Bijlage 4 Bestemmingsplan Verlengde Molengangenpad – toelichting A25.000206
Tekst van het document
25
hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van een oppervlakte van 125 ha of meer. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een recreatieve fietsverbinding met een direct ruimtebeslag van ca. 6.000 m². Er kan daarmee worden afgezien van een
26
m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Dit besluit wordt opgenomen als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Conclusie Op basis van deze plantoelichting, die gezien kan worden als aanmeldingsnotitie, kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is en de plantoelichting voldoende informatie bevat om alle milieueffecten te betrekken bij de besluitvorming.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ‘strenger gebruik’. Bodemonderzoek is in het kader van het bestemmingsplan dan ook niet nodig.
4.3 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
27
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Planspecifiek Met voorliggend bestemmingsplan wordt geen milieugevoelige bebouwing of functies mogelijk gemaakt. Anderzijds worden de bestaande omliggende functies niet vanuit milieuoogpunt belemmerd door de realisering van de recreatieve fietsverbinding. Het aspect milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
28
Planspecifiek Het zuidelijke deel van het tracé, ter plaatse van de bestaande Rottedijk, verandert op dit onderdeel niet. Dit deel blijft toegankelijk en blijft voor het gemotoriseerde verkeer doodlopend. Gesteld kan worden dat het geluid veroorzaakt door het fietspad minimaal is. In het noordelijke deel vormt de beoogde fietsverbinding geen geluidsbron als bedoeld in de Wet geluidhinder en evenmin is sprake van een geluidgevoelige functie. Derhalve is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk.
4.5 Externe veiligheid Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi),Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.
De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. In de ‘Visie Externe Veiligheid’ van de gemeente Zuidplas (maart 2011) is per gebiedstype aangegeven hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicobronnen. Omgevingsveiligheid onder de Omgevingswet (anticiperen op) Met de komst van de Omgevingswet (verwachting 01-01-2021) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Belangrijk element hierin is de introductie van zogenaamde aandachtsgebieden. Het uitgangspunt is dat mensen, zonder aanvullende maatregelen, binnen deze aandachtsgebieden onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan de gemeente om de kernvraag te beantwoorden: Is de veiligheid voldoende gewaarborgd en zijn milieu en gezondheid voldoende beschermd? Om deze vraag te beantwoorden moet de gemeente de volgende punten overwegen:
• • • • • •
afstand houden tot de risicobron; risicocommunicatie; beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (verplicht voor nieuwe ‘zeer kwetsbare gebouwen’, zoals basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, enz..).
29
De kern is dat het bevoegd gezag veiligheid, veel meer dan nu het geval is, meeneemt als ontwerpvariabele in de planvorming. Planspecifiek Het beoogde recreatieve fietspad is geen (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Bevi, noch kan het fietspad worden aangemerkt als een risicovolle inrichting. Het onderdeel externe veiligheid is daarmee niet aan de orde en behoeft niet verder te worden onderzocht.
4.6 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 µg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Het beoogde recreatieve fietspad is niet aan te merken als een gevoelig object in de zin van de Wet luchtkwaliteit. Evenmin zijn er negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit ten gevolge van het fietspad. Het fietspad zal immers niet leiden tot meer gemotoriseerd verkeer op het aanwezige wegennet. De verwachting is zelfs dat meer personen gebruik zullen maken van de fiets, hetgeen de luchtkwaliteit juist ten goede zal komen. Voor het onderhavige bestemmingsplan betekent dit dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het aspect luchtkwaliteit realiseerbaar is.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
30
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Ruimtelijke ontwikkelingen moeten getoetst worden aan de Wet natuurbescherming. Voor de ontwikkeling dient verantwoord te worden dat het plan geen schade aan beschermde soorten en of gebieden oplevert. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van een recreatieve fietsverbinding, wat gepaard gaat met werkzaamheden die effect kunnen hebben op flora en fauna. In dat kader is een quickscan ecologie uitgevoerd (Blom Ecologie, 10 maart 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Stikstofdepositie Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op een afstand van ca. 6 km en betreft het Natura 2000-gebied 'De Wilck'. Dit Natura 2000-gebied is echter niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein', op een afstand van ruim 11 km. Aangezien de ontwikkeling gepaard met de uitstoot van stikstof, met name in de aanlegfase. Derhalve is aan de hand van stikstofberekeningen in beeld gebracht wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden (Buro SRO, d.d. 5 oktober 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4 en de uitvoerbijlage 4a). Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn derhalve uitgesloten. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De te treffen maatregelen zijn als volgt:
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
31
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
•
Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) gedurende de werkzaamheden.
