CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 NvU Kamerlingh Onnes ODMH rapport 2012 A23.000612

Gemeenteraad 27 juni 2023, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Nota van Uitgangspunten Kamerlingh Onnes11.215 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage 7 bij NvU Kamerlingh Onnes

MILIEUKUNDIG ADVIES Bestemmingsplan De Tweemaster te Nieuwerkerk aan den IJssel

Milieudienst Midden-Holland

Postbus 45

2800 AA Gouda

t: 0182 - 545 700

specialisten ruimte geluid externe veiligheid milieu bodem archeologie ROM preventie educatie

milieucommunicatie energie klimaat ecologie duurzaam bouwen advies lucht

Milieudienst Midden-Holland

Productnummer Omschrijving Status Datum Opdrachtgever Opgesteld door

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster Definitief 11 januari 2012 Gemeente Zuidplas Mw. M.A. Vermeij

Dit rapport is op basis van de ten tijde van het opstellen geldende wet- en regelgeving opgesteld. Deze wet- en regelgeving is sterk aan verandering onderhevig. Geadviseerd wordt om het rapport tijdig voor het starten van de ruimtelijke procedure te laten controleren op de houdbaarheid.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

2

Milieudienst Midden-Holland

SAMENVATTING De gemeente Zuidplas wil medewerking verlenen aan de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de locatie tussen de Kamerlingh Onnesstraat en het Tinbergenpad. Initiatiefnemer Vestia wil samen met Vierstroom het project De Tweemaster, een ontwikkeling van 30 woonunits en 17 driekamerappartementen, realiseren. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Derhalve wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Door middel van voorliggend advies zijn randvoorwaarden en aandachtspunten opgesteld voor de milieuaspecten wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, bodem, archeologie en ecologie. Vanuit geluid zijn er geen beperkingen om het bestemmingsplan vast te stellen. Wel dient in het bestemmingsplan te worden opgenomen dat bij de realisatie van de woningen ter plaatse van het gebied waar een gesommeerde geluidsbelasting tussen de 53 en 55 dB heerst een gevelwering van 22 dB moet worden toegepast. Het project valt binnen de NIBM-grenzen. Aldus wordt de realisatie van het bouwplan conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer toelaatbaar geacht. Indien de afstand tussen de geprojecteerde woningen en de aanwezige middelbare school minimaal 30 meter is, bestaan er vanuit bedrijven en milieuzonering geen beperkingen.

De afstand tussen het schoolterrein en het bouwblok van de woningen is tussen de 34 en 38 meter zodat geen verder onderzoek noodzakelijk is. Vanuit het aspect externe veiligheid dient het nieuwe gebouw voorzien te worden van de mogelijkheid om de ventilatie uit te schakelen (met één druk op de knop). Geadviseerd wordt om deze maatregel te borgen in de planregels en/of door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst (indien mogelijk). Uit het onderzoek naar het aspect bodem blijkt dat voor het op te stellen bestemmingsplan geen directe vervolgacties dienen te worden uitgevoerd. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen dient een historisch onderzoek uitgevoerd te zijn. Vanuit archeologie zijn er geen bezwaren om het bestemmingsplan vast te stellen. Voor het uitvoeren van plan De Tweemaster zijn vanuit de discipline ecologie geen planologische bezwaren. Vóór aanvang van de werkzaamheden dient nestinspectie van vogels plaats te vinden.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

3

Milieudienst Midden-Holland

INHOUD SAMENVATTING.......................................................................................................................................3 1

INLEIDING..........................................................................................................................................5

2

WEGVERKEERSLAWAAI...................................................................................................................8

3

SPOORWEGVERKEERSLAWAAI .................................................................................................... 12

4

CUMULATIEVE GELUIDSBELASTING.............................................................................................14

5

LUCHTKWALITEIT ...........................................................................................................................16

6

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING ................................................................................................. 18

7

EXTERNE VEILIGHEID .................................................................................................................... 20

8

BODEM ............................................................................................................................................ 25

9

ARCHEOLOGIE................................................................................................................................30

10

ECOLOGIE ................................................................................................................................... 35

11

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN .............................................................................................40

Bijlagen: I Invoergegevens wegverkeerslawaai II Invoergegevens spoorweglawaai

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

4

Milieudienst Midden-Holland

1 1.1

INLEIDING

Aanleiding

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien het laatste decennium steeds meer naar elkaar toe. In de Wet ruimtelijke ordening wordt gesproken over een duurzame ruimtelijke kwaliteit. Alhoewel milieubeleid soms beperkingen kan opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, is het primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. De doelen van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer sluiten op deze wijze bij elkaar aan. Omdat de realisatie van het plan De Tweemaster, een ontwikkeling van 30 woonunits en 17 driekamerappartementen, strijdig is met het vigerend bestemmingsplan dient een ruimtelijke procedure te worden gevolgd. Daartoe moet middels een ruimtelijke onderbouwing worden aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend milieukundig advies geldt als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. 1.2

Beschrijving

Tussen de Kamerlingh Onnesstraat en het Tinbergenpad was een school gelegen. De gronden hadden een maatschappelijke bestemming. De school is reeds gesloopt en gemeente Zuidplas wil nu medewerking verlenen aan initiatiefnemer Vestia om op deze locatie het plan De Tweemaster mogelijk te maken. De Tweemaster betreft een plan met 47 woonunits waarvan 17 driekamer-appartementen. Deze appartementen zijn bestemd voor senioren en de 30 woonunits voor een complex kleinschalig wonen voor dementerenden. In het bestemmingsplan wordt de mogelijkheid open gehouden om van deze units reguliere appartementen te maken. Voor De Tweemaster wordt daarom een woonbestemming op de locatie opgenomen.

