CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 NvU Kamerlingh Onnes ODMH rapport 2012 A23.000612

Gemeenteraad 27 juni 2023, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Nota van Uitgangspunten Kamerlingh Onnes11.215 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Resultaten

Bekende archeologische waarden en eerder archeologisch onderzoek Voor het plangebied zelf zijn geen archeologische verwachtingen bekend. In de omgeving zijn vier onderzoeken en één archeologische waarneming bekend in Archis II. De onderzoeken liggen op enige afstand van de onderzoekslocatie. Op 500 en 700 meter ten noordwesten zijn respectievelijk een booronderzoek (Archis II onderzoeksmeldingsnr. 7006) en een bureauonderzoek (Archis II onderzoeksnr. 15368) uitgevoerd. De resultaten van het booronderzoek worden niet vermeld. Bij het bureauonderzoek is het onderzoeksgebied vrijgegeven voor ontwikkeling zolang de verstoring beperkt blijft tot de bovenste meter. Ten noordoosten op circa 450 van het plangebied is een booronderzoek (Archisonderzoeksmeldingsnr. 32231) uitgevoerd. Aangezien geen archeologie is aangetroffen werd geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Van een booronderzoek (Archisonderzoeksmeldingsnr. 38669) op 700 meter ten zuiden zijn geen resultaten vermeld. Er is één waarneming in de omgeving gedaan. De waarneming (Archis waarnemingsnr. 417231), circa 450 meter ten westen van plangebied, betreft de vondst van laat- of postmiddeleeuws aardewerk. Archeologische verwachting Op de verwachtingenkaart van de gemeente Zuidplas (figuur 7) heeft het plangebied vanwege de ligging in verveend gebied een lage verwachting.

Door de vervening ligt de afzettingen uit het Paleolithicum/bronstijd aan het oppervlak. Eventuele archeologische resten (figuur 8) kunnen dateren vanaf het paleolithicum tot en met de bronstijd en vanaf de nieuwe tijd. Ook op de IKAW en de CHS staat een lage verwachting aangegeven.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

31

Milieudienst Midden-Holland

Figuur 7: De archeologische verwachting volgens de beleidskaart van de gemeente Zuidplas. Het plangebied is in blauw aangegeven. (bron: gemeente Zuidplas/Milieudienst Midden-Holland)

Figuur 8: Het plangebied met archeologische waarnemingen, vondst- en onderzoeksmeldingen. (Bron Archis II) 201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

32

Milieudienst Midden-Holland

Historisch gebruik en de huidige situatie Als gevolg van de veenwinning in de 16de en 17de eeuw is de Zuidplas ontstaan. De Zuidplas is in de 19de eeuw ingepolderd (figuren 9 en 10). Het plangebied ligt binnen de toen aangelegde Prins ste Alexander Polder. Na inpoldering is het plangebied tot in de 20 eeuw in gebruik als weiland of e ste akkerland. Pas in de 60 jaren van de 20 eeuw is het plangebied bebouwd met een school. De school is recentelijk gesloopt en het gebied ligt momenteel braak.

Figuur 9: De kadastrale kaart uit de periode van 1811-1832. (Bron www.watwaswaar.nl)

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

33

Milieudienst Midden-Holland

Figuur 10: Topografische militaire kaart uit 1899. De globale ligging van het plangebied is in rood aangegeven (Bron www.watwaswaar.nl) 9.4

Conclusie en advies

Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat voor het grootste deel van het plangebied er waarschijnlijk relatief weinig archeologische waarden te verwachten zijn. De meeste archeologische waarden zijn waarschijnlijk grotendeels verdwenen als gevolg van de verveningen en inpoldering in de nieuwe tijd. Op basis van kaartmateriaal en de historische gegevens zijn de waarschijnlijk alleen archeologische waarden daterende uit de 19 eeuw en later te verwachten. Het ste gebied is pas in de tweede helft 20 eeuw bebouwd. Aangezien ook bij archeologisch onderzoek in de omgeving geen archeologische waarden aangetroffen zijn is verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Vanuit archeologie bestaan geen belemmeringen voor de bestemmingswijziging.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

