CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Markup-versie - Bestemmingsplan ’t Verlaat en Leliestraat Toelichting GEWIJZIGD A23.001615

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 't Verlaat en Leliestraat26.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

Alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Om de risico's van klimaatverandering in het plangebied in kaart te brengen is de klimaatatlas van ZuidHolland geraadpleegd. Wateroverlast door overvloedige neerslag Uit raadpleging van deze klimaatatlas blijkt dat in de huidige situatie op veel plaatsen sprake is van een waterdiepte van meer dan 20 cm bij extreme neerslag. Hiernaast wordt er ook verwacht dat in de toekomst er een significante kans dat er grondwateroverlast zal optreden. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt

24

het gehele gebied herontwikkeld en daarmee ook de waterhuishouding verbeterd. Er zal sprake zijn van voldoende mogelijkheden om het regenwater op te vangen bij zware weersomstandigheden. Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat ter plaatse van het plangebied een zeer kleine kans (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar) op overstromingen bestaat. Bij een overstroming van de regionale keringen bedraagt de waterdiepte ca. 0 - 1 m. Bij een overstroming van de primaire kering bedraagt de waterdiepte ca. 2 - 5 m. Gezien de geringe kans op een overstroming worden maatregelen niet noodzakelijk geacht. Hitte In de klimaatatlas wordt aangegeven dat het in delen van het plangebied koeler en aanzienlijk warmer is dan in de omgeving. Dit komt door de afwisselingis als direct gevolg van sportvelden en gebouwen.de huidige mix van bebouwing en groen binnen het stedelijk gebied van Zevenhuizen. In de toekomstigehuidige situatie is er veel groen en water aanwezig, dit komt het voorkomen van hittestress ten goedepiekt het gevolg van het Stedelijk hitte eiland effect (UHI) tot en met 1,4 °C. Verwacht wordt dat het voorliggende plan de UHI situatie zal verbeteren door middel van het introduceren van meer oppervlaktewater waardoor het UHI-effect teruggebracht kan worden. Er worden geen belemmeringen verwacht vanuit hittestress. Droogte Vanuit droogte worden geen belemmeringen verwacht.

De grondwaterstand is vergelijkbaar met de omgeving en er zal voldoende waterinfiltratie mogelijk gemaakt worden. Bodemdaling Er wordt in beginsel uitgegaan dat er sprake zal zijn van beperkte bodemdaling (<10 cm) binnen het plangebied. Tijdens de exacte uitwerking van het voorliggende plan zal hiermee rekening mee gehouden worden. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Zuidplas De gemeenteraad van de gemeente Zuidplas heeft op 13 juli 2021 de 'Omgevingsvisie Zuidplas' vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de ambities voor de lange termijn, tot 2040. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De fysieke leefomgeving gaat over bijna alles buiten, dus: gebouwen, bodem, water, natuur, lucht, maar ook wegen en duurzame opwek van energie. In de omgevingsvisie staan de volgende ambities centraal:

•

Aantrekkelijk Zuidplas: Ingezet wordt op het bouwen van inbreidingslocaties binnen de dorpen. Daarnaast wordt ingezet op aanpassingen van de bestaande woningvoorraad. Als dorpen in Zuidplas uit willen breiden kan dat, maar alleen als een bijdrage wordt geleverd aan hogere doelen.

•

Duurzaam Zuidplas: Nieuwe ontwikkelingen zijn zoveel mogelijk energieneutraal. Voor bestaande gebouwen wordt ook hierop ingezet, hoewel dit niet overal haalbaar zal zijn. Naast de energiedoelstellingen wordt gewerkt aan een klimaatbestendige omgeving. Klimaatadaptatie, onder andere het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast, heeft daarbij nadrukkelijk aandacht.

•

Ondernemend Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een aantrekkelijk gemeente zijn voor ondernemers en ervoor zorgen dat er voldoende eigen werkgelegenheid is. Een gemeente met een aantrekkelijk vestigingsklimaat en belangrijke speler in de regio.

25

•

Gezond Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn. Een gemeente met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van onze inwoners.

De omgevingsvisie is uitgewerkt in een visie per dorp. Hierin is aangegeven hoe een aantrekkelijk, duurzaam, ondernemend en gezond Zuidplas eruitziet per dorp. De omgevingsvisie geeft per thema, voor heel Zuidplas en per deelgebied en per dorp ambities, opgaven, kansen en te maken keuzes weer. Planspecifiek Voor de gemeente Zuidplas geldt dat er voor de positionering van de dorpen primair ingezet wordt op het realiseren van inbreidingslocaties binnen de bestaande dorpen. Daarbij wordt ingezet op een divers, betaalbaar en flexibel woningaanbod. De beoogde herontwikkeling vindt plaats binnen het bebouwd gebied van Zevenhuizen. Er worden in totaal 235 wooneenheden, 84 zorgwoningen en 40 aanleunappartementen mogelijk gemaakt, bestaande uit verschillende woningtypen. Naast duurdere twee-onder-één-kapwoningen, rijwoningen en appartementen worden er middeldure rijwoningen en appartementen voor de midden- en sociale huur gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten op de ambitie van de gemeente om een divers, betaalbaar en flexibel woningaanbod te realiseren. Nieuwe ontwikkelingen zijn zoveel als mogelijk energieneutraal. Om dit mogelijk te maken moet energie opwek integraal onderdeel zijn van het plan. Naast de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn, wordt er door de gemeente ook ingezet op het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast.