Figuur 1: plangrens Tweemaster 201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

5

Milieudienst Midden-Holland

1.3

Afkadering

Dit milieukundig advies richt zich op de volgende milieuaspecten:  Wegverkeerslawaai  Spoorwegverkeerslawaai  Luchtkwaliteit  Bedrijven en Milieuzonering  Externe Veiligheid  Bodem  Archeologie  Ecologie Het milieuaspect industrielawaai is niet relevant voor het onderzoeksgebied. Daarom is hier geen verdere aandacht aan besteed. Het plangebied is niet gelegen binnen een zone van een gezoneerd industrieterrein. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:  Topografische en kadastrale kaarten;  verwachte netto verkeersaantrekkende werking van de nieuwe bestemmingen, alsmede een verdeling hiervan over de diverse uitvalswegen;  Verkeersmilieukaart gemeente Zuidplas;  Akoestisch Spoorboekje;  Bedrijven en milieuzonering, VNG Den Haag 2009;  BBM-bedrijvenbestand van de Milieudienst;  Vergunningdossiers Milieudienst;  Bodem Informatie Systeem van de Milieudienst;  Risicoatlassen weg, spoor en water.  De Verwachtingen- en de beleidskaart van de gemeente Zuidplas.  Het Archeologisch Informatie Systeem II (Archis II) met de daarbinnen beschikbare informatie met betrekking tot waarnemingen en reeds uitgevoerd onderzoek .  www.watwaswaar.nl.  Voorbereidingscommissie Kwaliteitszorg Archeologie, 2006: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.1, Ministerie van OCenW, ‘s-Gravenhage.

 Wolters-Noordhoff 1990: Grote Historische Atlas van Nederland deel I West-Nederland 1839-1859, 1: 50.000, Groningen.  Archeologische Monumentenkaart (AMK)  Centraal Archeologisch Archief (CAA)  Centraal Monumenten Archief (CMA)  Luchtfoto onderzoeksgebied (Google Earth)  Provincie Zuid-Holland, 2007: Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland. Den Haag. (www.chs.pzh.nl)  Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, 2000: Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), 2e generatie. Amersfoort.  Topografische Dienst, 2001: Topografische Kaart 1:25:000. Emmen.  Dienst landelijk gebied, Handreiking Flora- en faunawet, oktober 2006.  Kapteyn, K. 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs BV, Haarlem  Ministerie van Landbouw, natuurbeheer en voedselkwaliteit, Rode Lijsten, Den Haag, 2004  Ministerie van LNV. Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde dieren en planten. Ministerie van LNV, Den Haag

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

6

Milieudienst Midden-Holland

            

Provincie Zuid-Holland, Streekplan Zuid-Holland Oost, Provinciale Staten van Zuid-Holland, Den Haag, november 2003. Ministerie EL&I, 2011, Handreiking bestemmingsplan en natuurwetgeving Ministerie EL&I (LNV), 2009, Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten Flora- en faunawet www.zuid-holland.nl www.zoogdieratlas.nl www.rijksoverheid.nl www.ravon.nl www.vleermuis.net LNV (1990). Natuurbeleidsplan. Regeringsbeslissing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Den Haag. Ministerie van VROM. 2005, Nota Ruimte Provincie Zuid-Holland. Structuurvisie Zuid-Holland 2020; Provincie Zuid-Holland. Natuurbeheerplan 2011 Provincie Zuid-Holland. Provinciaal Compensatiebeginsel 1997

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

7

Milieudienst Midden-Holland

2 2.1

WEGVERKEERSLAWAAI

Wettelijk kader

Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art. 1 Wgh):  Woningen  Onderwijsgebouwen  Ziekenhuizen en verpleeghuizen  Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen,verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Indien bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen niet aan de voorkeursgrenswaarde kan wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat de locatie niet zonder meer geschikt is voor de beoogde ontwikkeling.

Indien toch wordt beoogd de ontwikkeling doorgang te laten vinden dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de haalbaarheid van maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren. Dit kunnen maatregelen aan de bron (bv. geluidsarm asfalt) of maatregelen in overdrachtssfeer (bv. geluidswal) zijn. Indien deze maatregelen kunnen worden uitgevoerd en de geluidsbelasting daarmee tot (onder) de voorkeursgrenswaarde wordt teruggebracht kunnen de gevoelige bestemmingen alsnog worden gerealiseerd. Indien maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een Hogere Waarde worden vastgesteld. Ter bepaling of deze Hogere Waarde inderdaad kan worden vastgesteld is de Beleidsregel Hogere Waarden regio Midden-Holland (april 2007) vastgesteld. In situaties waarin aan deze Beleidsregel wordt voldaan kunnen Hogere Waarden worden vastgesteld tot de Maximale Grenswaarde uit de Wgh. In tabel I zijn de voor dit onderzoek relevante voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden weergegeven. Tabel I: voorkeursgrenswaarden (vgw) wegverkeerslawaai

bestemming Woningen

Voorkeursgrenswaarde [dB]

Maximale grenswaarde [dB]

48

63

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

8

Milieudienst Midden-Holland

2.2

Onderzoek

Bestemmingswijziging Binnen het onderzoeksgebied zal de huidige bestemming school worden vervangen door in eerste instantie bestemming appartementen voor senioren en dementerenden met de mogelijkheid om in een later stadium de appartementen een reguliere woonbestemming te geven. De verwachting is dat de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de bestemmingswijziging zal afnemen. In dit onderzoek is uitgegaan van de huidige bestemming ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking. Het verschil als gevolg van de bestemmingswijziging is dus niet in kaart gebracht (worst-case benadering). Onderzochte wegen Voor de relevante wegen is per weg berekend wat de geluidsbelasting binnen het onderzoeksgebied is. Tevens is berekend wat de cumulatieve geluidsbelasting van wegverkeerslawaai op het onderzoeksgebied is. De rekenresultaten zijn weergegeven middels contouren. De relevante wegen voor het onderzoeksgebied zijn:  Burg. Vogelaarsingel snelheid 30 km/h  Europalaan snelheid 50 km/h  J A Beijerinkstraat snelheid 30 km/h  J.S. Bachstraat snelheid 30 km/h  Kerkepad snelheid 30 km/h  Mozartsraat snelheid 30 km/h  Prins Alexanderlaan snelheid 30 km/h  Van Beethovenlaan snelheid 30 km/h De berekeningen zijn uitgevoerd met Geomilieu versie 1.81.

