dat in deze gevallen voorschrijft, impliceert eventuele opzoek- en opbergwerkzaamheden en de daaraan te besteden tijd.
Ook artikel 18, eerste lid, van de Bekendmakingswet (vóór 1 juli 2021: artikel 141 Gemeentewet) bepaalt dat een papieren afschrift van het elektronisch gemeenteblad wordt verstrekt tegen ten hoogste de kosten van het maken van een zodanig afschrift. Hierbij wordt uitgegaan van de kostprijs van het vervaardigen van een afdruk of kopie, niet de kosten van het verzamelen en beoordelen van een verzoek. Sinds 18 juli 2015 geldt de Wet hergebruik van overheidsinformatie (Stb. 2015, 271). Artikel 9 van die wet bepaalt dat voor hergebruik van (openbare) overheidsinformatie slechts de marginale verstrekkingskosten in rekening kunnen/mogen worden gebracht. Bij marginale verstrekkingskosten gaat het volgens de memorie van toelichting bij deze wet om: ‘de extra kosten die gemaakt moeten worden om te kunnen voldoen aan een verzoek. Dit kunnen de kosten zijn voor de vermenigvuldiging, de verspreiding en de kosten van informatiedragers. Deze kosten zijn direct te koppelen aan de distributie van de documenten. De kosten voor de bestaande infrastructuur mogen niet worden doorberekend evenmin als de kosten voor archivering, verkoop en marketing en een al bestaande helpdesk, tenzij extra kosten worden gemaakt om te voldoen aan het verzoek om hergebruik. Wanneer documenten proactief en online voor hergebruik beschikbaar worden
Pagina 56 van 64
onderwerp
registratienummer
Verordening op de heffing en de invordering van leges Zuidplas 2026
A25.003710
gesteld, bijvoorbeeld via een open data portaal, dan kunnen er geen marginale verstrekkingskosten worden doorberekend, omdat er geen sprake is van een verzoek en omdat het potentiële aantal hergebruikers erg groot kan zijn.’ (Kamerstukken II 2014/15, 34123, nr. 3, pag. 8). Als de gemeente kosten in rekening brengt moet zij dit vooraf kenbaar maken en aangeven met welke factoren rekening wordt gehouden bij de berekening daarvan. Op verzoek moet de gemeente inzicht geven in de berekening met betrekking tot een concreet verzoek (artikel 9, vierde lid, Wet hergebruik van overheidsinformatie). (N.B. Musea en bibliotheken, alsmede het Kadaster, de Dienst Wegverkeer (RDW) en de Kamer van Koophandel mogen voor het hergebruik van informatie ten hoogste de gemaakte kosten voor verzameling, productie, vermenigvuldiging en verspreiding, conservering en vereffening van rechten in rekening, vermeerderd met een redelijk rendement op investeringen in rekening brengen. omdat zij voor hun voortbestaan (deels) afhankelijk zijn van deze inkomsten.) De informatie wordt verstrekt zoals de informatie aanwezig is en voor zover mogelijk langs elektronische weg, in een open en machinaal leesbaar formaat, samen met de metadata, waarbij het formaat en de metadata voor zover mogelijk voldoen aan formele open standaarden (artikel 5, eerste lid, Wet hergebruik van overheidsinformatie).