CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Bestemmingsplan Verlengde Molengangenpad – bijlagen A25.000209

Gemeenteraad 25 maart 2025, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Bestemmingsplan Verlengde Molengangenpad26.724 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

7

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Meerkikker

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Veldmuis

Bunzing

Huisspitsmuis

Vos

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Wezel

Dwergspitsmuis

Konijn

Woelrat

Egel

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.

8

Provinciaal beleid (provincie Zuid-Holland) Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.

Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar;

9

e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

10

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van glad biggenkruid (NDFF 2012-2022). Glad biggenkruid groeit op zonnige, droge, voedselarme, zwak zure en kalkarme grond. Voorbeelden hiervan zijn akkers, zeeduinen, bermen en grasland. Glad biggenkruid is (binnen een straal van 2 km van de planlocatie) enkel waargenomen op het industrieterrein circa 1,5 km ten zuidwesten van de planlocatie. De planlocatie is gelegen op kalkrijke poldervaaggronden. De op de planlocatie aangetroffen vegetatie duidt op meer eutrofe, minder zure en nattere omstandigheden dan gewenst zijn voor groeiplaatsen van glad biggenkruid. De planlocatie voorziet dus niet de juiste abiotische omstandigheden voor het voorkomen van glad biggenkruid. De aanwezigheid van deze soort is derhalve uitgesloten.

De planlocatie bestaat uit akkerland, frequent begraasde weilanden, gemaaide bermen en smalle, steile oevers. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: fluitenkruid, kleefkruid, kleine brandnetel, riet en veldzuring. De planlocatie bestaat deels uit asfalt, waar geen vegetatie aanwezig is. Hoewel het overgrote deel op en rond de planlocatie bestaat uit open gebied, zijn op de percelen van omliggende woningen enkele bomen en struiken gesitueerd. Mogelijk wordt er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep één beuk gekapt, welke zich bevindt op het huidige paardenweiland. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2012-2022).

Voor het damhert geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Ook komt de soort voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden (Zoogdiervereniging damhert, 2021). Het overgrote deel van de planlocatie betreft openbare wegen, welke een te hoge mate van verstoring bevatten om te dienen als rustplaats voor het damhert. In de nabije omgeving van de planlocatie is voldoende alternatief leefgebied aanwezig. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van het damhert uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is 11

waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).

Rond de waterpoel, in het noorden van de planlocatie, zijn enkel zeer dunne bomen aanwezig. De twee beuken ter hoogte van de Rottedijk 24 bevatten geen elementen die kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen (zoals boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen). De eventuele kap van (een deel van) deze bomen resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Derhalve leidt de beoogde ruimtelijke ingreep niet tot het wegnemen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie is geen sprake van (aantasting van) lijnvormige bomenrijen of wateren. Derhalve gaan er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep geen vliegroutes verloren. Mogelijk vormt de poel in het noorden van de planlocatie geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Door de realisatie van een fietsbrug wordt deze locatie daarvoor mogelijk minder geschikt. Echter is deze poel gelegen aan het Bentwoud. Hier zijn voldoende alternatieve locaties welke water en struweel bevatten. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep gaan derhalve geen essentiële foerageergebieden verloren.

Aangezien de ontwikkeling in natuur/recreatiegebied plaatsvindt dient voorkomen te worden dat er negatieve effecten ontstaan zoals lichtverstoring. Zie hiervoor H5.4. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en heeft bij voorkeur geen vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De rugstreeppad is in 2021 waargenomen op circa 400 m afstand van de planlocatie. Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties.

Desalniettemin kan de rugstreeppad de planlocatie koloniseren wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graaf- en bouwwerkzaamheden. Derhalve dient het terrein tijdens de werkzaamheden ongeschikt gehouden te worden voor de rugstreeppad. Voor voorbeelden van preventieve maatregelen zie bijlage 2.