De gevolgde rekenmethode voor het bepalen van de geluidsbelasting is conform de Standaard Rekenmethode II van bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Er is gerekend op een hoogte van 5 meter. Bij de resultaten is de aftrek conform artikel 110g Wgh reeds toegepast. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van de concept versie van de RVMH van de gemeente Zuidplas. In bijlage I is een overzicht gegeven van de invoergegevens. In bijlage I zijn de invoergegevens opgenomen voor het wegverkeerslawaai. 2.3

Rekenresultaten

In figuur 2 is een overzicht gegeven van de geluidsbelasting ten gevolge van de Europalaan. De Europalaan is de enige gezoneerde weg in de directe omgeving van het plangebied. De gepresenteerde geluidsbelastingen zijn inclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g Wgh.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

9

Milieudienst Midden-Holland

Figuur 2: Geluidscontouren ten gevolge van de Europalaan incl. aftrek art. 110g Wgh

In figuur 3 is een overzicht gegeven van de gecumuleerde geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen (inclusief 30 km/h wegen). De gepresenteerde gecumuleerde geluidsbelastingen zijn exclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g Wgh.

Figuur 3: Gecumuleerde geluidscontouren ten gevolge van alle wegen exclusief aftrek art. 110g Wgh

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

10

Milieudienst Midden-Holland

2.4

Conclusie en advies

Uit de rekenresultaten blijkt dat:  De Europalaan de enige gezoneerde weg is in de directe omgeving van het plangebied;  De geluidsbelasting (inclusief aftrek 110g Wgh) ten gevolge van de Europalaan binnen het gehele plangebied niet uitkomt boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai;  Geen hogere grenswaarde Wet geluidhinder aangevraagd behoeft te worden omdat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden;  De gecumuleerde geluidsbelasting (exclusief aftrek 110g Wgh) ten gevolge van alle wegen in de directe omgeving op enkele plekken binnen het plangebied uitkomt boven de 48 dB maar niet boven de 53 dB. Op basis van deze geluidsbelasting kan gesteld worden dat de eisen die vanuit het Bouwbesluit worden gesteld aan de gevelwering (minimaal 20 dB) voldoende is om de binnenwaarde van 33 dB te garanderen ten aanzien van wegverkeerslawaai. Bij de dimensionering van de gevelmaatregelen binnen het plangebied dient eveneens rekening gehouden te worden met de gecumuleerde geluidsbelasting ten gevolge van spoorwegverkeerslawaai. In hoofdstuk 4 is de gecumuleerde geluidsbelasting weergegeven. Vanuit het aspect wegverkeerslawaai bestaan geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

11

Milieudienst Midden-Holland

3 3.1

SPOORWEGVERKEERSLAWAAI

Wettelijk kader

Spoorwegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan hoog niveau van spoorwegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder verplichten ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs spoorwegen (art. 1 Wgh en art 1.3 Bgh). Tevens stelt de Wgh regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Onder geluidgevoelige bestemmingen wordt verstaan (art. 1 Wgh):  Woningen  Onderwijsgebouwen  Ziekenhuizen en verpleeghuizen  Buitenterreinen (bij gezondheidsgebouwen anders dan ziekenhuizen)  Woonwagenstandplaatsen Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Bij realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Indien bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen niet aan de voorkeursgrenswaarde kan wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat de locatie niet zonder meer geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Indien toch wordt beoogd de ontwikkeling doorgang te laten vinden dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de haalbaarheid van maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren.

Dit kunnen maatregelen aan de bron (bv. aangepast materieel) of maatregelen in overdrachtssfeer (bv. geluidwal) zijn. Indien deze maatregelen kunnen worden uitgevoerd en de geluidsbelasting daarmee tot (onder) de voorkeursgrenswaarde wordt teruggebracht kunnen de gevoelige bestemmingen alsnog worden gerealiseerd. Indien maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een Hogere Waarde worden vastgesteld. Ter bepaling of deze Hogere waarde inderdaad kan worden vastgesteld is de Beleidsregel Hogere Waarden regio Midden-Holland (april 2007) vastgesteld. In situaties waarin aan deze beleidsregel wordt voldaan kunnen Hogere Waarden worden vastgesteld tot de Maximale Grenswaarde. In tabel II zijn de voor dit onderzoek relevante voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarde weergegeven. Tabel II: voorkeursgrenswaarden (vgw) wegverkeerslawaai

bestemming Woningen

Voorkeursgrenswaarde [dB]

Maximale grenswaarde [dB]

55

68

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

12

Milieudienst Midden-Holland

3.2

Onderzoek

Voor het spoorwegtraject Gouda-Rotterdam (zone 600 meter) is berekend wat de geluidsbelasting op het onderzoeksgebied is. Er zijn geen andere relevante spoorwegtrajecten voor dit onderzoeksgebied. De rekenresultaten zijn weergegeven middels contouren. De berekeningen zijn uitgevoerd met Geomilieu versie 1.81. De gevolgde rekenmethode voor het bepalen van de geluidsbelasting is conform de Standaard Rekenmethode II van bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van de prognose van uit het ASWIN waarbij de gemiddelde intensiteiten van de jaren 2007 t/m 2009 zijn bepaald (bijlage II). 3.3

Rekenresultaten

In figuur 4 is een overzicht gegeven van de geluidsbelasting ten gevolge van de spoorbaan GoudaRotterdam. De weergegeven geluidsbelastingen zijn inclusief de toeslag van 1,5 dB in het kader van de GPP’s.