De woningen die met het voorliggende plan worden gerealiseerd dienen te voldoen aan de BENG-normen. Ze worden gasloos uitgevoerd en voorzien van duurzame installaties en een goede isolatie. Op het gebied van klimaatadaptatie wordt rekening gehouden met de afvoer en het opvangen van regenwater. Bestaande watergangen blijven behouden en waar nodig worden deze verbreed en worden nieuwe watergangen toegevoegd. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het beoogde initiatief voor de herontwikkeling van sportpark Van 't Verlaat en de huidige locatie van woonzorgcentrum De Zevenster naar woningbouw en een woonzorgcentrum in lijn is met de ambities van de Omgevingsvisie Zuidplas.

3.3.2 Woonvisie 2025 De 'Woonvisie 2025 - Dorps wonen in Zuidplas, nu en in de toekomst' is op 23 januari 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. In de woonvisie wordt een doorkijk naar het wonen in Zuidplas rond het jaar 2025 gegeven en is richtinggevend van karakter. De woonvisie is tevens het programmatische toetsingskader voor nieuwbouwlocaties. In de woonvisie wordt gekozen voor de volgende strategie:

• • • • •

Sociale huursector op peil. Identiteit vasthouden. Langer thuis wonen. Duurzaam wonen en leven. Innovatieve woonvormen.

Om de visie te realiseren zijn de stappen verwoord in drie speerpunten: 1. 2. 3.

Een divers en betaalbaar woningaanbod voor alle doelgroepen. Duurzaam wonen. Experimenten in wonen en ontmoeten.

Met het eerste speerpunt wordt de visie van een evenwichtige bevolkingsopbouw verwezenlijkt. De andere twee dragen bij aan het realiseren van dat divers en betaalbaar woningaanbod. Woningbouwopgave Zuidplas bouwt volop nieuwe woningen om bij te dragen aan de woningbouwopgave in de Zuidvleugel. Uit onderzoek blijkt dat de vraag naar diverse woningtypen toeneemt. In de woonvisie staan uitgangspunten

26

voor de omvang van de diverse woon- en prijssegmenten die in Zuidplas nodig zijn. Deze uitgangspunten voor de woningvoorraad die in de Woonvisie staan, bieden houvast in de onderhandelingen over nieuwbouw met projectontwikkelaars en woningcorporaties. In de woonvisie staat geen woningverdeling per dorp. Nieuwbouwontwikkeling is maatwerk en daarom komen er randvoorwaarden voor elk nieuwbouwproject. Daarin wordt op basis van de locatie (het dorp), de marktomstandigheden en de grootte van het project aangegeven hoeveel woningen van welk type, prijsklasse, eigendomsverhoudingen (huur of koop) en kwaliteitsniveau gewenst zijn. Planspecifiek Voor de periode tot 2030 is er een behoefte aan 3.250 nieuwe woningen in de gemeente Zuidplas. Van deze woningen is er een behoefte aan 70% koopwoningen, 27% sociale huurwoningen en 3% middenhuur woningen. Met het voorliggende plan worden 235 woningen en 84 zorgwoningen en 40 aanleunappartementen mogelijk gemaakt, bestaande uit verschillende woningtypen. Naast duurdere tweeonder-één-kapwoningen, rijwoningen en appartementen worden er rijwoningen en appartementen en woonruimte voor een woongroep voor ouderen in de midden- en sociale huur gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten op de behoefte aan koopwoningen, sociale huurwoningen en middenhuur woningen. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling past binnen de kaders van de Woonvisie 2025.

Met het plan wordt een bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave binnen de gemeente Zuidplas.

3.3.3 Programma Duurzaamheid en Klimaatadaptatie De gemeente Zuidplas heeft in het programma Duurzaamheid & Klimaatadaptatie 2019 – 2025 het doel gesteld om in 2050 een duurzame en toekomstbestendige gemeente te zijn. De gemeente Zuidplas wil echter verder kijken dan de energietransitie. Er wordt ook gekeken naar het veranderende klimaat en hoe gemeente Zuidplas een aantrekkelijke leefomgeving kan ontwikkelen en behouden. Het programma Duurzaamheid & Klimaatadaptatie 2019 – 2025 bestaat uit de volgende thema’s:

• • • •

Energie en warmte: het besparen van energie, het opwekken van hernieuwbare energie en de bebouwde omgeving loskoppelen van aardgas. Klimaatadaptatie: inrichten van de openbare ruimte om de gevolgen van klimaatverandering te beperken. Circulaire economie: Het bestaande lineaire systeem omzetten naar een nieuw circulair systeem. Leefomgeving: De leefomgeving wordt vooral vorm gegeven in de inrichting van de fysieke (openbare) buitenruimte door beplanting en gebruik van materialen. Voor een gezonde leefomgeving is een goede kwaliteit van bodem, lucht en water van belang.