12

Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Een deel van de planlocatie is verhard en wordt intensief gebruikt. Wegens de aanwezigheid van oppervlaktewater is het echter niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van natuurlijke oevers en redelijke mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen op de planlocatie uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Direct grenzend aan de planlocatie bevindt zich een bredere watergang (uitloop van De Rotte) Deze watergang wordt binnen de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Op de planlocatie zijn meerdere agrarische sloten aanwezig. Het betreffen frequent geschoonde sloten met beschoeide oevers. De aanwezigheid van beschermde (vis)soorten (zoals grote modderkruiper) wordt derhalve niet verwacht. In de agrarische sloten is slechts sprake van kleinschalige ingrepen (verplaatsen en/of vervangen van twee duikers). Derhalve is er wat betreft beschermde vissen geen sprake van het wegnemen van rust- of voortplantingsplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of voortplantingsplaatsen. Bij eventuele kleinschalige werkzaamheden die effect hebben op de sloten op/rond de planlocatie dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van algemene vissoorten, waarbij in het kader van de algemene zorgplicht zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat er sprake is van onnodig verwonden of doden van individuen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote vos (NDFF 2012-2022). De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een bosrijke omgeving.

Logischerwijs is deze soort alleen waargenomen in het Bentwoud ten noorden van de planlocatie. De planlocatie voldoet niet aan de habitateisen van de grote vos. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van deze soort uitgesloten. Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

13

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: dodaars, fuut, grauwe gans, grote zilverreiger, knobbelzwaan, kokmeeuw, kuifeend, meerkoet en wilde eend. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Wegens het volledig ontbreken van bebouwing op de planlocatie zijn nesten van in gebouw broedende vogels als huismus of gierzwaluw uitgesloten. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. De aanwezigheid van nesten van soorten als kerkuil en steenuil is derhalve uitgesloten. Binnen 100 m van de planlocatie is op één woonperceel wel een steenuil nestlocatie bekend (NDFF 2012-2022). De beoogde ruimtelijke ingreep resulteert echter niet in verstoring van, of afname van essentieel leefgebied voor, deze vogels. De werkzaamheden vinden plaats op voldoende afstand van de nestlocatie (> 20 m). In de omgelegen omgeving is voor zowel steenuil als kerkuil voldoende alternatief leefgebied aanwezig in de vorm van akkers en weilanden. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.

Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogels. In de nabijgelegen omgeving is voldoende alternatief leefgebied aanwezig in de vorm van akkers, weilanden en bos. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en rietkragen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven, watervogels en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

14

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 5,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘De Wilck’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 5,8 km tot het Natura 2000-gebied ‘De Wilck’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van het Verlengde Molengangenpad, een fietspad wat een verbinding vormt tussen de Rottemeren en het Bentwoud. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Omdat er sprake is van de aanleg van een fietspad leidt de beoogde ruimtelijke ingreep, ten opzichte van de huidige situatie, in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase.

Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

15

Gezien er sprake is van een grote afstand (5,8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang (aanleg fietspad) wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 2,7 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2) en op een afstand van circa 18 km ligt beschermd grasland in de Bollenstreek (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 6,5 km ligt Belangrijk weidevogelgebied (geen kaartweergave) en op een afstand van circa 500 m ligt de Groene buffer (figuur 3.3). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.

Conform de kwaliteitskaart (laag van de cultuur- en natuurlandschappen) is de planlocatie gelegen in droogmakerijenlandschap (bron: gebiedsprofielen.zuid-holland.nl). Binnen droogmakerijenlandschap vormt 'geknipte haag' een karakteristiek landschapselement (bron: Compensatie natuur, recreatie en landschap Zuid-Holland, 2013). Binnen de planlocatie is het landschapselement 'geknipte haag' niet aanwezig. Er is derhalve geen sprake van aantasting van karakteristieke landschapselementen.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,7 km tot Natuurnetwerk Nederland (bron: www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl)

16

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m tot de Groene buffer (bron: www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl)

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

17

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Mogelijke functie planlocatie

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

5,8 km

Geen

N.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

2,7 km

Geen

N.v.t.

Beschermd grasland van de bollenstreek

18 km

Geen

N.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

6,5 km

Geen

N.v.t.