•
De kap- en rooiwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologische beleidsadvieskaart Voor de verschillende archeologische verwachtingswaarden is een archeologie beleid opgesteld. De archeologische beleidsadvies kaart is afgeleid uit de archeologische verwachtingskaart, waarbij de beleidsadviezen in de legenda zijn opgenomen. Door nieuwe inzichten, ontwikkelingen en uitgevoerde onderzoeken is deze kaart aan verandering onderhevig en hebben diverse actualisaties plaatsgevonden.
Het meest recente geactualiseerde archeologiebeleid is vastgelegd in de in juni 2017 opgestelde nota “Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente Zuidplas”, dat als aanvulling op de in 2010 vastgestelde beleidsnota gezien dient te worden. In januari 2018 zijn nog enkele redactionele wijzigingen aan deze nota aangebracht. Op 6 maart 2018 is het paraplubestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie' vastgesteld. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid, waarbij de vastgestelde archeologische beleidskaart de basis vormt voor de bij deze parapluherziening behorende verbeelding. Aan de hand van de archeologische verwachtingenkaart en beleidskaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Het gemeentelijk archeologisch beleid voorziet in vier categorieën, met bijbehorende oppervlakte- en dieptecriteria.
32
Planspecifiek In het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie’ van de gemeente Zuidplas heeft de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 2’. In artikel 3.4 is bepaald dat een omgevingsvergunning vereist is voor het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm beneden maaiveld. Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 25 januari 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). De archeologische verwachting van het plangebied hangt nauw samen met de ontstaansgeschiedenis van het gebied in de vorm van de Zuidplas stroomgordel, getijdeafzettingen en een veenrestdijk;.
•
Veenrestdijk/Rotte: zone met een hoge archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Transect adviseert om hier een dubbelbestemming archeologie op te nemen. Als onderzoeksgrens kan het vigerende bestemmingsplan voor de zone met een hoge archeologische verwachting worden gebruikt: groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm.
•
Zuidplas stroomgordel: zone met een middelhoge archeologische verwachting. Het betreft een theoretische verwachting omdat nog geen daadwerkelijke vindplaatsen uit het Mesolithicum en Neolithicum in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Transect adviseert om hier een dubbelbestemming archeologie op te nemen. Als onderzoeksgrens kan een diepte van -9,0 m NAP worden aangehouden met een oppervlak van 250 m².
•
Wormer Laagpakket: zone met een lage archeologische verwachting. Het aangetroffen Wormer Laagpakket bestaat geheel uit wadplaatafzettingen met wadgeulafzettingen, die niet aantrekkelijk voor bewoning waren. Ook zijn in de omgeving van het plangebied geen vondsten bekend op het Wormer Laagpakket. Voor het gehele Wormer Laagpakket geldt in het plangebied daarom een lage archeologische verwachting. Transect adviseert om hier een dubbelbestemming archeologie op te nemen waarbij alleen bij grote onderzoeken archeologisch onderzoek noodzakelijk is (om het verwachtingsmodel te toetsen). Voorgesteld wordt om aan deze zone een onderzoeksgrens te koppelen van 1 ha en 30 cm -Mv.