Planspecifiek De gemeente Zuidplas streeft naar duurzame ontwikkelingen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal worden aangesloten bij dit streven, waarbij voldaan dient te worden aan de normen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De woningen worden dan ook gasloos uitgevoerd en voorzien van duurzame installaties en een goede isolatie. Daarnaast wordt het plangebied klimaatadaptief ingericht. Er zal sprake zijn van voldoende mogelijkheden om het regenwater op te vangen bij zware weersomstandigheden. De watergangen rond het plangebied blijven behouden en worden verbreed en aanzienlijk uitgebreid. Gesteld kan worden dat het plan in lijn is met de ambities op het gebied van duurzaamheid van de gemeente Zuidplas.

3.3.4 Welstandsnota Zuidplas 2015 De welstandsnota is, kort gezegd, het beleidsdocument dat moet voorzien in de criteria die burgemeester en wethouders hanteren bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning op welstandsvereisten. Middels de Welstandsnota Zuidplas 2015 geeft de gemeente Zuidplas aan hoe de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd. De gemeente hanteert het principe 'welstandsvrij, tenzij...'. Dat betekent dat de gemeente in principe welstandsvrij is. Uitzondering daarop zijn kwetsbare gebieden.

27

Met de invoering van de Omgevingswet verdwijnt de term 'welstand'. Daarom heeft de gemeente Zuidplas als opvolger de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas in de maak. Hierin wordt aangegeven hoe de gemeente Zuidplas met omgevingskwaliteit om wil gaan. Er worden vier regieniveaus onderscheiden: minimaal (ca. gelijk aan welstandsvrij), basisregie, maatwerkregie (ca. gelijk aan zwaar regime) en eigen regie (ca. gelijk aan beeldkwaliteitplan). Planspecifiek Uit het raadplegen van de welstandskaart van de gemeente Zuidplas blijkt dat de planlocatie in een gebied ligt met het welstandsniveau 'vrij'. In de basis is Zuidplas welstandsvrij. Wel dient voor diverse nieuwe projecten een beeldkwaliteitdocument opgesteld te worden die de beoogde kwaliteit voor een nieuwe ontwikkeling borgt. Met het voorliggende plan worden er op een relatief grote planlocatie nieuwe woningen gerealiseerd. Hiervoor is dan ook een beeldkwaliteitsplan opgesteld, in samenhang met het stedenbouwkundige plan, dat in toelichting paragraaf 2.3 is behandeld. Het beeldkwaliteitsplan wordt parallel aan het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning zal de aanvraag getoetst worden aan het beeldkwaliteitsplan. Dit gebeurt hoofdzakelijk door de welstandscommissie. Tevens wordt een Qteam ingesteld om de kwaliteit te bewaken.

Middels een voorwaardelijke verplichting is het beeldkwaliteitsplan geborgd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan (artikel 10 lid 3).

28

hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

•

De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Het bestemmingsplan bevat een activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D.11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen', (drempelwaarde: een aangesloten gebied dat 2.000 woningen of meer omvat) van het Besluit milieueffectrapportage.

29

Met de voorgenomen ontwikkeling worden 235 nieuwe woningen gerealiseerd. Tevens zal woonzorgcentrum De Zevenster een nieuwe locatie krijgen binnen het plangebied. Het bestaande aantal woonzorgeenheden zal behouden blijven. Voorliggend plan valt onder sub c: het plan wordt wel genoemd maar voldoet niet aan de drempelwaarde van 2.000 woningen of meer. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met het voorliggende plan wordt de bestemming van het plangebied gewijzigd. Om die reden is in juni 2021 door Inventerra een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2a. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn hypotheses opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem.

De onderzoekslocatie is verdacht voor het voorkomen van een mogelijke bodemverontreiniging onder de aanwezige asfaltverhardingen, een deel van de klinkerverhardingen en ter plaatse van de slootdempingen. Het overige deel van de onderzoekslocatie wordt als onverdacht beschouwd. Opgemerkt wordt dat we er vooralsnog niet van uitgaan dat op de kunstgrasvelden rubberkorrels zijn gebruikt. Hiervan is namelijk bekend dat deze tot verontreiniging kunnen leiden van het grondwater met enkele zware metalen en PAK. Voor de zekerheid wordt geadviseerd om bij het uit te voeren verkennend bodemonderzoek het grondwateronderzoek ter plaatse en rond de voetbalvelden uit te breiden met PAKanalyses. Om te bepalen of de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoet aan de eisen voor het beoogde gebruik (wonen) is een verkennend bodemonderzoek nodig. Verkennend bodemonderzoek Voor de locatie aan de Leliestraat is onderzoek uitgevoerd door Inventerra: 'Verkennend bodemonderzoek Leliestraat 3-37 Zevenhuizen', d.d. 16 september 2021: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2b. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk 'verdacht voor verontreiniging' ter plaatse van de vetafscheider en de gedempte sloten en ‘niet verdacht voor verontreiniging’ voor het overige terrein.

30

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

•

Bij de vetafscheider is in de grond geen verontreiniging met minerale olie en is in het grondwater geen vet en minerale olie aangetoond.

•

Ter plaatse van de dempingen zijn geen zintuiglijke aanwijzingen waargenomen die kunnen duiden op dempingsmateriaal. In de geanalyseerde grondmonsters zijn geen verontreinigingen aangetoond.

• •

In de bovengrond en ondergrond op het overige terrein zijn geen verontreinigingen vastgesteld. In het grondwater bij de vetafscheider is een licht verhoogde concentratie met barium gemeten. In het grondwater centraal op het terrein zijn licht verhoogde concentraties zink, molybdeen en barium gemeten.