Groene buffer

500 km

Geen

N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

18

5 Conclusie 5.1

Conclusie De realisatie van het Verlengde Molengangenpad aan de Rottedijk te Moerkapelle is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) gedurende de werkzaamheden. Zie voor meer instructies bijlage 2. • De kap- en rooiwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen

19

worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

20

Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Provincie Zuid-Holland (2013). Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013. Besluit Gedeputeerde Staten. Provincie Zuid-Holland, Den Haag. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gebiedsprofielen.zuid-holland.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Ecologie rugstreeppad

21

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie betreft een lijnvormig traject (circa 1,8 km lang) gelegen aan en nabij de Rottedijk te Moerkapelle (figuur 1.2). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van het Verlengde Molengangenpad (fietspad).

Figuur 2

De planlocatie volgt in het zuiden de openbare, doodlopende weg van de Rottedijk.

22

Figuur 3

De agrarische sloten op/rond de planlocatie worden frequent geschoond en zijn voorzien van beschoeide oevers.

Figuur 4

De planlocatie doorkruist verder naar het noorden verschillende agrarische percelen. Deze foto weergeeft een deel van het paardenweiland waar het Verlengde Molengangenpad doorheen zal lopen.

23

Figuur 5

De planlocatie doorkruist verder naar het noorden verschillende agrarische percelen. Deze foto weergeeft het akkerland waarop onder andere verschillende sloten worden gerealiseerd.

Figuur 6

De waterpoel in het noorden van de planlocatie. Er zal een fietsburg worden gerealiseerd over deze poel heen.

24

Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (figuur 1, Diepenbeek & Creemers, 2006).

Figuur 1

Impressies van de verschillende levensstadia van rugstreeppad. Bron: bovenste foto’s RAVON, onderste foto’s: Blom Ecologie.

25

Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen.

Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (april-september) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).

26

Figuur 2

Bij hevige regenval kunnen ondiepe plassen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad, waarin eisnoeren afgezet kunnen worden. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden (bron: Blom Ecologie).

In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

Figuur 3

Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn (bron foto’s: Blom Ecologie).

27

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 28

Berekening stikstofdepositie Verlengde Molengangpad

Colofon Gegevens over het project: Plannaam:

AERIUS berekening Verlengde Molengangenpad

Datum:

5 oktober 2024 (tekstueel aangepast 10 januari 2025)

Projectnummer Buro SRO:

SR200028 (HvA / TP)

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Recreatieschap Rottemeren

Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:

’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Telefoon:

030-2679198

E-mail:

utrecht@buro-sro.nl

Internet:

www.buro-sro.nl

pagina 2 van 13

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Projectbeschrijving

5

1.3

Wettelijk kader

6

1.4

Leeswijzer

6

Ruimtelijke gegevens en uitgangspunten

7

2.1

Ruimtelijke gegevens

7

2.2

Aanlegfase

7

2.3

Gebruiksfase

10

Berekeningen en resultaten

11

3.1

11

Aanlegfase

Samenvatting en conclusies

Separate bijlage: AERIUS_projectberekening_20241004095458_Rt5sqL2yzg6J_Aanlegfase

pagina 3 van 13

12

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Het Recreatieschap Rottemeren is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van het recreatiegebied de Rottemeren. In het kader daarvan houden zij zich bezig met het verbinden van natuurgebieden in de omgeving, waar soms nog belangrijke fietsverbindingen missen. Onderhavig initiatief heeft betrekking op zo'n ontbrekende schakel: het 'Verlengde Molengangenpad', een recreatieve fietsverbinding tussen de Rottemeren en het Bentwoud. Het gaat hierbij om het deel vanaf de Moerkapelse Zijde en de Hollevoeterbrug ten westen van Moerkapelle, via een bestaand deel van de Rottedijk en het verlengde daarvan naar het Bentwoudpad in het Bentwoud. Het voorgenomen plan brengt stikstofuitstoot met zich mee tijdens de aanlegfase. Daarom is het noodzakelijk om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000gebieden te onderzoeken. In deze rapportage worden de potentiële effecten in kaart gebracht. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn ‘De Wilck’ op ca. 5,8 km van de onderzoekslocatie, ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ op ca. 13,2 km van de onderzoekslocatie en ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ op ca. 11,9 km van de onderzoekslocatie.

pagina 4 van 13

1.2

Projectbeschrijving

Initiatiefnemer is voornemens om de locatie aan het de Rottedijk een recreatieve fietsverbinding te realiseren. Het Verlengde Molengangenpad, met een lengte van ca. 2 km, is de laatste schakel in een recreatieve fietsverbinding tussen Rottemeren en het Bentwoud, op het grondgebied van de gemeenten Zuidplas en Lansingerland. De bestaande Rottedijk zal heringericht worden en gedeeltelijk verbreed worden. Verder wordt vanaf het einde van de Rottedijk een nieuw fietspad aangelegd tot aan de Noorddijk. De navolgende afbeelding toont het tracé van de beoogde recreatieve fietsverbinding.

