Bijlage 6 Bestemmingsplan ‘Knibbelweg-Oost’, Toelichting A23.000463
Tekst van het document
Hierdoor vervalt de eis van het realiseren van een geluidluwe gevel en buitenruimte. Er wordt dus voldaan aan de voorwaarden uit de Beleidsregel Hogere waarden van de gemeente Zuidplas. In paragraaf 3.4 van het akoestisch onderzoek is aangegeven voor welke woningen een hogere waarde moet worden aangevraagd. Dit besluit wordt gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan genomen. 4.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan, mits de Hogere Waarden verleend worden.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
46
4.6
Bodem en ondergrond
4.6.1 Bodemverontreiniging In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Beoordeling In 2022 zijn door Sweco verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd voor de ontwikkeling van fase 1 van het plan voor de Knibbelweg Oost (zie bijlage VIII). Er is een onderzoek naar de hele fase 1 en er is aanvullend onderzoek gedaan naar enkele locaties van woningen die niet in het eerste onderzoek zaten. De conclusie van het onderzoek naar geheel fase 1 is als volgt: ‘’Een gedeelte van de onderzoekslocatie is door Grontmij in 2015 onderzocht. Op de onderzoekslocatie is de bovengrond (met of zonder sporen/ resten baksteen) over het algemeen niet tot licht verontreinigd met drins, heptachloorepoxide en chloordaan. De zintuiglijk schone ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. De resultaten van dit onderzoek worden representatief beschouwd.
Hierdoor heeft op dit gedeelte van de onderzoekslocatie geen bodemonderzoek plaatsgevonden. De sterk puinhoudende laag in de bovengrond (0,30 - 0,70 m –mv) nabij Knibbelweg 43 is licht verontreinigd met cadmium, lood, zink, PAK en PCB. Deze verontreiniging is vermoedelijk te relateren aan de zintuiglijke bijmengingen. De onderliggende matig slibhoudende laag is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium, zink en naftaleen aangetoond. Opgemerkt wordt dat er sprake was van hoge NTU waarden in de peilbuizen. De lichte verontreiniging achter Knibbelweg 43 valt buiten de onderzoekslocatie van huidig onderzoek. Uit onderhavig onderzoek is gebleken dat de bovengrond (0,00-0,50 m-mv) van de zintuiglijk schone kleigrond plaatselijk licht is verontreinigd met PAK. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met nikkel en kobalt. Door middel van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is de bodem geclassificeerd als “Altijd Toepasbaar”. Vanwege een lichte PFAS gehalte boven de detectielimiet wordt de bodem plaatselijk beoordeeld als klasse ‘Wonen/Industrie’ voor hergebruik. De grondwaterspiegel varieert tussen 0,82 m-mv en 1,04 m-mv. In het grondwater is een streefwaarde overschrijding gemeten van de parameters barium, xylenen en naftaleen.
Tijdens de werkzaamheden werd op het maaiveld een stukje asbestverdacht plaatmateriaal gevonden. Deze is kwantitatief geanalyseerd op het voorkomen van asbest. Uit de analyseresultaten is gebleken dat het stukje plaatmateriaal 12,7% hechtgebonden chrysotiel bevat. Het plaatje is gevonden midden op een landbouwperceel en in de directe omgeving is verder geen asbestverdacht materiaal en/of puin of iets dergelijks waargenomen, wat zou kunnen duiden op verontreiniging met
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
47
asbest in de bodem ter plaatse. Ons inziens heeft het uitvoeren van asbestonderzoek conform NEN5707 in de grond ter plaatse geen toegevoegde waarde. Op basis van vooronderzoek is voor het verkennend waterbodemonderzoek de hypothese onverdacht toegepast. Door middel van het uitgevoerde onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’, strikt genomen niet juist is. Gezien de relatief lage gehalten en de toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Op basis van de onderzoekresultaten voldoet mogelijk vrijkomende slib van de onderzoekslocatie aan bodemkwaliteitsklasse Industrie (S1, lichte nikkel verontreiniging), klasse wonen (S4; lichte PAK verontreiniging) en Altijd Toepasbaar (S2, S3). Het slib van watergang S5 is beoordeeld als Klasse B voor het verspreiden in oppervlaktewater vanwege licht verhoogde gehaltes aan PCB en PFOS. Op basis hiervan is het slib van watergang S5 niet verspreidbaar in oppervlaktewater en/of zoete oppervlaktewaterlichamen. Het slib van watergang S4 is beoordeeld als Klasse A voor het verspreiden in oppervlaktewater vanwege de PAK verontreiniging.