Figuur 4: Geluidscontouren ten gevolge van de spoorweg Gouda - Rotterdam

3.4

Conclusie en advies

Uit de rekenresultaten blijkt dat binnen het plangebied de voorkeursgrenswaarde ten aanzien van spoorweglawaai van 55 dB niet wordt overschreden. Bij de dimensionering van de gevelmaatregelen binnen het plangebied dient eveneens rekening gehouden te worden met de gecumuleerde geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai. In hoofdstuk 4 is de gecumuleerde geluidsbelasting weergegeven. Vanuit het aspect spoorwegverkeerslawaai bestaan geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

13

Milieudienst Midden-Holland

4 4.1

CUMULATIEVE GELUIDSBELASTING

Wettelijk kader

De Gemeente Zuidplas heeft in 2007 de Beleidsregel Hogere Waarden Regio Midden-Holland vastgesteld. In deze Beleidsregel zijn voorwaarden gesteld aan het vaststellen van Hogere Waarden. Eén van de voorwaarden betreft de eis dat gevoelige bestemmingen bij hogere waarden van 53 dB (wegverkeerslawaai), 60 dB (spoorweglawaai), en hoger ten minste over één geluidsluwe gevel moeten beschikken. Dat betekent dat voor één gevel de cumulatieve geluidsbelasting niet meer dan 48 dB mag bedragen. Cumulatie van verschillende geluidsbronnen dient alleen uitgevoerd te worden indien van de betreffende geluidsbron de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. 4.2

Onderzoek

Ten behoeve van dit onderzoek zijn de geluidsbelastingen binnen het plangebied bepaald ten gevolge van wegverkeerslawaai en spoorwegverkeerslawaai waarna de beide geluidsbronnen zijn opgeteld. Wegverkeerslawaai Voor de relevante wegen is per weg berekend wat de geluidsbelasting binnen het onderzoeksgebied is. Tevens is berekend wat de cumulatieve geluidsbelasting van wegverkeerslawaai op het onderzoeksgebied is. Spoorwegverkeerslawaai Voor het spoorwegtraject Gouda-Rotterdam (zone 600 meter) is berekend wat de geluidsbelasting op het onderzoeksgebied is. Er zijn geen andere relevante spoorwegtrajecten voor dit onderzoeksgebied. 4.3

Rekenresultaten

Uit de berekeningsresultaten uit § 2.3 en § 3.3 blijkt dat de geluidsbelasting, zowel ten gevolge van wegverkeerslawaai als van spoorwegverkeerslawaai, niet uitkomt boven de voorkeursgrenswaarden ( 48 dB voor weg- en 55 dB voor spoor). Hierdoor is er vanuit de Beleidsregel van de gemeente Zuidplas geen verplichting aanwezig is om de gecumuleerde geluidsbelasting (weg en spoor) te bepalen. In het kader van de benodigde gevelwering dient rekening gehouden te worden met de totale (gesommeerde) geluidsbelasting (weg en spoor) aangezien het Bouwbesluit uitgaat van een gevelwering van minimaal 20 dB teneinde het binnenniveau van 33 dB te garanderen. In figuur 5 zijn de gesommeerde contouren weergegeven van alle wegen en het spoorwegtraject Gouda – Rotterdam. De sommatie betreft het “plat” optellen van de geluidsbelastingen zonder rekening te houden met dosiseffect relaties van de verschillende geluidsbronnen.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

14

Milieudienst Midden-Holland

Figuur 5: gesommeerde geluidsbelasting van alle wegen en het spoor.

Uit de rekenresultaten blijkt dat de gesommeerde geluidsbelasting (weg en spoor) voor een groot deel van het plangebied uitkomt boven de 53 dB. Bij de berekende gesommeerde geluidsbelasting van 55 dB dient de gevelwering 2 dB boven de eis uit het Bouwbesluit uit te komen 22 dB in plaats van 20 dB. De eisen die vanuit het Bouwbesluit worden gesteld aan de minimale gevelwering zullen net niet voldoende zijn. Extra voorzieningen ter bescherming van het binnenniveau zijn noodzakelijk maar zullen niet leiden tot extreme voorzieningen. 4.4

Conclusie en advies

Uit de rekenresultaten blijkt dat de gesommeerde geluidsbelasting (weg en spoor) voor een deel van het plangebied ligt tussen de 53 en 55 dB. In het kader van de gevelwering dient bij de realisatie van de woningen (of andere geluidsgevoelige bestemmingen) binnen dit deel van het gebied rekening gehouden te worden met deze iets hogere geluidsbelasting. Aangezien het Bouwbesluit uitgaat van een gevelwering van minimaal 20 dB (teneinde het binnenniveau van 33 dB te garanderen) zal binnen het genoemde gebied (geluidsbelasting tussen 53 en 55 dB) de gevelwering 2 dB boven de eis uit het Bouwbesluit uitkomen, dus 22 dB in plaats van 20 dB. Vanuit geluid zijn er geen beperkingen om het bestemmingsplan vast te stellen. Wel dient in het bestemmingsplan te worden opgenomen dat bij de realisatie van de woningen ter plaatse van het gebied waar een geluidsbelasting tussen de 53 en 55 dB heerst een gevelwering van 22 dB moet worden toegepast.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

15

Milieudienst Midden-Holland

5 5.1

LUCHTKWALITEIT

Wettelijk kader

Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in tabel III. In 2011 moet aan de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 worden voldaan. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tot deze grenswaarden gelden zijn minder strenge grenswaarden van kracht. Tabel III: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof

jaargemiddelde

NO2

40 µg/m

uurgemiddelde 3

200 µg/m

24-uursgemiddelde 3

Opmerkingen

n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden

PM10

40 µg/m3

n.v.t.

50 µg/m3 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien: 1. de luchtkwaliteit tengevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; 2. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; 3. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; 4. gevoelige bestemmingen (waaronder scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden, te weten:  Woningbouw: ≤ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 2 2  Kantoorlocaties: ≤ 100.000 m bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 200.000 m bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen zal middels een berekening moeten worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

16

Milieudienst Midden-Holland

Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.2

Onderzoek en resultaten

Het plan omvat de nieuwbouw van ca. 47 appartementen. Het valt daarmee binnen de 1500 woningen grens bij 1 ontsluitingsweg. Vanwege de anticumulatie bepaling is onderzoek gedaan naar de ontwikkelingen in de omgeving. In dit geval is dat de beoogde ontwikkeling aan de Boslaan (appartementen De Meander). Het aantal nieuwbouwwoningen van de twee projecten samen ligt ruim onder de 1500 woningen, waarmee het project binnen de grenzen van het Besluit NIBM valt. Uitgebreid onderzoek is daarmee niet noodzakelijk.