Situatietekening beoogde situatie (bron: Urban Synergy)

pagina 5 van 13

1.3

Wettelijk kader

In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Het rekeninstrument AERIUS was één van de pijlers van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het PAS maakt onderdeel uit van de Crisis- en herstelwet (Chw). Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent het PAS. Het PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is het PAS buiten werking gesteld. Het systeem van het PAS was erop gebaseerd dat vooruitlopend op toekomstige positieve ontwikkelingen voor beschermde natuurgebieden toestemming gegeven kan worden voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden door stikstofuitstoot.

Die toestemming ‘vooraf’, zoals het PAS mogelijk maakte, mag niet meer, aldus de RvS. Projecten en of activiteiten dienen, in afwachting van een nieuwe PAS, zelfstandig beoordeeld te worden op grond van de Wet natuurbescherming.

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 de ruimtelijke gegevens beschreven. Hierin wordt ook ingegaan op de uitgangspunten voor de aanlegfase en de gebruiksfase. De uitgevoerde berekening en resultaten worden beschreven in hoofdstuk 3. Ten slotte wordt in hoofdstuk 4 de conclusie getrokken.

pagina 6 van 13

2

Ruimtelijke gegevens en uitgangspunten

2.1

Ruimtelijke gegevens

Bij een stikstofdepositieberekening wordt rekening gehouden met de Natura 2000-gebieden binnen een straal die relevant is voor de omvang van het plan. Binnen een straal van 15 km zijn meerdere Natura 2000-gebieden aanwezig. Het Natura 2000-gebied ‘De Wilck’ bevindt zich op een afstand van ca. 5,8 km ten noorden van het plangebied. Het Natura-2000 gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ bevindt zich op ca. 13,2 km ten noordoosten van het plangebied. Het Natura-2000 gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ ligt op ca. 11,9 km ten oosten van het plangebied. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de verschillende Natura 2000gebieden weergegeven.

Ligging plangebied ten opzichte van de omliggende Natura 2000-gebieden, plangebied rood omcirkeld (bron: AERIUS Calculator)

2.2

Aanlegfase

Tijdens de aanlegfase zullen tijdelijk voertuigen en mobiele werktuigen op de bouwplaats aanwezig zijn, wat gepaard gaat met verkeer van werklieden en materialen van en naar de locatie. Daarnaast zal zwaar vrachtverkeer dat stationair draait ook bijdragen aan de stikstofuitstoot. De voertuigen en mobiele werktuigen die door verbrandingsmotoren worden aangedreven veroorzaken een tijdelijke toename van stikstofemissies. De hoeveelheid emissies hangt af van de emissienormen (stageklassen) die gelden voor de specifieke werktuigen. Voor de berekening van de NOx-emissies van de mobiele werktuigen

pagina 7 van 13

moet het brandstofverbruik per stageklasse worden opgegeven, evenals het aantal draaiuren en, indien van toepassing, het verbruik van AdBlue (bij aanwezigheid van een SCR-systeem). Het dieselverbruik is berekend op basis van het TNO-rapport R12305, waarin rekening wordt gehouden met factoren zoals de aandrijfconfiguratie (vaste as, transmissie, hydrauliek), de stand-by tijd bij de soort inzet (wisselend en constant) en de verliezen. Voor werktuigen met wisselende inzet wordt uitgegaan van een gemiddelde ‘typische motorlast’ van 35%, zoals aangegeven in de bijbehorende tabel.