Bij uitvoering van grondwerkzaamheden is op basis van uitgevoerd waterbodemonderzoek geen veiligheidsklasse van toepassing. Geschiktheid van de locatie voor voorgenomen herontwikkeling Op de locatie zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond. Dit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de locatie tot bedrijventerrein en kassengebied’’. Het aanvullende onderzoek van de woninglocaties concludeert het volgende: In de bovengrond (0,00-0,50 m-mv) zijn licht verhoogde gehaltes aan PAK en PCB aangetoond. De bovengrond voldoet aan hergebruiksklasse “Klasse Wonen” en de ondergrond als “Altijd Toepasbaar”. Het grondwaterstand is geconstateerd tot 2,02 m-mv en is licht verontreinigd met met nikkel, molybdeen en/of barium. De grond voldoet op basis op basis van PFAS aan de hergebruiksklasse ‘landbouw/natuur’. Na het uitvoeren van het bodemonderzoek heeft er een wijziging plaatsgevonden van het ontwerpbestemmingsplan naar het vastgestelde bestemmingsplan, waardoor er niet meer 9 woningen, maar 7 woningen gerealiseerd worden in het lint. Met deze wijziging is enkel sprake van het verwijderen van 2 beoogde woningen uit het plangebied. De overige begrenzing van de woonbestemmingen blijft hetzelfde. De conclusies uit bodemonderzoek van 2022 blijven dus toepasbaar op het bestemmingsplan.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde functies, inclusief de beoogde woningen. 4.6.2 Bodemstabiliteit (opbarsting) Opbarsting treedt op als een onderliggende watervoerende laag door verminderde gronddruk naar boven uitbreekt. Dit kan bijv. optreden bij grote oppervlakten aan oppervlaktewater in combinatie met ondiepe/onstabiele bodemlagen.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
48
Beoordeling In 2015 is de (in)stabiliteit van de (water)bodem onderzocht om het watersysteem en met name de berging van oppervlaktewater en het gevaar van het opbarsten van de bodem te bepalen. De deelresultaten van dit onderzoek is opgenomen in de bijlage bij deze toelichting. Het blijkt dat opbarsting zou kunnen optreden. Dit is ook met het hoogheemraadschap besproken. In het stedenbouwkundig plan is een voorstel voor de watercompensatie opgenomen, met beperkte wateroppervlakten, waarmee het opbarstrisico wordt beperkt. In het kader van de watervergunning voor de aanpassingen van het watersysteem zullen de berekeningen uit 2015 worden geactualiseerd, en zal het definitieve ontwerp van het watersysteem worden gemaakt. Conclusie De risico’s op opbarsting zijn te ondervangen door de omvang van wateroppervlakten te beperken. Dit zal in het definitieve ontwerp van het watersysteem in overleg met het hoogheemraadschap (watervergunning) worden meegenomen.
4.7
Klimaatadaptatie en water
4.7.1 Algemeen Op nationaal, regionaal en lokaal niveau is een beleidskader geformuleerd voor het beoordelen van de klimaateffecten en de robuustheid van een plan. In het kader van het plan is een uitgebreide water- en klimaattoets opgesteld (zie bijlage IX). Hierin is het beleid uiteengezet en zijn de effecten wateroverlast, droogte, hitte en overstromingsrisico beoordeeld. De bodemdaling en de risico’s voor funderen van gebouwen is hier onderdeel van. Verder is nagegaan welke maatregelen nodig zijn. De beoordeling is hieronder in het kort opgenomen vertaald naar de eisen voor het watersysteem. 4.7.2 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit.
De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. Met het Hoogheemraadschap is overleg gevoerd over het watersysteem in het plangebied en het gevolg en de oplossingen voor de afwatering en waterkwaliteit. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat er naast de wateropgave door het bestemmingsplan ook nog een andere opgave ligt. Op dit moment is het hydraulisch profiel van de hoofdwatergang parallel aan de Knibbelweg te klein: er kan niet voldoende water afgevoerd worden. Om dit op te lossen wordt een extra duikerverbinding gerealiseerd met een minimale breedte van 4 meter in de zuidoostelijke punt van het plangebied. Uiteindelijk zal moeten blijken of deze oplossing voldoende is, aangezien mogelijk
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
49
de constructie van de onderdoorgang van de Knibbelweg bij de N219 in de weg zit om direct goed aan te sluiten op de hoofdwatergang langs de N219 ter hoogte van Zevenhuizen-Zuid. In dat geval wordt in het kader van deze planontwikkeling een andere (extra) oplossing ontworpen. Beoordeling In de water- en klimaattoets (zie bijlage IX) is beoordeeld wat de effecten van het plan zijn op de bestaande watergangen, oppervlaktewater, waterkwaliteit, risico’s van wateroverlast en het peilgebied. Verder is beoordeeld of er verdere acties nodig zijn voor bijvoorbeeld watercompensatie of dempingen. De watertoets wordt ter beoordeling en advisering voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.7.3 Klimaatverandering De aandacht bij ruimtelijke plannen voor de klimaatveranderingen betreft onder meer het opvang van (pieken in het) hemelwater, het voorkomen van hittestress in stedelijke omgeving en het voorkomen van verdroging (landbouw, natuur). In de bijlage Water en Klimaat zijn ook zijn de thema’s wateroverlast, droogte, hitte en overstromging beoordeeld. Beoordeling Het plan voor de Knibbelweg omvat een aantal onderdelen en maatregelen die helpen tegen ongewenste klimaateffecten in het gebied.
Het ontwerp van het oppervlaktewatersysteem zoals beschreven in het stedenbouwkundig plan heeft de capaciteit qua afvoer en berging om overtollig hemelwater te bergen en het waterpeil conform de regels van het hoogheemraadschap te handhaven. De waterlopen tussen de bebouwing, langs de centrale en rondom omvatten ook de compensatie voor het opvangen van hemelwater afkomstig van de toegevoegde gebouwen en verhard oppervlak. Het oppervlaktewater sluit aan op ander peilgebieden en de afvoeren naar waterlopen buiten het gebied. In de zuidoosthoek van het plangebied (nabij de ongelijkvloerse kruising van de Knibbelweg en de en heeft de het bergen van hemelwater in het oppervlaktewatersysteem. De risico’s voor wateroverlast en overstroming zijn gering. De bodemdaling en de risico’s voor fundering zijn eveneens gering; er zijn geen maatregelen nodig. Verder is een gietwatersysteem voorzien, waarmee het water wat in het gebied al aanwezig nuttig wordt ingezet in plaats van afgevoerd. Met het gietwatersysteem kan de watervraag van glastuinbouwbedrijven (ca. 10.000 m3 per hectare glas per jaar) grotendeels worden voorzien. Hiervoor wordt dan geen grondwater ingezet, wat ongewenste effecten van de grondwaterstand (verdroging) voorkomt. De bebouwing wordt volgens de nieuwe BENG-eisen uit het bouwbesluit zeer energiezuinig en gasloos uitgevoerd.
