CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 GEANONIMISEERD Ruimtelijke onderbouwing - A25.004277

Gemeenteraad 3 februari 2026, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Ontwerp VVGB Grensweg 3 Nieuwerkerk aan den IJssel - realiseren van een nieuwe woning14.914 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3 alinea's met “opening”: 1204 1212 1215

zijn van de plek waar de kas heeft gestaan.

Ter plekke van kavel 1 is een lichte verontreiniging aangetoond van zware metalen, PAK en PCB. Het PAKgehalte overschrijdt hier de maximale waarde voor wonen en komt niet overeen met de verwachte kwaliteit van de bodemkwaliteitskaart. De hypothese “onverdacht” wordt hiermee verworpen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium hetgeen niet is toe te schrijven aan de locatie maar aan de achtergrondwaarden die van nature

voorkomen in Nederland.

Tot slot kan geconcludeerd worden dat de locatie geschikt wordt geacht voor de beoogde bestemming, namelijk wonen. De aangetoonde lichte verontreinigingen in het veen (zowel boven- als ondergrond) vormen geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van de locatie. De stabilisatielaag wordt op basis van de onderzoeksresultaten geschikt geacht voor hergebruik op de locatie. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek of saneringsmaatregelen.

4.3.2

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen

Mees

Ruimte

& Milieu

| (geanonimiseerd)

belemmering

voor

de

beoogde ontwikkeling.

Pagina | 25

44

CULTUURHISTORIE Erfgoedwet Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en in welke zich een of meer monumenten bevinden. De wet

verplicht in het geval van een Rijksbeschermd stadsgezicht de betrokken gemeente een beschermend bestemmingsplan op te stellen voor het gebied. De Erfgoedwet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om gemeentelijke monumenten aan te wijzen.

zelf

Cultuurhistorische kaart Zuid-Holland De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De kaart, ook bekend als Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), gaat in op drie thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Sinds januari 2017 is de geldende cultuurhistorische kaart van kracht.

4.4.1

Relatie tot de

ontwikkeling

Op

de cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland is te zien dat de locatie niet ligt binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook is de locatie zelf niet beschermd als gemeentelijk of rijksmonument. Er zijn hierdoor geen cultuurhistorische waarden in het geding bij onderhavige ontwikkeling. -

4.4.2

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen

4,5

belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

DUURZAAMHEID Convenant Klimaatadaptief bouwen De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave biedt de kans om deze

bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Eén van de convenantafspraken is het ontwikkelen van een instrumentarium om de klimaatbestendigheid van nieuwbouw te beoordelen en te bevorderen. Dit is een complex en meerjarig traject. In het convenant is afgesproken om in afwachting van de resultaten van dit instrumentarium alvast een ‘Minimaal Programma van Eisen' te ontwikkelen. Dit Programma is bedoeld als voorlopige maatregel om de nieuwbouwplannen die in de komende jaren ontwikkeld worden klimaatbestendig in te richten. Het doel van het Programma van Eisen is het opstellen van praktische eisen die Holland kunnen gebruiken om op korte termijn klimaatbestendig te ontwikkelen. De gemeente Zuidplas zich aangesloten bij het Convenant van het convenant, heeft Zuidplas zich gecommitteerd om

Mees

Ruimte

& Milieu

| BN (geanonimiseerd)

partijen in de provincie

Zuid-

Klimaatadaptief Bouwen. Met de ondertekening klimaatadaptief bouwen tot het nieuwe normaal te

Pagina | 26

verheffen. Het convenant bestaat uit een aantal producten zoals een Leidraad ter ondersteuning beleidsontwikkeling en een Programma van Eisen met handvatten voor nieuwe ontwikkelingen.

voor

Programma

Duurzaamheid en Klimaatadaptatie De gemeente Zuidplas heeft in het programma Duurzaamheid & Klimaatadaptatie 2019 2025 het doel te gesteld om in 2050 een duurzame en toekomstbestendige gemeente zijn. De gemeente Zuidplas wil echter verder kijken dan de energietransitie. Er wordt ook gekeken naar het veranderende klimaat en hoe gemeente Zuidplas een aantrekkelijke leefomgeving kan ontwikkelen en behouden. Het programma Duurzaamheid & 2025 bestaat uit de volgende thema's: Klimaatadaptatie 2019 —