In het onderzoek wordt geadviseerd om de archeologische verwachtingszones door te vertalen in dit bestemmingsplan, om zo eventuele archeologische resten planologisch te beschermen. Naar aanleiding hiervan wordt voor de Veenrestdijk/Rotte de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' opgenomen. Voor de Zuidplas stroomgordel is 'Waarde - Archeologie - 4a' opgenomen, waarin ten opzichte van 'Waarde Archeologie - 4' de dieptebepaling is aangepast. Overeenkomstig de systematiek van de gemeente Zuidplas is voor het Wormer Laagpakket geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Zoals aangegeven in de 'Parapluherziening Archeologie' zijn de gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde vrijgesteld van archeologisch onderzoek, waardoor aan deze gebieden geen archeologische dubbelbestemming wordt toegekend. Aanleg fietspad Met betrekking tot de voorgenomen ingrepen kan het volgende worden gesteld. Voor de aanleg van het fietspad wordt de bodem tot ongeveer 50 cm -Mv ontgraven, voor de aanleg van de nieuwe sloot wordt de bodem tot ongeveer 2,0 m -Mv ontgraven en voor de aanleg van de natuurvriendelijke oevers wordt de bodem tot ongeveer 1,6 m -Mv ontgraven.
•
De nieuwe sloot en natuurvriendelijke oevers zijn gepland in een zone met een lage archeologische verwachting. De kans is klein dat bij deze ingreep archeologische resten en/of sporen worden verstoord. Transect adviseert hiervoor dan ook geen vervolgonderzoek.
•
Het fietspad komt deels op de veenrestdijk en deels in de zone met een lage archeologische verwachting. Ter plaatse van de zone met de lage archeologische verwachting is de kans klein dat met de aanleg van het fietspad eventuele archeologische resten en/of sporen worden verstoord. Hiervoor adviseert Transect dan ook geen vervolgonderzoek. Ter plaatse van de veenrestdijk zal het fietspad grotendeels worden aangelegd binnen het bestaande wegtalud of op een nieuw op te werpen ophoging. De kans is daarom klein dat met de aanleg van het fietspad onverstoorde grond zal worden geroerd. Voor de aanleg van het fietspad adviseert Transect daarom geen vervolgonderzoek.
33
Wel geldt een archeologische meldplicht. Wanneer bij werkzaamheden toch onverhoopt waardevolle archeologische resten worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10) te worden gemeld bij de bevoegde overheid, de gemeenten Zuidplas en Lansingerland. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Waterparagraaf 4.9.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterplan Zuidplas Het waterplan, een gezamenlijk project van de gemeente Zuidplas en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, is opgesteld om maatregelen te nemen die zorgen voor droge voeten en
34
een goede waterkwaliteit in de gemeente Zuidplas. Dat laatste is belangrijk voor de in en om het water levende planten en dieren, de landbouw en het recreatief medegebruik. Het waterplan heeft als resultaat een gezamenlijke visie en de uitwerking van de visie tot een concreet maatregelenprogramma met hierin een tijdsplanning, kostenraming en kostenverdeling. Ook de ruimtelijke consequenties van het waterbeleid worden aangegeven in het waterplan. In het waterplan wordt ingegaan op de bouwstenen: waterkwantiteit, waterveiligheid, waterketen en riolering, grondwater, oppervlaktewater en ecologie, beheer en onderhoud stedelijk water, waterbeleving en recreatie en water en Ruimtelijke Ordening. Watertoets De watertoets omvat het afstemmingproces tussen de planontwikkelaar en de waterbeheerder. Het doel van deze afstemming is het element water een volwaardige plek te geven bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit is nodig om eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding te voorkomen en kansen voor een betere waterhuishouding te benutten. De meest belangrijke onderdelen van de watertoets zijn: een advies van de waterbeheerder bij ruimtelijke ontwikkelingen en een waterparagraaf.
4.9.2 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:
• • • •
het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen; het zuiveren van afvalwater.
Het waterbeheer staat daarnaast voor een grote veranderopgave als gevolg van tal van grote ontwikkelingen. Om te kunnen blijven werken aan ‘droge voeten en schoon water’, moet het hoogheemraadschap zich nog nadrukkelijker en soms met nog meer inzet richten op deze ontwikkelingen. Het hoogheemraadschap gaat aan de hand van drie thema's voor de toekomst aan de slag met deze veranderopgave:
•
een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat in 2027;
• •
een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen in 2027; water en waterschap als onderdeel van de samenleving in 2027.