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ ter plaatse van de vetafscheider en slootdempingen verworpen te worden aangezien geen hier aan gerelateerde verontreinigingen zijn aangetoond. De hypothese ‘niet verdacht voor verontreiniging’ voor het overige terrein dient formeel gesproken verworpen te worden wegens de licht verhoogde concentraties van enkele zware metalen in het grondwater. Aanvullend bodemonderzoek Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is voor de planlocatie ter plaatse van de sportvelden een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd door Inventerra: 'Aanvullend bodemonderzoek Sportvelden te Zevenhuizen', d.d. 19 november 2021: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2c. Uit het aanvullende bodemonderzoek blijkt dat in de monsters van de kleilaag onder het repac van het parkeerterrein geen verontreinigingen met nikkel meer zijn vastgesteld. De eerder aangetoonde sterke verontreiniging is niet meer aangetoond. Vermoedelijk is het gehalte tijdens het verkennend onderzoek veroorzaakt door een nikkelhoudend deeltje. In het grondwater is tijdens het verkennend bodemonderzoek een sterke verontreiniging met minerale olie, een matige verontreiniging met nikkel en lichte verontreinigingen met diverse zware metalen, xylenen en naftaleen geconstateerd. Een oorzaak hiervoor was niet bekend.

Bij het aanvullend onderzoek is naast de peilbuis een nieuwe boring verricht. Hierbij werd aan de grond (traject 1,0 – 2,0 m-mv) een zwakke oliewaterreactie waargenomen. Bij analyse van de grond is echter geen verontreiniging met minerale olie of vluchtige aromaten vastgesteld. Ook is geen vluchtige olie aangetoond. In het grondwater (na extra goed schoonspoelen) zijn eveneens geen verontreinigingen meer aangetoond. De licht verhoogde concentratie barium wordt als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde beschouwd. Een exacte oorzaak voor de eerder aangetoonde verontreiniging in het grondwater is niet bekend. Niet uit te sluiten valt dat tijdens de uitvoering van het verkennend onderzoek iets in de peilbuis terecht is gekomen tussen de plaatsing van de peilbuis en de grondwaterbemonstering. Na de verstreken tijd tussen het verkennend en aanvullend onderzoek en door het schoonspoelen zijn de eerder aangetoonde verontreinigingen (behalve een zwakke olie-waterreactie aan de grond) niet meer aangetroffen. Conclusie Op grond van de resultaten van verkennend en aanvullend bodemonderzoek wordt er geconcludeerd dat er geen belemmering is voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling. Het plangebied is geschikt voor het huidige en toekomstige gebruik.

31

4.3 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van woningen. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. De omgeving van het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een mix van functies, zoals wonen, sport, maatschappelijk. Met de voorgenomen ontwikkeling zal de sportfunctie worden weggenomen. De maatschappelijke functie zal echter behouden blijven binnen het plangebied. Ten noordoosten van het plangebied zijn bedrijfsactiviteiten van ten hoogste categorie 2 en 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. In aanvulling hierop is een bedrijf met SBI-code 281.1, uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Een bedrijf met SBI-code 281.1 betreft een constructiewerkplaats met gesloten gebouw. De maatgevende afstand is in dit verband geluid.

Als in de directe sprake is van een menging van woningen, bedrijvigheid en maatschappelijke functies, dan is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. In dat geval reden kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. In andere gevallen wordt gesproken van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

32

In de navolgende tabel staat een overzicht van de milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied weergegeven. Hierbij wordt uitgegaan van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Adres

Milieucategorie (maximaal toegestaan)

Richtafstand

Voldoet

100 m

Minimale afstand tot de woningen (m) 50 m

Knibbelweg 18a/ Noordelijke Dwarsweg 49b Knibbelweg 18b Knibbelweg 18c Knibbelweg 17a Knibbelweg 17b en Knibbelweg 11 Noordelijke Dwarsweg 49a Noordelijke Dwarsweg 51 Noordelijke Dwarsweg 80

SBI-code 281.1 (categorie 3.2) 3.1 3.1 2 2

50 m 50 m 30 m 30 m

50 m 50 m 50 m 40

ja ja ja ja

2 2 2

30 m 30 m 30 m

50 m 110 m 100 m

ja ja ja

nee

Bedrijfsbestemming hoek Knibbelweg 18 en Noordelijke Dwarsweg 49-51 Geluid Aanvankelijk heeft de gemeente Zuidplas heeft de ODMH gevraagd naar de haalbaarheid van woningbouw in het plangebied in relatie tot de bedrijvenbestemming op de hoek Knibbelweg 18 en Noordelijke Dwarsweg 49-51. Dit heeft geresulteerd in Omgevingsdienst Midden-Holland een geluidsonderzoek d.d. 2602-2021 : zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3a. Dit geluidsonderzoek is uitgevoerd, op basis van de systematiek van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, naar aanleiding van het ingestelde beroep, is een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd door Aveco de Bondt (rapport d.d. 10 oktober 2023, zie bijlagen bij de regels bijlage 3). Hierbij is in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing onderzocht of er enerzijds geen sprake is van belemmering van de bedrijfsvoering van bedrijven en anderzijds of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat bij een realistische invulling van de bedrijvenbestemming de afstand tussen de voorgenomen woningbouw en de terreingrens van de bedrijfsbestemming minimaal 25 m moet , om te borgen dat de nieuwe woningen in het onderhavige plangebied het bedrijf niet beperken in de bedrijfsvoering, een geluidscherm met een hoogte van 2 meter aangelegd dient te worden aangehouden. Door de nieuwe woningen ontstaat voor de bedrijven enkel een beperking om laad- en losactiviteiten voor 07.00 uur uit te voeren. Omdat het voor veel bedrijven niet noodzakelijk is om voor 7.00 uur laad- en losactiviteiten uit te voeren lijkt dit een acceptabele beperking, aldus het advies van ODMH.langs het zuidwestelijke buitenterrein.