—

Energie

warmte: het besparen van energie, het opwekken van hernieuwbare energie en de omgeving loskoppelen van aardgas. _Klimaatadaptatie: inrichten van de openbare ruimte om de gevolgen van klimaatverandering te beperken.

e

en

bebouwde e

Circulaire economie: het bestaande lineaire systeem omzetten naar een nieuw circulair systeem. Leefomgeving: de leefomgeving wordt vooral vorm gegeven in de inrichting van de fysieke (openbare) buitenruimte door beplanting en gebruik van materialen. Voor een gezonde leefomgeving

e e

is een

4.5.1

goede

kwaliteit van bodem,

Relatie tot de

lucht

en

water van

belang.

ontwikkeling

In het

landschappelijk ontwerp van onderhavige ontwikkeling is nadrukkelijk rekening gehouden met klimaatadaptatie. Zo is er sprake van de verbreding van bestaande watergangen en het creëren van nieuw wateroppervlak. In het kader van het thema leefomgeving is het van belang dat gewerkt wordt met natuurvriendelijke oevers en de landschappelijke inpassing van de te realiseren woning leidt tot de aanplant van meer groen. Het toe te voegen groen biedt niet alleen voedselvoorziening en nestgelegenheid voor diersoorten, maar biedt bijvoorbeeld ook beschutting. In het ontwerp van de woning is ten aanzien van het thema leefomgeving het materiaalgebruik van belang. Zo worden natuurlijke materialen toegepast, is de te realiseren woning voorzien van een rieten kap en wordt gewerkt met duurzaam isolatiemateriaal. Ook dient te worden opgemerkt het schone regenwater afgekoppeld is van de riolering. Het vuile water wordt via de riolering afgevoerd en het schone regenwater blijft binnen de projectlocatie. Verder wordt de woning energieneutraal en is er geen gasaansluiting. Er is een grondgebonden warmtepomp voorzien en energie zal worden opgewekt uit zonne-energie door gebruik te maken van PV-panelen.

4.5.2

Conclusie

Het aspect duurzaamheid vormt geen

4.6

EXTERNE

belemmering

voor

de

beoogde ontwikkeling.

VEILIGHEID

Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het

e

kader

aan

van

gevaarlijke

deze activiteiten

risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: voor

wettelijk

vervoer

het vervoer

voor

van

_ Plaatsgebonden

Mees

risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met risico plaatsgebonden (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats gevaarlijke moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een

Ruimte

& Milieu

(geanonimiseerd)

Pagina | 27

risicocontour rondom e

een

risicovolle activiteit, waarbinnen

geen kwetsbare

objecten (bijvoorbeeld

woningen) mogen liggen. _ Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de

kans op een ramp en het aantal mogelijke de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. slachtoffers

en

is een maatstaf

voor

Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het

risicoregister worden geraadpleegd. 4.6.1

Relatie tot de

ontwikkeling

Het

project betreft de vervangende nieuwbouw van de bestaande woning op een locatie elders binnen het perceel. Om de omliggende risicobronnen in kaart te brengen is de risicokaart Nederland geraadpleegd. In onderstaande figuur is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Figuur 10. Uitsnede risicokaart. Ontwikkellocatie: oranje ster (bron: atlasleefomgeving.nl) e

MT

Er

|

)

|

IH IJ \

Terreingrens

Â

Buisleiding

/ Basisnet weg / Basisnet water »® Basisnet Spoor / Onbekend type vervoer EJ Brandaandachtsgebied 1] Explosieaandachtsgebied (incl. vuurwerk en civiel) { Gifwolkaandachtsgebied

Op e e e e

de risicokaart is te zien dat: _Delocatie van het project niet De locatie van het project niet De locatie _Delocatie

van van

ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; het project wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabijgelegen transportroute; het project niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor transport van

gevaarlijke stoffen.

Mees

Ruimte

& Milieu

| rl (geanonimiseerd)

Pagina | 28

Risicobronnen Voor de beoordeling

gemaakt

van

overig

van de risico’s is de risicokaart geraadpleegd, zie figuur 10. Daarnaast is gebruik beschikbare informatie uit bestemmingsplannen en regelgeving.