Ook worden de logistieke gebouwen volledige belegd met zonnepanelen, waarmee een deel van de energiebehoefte lokaal en duurzaam wordt opgewekt. Door de opzet van water en brede groenvoorzieningen wordt de opwarming van het stedelijke gebied en daardoor hittestress beperkt.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
50
Conclusie Met deze maatregelen levert het plan een mooie bijdrage aan de beperking van ongewenste klimaateffecten.
4.8
Ecologie
4.8.1 Beoordelingskader De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebied- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Naast de natuurgebieden wordt ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) beschermd, ofwel de verbindingszones tussen bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden waarlangs diersoorten zich verplaatsen. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). Op grond van de wet Natuurbescherming is het verboden projecten te realiseren of handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.
Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Projecten en plannen die aantoonbaar niet van invloed zijn c.q. geen bijdrage leveren aan de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden kunnen zonder natuurvergunning worden gerealiseerd. Als een project of plan wel stikstofeffecten kent, maar deze effecten komen in de plaats van bestaande stikstofeffecten van functies die aantoonbaar niet meer zullen plaatsvinden als gevolg van de ontwikkeling, dan is dit vergunningsvrij (geen extra effecten). In gevallen waarbij (extra) stikstofdepositie resteert op gevoelige habitats, is nader onderzoek nodig waaruit blijkt dat het effect niet significant is. In dat geval is naast deze zogenaamde ‘passende beoordeling’ ook een milieueffectrapportage nodig. Omdat veel natuurgebieden al overbelast zijn, is in die gevallen vergunningverlening onzeker. Soortenbescherming Soortenbescherming voor dieren en planten is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten.
Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
51
4.8.2
Beoordeling gebiedsbescherming
Natuurnetwerk Ten noorden, aansluitend aan het plangebied ligt een strook grond die samen met de Vierde Tocht onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft een verbindingszone naar het gebied de Groene Waterparel (zie figuur 4.3).
Figuur 4.3 NNN-gebied en verbindingszones nabij het plangebied (rode cirkel), stippellijn: locatie vijfde dorp Zowel de verbindingszone als de Groene Waterparel (groene gebied in figuur 4.3) hebben het beheertype ‘N00.01 Nog om te vormen naar natuur’. De verbindingszone ten noorden van het plangebied is nog niet ingericht. De provincie heeft samen met de gemeente Zuidplas een alternatief op het oog voor de verbindingszone naar de Groene Waterparel, omdat met het realiseren van het Vijfde Dorp de kwaliteit van de zone onder druk komt te staan. Uit de brief van provincie Zuid-Holland van 22 maart 2022: Stand van zaken ecologische verbindingszone Zoals afgesproken in de Overeenkomst, wordt op dit moment de ecologische en financiële haalbaarheid van de realisatie van de nog te realiseren ecologische verbindingszone tussen de Krimpenerwaard en het Bentwoud onderzocht. Deze ecologische verbindingszone zal door het Middengebied komen te lopen. In de Overeenkomst is afgesproken dat de gemeente Zuidplas en de provincie Zuid-Holland, op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, afspraken gaan maken over de precieze ligging, financiën, uitvoering, planning en toekomstig beheer van deze ecologische verbindingszone. Deze afspraken worden daarna vastgelegd in een aparte Deelovereenkomst tussen de gemeente Zuidplas en de provincie Zuid-Holland.
In dit onderzoek wordt ook gekeken of de ecologische verbindingszone in het Middengebied gerealiseerd kan worden binnen de zogenaamde Groene Schakel, een groene bufferzone aan de westkant van het Middengebied, in plaats van op het huidige tracé in het Middengebied. Het
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
52
onderzoek is nog niet afgerond en er kunnen dus nog geen conclusies getrokken worden over het meest geschikte tracé voor de ecologische verbindingszone. Uit het MER, dat gekoppeld is aan deze Herziening, blijkt echter dat het huidige tracé door het Middengebied ongunstig scoort vanwege de te verwachten verstoring vanuit het Vijfde Dorp. Om die reden wordt aanbevolen om de ecologische verbindingszone in het Middengebied te realiseren in de Groene Schakel. Op basis van bovenstaande hebben wij ervoor gekozen om in de voorliggende Ontwerp Herziening het huidige tracé van de ecologische verbindingszone in het Middengebied te handhaven en daar het tracé door de Groene Schakel aan toe te voegen. In de bijgevoegde Ontwerp Herziening wordt dat toegelicht. Na de ter inzage legging van dit Ontwerp wordt besloten welke van deze twee tracés in de provinciale Omgevingsverordening wordt opgenomen. Daar zullen zowel de uitkomsten van bovengenoemd onderzoek als eventuele zienswijzen over dit onderwerp, bij betrokken worden.
Figuur 4.4 Omlegging natuurstrook (oranje); natuurstrook in plangebied Knibbelweg blijft intact. De verbindingszone ten noorden van het plangebied, langs de Vierde Tocht blijft vooralsnog aangewezen. Omdat het natuurgebied Groene Waterparel en deze verbindingszone mogelijk worden ingericht, moet hier bij de planontwikkeling rekening mee worden gehouden.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
53
In het ecologisch onderzoek is onderzocht welke soorten hier nu al voorkomen. Er komen enkele vleermuizen voor (niet de Meervleermuis), maar de zone fungeert niet als vliegroute of foerageergebied. Er zijn geen soorten of functies gevonden die nu al bescherming behoeven. Om de mogelijke functie van verbindingszone in stand te laten, zijn enkele omstandigheden van belang. Dit betreft in elk geval de duisternis ’s nachts ofwel de verlichting van het bedrijfsterrein en de lichtuitstraling van verlichting vanuit de panden. Vanwege de gewenste zichtbaarheid vanaf de A12 en de N21 voor resp. de logistiek en het bedrijventerrein is er een verlichtingsplan nodig om beide doelen (zichtbaarheid van bedrijfspanden en nachtelijke duisternis in de natuurzone) te kunnen bereiken. Door bedrijfslogo’s en andere verlichte uitingen op het dak te plaatsen op enige afstand van de dakrand of door een de goed gekozen oriëntatie van (gevel)verlichting en een dichte terreinafscheiding, kunnen lichteffecten in de natuurzone afdoende worden beperkt. De terreinverlichting kan met opstelling van masten, gerichte armaturen en kleurgebruik zodanig vormgegeven worden dat de natuurstrook zo min mogelijk wordt aangelicht. Natura-2000-gebieden en stikstof Aangewezen natuurgebieden liggen op relatief grote afstand, waardoor alleen stikstofdepositie een mogelijk effect kan hebben.