33

Situering geluidscherm (blauwe lijn) langs het zuidwestelijke buitenterrein (bron: Akoestisch onderzoek Aveco de Bondt, d.d. 10-10-2023)

Het betreffende geluidscherm is op de verbeelding opgenomen middels de functieaanduiding 'geluidscherm'. Het geluidscherm is juridisch geborgd in de vorm van een 'Voorwaardelijke verplichting geluidscherm', waarin bepaald is dat de woningen binnen een straal van 100m gemeten vanaf het bestemmingsvlak, waarop ingevolge het bestemmingsplan "Zevenhuizen Dorp" de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 1" rust, pas in gebruik mogen worden genomen worden, als voorzien is in een geluidscherm overeenkomstig het uitgevoerde akoestische onderzoek. Ook zijn de binnenwaarden van de nieuwe woningen geborgd op basis van de minimale geluidwering eisen uit het Bouwbesluit, waardoor er op voorhand kan redelijkerwijs van uit kan worden gegaan dat een ontheffing voor het maximale geluidniveau van 64 dB(A) in de nachtperiode stand zal houden in een beroepsprocedure, door het toestaan van een maatwerkvoorschrift. Op deze wijze is aangetoond dat er bij de op de gevels van de nieuwe woningen, op de grens van de maximale uitbouwmogelijkheden en in de buitenruimte, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geur, gevaar en stof In aanvulling hierop gaat ODMHde Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) in een aparte memo in op de overige hinderaspecten: geur, gevaar en stof (memo d.d.

6 september 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlagen bij toelichting bijlage 3b. 'MEMO B&M Sportpark Van 't Verlaat 01-04-2021'. Om te kunnen spreken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, worden in 3). Op basis van de systematiek van de VNGpublicatie Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ ookgelden voor de hinderaspecten geluid, stof, gevaar en geur genoemd als mogelijk hinderaspect genoemd waar richtafstanden voor gelden:tussen milieugevoelige functies (zoals woningen) en milieubelastende functies (zoals bedrijven). Wanneer de feitelijke afstand groter is dan de richtafstand, dan kan in het algemeen worden gesteld dat derden niet worden belemmerd en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor de gehele bedrijfslocatie geldt voor wat betreft de hinderaspecten geur, gevaar en stof een richtafstand van 50 meter. Hieronder wordt nader ingegaan op deze hinderaspecten. - Stof Dit hinderaspect speelt een rol wanneer bedrijven grote hoeveelheden stuifgevoelige bulkgoederen buiten opslaan. en verwerken (zoals beton- en gipsfabrieken). Deze activiteiten kunnen gelet op de toegestane lage

34

milieucategorieën, de beperkte ruimte en grotendeels bestaande bebouwing op deze locatie niet plaatsvinden. Mogelijke kleine stofhinder-veroorzakende activiteiten, die volgens het bestemmingsplan wel toegestaan zijn, zoals houtbewerking (houtmotafzuiging) en afzuiging bij luchtbehandelingsinstallaties, worden door de voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoende voorkomen. De activiteiten van de bestaande bedrijven veroorzaken geen stofhinder op 50 meter afstand of meer. Het hinderaspect stof vormt geen belemmering voor de woningbouwontwikkeling. - Gevaar Dit hinderaspect kan voorkomen bij de opslag en het verwerken van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. In het bestaande bestemmingsplan zijn Bevi-bedrijven (bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen) uitgesloten. De opslag van kleine hoeveelheden gevaarlijke stoffen, zoals brandstoffen of gassen is wel mogelijk voor zover deze activiteiten niet onder Bevi vallen en dus externe afstandsnormen niet van toepassing zijn. Voorbeelden zijn de opslag van huisbrandolie in tanks of emballage en (brandbare) gassen, zoals propaan in tanks of gasflessen. Bij de bestaande bedrijven worden geen grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen opgeslagen die mogelijk gevaar opleveren op 50 meter afstand of meer. Ook het hinderaspect gevaar vormt geen belemmering voor de woningbouwontwikkeling.