Risicovolle Aan de 2e

inrichtingen Tochtweg zijn enkele inrichtingen gelegen met een risicocontour. De risicocontour is zeer beperkt (zie figuur 10). De ontwikkellocatie is op voldoende afstand gelegen van de inrichtingen, waardoor deze geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling. Transportroutes gevaarlijke stoffen De ontwikkellocatie ligt in het invloedsgebied van zowel het transport van gevaarlijke stoffen over de A20 als over het spoor. Om die reden is in de geldende bestemmingsplannen voor beide een gebiedsaanduiding opgenomen (zie ook paragraaf 2.4). Conform artikel 21.9 en 21.10 van de regels van het bestemmingsplan “Verzamelplan Zuidplas 2021” geldt dat binnen de gebiedsaanduidingen ‘veiligheidszone vervoer risicozone 1’ en ‘veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen risicozone 2’ gevaarlijke stoffen weg weg milieugevoelige nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten (zoals woningen) slechts mogen worden gerealiseerd na (het toetsen aan het plaatsgebonden risico en) het verantwoorden van het groepsrisico. Onderhavig project betreft de vervangende nieuwbouw van de bestaande woning op een locatie elders binnen het perceel, waardoor geen sprake is van het realiseren van een nieuw (beperkt) kwetsbaar object. —

—

—

—

—

—

Buisleidingen Op circa 270 meter afstand van de ontwikkellocatie ligt een buisleiding van de Gasunie. Het betreft een aardgasleiding met kenmerk A-803-01, een maximale werkdruk van 6620 kPA en een uitwendige diameter van 273 mm. De 1%-letaliteitscontour van een dergelijke buisleiding betreft 150 meter. De 100%letaliteitscontour bedraagt 70 meter. De ontwikkellocatie ligt buiten beide contouren. 4.6.2

Conclusie

Het aspect externe

4.7

veiligheid vormt geen belemmering

voor

de

beoogde ontwikkeling.

GELUID In het kader

van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:

woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen;

verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Mees

Ruimte

& Milieu

| (geanonimiseerd)

Pagina | 29

4.7.1

Relatie tot de

ontwikkeling

Het

project betreft de vervangende nieuwbouw van de bestaande woning op een locatie elders binnen het perceel. Wanneer geluidgevoelige gebouwen in het kader van de Wet geluidhinder, zoals woningen, worden gerealiseerd dient aangetoond te worden of een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. In de huidige situatie is reeds een plattelandswoning toegestaan en aanwezig. De vervangende nieuwbouw van de plattelandswoning resulteert niet in een nieuwe geluidgevoelige ontwikkeling, maar de vervangende woning wordt elders binnen het perceel teruggebouwd. Op een locatie waar de realisatie van een plattelandswoning volgens het geldende bestemmingsplan nog niet is toegestaan. TecMap heeft in dit een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hieronder worden de resultaten uit het akoestisch onderzoek samenvattend weergegeven. De beoogde woning is gelegen binnen de zone rekenresultaten en toetsing blijkt het volgende:

van

een

spoorlijn, een

weg

en

een

snelweg.

Uit de

De

geluidbelasting vanwege het railverkeer bedraagt maximaal 52 dB Lden. Omdat de geluidbelasting lager is dan de voorkeursgrenswaarde hoeft geen hogere waarde spoorweglawaai worden aangevraagd. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer over de A20 bedraagt maximaal 53 dB Lden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt met 5 dB overschreden maar de maximaal toelaatbare grenswaarde van 53 dB wordt gerespecteerd. Er dient een hogere waarde wegverkeerslawaai te worden aangevraagd. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer over de overige wegen bedraagt minder dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor deze wegen hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd. _De cumulatieve geluidbelasting bedraagt maximaal 57 dB op de noordwestgevel.

e

e

e

e

te

Voor de woning moet worden voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van de gevels. De grenswaarde van het geluidniveau in de geluidgevoelige ruimten van de nieuw te realiseren woningen mag daarbij maximaal 33 dB bedragen. Dit betekent dat de karakteristieke geluidwering tenminste 24 dB moet bedragen. Onder deze voorwaarden is ter hoogte van de nieuw te bouwen woning sprake van een goed woon- en leefklimaat. De oriëntatie van de woning en de geluidgevoelige vertrekken in de woning in combinatie met de voorziene bouwkundige opbouw is zodanig dat in de woon- en verblijfruimten het geluidniveau niet meer dan 33 dB bedraagt. In navolging op het hiervoor genoemde akoestisch onderzoek heeft Bartosz Ingenieursburo het ontwerp aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 getoetst die betrekking hebben op Bescherming tegen geluid van buiten. Hieruit

volgt dat met gangbare uitgangspunten wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit, bij een hoogste geluidbelasting van Lden 57 dB. De belangrijkste uitgangspunten zijn: Drievoudig glas met geluidsisolatie RA > 29,0 dB(A); Hellend dak met geluidsisolatie RA > 28,0 dB(A); Te openen ramen voorzien van goede kierdichting klasse 3, Rk Ducoline

17 ZR

en

Renson

=

35,0 dB(A);

ZZZ 214K ventilatieroosters.