5.3

Conclusie en advies

Het project valt binnen de NIBM-grenzen. Aldus wordt de realisatie van het bouwplan conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer toelaatbaar geacht.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

17

Milieudienst Midden-Holland

6 6.1

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

Wettelijk kader

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Tengevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot drie groepen en bijbehorende aanpak, te weten:  Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en bijbehorende AMvB’s. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en Milieuzonering.

 Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. In het geval de bestemmingswijziging wordt gerealiseerd ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf, kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval dient tenminste aan de Wet milieubeheer te worden voldaan.  Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.

Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. 6.2

Onderzoek

Met behulp van het inrichtingenbestand van de Milieudienst is geïnventariseerd welke bedrijven nabij het plangebied zijn gevestigd. Voor deze bedrijven zijn voor zover mogelijk de milieuzones bepaald op basis van Bedrijven en Milieuzonering en gegevens uit milieuvergunningen en AMvB’s. Vervolgens is geïnventariseerd waar mogelijk hindersituaties kunnen optreden.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

18

Milieudienst Midden-Holland

6.3

Resultaten

Uit onderzoek is gebleken dat naast het plangebied een middelbare school is gelegen. Volgens Bedrijven en milieuzonering betref dit een categorie 2 activiteit met een richtafstand van 30 meter. Het bouwvlak van de woningen is op een afstand tussen de 34 en 38 meter van het schoolterrein gelegen, waardoor geen belemmeringen voor de woningbouw aanwezig zijn.

6.4

Conclusie en advies

Het plangebied ligt op 5 meter afstand van een middelbare school, maar het bouwvlak waarbinnen de woningen worden gerealiseerd ligt tussen de 34 en 38 meter van het schoolterrein. Er zijn dus geen beperkingen vanuit een oogpunt van “Bedrijven en milieuzonering”. .

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

19

Milieudienst Midden-Holland

7 7.1

EXTERNE VEILIGHEID

Wettelijk kader

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vormt het wettelijk kader voor het omgaan met risico’s ten gevolge van bedrijven (inrichtingen) met gevaarlijke stoffen. Het wettelijk kader voor de risico’s ten gevolge van transport van gevaarlijke stoffen wordt gevormd door: a. de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS), het laatst gewijzigd op 1 januari 2010 en medio 2012 te vervangen door het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev); b. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast is, voor zover van toepassing, gebruik gemaakt van gegevens uit het Basisnet Weg (definitief ontwerp 2009) en het Basisnet Water (definitief ontwerp 2008) waarin veiligheidsafstanden worden aangegeven op basis van uitgevoerde tellingen en waarbij rekening is gehouden met een te verwachten groeiscenario tot 2020. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron).

Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

20

Milieudienst Midden-Holland

Bij het verantwoorden van het GR moeten de volgende aspecten worden betrokken en gemotiveerd:  Het aantal personen binnen het invloedsgebied;  De hoogte van het GR en een eventuele toename daarvan;  De mogelijkheden tot risicovermindering aan de risicobron;  De alternatieven voor het ruimtelijk plan;  De mogelijkheden om de omvang van een ramp of zwaar ongeval te beperken;  De mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. In verband hiermee moet de (regionale) brandweer (Veiligheidsregio Hollands-Midden) in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen over het GR en de mogelijkheden tot voorbereiding van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Hoogspanningslijnen Hoewel hoogspanningslijnen geen onderdeel uitmaken van externe veiligheid is onderzocht of er hoogspanningslijnen in of nabij het plangebied zijn gelegen. In verband met magnetische velden als mogelijke veroorzaker van leukemie bij kinderen, heeft het voormalig ministerie van VROM in 2005 een beleidsadvies uitgebracht. VROM adviseert om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de zogenaamde magneetveldzone.

7.2

Onderzoek

Ter voorbereiding van het bestemmingsplan De Tweemaster is onderzocht of er risicobronnen binnen of nabij het plangebied zijn gelegen die hierop van invloed zijn. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen, waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden of transportmodaliteiten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals (spoor-, vaar-)wegen en buisleidingen. Wat betreft hoogspanningslijnen is onderzocht of het plangebied overlapt met magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Bij dit advies is de “Visie Externe Veiligheid” van de gemeente Zuidplas betrokken, welke in de raadsvergadering van 19 april 2011 is vastgesteld.

7.3

Resultaten

Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied zijn enkele EV-relevante inrichtingen gelegen, zie tabel IV. Tabel IV: EV-relevante bedrijven Bedrijfsnaam

Adres

Soort

Aard risico

-6

PR 10

bedrijf 1.

Van Weelde b.v.

Europalaan 2

LPG

(mtr)

Invloedsgebied ((mtr)

Afstand tot plangebied (mtr)

Bleve

45

150

400

toxisch

0

75

300

tankstation 2.