- Geur In de Staat van Bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan ‘Zevenhuizen Dorp’ worden alle activiteiten vermeld die op basis van categorie (3.1) direct zijn toegestaan op de betreffende bedrijfslocatie. Een aantal activiteiten uit die lijst kunnen geurhinder veroorzaken. Te denken valt aan spuiterijen (motorvoertuigen, hout en in de utiliteitsbouw), drukkerijen en voedingsmiddelenindustrie (bedrijfsmatig bereiden van voedsel, vishandel en conservenfabrieken). Op dit moment zijn deze activiteiten niet aanwezig op het bedrijventerrein. Voordat een van deze activiteiten is gevestigd op deze bedrijvenlocatie kan niet planologisch worden onderzocht welke afstand ten minste noodzakelijk is om geurhinder te voorkomen (met geluid kan dat wel). Daarvan zijn de activiteiten, de inrichting van de bedrijven en de geuraspecten te divers.Wanneer bedrijven de hiervoor genoemde activiteiten willen uitvoeren, zullen ze rekening moeten houden dat hinderlijke geur in de regel niet waarneembaar mag zijn bij de geprojecteerde woningen in het bestemmingsplan en andere omliggende woningen. Het Activiteitenbesluit biedt middelen dat bedrijven zich daar aan houden. Op basis van de systematiek van Bedrijven en milieuzonering is afstand houden (zonering) de enige zekere oplossing om geurhinder te voorkomen.

Zonder het kunnen houden aan deze afstand, is het mogelijk dat de bovengenoemde geurrelevante bedrijven zich niet meer kunnen vestigen op de betreffende bedrijfsbestemmingen. Om die reden is in het stedenbouwkundig plan nadrukkelijk rekening gehouden met een geurcontour. Binnen een afstand van 50 m zullen daarom geen woningen worden gerealiseerd. Een groot deel van de parkeeropgave, in combinatie met groen en water, is hier voorzien. De navolgende afbeelding tonen de 50 meter (rood) en 25 meter (blauw) milieucontouren van de betreffende bedrijven ten opzichte van het stedenbouwkundig plan. Hieruit blijkt dat de beoogde woningen op voldoende afstand worden gerealiseerd waardoor de bedrijven aan de Knibbelweg 18a, 18b, 18c en Noordelijke Dwarsweg 49a en 49b niet beperkt worden in hun bedrijfsactiviteiten.

35

Milieucontour omliggende bedrijven ten opzichte van het stedenbouwkundig plan (bron: Buro SRO, d.d. 11-08-2022)

- Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing dienen in het voorliggend geval de volgende vragen te worden beantwoord: 1.

Worden derden niet onevenredig belemmerd?

De bedrijven die nu gevestigd zijn op de betreffende bedrijfslocatie hebben geen invloed op de hinderaspecten geur, stof en veiligheid bij de geprojecteerde woningen. Voor een nieuw te vestigen bedrijf geldt dat de activiteiten vallen binnen de planologische mogelijkheden. Hierdoor is de minimale afstand van 50 meter tussen woningen en bedrijven voldoende. Door het vaststellen van dit bestemmingsplan blijven de planologische mogelijkheden van de bedrijfsbestemmingen gelijk. 2.

Is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat?

Door de minimale afstand van 50 meter tussen de geprojecteerde woningen en de bedrijfsbestemmingen en de maximale bedrijfsbestemming categorie 3.1 is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat planologisch geborgd. Wanneer daar aanleiding voor is, kan via het Activiteitenbesluit handhavend worden opgetreden en/of kan een bedrijf nadere maatwerkvoorschriften worden opgelegd. - Conclusie In het bestemmingsplan wordt de richtafstand van 50 meter tussen bedrijfsbestemmingen en geprojecteerde woningen aangehouden. Voor wat betreft de hinderaspecten stof, gevaar en geur is er derhalve sprake van een goede ruimtelijke ordening. Knibbelweg 17a ODMH heeft ook de situatie ter plaatse van de kwekerij Knibbelweg 17a bekeken (document 2022140362, d.d. 2 juni 2022). Het betreffende glastuinbouw valt onder SBI-code 013. Daarbij betreft het een categorie 2-bedrijf en heeft een richtafstand van 30 meter naar milieugevoelige functies (o.m. woningen). Maatgevend

36

daarbij is geluid. Voor stof, geur en gevaar geldt een richtafstand van 10 meter. De gevels van de dichtstbijzijnde geprojecteerde woningen in het onderhavige bestemmingsplan bevinden zich op circa 50 meter van de erfgrens van het bedrijf, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand. Wat betreft de aspecten geur, stof en gevaar ziet ODMH, vanwege de feitelijke afstand, geen aanleiding dat de bedrijfsvoering van het bedrijf belemmerd wordt door woonfuncties binnen het bestemmingsplan. Tevens is het geluid van uit- en inrijdend vrachtverkeer op het terrein van de kwekerij nader beschouwd in relatie tot de geluidsnormen. Het betreffende bedrijf valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor geluid moet worden voldaan aan de voorschriften in artikel 2.17 lid 5 (inrichting waar in hoofdzaak agrarische activiteiten worden verricht). Maximale geluidsniveaus vanwege met beperkte snelheid rijdende motorvoertuigen zijn in de dagperiode (6.00 uur -19.00 uur) uitgesloten van toetsing. In de avondperiode (19.00 uur -22.00 uur) moet bij gevoelige gebouwen (woningen) worden voldaan aan de norm van 65 dB(A). In de nachtperiode (22.00 uur – 6.00 uur) is de norm 60 dB(A). Een vrachtwagen kan een maximaal geluidsniveau van 65 dB(A) veroorzaken op 50 meter afstand en een maximaal geluidsniveau van 60 dB(A) op 90 meter afstand.