Ook het huidig agrarisch gebruik als bemeste grond voor akkerbouw kent een bepaalde stikstofemissie. Voor zover nieuwe plannen (aanlegfase en gebruiksfase) binnen dit bestaand gebruik is in te passen, is er geen significant extra effect op natuurgebieden en blijven deze plannen buiten de wettelijke regels voor gebiedsbescherming. Mede gelet op het vervallen van de bouwvrijstelling door de uitspraak van de Raad van State van is nagegaan of de aanlegfase dan wel de gebruiksfase bepalend is voor de totale stikstofemissie. Uit deze beoordeling (opgenomen in de stikstofregeling in de bijlage bij de regels) wordt duidelijk dat de gebruiksfase veel meer emissie en depositie kent en daarmee bepalend is. Het emissieniveau in de gebruiksfase hangt mede samen met de gehanteerde technieken c.q. de duurzame maatregelen die in het plangebied zullen worden gerealiseerd. Dit is weer afhankelijk van de functie. In de bijlagen is een overzicht opgenomen van de diverse duurzaamheidsmaatregelen die verplicht of vrijwillig in beeld zijn. Welke uiteindelijk getroffen zullen worden is nog niet zeker, maar de haalbaarheid van de (maximale) eindsituatie kan wel beoordeeld worden. Namelijk, of met de beschikbare technieken en opties de totale emissie van stikstof uit het plangebied zodanig beperkt kan worden dat dit juridisch hard toegestaan is volgens de natuurregelgeving.
Met de beoogde gebruikers (logistiek, glastuinbouw) is hierover van gedachten gewisseld. Geconcludeerd is dat deze emissieniveau zeker haalbaar zijn. Het bestemmingsplan moet de emissie/depositie per functie vastleggen c.q. beperken, zodat gegarandeerd is dat de emissie/depositie niet hoger kan worden dan de bestaande stikstofruimte. In dat geval kan gesteld worden dat de plannen buiten het regime van de Wet natuurbescherming blijven. In de regels zijn bepalingen opgenomen waar bestemmingen aan moeten voldoen. In de verbeelding zijn hiervoor aanduidingen opgenomen. In de bijlage bij de regels is de stikstofsystematiek nader uitgewerkt. Dit komt neer op het volgende: - Per bestemming wordt in de regels emissiekengetallen opgenomen voor stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) per oppervlakte-eenheid. De vermenigvuldiging van het gebruikte
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
54
oppervlak met de betreffende emissiekengetal levert de totale, toegestane emissie van deze functie. - Een project binnen het plangebied kan alleen toegestaan als het op depositieniveau voldoet aan de berekende totale emissie. Overschrijding van deze emissieruimte betekent een met het bestemmingsplan strijdig gebruik. - Burgemeester en wethouden kunnen via een omgevingsvergunning afwijkingen van de deelbijdrage van een functie, mits er geen significatie toename is van de depositie. - Burgemeester en wethouders hebben de wijzigingsbevoegdheid om stikstofemissie en – depositie anders te ververdelen tussen functies, binnen de mogelijkheden die de Wet natuurbescherming biedt. Met deze aanpak wordt, analoog aan de gebruikelijke regeling van geluidquota, juridisch hard geregeld dat de effecten van het totale plangebied binnen de afgesproken perken blijft. 4.8.3 Beoordeling soortenbescherming In het kader van het plan zijn ecologische onderzoeken uitgevoerd (in bijlage X, 2015 en 10 december 2020). Uit de quickscan blijkt dat het mogelijk is dat met het plan jaarrond beschermde nesten of belangrijk leefgebied wordt aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde vogelsoorten. Het betreft hier de steenuil en buizerd. Daarom is nader onderzoek gedaan. Hieronder de resultaten.
Compensatiemaatregelen Steenuil Nader onderzoek is gedaan om het voorkomen van territoria van steenuil na te gaan (zie het nader ecologisch onderzoek als bijlage bij deze toelichting). Tijdens het uitvoeren van dit nader onderzoek is gewerkt volgens het landelijk vastgestelde steenuilprotocol (opgesteld door Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging en Netwerk Groene Bureaus, 2017) en is beoordeeld in hoeverre het plangebied een functie heeft als zomer/ voortplantingsbiotoop en daarmee als vaste rust en verblijfplaats (territorium). De Steenuil is inderdaad aangetroffen. Alle drie de locaties waar de Steenuil is aangetroffen blijven intact tijdens en na de voorgenomen ontwikkelingen. Echter een deel van het territorium (zijnde minder geschikt akkerland) van de Steenuil verdwijnt. De ontwikkelplannen voorzien in een ecologische zone met natuurlijke oevers. Deze is door de Steenuil, welke zijn broedlocatie aan de Noordelijke Dwarsweg heeft, goed bereikbaar. De Steenuil kan de middelste ecologische zone bereiken via een aan te leggen calamiteitenroute, welke aan één zijde wordt voorzien van bomen en struiken. De grens tussen de achtertuinen langs de Knibbelweg en het geplande kassencomplex wordt ook voorzien van een overgangsgebied met groen.