Stichting Polderbad

Iersestraat 15

Zwembad

(chloorbleekloog)

Het plangebied is ligt niet binnen het invloedsgebied van deze inrichtingen, waarmee deze inrichtingen dus geen belemmering vormen voor het plangebied.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

21

Milieudienst Midden-Holland

Transport over de weg In de omgeving van het plangebied zijn de A20 en de N219 relevant in verband met het transport van gevaarlijke stoffen. De A20 is op 660 meter afstand van het plangebied gelegen; N219 op 1.160 meter van het plangebied. A20 In het Basisnet weg (oktober 2009) zijn de risicoplafonds in verband met het transport van gevaarlijke stoffen vastgelegd. Plaatsgebonden risicocontour In het Basisnet weg is vastgelegd waar de PR 10-6 contour maximaal kan komen te liggen. In het Basisnet wordt dit de Veiligheidszone genoemd. In dit gebied zijn kwetsbare objecten en in principe beperkt kwetsbare objecten niet toegestaan. Ter hoogte van het plangebied bedraagt de veiligheidszone 32 meter gemeten vanuit het midden van de weg. Deze zone overlapt niet met het plangebied. Groepsrisico Gezien de afstand van de A20 tot het plangebied is alleen het transport van sterke toxische gassen (GT4) van belang. Hiervan wordt slechts een zeer beperkte hoeveelheid (3 transporten per jaar) vervoerd. Binnen het plangebied hoeft dus alleen rekening te worden gehouden met het scenario van het vrijkomen van toxische gassen. Zie voor de verantwoording van het groepsrisico onder het kopje “Transport over het spoor”. N219 In 2008 zijn er tellingen uitgevoerd voor de N219 naar het aantal transporten gevaarlijke stoffen.

Uit deze tellingen blijkt dat er brandbare vloeistoffen (benzine, diesel) en brandbare gassen worden getransporteerd (LPG, propaan). Deze tellingen zijn gebruikt om de PR en het GR te berekenen. Uit de berekeningen blijkt dat de PR 10-6 contour op de weg zelf is gelegen. Het invloedsgebied van deze weg is 250 meter (brandbare gassen). Gezien de afstand tot het plangebied (1.160 meter) vormt de N219 geen belemmering voor het plangebied.

Transport per buisleiding Ten zuidwesten van het plangebied, op de grens met de gemeente Capelle aan den IJssel is een hogedruk aardgasleiding gelegen. De specificatie van deze leiding zijn in tabel V weergegeven. Deze leiding is op 1.060 meter afstand van het plangebied gelegen. Het invloedsgebied van deze leiding overlapt dus niet met het plangebied. Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormt dan ook geen belemmering voor het plangebied. Tabel V: Hogedruk aardgasleidingen

Leiding

Diameter

Druk (bar)

(inch)

Belemmering en-

Invloedsgebied GR

strook A 518

30

66,2

5

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

380

22

Milieudienst Midden-Holland

Transport over het water In de nabijheid zijn geen vaarwegen gelegen die relevant zijn in verband met externe veiligheid.

Hoogspanningslijnen Ten zuidwesten van het plangebied parallel aan de gemeentegrens met Capelle aan den IJssel is een hoogspanningslijn gelegen. Deze hoogspanningslijn is op 1.000 meter afstand van het plangebied gelegen. Het betreft een hoogspanningslijn met een spanning van 380 kV. De indicatieve magneetveldzone voor deze hoogspanningslijn bedraagt 215 meter aan weerszijden van de lijn. Deze zone overlapt niet met het plangebied. Deze hoogspanningslijn vormt dus geen belemmering voor het plangebied.

Transport over het spoor Ten zuidoosten van het plangebied is op 580 meter afstand het spoor Rotterdam – Utrecht gelegen. Over deze spoorlijn worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Plaatsgebonden risico Bij eerdere berekeningen voor dezelfde hoeveelheden transporten in Gouda is gebleken dat de PR 10-6 contour op 8 meter vanuit het midden van het spoor is gelegen en daarmee niet overlapt met het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is in 2009 berekend ter hoogte van de kern Nieuwerkerk aan den IJssel in het kader van de “Signaleringskaart Midden-Holland”. Ter hoogte van het plangebied ligt het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. In juni 2010 is het ontwerp Basisnet spoor vastgesteld. Kern van het Basisnet Spoor is dat een aantal maatregelen worden genomen om het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor veiliger te maken. Uit risicoberekeningen blijkt dat met deze veiligheidsmaatregelen het groepsrisico voor de gehele gemeente Zuidplas onder de oriëntatiewaarde zal komen te liggen. Het voormalig ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft per brief aan de gemeente Zuidplas bevestigd dat met de generieke maatregelen uit het Basisnet Spoor het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde zal uitkomen.

Het plangebied is op meer dan 200 meter afstand van het spoor en de A20 gelegen, maar binnen het invloedsgebied van deze transportassen (respectievelijk 3.000 en 1.500 meter). Op deze locatie waar voorheen een school stond zijn 47 appartementen beoogd voor senioren en dementerenden. Het gaat hier dus om niet en verminderd zelfredzame personen. Gezien de afstand tot het spoor en de A20 en de beperkte omvang van de ontwikkeling is het effect op het groepsrisico verwaarloosbaar. Het groepsrisico hoeft dus niet berekend te worden. In de “Visie Externe Veiligheid” van de gemeente Zuidplas is aangegeven dat binnen het gebiedstype “Wonen” buiten 200 meter van het spoor en de A20 en binnen het invloedsgebied, nieuwe vestiging van niet en verminderd zelfredzame personen mogelijk is onder algemene voorwaarden (standaard verantwoording groepsrisico). Voor de invulling van de verantwoording groepsrisico is het niet nodig om een aparte verantwoording van het groepsrisico op te stellen maar kan worden verwezen naar onderstaande tekst, waarmee de verantwoordingsplicht voldoende is ingevuld. 201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

23

Milieudienst Midden-Holland

Ontwikkeling groepsrisico Het plan heeft geen significante invloed op het groepsrisico, vanwege:  de afstand tot de plaats van het mogelijke incident;  de aard van het incident (blootstelling aan toxisch gas);  de hoge personendichtheden binnen de kern Nieuwerkerk aan den IJssel. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze locatie geen item, vanwege het gegeven dat de:  toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft;  kans op overlijden ten gevolge van een incident op het spoor met gevaarlijke stoffen op deze locatie relatief klein is (de kans is aanzienlijk kleiner dan de norm voor het plaatsgebonden risico) De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van het spoor speelt het bestrijdingsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt “schuilen” de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Blootstelling aan een toxisch gas op deze afstand van het spoor en de weg zal alleen plaatsvinden bij specifiek weersomstandigheden die relatief weinig voorkomen. Het is dus relevant dat het nieuwe gebouw wordt voorzien van de mogelijkheid om de mechanische ventilatie met één druk op de knop uit te schakelen, zodat wordt voorkomen dat toxische gassen naar binnen worden gezogen. Wij adviseren deze maatregel te borgen in de planregels en/of door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst (indien mogelijk). Daarnaast is het van belang dat de bewoners tijdig worden gewaarschuwd. Dit gebeurt in principe door het in werking treden van het Waarschuwing- en AlarmeringSysteem (sirenes) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. 7.4