Het betreffende bedrijf kan bij de geprojecteerde woningen in de avondperiode aan de norm voldoen. Echter in de nachtperiode wordt de norm overschreden. Om die reden is ODMH nagegaan of het betreffende bedrijf op dit moment de gelegenheid heeft om in de nachtperiode vrachtwagens op de inrit te laten rijden. De dichtstbijzijnde bestaande woning ligt aan de Knibbelweg 17 op 50 meter afstand van de inrit. Deze woning geeft dezelfde beperking als de nu geprojecteerde woningen. Dat houdt in dat de geprojecteerde woningen voor het gebruik van de inrit geen verdere beperkingen opleveren voor het bedrijf. Knibbelweg 17b/Knibbelweg 11 Aan de Knibbelweg 17b en Knibbelweg 11 zijn op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Zuidplas Noord’ binnen de bestemming ‘Lintzone’ categorie 1 en 2 bedrijven toegelaten. De richtafstand bedraagt 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Woonzorgcentrum De Zevenster In onderhavig plan gaat het naast de ontwikkeling van een woonfunctie om de ontwikkeling van woonzorgcentrum De Zevenster aan de zuidoostzijde van de planlocatie. In het kader van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is de ontwikkeling van woonzorgcentrum De Zevenster binnen het plangebied aan te merken als 'verpleeghuis' (SBI: 871). Dit valt in milieucategorie 2 met een maatgevende richtafstand van 30 m voor het aspect 'geluid'.

Omdat het plangebied als een gemengd gebied kan worden bestempeld, mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verminderd. Er geldt in dit een geval een richtafstand van 10 m; daaraan wordt voldaan. Conclusie Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen;

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken;

geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

37

o

medische kleuterdagverblijven.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De planlocatie ligt binnen de bebouwde kom van Zevenhuizen binnen de geluidzone van de Noordelijke Dwarsweg en de Burgemeester Klinkhamerweg. De overige wegen in de omgeving zijn 30 km wegen zonder geluidzone. De locatie ligt buiten de geluidzone van de A12 en buiten de geluidzone van de spoorweg Gouda - Den Haag. Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dienen de geluidsbelastingen op de gevels van de woningen te worden onderzocht en getoetst. Door Adviesburo van der Boom is op 11 november 2021 een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai naar de geluidsbelasting uitgevoerd, bijlagen bij toelichting, zie bijlage 4. De geluidbelasting door wegverkeer op de Noordelijke Dwarsweg bedraagt ten hoogste 57 dB na aftrek ex art 110-g Wgh op de gevels in de eerste lijn langs de weg. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op een aantal gevels in de eerste lijn overschreden. Er zijn hogere waarden nodig voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Noordelijke Dwarsweg.

De geluidbelasting voor wegverkeer op de overige wegen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde niet. Een hogere waarde voor wegverkeer op de Noordelijke Dwarsweg kan slechts worden vastgesteld als maatregelen tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, of als er ernstige bezwaren zijn op het gebied van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Hogere waarden wegverkeer Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron of in de overdracht is financieel, civieltechnisch en stedenbouwkundig niet haalbaar. Voor de gevels van de woningen in de eerste lijn dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 49 - 57 dB voor wegverkeer op de Noordelijke Dwarsweg, conform tabel III.3. Geluidbeleid gemeente Zuidplas De gemeente Zuidplas stelt in haar geluidbeleid eisen ten aanzien van de aanwezigheid van geluidluwe gevels en buitenruimten bij een geluidbelasting na aftrek van meer dan 53 dB (rekenpunt 20d en 20e). Ook geeft de gemeente alternatieve mogelijkheden aan bij het ontbreken van geluidluwe buitenruimten. Hiermee dient bij het ontwerp van de woningen grenzend aan deze gevel rekening te worden gehouden.

Toetsing goede ruimtelijke ordening Bij het toetsen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en het geluidbeleid van de gemeente. De grens van de maximale planologische mogelijkheden van 53 dB na aftrek wordt op de hele locatie niet bereikt. Er zal voor het aspect geluid daarom sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening na het verlenen van hogere waarden en het voldoen aan de eisen uit het geluidbeleid van de gemeente. Tevens dient te worden voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Eis geluidwering Volgens het Bouwbesluit moet de zgn. karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning ten minste gelijk zijn aan de invallende geluidbelasting verminderd met 33 dB; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering GA;k. De voorschriften hebben tot doel de geluidbelasting binnenshuis in de verblijfsgebieden van een woning te beperken tot 33 dB. Voor gevels van de woningen met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek zijn geluidwerende voorzieningen nodig (zie tabel III.4) Voor de hoogste geluidbelaste gevels met een geluidbelasting van 62 dB bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 29 dB.

38

Voor gevels van de woningen met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor deze gevels van de woningen zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Door de Omgevingsdienst Midden-Holland is een ontwerpbesluit hogere waarden Wet geluidhinder opgesteld (d.d. 15 februari 2022, kenmerk 2022036443). Dit ontwerpbesluit zal gelijktijdig met het bestemmingsplan ter inzage gelegd worden en vastgesteld worden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

39

4.5 Externe veiligheid Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10 -6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.