34

Milieudienst Midden-Holland

10 10.1

ECOLOGIE

Wettelijk kader

Om natuurwaarden in Nederland te beschermen geldt een drietal landelijke wetten en beleidsplannen: de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het Natuurbeleidsplan 1990 [Nota Ruimte met daarin de Ecologische Hoofdstructuur]. Daarnaast geldt provinciaal beleid, te weten: Structuurvisie Zuid-Holland 2020; natuurbeheerplan 2011 en Provinciaal Compensatiebeginsel 1997. De handreiking bestemmingsplan en natuurwetgeving [EL&I, 2011] geeft aan dat: “gemeenten op grond van de Wro rekening moeten houden met een goede ruimtelijke ordening. Dat betekent onder meer op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel doorwerking van het nationaal en provinciaal natuurbeleid en rekening houden met aanpalende wetgeving op grond van de uitvoerbaarheid van plannen (art. 9 Besluit ruimtelijke ordening)”. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient middels een quickscan (combinatie van bureauonderzoek en één veldbezoek) te worden vastgesteld of:  Er overtreding van de verbodsbepalingen voor beschermde soorten plaatsvindt (toetsing Floraen faunawet (FF-wet), maar ook Provinciaal compensatiebeleid met betrekking tot biotopen van Rode Lijst soorten);  Er mogelijke significante gevolgen zijn voor beschermde gebieden (toetsing NB-wet);  Er wezenlijke waarden en kenmerken voor Ecologische Hoofdstructuur-gebieden aangetast worden.

Indien deze typen effecten niet optreden wordt de ruimtelijke ontwikkeling conform de eerder genoemde regelgeving toelaatbaar geacht. In dat geval dient nog wel rekening te worden gehouden met de algemeen geldende zorgplicht (artikel 2) van de Flora- en Faunawet. De zorgplicht bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Indien deze effecten wel optreden geldt het volgende:  De ontwikkeling doet afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) beschermde soorten. De Flora- en faunawet onderscheidt een aantal categorieën soorten planten en dieren: de Algemeen beschermde soorten (tabel 1), de Overige beschermde soorten (tabel 2), de Strikt beschermde soorten (tabel 3) en de vogels. Onder de Strikt beschermde soorten wordt tevens onderscheid gemaakt in soorten die voorkomen in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en soorten die zijn aangewezen middels een AMvB. Indien er een effect optreedt ten aanzien van zogenaamde Algemene beschermde soorten dan geldt een Algehele vrijstelling.

De ontwikkeling kan dan doorgang vinden, zonder dat een ontheffing aangevraagd hoeft te worden. De zorgplicht geldt wel. Indien het effect optreedt ten aanzien van zogenaamde Overige soorten, Strikt beschermde soorten of vogels dan kan de ontwikkeling niet zonder meer doorgang vinden. Er kan dan een 201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

35

Milieudienst Midden-Holland

aanvraag tot ontheffing van de verbodsbepalingen in artikelen 8-13 van de Flora- en faunawet worden ingediend bij de Dienst Regelingen. De aanvraag moet worden gebaseerd op de resultaten van een Lichte of Uitgebreide toets (afhankelijk van de tabel waarin de soort is opgenomen 2 of 3 ) en er dient een voorstel in te worden opgenomen welke mitigerende- en/of compensatiemaatregelen moeten worden toegepast. Dienst Landelijk Gebied zal de ontheffingsaanvraag beoordelen en Dienst Regelingen neemt hierover een besluit. Indien de ontheffing wordt verkregen kan de ruimtelijke ontwikkeling doorgang vinden onder de voorwaarden zoals in de ontheffing opgenomen. Voor tabel 2-soorten kan gewerkt worden met een door LNV goedgekeurde Gedragscode. Een ontheffing is dan niet nodig. In alle gevallen blijft de zorgplicht voor individuen van kracht. 