Keur en Beleidsregels Op grond van de Waterwet is van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden;
35
Maar ook aan:
• •
Onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Planspecifiek Waterkering Het zuidelijke deel van het tracé is binnen de beschermingszone van de waterkering gelegen. Hieraan wordt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend. Waterkwantiteit Er is afstemming geweest met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het Hoogheemraadschap heeft de volgende eisen meegegeven. Bij een toename van verharding van meer dan 500 m² dient een percentage van de extra aangelegde verharding terug gegraven te worden als oppervlaktewater binnen de polder. Dit wordt berekend in vierkante meters op de waterlijn. Er dient 5% van de netto verhardingstoename aan water gecompenseerd te worden in dit gebied. Water moet gecompenseerd worden binnen hetzelfde peilgebied als waar de verharding wordt toegevoegd. De kades van de Rotte mogen niet aangepast worden In het noordelijke deel, op het grondgebied van de gemeente Lansingerland wordt extra oppervlaktewater gerealiseerd in de vorm van een 'overige watergang'.
Dit dient als watercompensatie binnen het zelfde peilgebied. Hierbij wordt uitgegaan van een uitvoering met natuurvriendelijke oevers. Het nieuwe fietspad in het noordelijke deel heeft een oppervlakte van 3.260m², daarnaast wordt in hetzelfde peilvak 93 m² weg verbreed. Hiermee wordt de compensatiegrens overschreden en dient 5% gecompenseerd te worden. Deze 5% van de verhardingstoename bedraagt 168 m². Langs het noordelijke perceel worden nieuwe sloten gegraven met een wateroppervlak van ca. 646 m² (oppervlak tussen taluds is een stuk groter). Dit wordt dus ruim gecompenseerd. Langs het peilvak van de Rotte wordt 493 m² verharding extra aangelegd. Dit blijft onder de compensatiegrens van 500 m² en hoeft daarom niet gecompenseerd te worden. Waterkwaliteit Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd duurzaam te bouwen. Dit houdt in dat het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink, koper, bitumineuze materialen en geïmpregneerd hout voorkomen dienen te worden. Bij de verdere uitwerkingen zal hier rekening mee gehouden worden. Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorliggende initiatief.
4.10 Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit de WOll-tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2014 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is naar onze mening niet noodzakelijk. Hoewel er geen
36
indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Niet gesprongen explosieven vormen geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
37
hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Toelichting op de planregels De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de geldende bestemmingsplannen. In onderstaande paragrafen zullen de regels nader worden uiteengezet.
5.3 Bestemmingen De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Zuidplas en Lansingerland. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Recreatie Het recreatieve fietspad wordt bestemd als 'Recreatie'. Binnen deze bestemming is tevens de naastliggende berm geregeld. Op de gronden bestemd als 'Recreatie' mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel zijn hier bouwwerken toegestaan ten behoeve van kunstwerken, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen. Deze bouwwerken mogen maximaal 3 m hoog zijn. Veder zijn er erf- en terreinafscheidingen toegestaan met een maximale hoogte van 2 m. Bovendien is geregeld dat openbare wegverlichting is toegestaan. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden en parkeervoorzieningen. Tevens zijn binnen deze bestemming groenvoorzieningen en water toegelaten. Er zijn geen gebouwen toegestaan. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten, zoals lichtmasten, straatmeubilair e.d. Waarde - Archeologie - 2 en Waarde - Archeologie - 4a De belangen vanuit archeologie zijn veilig gesteld middels de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie - 4a'. De begrenzingen zijn ontleend aan het 'Archeologisch Bureauonderzoek'.