De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. In de ‘Visie Externe Veiligheid’ van de gemeente Zuidplas (maart 2011) is per gebiedstype aangegeven hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicobronnen. Omgevingsveiligheid onder de Omgevingswet (anticiperen op) Met de komst van de Omgevingswet (verwachting 01-01-2021) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Belangrijk element hierin is de introductie van zogenaamde aandachtsgebieden. Het uitgangspunt is dat mensen, zonder aanvullende maatregelen, binnen deze aandachtsgebieden onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan de gemeente om de kernvraag te beantwoorden: Is de veiligheid voldoende gewaarborgd en zijn milieu en gezondheid voldoende beschermd? Om deze vraag te beantwoorden moet de gemeente de volgende punten overwegen:

• • • • • •

afstand houden tot de risicobron; risicocommunicatie; beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (verplicht voor nieuwe ‘zeer kwetsbare gebouwen’, zoals basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, enz.).

De kern is dat het bevoegd gezag veiligheid, veel meer dan nu het geval is, meeneemt als ontwerpvariabele in de planvorming. Planspecifiek Door bureau Kragten is een 'Quickscan externe veiligheid' (d.d. 09-09-2021) uitgevoerd: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5. In deze quickscan zijn de risicobronnen geïnventariseerd en is beoordeeld of de genoemde risicobronnen mogelijk een belemmering vormen voor de invulling van het plangebied. Het gaat hierbij om transportassen, buisleidingen, inrichtingen en hoogspanningslijnen.

40

Uit de rapportage blijkt dat alleen transport over wegen (rijksweg A12 en provinciale weg N219) mogelijk relevant is, alsmede de nabijheid van Rotterdam The Hague Airport. Rijksweg A12 Op circa 830 meter van het plangebied is de rijksweg A27 gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied (PAG) vormen geen aandachtspunt voor de planontwikkeling. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de weg is gelegen, is het ook niet noodzakelijk de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze rijksweg. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Provinciale weg N219 Op een afstand van circa 1.100 meter van het plangebied is de provinciale weg N219 aanwezig, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De N219 is niet opgenomen in het Basisnet weg. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen de PR10-6-risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied (PAG) geen belemmeringen voor het plan.

Op grond van de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat (juni 2019) blijkt dat over de N219 ter hoogte van het plangebied sprake is van LF1-, LF2-, LT2-, GF2 en GF3-transporten. Het invloedsgebied bedraagt daarmee 880 meter. Het plangebied ligt op grond van deze stoffen niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Verantwoording van het groepsrisico voor deze weg is niet aan de orde. Rotterdam The Hague Airport Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het verantwoordingsgebied van Rotterdam The Hague Airport. Uit het 'Groepsrisicobeleid vanwege luchtvaart in de omgeving van Rotterdam The Hague Airport' (Provincie Zuid-Holland, d.d. 16 december 2014) volgt dat hier een verantwoordingsplicht van toepassing is. De wijze van verantwoorden is opgenomen in het genoemde groepsrisicobeleid. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 10 kilometer vanaf het vliegveld. De totale lengte van het verantwoordingsgebied in noordoostelijke richting bedraagt circa 13 kilometer. Het plangebied bevindt zich derhalve in het deel van het verantwoordingsgebied dat zich op grote afstand van het plangebied bevindt, midden in de woonkern Zevenhuizen. De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft het groepsrisico berekend. Het groepsrisico voor RtHA wordt weergegeven in een factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde in een raster van 250x250 meter.

De provincie Zuid-Holland ziet de oriëntatiewaarde (dus factor 1 t.o.v. de oriëntatiewaarde) als een ‘beleidsmatige grens’. Als door een ruimtelijke ontwikkeling de situatie boven de oriëntatiewaarde komt te liggen, houdt de provincie zich het recht voor om in te grijpen (reactieve aanwijzing of beroep). De resultaten van de berekening van het groepsrisico worden gepresenteerd in de onderstaande 3 afbeeldingen.

41

Huidige situatie (zonder het plan ’t Verlaat) (bron: DCMR Milieudienst Rijnmond)

Groepsrisico met het plan ’t Verlaat (852 personen: 355 woningen x 2,4 personen per woning) (bron: DCMR Milieudienst Rijnmond)

42

Groepsrisico met het plan ’t Verlaat en daaronder de populatievlakken die gebruikt zijn (bron: DCMR Milieudienst Rijnmond)

Zoals zichtbaar in bovenstaande afbeeldingen blijft het groepsrisico, met het plan, kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Daarmee blijft het groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarde (‘beleidsmatige grens’ provincie Zuid-Holland). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.

43

Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De ontwikkeling kan gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide.

De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 9 μg/m³ PM2,5 en 18 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

44

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Derhalve is een quickscan flora en fauna uitgevoerd op basis van het toen beschikbare stedenbouwkundige plan (Blom Ecologie B.V., 28 april 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6a). Soortenbescherming De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. De sportvelden kunnen mogelijk door soorten als laatvlieger worden gebruikt als foerageergebied. Van het verwijderen van een essentiële vliegroute is geen sprake. Vleermuisonderzoek Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het Vleermuisprotocol 2021: 'Onderzoek vleermuizen Van 't Verlaat de Zevenster Zevenhuizen' (Regelink Ecologie & Landschap, d.d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13581044/3