Op deze wijze wordt het arsenaal optimaal foerageergebied van de Steenuil uitgebreid ten opzichte van de huidige situatie, namelijk; minder geschikt foerageergebied wordt optimaal geschikt foerageergebied. Hierdoor worden compenserende maatregelen genomen in de vorm van primair geschikt jachtgebied. De uitvoering van compensatiemaatregelen wordt geborgd in een inrichtingsplan en er geldt een voorwaardelijke verplichting om dit te realiseren voordat de glastuinbouw worde gerealiseerd..
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
55
Buizerd Er is een nest aangetroffen dat geschikt is voor de Buizerd. Het nest van de Buizerd is jaarrond beschermd. Onderzocht is of het nest dat zich net buiten het plangebied maar binnen de verstorende invloedsfeer bevindt, door een buizerd wordt gebruikt. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nest niet wordt gebruikt door de Buizerd. Hier hoeft daarom geen rekening mee te worden gehouden.. Aanlegfase Uit de quickscan is tevens naar voren gekomen dat het mogelijk is dat vogels in het plangebied gaan broeden. Wanneer tijdens het broedseizoen wordt gestart met de werkzaamheden moet een ecoloog de situatie beoordelen. Optie is te starten met de werkzaamheden voor het broedseizoen en met constante verstoring (weekenden uitgezonderd) door te werken. Algemene soorten vogels komen door de verstoring niet tot broeden in het plangebied of binnen de directe verstorende invloedsfeer. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Voor algemene soorten vissen geldt ook de zorgplicht. Conform die zorgplicht worden alle vissen en amfibieën weggevangen en overgeplaatst. Bij het (gedeeltelijk) dempen van watergangen wordt naar open water toe gewerkt, zodat vissen en overige soorten in de richting van open water kunnen ontsnappen. Bij het dempen van een watergang waarbij vissen ingesloten raken moeten maatregelen worden genomen.
Dieren die zich binnen het plangebied verschuilen moeten een kans krijgen zichzelf in veiligheid te brengen. Het aanleggen van het openbaar gebied en het bouwrijp maken van het plangebied dient hiervoor zorgvuldig te gebeuren. Het is van belang dat dit werk niet gedaan wordt in de richting van een drukke weg of watergang met steile oevers, dit om te waarborgen dat vluchtende dieren een kans hebben zich veilig elders te vestigen. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Advies hoe aan de zorgplicht invulling kan worden gegeven is vastgelegd in de quickscan. 4.8.4 Conclusie Er loopt nog nader onderzoek naar aanleiding van de quickscan, de verwachting is dat een eventuele ontheffing en/of maatregelen geen probleem vormen en in te passen zijn. Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Om het archeologisch erfgoed beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een ruimtelijk plan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
56
dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een gebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. 4.9.1 Beoordeling In het kader van het plan is door RAAP een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (zie bijlage XIII). Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen kan worden geconcludeerd dat bij de uitvoering van de werkzaamheden (aanleg waterpartijen en uitgraven van de cunetten) geen archeologische waarden zullen worden verstoord. Zoals op basis van het bureauonderzoek reeds verwacht werd, bestaat de bodemopbouw in het onderzochte deel van het plangebied uit een afwisseling van mariene afzettingen op veen op fluviatiele afzettingen.
Voor de mariene afzettingen en het onderliggende veenpakket gold op basis van het bureauonderzoek een lage verwachting. Beide lage verwachtingen zijn met het veldonderzoek bevestigd. Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor aanwezigheid van kansrijke zones/lagen in de fluviatiele afzettingen). Hiervoor liggen de onderzochte delen vermoedelijk te ver van de stroomgordel. Voor deze afzettingen geldt na afloop van het verkennend booronderzoek dan ook een lage verwachting. Los hiervan is de top van de fluviatiele afzettingen aangetroffen vanaf 8,1 m -NAP (2,6 m -Mv; boring 25). In nagenoeg alle boringen (m.u.v. boringen 21, 25 en 26) bevond de top van de fluviatiele afzettingen zich echter dieper dan 9,0 m -NAP (ca. 3,3 m -Mv). Dit is ruim buiten het bereik van de geplande graafwerkzaamheden (tot ca. 2,0 m -Mv) Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen ten behoeve van fase 1 geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q.
de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Op basis van de bevindingen van dit onderzoek neemt de gemeente Zuidplas een formeel besluit. Het plangebied in dit bestemmingsplan is ten opzichte van het uitgevoerde archeologisch onderzoek iets vergroot. Gezien het karakter en homogeniteit van het gebied is de verwachting dat ook voor de gronden die niet in het onderzoek zijn meegenomen geen grote belemmeringen zijn te verwachten. In het kader van de bouwvergunningen en bouwwerkzaamheden worden de wordt rekening gehouden met de richtlijnen als er onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen. 4.9.2 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
57
4.10
Externe veiligheid, bereikbaarheid en blusvoorzieningen
4.10.1 Algemeen Voor bestemmingsplannen is wet- en regelgeving inzake veiligheidsrisico’s aan de orde. Dit kunnen risico’s zijn die zware bedrijven kunnen veroorzaken maar ook door transport van gevaarlijke stoffen (over weg, spoor en water en door buisleidingen). Kwetsbare bestemmingen zoals bijvoorbeeld scholen, zorgfuncties of woningen moeten voldoende afstand houden tot dergelijke bedrijven en transportroutes. Ook kunnen er beperkingen aan de bebouwingsdichtheid gewenst zijn. De normen en richtlijnen voor risico’s komen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Voor externe veiligheid bestaan twee normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): - Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10 -6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag maximaal één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. - Het groepsrisico beschrijft de kans dat groepen personen gelijktijdig het slachtoffer worden van een ongeval.