De regelingen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie' (2018), waarbij
38
op basis van het bureauonderzoek de diepte- en vrijstellingsmaten zijn aangepast in 'Waarde - Archeologie 4a'. Zoals aangegeven in de 'Parapluherziening Archeologie' zijn de gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde vrijgesteld van archeologisch onderzoek, waardoor aan deze gebieden geen archeologische dubbelbestemming is toegekend. Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemming is toegekend aan de gronden binnen de beschermingszone van de waterkering. Op deze gronden mogen ten behoeve van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Bouwwerken ten behoeve van samenvallende bestemmingen mogen op enkele uitzonderingen na - uitsluitend met een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag worden gebouwd. Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de betreffende waterkering, omtrent de vraag of de belangen van de waterkering niet onevenredig worden geschaad. Verder is op een vergelijkbare wijze een omgevingsvergunning vereist voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Gebiedsaanduiding vrijwaringszone - molenbiotoop Deze gebiedsaanduiding is toegekend aan de gronden binnen de vrijwaringszone van de nabijgelegen molen.
Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element.
39
hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek In het kader van de uitvoering van het plan voor het Verlengde Molengangenpad is een realisatieovereenkomst ondertekend door de gemeenten Lansingerland, Zuidplas en het Recreatieschap Rottemeren. Daarin is overeengekomen dat het Recreatieschap verantwoordelijk is voor de uitvoering en voorbereiding (waaronder de aanvraag van de vergunningen) van het pad, inclusief de financiering. Ook is het Recreatieschap verantwoordelijk voor het voeren van het minnelijk overleg voor verwerving van de benodigde gronden voor de aanleg van het Project. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het voeren van de benodigde procedures voor het wijzigen van het bestemmingsplan en indien noodzakelijk de onteigeningsprocedure. Daarmee is de (economische) uitvoerbaarheid gewaarborgd.
40
hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt vervolgens met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie Bij de besluitvorming omtrent de beoogde ontwikkeling van het Verlengde Molengangenpad is van meet af getracht de verschillende stakeholders te betrekken. Tot 2018 was met name de gemeente Zuidplas de trekker van het project. In dit kader is in 2013 bij de vaststelling van de 'Structuurvisie Zuidplas 2030' en de 'Mobiliteitsvisie Zuidplas' sprake geweest van een participatietraject. Vervolgens is in de periode van 2015 2017 de haalbaarheid verder onderzocht waarbij opnieuw aan participatie is gedaan. Vanaf 2018 is het project het Verlengde Molengangenpad onder de regie van het Recreatieschap Rottemeren gebracht. In dit kader zijn verschillende informatie-/participatiebijeenkomsten voor omwonenden georganiseerd (11 april 2019, 7 juli 2020 en 29 juni 2021) en zijn omwonenden middels nieuwsbrieven/informatiemails en een webpagina geïnformeerd over de stand van zaken. Ook verzorgt de projectleider van het Recreatieschap Rottemeren iedere maand een digitaal spreekuur over het project Verlengde Molengangpad. Er wordt geconstateerd dat er met name vanuit de directe omgeving weinig draagvlak is voor de realisatie van het Verlengde Molengangenpad. De voornaamste bezwaren hebben betrekking op:
• • •
verkeersveiligheid; toenemende drukte en de daaraan verbonden overlast; negatieve effecten op de bedrijfsvoering van langs het tracé gelegen bedrijven.
Voor zover de geuite bezwaren betrekking hebben op de inrichting van het tracé en/of de verkeersveiligheid zijn aanbevelingen uit het verkeerskundig advies overgenomen waarmee het ontwerp verkeersveilig wordt uitgevoerd. In dat verband zijn tevens aanvullende studies verricht en is op 29 juni 2021 een Informatiebijeenkomst gehouden over het onderzoek alternatieve tracés, waarbij zoveel mogelijk rekening is gehouden met de gemaakte opmerkingen. Dat betekent niet dat alle bezwaren weggenomen kunnen worden. Met name bezwaren die te maken hebben met het gebruik van het toekomstige fietspad en de daaraan verbonden toename van drukte in het gebied kunnen niet volledig met inrichtingsmaatregelen
41
opgelost worden. Wel onderneemt het recreatieschap diverse activiteiten om tot spreiding van drukte te komen (Ontwikkelplan) en om via gedragsbeïnvloeding te voorkomen dat conflicten tussen gebruikersgroepen met verschillende snelheden ontstaan. Daarnaast zal het verlengde deel vanaf de voor het autoverkeer doodlopende Rottedijk slechts toegankelijk zijn voor fietsers en wandelaars waardoor voor dit deel de invloed op de verkeersintensiteit niet aanmerkelijk is.