Zoals reeds gemotiveerd kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en kan worden voldaan aan de gangbare uitgangspunten uit het Bouwbesluit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de geluidsbelasting beschouwd ter plaatse van tuin. Zodoende is beoordeeld in hoeverre de toekomstige bewoners kunnen beschikken over een buitenruimte waar ze, ondanks geluidsbelaste omgeving rustig kunnen verblijven. Uit het akoestisch onderzoek kan het volgende opgemaakt worden. Ter hoogte van een drietal rekenpunten, waar toegangen voorzien zijn tot de buitenruimte, bedraagt de geluidbelasting ter hoogte van deze rekenpunten maximaal 50 dB (na aftrek). Dit betekent dat de buitenruimte is gelegen aan die zijde van de

Mees

Ruimte

& Milieu

| (geanonimiseerd)

Pagina | 30

woning

waar de laagste geluidsbelasting ontstaat en de toekomstige bewoners gebruik kunnen maken van buitenruimte waar ze rustig kunnen verblijven. Aangezien de oriëntatie van de woningen en de geluidgevoelige vertrekken in de woning, in combinatie met de voorziene bouwkundige opbouw zodanig is dat in de woon- en verblijfruimen het geluidniveau niet meer dan 33 dB bedraagt en de toekomstige een

bewoners ter plaatse van de buitenruimte kunnen beschikken worden dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening.

4.7.2

over

een

rustige omgeving,

kan

geconcludeerd

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat met het treffen van gangbare uitgangspunten voldaan kan worden aan de eisen uit het Bouwbesluit en er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling die middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden.

4.8

LUCHTKWALITEIT In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM

Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. en

de

De definitie van ‘niet in betekenende mate! is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PMso. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m® (ug/m®). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate! de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: e

_ woningbouw:

e

1.500

woningen

netto

bij één

ontsluitende weg

wegen; _kantoorlocaties: 100.000 m?

brutovloeroppervlak bij één brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

en

3.000

woningen bij twee

ontsluitende weg

en

200.000

ontsluitende

m?

WHO advieswaarden en voorstel Europese Commissie Op 22 september 2021 heeft de World Health Organization (WHO) nieuwe advieswaarden voor de luchtkwaliteit uitgebracht. De nieuwe advieswaarden zijn voor de relevante stoffen lager dan de advieswaarden uit 2005. De WHO

heeft zich

gerealiseerd dat niet overal in de wereld de nieuwe advieswaarden direct kunnen worden stapsgewijze verbetering van de luchtkwaliteit mogelijk te maken, heeft de WHO ook een aantal ‘“interimdoelen’ geformuleerd. De Europese Commissie heeft het strengste interimdoel voorgesteld als nieuwe grenswaarden. gerealiseerd. Om

een

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen advieswaarden voor luchtkwaliteit.

Mees

Ruimte

& Milieu

| (geanonimiseerd)

van

de beschikbare

jaargemiddelde

grens-

en

Pagina | 31

Tabel 2.

Overzicht

advieswaarden luchtkwaliteit Grenswaarde in ug/m° Advieswaarde in

grens- en

ug/m?

_ Voorstel Europese _ Advieswaarde in ug/m?

(Wet milieubeheer)

(WHO 2005)

Stikstofdioxide

40

40

20

10

(NO2) Fijnstof (PM:o) Fijnstof (PM2,5)

40

20

20

15

25

10

10

5

4.8.1

Relatie tot de

Commissie

in

ug/m°

(WHO 2021)

ontwikkeling

Het

project betreft de vervangende nieuwbouw van de bestaande woning op een locatie elders binnen het perceel. Uit de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:156) volgt dat de luchtkwaliteitseisen ook voor plattelandswoningen gelden. Er wordt echter geen extra woning gerealiseerd. Daarnaast mag op basis van bovenstaande voorbeelden geconcludeerd worden dat het project zelf niet in betekenende mate bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van een specifieke locatie kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de locatie van het project. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 ug/m° voor stikstofdioxide NO2, 40

ug/m? voor fijnstof PM1o

en

25

ug/m?

voor

fijnstof PM2,s.