Er vinden negatieve effecten plaats op (instandhoudingsdoelstellingen van) Natura 2000gebieden, Natuurmonumenten of de Ecologische Hoofdstructuur. Indien uit een voortoets blijkt dat dit effect (mogelijk) optreedt in het kader van de Natuurbeschermingswet is de ruimtelijke ontwikkeling niet zonder meer toelaatbaar. Initiatiefnemer kan in dat geval een vergunning voor de ontwikkeling aanvragen bij het bevoegd gezag (Provincie Zuid-Holland) op basis van een “passende beoordeling” (bij significant negatieve effecten) of een verstorings- of verslechteringstoets” (bij niet significante negatieve effecten). Een vergunningaanvraag wordt door het bevoegd gezag getoetst aan de ADC-criteria (beschikbaarheid van alternatieve locaties, dwingende redenen van groot openbaar belang en voorgestelde compensatiemaatregelen). Indien de vergunning wordt toegekend kan de ruimtelijke ontwikkeling alsnog doorgang vinden onder de voorwaarden zoals in de vergunningbeschikking opgenomen. Voor de EHS-gebieden geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden. Binnen deze gebieden zijn nieuwe plannen die de wezenlijke kenmerken van het gebied significant aantasten niet toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van reden van groot openbaar belang. De provincie Zuid-Holland is de toetsende instantie.

Eventuele schade moet zoveel mogelijk worden gemitigeerd en/of gecompenseerd.

Er vindt verlies plaats van natuurwaarden binnen de Provinciale Structuurvisie of binnen biotopen van soorten die voorkomen op de Rode Lijsten. In dat geval geldt in principe dat deze ontwikkelingen niet zonder meer toelaatbaar zijn. Indien om zwaarwegende redenen aantasting van natuur- en landschapswaarden onontkoombaar is en alternatieve oplossingen ter plaatse niet voorhanden zijn, dient compensatie plaats te vinden. Het Compensatiebeginsel 1997 is van toepassing op biotopen van zogenoemde rodelijstsoorten en gebieden buiten de EHS met (zeer) hoge natuurwaarden; beplantingen vallend onder de Boswet; Randstad Groenstructuurprojecten en vier Strategische Groen Projecten; rijksbufferzones en gebieden met zeer hoge landschappelijke waarden. De compensatieverplichting ligt bij de initiatiefnemer van de activiteiten. De Provincie Zuid-Holland is de toetsende instantie.

10.2

Onderzoek

In dit verkennend ecologisch onderzoek (quickscan) wordt onderzocht welke wetten en provinciaal beleid van toepassing is voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. In het kader van de quickscan is onderzocht of mogelijk beschermde soorten planten en dieren en/of gebieden voorkomen in (de omgeving van) het plangebied. Ter plaatse is reeds een schoolgebouw gesloopt, waardoor het in de huidige situatie bestaat uit braakliggende terrein.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

36

Milieudienst Midden-Holland

In het kader van de quickscan is op basis van bureauonderzoek bepaald of het plangebied zich in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied bevindt, danwel in een beschermd Natuurmonument of in de Ecologische HoofdStructuur (EHS) is gelegen. Tevens is bepaald of in of nabij het plangebied sprake is van andere provinciaal beschermde natuurwaarden. Daarnaast is vastgesteld of er in het plangebied plant- en diersoorten (kunnen) voorkomen die beschermd zijn in het kader van de Floraen faunawet (FF-wet). Voor zover op basis van de beschikbare informatie bepaald kan worden, is een inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de ontwikkeling op mogelijk aanwezige beschermde soorten en op de beschermde gebieden. Hieruit volgt een conclusie ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de effecten of een aanbeveling tot nader onderzoek of vervolgprocedures. Een quickscan is een verkennend ecologisch onderzoek en betreft geen uitgebreide inventarisatie, waardoor slechts in beperkte mate uitsluitsel gegeven kan worden over de aan- en afwezigheid van beschermde soorten. Een inventarisatie vereist namelijk dat op verschillende momenten veldinventarisaties plaatsvinden, omdat iedere soort zijn eigen optimale periode kent.