7.3 Vooroverleg Vooroverleg gemeente Lansingerland In het kader van het vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening, is het voorontwerpbestemmingsplan op 23 mei 2022 door de gemeente Lansingerland verstuurd naar verschillende vooroverlegpartners. De instanties zijn in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een reactie in te dienen tegen het plan. Reacties zijn ontvangen van Gasunie, provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Natuur- en Vogelwacht Rotta, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en DCMR Milieudienst Rijnmond. De opmerkingen zijn hieronder samengevat en van een gemeentelijke reactie (in cursief) voorzien. Weliswaar zijn de vooroverlegreacties ingediend bij de gemeente Lansingerland, maar de opmerkingen hebben evenzeer en soms vooral betrekking op het deel van de gemeente Zuidplas. 1. Gasunie Gasunie geeft aan dat er in de nabijheid van het plangebied meerdere aardgastransportleidingen van hen liggen. Het tracé heeft geen direct raakvlak met deze leidingen en Gasunie heeft derhalve geen opmerkingen. De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan. 2. Provincie Zuid-Holland De provincie geeft aan dat vanuit het provinciaal beleid voor zowel Ruimtelijke Kwaliteit als Landschap, dit een zeer gewenste ontwikkeling is. Ook is de route opgenomen in het Nationaal Toekomstbeeld Fiets.
De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan. In zowel provinciaal al gemeentelijk beleid en regelgeving heeft het gebied ook voor de toekomst echter ook een duurzame agrarische functie. Door het realiseren van de fietsverbinding neemt het agrarisch oppervlak af en worden percelen doorsneden, en de uitstraling van het landschap verandert. In de toelichting van het plan ontbreekt de aandacht voor de (verandering van de) agrarische gebruikswaarde, en wij verzoeken de gemeente dan ook in de plantoelichting nader in te gaan op het belang van en de gevolgen voor de agrarische bedrijfsvoering in het gebied. In het kader van de Alternatievenstudie is ook het belang vanuit de agrarische sector meegewogen. daarbij is geconcludeerd dat de nadelige gevolgen voor de omgeving van het Definitief Ontwerp voor het agrarisch gebied of de omwonenden beperkter is dan van alle andere onderzochte alternatieven. De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan. Daarnaast zijn er nog enkele aandachtspunten vanuit Recreatie:
•
De verbinding langs het Verlengde Molenpad heeft in potentie alles in zich om uit te groeien tot een zeer populaire doorgaande fietsverbinding tussen Rotte en Bentwoud. We raden aan om in de plantoelichting nader in te gaan op de recreatieve druk op en rond het pad zelf.
•
De kruising van het doorgaande fietspad met de Moerkapelse Zijde (veel autoverkeer, hoge snelheden, onoverzichtelijke situatie) ter hoogte van de Hollevoeterbrug is vanuit verkeersveiligheid in de huidige situatie reeds problematisch, met een doorgaande fietsroute tot het Bentwoud wordt dat zeker niet minder. We raden aan om deze directe verkeerskundige relatie mee te nemen in de toelichting, ondanks dat dit buiten het plangebied valt.
•
Het Verlengde Molenpad is onderdeel van diverse wandelroutes. De combinatie van wandelen en fietsen vraagt om gepaste maatregelen, en om de wandel- en fietsveiligheid te waarborgen is het raadzaam hier aandacht aan te besteden.