Conclusie en advies

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen, vaarwegen en buisleidingen, gelegen die in het kader van externe veiligheid een beperking vormen voor het plangebied. Ook indicatieve magneetveldzones in verband met hoogspanningslijnen vormen geen beperking voor het plangebied. Het plangebied is binnen de invloedsgebieden van de A20 en het spoor gelegen, waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, maar op meer dan 200 meter afstand van deze transportassen. In de “Visie Externe Veiligheid” van de gemeente Zuidplas is aangegeven dat nieuwe vestiging van niet en verminderd zelfredzame personen mogelijk is met een algemene verantwoording van het groepsrisico. Voor de invulling van de verantwoording groepsrisico is het niet nodig om een aparte verantwoording van het groepsrisico op te stellen maar kan worden verwezen de tekst zoals opgenomen in paragraaf 7.3. Hiermee is de verantwoordingsplicht voldoende ingevuld. De enige relevante maatregel is het nieuwe gebouw voorzien van de mogelijkheid om de ventilatie uit te schakelen (met één druk op de knop). Geadviseerd wordt om deze maatregel te borgen in de planregels en/of door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst (indien mogelijk). 201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

24

Milieudienst Midden-Holland

8

BODEM

8.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb):  Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden.  Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Provincie Zuid-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding bij de provincie. Na goedkeuring door de provincie kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring aan de provincie te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden totdat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Zuidplas beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorend grondstromenbeleid. Uitgangspunt is dat grondverzet niet mag leiden tot verslechtering van de bodemkwaliteit ter plaatse. Alle grondverzet dient te worden gemeld bij de Milieudienst Midden-Holland.

8.2

Onderzoek

Van het plangebied is met behulp van het Bodem Informatie Systeem (BIS) alle bij de Milieudienst bekende informatie verzameld over de onderwerpen:  Voormalige bedrijven (HBB);  Huidige bedrijven;  Tanks;  Dempingen (Bio-s);  Bodemonderzoekslocaties; 201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

25

Milieudienst Midden-Holland

 

Toepassing grond (grondwerken); Bodemkwaliteitskaart en grondstromenbeleid.

Het onderzoek beperkt zich tot het plangebied. Bij nader onderzoek ten behoeve van ontwikkelingen dienen, conform NEN 5725, ook omliggende percelen te worden betrokken. 8.3

Resultaten

In de bodemkaart is de bij de Milieudienst bekende bodeminformatie van het plangebied weergegeven. Tabel VI geeft een toelichting op de afgebeelde informatie in figuur 6. Tabel VI: toelichting op bodeminformatiekaart De Tweemaster, Bodemonderzoekslocaties In de legenda is opgenomen of op de locatie waar het bodemonderzoek is uitgevoerd vervolgonderzoek plaats moet vinden (rood) of niet (groen). Indien is aangegeven dat geen vervolgonderzoek meer nodig is, betekent dat de locatie voldoende is onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. In een ander kader kan wel een vervolgactie noodzakelijk zijn. Daarnaast zijn de spoedlocaties (paars) aangegeven. Dit zijn locaties waar op basis van onderzoeken sprake is van humane risico’s en waar een spoedeisende sanering noodzakelijk is. N.b. 1: In de Bodemkaart De Tweemaster (figuur 6) is de bij de Milieudienst beschikbare bodeminformatie samengevat weergegeven. Meer gedetailleerde informatie kan worden opgevraagd bij de Milieudienst. N.b. 2: Indien er op een locatie van een of meerdere items geen informatie op de kaart is afgebeeld, wil dat niet zeggen dat er op die locatie nooit een bodembedreigende activiteit heeft plaatsgevonden. Een vooronderzoek conform NEN 5725 kan hierover duidelijkheid verschaffen.

Uit de uitgevoerde BIS-toets blijkt dat er binnen het plangebied geen tanks, voormalige of huidige bedrijven, gedempte sloten en grondtoepassingen bekend zijn bij de Milieudienst.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

26

Milieudienst Midden-Holland

Figuur 6: Bodemkaart De Tweemaster

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan De Tweemaster; definitief

27

Milieudienst Midden-Holland

Bodemonderzoekslocaties Uit het Bodem Informatie Systeem blijkt dat binnen of overlappend met het plangebied twee bodemonderzoekslocaties aanwezig zijn. Deze zijn opgenomen in tabel VII. Tabel VII: Bodemonderzoekslocaties

Onderzoekslocatie

Conclusie

Vervolgactie

Kamerlingh Onnesstraat 6  Verkennend onderzoek,

In de bovengrond is een lichte verontreiniging

Geen vervolg

Arnicon bv, 13-7-2000

met minerale olie aangetroffen. De ondergrond is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met arseen.

Lorentzstraat ong. (noodwinkels) 

Op de locatie zijn geen bronnen aanwezig

Historisch onderzoek, De

(geweest) die verontreiniging van de bodem

straat, 29-8-2005

hebben kunnen veroorzaken. De locatie wordt

Geen vervolg

terecht als onverdacht aangemerkt. Er zijn geen bodemhygiënische redenen die een beletsel of beperking vormen ten aanzien van de beoogde bouwplannen op de locatie.