Voor werktuigen met een constante inzet is 35% een onderschatting en wordt uitgegaan van een gemiddelde motorbelasting van (37,0+45,6+47,3)/3= 43,3%. Het brandstofverbruik kan berekend worden met behulp van de formule afkomstig uit Ligterink et al 2021. Met behulp van de navolgende formule is het mogelijk het brandstofverbruik per uur te berekenen: B =0.095* Pmax +0.54. Hier is B het brandstofgebruik per uur en Pmax het maximale vermogen van het werktuig [kW]. Inzet mobiele werktuigen Omdat nog niet bekend is welke mobiele werktuigen er exact gebruikt zullen worden is daarvoor een inschatting gemaakt. Voor het gebruik van de mobiele werktuigen is gerekend met ouder materieel (Stage IV, bouwjaar 2015). Wanneer gebruik gemaakt wordt van mobiele werktuigen met een recenter bouwjaar (bijv. vanaf 2019) zullen de stikstofemissies verminderen. Voor Stage IV-werktuigen kan worden uitgegaan van het normale AdBlue-verbruik dat door TNO is gegeven. Dit is 6% van het brandstofverbruik (Ligterink et al 2021). In de navolgende tabel is een overzicht weergegeven van de door brandstof aangedreven mobiele werktuigen die ingezet worden bij de aanlegfase. Werktuig

STAGEklasse

Bouwjaar

Vermogen (KW)

Brandstofverbruik totaal

Draaiuren/j

AdBlue verbruik (l/j)

Graafmachine groot Graafmachine klein Shovel Klein materieel Asfaltmachine Wals

Stage-IV

≥2015

210

4115

200

247

Stage-IV

≥2016

60

1253

200

75

Stage-IV Stage-IV Stage-IV Stage-IV

≥2015 ≥2015 ≥2015 ≥2015

150 15 100 90

2970 245 161 146

200 120 16 16

178 n.v.t. 10 9

De beoogde ontwikkeling zal geleidelijk plaatsvinden in verschillende fasen. De exacte duur van elke fase is momenteel niet nauwkeurig vastgesteld. In de berekening is rekening gehouden met het rekenjaar 2025. In het

pagina 8 van 13

geval dat de ontwikkeling een periode van meer dan een jaar in beslag neemt, wordt dit als een positief aspect beschouwd in vergelijking met de stikstofdepositie. Deze berekening kan derhalve gezien worden als een worstcasescenario. In de voorliggende berekening wordt uitgegaan van een wisselende inzet van de mobiele werktuigen en daarmee van een ‘typische motorlast’ van 35%. Het is namelijk niet te verwachten dat deze werktuigen continu onder hoge belasting worden ingezet. Verkeersgeneratie Voor de berekening van verkeersgeneratie is een inschatting gemaakt van het aantal voertuigbewegingen dat tijdens de aanleg plaatsvindt. De navolgende tabel tonen de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling voor het rekenjaar 2025.

Vervoer personeel en materiaal Licht verkeer Zwaar vrachtverkeer

1.000 700

per jaar per jaar

Voor het bouwverkeer wordt uitgegaan van één route. Het bouwverkeer rijdt via Rottedijk en Voorlaan naar het westen richting de N209. Omdat de werkzaamheden verspreid over een groot gebied plaatsvinden is de route vanaf het midden van het plangebied ingevoerd. Het bouwverkeer wordt meegenomen in de berekening tot het moment dat het zich door haar snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het heersende verkeer. Koude starts verkeer Als de motor van een voertuig 2 uur of langer niet heeft gedraaid, is de motor afgekoeld en is er sprake van extra emissies door deze koude start. In de AERIUS Calculator moet de emissie van voertuigen met een koude start als een aparte bron worden gemodelleerd. Het is aan de initiatiefnemer om te bepalen hoeveel koude starts er per uur, etmaal, maand of jaar plaatsvinden. Bij deze berekening wordt aangenomen dat al het verkeer in de aanlegfase met een koude start wegrijdt. Dit komt overeen met de helft van de totale verkeersgeneratie. Dit kan worden beschouwd als een worstcase benadering, aangezien in de praktijk niet al het verkeer met een koude motor (> 2 uur niet-draaiende motor) zal starten of een deel van het verkeer (vrijwel) direct wegrijdt. De onderstaande tabel toont het aantal koude starts per jaar. Aantal koude starts Licht verkeer Zwaar vrachtverkeer