Onderstaande tabel toont de gecorrigeerde achtergrondconcentraties uit de plaatse van het rekenpunt het meest dichtbij de locatie van het project. Tabel 3.

_Gecorrigeerde achtergrondconcentraties NO2, PM:o

en

PM

25

ter plaatse van

monitoringsronde

de projectlocatie

2022 ter

(bron: cimlk.nl).

Achtergrondconcentratie 2020 2030 Grenswaarden

Wet milieubeheer

21,7 15,0

18,3 16,1

11,11 9,0 25

40

40

Advieswaarde WHO

10

(5

5)

Advieswaarde

20

20

10

(2021) Europese Commissie (2023)

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De advieswaarden van de WHO (2021) worden overschreden, maar er wordt voldaan aan de advieswaarde van de Europese Commissie (2023). Daarnaast voorziet de ontwikkeling in de vervangende nieuwbouw van de bestaande woning, niet in extra verkeer. Een overschrijding van de grenswaarden zal hierdoor niet plaatsvinden.

4.8.2

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen

49

belemmering

voor

de

beoogde ontwikkeling.

NATUUR Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren,

Mees

Ruimte

& Milieu

| (geanonimiseerd)

De

(trek)vogels, Pagina | 32

reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen.

Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

4.9.1

Relatie tot de

ontwikkeling

Soortenbescherming Het project betreft de vervangende nieuwbouw van de bestaande woning op een locatie elders binnen het perceel. In gevolge van de vervangende nieuwbouw vinden er sloop- en bouwwerkzaamheden plaats. In dit kader is een onderzoek gedaan naar soortenbescherming. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande figuren:

Mees

Ruimte

& Milieu

| (geanonimiseerd)

Pagina | 33

Figuur 11. Overzicht geschiktheid onderzoeklocatie

voor

soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

het verwijderen

van

nestgelegenheden

buiten het broedseizoen uitvoeren. dit in het broedseizoen een aan

broedvogelinspectie voorafgaande de werkzaamheden nodig

aanvullend onderzoek van

Vleermuizen

Indien

wordt gedaan is

huismus

aanvullend

en

naar

nestlocaties

gierzwaluw

onderzoek

naar

gewone

dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis

en

laatvlieger

voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar

beperking met betrekking tot verlichting

Grondgebonden zoogdieren

aandacht

voor zorgplicht ten aanzien algemeen voorkomende soorten

van

Amfibieën

aandacht

van

voor zorgplicht ten aanzien algemeen voorkomende soorten

Reptielen Wissen Libellen

en

vlinders

Overige ongewervelden Vaatplanten

Natuurnetwerk Nederland

Houtopstanden

In navolging

op het ecologisch onderzoek is door Bodem Na uur Consult een addendum geschreven. dit addendum zijn de conclusies uit de op he t plangebied uitgevoerde quickscan Aanleiding natuurwaarden (Ecoconsultancy, rapportnummer 24401.001, versie D3, van 3 september 2024), te weten: nader onderzoek uitvoeren naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen alvorens de bestaande woning te mogen slopen. Het nader onderzoek naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen is in de quickscan uit 2024 ondermeer gebaseerd op openingen in de nok- en kan pannen (beide zijden) en loodslabben nabij schoorsteen van de te slopen woning. Door ingenieursbureau Bodem Natuur Consult is op 28 januari 2025 voor

(tegen de middag, 2/3 CO bewolkt, druilerig, geen wind) door Hans Scheeringa een controlebezoek op het plangebied uitgevoerd. Hierbij is ondermeer gebruik gemaak van ladders (om onder andere op het dak te ‚

Mees

Ruimte

& Milieu | ERN (geanonimiseerd)

Pagina | 34

komen), endoscoop (RIDGID CA-350), zaklamp (Fenix), spiegeltje, fototoestel en een verrekijker. Tevens is het perceel van de buren (Grensweg 2) gecontroleerd/doorlopen op de aanwezigheid van huismussen. De resultaten uit het addendum zijn hieronder integraal opgenomen. Bevindingen

controlebezoek

Vanaf het maaiveld lijkt het inderdaad alsof er ruimte onder de koppannen aanwezig is. De koppannen (beide zijden van de woning) zijn echter dicht aan de onderzijde (grijze specie), hetgeen ook is geverifieerd door met de hand te “voelen” vanaf het dak. Ook zijn er geen openingen ruimten aanwezig onder de kantpannen (aan beide zijden van de woning), sterker nog de ruimte onder de kantpannen is dichtgezet met grijze specie. Figuur 13. Uitsnede addendum Bodem Natuur Consult (d.d. 10 februari 2025).