Deze kans wordt mede bepaald door het aantal personen dat zich bevindt in het invloedgebied van een risicobron (het gebied waar dodelijke effecten van ongevalscenario’s optreden). Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde: het bevoegd gezag dient het geaccepteerde niveau van het groepsrisico te verantwoorden door bij besluitvorming in te gaan op de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. In april 2011 is door de gemeente Zuidplas de “Visie Externe Veiligheid” vastgesteld (hierna te noemen: Visie EV). Met de Visie EV geeft de gemeente Zuidplas aan hoe zij bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op een verantwoorde manier wil omgaan met externe veiligheid. Nieuwe ruimtelijke plannen worden aan deze kaders worden getoetst. Voor de verantwoording van het groepsrisico zijn in de visie voorwaarden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden. De inrichting van een nieuw bedrijventerrein vraagt verder om goede bereikbaarheid voor hulpdiensten en adequate offensieve en defensieve bluswatervoorzieningen. De Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) heeft advies uitbracht over de situatie en inrichting van het plangebied. In bijlage XI is dit verder uitgewerkt. Hieronder de beoordeling op hoofdlijnen.
De verdere inrichting en ontwerp van gebouwen en openbare ruimte word met de brandweer nog nader afgestemd. 4.10.2 Beoordeling Onderzocht is of risicobronnen binnen of nabij het plangebied zijn gelegen die hierop van invloed zijn (zie bijlage XI). In de rapportage wordt achtereenvolgens ingegaan op: 1. Regelgeving en beleid die gelden voor externe veiligheid en het advies van de brandweer voor dit plan. 2. Een afbakening van het plangebied, een overzicht van de aanwezige risicobronnen en de beïnvloeding door andere toekomstige ontwikkelingen.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
58
3. De invloed en risico’s door Rotterdam-The Hague Airport (RtHA). 4. Buisleidingen: een actualisatie van eerder uitgevoerde risicoberekeningen en de mogelijkheid van nieuwe buisleidingen voor gevaarlijke stoffen in gereserveerde buisleidingenstrook. 5. Toetsing aan gemeentelijk beleid. 6. Maatregelen en voorzieningen in het gebied (bluswatervoorzieningen, brandveiligheid, gevaarlijke stoffen, zonnepanelen, energiesystemen, afschakelbare mechanische ventilatie). 7. Verantwoording van het groepsrisico. Uit de rapportage blijkt dat de transportroutes over de A12 en het spoor op meer dan 200 meter van het plangebied liggen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico spelen dan geen rol. Wel kunnen toxische effecten van calamiteiten met gevaarlijke stoffen het plangebied bereiken. Hiertegen zijn adequate organisatorische maatregelen te treffen, zoals na adequate alarmering in het gebied binnen schuilen, het sluiten van ramen en deuren en het afschakelen van de ventilatie. Het lokale transport met gevaarlijke stoffen over de N219 is zodanig gering dat dit eveneens niet van invloed is. Verder zijn alleen Rotterdam - The Hague Airport (RtHA) en buisleidingen relevant. In de rapportage is beoordeeld dat voor RtHA het plaatsgebonden risico geen belemmering oplevert, en dat het toekomstige groepsrisico kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde is.
Hiervoor geldt alleen een ‘lichte verantwoordingsplicht’. Voor wat betreft de aanwezige en toekomstige buisleidingen vormt het plaatsgevonden risico geen belemmering. Voor de bestaande gasleidingen (gasleidingen A 553 en A 803) is er een toename in het groepsrisico door de planontwikkeling, maar het groepsrisico blijft een factor 1.000 onder de oriëntatiewaarde. Dat is laag te noemen. In de rapportage wordt verder ingegaan op de maatregelen en voorzieningen in het gebied en wordt het groepsrisico verantwoord. Uit de verantwoording blijkt dat het toekomstig gebruik van de leidingenstrook niet wordt beperkt door de planontwikkeling. Met de genoemde maatregelen is ook uitbreiding van buisleidingen in de leidingenstrook geen probleem. Er komt een gegarandeerde calamiteitenroute tussen de Knibbelweg en de Centrale As voor het geval dat de toegang via het kruispunt van de Centrale As met de N219 is geblokkeerd. Het gebied is goed in te richten met offensieve bluswatervoorzieningen; op de logistieke kavels is vanwege de grote oppervlakte de exacte locatie van brandkranen of brandputten afhankelijk van de locatie en omvang van de bebouwing.
De watergangen in het gebied zijn geschikt als defensieve bluswatervoorzieningen en er is in het openbare gebied voldoende ruimte voor opstelplaatsen Het groepsrisiconiveau kan in voorkomende gevallen door organisatorische maatregelen sterk worden verlaagd. Er is geen aanleiding om het lokaliseren van het kantoor bij een logistiek bedrijf aan de zijde van de A12 te verbieden. Op basis van de inhoud van deze rapportage is het groepsrisico in het plangebied, nu en in de toekomst, aanvaardbaar te achten.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
59
4.10.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. De bereikbaarheid van het plangebied voor hulpdiensten en de nodige bluswatervoorzieningen zijn op goed niveau te brengen.
4.11
Ontplofbare oorlogsresten
Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de munitie uit de Tweede Wereldoorlog niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens weer meer onderzoek nodig zijn. Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is volgens ODMH niet noodzakelijk. Dit belemmert de planvorming dus niet. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, kan ODMH niet met zekerheid stellen dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
60
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Planvorm
5.1.1 Algemeen Doel van dit bestemmingsplan is het opstellen van een adequate en actuele juridischplanologische regeling ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling van 37,5 ha, waarvan 15 ha bestemd is voor logistieke bedrijvigheid, 4 ha voor kleinschalige bedrijvigheid, 18,5 ha voor glastuinbouw, en van 7 nieuwe woningen in de lintzone aan de Knibbelweg. De overige, bestaande functies aan de Knibbelweg worden conserverend bestemd, zoals enkele woningen die eerder met vergunningen zijn gerealiseerd. De aanwezige uitwerkingsplicht uit het moederplan is nu vervuld. Een bestemmingsplan is een regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de toekenning van bestemmingen heeft geleid. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de uitgave Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen uit 2012, kortweg SVBP2012. 5.1.2 De verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op de planlocatie.
Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, aanduidingen en bouwvlakken opgenomen. 5.1.3 De regels De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding toegekende bestemmingen. Ze geven aan waarvoor gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene wat werkelijk noodzakelijk is, is geregeld. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om middels een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te verlenen, is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De uitvoering hiervan berust bij burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid maakt kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader gedefinieerd, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
61
verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit regels voor afwijkingen en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het (toegestane) gebruik van de betreffende gronden. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten respectievelijk regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen en overgangs- en slotregels.
5.2
Artikelsgewijze toelichting
5.2.1
Inleidende regels
Artikel 1: Begrippen In het eerste artikel zijn definities opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen. Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 5.2.2
Bestemmingsregels
Artikel 3: Agrarisch - Glastuinbouw Voor de glastuinbouwbedrijvigheid is de bestemming ‘Agrarisch –Glastuinbouw’ opgenomen. Binnen deze bestemming is een grootschalig gesloten glastuinbouwgebied toegestaan met volwaardige tuinbouwbedrijven en sierteeltbedrijven voor alle typen glastuinbouwteelt (groenten, bloemen, substraat, belicht en niet-belicht), met de daarbij behorende kassen, klimaathallen, warenhuizen, of andere opstallen van glas, alsmede hulpgebouwen, stookhuizen en/of ketelhuizen. Langs de centrale as is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om de bouwhoogte te verhogen tot 15 meter. Artikel 4: Bedrijventerrein Binnen deze bestemming worden de nieuwe bedrijven mogelijk gemaakt in de noordoostelijke hoek van het plangebied. Toegestaan zijn uitsluitend bedrijven uit de categorieën 1 t/m 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten 2, en met een kavel kleiner dan 3 ha. Er is een regel opgenomen dat voor de breedte van de kavels voldaan moet worden aan de regels uit het Beeldkwaliteitsplan. Dit waarborgt dat er niet te grote verschillen ontstaan in de oppervlakte van de kavels, bijvoorbeeld 1 zeer grote en 2 zeer kleine. Artikel 5: Bedrijventerrein - Logistiek In deze bestemming zijn de gronden specifiek bestemd voor grootschalige logistieke bedrijvigheid. Hierbij mag de bedrijvigheid behoren tot maximaal categorie 3.2. Andere bedrijvigheid is hier uitgesloten.
Artikel 6: Groen Deze bestemming voorziet onder andere voor de inpassing van een groenstrook met natuurvriendelijke oevers tussen de glastuinbouw/bedrijventerrein en de woningen aan de
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
62
Knibbelweg. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de bestemming Agrarisch – Glastuinbouw dat eerst het inrichtingsplan voor deze bestemming achter de woningen aan de Knibbelweg moet worden gerealiseerd voordat de kassen gebouwd kunnen worden (het inrichtingsplan is nog niet beschikbaar en wordt opgesteld en toegevoegd in het kader van het vast te stellen bestemmingplan, tezamen met het ontwerp van het watersysteem). Ook worden er watergangen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding in toegestaan. Artikel 7: Tuin De voortuinen bij de woningen in het lint hebben de bestemming ‘Tuin’ gekregen. Naast tuinen, gazon en open terreinen zijn de gronden mede bestemd voor watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen en waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten en parkeervoorzieningen. Binnen de bestemming mogen uitsluitend erkers bij de hoofdgebouwen worden gebouwd, alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde. Voor beide zijn maatvoeringsbepalingen in de regels opgenomen. Artikel 8: Verkeer De interne ontsluitingswegen binnen Knibbelweg-Oost en de aansluiting op de N219 zijn bestemd tot ‘Verkeer’.
Binnen deze bestemming zijn wegen met de functie van verblijf/verblijfsgebied en ter ontsluiting van de aanliggende of nabijgelegen gronden toegestaan, alsmede voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bermen en groenvoorzieningen, watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen en waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, (ondergrondse) afvalverzamelingspunten, voorzieningen van algemeen nut, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, geluidwerende voorzieningen en geluidsreducerende maatregelen en verbindingen ten behoeve van het wegverkeer (bruggen) en overige kunstwerken en infrastructurele voorzieningen (waaronder gietwatervoorzieningen). Artikel 9: Wonen De nieuwe woningen in het lint zijn bestemd tot ‘Wonen’. In beginsel is per bouwperceel maximaal één woning toegestaan. In de zuidoostelijke hoek van het lint zijn 2 locaties met twee-onder-éénkappers voorzien. Elke woning heeft een eigen bouwperceel. Er is een regel opgenomen die vastlegt hoeveel ruimte er om vrijstaande en halfvrijstaande woningen aangehouden moet worden. Het ontwerp van de nieuwe woningen moet in lijn zijn met het Beeldkwaliteitsplan behorende bij het bestemmingsplan.
5.2.3
Algemene regels
Artikel 10: Anti-dubbeltelregel In dit plan zijn sommige bouwregels gerelateerd aan de oppervlakte van gronden, bijvoorbeeld aan de oppervlakte van een bouwperceel. Indien dezelfde gronden meerdere keren in aanmerking worden genomen bij het verlenen van (verschillende) omgevingsvergunningen, zouden de bebouwingsmogelijkheden daardoor onbedoeld verruimd kunnen worden. De anti-dubbeltelregel voorkomt dit.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
63
Artikel 11: Algemene bouwregels In dit artikel zijn de algemene bepalingen opgenomen die van toepassing zijn bij bouwwerkzaamheden. Dit artikel bevat onder andere regels voor ondergronds bouwen. Artikel 12: Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft voor dit plan een beperking met betrekking tot het toegestane gebruik van gronden. Het gaat hierbij om ongewenst gebruik of gebruik dat enige vorm van hinder kan veroorzaken, waardoor het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Artikel 13: Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn bepalingen opgenomen voor de geluidszones van spoor en weg, voor de veiligheidszones als gevolg van de aardgastransportleidingen en als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over de N219. Daarnaast staan hier regels over de verdeling van de bestaande stikstofemissieruimte over en binnen de diverse bestemmingen. Artikel 14: Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de regels voor afwijkingen uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, die middels een omgevingsvergunning kunnen worden toegestaan. De onderhavige regeling voorziet, in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van deze afwijkingen. Artikel 15: Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsregel opgenomen.
Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Verder is hier de bevoegdheid opgenomen om de stikstofregeling aan te passen als dat wenselijk en/of nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Artikel 16: Overige regels In dit artikel zijn enkele algemene regels geformuleerd over eisen die de gemeente kan stellen bij verschillende aspecten. 5.2.4
Overgangs- en slotregels
Artikel 17: Overgangsrecht In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de hierin opgenomen regels. Onder bepaalde voorwaarden mogen deze strijdigheden qua bebouwing en/of gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Artikel 18: Slotregel In dit artikel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
64
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. De maatschappelijke aspecten worden in hoofdstuk 8 toegelicht. 6.1.1 Grondexploitatie Afdeling 6.4 van de Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbij eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard: het primaat ligt bij vrijwillige, privaatrechtelijke afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelaar. Deze privaatrechtelijke afspraken worden vastgelegd in ofwel een anterieure overeenkomst (als er nog geen exploitatieplan is vastgesteld) of in een posterieure overeenkomst (als er wel al een exploitatieplan is vastgesteld). Artikel 6.12 van de Wro bepaalt dat de gemeenteraad verplicht is om, voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan vast te stellen. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. In dit geval gaat het om ‘de bouw van één of meer hoofdgebouwen’ als bedoeld in artikel 6.2.1 onder b van het Bro. Dit betekent dat de gemeenteraad verplicht is om een exploitatieplan vast te stellen.
De gemeenteraad hoeft, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.12 van de Wro alsnog geen exploitatieplan vast te stellen, als: 1. het kostenverhaal anderszins verzekerd is; 2. de gezamenlijk te verhalen kosten minder dan € 10.000,-bedragen; 3. de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of nutsvoorzieningen betreffen. De met een exploitatieplan te verhalen kosten zijn bovendien limitatief opgenomen in een kostensoortenlijst (artikel 6.2.3 tot en met 6.2.6 van het Bro). Kosten die niet genoemd zijn in de kostensoortenlijst, mogen niet via het exploitatieplan verhaald worden. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is op 9 oktober 2013 (SOK 2013) een anterieure overeenkomst gesloten en aanvullend is door gemeente en initiatiefnemer een Allonge 2021 getekend, waarin de geactualiseerde afspraken zijn vastgelegd.. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd, waarmee er geen exploitatieplan vastgesteld hoeft te worden. Ook is hierin een planschadeovereenkomst opgenomen en worden er eisen gesteld aan de locatie en fasering. Het plan is daarmee dan ook economisch uitvoerbaar. 6.1.2 Conclusie Gezien het voorgaande wordt de beoogde ontwikkeling economisch uitvoerbaar geacht.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
65
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaatsvinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in geding zijn. Geconstateerd is dat voor de beoogde ontwikkeling met name de belangen van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard in het geding zijn. Aan het vooroverleg met het waterschap is invulling gegeven door een watertoets uit te voeren. De resultaten hiervan zijn verwerkt in paragraaf 4.8 van deze toelichting. Het ontwerpbestemmingsplan wordt ook voor een reactie aan de andere overlegpartners van de gemeente toegezonden. 6.2.2 Ontwerpfase Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en moet ook via de elektronische weg geschieden (via www.ruimtelijkeplannen.nl). Het ontwerpbestemmingsplan wordt vervolgens gedurende zes weken ter inzage gelegd.
Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid schriftelijk en/of mondeling een zienswijze over het plan naar voren te brengen. De eventueel naar voren gebrachte zienswijzen worden bij het vast te stellen bestemmingsplan in deze paragraaf of in een separate bijlage van een gemeentelijke reactie voorzien. 6.2.3 Vaststellingsfase Met inachtneming en beantwoording van eventuele zienswijzen wordt het bestemmingsplan door de gemeenteraad van Zuidplas vastgesteld, al dan niet met inbegrip van wijzigingen (naar aanleiding van zienswijzen of ambtshalve). De Nota van beantwoording is bijgevoegd bij de toelichting als bijlage XIV. Hierna wordt het vastgestelde bestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Belanghebbenden die een eventuele zienswijze naar voren hebben gebracht en belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig hun zienswijze naar voren hebben gebracht, kunnen gedurende deze periode beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook kan iedere belanghebbende beroep instellen over gewijzigde onderdelen in het bestemmingsplan. Na deze periode treedt het bestemmingsplan in werking, behalve wanneer ook om een schorsing van de inwerkingtreding wordt gevraagd (voorlopige voorziening).
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
66
Bijlage I Nota van Uitgangspunten
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
67
Bijlage II Stedenbouwkundig plan
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
68
Bijlage III Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
69
Bijlage IV M.e.r-beoordeling
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
70
Bijlage V Verkeersonderzoek en kruispuntberekening
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
71
Bijlage VI Luchtkwaliteit
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
72
Bijlage VII Wegverkeerslawaai
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
73
Bijlage VIII Bodemonderzoeken
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
74
Bijlage IX Water- en klimaattoets
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
75
Bijlage X Ecologische onderzoeken soortenbescherming
Zie voor het onderzoek gebiedsbescherming (stikstofdepositie in natuurgebieden) de bijlage Regeling stikstof bij de regels.
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
76
Bijlage XI Externe veiligheid
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
77
Bijlage XII Duurzaamheidsconcept
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
78
Bijlage XIII Archeologie
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
79
Bijlage XIV Nota van beantwoording zienswijzen
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
80
R065442aa.200ACX6.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 30 maart 2023
81