500 350

per jaar per jaar

Stationair draaien Met betrekking tot het laden en lossen zal er op de planlocatie zwaar vrachtverkeer aanwezig zijn dat stationair draait. Gedurende de periode dat het zwaar vrachtverkeer op de planlocatie aanwezig is zal er sprake zijn van stikstofuitstoot. De uitstoot die ontstaat tijdens het stationair draaien kan berekend worden met de kencijfers beschreven in bijlage 1 van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024’. In de bijlage zijn kencijfers opgenomen voor de NOx en NH3 uitstoot. De uitstoot dient handmatig in AERIUS ingevoerd te worden.

pagina 9 van 13

Voor het rekenjaar 2025 geldt voor ‘Vrachtauto's > 20 ton GVW en trekkers’ een uitstoot van 0,90 NH3 g/uur en 74,57 NOx g/uur. De gemiddelde laad/lostijd per vracht is ingeschat op circa 30 minuten. Uitgaande van 350 vrachten is er in totaal sprake van 175 stationaire draaiuren. De onderstaande tabel toont de totale uitstoot van het stationair draaien voor NOx en NH3. Type Vrachtauto's > 20 ton GVW en trekkers 2025

2.3

Aantal draaiuren 175

NOx uitstoot kg/j 13,05

NH3 uitstoot kg/j 0,16

Gebruiksfase

Het gebruik van het plangebied brengt in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot met zich mee. De ontwikkeling betreft immers een recreatief fietspad waar alleen gefietst zal worden. Er worden geen woningen of andere gebouwen mogelijk gemaakt. Derhalve kan de gebruiksfase buiten beschouwing gelaten worden.

pagina 10 van 13

3

Berekeningen en resultaten

De berekeningen zijn verricht met het web-based programma AERIUS versie 2024 op 2 oktober 2024. Onderstaand zijn de berekeningen weergegeven waarbij de beoogde situatie (gebruiksfase) en de aanlegfase zijn berekend. In navolgende paragrafen zijn de uitkomsten van de berekening weergegeven.

3.1

Aanlegfase

Met behulp van de AERIUS-calculator is de uitstoot op de Natura-2000 gebieden van de aanlegfase berekend. De aanleg vindt naar verwachting plaats in 2025. Derhalve is bij de stikstofberekening uitgegaan van het rekenjaar 2025. De navolgende afbeelding toont de ingevoerde bronnen.

Ingevoerde bronnen (bron: AERIUS Calculator)

De totale stikstofemissie is berekend aan de hand van de stikstof die plaatsvindt als gevolg van de te gebruiken mobiele werktuigen, de uitstoot als gevolg van de verkeersgeneratie van het plangebied en de uitstoot als gevolg van het stationair draaien van het zwaar vrachtverkeer op het terrein. Resultaten Uit de berekening volgt dat er in totaal sprake is van een uitstoot van 83,5 kg/j voor NOx en 2,6 kg/j voor NH3. Uit de berekening van de AERIUS Calculator blijkt dat er in de aanlegfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn op Natura 2000-gebieden. Voor nadere informatie over de invoer en de rekenresultaten wordt verwezen naar de pdf-uitvoer van de AERIUS Calculator; deze is als separate bijlage beschikbaar.

pagina 11 van 13

4

Samenvatting en conclusies

Op de planlocatie aan de Verlengede Molengangenpad wordt een nieuw fietspad gerealiseerd. Voor de beoogde ontwikkeling is een AERIUS-berekening voor de aanlegfase uitgevoerd. De gebruiksfase is buiten beschouwing gelaten, aangezien de ontwikkeling uitsluitend het aanleggen van een fietspad betreft. Voor de stikstofemissie van de aanlegfase is gerekend met de uitstoot die ontstaat als gevolg van de te gebruiken mobiele werktuigen, de voertuigbewegingen van personeel en materialen van en naar de bouwplaats, het stationair draaien van het vrachtverkeer op het terrein en koude starts. Uit de berekening voor deze aanlegfase volgt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de Natura 2000-gebieden zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming (Wnb) is het plan derhalve uitvoerbaar.

pagina 12 van 13

pagina 13 van 13

Transect-rapport 3974 Moerkapelle, Fietspad Rottedijk Gemeenten Zuidplas en Lansingerland Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15160089/1