42
De genoemde aandachtspunten hebben een rol gespeeld bij de totstandkoming van het ontwerp voor het beoogde Verlengde Molengangenpad, waarbij ruim aandacht is besteed aan de verkeerskundige consequenties. De reactie leidt niet tot een aanpassing van het plan. 3. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het hoogheemraadschap heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben op het bestemmingsplan. De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan. 4. Natuur- en Vogelwacht Rotta Verzocht wordt om het plan in te trekken en te kiezen voor een ander, toekomstgericht alternatief. Het gaat immers om een heel aantrekkelijke fietsverbinding, die heel veel fietsers gaat trekken en twee heel belangrijke natuur- en recreatiegebieden met elkaar verbindt. Het voorliggende plan kan daar niet voor dienen. Bovendien draagt het niets bij aan de toekomst van de ecologische verbinding tussen het Rottemerengebied en het Bentwoud. Opnieuw wordt voorgesteld om aan de westkant van de Rotte, vanaf de Hollevoeterbrug tot aan het Bentwoudpad, onderaan de Rottedijk, een brede zone in te richten met een fietspad, voetpad en ruiterpad omzoomd met water, natuurvriendelijke oevers en struweel. Een dergelijke zone zorgt ervoor dat er een basis gelegd wordt voor de ecologische verbinding tussen het Rottemerengebied en het Bentwoud.
Niet begrepen wordt waarom gekozen wordt voor de goedkoopste oplossing die denkbaar is. Onze omgeving staat onder enorme druk. De pandemie heeft uitgewezen hoe belangrijk de groene gebieden voor veel mensen zijn. Het zou u wat waard moeten zijn om met de snel groeiende aantallen inwoners te zorgen voor completering van de lange termijn plannen ten aanzien van de natuur- en recreatiegebieden van Lansingerland. In dat verband wordt verwezen naar ‘Groen en Recreatie Lansingerland’, een visie op een samenhangende ontwikkeling van groen- en recreatiegebieden uit 2008 van landschapsarchitect Peter Verkade. Gebaseerd op die visie zou het passend zijn om de door Rotta voorgestelde zone in de toekomst aan de westkant van de Rotte door te trekken vanaf de Hollevoeterbrug in zuidelijke richting tot aan de A12. Bovendien wordt hiermee gepruts aan het bestaande dijkje voorkomen en wordt veel ongenoegen voorkomen, bijvoorbeeld tussen bewoners en passerende groepen wielrenners. Er heeft een zorgvuldige afweging plaatsgevonden waarbij verschillende tracés met elkaar zijn vergeleken, waaronder drie varianten aan de westkant van de Rotte. Uit die alternatievenstudie, waarbij de tracés op inhoud en op draagvlak zijn gewogen, kwam het nu voorliggende tracé als voorkeurstracé naar voren, zoals aangegeven in paragraaf 2.4.2 van de toelichting.
Bovendien blijkt uit de uitgevoerde Quickscan Wet natuurbescherming dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan. 5. Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond De Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond adviseert zorg te dragen dat het fietspad toegankelijk wordt gemaakt, qua aslasten, vrije doorgangsbreedte en -hoogte, voor hulpdiensten zodat deze bij een incident adequaat kunnen optreden. Daarnaast wordt geadviseerd het fietspad tijdens werkzaamheden preventief af te (laten) sluiten voor verkeer. Tot slot wordt geadviseerd dat de aangrenzende gemeente en veiligheidsregio elkaar informeren over planning en uitvoering van werkzaamheden aan, of in de directe nabijheid van transportleidingen. Bij de verdere uitwerkingen wordt, waar mogelijk, rekening gehouden met de opmerkingen van de Veiligheidsregio. De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan. 6. DCMR Milieudienst Rijnmond De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft aangegeven dat de omgevingsaspecten voldoende zijn onderzocht. Zij geven aan geen opmerkingen te hebben op het bestemmingsplan. De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan.
43
7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 28 december 2023 tot en met woensdag 7 februari 2024 voor iedereen ter inzage gelegen. Gedurende die periode zijn 9 zienswijzen ingediend. Ook is een vooroverlegreactie ontvangen. In de als bijlagen bij toelichting, bijlage 6 opgenomen 'Nota van beantwoording' zijn de zienswijzen en de vooroverlegreactie weergegeven met een gemeentelijke reactie op deze zienswijzen en overlegreactie. Daarbij is ook aangegeven of het tot aanpassing van het bestemmingsplan leidt.
44