Figuur 14. Uitsnede addendum Bodem Natuur Consult (d.d. 10 februari 2025).

Ook

bij de diverse regenpijpen en de dakgoten zijn geen openingen aanwezig. Ook zijn er geen openingen aanwezig tussen de loodslabben en de dakpannen nabij de schoorsteen en de diverse pijpjes op het dak. Opgemerkt wordt dat het perceel nabij de buren (Grensweg 2) wel diverse vogelnestkasten aanwezig zijn (waarvan één ook geschikt lijkt te zijn voor de huismus. Tevens zijn hier diverse dichte struiken, coniferen/heggen, grasvelden, tuin en braambulten aanwezig (o.a. nabij de voormalige mestsilo). De te slopen woning aan de Grensweg 3 heeft geen essentiële functies voor het leefgebied van de huismussen, welke wel aanwezig zijn op het naastgelegen perceel aan de Grensweg 2. Op basis van het controlebezoek wordt gesteld dat de te slopen woning aan de Grensweg 3 geen geschikte (invlieg)openingen heeft voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien en/of gehoord en zijn er geen oude nesten en/of sporen ervan waargenomen aan/in de te slopen woning. Er worden dus geen negatieve effecten verwacht door de sloop van de woning, zodat geen nader onderzoek naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen noodzakelijk is Gebiedsbescherming De projectlocatie is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), inclusief de zogenaamde verbindingszones die de verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden.

Op een afstand van ruim 100 meter van de ontwikkellocatie is het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Dit betreft een ecologische verbindingszone. Vanwege de afstand tot de ontwikkellocatie kunnen eventuele negatieve effecten op het NNN worden uitgesloten.

Mees

Ruimte

& Milieu

(geanonimiseerd)

Pagina | 35

De

projectlocatie maakt eveneens geen deel uit van Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is gelegen op een afstand van circa 9 km. Dit betreft het Vogelrichtlijngebied “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein”. Het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijngebied ligt op circa 16 km afstand. Dit betreft “Nieuwkoopse Plassen & De Haeck”. Door middel

stikstofdepositie berekening dient aangetoond te worden of sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Wanneer sprake is van stikstofdepositie is het beoogd initiatief niet zonder meer uitvoerbaar onder de Wet natuurbescherming. Uit de berekening van stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase (zie bijlage) blijkt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. 4.9.2

van

een

Conclusie

Op grond

van de quickscan natuurwaarden het aspect natuur geen belemmering vormt

4.10

ONTPLOFBARE

en

de

voor

stikstofdepositieberekening beoogde ontwikkeling.

kan

geconcludeerd

worden dat

de

OORLOGSRESTEN

Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers

4.10.1

en

de

openbare orde

Relatie tot de

en

veiligheid kunnen

vormen.

ontwikkeling

Op basis van de informatie van de VEO Bommenkaart blijkt dat op de locatie een vooronderzoek is uitgevoerd naar ontplofbare oorlogsresten (in 2014 door T&A Survey). Dit betreft een historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Op de bijbehorende bodembelastingkaart is voor het gehele onderzoeksgebied aangegeven of de locatie verdacht is op de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven. Hieruit blijkt dat de ontwikkellocatie onverdacht is voor mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven. 4.10.2

Conclusie

Het aspect

ontplofbare oorlogsresten

VERKEER

EN

vormt geen

belemmering

voor

de

beoogde ontwikkeling.

PARKEREN

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. In paragraaf 2.4 is reeds verwezen naar de “Parapluherziening Parkeren”. geborgd dat getoetst dient te worden aan het gemeentelijk parkeerbeleid, (vastgesteld op 5 november 2019).

4.11.1

Relatie tot de

Parkeren vindt in zowel de

In dit paraplubestemmingsplan is de ‘Nota Parkeernormen 2019’

ontwikkeling huidige als toekomstige

situatie

plaats op het eigen terrein.