Ter plaatse van een klein deel van het plangebied zijn onderzoeken uitgevoerd. Omdat de bovengenoemde onderzoeken beiden ouder zijn dan 5 jaar zijn de onderzoeken niet meer geschikt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Daarnaast is op het grootste deel van het terrein nog in zijn geheel geen onderzoek uitgevoerd. Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning dient minimaal een historisch onderzoek te worden uitgevoerd voor het hele plangebied. Grondverzet De gemiddelde bodemkwaliteit op onverdachte percelen binnen plangebied “Tweemaster” is vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart. Het plangebied is grotendeels gelegen in ‘Zone 6: 1984 – 1970 Krimpenerwaard en Zuidplas’. De gemiddelde bodemkwaliteit is opgenomen in tabel VIII. Tabel VIII: Grondverzet

Zone

Kwaliteit bovengrond (0-0,5 m-mv)

Kwaliteit ondergrond (0,5-2 m-mv)

Zone 6: lintbebouwing

Wonen

Landbouw/ natuur

De bodemkwaliteit van de bovengrond sluit aan bij de functie die het gebied heeft. Er zijn geen bodemhygiënische risico’s. Vrijkomende grond moet worden hergebruikt conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Nota Bodembeheer. Voor het toepassen van grond van buiten het plangebied moet worden aangesloten bij de functie die het gebied heeft. Deze functies zijn aangegeven op de kaart met toepassingswaarden, zie www.milieudienstmiddenholland.nl/bkk. Nagenoeg al het grondverzet dient te worden gemeld bij Agentschap NL (www.meldgrond.nl). De Milieudienst kan dan tevens als grondstromenmakelaar optreden, zodat grondverzet zo (kosten)efficiënt mogelijk kan plaatsvinden.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

28

Milieudienst Midden-Holland

8.4

Conclusie en advies

Uit het onderzoek blijkt dat voor het op te stellen bestemmingsplan geen directe vervolgacties dienen te worden uitgevoerd. Ter plaatse van het plangebied dient wel minimaal nog een historisch onderzoek te worden uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten hiervan kan een verkennend onderzoek noodzakelijk zijn. Het historisch onderzoek dient in ieder geval voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen te zijn voltooid, maar geadviseerd wordt dit onderzoek zo snel mogelijk (vóór dat de ruimtelijke procedure wordt ingezet) uit te laten voeren. Daarna kan pas met zekerheid gezegd worden of de locatie geschikt is voor woningbouw of dat sanering plaats moet vinden. Eventueel grondverzet dient plaats te vinden conform het grondstromenbeleid en de bodemkwaliteitskaart van de gemeente.

201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

29

Milieudienst Midden-Holland

9 9.1

ARCHEOLOGIE

Wettelijk kader

Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Wamz behelzen o.a. het integreren van archeologie in de RO-procedures (zoals vergunningen en Projectbesluiten) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen (art. 38 en 41 Wamz). De Wamz verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij een omgevingsvergunning rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van bouw- en aanlegvergunningen in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de omgevingsvergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Zuidplas heeft per 23 november 2010 vastgesteld archeologie beleid.

Aan de hand van de hiervan onderdeel uitmakende archeologische verwachtingenkaart en beleidskaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Dit vooronderzoek dient een rapport op te leveren waarmee de archeologische waarde van een plangebied voldoende wordt aangetoond. Op basis hiervan neemt de gemeente een selectiebesluit. Het rapport dient bij de omgevingsvergunningsaanvraag aangeleverd te worden. Indien de waardestelling onvoldoende beoordeeld wordt door de gemeente kan deze aanvullingen eisen. De vergunningsaanvraag wordt op dit moment opgeschort totdat hieraan voldaan is. Op basis van het selectiebesluit en het vooronderzoek kunnen de eerder vermelde voorwaarden of voorschriften bepaald en opgenomen worden in de vergunning. Indien bij planvorming blijkt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is, wordt op basis van de aard en omvang van de bekende en verwachte archeologische waarden bepaald welk archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Elk archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de bepalingen in de Wamz, het provinciaal en/of gemeentelijk beleid en de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), waarbij in de regel de volgende cyclus wordt doorlopen:  Stap 1 Vooronderzoek fase verkennend: bureauonderzoek, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek.

Doel hiervan is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel, eventueel aangevuld en gecontroleerd middels een verkennend onderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek beslist de bevoegde overheid of vervolgonderzoek noodzakelijk is (selectiebesluit). Indien de resultaten onvoldoende zijn voor een afgewogen selectiebesluit (c.q. er kunnen archeologische waarden aanwezig zijn op basis van historisch en geologische gegevens) volgt stap 2.  Stap 2 vooronderzoek fase inventariserend: Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (karterend en waarderend booronderzoek), proefsleuven of een archeologische 201115421 Milieukundig advies bestemmingsplan Tweemaster; definitief

30

Milieudienst Midden-Holland

 

9.2

begeleiding. Doel van het Inventariserend Veldonderzoek is het toetsen en aanvullen van het eerder opgestelde specifieke verwachtingsmodel. Van eventuele aangetroffen archeologische resten wordt een waardestelling conform de normen van de KNA verricht. Op basis van de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek beslist de bevoegde overheid over de te nemen vervolgstappen: behoud in situ, vervolgonderzoek, vrijgave, of een combinatie van deze (selectiebesluit). Stap 3: Het Bevoegd Gezag neemt een selectiebesluit m.b.t. archeologie in het plangebied. Stap 4: Uitvoering van het selectiebesluit. Indien wordt besloten tot vervolgonderzoek, vindt een archeologische opgraving of archeologische begeleiding plaats, waarna het archeologische onderzoek is afgerond. Indien besloten wordt tot behoud ter plaatse worden beschermende maatregelen genomen. Onderzoek

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een voortoets uitgevoerd. Hierbij is op basis van een quickscan bepaald of binnen het plangebied en het grotere onderzoeksgebied waardevolle archeologische waarden voorkomen of kunnen worden verwacht. Voor zover op basis van de beschikbare informatie mogelijk, is een inschatting gemaakt van de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op eventuele aanwezige archeologisch waardevolle zaken. Hieruit volgt een conclusie ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de effecten of een aanbeveling tot nader onderzoek of vervolgprocedures, zoals karterend of waarderend onderzoek. 9.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12844269/1