In het geval van strikt beschermde soorten (tabel 3 FF-wet), wordt een verkennend onderzoek (quickscan, natuurtoets, flora- en faunatoets e.d.) als onderbouwing bij de aanvraag van een ontheffing door het Ministerie van EL&I nooit afdoende geacht. Aanvullend veldonderzoek, op die tijdstippen in het seizoen die voor de verscheidene soorten het meest gunstig zijn, is dan noodzakelijk. 10.3

Resultaten

De planlocatie ligt in de bebouwde kom van de gemeente Zuidplas, in de provincie Zuid-Holland en bestaat uit een braakliggende bouwkavel. Op deze kavel was een school gelegen die reeds gesloopt is. Opgemerkt wordt dat de effecten van de sloop van het schoolgebouw niet beoordeeld kunnen worden, omdat het gebouw reeds gesloopt is. Mogelijk negatieve effecten van deze sloop, bijvoorbeeld op vaste verblijfplaatsen van vleermuizen of vogels, zijn niet in kaart gebracht in deze quickscan. Mogelijk is dit in een eerder stadium gedaan of door de aannemer uitgevoerd. Slopen zonder de effecten op beschermde natuurwaarden te beoordelen is in strijd met de Flora- en faunawet. De gemeente dient hierop toe te zien en ervoor zorg te dragen dat ook bij het afgeven van sloopvergunningen beoordeeld wordt of een ecologisch onderzoek noodzakelijk is. In de directe nabijheid van de planlocatie is geen Natura 2000-gebied of Ecologische Hoofdstructuur aanwezig. Andere provinciale natuurwaarden in de vorm van biotopen van rodelijstsoorten; gebieden buiten de EHS met hoge natuur- of landschappelijke waarden; beplantingen vallend onder de Boswet; Randstad- of strategische groen(structuur)projecten en rijksbufferzones zijn tevens niet aanwezig in of nabij het plangebied. Uit het bovenstaande blijkt dat alleen de Flora- en faunawet een rol speelt.

Enkele soorten, beschermd door de Flora- en faunawet, kunnen rondom de ontwikkellocatie voorkomen. De locatie is echter voor veel soortgroepen geheel ongeschikt door het ontbreken van geschikt habitat zoals waterpartijen van goede kwaliteit en standplaatsen voor bijzondere flora. Het voorkomen van beschermde soorten uit de soortgroepen vaatplanten, vissen, reptielen, vlinders, libellen en overige ongewervelden (platte schijfhoren & kevers) wordt daarom in deze toets niet verder beschreven. Relevante soortgroepen (vogels, zoogdieren en amfibieën) worden hieronder beschreven, waarbij wordt toegelicht of hiermee rekening dient te worden gehouden. Vogels 201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

37

Milieudienst Midden-Holland

In het hele plangebied kunnen algemene broedvogels voorkomen. Deze zijn beschermd tijdens het broeden. Het broedseizoen voor vogels loopt van circa half maart tot half juli, maar deze periode is indicatief. Ook buiten het broedseizoen broedende vogels zijn beschermd. Naast algemene broedvogels is er een aantal vogelsoorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is [LNV, 2009]. Nesten van deze soorten mogen niet zondermeer worden verwijderd. Nesten van jaarrond beschermde soorten zijn verdeeld in 5 categorieën. Vogels uit de categorie 1 tot en met 4 zijn altijd jaarrond beschermd. Voor soorten uit categorie 5 geldt dat deze alleen beschermd zijn als zwaarwegende (ecologische) feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Voordat een jaarrond beschermd nest verloren gaat moet een omgevingscheck plaatsvinden en kunnen aanvullende mitigatie- of compensatiemaatregelen noodzakelijk zijn. Is dit niet mogelijk dan moet een ontheffing worden aangevraagd. Voorbeelden van soorten met een jaarrond beschermde nestplaats in de stad zijn slechtvalk, gierzwaluw en huismus (allen categorie 1-4). Binnen het plangebied kunnen algemene soorten broeden die in het broedseizoen beschermd zijn. Hiermee moet rekening worden gehouden bij de activiteiten. Jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels worden niet verwacht.

Dit door het ontbreken van bebouwing en grotere bomen in het plangebied. Zoogdieren In het gebied komen geen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten van tabel 2 en 3 voor. Vleermuizen komen vrijwel zeker voor in de gemeente Zuidplas en in de omgeving van het plangebied. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn opgenomen in tabel 3. Soorten die veel in een stedelijke omgeving worden aangetroffen zijn de gewone- en ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Van deze soorten kan zich een foerageergebied of (onderdeel van een) vliegroute op de locaties bevinden. Een verlies van foerageergebied heeft op deze locatie geen gevolgen omdat er voldoende alternatief en vergelijkbaar foerageergebied voorhanden is in de omgeving van het plangebied. Verlies van een vliegroute wordt ook niet verwacht, omdat er geen specifieke lijnvormige structuur wordt doorsneden en/of onderbroken. Andere functies worden in de huidige situatie van het plangebied niet verwacht vanwege het ontbreken van bebouwing en bomen met holten. Amfibieën Naast algemeen voorkomende amfibieën worden geen soorten verwacht die zwaarder beschermd zijn (tabel 2 en 3 soorten) door de Flora- en faunawet. Er is geen geschikt voortplantingswater of overwinterhabitat aanwezig in het plangebied. Het plangebied ligt echter wel nabij het verspreidingsgebied van de rugstreeppad.