Er is voldoende

parkeerruimte aanwezig. De in de bestaande situatie is de plattelandswoning ontsloten via een in-/uitrit aan de Grensweg. Dit blijft in de toekomstige situatie ook het geval al wordt de in-/uitrit verplaatst. Via de Grensweg en de Zuidplasweg is de ontwikkellocatie aangesloten op de N219, vanwaar de A20 te bereiken is.

Mees

Ruimte

& Milieu

(geanonimiseerd) GR

Pagina | 36

In de bestaande situatie wordt de verkeersaantrekkende werking bepaald door een plattelandswoning. In de toekomstige situatie verandert deze situatie niet. Het aantal verkeersbewegingen naar de ontwikkellocatie zal door onderhavige ontwikkeling niet toenemen.

4.11.2

Conclusie

Het aspect verkeer

4,12

en

parkeren

vormt geen

belemmering

voor

de

beoogde ontwikkeling.

WATER

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Waterbeheerder De ontwikkellocatie

ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard hanteert voor de ontwerp en inrichting van een gebied een aantal algemene uitgangspunten. Zo moet worden zorg gedragen dat: 1.

5.

de veiligheid tegen overstromingen gegarandeerd blijft; het watersysteem duurzaam voldoet aan de normen voor berging, aan- en afvoer (wateropgave). Bij een verhardingstoename van >500 m? dient een watercompensatie plaats te vinden. Indien bestaand water gedempt wordt, dient deze oppervlakte één op één gecompenseerd te worden. Als deze waterberging ter plaatse niet te realiseren is, dient dit elders binnen het zelfde peilgebied, zo dicht mogelijk bij de locatie gecompenseerd te worden; de waterkwaliteit niet achteruitgaat dan wel kan verbeteren; het beheer en het onderhoud van het watersysteem, de waterkeringen en de wegen op een verantwoorde en efficiënte wijze mogelijk zijn; negatieve effecten zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien noodzakelijk worden mitigerende en

6.

compenserende maatregelen genomen; er geen afwenteling plaatsvindt van negatieve

2.

3. 4.

4.12.1

Relatie tot de

effecten.

ontwikkeling

Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 6 oktober 2023 een watervergunning afgegeven. De vergunning met documentnummer D2023-09-002126 geeft de watervergunning voor het aanbrengen en hebben van verhard oppervlak en het met elkaar in verbinding te brengen van oppervlaktewaterlichamen op de ontwikkellocatie.

Onderhavige ontwikkeling leidt tot extra verhard oppervlak. Dit wordt op het perceel ruimschoots gecompenseerd door het graven van extra water. In de voorwaarden bij de vergunning is onder andere opgenomen dat het verhard oppervlak op de locatie mag niet meer bedragen dan 2.430 m? en dat ter compensatie van het verminderen van het bergingsvolume als gevolg van de toename van het verharde oppervlak vooraf de vervangende waterberging moet worden gegraven tot een oppervlak van minimaal 45,1 m?. Ten aanzien van de waterkwaliteit leidt de beoogde ontwikkeling naar verwachting niet tot een slechtere waterkwaliteit. Dit komt omdat er meer water wordt gegraven en de watergangen worden voorzien van natuurvriendelijke oevers. De watergangen worden daarnaast zo gedimensioneerd dat er geen opbarsting van de bodem te verwachten is.

Mees

Ruimte

& Milieu

(geanonimiseerd)

Pagina | 37

Voor het graven

overig water, het aanleggen van een dam met duikers en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, is geen watervergunning benodigd. Deze werkzaamheden dienen volgens zogenaamde ‘Algemene regels’ te worden uitgevoerd.

4.12.2

van

Conclusie

Het aspect water vormt geen

4.13

TOETS

de

belemmering

voor

STEDELIJKE ONTWIKKELING

de

beoogde ontwikkeling.

BESLUIT M.E.R.

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een mer. beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor alle activiteiten die op de

D-lijst staan geldt bovendien

bevoegd gezag een nemen. Hiertoe dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Voor voorliggend project geldt echter dat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is, omdat de vervangende nieuwbouw van een plattelandswoning niet op de C of D lijst vermeld staat. De beoogde ontwikkeling betreft vervangende nieuwbouw van een plattelandswoning aan de Grensweg 3 te Nieuwerkerk aan den IJssel. De verouderde woning wordt vervangen voor een woning die weer aan de eisen van de huidige tijd voldoet. De positionering van de woning wijzigt daarbij. De bestaande woning is gepositioneerd in de oostelijke hoek van de projectlocatie op relatief korte afstand van de Grensweg. De nieuwe woning wordt meer centraal op het perceel gesitueerd en op iets ruimere afstand van de weg. Aangezien het vervangende nieuwbouw betreft, wijzigt in de toekomstige situatie de verkeersgeneratie niet. Het aantal verkeersbewegingen naar de ontwikkellocatie zal door onderhavige ontwikkeling niet toenemen, omdat er geen sprake is van een oevoeging. Naast vervangende nieuwbouw wordt het bestaande (als agrarisch bestemde perceel) deels omgevormd tot tuin en wordt nieuw oppervlaktewater gegraven om het perceel. Minimaal één derde van het perceel wordt in gebruik genomen als nieuwe natuur.

De bestaande wateroppervlakte, bestaande uit twee watergangen aan de langszijden van de projectlocatie, wordt uitgebreid met een nieuw wateroppervlak van circa 2.920 m?. Een dergelijke herinrichting van de projectlocatie heeft een onvoldoende substantieel arakter om aangemerkt te kunnen worden als een landinrichtingsproject uit het Besluit m.e.r. (categorie D9). Aangezien er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject noch landinrichtingsproject geldt geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. moet

Mees

Ruimte

& Milieu

(geanonimiseerd)

sinds 16 mei 2017 dat het

aanmeldnotitie te worden

Pagina | 38

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID 5.1

ECONOMISCHE

UITVOERBAARHEID

De initiatiefnemer

draagt de kosten voor de uitvoering van het project, het project wordt economisch geacht. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. De noodzakelijke kosten van de gemeenten worden gedekt door legesopbrengsten. Dit project is hiermee uitvoerbaar

financieel uitvoerbaar.

5.2

MAATCHAPPELIJKE

UITVOERBAARHEID

Maatschappelijk draagvlak

5.2.1

PM informeren omwonenden

5.2.2 PM

Vooroverleg

vooroverleg met bestuurlijke partners

5.2.3

Procedure

Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor eenieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes wegen ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank daarna de Raad van State open.

Mees

Ruimte

& Milieu

(geanonimiseerd)

en

Pagina | 39

CONCLUSIE

RUIMTELIJKE

FUNCTIONELE

EN

INPASBAARHEID

De initiatiefnemer heeft als doel de vervangende nieuwbouw van de bestaande plattelandswoning op een locatie elders binnen het perceel. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. In deze rapportage is de ontwikkeling aan de Grensweg 3 te Nieuwerkerk aan den IJssel gemotiveerd aan relevante beleidskaders. Tevens is de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees

Ruimte

& Milieu

| (geanonimiseerd)

Pagina | 40

BIJLAGE Verkennend

Grensweg Arnicon

Mees

1. bodemonderzoek

3 te Nieuwerkerk

B.V, d.d. 9 augustus 2021

Ruimte

& Milieu

| (geanonimiseerd)

ter

aan

plaatse den IJssel

van

de

BIJLAGE

2.

Akoestisch

onderzoek

den

en

aan

IJssel

TecMaP, d.d. 27 december 2023 Bartosz. d.d. 5 februari 2024

Mees

Ruimte

& Milieu

| (geanonimiseerd)

toets

Grensweg

3 te Nieuwerkerk

Bouwbesluit

BIJLAGE

3.

Ecologische quickscan

Mees

Ruimte

& Milieu

(geanonimiseerd)

BIJLAGE

4.

Stikstofdepositie aan

den

IJssel

De Roever

Omgevingsadvies,

Mees

& Milieu

Ruimte

onderzoek

d.d. 8 december 2023

| (geanonimiseerd)

Grensweg

3 Nieuwerkerk

Toelichting grondslagen In dit document kunt u secties vinden die onleesbaar zijn gemaakt. Deze informatie is achterwege gelaten op basis van de Wet open overheid (Woo). De letter die hierbij is vermeld correspondeert met de bijbehorende grondslag in onderstaand overzicht.

J Art. 5.1 lid 2 sub e Het belang van de openbaarmaking van deze informatie weegt niet op tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16477422/1