De rugstreeppad is een pionierssoort, die voor kan komen op bouwkavels. Gezien de ligging van het plangebied midden in de bebouwde kom en de hierdoor sterk stedelijk omgeving van het plangebied, wordt deze soort niet verwacht. Voor tabel 1 soorten die wel in kleine aantallen kunnen voorkomen geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is de zorgplicht van kracht. 10.4

Conclusie en advies

Voor het uitvoeren van het plan De Tweemaster zijn vanuit de discipline ecologie geen planologische bezwaren. Vóór aanvang van de werkzaamheden dient nestinspectie van vogels plaats te vinden. Er wordt opgemerkt dat effecten van de sloop van het schoolgebouw niet beoordeeld kunnen worden, omdat het gebouw reeds gesloopt is. Mogelijk negatieve effecten van deze sloop, bijvoorbeeld op vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn daarom onbekend. Ook bij het afgeven van

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

38

Milieudienst Midden-Holland

sloopvergunningen moet beoordeeld worden of negatieve effecten op natuurwaarden kunnen worden uitgesloten (voordat de sloop plaatsvindt).

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

39

Milieudienst Midden-Holland

11

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN

De ontwikkeling van het plan De Tweemaster, 30 woonunits en 17 driekamerappartementen, is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering en archeologie zonder meer toelaatbaar. Vanwege de milieuaspecten wegverkeerslawaai, spoorwegverkeerslawaai, externe veiligheid, bodem en ecologie is het plan toelaatbaar, maar geldt nog wel een aantal aandachtspunten, te weten:  In het bestemmingsplan moet worden opgenomen dat bij de realisatie van de woningen ter plaatse van het gebied waar een gesommeerde geluidsbelasting tussen de 53 en 55 dB heerst een gevelwering van 22 dB moet worden toegepast;  In verband met de invloed van het spoor en de A20 dient vanuit externe veiligheid advies aangevraagd te worden bij de Veiligheidsregio Hollands-Midden;  Tevens dient een verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld, welke in de toelichting van het ontwerp bestemmingsplan moet worden opgenomen;  De enige relevante maatregel ten behoeve van het aspect externe veiligheid is dat het nieuwe gebouw voorzien moet worden van de mogelijkheid om de ventilatie uit te schakelen (met één druk op de knop). Geadviseerd wordt om deze maatregel te borgen in de planregels en/of door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst (indien mogelijk).

 Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen dient een historisch onderzoek uitgevoerd te zijn;  Vóór aanvang van de werkzaamheden dient nestinspectie van vogels plaats te vinden.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

40

Milieudienst Midden-Holland

Bijlage I: Invoergegevens Geomilieu wegverkeer

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

41

Milieudienst Midden-Holland

Bijlage II: Invoergegevens spoorweglawaai Overzicht baken per uur over beide sporen Richting: Gouda - Rotterdam

Richting: Rotterdam - Gouda

In verband met de komst van de zogenaamde geluidsproductieplafonds (GPP) zijn de berekende geluidsbelastingen opgehoogd met 1,5 dB. Er is gerekend op een hoogte van 5 meter. Het spoor ten zuiden van het station Nieuwerkerk aan den IJssel tot aan de begraafplaats is voorzien van raildempers. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de gehanteerde correcties. Tabel: Overzicht correctie bovenbouwconstructie met raildempers

Octaafband Cbb, i (correctie)

63 -0.1

125 0.3

250 -0.2

500 -3.6

1000 -4.9

201115421.1 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; concept

2000 -2.3

4000 -1.3

8000 -2.4

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12844269/1